CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

D1d. bijlage - Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de.pdf

Raadsavond 7 juni 2022, gemeente DuivenBij agendapunt: - stukken ter agendering voor informatieronde41.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Een woordvoerder van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft zich in het dagblad als volgt geuit: “Healing waarin homoseksuelen en hiv-patiënten worden genezen, is een gewone alternatieve geneeswijze en zolang er geen arts aan te pas komt die zijn beroep te grabbel gooit, is er niets aan de hand.”5 De Verenging tegen de Kwakzalverij vindt dit een opvallende uitspraak en heeft daarom de Inspectie voor de Gezondheidszorg om een toelichting gevraagd.6 Een jaar later wordt naar buiten gebracht dat medewerkers van het VU medisch centrum (VUmc) in Amsterdam en de justitiële jeugdinstelling Harreveld homoseksuele mannen gewezen hebben op de mogelijkheid van genezing. Zo heeft een laborante van het VUmc een hiv-positieve homoactivist geadviseerd om een bezoek te brengen aan een pinkstergemeente. Hier zou hij verlost kunnen worden van het gebruik van zijn medicijnen en seksuele voorkeur.7 In 2012 ontdekt Trouw dat homoseksuelen de kosten voor het volgen van een conversietherapie volledig kunnen declareren via de zorgverzekeraar. Dit is mogelijk omdat de therapie ‒ waarbij homoseksuelen werden geholpen bij het onderdrukken en beheersen van hun gevoelens ‒ wordt aangeboden door een erkende instelling voor gezondheidszorg. Het valt onder de basiszorg.

Deze ontdekking leidt ertoe dat het onderwerp onder de aandacht komt van politieke partijen.8 Minister Schippers van Volksgezondheid vindt dat het vergoeden van conversietherapieën door verzekeraars zo snel mogelijk afgeschaft moet worden. Een meerderheid in de Tweede Kamer sluit zich hierbij aan.9 Er wordt besloten dat zorgverzekeraars en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) scherper zullen toezien op de therapie en dat het College voor Zorgverzekeringen de behandeling zal evalueren.10 Na een inspectie van de IGZ wordt echter geconcludeerd dat er in de betreffende zorginstelling geen conversietherapie wordt aangeboden. Minister Schippers licht toe dat er geen sprake is van het veranderen van seksuele voorkeur, maar dat de behandeling gericht is op het aanvaarden van wie men is en op de keuze om wel of niet een homoseksuele relatie aan te gaan. Ondanks deze conclusie besluit minister 5. 6. 7. 8. 9. 10.

Dros (2008, 27 september). Vereniging tegen de Kwakzalverij (2008, 23 november). Skipr (2009, 14 juli). Algemeen Dagblad (2012, 17 januari). NOS (2012, 17 januari). Van Lieshout (2012, 18 januari).

25

Schippers een half jaar later dat zorgverzekeraars conversietherapie niet langer mogen vergoeden.11 In Nederland is het aanbieden van conversietherapieën niet verboden. Nadat het lange tijd geen onderwerp van gesprek is geweest, zorgt een reportage van EenVandaag (februari 2019) ervoor dat het onderwerp weer hoog op de agenda van de Nederlandse politici komt te staan. In de reportage vertelt een volwassen homoseksuele man dat hij als jongvolwassene twee jaar lang opgesloten is geweest op een boerderij om daar zijn homoseksualiteit te laten veranderen in heteroseksualiteit. Mede op basis van deze reportage vraagt een Kamermeerderheid in mei 2019 de regering om met een wetsvoorstel te komen om conversietherapie strafbaar te stellen.12 Dit is volgens de Kamerleden nodig aangezien slachtoffers van conversietherapie vaak jong, onzeker en kwetsbaar zijn. De uitzending van EenVandaag, maar ook andere tv-uitzendingen13 laten zien dat sommige orthodox-christelijke, islamitische en joodse geloofsgemeenschappen (vormen van) ‘conversietherapie’ kunnen aanbieden. Het is echter de vraag of dit een representatief beeld is en of geloofsgemeenschappen in andere religieuze stromingen of (reguliere) zorgaanbieders – al dan niet met een religieuze grondslag – actief zijn op dit terrein.

Dit zorgt ervoor dat onbekend is wat het totale aanbod van conversietherapieën is en logischerwijs is daarmee ook onbekend hoeveel mensen in Nederland hiervan gebruikmaken. De casuïstiek en het beperkte onderzoek dat wel voorhanden is, leert tevens dat SOGIECE verschillende vormen aan kan nemen, waarbij het spectrum grofweg ingedeeld kan worden naar dat van onderdrukken of ontmoedigen en individuele hulpgesprekken, al dan niet gepaard gaande met verbaal geweld en/of zelfs fysiek geweld tot en met indringende gebedssessies om demonen uit te drijven. De doelstellingen van de therapie verschillen van onderdrukking of ontmoediging van (de praxis van) seksuele gevoelens tot het daadwerkelijk willen omkeren van de gerichtheid naar heteroseksueel. Uit getuigenissen van ervaringsdeskundigen in mediaberichtgeving wordt duidelijk dat de therapieën een grote impact kunnen hebben op de mentale gesteldheid van de hulpvragers, maar er is nog te weinig onderzoek verricht om de gevolgen duidelijk te kunnen schetsen. De berichtgeving is aanleiding geweest voor D66-Kamerlid Vera Bergkamp om een motie in te dienen tijdens het Algemeen Overleg Huiselijk Geweld en Kindermishandeling.14 In de motie wordt gevraagd om onderzoek te verrichten naar de mate waarin jongeren en kwetsbare personen worden blootgesteld aan conversietherapieën of homogenezingstherapieën.

11. RTL Nieuws (2012, 5 juni). Zuiver gesteld heeft de inspectie niet kunnen vaststellen dat er sprake is van homoconversietherapie, maar de minister alsmede de inspectie zeggen of suggereren in een persbericht dat de inspectie heeft vastgesteld dat er geen sprake is van homoconversietherapie (zie Derks 2009, 66-67). 12. TK, vergaderjaar 2018-2019, 30420, nr. 311. 13. EenVandaag, februari 2019; Ewout &, april 2019; Beau, september 2019. 14. TK, vergaderjaar 2018-2019, 28345, nr. 219.

26

Deze motie heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met actieve betrokkenheid van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het ministerie van Justitie en Veiligheid ertoe gebracht een onderzoek te laten uitvoeren met de volgende vraagstelling: Wat zijn in Nederland de aard, omvang en gevolgen van activiteiten gericht op SOGIECE? En welke oplossingsrichtingen zijn er om door middel van (beleids-)maatregelen de diverse vormen van SOGIECE in Nederland aan banden te leggen?

Deze vraagstelling wordt beantwoord aan de hand van acht onderzoeksvragen: 1) Welke verschijningsvormen van SOGIECE zijn er te onderscheiden? 2) In welke (religieuze of andersoortige) context vinden SOGIECE plaats? 3) Wie zijn de aanbieders van SOGIECE? 4) Wat is de geschatte omvang van het aanbod van en deelname aan SOGIECE? 5) Wat is het profiel van ervaringsdeskundigen die met activiteiten gericht op SOGIECE te maken hebben gehad (onder andere leeftijd)? 6) Welke gevolgen hebben de activiteiten gericht op SOGIECE voor de ervaringsdeskundigen? 7) Waar en op welke wijze wordt SOGIECE als een probleem ervaren? 8) Welke (haalbare) maatregelen kunnen worden genomen om de ervaren problemen te adresseren en te voorkomen?

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk (2) staan de opzet en uitvoering van het onderzoek beschreven, gevolgd door een overzicht van de wetenschappelijke literatuur over ‘conversiepraktijken’ (3) en een media-analyse (4). De hoofdstukken 3 en 4 zijn bedoeld als achtergrondinformatie. De daaropvolgende hoofdstukken vormen het empirische hart van het onderzoek en gaan in op de verschillende standpunten omtrent (het veranderen van) een niet-heteroseksuele gerichtheid (5) en de aard en omvang van activiteiten gericht op SOGIECE in Nederland (6). In het hoofdstuk erna (7) volgt een gedetailleerde beschrijving van de ervaringen van veertien LHBTI-personen die te maken hebben gehad met SOGIECE. De aanpak in het buitenland en Nederland komt daarna (8) en volgt in juni 2020. In het laatste hoofdstuk staan de voorlopige conclusies (9).

27

2 Opzet en uitvoering van het onderzoek In dit hoofdstuk staat beschreven hoe het onderzoek is opgezet en uitgevoerd. Er heeft uitvoerig deskresearch plaatsgevonden, gevolgd door web-enquêtes voor de LHBTI-groep en geloofsgemeenschappen. Daarnaast zijn er interviews afgenomen. Voor deel II van het onderzoek worden nog twee expertsessies georganiseerd. Daarna volgt een reflectie over de wijze waarop het onderzoek is verlopen en de reikwijdte van de bevindingen. Het hoofdstuk besluit met een resumé.

2.1 Deskresearch De deskresearch heeft bestaan uit twee onderzoeksactiviteiten: een literatuurstudie en een analyse van nieuwsberichten.

2.1.1 Literatuurstudie Voor de onderzoeksactiviteit in dit hoofdstuk is gezocht naar wetenschappelijke publicaties uit zowel Nederland als het buitenland. Het doel is om zicht te krijgen op de verschillende vormen die SOGIECE aan kunnen nemen, evenals de context waarin het gebeurt en de gevolgen die de activiteiten, gericht op SOGIECE hebben voor de hulpvragers. Hiernaar is in geëigende zoekomgevingen, zoals Picarta en Google Scholar gezocht met de volgende trefwoorden en equivalenten daarvan: ‘conversietherapie’, ‘homoseksualiteit en geloof’, ‘homogenezingstherapie’, ‘homogenezing’, ‘conversion therapy’, ‘sexual orientation conversion therapy’, ‘sexual orientation change efforts’, ‘reparative therapy’, ‘reparative therapy harm’, ‘homosexuality and religion’, ‘homosexuality and church’ en ‘healing homosexuality’. Voor wat betreft het tijdvak waarin deze wetenschappelijke publicaties zijn gepubliceerd, zijn geen beperkingen aangehouden. Op voorhand kan worden gezegd dat de zoektocht geen relevante Nederlandse peer reviewed artikelen heeft opgeleverd. Het zijn louter buitenlandse studies die ingaan op de aard en omvang van SOGIECE. De zoektocht heeft vijftig relevante (peer reviewed) artikelen opgeleverd.

2.1.2 Analyse nieuwsberichten Om enig zicht te krijgen op wat er in de Nederlandse media is geschreven over ‘SOGIECE’ is gebruik gemaakt van de databank LexisNexis. Dit is een tool die toegang geeft tot meer dan 36.000 internationaal gerenommeerde nieuwsbronnen en zakelijke bronnen. De database bevat ruim 75 Nederlandse uitgevers, waaronder alle grote landelijke en regionale kranten en opiniebladen. Er is voor gekozen om de deskresearch te beperken tot publicaties uit de afgelopen vijftien jaar (periode 2005-2020). Voor deze periode is gekozen om een eventuele verandering in beeldvorming over de afgelopen jaren waar te kunnen nemen, maar de deskresearch toch enigszins te beperken. Verder is alleen gekeken naar Nederlandstalige

28

artikelen, maar er zijn wel artikelen meegenomen die de situatie in het buitenland beschrijven. De mediaberichten zijn geanalyseerd aan de hand van een vooraf opgesteld coderingsformat. In dit format staat – naast de belangrijkste kenmerken van iedere bron – een aantal variabelen uitgewerkt dat betrekking heeft op de onderzoeksvraag. In de bijlage is de volledige uitwerking van het coderingsformat te vinden. Voor iedere bron is aangegeven of er gesproken is over of met hulpvragers en zo ja, wat de ervaring van de hulpvragers is. Verder is per bron aangegeven of er gesproken is over of met aanbieders en zo ja, welke organisatie dit betreft en wat voor therapieën zij aanbiedt. Tot slot is er met betrekking tot de beeldvorming in de media ook per bron aangegeven wat de algehele waardering ten opzichte van ‘homogenezing’ en/of het eventuele verbod is. Op basis van de zoekstrategie in LexisNexis en het gebruik van verschillende zoektermen zijn uiteindelijk honderd15 artikelen geselecteerd voor de deskresearch naar mediaberichtgeving. Omdat verschillende dagbladen nogal eens letterlijk de tekst uit een andere krant willen overnemen, zijn artikelen met een gelijke inhoud slechts één keer meegeteld. Er is voor gekozen om het artikel dat als eerste is gepubliceerd mee te nemen in de selectie.

Wanneer verschillende artikelen betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, maar dit op een andere manier behandelen, zijn beide artikelen meegenomen in de selectie om het verschil in beeldvorming weer te geven. De artikelen in de selectie zijn gepubliceerd tussen 1 november 2016 en 20 februari 2020.

2.2 Websurveys Voor het onderzoek zijn twee surveys ontwikkeld: een voor de LHBTI-gemeenschap en een voor geloofsgemeenschappen, omdat uit een vooronderzoek bleek dat de kwestie rond SOGIECE vrijwel altijd een relatie had met het geloof en een geloofsgemeenschap waarvan de homoseksuele jongere deel uitmaakte. De aanbieders buiten de kring van geloofsgemeenschappen zijn benaderd om mee te werken aan een interview (zie 1.3).

2.2.1 Survey geloofsgemeenschappen In totaal zijn 588 geloofsgemeenschappen benaderd om de vragenlijst in te vullen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen christelijke, joodse, islamitische en overige geloofsgemeenschappen. Er is gekozen voor een vragenlijst die alle geloofsgemeenschappen zouden kunnen invullen, waarbij geprobeerd is om de terminologie zo te gebruiken dat elke vertegenwoordiger van een geloofsgemeenschap zich erin kon herkennen.16 Hierbij is aansluiting gezocht bij het begrip SOGIECE, dat niet alleen therapeutische settingen impliceert, maar ook betrekking kan hebben op onderdrukking en ontkenning van een nietheteroseksuele gerichtheid (zie hoofdstuk 3). Om die reden is ook meer in het algemeen 15. In de eerste selectie o.b.v. zoekterm, titel, introductie en aantal woorden zijn 122 artikelen geselecteerd. In de uiteindelijke selectie zijn daarvan 22 artikelen komen te vervallen, omdat zij inhoudelijk te veel overeenkwamen met andere artikelen. 16. Zie bijlage 2 voor de vragenlijst voor de geloofsgemeenschappen.

29

beschreven hoe geloofsgemeenschappen omgaan met medegelovigen die een niet-heteroseksuele gerichtheid hebben. Op basis van openbare bronneninformatie is een willekeurige selectie gemaakt van lokale geloofsgemeenschappen.17 Zij zijn aangeschreven via hun e-mailadres met het verzoek om de vragenlijst in te vullen. De vragenlijst is met een link opgenomen in de mail. Veertig van de 588 mailadressen bleken onjuist of inactief. Meer dan de helft van de aangeschreven geloofsgemeenschappen heeft de vragenlijst geopend (57%). Een deel daarvan heeft in elk geval de vraag beantwoord in hoeverre homoseksualiteit aangeboren of aangeleerd is (n=160). De beantwoording van deze vraag is als uitgangspunt genomen om de respons te bepalen. De respons na de eerste verzending van de vragenlijst was gemiddeld 24 procent, maar varieerde behoorlijk tussen de diverse stromingen (zie figuur 1). Tabel 1– Respons survey geloofsgemeenschappen Verstuurd en ontvangen

Respons voor herinnering

Respons na herinnering

N

N en %

N en %

Protestantste Kerk in Nederland (PKN)

145

66 (46%)

75 (52%)

Orthodox-gereformeerde kerken (GKV; CGK; NGK)

53

9 (17%)

10 (19%)

Bevindelijk-gereformeerde kerken (GG; HHK)

24

14 (58%)

16 (67%)

Evangelische/baptisten-/pinkstergemeenten

115

16 (14%)

22 (19%)

Rooms-Katholieke Kerk

136

20 (15%)

26 (19%)

Islamitisch

46

0 (0%)

2 (4%)

Joods

29

4 (34%)

6 (21%)

Totaal

548

129 (24%)

160 (29%)

Geloofsgemeenschappen Christelijk

In vergelijking met de andere geloofsrichtingen hebben de evangelische, baptisten- en pinkstergemeenten, de orthodox-gereformeerde kerken, de katholieke parochies en de islamitische geloofsgemeenschappen in (veel) mindere mate gereageerd op het verzoek om de vragenlijst in te vullen. Na het versturen van een reminder is de respons gestegen van 24 naar 29 procent.

17. Van een lijst met christelijke geloofsgemeenschappen van een bepaalde stroming is bijvoorbeeld elke tiende genomen en bij andere geloofsgemeenschappen is per provincie een selectie gemaakt van tien geloofsgemeenschappen.

30

2.2.2 Survey onder LHBTI-groepen De tweede survey is bedoeld voor de LHBTI-gemeenschap. Deze survey bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt de achtergrond van de respondent in kaart gebracht. In het tweede deel ligt het accent bij de acceptatie van de seksuele gerichtheid/ genderidentiteit door de sociale omgeving van de respondent, waaronder de geloofsgemeenschap. In het laatste, derde deel van de vragenlijst is aandacht besteed aan vormen van en ervaringen met SOGIECE. Dit laatste deel van de vragenlijst is alleen ingevuld door personen die hebben aangegeven dat ze hier ervaring mee hebben. De conceptvragenlijst is voorgelegd aan een aantal professionals op het gebied van religie en genderstudies. De feedback is verwerkt en de definitieve vragenlijst is maandag 3 februari 2020 opengesteld. De enquête is onder de aandacht gebracht van de doelgroep met behulp van professionals die we eerder hebben gesproken en die ook de conceptvragenlijst hebben becommentarieerd. Het onderzoek is aangekondigd op de website van Wijdekerk, de Facebookpagina van Survibes, in een gesloten Facebookgroep van slachtoffers van SOGIECE en op de Facebookpagina van het COC. Het COC heeft het onderzoek tevens via hun Twitter-account (met circa 10.000 volgers) aangekondigd.

De link is eveneens gedeeld door LCC+18 met de volgende organisaties: ChristenQueer, Stichting Verscheurd, Stichting LKP, Homo in de Klas en het European Forum of LGBT Christian Groups. De dag na de lancering hebben 202 mensen doorgeklikt naar de vragenlijst, van wie 109 de vragenlijst volledig hebben ingevuld. Achttien respondenten hebben zich gemeld voor deelname aan een interview. Een week na de lancering van de vragenlijst is het aantal volledig ingevulde vragenlijsten gestegen tot 208. 71 respondenten hebben aangegeven dat ze te maken hebben gehad met pogingen tot conversie. In totaal hebben 395 mensen doorgeklikt naar de vragenlijst. De teller van het aantal volledig ingevulde vragenlijsten staat op 239 en het aantal respondenten dat aangeeft ervaring te hebben met conversie is 75. Dit sterkt de gedachte dat degenen die een vorm van conversie hebben meegemaakt en hierover wilden berichten in deze enquête vrij snel na de lancering de vragenlijst hebben ingevuld en dat het langer openstellen van de vragenlijst nauwelijks tot een verhoging van de respons zou hebben geleid. Maandag 24 februari 2020 is de enquête gesloten.

18. LCC+ is een alliantie uit verschillende organisaties en Christelijke allianties.

31

2.3 Interviews deskundigen Aan de hand van een topiclijst zijn interviews afgenomen bij diverse deskundigen. Onder de noemer ‘deskundigen’ vallen ervaringsdeskundigen, hulpverleners, professionals en vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen.19 In totaal zijn er 37 interviews afgenomen. Hieronder is ingegaan op de interviews met de verschillende deskundigen.

2.3.1..Ervaringsdeskundigen (N=14) De ervaringsdeskundigen zijn LHBTI-personen met ervaring op het gebied van (pogingen tot) onderdrukking, ontmoediging of omvorming van hun seksuele geaardheid. Zij zijn op verschillende manieren geworven voor een interview. Als eerste heeft een christelijke hulpverleningsinstantie bemiddeld en een aantal kandidaten aangedragen. Daarnaast hebben dertig mensen in de enquête voor de LHBTI-gemeenschap aangegeven mee te willen werken aan een (anoniem) interview. Hieruit is een nadere selectie gemaakt van hulpvragers die zo recent mogelijk ervaringen hebben opgedaan met prakijken van SOGIECE. Met de veertien geselecteerde ervaringsdeskundigen is onder andere gesproken over hun (kerkelijke) achtergrond, het moment van uit de kast komen (en de periode kort daarvoor of daarna), de moeilijkheden die zij daarbij hebben ervaren, hun ervaringen met onderdrukkings- en ontmoedigingspogingen of pogingen tot verandering en welke gevolgen dat voor hen heeft gehad. De gesprekken, die soms emotioneel beladen waren, zijn in een goede sfeer verlopen en duurden gemiddeld twee uur. De ervaringsdeskundigen waren allen zeer verheugd dat er nu onderzoek naar dit onderwerp wordt gedaan. Na afloop zijn de ervaringsdeskundigen gewezen op de mogelijkheden van nazorg.

2.3.2 Aanbieders (N=3) Met de neutrale term hulpverleners wordt gedoeld op mensen en organisaties buiten de geloofsgemeenschappen die hulp hebben geboden of nog steeds bieden aan personen die hulp zoeken vanwege hun niet-heteroseksuele gerichtheid en die daarmee vallen onder de brede noemer van SOGIECE. De namen van deze personen en organisaties komen uit de overige informatiebronnen die voor dit onderzoek zijn geraadpleegd, met name uit de enquêtes en andere interviews. Gegeven de beschikbare tijd zijn er zestien personen en organisaties benaderd voor een interview. Bij drie is daadwerkelijk een interview afgenomen over hun achtergronden en beweegredenen waarom zij homoseksuele mannen hulp bieden. Tevens is gesproken over de kenmerken van de hulpvragers, de inhoud en lengte van de interventies en de gevolgen voor de hulpontvangers. Deze interviews duurden gemiddeld anderhalf uur en verliepen in een goede sfeer. Van de overige benaderde personen en organisaties is – ook na een herinnering –geen enkele reactie ontvangen, ook geen afwijzende reactie. De belangrijkste reden voor het niet willen meewerken is ‘geen tijd/prioriteit’.

19. In bijlage 4 staan de topiclijsten voor de deskundigen.

32

2.3.3 Professionals (N=12) Bij de categorie professionals moet gedacht worden aan personen die vanuit hun expertise (goed) zicht hebben op de praktijk van SOGIECE in Nederland en voldoende afstand daartoe hebben om een redelijk objectief beeld te kunnen schetsen. Met deze professionals is onder meer gesproken over de standpunten van geloofsstromingen rond niet-heteroseksueel georiënteerden en het fenomeen SOGIECE in Nederland. Hierbij betreft het uitdrukkelijk de gezichtspunten van de respondenten over de religies in kwestie en niet de officiële standpunten van de geloofsrichtingen Het gaat om professionals met de volgende beroepsomschrijvingen (zie tabel 3): Tabel 2– Overzicht professionals Professional

Aantal

Universitair religie-onderzoeker

3

Initiatiefnemer website voor LHBTI-personen en religie

2

Universitair theoloog

2

Medewerker van islamitische stichting voor LHBTI-personen

1

Medewerker / bestuurder van een sjoel

1

Adviseur seksuele diversiteit scholen

1

Journalist Katholiek maandblad

1

Trauma-therapeut

1

Er is voor gekozen geen namen te noemen van mensen die een interview hebben gegeven; wel zal de rol van waaruit ze hun visie hebben gegeven worden vermeld. Bij de geïnterviewden wordt gesproken over ‘deskundigen’ waarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen (1) hulpvragers, ervaringsdeskundigen, (2) hulpverleners (die iets doen met ‘genezing’), (3) vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen en (4) professionals, mensen die de materie op enige afstand beschouwen.

2.3.4 Vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen (N=8) Naar aanleiding van de websurvey hebben ruim veertig vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen aangegeven dat zij bereid zijn om mee te werken aan een aanvullend interview. Op basis van een willekeurige selectie is bij vier van hen een interview afgenomen. Daarnaast zijn negen (vertegenwoordigers van) geloofsgemeenschappen, die in de interviews met de ervaringsdeskundigen en professionals aan bod zijn gekomen, benaderd voor een interview, waaronder één koepelorganisatie. Om uiteenlopende redenen is niet iedereen bereid geweest tot een interview. In totaal is er met vier vertegenwoordigers van deze geloofsgemeenschappen gesproken. Dit brengt het totaal op acht vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen die zijn geïnterviewd (zie tabel 3). Met hen is gesproken over hoe zij – in casu de lokale geloofsgemeenschap – omgaan met gelovigen

33

die een niet-heteroseksuele gerichtheid hebben. De vertegenwoordigers tekenden daarbij op dat er ook in hun lokale geloofsgemeenschap verschillende denkrichtingen hierover bestaan. De lokale vertegenwoordigers van een geloofsgemeenschap spreken nadrukkelijk niet namens de gehele denominatie. De gesprekken duurden gemiddeld één uur en verliepen in een prettige, open sfeer. Tabel 3– Overzicht respondenten geloofsgemeenschappen Geloofsgemeenschappen

Aantal

Baptistengemeenten

1

Evangelische- en pinkstergemeenten

220

Rooms-Katholieke Kerk

2

Christelijke Gereformeerde Kerk

2

PKN

1

Totaal

8

2.4 Expertsessies nader in te vullen

2.5 Conceptueel kader en begrippen Onderhavige rapportage heeft als startpunt de wens van Tweede Kamerleden om een onderzoek te laten uitvoeren naar – kort gezegd – homoconversietherapie. Oorspronkelijk verwijst deze term naar op religie gebaseerde therapieën, gericht op de seksuele gerichtheid van mensen. In de loop van de tijd zijn deze werkwijzen aangepast en verbreed (Temple Newhook et al., 2018). Ook buiten religieuze instituten kunnen echter therapieën worden aangeboden, gericht op seksuele gerichtheid en expressie. Recent heeft het Canadese Centre for Gender and Sexual Health Equity (CGSHE) een rapport uitgebracht over homoconversietherapie (CGSHE, 2020). Zij sluiten hierin aan bij de bredere opvatting van homoconversietherapie van Ashley (2019), namelijk: “any treatment, practice, or sustained effort that aims to repress, discourage or change a person’s sexual orientation, gender identity, gender modality, gender expression, or any behaviors associated with a gender other than the person’s sex assigned at birth or that aims to alter an intersex trait without adequate justification.” Het gaat hierbij kort gezegd om aanhoudende, bewuste inspanningen om een niet-heteroseksuele gerichtheid te onderdrukken of te veranderen.

CGSHE impliceert ook dat in sommige gevallen de pogingen om iemands seksuele gerichtheid te 'onderdrukken, ontmoedigen of veranderen' minder duidelijk en heimelijker (insideous) van aard zijn, bijvoorbeeld als iemand met gezag (therapeut, geestelijke) blijk

20. Waaronder een koepelorganisatie.

34

geeft van een heteroseksuele attitude21 waardoor iemand zich al dan niet bewust gedwongen voelt om zijn niet-heteroseksuele gerichtheid te onderdrukken of te veranderen en daarmee niet te komen tot een volledige acceptatie van zijn/haar geaardheid. In dit verband spreekt CGSHE van ‘sexual orientation and gender identity and expression conversion efforts’ (SOGIECE). De auteurs plaatsen aan de basis van SOGIECE (inclusief conversietherapie) het heersende heteroseksuele (en cisgender) maatschappijbeeld dat eerst moet veranderen, wil – uiteindelijk – conversietherapie worden uitgebannen. Schematisch ziet het conceptuele model van CGSHE er als volgt uit: Figuur 1– De pyramide van Conversietherapie

Voor dit onderzoek is aansluiting gezocht bij het voornoemde model waarbij het vigerende maatschappijbeeld van seksualiteit (in casu heteroseksueel/cisgender; de onderkant van de piramide) als gegeven wordt genomen en vooral de aandacht naar het midden van het model en top, de ‘conversietherapie’ gaat. Beide elementen kunnen worden samengevat onder de noemer SOGIECE. Hieronder worden alle pogingen verstaan om iemand met een niet-heteroseksuele gerichtheid (of genderidentiteit) te (laten) veranderen dan wel die gerichtheid te onderdrukken of te ontmoedigen.

2.6 Reflectie In dit onderzoek zijn verschillende methoden toegepast om – binnen de beschikbare tijd en mogelijkheden – een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de activiteiten, gericht op SOGIECE in Nederland. De vraag is hoe representatief de bevindingen zijn. Een ondergrens voor wat betreft de omvang zijn de tientallen aanmeldingen van mensen die ervaringen hebben gehad met SOGIECE. Geen enkele daarvan was positief. Het betreft mensen die kunnen terugkijken op een periode waarin ze te maken hebben gekregen met 21. Het CGSJHE (2020) spreekt van ‘Cissexism’ (“is the belief or assumption that cisgender people’s gender identities, expressions, and embodiments are more natural and legitimate than those of trans people”) en ‘heterosexism’ (“is the belief or assumption that heterosexual people’s sexual orientation identities, behaviors, and attractions are more natural and legitimate than those of LGBQ and other sexually diverse people”), p. 6.

35

die praktijken en erover willen en kunnen praten. Verondersteld kan worden dat er thans mensen zijn die er nog ‘middenin zitten’. Dat zullen veelal jonge mensen zijn die nog ‘in de kast zitten’. Theoretisch is het ook mogelijk dat er mensen zijn die positieve ervaringen hebben met SOGIECE, alleen zijn zij in dit onderzoek niet naar voren gekomen. Wat betreft de hulpverleners kan worden gesteld dat de resultaten indicatief zijn voor de aard en omvang. Het is onduidelijk in hoeverre de responderende geloofsgemeenschappen representatief zijn voor het geheel. Mogelijk dat de non-respons binnen bepaalde denominaties met het onderwerp LHBTI – waarop nog een groot taboe rust – te maken heeft en de stromingen in kwestie om die reden niet willen meewerken aan een onderzoek over dit thema. In dit verband kunnen onder meer de evangelische en pinkstergemeenten en islamitische geloofsgemeenschappen worden genoemd die weinig tot nul respons hebben gegeven tot heden. Verder geldt dat de geloofsgemeenschappen die in dit onderzoek worden genoemd niet representatief hoeven te zijn voor alle geloofsgemeenschappen binnen diezelfde denominatie. Er is bijvoorbeeld iemand geïnterviewd vanuit de evangelische gemeenschap. Zijn standpunt hoeft geen gemene deler te zijn in die betreffende geloofsrichting in Nederland.

In het onderzoek zijn aanwijzingen gevonden voor het tegendeel en zelfs in een lokale gemeenschap kan natuurlijk verschillend worden gedacht en gehandeld waar het gaat om het onderwerp homoseksualiteit. Bij het lezen van de resultaten moet de nodige voorzichtigheid in acht worden genomen. Tegelijkertijd ontkomen de onderzoekers er niet aan om bepaalde geloofsgemeenschappen te benoemen bij hun specifieke richting om al te generaliserende statements zoveel mogelijk te voorkomen. Bij de interviews met de aanbieders past het voorbehoud dat het aantal beperkt is geweest en het mogelijk slechts een kleine selectie betreft van wat er bestaat aan SOGIECE in Nederland. Illustratief is dat er zo’n vijftien personen en organisaties zijn, die – volgens andere bronnen – hulp bieden (gericht op non-praxis of omvorming), die niet wilden meewerken aan dit onderzoek. Het is echter niet duidelijk in welke mate deze ontbrekende respondenten een groep ‘onzichtbare’ praktijken vertegenwoordigen. Tegelijkertijd zijn de interviews niet de enige bron en leveren de andere informatiebronnen voldoende handvatten op om een (eerste) indruk te geven van de activiteiten, gericht op SOGIECE in Nederland. Tot slot enkele opmerkingen over de gebruikte begrippen en de reikwijdte van het onderzoek. In dit onderzoek wordt gesproken over ‘SOGIECE’.

Strikt genomen gaat het om de groep LHBTI-personen, maar omdat er in dit onderzoek voornamelijk ervaringen van homoseksuele mannen en lesbiennes zijn beschreven, wordt de term SOGIECE gehanteerd. De term ‘veranderen’ dekt niet de hele lading van dit onderzoek. ‘Conversie’ in de zin van therapie is te beperkend. Er zijn ook geloofsrichtingen die niet zozeer vragen aan niet-heteroseksuelen om te ‘veranderen’, maar bijvoorbeeld om op een andere manier te leven; dus homo blijven, maar niet praktiserend. Dat is iets anders dan ‘veranderen’. Feitelijk betekent het dat ze onder voorwaarden deel mogen (blijven) nemen aan de geloofsgemeenschap.

36

3 Literatuuroverzicht en afbakening In dit hoofdstuk staan de wetenschappelijke onderzoeken naar SOGIECE beschreven. Er is voornamelijk gekeken naar Engelstalige studies. Nederlands onderzoek, specifiek op dit terrein, is schaars. De Nederlandse onderzoeken die er zijn, gaan vooral in op de acceptatie van mensen met een niet-heteroseksuele gerichtheid en niet zozeer op het fenomeen conversietherapieën. In dit hoofdstuk wordt op basis van de beschikbare literatuur ingegaan op de omvang, de aard en gevolgen van de conversie therapieën en de kenmerken van de hulpvragers. De termen die in dit hoofdstuk zijn gebruikt, zijn veelal de termen zoals deze ook in de genoemde publicaties staan vermeld. Daarin komt regelmatig de term conversietherapie voor.

3.1 De omvang van conversietherapieën Er zijn in Nederland en in het buitenland weinig wetenschappelijke onderzoeken beschikbaar die in kaart hebben gebracht in welke mate conversietherapieën worden aangeboden en ondergaan. In het vervolg worden vier buitenlandse onderzoeken besproken die hier wel op ingaan. In een van deze onderzoeken is een survey uitgezet uit 2017 waaraan 108.100 leden van de LHBTI-gemeenschap uit het Verenigd Koninkrijk van 16 jaar of ouder hebben deelgenomen (Government Equalities Office, 2019). Daaruit blijkt dat vijf procent van de respondenten een aanbod heeft gehad om een conversietherapie te ondergaan, tegenover twee procent die ook daadwerkelijk deel heeft genomen aan een conversietherapie. Ze hebben in het onderzoek geen definitie van conversietherapieën opgetekend, maar de aard van de behandelingen gingen van pseudo-psychologische behandelingen tot chirurgische ingrepen en corrigerende verkrachtingen. In The Trevor Project (2019) zijn 25.896 Amerikaanse jongeren van 13 tot 24 jaar onderzocht en daaruit blijkt dat tweederde zich ooit in een situatie heeft bevonden waarin iemand geprobeerd heeft hen te overtuigen om hun seksuele gerichtheid en/of genderidentiteit te veranderen. Daarnaast heeft vijf procent aangegeven daadwerkelijk ooit te hebben deelgenomen aan een conversietherapie.

Een ander onderzoek dat hierop is ingegaan, is het onderzoek van Mallory, Brown en Conron (2018). Zij schatten dat in de Verenigde Staten in 2018 698.000 LHBTI-personen van 18 tot 59 jaar (7 procent) ooit in hun leven een vorm van conversietherapie hebben ondergaan om de seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie te veranderen. De onderzoekers zijn tot dit getal gekomen door allereerst in kaart te brengen hoeveel homo- en biseksuelen in de Generations Study22 hebben aangegeven dat zij een therapie hebben ondergaan. Vervolgens hebben zij dit aantal vermenigvuldigd met het aantal mensen dat zich identificeert als LHBTI-persoon in de 2015-2017 Gallup Daily Tracking Survey (5,2 procent), om tot slot die uitkomst toe te passen op het totaal aantal 22. Het betreft een longitudinale studie die in Amerika wordt uitgevoerd onder drie generaties homoen biseksuelen. Met dit onderzoek wordt de gezondheid en het welzijn van de respondenten in kaart gebracht

37

volwassen Amerikanen van 18 tot 59 jaar. Een andere conclusie die Mallory, et al. (2018) hebben getrokken, is dat 350.000 van de 698.000 volwassenen een vorm van conversietherapie hebben meegemaakt gedurende hun adolescentenfase. Tot dit getal zijn de onderzoekers gekomen doordat 49,9 procent van de volwassenen in de Generations Study heeft aangegeven aan een conversietherapie te hebben deelgenomen toen zij 18 jaar of jonger waren. Dit percentage is vervolgens toegepast op de zojuist genoemde 698.000 LHBT-personen. Salway, Ferlatte, Gesink & Lachowsky (2020) hebben tot slot 8.338 mannen die behoren tot de LHBTI-gemeenschap een vragenlijst voorgelegd waarvan 294 mensen (3,5 procent) hebben aangegeven ooit te zijn blootgesteld aan een poging om de seksuele aantrekkingskracht jegens personen van hetzelfde geslacht te onderdrukken of te ontkennen. Gegeven de schatting dat vier procent van de Canadese bevolking tot een seksuele minderheidsgroep behoort (Salway, Plöderl, Liu & Gustafson, 2019), zou het prevalentiepercentage van 3,5 volgens de auteurs resulteren in 20.000 Canadezen die ooit zijn blootgesteld aan een vorm van conversietherapie. Het betreft waarschijnlijk een onderschatting, aangezien er geen vrouwen zijn meegenomen in dit onderzoek en doordat de survey alleen is uitgezet op websites van seksuele minderheden.

3.2 De aard van conversietherapieën Over de aard van conversietherapieën zijn meerdere deelonderwerpen te bespreken. Allereerst betreft het de typen therapieën die worden aangeboden en de (motivaties van) deelnemers aan conversietherapieën. Deze paragraaf sluit af met de aanbieders van dergelijke therapieën en hun motivatie daarvoor.

3.2.1 Typen therapieën Conversietherapie is geen duidelijk afgebakende praktijk, maar een verzameling van verschillende typen praktijken die als doel hebben om de seksuele gerichtheid te veranderen. Deze verandering kan zowel tot uiting komen door een verandering naar een heteroseksueel of cisgender (wanneer het geboortegeslacht overeenkomt met de genderidentiteit) leven als door het onderdrukken of ontmoedigen van de LHBTI-identiteit (Centre for Gender and Sexual Health Equity, 2020). De praktijken worden aangewend door al dan niet geaccrediteerde counselors van religieuze of antihomoseksuele organisaties en bevoegde professionals van privé of publieke geestelijke gezondheidsinstellingen (Morrow & Beckstead, 2004; Beckstead, 2012). Er worden in de literatuur vijf typen behandelingen onderscheiden: biologische behandelingen, gedragsinterventies, cognitieve therapieën, psychoanalyses en religieuze interventies. De biologische behandelingen kunnen chirurgisch (bijvoorbeeld door cauterisatie van het ruggenmerg23, transplantatie van de cellen van de testikels van een heteroseksuele man in de testikels van de homoseksuele man, castratie of eierstokverwijdering en lobotomie), convulsief (bijvoorbeeld met bepaalde medicijnen) en hormonaal 23. Verbranden van weefsels om een deel ervan te verwijderen of af te sluiten.

38

(bijvoorbeeld door het toedienen van steroïden om de mannelijkheid te vergroten) van aard zijn (Silverstein, 2003; Morrow & Beckstead, 2004). Ten tweede zijn er gedragsinterventies. Hierbij valt te denken aan het systematisch ongevoelig maken voor homoseksuele impulsen door middel van covert sensitization. Dit brengt aversieve reacties teweeg door elektrische schokken of misselijkmakende medicijnen toe te dienen in combinatie met homoseksueel erotische stimuli, zoals het zien van een foto waarop homoseksuele mannen elkaar kussen. Hierdoor ontwikkelt het individu angstgevoelens voor homoseksueel erotische stimuli (Silverstein, 2003; Morrow & Beckstead, 2004; Maccio, 2011; Beckstead, 2012; Flentje, Heck & Cochran, 2013; Salway, et al., 2020). Daarnaast zijn het aangaan van relaties met mensen van het andere geslacht, teamsporten gaan spelen, als vrouw in een vrouwelijke houding leren zitten, als man naar de sportschool gaan en daten met iemand van het andere geslacht ook gedragsinterventies (Shidlo & Schroeder, 2002; Johnston & Jenkins, 2006; Dehlin, Galliher, Bradshaw, Hyde & Crowell, 2015). De derde soort behandeling behelst cognitieve therapie waarbij het doel is om de ‘irrationele’ gedachten ten aanzien van heteroseksualiteit weg te nemen door de verlangens en gedachten van de homoseksueel te veranderen (Silverstein, 2003; Morrow & Beckstead, 2004; Beckstead, 2012).

Dit kan worden bereikt door met de homoseksueel in gesprek te gaan of door hem of haar te hypnotiseren, waarbij het idee is dat een homoseksuele gerichtheid voortkomt uit onderbewuste gedachten die gebaseerd zijn op traumatische gebeurtenissen uit het verleden (Nugraha, 2017; Mallory, Brown & Conron, 2018). De techniek, die in het onderzoek van Shidlo en Schroeder (2002) vooral is gebruikt, is dat de homoseksuele personen wordt verteld dat hun homoseksuele verlangens voortkomen uit emotionele stress-, schuld- en angstgevoelens en niet dat de emotionele stress voortkomt uit de homoseksuele verlangens. Hierdoor zou de homoseksuele persoon getriggerd worden om de strijd aan te gaan met de homoseksuele verlangens, omdat dit als oorzaak wordt neergezet. De vierde soort behandeling heeft een psychoanalytische invalshoek die ervan uitgaat dat homoseksualiteit ontstaat door een ontwikkelingsstoornis (Morrow & Beckstead, 2004). De stoornis zou ontstaan doordat een kind onvoldoende hechting heeft ervaren met zijn ouders of leeftijdsgenoten van hetzelfde geslacht. Dit zou ervoor zorgen dat het kind op latere leeftijd dit gemis wil herstellen en een homoseksuele voorkeur ontwikkelt. Dit gedachtegoed wordt ook toegepast in een behandeling die uit het onderzoek van Johnston en Jenkins (2006) naar voren komt.

Als oorzaak voor een seksuele gerichtheid worden namelijk kwalitatief slechte familierelaties genoemd. Wanneer een hulpvrager daarop aangeeft dat zijn of haar familierelaties goed zijn, wordt diegene verteld dat hij of zij iets over het hoofd heeft gezien of het niet toe heeft willen geven (Johnston & Jenkins, 2006). Om de onderliggende ontwikkelingsstoornis van homoseksualiteit te verhelpen, worden personen onderwezen in de traditionele genderrollen en wordt hen aangeleerd dat mensen van hetzelfde geslacht potentiële vrienden zijn in plaats van potentiële partners (Morrow & Beckstead, 2004).

39

De vijfde en laatste soort behandeling betreft religieuze interventies, zoals het veelvuldig lezen van de Bijbel en bidden tot God (Shidlo & Schroerder, 2002; Johnston & Jenkins, 2006; Salway, Ferlatte, et al., 2020). Dehlin et al. (2015) hebben onderzoek verricht naar 1.162 individuen die lid zijn (geweest) van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. In totaal zijn er wereldwijd zestien miljoen leden van deze geloofsgemeenschap waarvan de meesten in Amerika wonen.24 Om deel te mogen nemen aan het onderzoek moeten de leden 18 jaar of ouder zijn, op enig moment in hun leven aantrekkingskracht hebben gevoeld voor individuen van hetzelfde geslacht en ze moeten gedoopt zijn. Het blijkt dat 73 procent van de mannen (894 mannen) en 43 procent van de vrouwen (166 vrouwen) tenminste één vorm van conversie heeft ondergaan. De meest gebruikte vorm van conversie is dat individuen hebben geleerd om zich te gedragen conform hetgeen moreel is toegestaan volgens de religieuze overtuigingen. Deze vorm van conversie is gemiddeld voor de langste periode achter elkaar toegepast (voor mannen gemiddeld meer dan 12 jaar en voor vrouwen 8 jaar). Hiervoor hebben zij moeten bidden, hun relatie met Jezus Christus moeten versterken, hebben zij vaker de kerk moeten bezoeken en hebben ze daarnaast christelijke literatuur gelezen.

Deze middelen zijn ook toegepast op de jonge hulpvragers van 16 tot 18 jaar.

3.2.2 Typen hulpvragers Om een profiel te kunnen schetsen van de hulpvragers is naar zes onderzoeken gekeken waar wordt gesproken over de volgende persoonskenmerken: geslacht, leeftijd, religiositeit, religie, etniciteit, burgerlijke staat, opleidingsniveau en inkomen. Allereerst blijkt dat mannen over het algemeen vaker voorkomen in de onderzoeken dan vrouwen. Dit wil echter niet zeggen dat mannen ook vaker deelnemen aan conversietherapieën dan vrouwen (Shidlo & Schroeder, 2002; Spitzer, 2003; Jones & Yarhouse, 2011; Maccio, 2011).25 Daarnaast blijkt in zes onderzoeken de gemiddelde leeftijd op het moment dat de respondenten deel hebben genomen aan het onderzoek om en nabij 40 jaar te liggen met een redelijk overeenkomstige range van 18 tot 82. Deze cijfers geven echter geen informatie over de leeftijden waarop de hulpvragers een conversietherapie hebben ondergaan (Shidlo & Schroeder, 2002; Spitzer, 2003; Karten & Wade, 2010; Jones & Yarhouse, 2011; Maccio, 2011; Santero, Whitehead & Ballesteros, 2018). Een uitzondering hierop is het onderzoek van Flentje et al. (2013). Tot hun onderzoek behoren 38 respondenten van wie de jongste respondent 11 jaar oud is en de oudste 52 jaar ten tijde van hun eerste sessie conversietherapie (gemiddelde leeftijd van 23 jaar).

24. Deseret News (2018, 31 maart). LDS Church membership officially surpasses 16 million. Geraadpleegd op 23-04-2020 via https://www.deseret.com/2018/3/31/20642625/lds-church-membership-officially-surpasses-16-million 25. Shidlo en Schroeder (2002) baseren hun resultaten op de antwoorden van 202 deelnemers (182 mannen en 20 vrouwen). Spitzer (2003) had 200 respondenten (143 mannen en 57 vrouwen), Jones en Yarhouse (2011) hadden 98 respondenten (72 mannen en 26 vrouwen) en het onderzoek van Maccio (2011) omvatte 37 respondenten (23 mannen en 14 vrouwen).

40

Een ander kenmerk betreft de religiositeit van de hulpvragers. De conclusie is dat meer dan de helft religie erg belangrijk vindt (Shidlo & Schroeder, 2002; Spitzer, 2003; Jones & Yarhouse, 2011; Santero, Whitehead & Ballesteros, 2018), maar de cijfers hierover lopen enigszins uiteen. Zo beschouwt 66 procent van de 202 hulpvragers aan het onderzoek van Shidlo en Schroeder (2002) zichzelf als religieus, terwijl 93 procent van de hulpvragers aan het onderzoek van Spitzer (2003) religie erg of extreem belangrijk vindt. De uitkomsten van de onderzoeken van Jones en Yarhouse (2011) en Santero, Whitehead en Ballesteros (2018) komen daarmee overeen, in die zin dat respectievelijk 50 en 55 procent van de respondenten aan heeft gegeven (bijna) wekelijks naar de kerk te gaan. Voor wat betreft het geloof dat de hulpvragers aanhangen, bieden vijf onderzoeken uitsluitsel. Spitzer (2003) en Karten en Wade (2010) hebben met name protestantse respondenten gehad, maar daarnaast ook katholieken, mormonen en joden. Maccio (2011) beschrijft dat 54,1 procent van de respondenten christen is, terwijl Santero, Whitehead en Ballesteros (2018) aangeven dat in hun groep respondenten de mormonen en joden oververtegenwoordigd zijn en de traditionele protestanten en rooms-katholieken ondervertegenwoordigd.

Tot slot beschikken Flentje, Heck en Cochran (2015) in hun onderzoek over de meest diverse onderzoeksgroep qua religieuze stromingen: protestanten, joden, orthodoxen, katholieken, boeddhisten en a-religieuzen. Hierdoor betreft het al met al een breed palet aan religieuze stromingen bij deze vijf onderzoeken. Zowel Shidlo en Schroeder (2002) als Santero, Whitehead en Ballesteros (2018) laten zien dat het overgrote deel van de respondenten blank-Amerikaans is, namelijk ongeveer 90 procent. De overige genoemde etnische achtergronden zijn Hispanic/Latino, AziatischAmerikaans, joods en afro-Amerikaans. In het onderzoek van Salway, Ferlatte, Gesink en Lachowsky (2020) wordt belicht dat etnische minderheden vaker een conversietherapie volgen dan blanke Amerikanen. De resultaten van drie onderzoeken zijn enigszins tegenstrijdig over de mate waarin de respondenten trouwen en/of kinderen hebben ten tijde van het onderzoek. Waar de onderzoeken van Karten en Wade (2010), Maccio (2011) en Santero, Whitehead en Ballesteros (2018) laten zien dat op het moment van onderzoek ongeveer 50 procent van de respondenten is getrouwd met iemand van hetzelfde of het andere geslacht, bestaat de groep van 98 respondenten uit het onderzoek van Jones en Yarhouse (2011) voor 28 procent uit mensen die getrouwd zijn met iemand van hetzelfde of het andere geslacht.

Daarnaast is 65 procent nooit getrouwd en is de resterende zeven procent gescheiden of uit elkaar. Tot slot blijkt uit de onderzoeken van Karten en Wade (2010) en Santero, Whitehead en Ballesteros (2018) dat 42 procent van de respondenten kinderen heeft. Salway, Ferlatte, Gesink en Lachowsky (2020) laten zien dat meer homoseksuele mannen een conversietherapie ondergaan dan biseksuele mannen, evenals dat transgender personen vaker een conversietherapie hebben gevolgd dan cisgender personen. Een ander resultaat uit hun studie is dat individuen, die voor hun homoseksuele gerichtheid zijn uitgekomen, vaker conversietherapieën volgen dan individuen die dit nog niet kenbaar hebben gemaakt. Dehlin, Galliher, Bradshaw, Hyde en Crowell (2015) laten zien dat individuen, die zijn opgegroeid in een landelijke omgeving, eerder een conversietherapie

41

volgen dan individuen die zijn opgegroeid in een stedelijke omgeving. Tot slot is het interessant om een bevinding van Jones en Yarhouse (2011) te bespreken, namelijk de seksuele ervaringen van hun respondenten.

3.2.3 De motivaties van hulpvragers In de geraadpleegde literatuur staan veel motieven genoemd om deel te nemen aan een conversietherapie. In de onderzoeken van Rosik (2003), Spitzer (2003), Johnston en Jenkins (2006), Maccio (2010), Karten en Wade (2010), Flentje, Heck en Cochran (2015), Dehlin, Galliher, Bradshaw, Hyde en Crowell (2015) en Santero, Whitehead en Ballesteros (2018) is het belangrijkste motief voor deelname de discrepantie tussen de seksuele gerichtheid en de religieuze overtuiging. De religieuze achtergrond maakt dat iemand homoseksualiteit vaak beschouwt als een taboe en immoreel waardoor hij/zij het gevoel heeft niet aan de normen en waarden van het geloof te kunnen voldoen (Beckstead & Morrow, 2004; Ginicola & Smith, 2011; Flentje, Heck & Cochran, 2015). Het conflict over de sociale identiteit dat hierdoor ontstaat, zorgt ervoor dat een individu hieraan een aantal associaties koppelt, zoals afwijzing door de religieuze en heteroseksuele gemeenschap en angst voor eeuwige verdoemenis (Shidlo & Schroeder, 2002). Het individu voelt zich verraden door zichzelf en hij/zij kan zich hierdoor emotioneel ontevreden, angstig, verward, bang, verdrietig, depressief en/of boos voelen (Spitzer, 2003; Johnston & Jenkins, 2006; Karten & Wade, 2010; Ginicola & Smith, 2011).

Tevens komt het voor dat individuen overwegen om zelfmoord te plegen en kan men overgaan tot risicovol middelengebruik (Spitzer, 2003; Johnston & Jenkins, 2006). Daarnaast komen schaamte- en schuldgevoelens en een verminderde mate van zelfacceptatie en -vertrouwen ook voor, waardoor individuen naar conversietherapieën grijpen in een poging om van deze gevoelens af te komen. Andere redenen om op zoek te gaan naar een conversietherapie zijn bijvoorbeeld het versterken van een huwelijk of het hebben van een verlangen naar een heteroseksueel leven met een partner en het krijgen van kinderen. Ook familiedruk, mentale gezondheidsklachten, zoals een depressie, gaycultuur op een dusdanige manier ervaren dat het een individu tegenstaat, het krijgen van gezondheidsklachten die voortkomen uit de leefstijl als homoseksuele man en lesbische vrouw (bijvoorbeeld het krijgen van aids) en geinternaliseerde homofobie zijn genoemde redenen (Bartlett, Smith & King, 2009; Karten & Wade, 2010; Flentje, Heck & Cochran, 2015; Dehlin, Galliher, Bradshaw, Hyde en Crowell, 2015; Santero, Whitehead en Ballesteros, 2018).

3.2.4 De aanbieders Er is weinig onderzoek verricht naar aanbieders van conversietherapieën. Een uitzondering hierop is het onderzoek dat is uitgevoerd door Centre for Gender and Sexual Health Equity (2020). Hierin wordt een aantal settingen onderscheiden waarin pogingen tot veranderingen van de seksuele geaardheid, genderidentiteit en/of gedragingen voor kunnen komen.

42

▪

Een eerste setting waarin een poging tot verandering voorkomt, met name bij jongeren, is bij gezinnen.

▪

Wanneer de seksuele gerichtheid van een individu niet wordt gesteund in een gezin, kan de persoon in kwestie op zoek gaan naar steun van medeleerlingen en leraren op school. Echter, ook hier kan er een bepaalde mate van afkeer jegens het individu ontstaan waarbij er een poging tot verandering wordt ondernomen.

▪

Er worden kampen georganiseerd waar conversietherapieën worden aangeboden. Dit zou met name in de Verenigde Staten plaatsvinden. Het is onbekend of dit soort kampen ook elders voorkomt.

▪

Binnen de religieuze setting komen op het geloof gebaseerde conversietherapieën voor. Hier bestaan namelijk heteroseksuele religieuze overtuigingen waarin een homoseksuele gerichtheid niet altijd past. De schatting is dat 35 procent van de transgender personen (Turban, Beckwith, Reisner & Keuroghlian, 2020) en 60 procent van de homo- en biseksuelen (Flentje, Heck & Cochran, 2015) die zijn blootgesteld aan een conversietherapie dit hebben ondervonden in een religieuze setting.

▪

Een aantal geaccrediteerde aanbieders vanuit de reguliere gezondheidszorg behoren ook tot aanbieders van conversietherapieën evenals de ongelicenseerde hulpverleners.

Mallory, Brown en Conron (2018) beschrijven in algemene zin bij welke aanbieders de hulpvragers een conversietherapie hebben gevolgd. Het blijkt dat 26.000 jongeren van 13 tot 18 jaar oud26 bij gelicenseerde professionals, die werkzaam zijn bij gezondheidsinstellingen, zijn geweest. Twee keer zoveel jongeren, namelijk 57.000 (zie voetnoot voor toelichting omtrent de totstandkoming van dit getal), zijn bij een ongelicenseerde religieuze of spirituele organisatie geweest (Mallory, Brown & Conron, 2018). Verschillende onderzoeken hebben specifieker in kaart gebracht bij wie respondenten een conversietherapie hebben gevolgd. In de onderzoeken van Shidlo en Schroeder (2002) en Spitzer (2003) blijkt het met name een psycholoog te zijn wanneer de respondenten een gelicenseerde professional hebben bezocht. Daarnaast zijn psychiaters, sociale werkers, (privé)psychotherapeuten en huwelijk- en gezinsadviseurs genoemd. Indien de respondenten een ongelicenseerde adviseur hebben bezocht, zijn het vooral religieuze adviseurs, zoals pastorale adviseurs en peer-counselors geweest, maar ook zijn ex-homoorganisaties en (niet-)religieuze lotgenotengroepen genoemd (Shidlo & Shroeder, 2002; Spitzer, 2003; Karten & Wade, 2010; Flentje, Heck & Cochran, 2013).

26. Hiervoor hebben de onderzoekers het percentage respondenten uit de Generations Study dat heeft aangegeven een conversietherapie te hebben gevolgd bij een gelicenseerde professionele gezondheidsinstelling voor hun 18e levensjaar, vermenigvuldigd met het percentage homo- en biseksuelen van 11 tot en met 17 jaar dat voortkomt uit een niet gepubliceerde analyse van het Williams Institute. Het resultaat van deze vermenigvuldiging hebben ze tot slot toegepast op het aantal kinderen van 13 tot en met 17 jaar oud in de Verenigde Staten (Mallory, Brown & Conron, 2018).

43

In het onderzoek van Flentje, Heck en Cochran (2013) is tevens gekeken waar en hoe de conversietherapieën hebben plaatsgevonden. De helft van de respondenten heeft een therapie ondergaan in een ziekenhuis, kliniek of andere ambulante faciliteit. De resterende hulpvragers hebben aangegeven dat hun therapie heeft plaatsgevonden door middel van contact via de e-mail, telefoon, online steungroepen of een conferentie. Degene die de behandeling heeft gegeven, is in de meeste gevallen een religieus leider of een religieus persoon zonder leidersfunctie geweest. In 40 procent van de behandelingen zijn (ook) religieuze praktijken uitgevoerd, zoals bidden voor verandering, lezen van literatuur en van toepasselijke passages uit de Bijbel.

3.2.5 De motivaties voor het aanbieden van conversietherapieën De motivatie voor de geïnterviewde aanbieders volgens de studies van Smith, King en Bartlett (2004 en 2009) is dat de verwarring die homoseksuele personen ondervinden door geldende heersende religieuze, culturele en morele waarden in de samenleving een rechtvaardiging is voor het aanbieden van conversietherapieën. In 2004 hebben Smith, King en Bartlett zestien psychologen, twaalf psychiaters, één verpleegkundige en een elektricien, die de equipment voor het toedienen van elektrische schokken ontwikkelde, geïnterviewd. De geïnterviewde professionals blijken nogal wisselend over de conversietherapieën te denken. Deze gevoelens blijken zij al te hebben gehad gedurende de periode dat zij de conversietherapieën aan het ontwikkelen en uitvoeren waren in de jaren vijftig tot tachtig van de vorige eeuw. Gaandeweg de jaren hebben de meeste professionals het gevoel gekregen dat de gebruikte methoden niet te rechtvaardigen zijn, aangezien ze niet tot een verandering van de seksuele voorkeur hebben geleid. Daarbij hebben zij ondervonden dat cliënten gedurende de behandelingen sociaal wenselijke antwoorden zijn gaan geven om onder verdere behandelingen van het ingezette traject uit te komen en eerder te kunnen stoppen. Mede hierdoor heeft geen enkele geïnterviewde professional de werkzaamheden voortgezet.

Ze zijn gaan beseffen dat het medicaliseren van homoseksualiteit en de pogingen om de seksuele voorkeur te veranderen een oorsprong hebben in culturele stereotypen en sociale vooroordelen. Het heeft bij sommige professionals tot schuld- en schaamtegevoelens geleid. Slechts een kleine minderheid van de 30 geïnterviewden gelooft nog steeds dat homoseksualiteit een geestelijke ziekte is die genezen kan worden (Smith, King & Bartlett, 2004). Het aantal respondenten in voornoemde studie is echter klein. Om die reden hebben Bartlett, Smith en King in 2009 een vervolgstudie uitgevoerd waarin het doel is geweest vast te stellen in welke mate professionals conversietherapieën aanbieden en hoe zij hier tegenover staan. Aan dit onderzoek hebben uiteindelijk 358 psychologen, 377 psychotherapeuten, 290 psychiaters en 284 counselors meegedaan. Hiervan hebben 222 professionals (17 procent) aangegeven dat zij in het verleden ooit een poging hebben ondernomen om de homoseksuele gerichtheid van cliënten te reduceren of veranderen. Hierbij gaat het vooral om oudere, mannelijke professionals. De professionals hebben de eventuele schade die zij hiermee zouden veroorzaken bij de cliënten niet in ogenschouw genomen. Toen alle deelnemende professionals aan dit onderzoek is gevraagd of zij met de kennis

44

van nu (nogmaals) een conversietherapie aan zouden bieden, hebben slechts 55 professionals (4 procent) aangegeven dat zij dit zouden doen (Bartlett, Smith & King, 2009).

3.3 Effectiviteit van de homogenezingspraktijken Al in 1991 heeft Haldeman benadrukt dat er onderzocht moest worden in hoeverre conversietherapieën effectief zijn in de zin dat een seksuele gerichtheid kan worden veranderd. In de loop van de tijd zijn er meerdere wetenschappelijke onderzoeken gepubliceerd over dit thema. Hieruit blijkt kort gezegd dat er, naast het feit dat er regelmatig vraagtekens worden geplaatst rondom de ethiek van conversietherapieën, ook veel discussie is over de effectiviteit van conversietherapieën (Cates, 2007). Er zijn studies die aantonen dat er in zijn geheel geen of slechts gedeeltelijk sprake is van een verandering (gematigd effectieve studies) en studies die laten zien dat er voor een groot gedeelte van de respondenten wel een verandering heeft plaatsgevonden (effectieve studies). Daarbij is ook de aard van de verandering van belang, zoals hierna zal blijken.

3.3.1 Gematigd effectieve studies Ruim tien jaar later, in 2002, stelt Haldeman (2002a) dat er tot dat moment geen empirisch bewijs is dat conversietherapieën werken. Rond die tijd hebben Beckstead (2001), Green (2003), Johnston en Jenkins (2006), Maccio (2011) en Dehlin, Galliher, Bradshaw, Hyde en Crowell (2015) dit onderzocht en komen tot de algemene conclusie dat de homoseksuele gerichtheid niet verandert naar een heteroseksuele gerichtheid. In het onderzoek van Dehlin, Galliher, Bradshaw, Hyde en Crowell (2015) hebben bijvoorbeeld slechts vijf van de 1.060 respondenten aangegeven dat zij zich meer aangetrokken zijn gaan voelen tot iemand van het andere geslacht. Indien de homoseksuele gerichtheid enigszins is veranderd, tonen de zojuist genoemde onderzoeken aan dat dit op gedeeltelijke basis is. Zo kan een hulpvrager zijn of haar seksuele gedragingen veranderen door bijvoorbeeld een heteroseksuele relatie aan te gaan, terwijl de seksuele aantrekkingskracht voor iemand van hetzelfde geslacht blijft bestaan. Voor enkelen is de aard van deze verandering voldoende, maar voor de meeste hulpvragers is het verschil tussen de seksuele aantrekkingskracht en genderidentiteit dusdanig groot dat zij hun veranderde gedragingen niet meer kunnen volhouden en een homoseksuele genderidentiteit accepteren.

Vanwege het cross-sectionele karakter27 van deze onderzoeken is het echter lastig om vast te stellen of er een verandering heeft plaatsgevonden voordat een hulpvrager een conversietherapie onderging of na afloop van de conversietherapie. De retrospectieve onderzoeken van Shidlo en Schroeder (2002), Beckstead en Morrow (2004) en Karten en Wade (2010) tonen in eerste instantie een reeks effectieve gevolgen van het deelnemen aan een conversietherapie. Aanvankelijk hebben hulpvragers namelijk vertrouwen in de effectiviteit hiervan. Ook ontwikkelen zij gevoelens van hoop, 27. Een cross-sectioneel onderzoek betreft een onderzoek waarin de respondenten eenmalig en op hetzelfde tijdstip worden bevraagd en/of geobserveerd. Binnen een longitudinaal onderzoek worden de respondenten op meerdere tijdstippen bevraagd en/of geobserveerd.

45

opluchting en steun. Daarnaast weten zij zich aan te passen aan een non-homoseksuele identiteit, conform de verwachtingen van de familie en maatschappij, en aan de overtuigingen die bij hun religie behoren. Hierdoor gaan ze zich in deze omgevingen meer thuis voelen. Tevens vinden ze een plek om over religie en seksualiteit te kunnen praten waar ze gelijkgestemden ontmoeten. Echter, uiteindelijk blijkt dat de positieve, korte termijn gevolgen verdwijnen en dat de conversietherapieën uiteindelijk geen blijvende verandering teweegbrengen. Flentje, Heck en Cochran (2015) laten vergelijkbare resultaten zien. Slechts 5 van de 38 respondenten (12 procent) geven namelijk aan op de korte termijn geen verandering te hebben doorgemaakt, terwijl dit percentage op de lange termijn is toegenomen naar 35 procent. Zij zijn zich bewust geworden van het feit dat zij zijn geboren als homoseksuele man of lesbische vrouw en dat dit niet te veranderen is. Vanwege deze overtuiging zijn deze respondenten op zoek gegaan naar manieren om hun seksuele gerichtheid te integreren in hun religieuze overtuigingen. Een belangrijk deel (61 procent) verlaat echter hun geloofsgemeenschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=a796705d-0660-4b6b-a256-97b1e996fd61