Bijlage 9 - 2015 33431 – Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’, toelichting.pdf
Tekst van het document
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
27
5.8 Flora en fauna 5.8.1 Beoordelingskader Juridisch kader Wet natuurbescherming (Wnb) Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De wet regelt soortenbescherming en gebiedsbescherming. Zorgplicht Het eerste artikel in de Wnb heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Soortenbescherming Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen.
Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is krachtens de Wnb verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2).
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
28
Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 5.8.2 Quickscan Flora en fauna Gras Advies B.V. heft in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een quickscan flora en fauna uitgevoerd, 8 mei 2019. Het doel van dit verkennend onderzoek is het inzichtelijk brengen van de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het projectgebied. Daarnaast wordt de ligging van het projectgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden onderzocht. Op basis van deze soorten- en gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling en eventuele noodzakelijke vervolgstappen (vervolgonderzoeken). De quickscan flora en fauna is als bijlage 3 opgenomen in deze toelichting. 5.8.3 Conclusie beschermde gebieden Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied is niet gelegen in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ca. 500 m afstand.
Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt op ca. 500 m afstand van het projectgebied, hiervan gescheiden door agrarische percelen en het AVR-terrein. Gezien de aard van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden, is een direct, negatief effect van de voorgenomen ruimtelijke ingrepen op de in beschermde gebieden aanwezige, beschermde soorten niet aannemelijk. Een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000-gebieden is aannemelijk en dient nader onderzocht te worden middels een AERIUS berekening. Houtopstanden Het projectgebied bevindt zich buiten de bebouwde kom. Op het terrein bevinden zich houtopstanden groter dan 10 are. Daarmee is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming van toepassing op het projectgebied. Indien bij de kap en herplant wordt voldaan aan de voorwaarden die de Wet natuurbescherming stelt, is nader onderzoek en een ontheffing niet noodzakelijk en kan volstaan worden met een melding bij de provincie. Indien niet voldaan kan worden aan de herplantplicht, is een ontheffing Wnb noodzakelijk.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
29
In onderhavig plan worden de bomen ter plekke van het plangebied gerooid. Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden om de gekapte bomen te herplanten. Derhalve wordt een ontheffing Wet natuurbescherming voor het onderdeel houtopstanden aangevraagd. Uit de rapportage quickscan flora en fauna volgt dat het rooien van de houtopstanden binnen het plangebied geen nadelig effect heeft op beschermde plant- en diersoorten. Derhalve is de verwachting dat de ontheffing Wet natuurbescherming ten behoeve van vrijstelling voor de herplantplicht zal worden verkregen. 5.8.4 Conclusies beschermde soorten Uit het veldonderzoek zijn de volgende restricties naar voren gekomen: Zoogdieren Strikt beschermde zoogdiersoorten zijn niet aangetroffen en gebruik van het projectgebied door deze soorten is niet aannemelijk. Het projectgebied is onderdeel van de leefomgeving van hazen en mogelijk ook egel, konijn en algemene muizensoorten. Deze soorten zijn beschermd conform de Wet natuurbescherming ‘andere soorten’, maar staan ook in de categorie ‘vrijgestelde soorten’. Dit houdt in dat bij uitvoering van de werkzaamheden t.b.v. een ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling geldt voor deze soorten. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij. Vogels Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels.
Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen in het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. 5.8.5 Zorgplicht De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: ‘’De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.” 5.8.6 Stikstofdepositie De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en -depositie vereist. Hiertoe heeft Gras Advies B.V. een AERIUS-berekening uitgevoerd en dit verwerkt in een rapportage. Het rapport is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.
5.8.6.1 Conclusie AERIUS-berekening Aanlegfase De aanleg resulteert niet in depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000-gebieden. Hierbij is uitgegaan van de inzet van werktuigen zoals opgenomen in de rapportage AERIUSberekening zoals opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. Toekomstige gebruiksfase Het toekomstig gebruik genereert geen depositiewaarden hoger dan 0,00 mol/ha/jr in Natura 2000gebieden. Wet natuurbescherming De aanleg en het toekomstig gebruik vormen met betrekking tot het aspect stikstof geen bedreiging voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
30
Conclusie en advies Ten behoeve van stikstofemissie van de bestaande activiteiten heeft AVR reeds een vergunning Wet natuurbescherming onderdeel gebiedsbescherming. Dit plan vormt echter een uitbreiding van het terrein van AVR, waarbinnen de bestaande vergunning niet geldig is. De voorgenomen ontwikkeling heeft, zoals blijkt uit de AERIUS-berekening geen stikstofemissie in zowel aanleg- als gebruiksfase tot gevolg. Er is voor de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd voor het nieuwe deel van het AVRterrein. De voorgenomen ontwikkeling heeft, in aanvulling op de bestaande vergunning Wnb onderdeel Gebiedsbescherming van AVR, geen verdere negatieve gevolgen voor flora en fauna. 5.8.7 Conclusie Het aspect 'flora en fauna' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9 Archeologie en cultuurhistorie Algemeen Bij het opstellen en de uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met bekende archeologische waarden. Teneinde de archeologische verwachting in beeld te brengen. Is het gemeentelijk beleid geraadpleegd. De gemeente Lingewaard heeft een archeologische beleidskaart met afwegingskader opgesteld. De noodzaak tot archeologisch onderzoek wordt bepaald aan de hand van de archeologische verwachting en het oppervlak van de bodemverstoring. 5.9.1 Archeologie In het vigerend bestemmingsplan is het plangebied aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – lage archeologische verwachting 5’. Voor gebieden met deze aanduiding geldt dat het verboden is om een bodemingreep uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, wanneer de bodemingreep groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5 meter is. 5.9.1.1 Beoordelingskader Onderhavig plan voorziet in de uitbreiding van het terrein voor opslag en parkeren met een oppervlakte van 0,47 ha (4.700 m2). Hiermee blijft de omvang van de ontwikkeling ruimschoots beneden de aangegeven grenzen geldend voor de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – lage archeologische verwachting 5’. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
5.9.1.2 Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.9.2 Cultuurhistorie Sinds de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om naast archeologisch bodemonderzoek ook cultuurhistorische waarden mee te wegen in het bestemmingsplan. 5.9.2.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden Binnen de grenzen en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waarden. 5.9.2.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘cultuurhistorie’ geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
31
5.10 Natuur en landschap 5.10.1 Gelders Natuurnetwerk Het besluitgebied ligt niet binnen het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. Om de biodiversiteit nu en voor de toekomst veilig te stellen, beschermt de provincie het Gelders Natuurnetwerk. Voor het behoud en de versterking van de biodiversiteit in Gelderland streeft de provincie naar het opheffen van versnippering en een goede aansluiting tussen het Natuurnetwerk en het Duitse Biotopverbund. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en de omgevingscondities zoals rust, ruimte en stilte. Nieuwvestiging en uitbreiding binnen het Gelders Natuurnetwerk zijn alleen mogelijk wanneer: • •
er geen reële alternatieven zijn; wanneer er een groot maatschappelijk belang in het geding is.
Per saldo moet elke ontwikkeling een verbetering van de kernkwaliteiten in het Gelders Natuurnetwerk opleveren. In dat saldo zijn vergroting van de oppervlakte natuur en versterking van de ecologische samenhang belangrijke randvoorwaarden. Beperkte ontwikkelingsmogelijkheden bestaande functies Voor bestaande functies zijn er beperkte ontwikkelingsmogelijkheden, namelijk voor gevallen waarbij er geen reële alternatieven zijn voor verplaatsing van de functie naar een plek buiten het Gelders Natuurnetwerk. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde dat er een compensatie gemaakt wordt waarbij de bestaande natuurwaarden worden versterkt. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de compensatie. De provincie ondersteunt op verzoek met het opstellen van een compensatieplan en wil faciliteren met compensatiepoules. Compensatiepoules Omdat het ontwikkelen van nieuwe natuur voor veel bedrijven geen dagelijkse activiteit is, wil de provincie maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat er tijdig compensatie natuur ontwikkeld is of kan worden. Daarmee wordt voorkomen dat investeringen onnodig worden uitgesteld omdat er geen compensatielocatie voorhanden is. Met een actieve rol bij de ontwikkeling van compensatielocaties wordt de samenhang tussen natuurgebieden versterkt.
Conclusie Het plangebied is niet gelegen in het Gelders Natuurnetwerk en vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
32
5.11 Externe veiligheid 5.11.1 Beoordelingskader Voor de beoordeling van het aspect externe veiligheid gelden de volgende kaders: • • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); Besluit externe veiligheid transportroutes; Regeling basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), inclusief de daaronder vallende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb).
Daarnaast kunnen het Activiteitenbesluit en Vuurwerkbesluit van belang zijn. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uitgangspunt voor deze circulaire is de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Deze circulaire heeft betrekking op het beleid van de ministers van Infrastructuur en Milieu en van Veiligheid en Justitie over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving. Voor de uitwerking en toepassing van de risiconormen is zoveel mogelijk aangesloten bij Bevi en Revi. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) geeft onder andere veiligheidsafstanden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen aan. De normstelling is in lijn met het Bevi. De risicoafstanden en de manier van risicoberekening zijn opgenomen in het Revi.
Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu adviseert om voor standaard buisleidingen met aardolieproducten de afstanden aan te houden uit het RIVM rapport Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1K2K3 (augustus 2008). Voor afwijkende gevallen en andere brandbare chemische vloeistoffen zijn berekeningen nodig. Voor het berekenen van risico’s van ondergrondse gasleidingen ('hogedruk aardgastransportleidingen') is het computerprogramma CAROLA beschikbaar. 5.11.2 Toetsing Onderhavig initiatief betreft het realiseren van extra ruimte voor opslag en parkeren ten behoeve van de bedrijfsvoering van AVR. Hierbij is geen sprake van toevoeging van gevoelige functies aan de omgeving. Tevens heeft bovengenoemde ontwikkeling geen negatief effect op andere functies. 5.11.3 Conclusie Het aspect ‘externe veilheid’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
5.12 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, vormen de relevante milieuen omgevingsaspecten geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
33
6 Toelichting op de regels 6.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan ‘AVR-Afvalverwerking’ wordt de bestemming ‘Groen’ gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijventerrein’. Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Innofase, Duiven’ en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen SCBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan de specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: • • • •
Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.
6.2 Opzet regels In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. 6.2.1 Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: • •
artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
34
6.2.2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: • • • •
Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (bedrijventerrein); Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte); Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels;
In paragraaf 6.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze bestemming is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangeven waarom daarvoor is gekozen. 6.2.3 Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
• •
•
artikel 5 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 6 Algemene gebruiksregels: in de algemene gebruiksregels is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan; artikel 7 Algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kunnen Burgemeester en Wethouders omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn. Bedoeld worden onder meer geringe afwijkingen van bouw- of bestemmingsgrenzen. artikel 8 Algemene wijzigingsregels: in de algemene wijzigingsregels wordt vastgelegd op welke manier Burgemeester en Wethouders kleine wijzigingen in het plan mogen aanbrengen.
6.2.4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 9 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In artikel 10 is de officiële benaming van dit bestemmingsplan en de datum van vaststelling door de gemeenteraad opgenomen.
6.3 Nadere toelichting op de regels Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
35
bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit bestemmingsplan is uitsluitend de bestemming ‘Bedrijventerrein’ opgenomen. De regels uit het geldende bestemmingsplan zijn overgenomen en waar nodig specifiek gemaakt voor de onderhavige situatie.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
36
7 Uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de exploitatie van het plan en de eventueel daaruit voortvloeiende planschade besproken.
7.2 Economische uitvoerbaarheid De voorgenomen ontwikkeling wordt door de initiatiefnemer (AVR Afvalverwerking) geïnitieerd, gefinancierd en geëxploiteerd.
7.3 Kostenverhaal De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling en eventuele succesvolle planschadeclaims zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente zal hiertoe een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer sluiten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
37
8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Inleiding De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan is geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Aangegeven is dat tussen de gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd, voordat een ontwerpbestemmingsplan ter visie kan worden gelegd. Bovendien is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard (zienswijzenprocedure).
8.2 Zienswijzenprocedure Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van … tot … gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegen en het is tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de gemeentelijke website (www.duiven.nl) en de landelijke website (www.ruimtelijkeplannen.nl). Voorafgaand is hiervan mededeling gedaan in de Staatscourant, het plaatselijke blad en op de gemeentelijke website.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
38