Bijlage 9 - 2015 33431 – Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’, toelichting.pdf
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’
Planstatus: vastgesteld Datum: 2021-10-15 IMRO code: NL.IMRO.0226.BPUitbrAVRAfv-VA01
Buro Stedenbouw bv Kerkplein 5 8121 BM Olst T 0570 563083 www.burostedenbouw.nl
TOELICHTING
Inhoudsopgave 1 Inleiding ............................................................................................................................ 7 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 7 1.2 Ligging, beschrijving en begrenzing besluitgebied ...................................................................... 7 1.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................... 8 1.4 Uitnodigingsplanologie ................................................................................................................. 9 1.5 Opzet van de toelichting................................................................................................................ 9
2 Beschrijving van de huidige situatie ............................................................................. 10 2.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 10 2.2 Historische ontwikkeling en stedenbouwkundige structuur ....................................................... 10 2.3 Stedenbouwkundige structuur .................................................................................................... 11 2.4 Omliggende bebouwing .............................................................................................................. 11
3 Planbeschrijving............................................................................................................. 12 3.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 12 3.2 Ontwikkelingen ............................................................................................................................ 12 3.3 Bouwplan ..................................................................................................................................... 13 3.4 Strijdigheid geldend bestemmingsplan ...................................................................................... 13
4 Relevant ruimtelijk beleid .............................................................................................. 14 4.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 14 4.2 Europees beleid .......................................................................................................................... 14 4.3 Rijksbeleid ................................................................................................................................... 15 4.4 Provinciaal beleid ........................................................................................................................ 17 4.5 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 18 4.6 Conclusie relevant ruimtelijk beleid ............................................................................................. 19
5 Milieu- en omgevingsaspecten ..................................................................................... 20 5.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 20 5.2 Bodem en asbest ........................................................................................................................ 20 5.3 Verkeer en parkeren .................................................................................................................... 21 5.4 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................................ 22 5.5 Geluid .......................................................................................................................................... 23 5.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 24 5.7 Watertoets ................................................................................................................................... 25 5.8 Flora en fauna ..............................................................................................................................
28 5.9 Archeologie en cultuurhistorie .................................................................................................... 31 5.10 Natuur en landschap ................................................................................................................. 32 5.11 Externe veiligheid ...................................................................................................................... 33 5.12 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten ................................................................................ 33
6 Toelichting op de regels ................................................................................................ 34 6.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 34 6.2 Opzet regels ................................................................................................................................ 34 6.3 Nadere toelichting op de regels .................................................................................................. 35
7 Uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 37 7.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 37 7.2 Economische uitvoerbaarheid..................................................................................................... 37 7.3 Kostenverhaal .............................................................................................................................. 37
8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................ 38 8.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 38 8.2 Zienswijzenprocedure ................................................................................................................. 38
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
5
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
6
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel AVR Afvalverwerking B.V. heeft onlangs een CO2-afvanginstallatie gerealiseerd. ‘Dit is de eerste CO2-afvang van de wereld van deze omvang bij een afvalverbrandingsinstallatie’. De CO2 die vrijkomt bij AVR na verbranding van restafval dient als belangrijke grondstof voor de groei van gewassen als alternatief voor CO2 uit aardgas. Het afvalenergiebedrijf draagt met deze stap direct bij aan de CO2-reductie van Nederland en haar klimaatdoelstellingen. De bouw van de CO2afvanginstallatie betekent dat 60 kton CO2 afgevangen én gerecycled wordt. Dit is 15% van de totale CO2 -uitstoot in Duiven. De CO2 die wordt afgevangen bij AVR, wordt getransporteerd naar glastuinbouwgebieden in Nederland. Om zowel technische- als ruimtelijke redenen is deze installatie gerealiseerd op een deel van het terrein dat voorheen in gebruik was als opslagterrein voor o.a. bouwmaterialen, portacabins en parkeren voor contractoren. Hierdoor is de huidige opslagruimte te klein geworden. Binnen de perceelgrenzen van de AVR is er geen ruimte om het parkeren en/of de opslag te verplaatsen. Het verplaatsen van de activiteiten naar een dislocatie is niet opportuun omdat: • • •
Contractanten die werkzaamheden uitvoeren voor de AVR ter plaatse moeten kunnen parkeren; Materiaal voor onderhoud en reparatie in de onmiddellijke nabijheid van de installatie moet worden opgeslagen; Een dislocatie thans niet beschikbaar is en zou leiden tot een disproportionele investering.
Uitbreiding is dan ook de enige optie. Daar er binnen het bestemmingsplan van Innofase geen grond beschikbaar is aangrenzend aan de AVR is de enige reële optie voor uitbreiding de groenstrook aan de A-12 zijde. Vanwege de: • • •
Ruimtevraag van de AVR; Ligging van kabels en leidingen; Wens van de gemeente om een functionele groenstrook te handhaven.
De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Innofase, Duiven’, zoals vastgesteld op 27 mei 2013. De gemeente heeft aangegeven medewerking te verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling. De ontwikkeling vergt ter hoogte van het plangebied een wijziging van het vigerende bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Innofase, Duiven’ van de gemeente Duiven, zoals vastgesteld op 27 mei 2013.
1.2 Ligging, beschrijving en begrenzing besluitgebied De AVR afvalverwerking ligt aan de noordzijde van de A12 bij afslag 27 Westervoort. De A12 leidt in westelijke en oostelijke richting respectievelijk naar Arnhem/Utrecht en de Duitse grens. Het plangebied wordt begrenst door de bestaande bedrijfslocatie van AVR afvalverwerking aan de noorden oostzijde en door de groenstrook ten behoeve van de A12 aan de zuid- en westzijde.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
7
Uitsnede van de topografische kaart met daarop de ligging van het plangebied rood omlijnd (bron: www.opentopo.nl) Het plangebied bestaat uit de gronden kadastraal bekend gemeente Duiven, sectie F, perceel 1982 (gedeeltelijk). Het plangebied heeft een oppervlakte van 0,47 hectare.
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Innofase, Duiven’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 27 mei 2013. Conform de regels van het bestemmingsplan is het plangebied bestemd als enkelbestemming ‘Groen’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Op het plangebied is de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – lage archeologische verwachting 5’ van toepassing.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
8
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Innofase, Duiven', plangebied rood omlijnd. (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.4 Uitnodigingsplanologie Binnen de gemeente Duiven wordt er gewerkt met uitnodigingsplanologie. Uitnodigingsplanologie is de manier waarop de gemeente een plan toetst en de manier waarop de gemeente wil meedenken. Het toepassen van uitnodigingsplanologie betekent dat de gemeente initiatieven stimuleert, die een zogenaamde ‘maatschappelijke meerwaarde’ hebben. Op deze manier kijkt de gemeente zoveel mogelijk naar de behoefte van de inwoners.
1.5 Opzet van de toelichting Het tweede en derde hoofdstuk van deze toelichting geven achtereenvolgens een beschrijving van de bestaande- en beoogde situatie. In het vierde en vijfde hoofdstuk wordt het bestemmingsplan getoetst aan respectievelijk het relevante ruimtelijke beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk zes bevat een toelichting op de regels. In hoofdstuk zeven en acht komen de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
9
2 Beschrijving van de huidige situatie 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de historische ontwikkeling, de stedenbouwkundige structuur en de omliggende bebouwing in de huidige situatie beschreven.
2.2 Historische ontwikkeling en stedenbouwkundige structuur Het bedrijventerrein Innofase is gelegen ten noordwesten van Duiven, nabij Westervoort. In de eerste helft van de vorige eeuw werd de omgeving gekenmerkt door een polderlandschap en steenfabrieken langs de IJssel rondom Nieuwgraaf. Nieuwgraaf is heden een buurtschap en industriegebied binnen de gemeente Duiven. Gedurende de jaren 50 van de vorige eeuw werd er hard gewerkt aan de realisatie van het traject van Velperbroek tot Zevenaar van rijksweg A12. Dit traject is op 8 maart 1961 geopend. Door de realisatie van het traject zijn automobilisten in de richting van de Duitse grens niet meer genoodzaakt om door Arnhem te rijden. Bij omwonenden werd dit traject het ‘Hazenpad’ genoemd. In de jaren volgend op de opening is rondom afslag 27 ‘N338, Westervoort’ het bedrijventerrein ontstaan. De A12 doorkruist het kenmerkende polderlandschap en het buurtschap Nieuwgraaf.
Globale ligging bedrijventerrein Innofase op de topografische kaart rond 1960 tijdens de aanleg van de A12. (bron: www.topotijdreis.nl) Tegenwoordig is het bedrijventerrein gelegen in het verstedelijkte gebied van de gemeente Duiven en maakt het onderdeel uit van de urbane zone Arnhem-Zevenaar, dat op haar beurt weer deel uitmaakt van het stedelijk kerngebied van de stadsregio Arnhem-Nijmegen. Het bedrijventerrein Innofase behoort tot de bedrijvenzone langs de A12. Deze bedrijvenzone is het grootste aaneengesloten bedrijventerrein van Oost-Nederland. Innofase is onder te delen in Roelofshoeve I en Roelofshoeve II.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
10
Ligging van bedrijventerrein Innofaser op de topografische kaart van 2018. Het bedrijventerrein langs de A12 is onderdeel van de grootste bedrijvenzone van Oost-Nederland. (Bron: www.topotijdreis.nl) Innofase+ Synergiepark is de vestigingsplaats in Oost-Nederland voor ondernemingen die actief zijn in de circulaire economie. Het is een uniek en innovatief samenwerkingsverband tussen verschillende bedrijven waaronder de waterzuivering van waterschap Rijn en IJssel en AVR afvalverwerking. In de circulaire economie worden grondstoffen bespaard en wordt de CO2 footprint gezamenlijk beperkt.
2.3 Stedenbouwkundige structuur De omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door het industriële karakter van het bedrijventerrein InnoFase. De oost-west georiënteerde A12 zorgt voor een fysieke grens tussen het ten noorden gelegen InnoFase en het ten zuiden gesitueerde bedrijventerrein CenterpoortNieuwgraaf. InnoFase heeft een industrieel karakter, met bedrijven uit hogere milieucategorieën. Het zuidelijke Centerpoort-Nieuwgraaf is, naast bedrijvigheid, voornamelijk gericht op perifere detailhandel, waaronder enkele woon- en bouwcentra. Ten westen van InnoFase gaat het industriële karakter over in een meer landschappelijk gebied langs de IJssel. Het terrein van AVR wordt gekenmerkt door enkele grote bedrijfshallen en verbrandingsinstallaties. Met name de verbrandingsinstallatie vormt, door de hoogte van het gebouw, een herkenbaar onderdeel van het AVR-terrein.
2.4 Omliggende bebouwing De bebouwing aan de noordoost zijde van het plangebied maakt onderdeel uit van AVR afvalverwerking en betreft onder andere een afvalverbrandingsinstallatie en een CO2afvanginstallatie. De zuidwestzijde wordt afgebakend door de snelweg A12.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
11
3 Planbeschrijving 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven en wordt invulling gegeven aan een goede landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing. Daarnaast wordt beschreven op welke punten de ontwikkelingen afwijken van het geldende bestemmingsplan.
3.2 Ontwikkelingen AVR-afvalverwerking B.V. heeft een CO2-afvanginstallatie gerealiseerd. De locatie van de CO2afvanginstallatie was voorheen in gebruik als opslag voor bouwmaterialen, het plaatsen van portacabins, tijdelijke opslag tijdens stopwerken en parkeren voor contractoren en vrachtwagens met koelinstallatie. Door de bouw van de CO2-afvanginstallatie zijn deze gronden niet meer als zodanig te gebruiken. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van de bedrijfslocatie met 0,47 hectare aan de zuidzijde van het bedrijf. Doel van deze uitbreiding is het mogelijk maken van een nieuw terrein voor opslag en parkeren. De grond waarop de uitbreiding is voorzien, zal zodanig bestemd worden dat uitsluitend de beoogde activiteiten mogen plaatsvinden: • • •
opslag voor bouwmaterialen; plaatsen van portacabins; parkeren voor contractoren en vrachtwagens met koelinstallatie.
De locatie zal ten dele worden gebruikt voor de opslag van portacabins. Bij de aanleg van het terrein zullen 40 portacabins permanent op het terrein worden geplaatst. Daanraast worden, afhankelijk van de behoefte, nog maximaal 20 extra portacabins per jaar geplaatst. Deze 20 portacabins zullen hier niet permanent blijven staan, maar jaarlijks worden aan- en afgevoerd. De beoogde activiteit met de zwaarste milieucategorie betreft het parkeren van vrachtwagens met koelinstallaties. Hiertoe worden de gronden waarop de uitbreiding is beoogd, bestemd als milieucategorie 3.2. Op de volgende pagina zijn foto’s van de locatie opgenomen (d.d. 4 april 2019).
Huidige locatie grootschalige opslag voor contractanten; bouw CO2-afvanginstallatie is reeds gestart.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
12
Toekomstige locatie voor parkeerterrein en grootschalige opslag voor contractanten.
3.3 Bouwplan De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van extra bebouwing op het terrein van AVR. De uitbreiding is benodigd als extra opslagruimte voor bouwmaterialen en portacabins en voor het parkeren voor contractoren en vrachtwagens.
3.4 Strijdigheid geldend bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met de bestemming 'Groen' uit het geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Innofase, Duiven', zoals vastgesteld op 27 mei 2013. Ter plekke van deze bestemming staat het bestemmingsplan geen opslag of parkeerruimte ten behoeve van de bedrijfsvoering toe. Wijziging van het geldend bestemmingsplan is noodzakelijk om de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de partiële wijziging van het geldend bestemmingsplan.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
13
4 Relevant ruimtelijk beleid 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het relevante ruimtelijke beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor het besluitgebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in deze ruimtelijke onderbouwing afgewogen.
4.2 Europees beleid 4.2.1 Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit In de Europese Kaderrichtlijn Luchtkwaliteit worden de grondbeginselen van het Europese luchtkwaliteitsbeleid gegeven. De doelstellingen van dit beleid zijn het omschrijven en vastleggen van de luchtkwaliteit om de schade voor mens en milieu te voorkomen, verhinderen of te verminderen, de luchtkwaliteit te kunnen beoordelen, de bevolking te kunnen informeren over de kwaliteit van de lucht en het in stand houden van of verbeteren van de kwaliteit. In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) van 15 november 2007 is de Europese kaderrichtlijn opgenomen in Nederlandse wetgeving. In paragraaf 5.6 worden de gevolgen voor de luchtkwaliteit beschreven als gevolg van het realiseren van het plan. 4.2.2 Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om een gecoördineerd beheer in alle Europese stroomgebieden te realiseren, de waterkwaliteit verder te verbeteren en het publiek sterker bij het waterbeheer te betrekken. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. De gevolgen voor de realisatie van het plan worden beschreven in paragraaf 5.7.
4.2.3 Natura 2000 Om de natuur in Europa te beschermen en te ontwikkelen, werken de lidstaten van de Europese Unie (EU) samen aan Natura 2000: een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden in alle lidstaten. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. De Nederlandse bijdrage hieraan bestaat uit 162 gebieden. Natura-2000 omvat alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992), die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming (2017). In beide richtlijnen staan ook maatregelen voor soortenbescherming. In en rond Natura 2000-gebieden geldt voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de natuur een vergunningplicht. Activiteiten uitvoeren zonder vergunning is strafbaar. In paragraaf 5.8 wordt besproken in hoeverre het bouwplan de aanwezige natuurwaarden raakt. 4.2.4 Verdrag van Malta Het Europese Verdrag van Malta uit 1992 regelt de bescherming van archeologisch erfgoed, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Nederland heeft dit verdrag ondertekend en goedgekeurd. Invoering ervan gebeurt onder meer door de Wet op de archeologische monumentenzorg. In paragraaf 5.9 wordt beschreven op welke manier wordt omgegaan met archeologische en cultuurhistorische waarden.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
14
4.3 Rijksbeleid 4.3.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de SVIR geeft de rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en op de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Eén van de kernbegrippen in de SVIR is decentralisatie. Het kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten meer ruimte geven om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Het motto van deze structuurvisie is 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig'. Dit is vertaald naar drie concrete doelstellingen: • • •
concurrentiekracht verbeteren; bereikbaarheid verbeteren; leefbare en veilige leefomgeving met unieke en cultuurhistorische waarden.
De drie doelstellingen die het motto van de SVIR vertegenwoordigen, zijn terug te vinden in dertien nationale (gelijkwaardige) belangen. Voor de realisatie van de nationale belangen zijn vier instrumenten voorhanden: • • • •
kaders (gebiedsgerichte of thematische uitwerkingen van de SVIR, relevante wetgeving); bestuurlijke prestatieafspraken (bijvoorbeeld met provincies en gemeenten); financieel (bijvoorbeeld infrastructuurfonds); kennis (bijvoorbeeld inzetten College van Rijksadviseurs bij ruimtelijke ontwikkelingen).
In de realisatieparagraaf van het SVIR is per nationaal belang aan de hand van de hierboven genoemde instrumenten aangegeven hoe het belang gerealiseerd zal worden. 4.3.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De basis van juridische borging van de realisatie van de nationale belangen ligt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Barro geeft juridische kaders voor borging van het ruimtelijke rijksbeleid. Het Barro is in werking getreden op 30 december 2011. In het Barro wordt een aantal onderwerpen dat van rijksbelang is concreet benoemd. 4.3.3 Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid De nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) verlangt niet alleen dat verantwoordelijkheden en belangen worden benoemd, maar ook dat inzichtelijk is hoe deze belangen zullen worden verwezenlijkt. Het Rijk heeft de nationale ruimtelijke belangen opgenomen in de zogenaamde 'Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid'. Nationale ruimtelijke belangen zijn zaken waarvoor de rijksoverheid een specifieke verantwoordelijkheid neemt, hetgeen blijkt uit de inzet van diverse bevoegdheden en instrumenten om deze belangen te behartigen en te realiseren. Het overzicht van nationale belangen in de Realisatieparagraaf is gebaseerd op een zorgvuldige analyse van de Planologische Kernbeslissingen (PKB's) van het Rijk.
De uitspraken in deze PKB's zijn op een beleidsneutrale wijze, dat wil zeggen inhoudelijk ongewijzigd, verwerkt in het overzicht van nationale ruimtelijke belangen, aangevuld en waar aan de orde geactualiseerd. Een beperkt aantal belangen is geborgd met het Barro. Het Rijk geeft met deze werkwijze een transparante en scherp geselecteerde invulling aan de sturingsfilosofie 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. Het resultaat hiervan is een heldere en scherpe markering van datgene wat centraal moet. Hierdoor wordt niet alleen voor medeoverheden duidelijk wanneer afstemming moet worden gezocht met het Rijk, maar wordt ook voor burgers, maatschappelijke en andere private organisaties duidelijk waar het Rijk voor staat. De Realisatieparagraaf heeft de status van structuurvisie.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
15
4.3.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Met ingang van 1 oktober 2012, is in artikel 3.1.6, tweede en derde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (hierna: de Ladder) opgenomen. In de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet vanaf genoemde datum beschreven worden dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Naast bestemmingsplannen is deze onderbouwingsplicht van overeenkomstige toepassing voor andere planologische besluiten, zoals de omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken, het uitwerkings- en wijzigingsplan en de provinciale ruimtelijke verordening. Het doel van de ladderplicht is dat een bevoegd gezag bij het nemen van een planologisch besluit aandacht besteed aan zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. In het kort diende het bevoegd gezag tot 1 juli 2017 drie treden te doorlopen op grond van artikel 3.1.6 tweede lid van het Bro, in het geval er sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. In de eerste plaats diende het bevoegd gezag te beoordelen in hoeverre er sprake is van een actuele regionale behoefte aan de geplande ontwikkeling.
Ten tweede diende het bevoegd gezag aandacht te besteden aan de vraag of de geplande ontwikkeling, als deze buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, binnen bestaand stedelijk gebied kon plaatsvinden en in hoeverre de locatie passend ontsloten was of als zodanig kon worden ontwikkeld. Kon de vraag volledig worden opgevangen binnen bestaand bebouwd gebied dan was de ladder succesvol doorlopen en was de motivering na de afronding van deze stap klaar. Wanneer de regionale ruimtevraag niet of niet geheel binnen bestaand bebouwd gebied kon worden opgevangen, was trede 3 aan de orde. In deze trede diende de multimodale ontsluiting van de ontwikkeling onderbouwd te worden. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6, tweede en derde lid Bro (de Ladder) gewijzigd. Per genoemde datum is het de bedoeling dat bij het toepassen van de Ladder wordt beschreven welke behoefte (en niet welke actuele regionale behoefte) aan de ontwikkeling bestaat, en als de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, een motivering waarom niet binnen het bestaande stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit komt nagenoeg overeen met de voormalige eerste twee treden. De derde trede komt te vervallen.
Het bevoegd gezag (de gemeenteraad) kan bovendien in een bestemmingsplan met wijzigingsen/of uitwerkingsmogelijkheden bepalen dat de Ladder pas bij het vaststellen van het wijzigingsplan dan wel het uitwerkingsplan dient te worden toegepast. 4.3.4.1 Wettelijk kader De twee treden van de Ladder schrijven vooraf geen bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling. De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. In artikel 1.1.1 Bro worden de relevante begrippen 'stedelijke ontwikkelingen' en 'bestaand stedelijk gebied' gedefinieerd: • •
Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen; Bestaand stedelijk gebied (BSG): bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
16
4.3.4.2 Uitwerking Nieuwe stedelijke ontwikkeling Alvorens de twee treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking uit te werken, dient allereerst de vraag beantwoord te worden of het voorgenomen bouwplan te beschouwen is als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het bouwplan voorziet in de uitbreiding van het terrein van AVR met 0,47 hectare (4.700 m2). De Ladder gaat er in beginsel van uit dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij een toevoeging van minder dan 500 m2 terrein. De toevoeging in onderhavig initiatief ligt ruimschoots boven deze 500 m2. Echter moet tevens worden beoordeeld of er sprake is van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling. Beoordeeld dient te worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Hiervan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding ten behoeve van opslag en parkeerruimte. Hierbij wordt geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt ten opzicht van het geldende planologische regime. Derhalve is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 4.3.4.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling niet aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
4.4 Provinciaal beleid 4.4.1 Omgevingsvisie Gelderland Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. De omgevingsvisie vervangt het Streekplan Gelderland 2005, het Waterplan, het milieubeleidsplan, het Verkeers- en vervoersplan en de Reconstructieplannen. De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit de volgende twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven: • •
een duurzame economische structuur; het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.
Ten aanzien van duurzame verstedelijking dient het accent te verschuiven van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. De provincie en partners gaan nieuwe ontwikkelingen bezien in samenhang met de bestaande voorraad. Als leidend principe hanteren zij hiervoor de ‘Gelderse Ladder voor duurzaam ruimtegebruik’. De juridische basis hiervoor is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ die het Rijk heeft vastgesteld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Ten aanzien van bedrijventerreinen wil de provincie Gelderland zorg dragen voor kwalitatief, hoogwaardige duurzame werklocaties, waarbij concentratie van economische activiteiten de voorkeur heeft boven versnippering. Het aansluiten van geschikte werklocaties bij de wensen van ondernemers is een voorwaarde om deze ambitie te bereiken. Daarom wordt onder andere het omvormen van bestaande locaties gestimuleerd. 4.4.1.1 Conclusie Met onderhavige ontwikkeling wordt het bestaande terrein van AVR uitgebreid teneinde meer opslagruimte en parkeergelegenheid te realiseren op het eigen terrein. Hierbij wordt op een bestaande locatie ontwikkeld binnen een reeds gerealiseerde werklocatie. Daarnaast zorgt de uitbreiding van het AVR-terrein ervoor dat de bedrijfsactiviteiten op de bestaande locatie gehandhaafd kunnen worden en er geen dislocatie van opslag en parkeren hoeft plaats te vinden.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
17
Hierdoor wordt versnippering voorkomen. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee niet in strijd met provinciale ruimtelijke belangen uit de Omgevingsvisie en past binnen het hierin verwoorde relevante ruimtelijke beleid. 4.4.2 Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening Gelderland is vastgesteld op 24 september 2014 door Provinciale Staten. Ook van de verordening is een actualisatieplan door de Provinciale Staten vastgesteld op 8 juli 2015. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. De Omgevingsverordening Gelderland richt zich onder andere op werklocaties op het provinciaal grondgebied. Werklocaties Een aantrekkelijk vestigingsklimaat vraagt om voldoende en geschikte ruimte voor de vestiging van nieuwe bedrijven en voor de ontwikkeling van bestaande bedrijven. De provincie Gelderland zorgt er, samen met gemeenten, voor dat het juiste bedrijf zich op de juiste plek kan vestigen. Dit vraagt om kwalitatief goede locaties die aansluiten bij de vraag van bedrijven en de gewenste, ruimtelijk economische ontwikkeling van de regio. Die behoefte verschilt per bedrijf en per regio. Voor een goed vestigingsklimaat wordt daarom per regio gewerkt aan een divers aanbod van verschillende type werklocaties.
Waar de opgave er om vraagt, worden hierover in regionaal verband afspraken gemaakt in het Regionaal programma werklocaties. Voor industrieterrein InnoFase en de locatie van AVR geldt het RPW van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen. Momenteel wordt het RPW voor deze regio herzien en ligt er een voorstel RPW voor de periode 2021-2024 waarover de gemeenteraden van de deelnemende regiogemeenten een besluit zullen nemen in het eerste kwartaal van 2021. Tevens is voor onderhavig plan melding gemaakt bij het Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (IOW). Vanuit het IOW is goedkeuring gegeven voor de voorgenomen uitbreiding van het AVRterrein. 4.4.2.1 Conclusie Onderhavig initiatief beoogd de uitbreiding van het terrein van AVR te Duiven. Hierbij wordt ruimte gerealiseerd voor opslag en parkeren. De voorziene uitbreiding betreft een particulier initiatief op een bestaande locatie en derhalve wordt er vraaggestuurd ontwikkeld. Het nieuw te realiseren stuk bedrijventerrein wordt direct in gebruik genomen door AVR en komt niet als aanbod op de markt. Omdat het een uitbreiding betreft van een bestaand bedrijf binnen een bestaand industrieterrein heeft onderhavige ontwikkeling geen nadelig effect op de plancapaciteit zoals beschreven in het RPW. Onderhavige ontwikkeling is dus niet in strijd met de afspraken van het RPW en is derhalve in lijn met de Omgevingsverordening Gelderland.
4.5 Gemeentelijk beleid 4.5.1 Structuurvisie Duiven 2015 De gemeenteraad van de gemeente Duiven heeft op 28 september 2015 de Structuurvisie Duiven 2015 vastgesteld. Met de Structuurvisie Duiven 2015 geeft de gemeente Duiven haar visie op de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor het gehele gemeentelijk grondgebied. Deze structuurvisie is een herziening van de Structuurvisie, omgevingsvisie voor een duurzaam Duiven, vastgesteld op 14 december 2009. Sinds 2009 is er sprake van diverse veranderingen op verschillende ruimtelijke relevante beleidsterreinen. Naast de wijzigingen in het gemeentelijk beleid is ook de maatschappelijke context veranderd. Daarnaast spelen er de ingrijpende decentralisaties op het sociaal-maatschappelijk vlak en de daaraan gerelateerde bezuinigingen. De Structuurvisie Duiven 2015 geeft duidelijkheid over de koers voor het gemeentelijk handelen en de ruimtelijke kaders die de gemeente Duiven hanteert bij het afwegen van initiatieven.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
18
Op het gebied van bedrijventerreinen vertaalt de gemeente Duiven het regionaal- en provinciaal beleid (RPW) in concrete (bestemmings-)plannen, welke gehanteerd worden als onderdeel van het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven en uiteraard als richtsnoer gelden voor het eigen handelen. Dit betekent dat ontwikkelingen in de gemeente Duiven alleen op aantoonbare en in gezamenlijkheid met de Stadsregio bepaalde behoeften geïmplementeerd worden. Aan lokale, kleinschalige initiatieven wordt, onder toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking, zo mogelijk medewerking verleend, rekening houdend met het beleid op het gebied van duurzaamheid, natuur en landschap en cultuurhistorie. 4.5.1.1 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling wordt verwezenlijkt op een bestaande locatie gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Het initiatief wordt geïnitieerd door een reeds gevestigd bedrijf op industrieterrein InnoFase, waardoor vraaggestuurd wordt ontwikkeld. Onderhavig plan is daarmee in overeenstemming met de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking en derhalve niet in strijd met de Structuurvisie Duiven 2015. 4.5.2 Bestemmingsplan Archeologie Duiven heeft een rijke historie en kent mede daarom een rijke archeologische historie. Vanuit het Verdrag van Malta en vanuit de Monumentenwet 1988 heeft Duiven archeologisch beleid gemaakt.
Dit beleidsstuk bestaat uit een ‘Archeologische waarden- en verwachtingskaart’. Op basis daarvan is een document gemaakt waarin de vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn beargumenteerd. Deze vrijstellingsgrenzen zijn nodig om een goed instrument te hebben om het archeologisch belang goed te implementeren in de dagelijkse ruimtelijke ordening. Deze beide stukken vormen de beleidsmatige onderbouwing van de gemaakte keuzes in het bestemmingsplan Archeologie. 4.5.2.1 Conclusie Op basis van het bestemmingsplan Archeologie blijkt dat het besluitgebied van onderhavig initiatief is gelegen binnen een zone met de gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – lage archeologische verwachting 5’. Het aspect ‘Archeologie’ wordt verder toegelicht in paragraaf 5.9 van deze toelichting.
4.6 Conclusie relevant ruimtelijk beleid De voorgenomen ontwikkelingen zijn niet in strijd met ruimtelijke belangen van de verschillende overheden en passen binnen het relevante ruimtelijke beleid.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
19
5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. De aspecten ‘bodem’ en ‘flora en fauna’ zijn afzonderlijk onderzocht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.
5.2 Bodem en asbest 5.2.1 Verkennend bodemonderzoek Sweco Nederland B.V. heeft een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van de Noordelijke Parallelweg te Duiven. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Het verkennend bodemonderzoek is een steekproef en is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. De resultaten zijn opgenomen in de volgende paragrafen. Het hele verkennend bodemonderzoek is als bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. 5.2.1.1 Vooronderzoek Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt geconcludeerd dat: • • • •
de onderzoekslocatie zich bevindt binnen bodemkwaliteitszone Industrie recent van de gemeente Duiven waar veelal geen sprake is van bodemverontreiniging. er geen eerder bodemonderzoek heeft plaatsgevonden op de onderzoekslocatie. geen sprake is van een asbestverdachte onderzoekslocatie omdat deze nooit bebouwd is geweest. de onderzoekslocatie verdacht is op bodemverontreiniging door de naastgelegen afvalverwerking met vuilverbranding.
5.2.1.2 Veldonderzoek Het veldwerk is op 12 en 13 december 2018 uitgevoerd. Op 21 december 2018 zijn aanvullende werkzaamheden uitgevoerd. De werkzaamheden zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygienische bodem- en waterbodemonderzoek, versie 5, december 2013) en de protocollen 2001 (versie 3.2, december 2013) en 2002 (versie 4, december 2013) door VWB Bodem B.V. (certificaatnummer EC-SIK-20264). 5.2.1.3 Onderzoeksresultaten Bodemopbouw en grondwatergegevens Uit de profielbeschrijvingen blijkt dat er vanaf maaiveld tot circa 2,8 m -mv zich klei bevindt. Vanaf maaiveld tot 3,5 m -mv (is maximale boordiepte) is lokaal zand aangetroffen. Tijdens de monsterneming is vastgesteld dat de grondwaterstand zich op 2,54 m –mv bevindt. De gemeten troebelwaarden liggen ruim onder 10 waardoor verwacht wordt dat de NTU geen invloed heeft op de analyseresultaten van de onderzochte parameters. De in de tabel 4.1 van bijlage 1 weergegeven waarden voor de zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen worden niet als afwijkend beschouwd. Zintuigelijke waarnemingen Tijdens de boorwerkzaamheden zijn zintuiglijk kenmerken waargenomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van verontreinigende stoffen. In de boringen 04, 07, 12 en 13 zijn resten baksteen waargenomen. In de boringen 05 en 06 zijn sporen van baksteen waargenomen.
In boringen 08, 10 en 11 zijn na zintuigelijke waarneming beschreven als zwak baksteenhoudend. Tevens zijn in boring
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
20
04 resten glas, en in boring 12 resten kolengruis waargenomen. Opgemerkt wordt dat in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdacht materiaal is waargenomen. Milieuhygiënische kwaliteit van de bodem Op enkele plaatsen op de locatie is bodemverontreiniging aangetoond. Het betreft licht verhoogde gehalten aan zware metalen (cadmium, koper, lood en zink) en PAK in de bovengrond (0,0-0,5 mmv) en licht verhoogde gehalten aan zware metalen (cadmium en lood) en PCB’s in de ondergrond (0,5-1,0 m-mv). Dit komt niet overeen met de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Duiven, volgens welke op de onderzoekslocatie geen verhoogde gehalten worden verwacht. Mogelijk zijn de verhoogde gehalten gerelateerd aan de zintuigelijk waargenomen bijmengingen. Volgens het historisch kaartmateriaal is de aanwezige bebossing zeer recent. Mogelijk is als onderdeel van het aanplanten hiervan ook extra bodemmateriaal aangebracht. Een andere mogelijkheid is dat de licht verhoogde gehalten in de bovengrond gerelateerd zijn aan de activiteiten van de AVR, dit verklaard de licht verhoogde gehalten in de ondergrond echter niet. In het grondwater is een licht verhoogd gehalten aan barium aangetoond. 5.2.1.4 Advies Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie.
Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese ‘verdachte locatie’, juist is. Gezien de relatief lage gehalten aan zware metalen, PAK en/of PCB en de toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek behoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien geen beperkingen te worden gesteld aan het toekomstige gebruik van de locatie als onderdeel van de AVR. Indien grond van de locatie vrijkomt en wordt toegepast gelden de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor is mogelijk een generiek of gebiedsspecifiek beleidskader van kracht voor het toepassen van grond. 5.2.2 Conclusie Het aspect 'bodem en asbest' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3 Verkeer en parkeren 5.3.1 Verkeer Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van uitbreiding van het terrein van AVR voor opslag en parkeren. Deze ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking tot gevolg. Doel van de uitbreiding is om meer opslag te realiseren, het aantal verkeersbewegingen zal derhalve niet toenemen. Ontsluiting Ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de bestaande inrit. 5.3.1.1 Conclusie verkeer Onderhavig initiatief heeft geen verkeersaantrekkende werking tot gevolg. De bedrijfsactiviteiten op de bestaande locatie worden niet uitgebreid. De extra ruimte dient als opslag- en parkeerruimte. Het aspect ‘verkeer’ vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
21
5.3.2 Parkeren Onderhavig initiatief voorziet in de uitbreiding van het terrein van AVR, teneinde te kunnen voorzien in voldoende ruimte voor opslag en parkeren. Onderhavig initiatief heeft als doel het handhaven van voldoende parkeerruimte op het eigen terrein van AVR. 5.3.2.1 Conclusie parkeren Met de realisatie van een nieuw terrein voor opslag en parkeren, teneinde de bestaande parkeerruimte op het terrein van AVR te kunnen handhaven, vormt het aspect 'parkeren' geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.3.3 Conclusie Met inachtneming van voorgaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.4.1 Beoordelingskader Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid gebruik te maken van de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom is deze publicatie te gebruiken voor het verantwoord inpassen van bedrijvigheid in een woon- of werkomgeving. De publicatie geeft informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt is dat de in de bedrijvenlijst genoemde afstanden gelden tussen enerzijds de perceelsgrens van het bedrijf en anderzijds de gevel van de woning. De richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. Dit kan zowel een rustige woonwijk als een rustig buitengebied zijn. Indien een activiteit plaatsvindt in een gebied waar meerdere functies naast elkaar voorkomen is er sprake van een gemengd gebied. Voor deze gebieden kunnen kleinere richtafstanden worden gehanteerd, de richtafstand voor een rustig woongebied kan met één stap kan worden verlaagd. De genoemde richtafstanden zijn indicatief. Afwijken van deze indicatieve richtafstanden is mogelijk indien de afwijking wordt gemotiveerd. Het kan zo zijn dat specifieke wet- en regelgeving andere afstanden voorschrijft.
Deze gaan dan voor de afstanden uit de VNG-publicatie. Te denken valt aan de Wet geurhinder en veehouderij, het Activiteitenbesluit of het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 5.4.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een extra terrein voor opslag en parkeren bij afvalverwerking AVR en voorziet niet in de realisatie van een gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling hoeft geen afstand te worden gehouden tot bestaande bedrijven in de omgeving. 5.4.3 Gevoelige functies in de omgeving Onderhavig plan voorziet in de uitbreiding van het terrein van afvalverwerking AVR. De uitbreiding wordt gebruikt voor opslag en het parkeren van vrachtwagens. De beoogde activiteit met de zwaarste milieucategorie (3.2) betreft het parkeren van vrachtwagens met koelinstallaties. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve aan te merken als een functie die mogelijke gevolgen kan hebben voor gevoelige functies in de omgeving. Op basis van de VNG-publicatie geldt voor een dergelijke milieucategorie een richtafstand van 100 meter. Binnen de richtafstanden die gelden voor dergelijke categorieën zijn geen gevoelige functies gesitueerd.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
22
5.4.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen gevoelige functies binnen de richtafstanden van de beoogde uitbreiding voor AVR vallen en dat er geen bestaande bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering of een eventuele toekomstige uitbreiding. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.
5.5 Geluid 5.5.1 Beoordelingskader De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van de ruimtelijke procedure moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn uitgesloten van akoestisch onderzoek. 5.5.2 Toetsing wegverkeerslawaai Met de realisatie van meer ruimte voor opslag en parkeren worden functies toegevoegd die niet geluidsgevoelig zijn in het kader van Wet geluidhinder. Een onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk. 5.5.3 Conclusie wegverkeerslawaai Met onderhavig initiatief worden geen geluidsgevoelige functies toegevoegd. Ten aanzien van wegverkeerslawaai gelden er voor de realisatie van het plan geen beperkingen. 5.5.4 Toetsing industrielawaai Ten behoeve van de uitbreiding van het industrieterrein is door DGMR een notitie opgesteld over de effecten van deze beoogde uitbreiding op het geluidsbelasting van de omgeving. De uitkomsten van dit onderzoek zijn hieronder beschreven.
De volledige notitie is als bijlage 2 bij de bijlagen bij de toelichting opgenomen. 5.5.4.1 Toetsing effect nieuwe kavel op geluidsruimte Voor de nieuwe kavel bedraagt de maximale toegestane milieucategorie 3.2. Voor deze kavel is als eerste verkenning de minimale geluidsruimte van 60 dB(A)/m2 in de dagperiode, 55 dB(A)/m2 in de avondperiode en 50 dB(A)/m2 in de nachtperiode opgenomen. Deze reservering sluit aan bij het in 2013 gehanteerde uitgangspunt en is passend voor de toegestane milieucategorie. Op basis van de vergunning kent de kavel van AVR een emissieruimte van respectievelijk 66 dB(A) (dag), 64 dB(A) (avond) en 63 dB(A) (nacht). Het rekenmodel behorende bij de meest recente zonetoets (toetsing van SUEZ, september 2020) is doorgerekend met Geomilieu versie 2020.2. Uit de doorrekening blijkt dat de cumulatieve geluidsbelasting zeer beperkt wijzigt door de gebruikte versie van het rekenpakket. Uit de rekenresultaten blijkt dat het effect van de nieuwe kavel bij alle toetspunten ten hoogste zorgt voor 0,1 dB toename ten opzichte van de minimale emissieruimte. Voor alle toetspunten geldt daarbij dat voldaan wordt aan de grenswaarde, waarbij op alle toetspunten nog ruimte beschikbaar is voor toekomstige ontwikkelingen. Op basis hiervan kan gesteld worden dat de toevoeging van de nieuwe kavel niet leidt tot beperkingen voor de beschikbare geluidsruimte.
5.5.4.2 Conclusie notitie geluidsruimte Op basis van de resultaten uit hoofdstuk 3 van de notitie geluidsruimte worden de volgende conclusies getrokken:
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
23
• • •
De actualisatie van de gebruikte versie van het rekenpakket is niet van invloed op de berekende (cumulatieve geluidsbelasting). Voorgesteld wordt om de nieuwe versie van het rekenpakket in de geluidsruimteregeling vast te leggen. De actualisatie van het omgevingsmodel leidt tot veranderingen in de geluidsbelasting. Voorgesteld wordt om dit door te voeren, aangezien het model dan weer aansluit bij de actuele situatie. De uitbreiding van het industrieterrein leidt niet tot een significante verandering van de cumulatieve geluidsbelasting. Dit betekent dat het toevoegen van de kavel niet ten koste gaat van de geluidsruimte van de andere bedrijven. Er wordt daarom geen bezwaar gezien in het toevoegen van dit perceel aan het industrieterrein.
5.5.5 Conclusie industrielawaai Ten aanzien van het aspect ‘industrielawaai’ gelden voor de realisatie van onderhavig initiatief geen beperkingen.
5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • • •
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (Luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (Luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit 'niet in betekenende mate' bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter,
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
24
bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • • • •
CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).
5.6.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van het terrein van afvalverwerking AVR. De te realiseren uitbreiding is bedoeld voor opslag van goederen, portacabins en voor parkeren. Hierbij wordt geen nieuwbouw gerealiseerd. Omdat er met deze uitbreiding geen toename plaatsvindt van bedrijfsprocessen op het perceel van AVR, wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
5.7 Watertoets Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. 5.7.1 Beleid 5.7.1.1 Beleid waterschap Rijn en IJssel Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Rijn en IJssel. In november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rijn en IJssel het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Dit waterbeheerplan is opgesteld in samenwerking met de waterschappen Vechtstromen, Reest en Wieden en Groot Salland. In het waterbeheerplan wordt beschreven hoe wordt gewerkt aan een goed functionerend regionaal watersysteem en voor goede afvalwaterzuivering. Het waterschap adviseert bij ruimtelijke plannen om te komen tot een duurzame ruimtelijke inrichting. Dit gebeurt middels het doorlopen van een Watertoets. Met deze toets worden waterbelangen ingebracht in de ruimtelijke planvorming. 5.7.1.2 Deltaprogramma ruimtelijke adaptatie De kern van het deltaprogramma is dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht.
Overheden gaan ervoor zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt en letten daarop bij de aanleg van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, het opknappen van bestaande bebouwing, vervanging van rioleringen en wegonderhoud, et cetera. 5.7.2 Effect planvoornemen Het waterschap werkt met de gemeenten samen aan een goede ruimtelijke ordening via het proces van de Watertoets. In de watertoetstabel zijn de taakgebieden van het waterschap nader uitgewerkt.
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
25
15 oktober 2021 | Bestemmingsplan ‘Uitbreiding AVR Afvalverwerking’ | Buro Stedenbouw
26
Uit de gegevens van de watertoetstabel blijkt dat op een aantal punten verdere toelichting nodig is. 5.7.2.1 Riolering en Afvalwaterketen Ten noorden van het plangebied is een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van het waterschap gelegen. Binnen de milieuzone van de RWZI mogen geen hindergevoelige functies worden opgenomen. Het realiseren van een terrein voor opslag en parkeren voor afvalverwerking AVR vormt geen hindergevoelige functie. 5.7.2.2 Wateroverlast Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Indien hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Op basis van het beleid van Waterschap Rijn en IJssel dient binnen het plangebied voldoende waterberging aanwezig te zijn om een bui T=100+10% (=80 mm) te borgen. Het bouwplan voor de beoogde locatie is echter nog niet uitgewerkt, waardoor het aantal vierkante meters verharding nog niet vastligt. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 0,47 hectare en zal in de toekomst gebruikt worden voor opslag en parkeren.
Uitgaande van de maximale planologische capaciteit voor verharding binnen het plangebied zou er 4.700 m2 verhard worden. Dit betekent dat er 4.700 * 80 = 376 m 3 aan waterberging gerealiseerd moet worden. Bij het uitwerken van het bouwplan op deze locatie dienen de bovengenoemde uitgangspunten te worden aangehouden, conform het beleid van het Waterschap Rijn en IJssel. 5.7.3 Hemelwater De precieze inrichting van het plangebied is nog niet bekend. Wel dient bij de uitwerking hiervan rekening te worden gehouden met het infiltreren van hemelwater in de bodem. Door het gebruik van een waterdoorlatend oppervlak kan infiltratie van hemelwater worden gerealiseerd. 5.7.4 Conclusie In het kader van de watertoets is bovenstaande waterparagraaf ter controle voorgelegd aan het Waterschap Rijn en IJssel. Het Waterschap heeft hierop de volgende reactie uitgebracht: 'De watertoets is correct uitgevoerd. Geconstateerd is dat er een nadere uitwerking plaats dient te vinden betreffende de berging en de vertraagde afvoer van hemelwater in het nieuwe plan. Zo gauw de contouren bekend zijn, zien wij de uitwerking hiervan graag tegemoet.'