Bijlage 1b - Bijlagen 7 tm 11 bestemmingsplan (201526275).pdf
Tekst van het document
204
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
:
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 16 augustus 2019 : Gemeente Duiven : P01925 : ir. N. L. Luijken : ing. M. Koen
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van horeca- en leisurevoorzieningen, gericht op toeristen/recreanten en de bezoekers van het grootschalige winkelgebied, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen potentieel aanwezige natuurwaarden die vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid zijn beschermd. Deze werkEconomische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 15 augustus 2019 tussen 09:00 tot 10:00 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 18°C, geheel bewolkt, zonder neerslag, met een zuidwestenwind van 3 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op ba-
1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
sis van het aanwezige habitat en nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.
Het plangebied is gelegen op bedrijventerrein Seingraaf in Duiven. Het bedrijventerrein is gelegen op een locatie aan de A12, ingeklemd tussen het bestaande bedrijventerrein Nieuwgraaf-Centerpoort en de uiterwaarden van de IJssel. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit een grasland. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, midens het verkennende veldbezoek.
2
Toekomstige situatie Initiatiefnemer is -concept te realiseren. Het concept betreft een concentratie van horeca- en leisurevoorzieningen, gericht op toeristen/recreanten en de bezoekers van het grootschalige winkelgebied Centerpoort Nieuwgraaf. Figuur 3 geeft een beeld van de toekomstige situatie.
Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
3
Toekomstige situatie plangebied
4
Grens bos en plangebied gezien vanaf zuidpunt
Plangebied gezien vanaf oostpunt
Plangebied gezien vanaf noordpunt
Zuidzijde van het plangebied
Noordpunt van het plangebied
5
Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000Rijntakken , bevindt zich op circa 150 meter afstand ten noordwesten van het projectgebied (zie figuur 10). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van horeca- en leisurevoorzieningen betreft, zal dit een verkeerstoename meebrengen en is daarmee een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet uit te sluiten.
Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is een landelijk netwerk van natuur- en agrarische gebieden met een speciale natuurkwaliteit. Het netwerk bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit verbindingszones die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. De provincie Gelderland beschermt de bestaande natuur in het Gelders natuurnetwerk (GNN) en versterkt de samenhang door natuurgebieden in het Gelders natuurnetwerk uit te breiden en verbindingszones aan te leggen in de Groene ontwikkelingszone (GO). Het Gelders natuurnetwerk bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Gelderse Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds uit het zoekgebied voor nieuwe natuur. In de Groene ontwikkelingszone worden natuur- en landschapselementen aangelegd ter verbetering van de migratiemogelijkheden voor planten en dieren volgens de ontwikkelingsmodellen beschreven in de atlas Kernkwaliteiten GNN en GO.
Zowel door compensatie als verevening worden er nieuwe natuurelementen gerealiseerd. Na realisatie worden deze onderdelen toegevoegd aan het Gelders natuurnetwerk. Voor plannen binnen het NNN, geldt het 'Nee, tenzijestaan, tenzijuitgesloten is dat de ingreep een negatief effect heeft op het NNN. Als effecten op het NNN niet op worden. In de Groene Ontwikkelingszone is het ruimtelijke beleid gericht op behoud en ontwikkeling van kernkwali-
6
Indien voorgenomen ingrepen significant negatieve gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten van kunnen deze alleen plaatsvinden, mits de nadelige gevolgen worden gemitigeerd en de resterende schade wordt gecompenseerd. Ingrepen kunnen niet plaatsvinden als niet wordt Het plangebied is niet gelegen binnen het GNN (zie figuur 10). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN ligt ongeveer 130 meter ten noordwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Ligging GNN (groen) en Natura 2000-gebieden (rood gearceerd) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
7
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien zich binnen het plangebied zelf geen (onderdelen van) beschermde houtopstanden bevinden is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming)
bescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, n verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten (artikel 3.1 Wnb) (artikel 3.5 Wnb)
(artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1
Art 3.5 lid 1
Art 3.10 lid 1a
Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2
Art 3.5 lid 4
Art 3.10 lid 1b
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te
8
vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3
Art. 3.5 lid 3
-
Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
Art 3.1 lid 4 en lid 5
Art 3.5 lid 2
Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
Art 3.5 lid 5
Art 3.10 lid 1c
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
-
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Gelderland niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend.
9
Vogels 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels -4 en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elBinnen het plangebied zijn geen potentiele broedlocaties van soorten met een jaarrond beschermd nest als kerkuil, steenuil, huismus en gierzwaluw aanwezig. De bomen direct ten westen van het plangebied vormen wel potentiele nestlocaties voor jaarrond beschermde soorten als boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn er echter in de bomenstrook direct grenzend aan het plangebied geen potentiele nesten van dergelijke soorten aangetroffen. Eventueel dieper in het hellingbos aanwezige broedgevallen zullen redelijkerwijs geen essentiële verstoring ondervinden van de voorgenomen plannen en bijkomende werkzaamheden, mede gezien de huidige ontwikkelingsactiviteiten in de directe omgeving.
Daarbij is het echter niet geheel uitgesloten dat een volgend broedseizoen zich alsnog een dergelijk broedgeval in de aangrenzende strook alsnog een nest kan gaan bouwen en hier zal gaan broeden. Qua foerageergebied betreft het plangebied een dusdanig klein oppervlak dat dit niet van essentieel belang zal zijn, mede gezien het ruime aanbod aan foerageerhabitat ten noorden van de Rivierweg (N338) en de heuvel aan de westzijde. Verder kunnen er in het struweel aan de westzijde van het plangebied wel soorten zonder jaarrond beschermd nest als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning, kneu, grasmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden komen. Ook kan in de ruigte een soort als patrijs en op het meer open terrein en soort als kievit, scholekster of graspieper tot broeden komen. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Wel wordt aanbevolen, indien de werkzaamheden niet voor het broedseizoen 2020 (maart) zijn gestart, om de bosstrook aan de westzijde opnieuw te checken op spontane vestiging van een soort als buizerd of boomvalk, zodat er zeker wordt gekregen dat er niet alsnog sprake zal zijn van overtreding ten aanzien van een soort met een jaarrond beschermd nest vanwege externe verstoring als gevolg van de werkzaamheden en ontwikkeling.
Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het groen en het bouwrijp maken van het plangebied buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het
10
moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. In het verre verleden is ter plaatse van het plangebied ook onderzoek naar vleermuizen gedaan ivm de toenmalige sloop van bebouwing (woningen). Hierbij zijn destijds alleen de soorten gewone dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen (bron NDFF, met doorverwijzing naar SAB en Staring Advies). Binnen het plangebied is in de huidige geen bebouwing meer aanwezig en daarmee is er geen geschikte rust- en voortplantingsplaats voor een gebouwbewonende vleermuizensoort aanwezig. Echter groffe en spleetvormige baststructuren waarin/achter een boombewonende soort als de ruige dwergvleermuis kan verblijven als paar/zomerverblijfplaats.
Er Daarbij kan er door het aanwezige blader dek een voor vleermuizen geschikte holte zijn gemist. Het is daarmee dan ook niet uitgesloten dat er binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling een verblijfplaats (jaarrond beschermd) van een boom bewonende vleermuissoort aanwezig is. Met name de verlichting die zal uitstralen op de naastgelegen (nu donkere) bomen, kan een eventueel aanwezige verblijfplaats ongeschikt maken daar vleermuizen onder andere qua verblijfplaatsen negatief reageren op verlichting. Het hierdoor (permanent) doen verlaten van de vaste verblijfplaats betreft een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het plangebied en naastgelegen hellingbos is tevens geschikt als foerageerhabitat/route voor verschillende soorten veermuizen. Echter zal de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting van essentieel foerageerhabitat of vliegroute veroorzaken, gezien de hoeveel groene en waterrijke elementen en alternatieve (donkere) vliegverbindingen richting de uiterwaarden in de directe omgeving Toetsing Door de komst van verlichting dat uitstraalt op de naastgelegen bomen bestaat de kans dat er één of meerdere verblijfplaatsen van een vleermuissoort ongeschikt raken. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd, waarbij de functionaliteit niet in geding mag komen ook al blijft deze fysiek wel aanwezig.
Aanbevolen wordt om middels een vervolgonderzoek op voorhand duidelijkheid te verkrijgen of er überhaupt sprake is van een verblijfplaats van een vleermuizensoort en/of eventuele overtreding op voorhand kan worden uitgesloten. Indien er toch sprake blijkt te zijn van een verblijfplaats in de aangrenzende bosstrook dan dienen (lichtwerende) maatregelen overtreding te voorkomen of dient een ontheffing te worden aangevraagd in combinatie met het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen buiten de invloedsfeer van de ontwikkeling.
11
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt geschikt habitat voor diverse grondgebonden zoogdieren. Algemeen voorkomende soorten als haas, konijn, egel, veldmuis, bosmuis en dwergmuis kunnen, met me name ter hoogte van het struweel aan de westzijde, in het plangebied voorkomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied ten noorden van de Rivierweg (N338) betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en geldt er geen ontheffingsplicht voor verstoring of het vernietigen van een verblijfplaats. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.
olgens de verspreidingsgegevens (NDFF) in de directe omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten bunzing, hermelijn, wezel, steenmarter, boommarter, eekhoorn, das, bever en otter waargenomen. Binnen het plangebied en in de aangrenzende bosstrook zijn geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. Door het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied biedt het geen geschikt habitat voor een bever of otter. De waarnemingen van de laatste twee soorten hebben ook betrekking op de uiterwaarden ten noorden van de IJsseldijk. Het plangebied kan wel deel uitmaken van het leefgebied van de steen- en/of boommarter, van beide zijn verkeersslachtoffers in de directe omgeving bekend. Daar in de aangrenzende bosstrook geen potentiële er verblijfplaatsen zijn aangetroffen en het beperkte oppervlakte van het plangebied, zal er geen sprake zijn van essentieel oppervlakte verlies van het leefgebied voor deze twee relatief opportunistische soorten. Een verblijfplaats verder in het hellingbos of in een bijgebouw van en nabijgelegen (woon)boerderij is niet uitgesloten.
Gezien de verkeersaantrekkende werking van het plangebied, met name ook na zonsondergang dor de komst va horeca, is het wel aan te bevelen om in overleg met marterspecialisten te kijken hoe verkeersslachtoffers zoveel als mogelijk kunnen worden voorkomen op de omliggende wegen. Daarnaast kan het plangebied wel van wezenlijk belang zijn voor kleine materachtige als wezel, hermelijn en bunzing. Van deze drie komen de wezel en bunzing naar verwachting voor binnen het plangebied, met name ter hoogte van het dichte struweel aan de westzijde, daar van beide soorten verkeersslachtoffers bekend zijn op de Driegaardensestraat. Met name de wezel heeft genoeg aan een muizenhol om te verblijven, welke binnen het plangebied aanwezig zijn. Vervolgonderzoek door specialisten, bijvoorbeeld Sting Kleine Marters, dient et belang van het plangebied voor kleine marterachtige in beeld te brengen. Afhankelijk van deze resultaten kan worden bepaald in hoeverre overtreding en noodzaak tot ontheffing aan de orde is voor deze sinds maart 2019 niet meer vrijgestelde soorten. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten.
12
Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan mogelijk verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van een kleine marterachtige (wezel, hermelijn en bunzing) verloren. Vervolgonderzoek door specialisten (bij voorkeur door Stichting Kleine Marters) dient uit te wijzen of en welke maatregelen noodzakelijk worden geacht, al dan niet begeleid middels een ontheffing vanuit de provincie. Daarnaast wordt tevens aanbevolen maatregelen met specialisten te overleggen om verkeersslachtoffers zo vee als mogelijk te voorkomen. Ongeacht de uitkomsten van bovenstaande dient in het kader van de zorgplicht per definitie rekening vrijgestlde soorten als konijn en egel. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn aan de zuidzijde van de IJssel in de omgeving van het plangebied geen waarnemingen bekend van reptielen. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee, in combinatie met de geïsoleerde ligging tussen drukke wegen, dan ook redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker en kamsalamander bekend.
Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Wel wordt uit voorzorg geadviseerd om de langdurige aanwezigheid van plassen en/of gronddepots binnen het plangebied te vermijden, zodat onverhoopte spontane kolonisatie door de rugstreeppad op voorhand wordt voorkomen. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Daarnaast dient (onverhoopte) spontane vestiging van de rugstreeppad op voorhand worden vermeden. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
13
Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van sleedoornpage, bosparelmoervlinder, grote vos, kommavlinder, gevlekte witsnuitlibel en teunisbloempijlstaart. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als muurbloem, tengere distel, wilde ridderspoor, akkerboterbloem, glad biggenkruid, kartuizer anjer, kleine wolfsmelk, naaldenkervel, schubvaren, stijve wolfsmelk en zandwolfsmelk. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen.
Gezien het aanwezige biotoop van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand redelijkerwijs uitgesloten.
14
Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen. Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. Daarnaast wordt aanbevolen om bij start va de werkzaamheden na maart 2020 de aangrenzende bosstrook opnieuw te controleren op jaarrond beschermde nesten; Met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling zijn overtredingen ten aanzien van het vleermuizen en kleine marterachtigen op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoeken dienen hieromtrent uitsluitsel te geven; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige Aerius-berekening (momenteel niet beschikbaar), inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een significantie toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek ten behoeve van het GNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.
15
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Plangebied buiten broedAlgemeen
Ja
Te voorkomen
seizoen bouwrijp maken of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Broedvogels Jaarrond beschermd
Verblijfplaatsen
Nieuwe controle bij start Ja
Vooralsnog niet
werkzaamheden na
-
maart 2020
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar boombewonende soorten
Bij aanwezigheid maatregelen treffen en mogelijk ontheffing aanvragen
Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Ja
Nee
-
-
Ja
Nee
-
-
Vervolgonderzoek naar Grondgebonden zoogdieren
Ja
Mogelijk
wezel, hermelijn en bunzing
Reptielen
Nee
Nee
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
-
Bij aanwezigheid maatregelen treffen en mogelijk ontheffing aanvragen, daarnaast per definitie zorgplicht voor egel etc. -
Zorgplicht en vestiging rugstreeppad op voor-
-
hand voorkomen Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
16
Momenteel is geen toename Natura 2000
ca. 150 m
Mogelijk
AERIUS-berekening
aan stikstofdepositie toegestaan
Natuurnetwerk Nederland
ca. 130 m
Nee
-
Houtopstanden
-
Nee
-
Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing
17
Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Ti-
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuur-
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5.
rion Uitgevers, Utrecht.
bescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Algemene websites
Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
Floron.nl (soortgegevens planten)
Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
Sovon.nl (soortgegevens vogels)
Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Gelderland
Gelderland.nl/Kaartenencijfers (NNN en natuurbeheerplan Gelderland)
18
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
223
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
233
f1.2 Invulling plangebied Fresh & Fast
2 To e t s i n g s k a d e r
L 1135-2-NO-002 2
3 Uitgangspunten
− − − − − − 3.1 A a n l e g f a s e 3.1.1 M o b i e l e w e r k t u i g e n
L 1135-2-NO-002 4
t3.1 Werktuigen tijdens aanlegfase
Omschrijving
Vermogen (kW)
Stage-klasse
Emissienorm
Bedrijfstijd
Motorische
NOx-emissie
(g/kWh)
(uren)
belasting
(kg)
Graafmachine
120
IV
0,8
80
69%
5,3
Shovel
120
IV
0,9
120
55%
7,1
Heistelling
180
IV
1,0
60
41%
4,4
Mobiele kraan
120
IV
0,9
400
61%
26,4 Totaal:
43,2
3.1.2 V e r k e e r
t3.2 Verkeer tijdens aanlegfase
Verkeer
Totaal aantal bezoekende voertuigen tijdens
Totale NOx-emissie tijdens aanlegfase
aanlegfase
(kg)
(mvt/totaal) Personenauto's
540
0,1
Middelzwaar verkeer
900
1,8
Zwaar (vracht)verkeer
1620
3,4 Totaal:
5,3
3.2 G e b r u i k s f a s e 3.2.1 V e r k e e r
L 1135-2-NO-002 5
t3.3 Verkeersgeneratie door Fresh & Fast
Functie
Oppervlak
CROW-kental
(m2 bvo)
(mvt/etmaal/100 m2
Bewegingen (mvt/etmaal) Werkdag
Weekenddag
Weekdag
bvo) Fast Food
1.375
288
3960
5148
4299
Restaurant
1.375
48
660
858
717
Tankstation
nvt
nvt
200
260
217
Leisure
1.900
6,8
129
168
140
4950
6434
5374
Totaal:
t3.4 Totale verkeersgeneratie (weekdaggemiddeld)
Verkeer
Bewegingen (mvt/etmaal)
Licht verkeer
5231
Middelzwaar verkeer
71
Zwaar (vracht)verkeer
71
L 1135-2-NO-002 6
t3.5 Aandeel 'nieuw verkeer' en verdeling over de verschillende wegen (weekdaggemiddeld)
Verkeer
Bewegingen (mvt/etmaal) Rivierweg-oost
Rivierweg-west
Nieuwgraaf-zuid
Licht verkeer
905
226
20
Middelzwaar verkeer
14
3
0
Zwaar (vracht)verkeer
14
3
0
4 Bereken ing st ikstofdepositie 4.1 R e k e n m e t h o d e
4.2 R e k e n r e s u l t a a t 4.2.1 A a n l e g f a s e
4.2.2 G e b r u i k s f a s e
5 Concl usi e
L 1135-2-NO-002 7
L 1135-2-NO-002 8
Bijlage 1 AERIUS pdf - Aanlegfase
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Aanlegfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RTpkbQaksuds (01 december 2020) pagina 1/7
L 1135-2-NO-002 1.1
Bijlage 1 AERIUS pdf - Aanlegfase
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Peutz bv
Seingraaf, Duiven
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Fresh & Fast Duiven
RTpkbQaksuds
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
01 december 2020, 20:18
2021
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
NOx
48,17 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Resultaten
Natuurgebied
Bijdrage
Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Rijntakken
0,04
Toelichting
Aanlegfase
Resultaten
Aanlegfase
RTpkbQaksuds (01 december 2020) pagina 2/7
L 1135-2-NO-002 1.2
Bijlage 1 AERIUS pdf - Aanlegfase
Resultaten
Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden
Natuurgebied
Hoogste bijdrage
Rijntakken
0,04
Bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen*
(mol/ha/j)
*
Resultaten
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Aanlegfase
RTpkbQaksuds (01 december 2020) pagina 4/7
L 1135-2-NO-002 1.4
Bijlage 1 AERIUS pdf - Aanlegfase
Resultaten
Resultaten per habitattype
Rijntakken Habitattype
Hoogste bijdrage
ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
0,04
ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland
0,04
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
0,03
H6120 Stroomdalgraslanden
0,03
Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
0,01
(mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met het hoogste resultaat
*
Resultaten
Bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen*
-
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Aanlegfase
RTpkbQaksuds (01 december 2020) pagina 5/7
L 1135-2-NO-002 1.5
Bijlage 1 AERIUS pdf - Aanlegfase
Resultaten
Emissie (per bron)
Verkeer richting terrein 196274, 442446 4,96 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Aanlegfase
NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
540,0 / jaar NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
900,0 / jaar NOx NH3
1,68 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
1.620,0 / jaar NOx NH3
3,22 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Voertuig
Omschrijving
AFW
Mobiele werktuigen 196232, 442389 43,21 kg/j < 1 kg/j
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
Graafmachine
2,0
4,0
0,0 NOx NH3
5,30 kg/j < 1 kg/j
AFW
Shovel
2,0
4,0
0,0 NOx NH3
7,13 kg/j < 1 kg/j
AFW
Heistelling
2,0
4,0
0,0 NOx NH3
4,43 kg/j < 1 kg/j
AFW
Mobiele kraan
2,0
4,0
0,0 NOx NH3
26,35 kg/j < 1 kg/j
Aanlegfase
RTpkbQaksuds (01 december 2020) pagina 6/7
L 1135-2-NO-002 1.6
Bijlage 1 AERIUS pdf - Aanlegfase
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS Database
versie 2020_20201124_13fd900ebd versie 2020_20201124_13fd900ebd
Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Aanlegfase
RTpkbQaksuds (01 december 2020) pagina 7/7
L 1135-2-NO-002 1.7
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Gebruiksfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 1/10
L 1135-2-NO-002 2.1
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Peutz bv
Seingraaf, Duiven
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Fresh & Fast Duiven
RTNgQoo1WQUd
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
01 december 2020, 20:17
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Situatie 1
NOx
276,46 kg/j
NH3
12,34 kg/j
Resultaten
Natuurgebied
Bijdrage
Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Rijntakken
0,21
Toelichting
Gebruiksfase
Resultaten
Gebruiksfase
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 2/10
L 1135-2-NO-002 2.2
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
Resultaten stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden
Natuurgebied
Hoogste bijdrage
Rijntakken
0,21
Veluwe
0,02
Bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen*
(mol/ha/j)
*
Resultaten
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Gebruiksfase
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 4/10
L 1135-2-NO-002 2.4
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
Resultaten per habitattype
Rijntakken Habitattype
Hoogste bijdrage
ZGLg08 Nat, matig voedselrijk grasland
0,21
ZGLg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivieren- en zeekleigebied
0,21
H6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
0,12
H6120 Stroomdalgraslanden
0,08
Lg08 Nat, matig voedselrijk grasland
0,02
Lg11 Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het rivierenen zeekleigebied
0,01
ZGLg02 Geïsoleerde meander en petgat
0,01
Lg02 Geïsoleerde meander en petgat
0,01
(mol/ha/j) voor de 10 stikstofgevoelige Natura 2000gebieden met het hoogste resultaat
Bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen*
0,01
Veluwe
Resultaten
Habitattype
Hoogste bijdrage
Lg14 Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden
0,02
H9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,02
H4030 Droge heiden
0,01
L4030 Droge heiden
0,01
ZGH9120 Beuken-eikenbossen met hulst
0,01
ZGL4030 Droge heiden
0,01
ZGLg01 Permanente bron & Langzaam stromende bovenloop
0,01
Gebruiksfase
Bijdrage op (bijna) overbelaste hexagonen*
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 5/10
L 1135-2-NO-002 2.5
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
*
Resultaten
Als de hoogste depositietoename plaatsvindt op een hexagoon waar géén sprake is van een (naderende) stikstofoverbelasting, dan is de hoogste toename op een hexagoon met wel een (naderende) stikstofoverbelasting in deze kolom weergegeven.
Gebruiksfase
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 6/10
L 1135-2-NO-002 2.6
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Gebruiksfase
NOx NH3
Soort
Voertuig
Standaard
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Licht verkeer
5.231,0 / etmaal NOx NH3
106,96 kg/j 6,34 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
71,0 / etmaal NOx NH3
19,11 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
71,0 / etmaal NOx NH3
23,32 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Verkeer Driegaardensestraat 196325, 442436 149,39 kg/j 6,83 kg/j
Soort
Voertuig
Standaard
Verkeer op terrein 196235, 442410 113,52 kg/j 4,40 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Licht verkeer
5.231,0 / etmaal NOx NH3
77,53 kg/j 4,09 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
71,0 / etmaal NOx NH3
17,38 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
71,0 / etmaal NOx NH3
18,62 kg/j < 1 kg/j
Gebruiksfase
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 7/10
L 1135-2-NO-002 2.7
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
226,0 / etmaal NOx NH3
1,96 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
3,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
3,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Verkeer Rivierweg-west 196339, 442361 2,58 kg/j < 1 kg/j
Verkeer Rivierweg-oost 196429, 442406 10,71 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
905,0 / etmaal NOx NH3
7,81 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
14,0 / etmaal NOx NH3
1,11 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
14,0 / etmaal NOx NH3
1,79 kg/j < 1 kg/j
Gebruiksfase
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 8/10
L 1135-2-NO-002 2.8
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Verkeer Nieuwgraaf-zuid 196405, 442343 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
20,0 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Gebruiksfase
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 9/10
L 1135-2-NO-002 2.9
Bijlage 2 AERIUS pdf - Gebruiksfase
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS Database
versie 2020_20201124_13fd900ebd versie 2020_20201124_13fd900ebd
Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Gebruiksfase
RTNgQoo1WQUd (01 december 2020) pagina 10/10
L 1135-2-NO-002 2.10
Bijlage 10 Ecologische voortoets stikstofdepositie
Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Seingraaf, tweede partiële herziening" (vastgesteld)
259
Ecologische voortoets stikstofdepositie
Bedrijventerrein Seingraaf, Duiven Ontwikkeling Fresh & Fast Gemeente Duiven
Datum: 3 december 2020 Projectnummer: 150455.01
INHOUD
1
Inleiding
3
2
Wettelijk kader
4
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
Natura 2000-gebieden Verstoring door stikstof door verzuring en vermesting De voortoets en passende beoordeling Het begrip significantie Het begrip Kritische DepositieWaarde (KDW) Het begrip cumulatie
4 4 5 6 8 8
3
Methode
9
4
Resultaat
11
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Samenvatting resultaat AERIUS-berekeningen Gevoeligheid voor stikstof Gevolgen merkbaar? Stikstof uit andere bronnen Gevolgen meetbaar? Cumulatietoets
11 13 14 19 20
5
Discussie, conclusie en vervolgstappen
22
5.1 5.2
Voortoets of passende beoordeling? Conclusie
22 23
Bijlage 1. Natura 2000-gebieden
1
Inleiding Op bedrijventerrein Seingraaf te Duiven is de ontwik concept voorzien. Ten behoeve van deze ontwikkeling wordt een bestemmingsplan opgesteld. Om de haalbaarheid van het bestemmingsplan te onderzoeken werd eerder de stikstofuitstoot van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Uit de resultaten blijkt dat er zowel in de bouwfase als de gebruiksfase enige stikstofdepositie te verwachten is op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe. Om te onderzoeken of van deze depositie significant negatieve gevolgen te verwachten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden, is een ecologische voortoets opgesteld. Voorliggende rapportage vormt het verslag van de ecologische voortoets. In hoofdstuk 2 beschrijven we het wettelijk kader van deze toets, waar onder meer informatie gegeven wordt over Natura 2000 gebieden, instandhoudingsdoelstellingen, het begrip significantie en de inhoud van een ecologische voortoets. In hoofdstuk 3 beschrijven we de gevolgde methode, waarna in hoofdstuk 4 de resultaten volgen. In hoofdstuk 5 volgen een discussie en de conclusies van het onderzoek.
3
2 2.1
Wettelijk kader Natura 2000-gebieden Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7 lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1 Wet natuurbescherming). Voor alle Natura 2000-gebieden geldt verder, op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.
Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
2.2
Verstoring door stikstof door verzuring en vermesting 1 Stikstofdepositie kan verzuring van bodem of water veroorzaken. Stikstof, in de vorm van stikstofoxide (NOx) of ammoniak (NH3) komt daarbij via de lucht of het water in de grond terecht. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen. Een ander effect van de verzurende werking van teveel stikstof is onder meer dat kalk uitspoelt. Diersoorten als vogels en huisjesslakken kunnen door kalkgebrek verdwijnen uit gebieden. Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en 1
Tekst gebaseerd op Vakblad natuur, bos, landschap 158, oktober 2019.
4
heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten. Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. Daarnaast zorgen hoge concentraties stikstof en verzuring van de bodem voor een onbalans in nutriënten in de vegetatie. Planten vertonen hierdoor groeiverstoringen en ook de samenstelling van plantendelen, zoals bladeren, verandert hierdoor. Dit werkt door in diergroepen die van de planten eten, zoals insecten. Ook deze dieren zullen door de onbalans aan nutriënten verzwakken en tekorten vertonen aan bepaalde nutriënten. Roofdieren die van deze insecten eten kunnen hier ook last van krijgen, waardoor bij hoge stikstofdeposities hele voedselketens kunnen worden aangetast.