CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Politieke Avond 11 januari 2022, gemeente Duiven36.828 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Dit gaf voor raadsfracties de reden om met een amendement aanpassingen op het oorspronkelijke raadsvoorstel aan te brengen. Dat amendement is op 12 mei 2020 met een grote meerderheid door de raad aangenomen. Alle raadsstukken hierover, inclusief de opbrengst van het participatietraject zijn nog terug te vinden onder agendapunt D 10: https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/Duiven/2d9a521d-06a5-402e-b51e-f03f7b5bec73

Aangewezen zoekgebieden 12 mei 2020 De gemeenteraad heeft als inbreng voor de RES 1.0 gekozen voor de geconcentreerde ontwikkeling zon én wind in het gebied op en rond de bedrijventerreinen InnoFase/ Centerpoort-Noord. Vandaar de aanduiding ‘geschikt’ zoekgebied. Andere, door de raad voorwaardelijk als ‘mogelijk geschikt’ voor wind- en zonne-energiegebieden komen niet voor planologische medewerking in aanmerking. Voor de lokale inbreng voor de RES 1.0 is er ook geen noodzaak om nu meerdere studies voor deze zoekgebieden te gaan uitvoeren. De aandacht ligt nu op de RES-opgave voor 2030 en het zoekgebied Innofase/Centerpoort-Noord, onderdeel van RES-zoekgebied WZ5. Met het raadsbesluit voor het gebied InnoFase-Centerpoort-Noord kiest de gemeente voor een duidelijke concentratie binnen een afgegrensd gebied dat direct aansluit op bedrijvigheid in de A12 zone. Hierdoor ontstaat een energielandschap waar ruimte is voor een gecombineerde opwek van Pagina 4

wind- en zonne-energie. De RES 1.0 pleit vanuit het oogpunt van een efficiënt elektriciteitssysteem ook voor combinatie van wind en zon. In het gemeentelijk RES-zoekgebied WZ5 zijn daar volop kansen voor aanwezig. Een groot voordeel van zo’n concentratie in één afgegrensd gebied is ook dat er geen versnippering van het landschap buiten dat gebied plaatsvindt. En het is voor bevolking, initiatiefnemers, netbeheerder Lliander en medeoverheden duidelijk waar in Duiven mogelijk ruimtelijk geschikte locaties zijn en waar niet. De gemeente laat zich nu leiden door opgave met de tijdshorizon tot 2030, volgens de opgave uit het Klimaatakkoord en de RES 1.0. De komende jaren blijkt uit monitoring van de uitvoering of er aanpassingen in de RES 2.0 nodig zijn met gevolgen voor het gemeentelijk aandeel.

Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 regio Arnhem-Nijmegen Het raadsbesluit van 12 mei 2020 is ingebracht als aandeel van de gemeente Duiven in de RES 1.0. In september 2020 is het gebied InnoFase/Centerpoort opgenomen door de regiobestuurders in de concept-RES als onderdeel van het regionale zoekgebied voor wind- en zon WZ5. Na vaststelling van het concept is toegewerkt naar een definitieve RES, versie 1.0. Deze lag in mei/juni 2021 ter besluitvorming voor bij alle regiopartners, dus ook bij de gemeenteraad van Duiven. De RES 1.0 is in gemeente Duiven op 1 juni 2021 vastgesteld. Het is de bedoeling dat de RES 1.0 daarna in een meerjarige cyclus wordt gemonitord en herzien. Op de site www.regioan.nl/res-regionale-energiestrategie is de actuele stand van zaken en status van het RES-proces te vinden.

Samenloop met uitbreiding bedrijventerrein In de (ontwerp-) Omgevingsvisie is binnen het zoekgebied zon/wind ook een zoekgebied uitbreiding bedrijventerrein van Centerpoort-Noord aangewezen. In 2021 heeft de gemeente in het kader van het RPW, 1e tranche (Regionaal Programma Werlocaties) groen licht gekregen om 15 ha bruto als regionaal bedrijventerrein te gaan ontwikkelen. Een definitief besluit van de raad hierover volgt begin 2022. In de arcering op de desbetreffende kaart ‘Werken’ van de Omgevingsvisie staat een pijl met een mogelijke denkrichting voor een nog verdere uitbreiding van dit bedrijventerrein. Deze samenloop met het zoekgebied wind/zon heeft gevolgen voor de potenties voor de opwek van energie: zonneenergie laat zich combineren met bedrijfsdaken. Echter, voor windmolens geldt een veiligheidszone ten opzichte van bedrijfsgebouwen. Een nog verdere uitbreiding bovenop de reeds voorgenomen 15 ha zal ten koste gaan van 1 tot 2 windmolens. Over dit dilemma heeft de gemeente nog geen besluit ingenomen. Op dit moment blijft sprake van twee overlappende zoekgebieden. Het college is voornemens om over de eventuele extra uitbreiding een definitief standpunt in nemen, zodra de 2e tranche van het RPW aan de orde komt.

Pagina 5

Pagina 6

3. Algemene voorwaarden Inleiding Voordat de specifieke voorwaarden voor proces- en financiële participatie en voor ruimtelijke inpassing worden beschreven, worden hieronder enkele algemene voorwaarden benoemd. Het gaat onder meer over het vereiste van vrijwilligheid, tijdelijkheid, milieuonderzoeken, circulariteit, netaansluiting en economische haalbaarheid.

Vrijwilligheid en medewerking van grondeigenaar De gemeente Duiven heeft in het gebied zelf heel weinig gronden in bezit en is daardoor voor de opgave afhankelijk van initiatieven van particulieren. Wij gaan uit van vrijwilligheid. Zonder particuliere initiatieven en medewerking van betrokken grondeigenaren maakt de gemeente geen afspraken over planologische medewerking. Wanneer een initiatiefnemer niet zelf de eigenaar van de gronden is, dan moet deze kunnen aantonen dat privaatrechtelijk over het gebruik van de gronden kan worden beschikt.

Passend binnen geschikt zoekgebied Voorwaarde voor medewering aan een initiatief is, dat deze past binnen het door de gemeenteraad vastgestelde geschikte zoekgebied voor grootschalige opwek wind en zon van 12 mei 2020. In het vorige hoofdstuk is daar een uitgebreide toelichting op gegeven.

Tijdsduur functie zon/wind opwek De levensduur van een zonneveld of windturbine is op dit moment ongeveer 25 jaar. Beide functies worden door de gemeente dan ook als een tijdelijk gezien. Dat betekent dat de huidige bestemming niet gewijzigd hoeft te worden. Het planologisch régime hiervoor is het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning van maximaal 25 jaar. Eventuele verzoeken tot verlenging worden op dat moment met een maatwerkaanpak beoordeeld. Er is een integrale beoordeling van nut en noodzaak, waarbij onder meer de feitelijke opbrengstpotentie en meeweegt. In de anterieure overeenkomst en de omgevingsvergunning wordt de voorwaarde opgenomen dat het terrein na afloop van de termijn weer wordt opgeruimd en dat het terrein in de oude staat wordt teruggebracht. In de overeenkomst en omgevingsvergunning kán worden opgenomen dat het terrein, of delen van het terrein, niet in de oude staat, maar in een bepaalde afgesproken staat kan worden teruggebracht. Dit kan gaan om afspraken die komen uit het landschappelijk inpassingsplan, het verbeteren van de waterhuishouding, de bodemkwaliteit en/of de biodiversiteit.

Milieueffecten, veiligheid en gezondheid Elk projectvoorstel moet worden onderbouwd met een passend onderzoek naar de effecten van een initiatief op het milieu. Ook wordt getoetst aan het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r. om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen, of dat een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling’ moet gebeuren. Zie: https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/mer/procedurehandleiding/wanneerbeoordeling/besluit-0/ De initiatiefnemer betrekt tijdens de ontwerpfase de Veiligheids- en Gezondheidsregio GelderlandMidden (VGGM) en vraagt advies over de veiligheids- en gezondheidseffecten die het initiatief met zich mee brengt.

Pagina 7

Innovatie De gemeente Duiven staat open voor innovatie en biedt ruimte aan alternatieven, als dat verband houdt met wind- en zonne-energie. Dit kan op verschillende vlakken, bijvoorbeeld in de inrichting, klimaatadaptatie, biodiversiteit, circulaire economie, landbouwkundig gebruik en waterretentie. Daarnaast staat de gemeente in principe ook open voor oplossingen gerelateerd aan verbetering van de systeemefficiëntie van het elektriciteitsnet. Er kan ook een relatie worden gelegd met de ontwikkeling van Energyhub InnoFase. Daarin werken de bestaande bedrijven samen aan slimme koppelingen tussen energieprojecten. Het kan gaan om energieconversie, -opslag en afzet. De ontwikkeling van Energyhubs is ook onderdeel van de RES 1.0. Het is aan de initiatiefnemers om hiertoe voorstellen uit te werken. Hierin kan uiteraard worden samengewerkt met bijvoorbeeld de omwonenden.

Levenscyclusplan Door de tijdelijke functie is er sprake van een ‘levenscyclus’ met een begin en een einde. Met het oog op de bijdrage aan een circulaire economie moeten initiatiefnemers als onderdeel van het projectvoorstel een plan presenteren voor de hele levenscyclus van het initiatief. In dit plan wordt aangegeven hoe op een duurzame, circulaire wijze wordt omgegaan met aanleg, materiaalgebruik, onderhoud, beheer, afbraak en recycling bij het levenseinde van het initiatief.

Beheer en onderhoud Het terrein en de objecten worden zo goed mogelijk beheerd en onderhouden, volgens de afspraken uit de overeenkomst en bepalingen uit de omgevingsvergunning. Dit zijn bijvoorbeeld afspraken over bermbeheer en vegetatie of over (sociale) veiligheidsaspecten. Een overleg met de gemeente bij een veranderende situatie is verplicht, waarbij beide partijen zich inzetten om een veilige, schone en biodiverse leefomgeving te maken.

Realisatietermijn In de afspraken en de omgevingsvergunning wordt een realisatietermijn opgenomen. De vergunning kan worden ingetrokken als die termijn niet wordt gehaald. Het is aan te raden dat de initiatiefnemer op tijd in overleg gaat als dit dreigt te gebeuren. In dat geval kan de gemeente bekijken of uitstel verlenen kan.

Netaansluiting, netcapaciteit en cablepooling De mogelijkheden tot het aansluiten van de installaties en het contact en advies inwinnen daarover bij de netbeheerder zijn onderdeel van het projectvoorstel. Daarin wordt de economische haalbaarheid door de initiatiefnemer onderbouwd. Initiatiefnemers verkennen pro actief de mogelijkheden van ‘cablepooling’. Dat is het gezamenlijk gebruikmaken van één netaansluiting of het combineren van opwek achter aansluitingen van grootverbruikers. Dit is zeker interessant in het gebied op en rond InnoFase waar de beoogde zonneparken zich vlakbij windmolens bevinden.

Gedragscodes Bij zonprojecten moet de ‘Gedragscode zon op land’ of een gedragen opvolger daarvan1 worden gevolgd bij de planvorming en realisatie van het project.

1 De huidige gedragscode van oktober 2020 is ondertekend door zowel brancheorganisatie (Holland

Solar), de vereniging van omwonenden van energieprojecten (NLVOW), als natuur- en milieuorganisaties (Greenpeace, Milieudefensie, Natuur & Milieu, de Natuur en Milieufederaties, Natuurmonumenten, en de Vogelbescherming).

Pagina 8

https://www.natuurenmilieu.nl/wp-content/uploads/2019/11/Gedragscode-zon-op-land-HollandSolar-171019-definitief.pdf Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het onderdeel locatiekeuze van zoekgebieden in de gemeente Duiven al in 2020 door de raad is vastgesteld. Bij windprojecten moet de ‘Gedragscode wind op land’, bindend voor leden van de NWEA, worden gevolgd bij de planvorming en realisatie van het project. Zie: https://www.nwea.nl/wp-content/uploads/2020/11/20201103-Gedragscode-WoL-opgemaaktFINAL.pdf De ‘Gedragscode wind op land’ biedt een aantal uitgangspunten op het gebied van communicatie, participatie, acceptatie inclusief een indicatie voor financiële ruimte voor bovenwettelijke activiteiten. Ook voor windprojecten geldt dat de gemeentelijke locatiekeuze al een onderdeel is van het lokaal aandeel voor de RES 1.0.

Financiële haalbaarheid De initiatiefnemers onderbouwen in hun projectvoorstel dat het project financieel haalbaar is, waarbij rekening wordt gehouden met een mogelijke SDE-subsidie. De initiatiefnemer toont aan hoe deze financiële haalbaarheid wordt bereikt. Daarbij is verlangd dat een financiële waarborg wordt geregeld in bijv. een verzekering in geval van faillissement. In de overeenkomst met de gemeente worden hierover afspraken gemaakt, waarin ook kettingbedingen worden opgenomen in geval van rechtsopvolging.

Herkomst financiering De initiatiefnemer is duidelijk over de herkomst van de middelen waarmee het project wordt gefinancierd en de organisatie- en verantwoordingsstructuren. We verwachten dat de gehele financiering bij de eventuele vergunningverlening voldoende vast staan. Hierover maken we afspraken, welke we vastleggen in een overeenkomst. Bij twijfel over vertrouwde financiering kan de gemeente een toets laten uitvoeren, zoals BiBob of Bibob-light, als onderdeel van de procedure. En ook nog na verlening van de vergunning. Bij een negatief advies of uitblijvende dan wel onvoldoende openheid kan de gemeente besluiten op deze grond geen medewerking te verlenen aan het initiatief.

Overleg met omwonenden en stakeholders Regelmatig en vroegtijdig overleg tussen initiatiefnemer met omwonenden en betrokken stakeholders is van groot belang. Het gaat om stakeholders zoals gemeente, netbeheerder, het Waterschap, maatschappelijke organisaties. Voor de communicatie met omwonenden worden in het volgende hoofdstuk specifieke voorwaarden beschreven. Ook de provincie Gelderland is in deze projecten een bijzondere stakeholder, omdat in het buitengebied provinciale regels gelden. En bij grootschalige windprojecten is op grond van de Elektriciteitswet formele instemming van de Provincie noodzakelijk.

Pagina 9

4. Proces- en financiële participatie, waaronder 50% lokaal eigendom De gemeente vindt het belangrijk dat de omgeving van initiatieven actief en vroegtijdig wordt betrokken door initiatiefnemers en met elkaar in gesprek gaan en over de invulling van een concreet project. Dat noemen we proces-participatie. Ook is het wenselijk dat de omgeving kan meeprofiteren van de opbrengsten van de energieproductie. Dat noemt men ‘financiële participatie’. Het houdt in dat de omgeving in staat wordt gesteld financieel mee te doen, bijvoorbeeld in de vorm van deelname/obligaties, zeggenschap en/of eigendom, waarbij gestreefd wordt naar minimaal 50% lokaal eigendom van de energieproductie. Hierover zijn in het Klimaatakkoord en in de RES 1.0 afspraken gemaakt waaraan ook de gemeente zich wil committeren. Daarnaast geven de ‘Gedragscodes wind op land’, de ‘Gedragscode zon op land’ en de door de gemeenteraad vastgestelde ‘participatiestrategie Programma circulaire economie’ richting aan de uitgangspunten. Voor beide onderdelen volgen hieronder de essentiële randvoorwaarden. Daarbij zijn aangetekend dat elk initiatief ook zijn eigen unieke kenmerken kent. De gemeente houdt het recht om in goed overleg met initiatiefnemers en omwonenden in concrete gevallen tot maatwerkaanwijzingen voor de wijze van participatie op te leggen.

Procesparticipatie De initiatiefnemer betrekt actief de directe omgeving en andere belanghebbenden tijdens het hele proces van een project. Dat start al voorafgaand aan de formele procedures, vanaf het moment dat een initiatiefnemer een voornemen of projectidee publiekelijk kenbaar maakt. Vanaf dan start de eerste fase van de omgevingsdialoog. Maar er is ook sprake van procesparticipatie bij de verdere uitwerking tot een projectvoorstel, het doorlopen van de formele planologische procedure tot en met de realisatie. Het doel is open en duidelijke communicatie met de omgeving en om het echt horen en meewegen van alle belangen. Voor de gewenste mate van de betrokkenheid wordt een onderscheid gemaakt tussen de directe omgeving en overige belanghebbenden. De reikwijdte van de directe omgeving wordt bepaald door de impact van een project op de omgeving. Voor zonnevelden gebruiken we een vuistregel van minimaal 600 meter tot maximaal 800 meter. Deze straal wordt in overleg bepaald en is mede afhankelijk van de betreffende kavels, de ligging, wat er in de nabijheid is en de zichtbaarheid. De gemeente Duiven kijkt hier per geval in mee. Voor wind houden we 10x de tiphoogte als definitie van de omgeving, dit in lijn met de juridische uitspraak van de Raad van State over belanghebbenden bij windparken (Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land (oktober 2020).

Natuurlijk worden ook andere belanghebbenden buiten de directe omgeving betrokken bij een project. Onder de belanghebbenden wordt voor projecten met windturbines in ieder geval verstaan de inwoners dorpen Duiven (inclusief Groessen en Loo), Westervoort, Lathum en Velp. Als er sprake is van verschillende initiatieven, verwachten we van de initiatiefnemers dat zij de projectvoorstellen op elkaar afstemmen. Ook vragen we de initiatiefnemers dit in de communicatie mee te nemen.

Pagina 10

Participatieplan Bij de start van een initiatief stelt een initiatiefnemer een participatieplan op. Het participatieplan gaat zowel over de wijze waarop is/wordt gecommuniceerd met de directe omgeving en de belanghebbenden in de periode tot het indienen van het projectvoorstel. Maar gaat ook over de communicatie en participatie tijdens de ruimtelijke procedure, realisatie en looptijd van het daadwerkelijke initiatief. Bij het opstellen van het participatieplan gaat de initiatiefnemer in gesprek met (vertegenwoordigers van) de directe omgeving en de belanghebbenden. Daarvoor bestaan meerdere geschikte vormen, zoals het werken met ateliers of ontwerptafels. In het geval van een windproject is de oprichting van een vaste Omgevingsadviesraad een aan te bevelen vorm. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat deze zorgt voor geschikt voorzitterschap, correcte verslaglegging enzovoort. De gemeente kan hiervoor specifieke aanwijzingen geven. Wanneer een lokaal actieve energiecoöperatie (al functionerend of in oprichting) interesse toont in actieve deelname aan het project, staat de initiatiefnemer ervoor open om de samenwerking te verkennen. De gemeente vindt het belangrijk dat er tijdens het proces voldoende ruimte is voor suggesties, vragen en bezwaren, ook vanuit mogelijke energiecoöperaties.

Een constructie met een energiecoöperatie is een vorm om 50% lokaal eigendom te realiseren, dit sluit aan bij het streven van de gemeente. Naast de directe omgeving worden ook andere belanghebbenden bij de omgevingsdialoog betrokken, minder vaak dan de directe omgeving. De gemeente is toehoorder bij de omgevingsdialoog en stelt eventueel haar eigen informatiekanaal www.samen1nergie.nl voor publicaties ter beschikking. In de eerste fase van de omgevingsdialoog, voor de indiening van het projectvoorstel, haalt de initiatiefnemer wensen op voor de manier van communiceren over het project, net als wensen voor inpassing en vormgeving. Wanneer het mogelijk is maakt de initiatiefnemer in deze fase al afspraken met (vertegenwoordigers) van de directe omgeving. De initiatiefnemer legt de uitkomsten van de omgevingsdialoog vast in een verantwoording aan de gemeente, als onderdeel van het projectvoorstel. Hierin wordt ook beschreven hoe en met wie de dialoog is geweest, welke wensen en behoeften zijn ingebracht en hoe deze zijn meegenomen in het projectvoorstel. Hieruit wordt dus duidelijk wat de concrete opbrengsten zijn van de omgevingsdialoog en wat hiervan wel of niet geleid heeft tot aanpassingen in het projectvoorstel en wat deze wijzigingen zijn. Maar de communicatie en participatie rondom het initiatief loopt daarna nog door.

In het participatieplan wordt door de initiatiefnemer namelijk ook beschreven hoe de verdere procesparticipatie vorm krijgt tijdens de ruimtelijke procedure, de realisatie en de gehele looptijd. De gemeente Duiven, in dit geval het college, toetst de verantwoording omgevingsdialoog en het participatieplan aan het beleidskader en de eventuele afgegeven specifieke aanwijzingen. Daarnaast wordt gelet op volledigheid en zorgvuldigheid. Deze toets maakt onderdeel uit van de gemeentelijke overwegingen tot mogelijke, ‘in beginsel’ meewerken aan een project. In een overeenkomst met de initiatiefnemer worden deze afspraken vastgelegd. Hierin worden ook afspraken gemaakt over actualisatie van het participatieplan in het vervolgproces van besluitvorming, procedure en uitvoering.

Informatievoorziening Onderdeel van de omgevingsdialoog is dat de directe omgeving en de stakeholders door de initiatiefnemer goed worden geïnformeerd. De initiatiefnemer richt daarvoor een goed toegankelijk Pagina 11

aanspreekpunt, lees ‘loket’ over het project in. Daar kunnen bewoners terecht voor zorgen of vragen over het project. Ook de digitale toegankelijkheid wordt geregeld. Vanaf de start van de formele procedure heeft de gemeente ook een zelfstandige verantwoordelijkheid over de informatievoorziening. De informatievoorziening is onderdeel van het participatieplan.

Financiële participatie en streven 50% lokaal eigendom De gemeente wil graag een goede verdeling van ‘lusten’ en ‘lasten’. Door de opbrengsten zoveel mogelijk in de omgeving terug te laten vloeien, kunnen de bewoners en belanghebbenden ook werkelijk (financieel) profiteren van de lokaal opgewekte duurzame energie. De initiatiefnemer verkent tijdens de omgevingsdialoog ook de wensen uit de omgeving voor de wijze en omvang van financiële participatie aan een project. Een actieve lokale energiecoöperatie krijgt de gelegenheid om vormen van zeggenschap over ontwikkeling, realisatie en beheer alsook mede-eigenaarschap met de initiatiefnemer te verkennen. De gemeente brengt partijen bij elkaar en stimuleert het onderlinge overleg. De initiatiefnemer legt de uitkomst van deze verkenning vast in een onderbouwd voorstel aan de gemeente over de invulling van de financiële participatie van de omgeving als onderdeel van het projectvoorstel. De gemeente toetst of een optimale inspanning is verricht om 50% lokaal eigendom te realiseren, al dan niet gecombineerd met andere vormen van financiële participatie. De gemeente betrekt daarbij ook hoever het resultaat recht doet aan de wensen vanuit de omgeving, rekening houdend met een haalbare business case van het project.

Ook hier geldt dat in de te sluiten overeenkomsten met het college procesafspraken worden gemaakt over nadere concretisering of aanpassingen op. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich actief inspant om te proberen 50% lokaal eigendom van de energieproductie te realiseren. Hier zijn verschillende vormen voor. De verschillende vormen van financiële participatie worden hieronder toegelicht. Lokaal mede-eigenaarschap Individuele inwoners kunnen met eigendom financieel deelnemen in een zon- of windpark en daarmee ook zeggenschap over een project krijgen. Dit kan ook op basis van een vereniging of coöperatie. Daarbij wordt geprobeerd minimaal 50% lokaal eigendom te halen, zoals in het Klimaatakkoord en de RES is opgenomen. Naast eigen vermogen is er meestal ook sprake van een deel vreemd vermogen. Daar geldt het 50%-streven niet voor.

De vorm lokaal mede-eigenaarschap heeft de voorkeur op het gebied van financiële participatie, met een minimaal na te streven aandeel van 50%. Voor het geval er vanuit de omgeving geen, of te weinig belangstelling en bereidheid tot eigendom bestaat, wordt er voor andere vormen van financiële participatie gekozen. Het kan ook om een combinatie van (gedeeltelijk) lokaal eigendom en die andere vormen zijn. Financiële deelneming Financiële deelneming is het risicodragend deelnemen in een energieproject. Bijvoorbeeld met aandelen of obligaties of ander financieel voordeel. Per project zijn de doelgroep en haar wensen anders en wordt er maatwerk geleverd. Omgevingsfonds Onderdeel van de afspraken kan een bijdrage aan een door de initiatiefnemer op te richten omgevingsfonds zijn. Voor het beheer van een dergelijk fonds wordt van initiatiefnemers gevraagd een onafhankelijk bestuur te benoemen dat ervoor zorgt dat de middelen uit het fonds beschikbaar Pagina 12

komen voor de nabije omgeving van het project. Ook is denkbaar dat vanuit de omgevingsdialoog gekozen wordt voor beheer door een energiecoöperatie of bewonerscollectief. Dit fonds kan ook worden ingezet voor bovenwettelijke maatregelen of maatregelen bovenop de vergunning voor stilstand of terugschakelen van de windturbines als dit een duidelijke wens is van de omgeving. Omwonendenregeling Dit is een lokale regeling voor de direct omwonenden in een bepaalde straal van de windturbines en zonnevelden. Het kan gaan om het aanbieden van groene stroom met korting, korting op de energierekening of een andere vergoeding. Een andere vorm is bijvoorbeeld om de minima te laten profiteren. Bovenwettelijke financiële ruimte De Gedragscode Wind geeft aan dat initiatiefnemers een bovenwettelijk bedrag beschikbaar stellen. Als indicatie van de financiële ruimte voor deze bijdrage houdt de windsector een richtbedrag van nu 0,40 tot 0,50 euro/MWh aan. Deze financiële participatie kan op diverse manieren worden ingevuld: gebiedsfonds, korting op energierekening, uitgiften van obligaties, deelname via coöperatie enzovoort. Dit wordt in overleg tussen initiatiefnemers en omgeving bepaald. Dit bedrag per MWh is de norm waartoe de sector zichzelf verplicht en waar alleen in overleg van afgeweken kan worden.

Bij de te maken afspraken over de financiële participatie wordt de beschikbare ruimte hiervoor in hoge mate bepaald door de business case van het project. Dat betekent dat het een vereiste is inzicht te geven in de financiële onderbouwing van het project, rekening houdend met privacy en vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Het kunnen meeprofiteren van de opbrengsten door de omgeving is een belangrijk onderdeel van het Klimaatakkoord. Dit houdt in dat de gemeente zelf geen beroep doe op afdrachten in gemeentelijk beheerde fondsen, voor zover dat in het geval van SDE-gesubsidieerde projecten al juridisch mogelijk is. Volstaan wordt met het in rekening brengen van de gemeentelijke kosten die betrokken zijn met het gehele project vanaf initiatief tot en met realisatie. De specifieke kosten die betrokken zijn met de formele vergunningsprocedure, worden gedekt uit de van toepassing zijnde leges.

Pagina 13

5. Ruimtelijke inpassingsvoorwaarden In 2019 heeft de gemeente een eerste, verkennend onderzoek gedaan naar technische en wettelijke mogelijkheden en beperkingen van de opwek van wind- en zonne-energie op land. Eind 2019 is een participatietraject over de verkende zoekgebieden gehouden dat uiteindelijk heeft geleid tot het besluit van de gemeenteraad op 12 mei 2020. Daarbij is de conclusie getrokken dat voor het geschikte, voorkeursgebied op en rond InnoFase-Centerpoort-Noord een verdiepende studie nodig is. Deze studie is in opdracht van de gemeente Duiven uitgevoerd door het bureau SAB samen met Pondera: SAB als gespecialiseerd bureau in ruimtelijke kwaliteit en landschapsanalyse en Pondera voor de energie-technische kennis. Bij het uitvoeren van de studie is ambtelijke en bestuurlijke afstemming gezocht met de naastgelegen, en ook bij de RES betrokken gemeenten Rheden, Westervoort en Zevenaar. Het resultaat van de studie valt overigens alleen onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Duiven. Het volledige rapport maakt als bijlage onderdeel uit van het Beleidskader. Het rapport is te vinden op www.samen1nergie.nl .

Ruimtelijke studie zon en wind gemeente Duiven (SAB/Pondera, november 2021) De uitgevoerde studie van SAB/Pondera geeft een indicatie van de locaties die in aanmerking kunnen komen voor windturbines en zonnevelden, op basis van technische specificaties en de ruimtelijke kwaliteiten van het zoekgebied. Ook zijn schattingen gemaakt van de mogelijke optimale energieopbrengst. Zowel de locaties als de energieopbrengst staan daarmee niet vast. Zonder vrijwillige medewerking van eigenaren is er geen ontwikkeling en dus ook geen opbrengst. Ook kan op projectniveau pas meer zekerheid worden gekregen over de juridische- en economische haalbaarheid en realisatie. En dat eist altijd meer onderzoek door initiatiefnemers, dat zich richt op een specifiek project en een specifieke locatie. De door SAB/Pondera in beeld gebrachte locaties zijn dus mogelijk geschikte locaties voor wind- en zonne-energie. Het zijn locaties die open staan voor het indienen van particuliere initiatieven, waaraan – onder voorwaarden – door de gemeente kan worden meegewerkt. Voor dit Beleidskader is het meest nuttig dat de studie een groot aantal voorstellen bevat voor ruimtelijke inpassingsprincipes voor zowel zon- als windprojecten. Deze aanbevelingen worden overgenomen in het voorliggende Beleidskader. In de volgende paragrafen staat een samenvatting van de ruimtelijke- en landschappelijke inpassingsprincipes.

Voor de beschrijving van de achterliggende toelichting wordt verwezen naar onderdelen uit de studie. Soms is er een onderscheid tussen voorwaarden die specifiek voor alleen wind of alleen voor zon gelden.

Landschappelijk ‘groenblauw’ raamwerk Het huidige gebied in en rond Innofase/Centerpoort-Noord bestaat al voor een deel uit installaties voor wind- en zonne-energie. Op InnoFase staan veel bedrijven die zich richten op de circulaire economie, waarbij energie wordt geproduceerd, bijvoorbeeld door de AVR, maar ook energie wordt verbruikt. Andere delen van het zoekgebied maken deel uit van het open kommenlandschap met zijn eigen karakteristieken. Met het raadsbesluit van 12 mei 2020 en het vastleggen daarvan in RES 1.0 voor Pagina 14

concentratie van wind- en zonne-energie in het gebied WZ5 ontwikkelt het hele gebied zich nog meer als een energielandschap dan nu al het geval is. Hierdoor verandert het uiterlijk en de beleving van het landschap in dit deel van de gemeente sterk. Dat hoort bij de uitgesproken voorkeur voor clustering en niet voor versnippering over de andere delen van de gemeente. Het voordeel van deze keuze is dat het buitengebied ergens anders in de gemeente gespaard blijft. De gemeente hecht er sterk aan dat de ontwikkeling van nieuwe zonnevelden en windturbines gelijk opgaat met het versterken van een stevig landschappelijk raamwerk. Dat is een structuur die aansluit op de doelstellingen van het bestaande gemeentelijk landschapsbeleid, zoals vastgelegd in het Landschapsontwikkelingsplan (LOP), de Structuurvisie 2015 en de in voorbereiding zijnde Omgevingsvisie. Uitgangspunt is de bestaande landschappelijke structuur en het type beplanting dat hier thuishoort. Het gaat om een ‘groenblauw’ raamwerk met een weteringstelsel dat zich ontwikkelt met aanplant van bomenrijen en natuurvriendelijke oevers. Ook richt het zich op behoud en versterking van wegbeplantingen in het kommenstelsel. Het streefbeeld met toelichting staat op pagina’s 9 en 10 van de ruimtelijke studie. Daarnaast gelden in het landschappelijk raamwerk de nodige ecologische randvoorwaarden, toegelicht op pagina 11 en 12.

Door de inzet op het groenblauwe landschappelijk raamwerk en een daarop gerichte inrichting en beheer kan er zelfs een grotere biodiversiteit ontstaan dan in de huidige situatie het geval is. Zeker als ook op de locaties voor wind- en zon een zorgvuldige inrichting wordt gerealiseerd. Naast een ecologische functie biedt het groenblauwe netwerk ook kansen voor recreatieve verbindingen. Voor een goede ruimtelijke onderbouwing van een concreet projectvoorstel wordt van initiatiefnemers verwacht dat hun project een landschappelijk inpassingsplan bevat dat concreet en optimaal bijdraagt aan het maken van het landschappelijk raamwerk. Dat geldt ten eerste voor de inrichting binnen het projectgebied. Ook moet het projectvoorstel voorzien in een regeling met meer afspraken met grondeigenaren/landschapsbeheerders en/of een gegarandeerde investering in landschapsontwikkeling én -beheer in het raamwerk, voor zover dat buiten het projectgebied ligt. De gemeente toetst op de mate van een effectieve en aantoonbare bijdrage aan het landschappelijk raamwerk. Ook wordt gelet op evenredigheid: grotere projectgebieden dragen meer bij dan kleinere. De genoemde kansen voor vergroting van biodiversiteit nemen overigens niet weg dat er ook ecologische beperkingen zijn die invloed kunnen hebben op de mate waarin concrete initiatieven doorgang kunnen vinden.

De studie van SAB noemt in het kader van windturbines het voorbeeld van de Natuurbeschermingswet en de daaruit voortvloeiende invloedssfeer van het Natura-2000-gebied Veluwe met de wespendief als maatgevende diersoort. Daarnaast heeft de provincie Gelderland in haar Omgevingsverordening regels gesteld voor wanneer er sprake is van ganzen-foerageergebieden. In de meest recente versie van deze verordening (2021) staan meer mogelijkheden. Het beschermingsregime biedt ruimte voor ontwikkeling, zolang de functie van het rustgebied behouden blijft of wordt gecompenseerd. Voor dergelijke ecologische regels moet op concreet projectniveau en met nader onderzoek en eventueel te nemen maatregelen door initiatiefnemers worden onderbouwd dat er geen overwegende beletselen zijn.

Pagina 15

Inpassingsprincipes zonnevelden In de ruimtelijke studie van SAB worden veel verschillende inpassingsprincipes voor de ontwikkeling van zonnevelden voorgesteld. Deze worden één-op-éen in dit gemeentelijk Beleidskader overgenomen. Zo wordt vanuit ecologisch-landschappelijke kijk gekozen voor een zuid opstelling van de panelen, onder voorwaarde dat deze gelijk komen te liggen aan de bestaande kavel-oriëntatie. Hierdoor ontstaat niet een volledige 100% zuid opstelling, maar wel zo veel mogelijk wordt benaderd. Hierdoor wordt energetisch niet het maximale rendement uit de zonne-energie gehaald, maar wordt wel het meest recht gedaan aan de kansen voor biodiversiteit en landschappelijke inpassing in bestaande structuren. Een oost-west opstelling zou slechter scoren op ecologie. Andere voorwaarden overgenomen uit het SAB/Pondera-rapport zijn de maximale hoogte van de zonnepanelen van 1.80 m, de verhouding techniek-groen (80-20%), de ruimten tussen de velden (landschapsstroken van minimaal 15 m.), beplanting, hekwerken, onderhoudspaden, vormgeving van de randen en wateropvang. Voor de verdere toelichting op alle inpassingsprincipes voor zonnevelden wordt verwezen naar de studie op pagina 17 en pagina 23-34. Deze sluiten aan op het bestaande landschapsbeleid van de gemeente Duiven.

Als bijkomende voorwaarde geldt dat het totale zonnepark, dat alle afzonderlijke projecten omvat, zo veel als redelijkerwijze mogelijk is, aaneengesloten dient te zijn.

Inpassingsprincipes windturbines Windturbines hebben een eigen maat en schaal, dat deze het niveau van het landschap ontstijgt. Ze zijn ook op grotere afstanden zichtbaar. In de RES 1.0 wordt regionaal ingezet op een lijnopstelling óf een opstelling in groepen. In de gemeente Duiven heeft de raad een voorkeur voor groepering in één gebied. Daardoor wordt in ieder geval voorkomen dat er sprake zou zijn van hier en daar (als hagelslag) geplaatste windturbines in het landschap. In dit zoekgebied is al sprake van vier bestaande turbines en twee nieuwe, nog te plaatsen turbines. De studie van SAB laat zien dat op grond van algemene richtafstanden op het gebied van windvang van aanwezige turbines en de normen voor geluidhinder en veiligheid er op enkele locaties de mogelijkheid bestaat voor toevoeging van windturbines in het cluster. Wel kan pas op projectniveau definitief antwoord over de haalbaarheid worden verkregen. SAB constateert dat de beperkingen door richtafstanden zo bepalend zijn dat een strikte opstelling in een lange lijn of groep niet goed mogelijk is. Wel kan bij de concretisering op kavelniveau worden geprobeerd dat de opstelling in een lijn of groep het meest in de buurt komt. Op pagina 23 van de ruimtelijke studie staan de inpassingsprincipes voor windturbines. Deze maken allen onderdeel uit van dit beleidskader.

Voor de hoogte van nieuw te plannen windturbines geldt het volgende: wanneer een keuze wordt gemaakt voor een nieuwe hoogte van een windturbine, geldt dat voor alle overige daaropvolgende nieuwe turbines in het clustergebied. Andere ruimtelijke principes voor windturbines gaan over de toegangswegen, de compactheid van bouwwerken, de kleurstelling en het materiaalgebruik. Daarnaast geldt dat ook rekening moet worden gehouden met de ecologische waarden, de beleving en het landschappelijk raamwerk zoals in het SAB-rapport omschreven.

Pagina 16

6. Richtlijnen voor het proces van concrete initiatieven De gemeente Duiven is regisseur voor de ruimtelijke processen op gebiedsniveau. Ook is zij verantwoordelijk voor de planologische procedure, in afstemming met de provincie Gelderland. Voor het te doorlopen proces voor grootschalige wind- en zonprojecten gelden de onderstaande algemene richtlijnen. Het is een beschrijving in hoofdlijnen; achterliggende wetsartikelen worden bijvoorbeeld door de leesbaarheid niet vermeld. De vereiste inhoud van de stappen is in het beleidskader al toegelicht. In concrete projecten kan de gemeente aanwijzingen geven voor maatwerkeisen.

Stap 1: Initiatief De initiatiefnemers maken hun voornemen voor een ontwikkeling kenbaar bij de gemeente. De initiatiefnemer staat het vrij om als het nodig is ook de omgeving of belanghebbenden al te informeren over een voornemen. Met de publicatie van dit ontwerp-Beleidskader kan hiermee worden gestart. Wel wordt van initiatiefnemers verwacht dat zij daarbij in dat stadium uitdrukkelijk aan omwonenden en belanghebbenden aangeven dat de gemeente nog niet meewerkt aan het initiatief. Zolang het Beleidskader niet door de gemeenteraad is vastgesteld en de gemeente ook nog niet een projectvoorstel heeft getoetst, is de gemeente niet verplicht mee te werken aan een initiatief. Wel beoordeelt de gemeente bij deze eerste stap of het initiatief past binnen het gemeentelijk zoekgebied en of initiatiefnemer over de vereiste gronden kan beschikken. Ook wordt getoetst of de initiatiefnemer bereid is om aan het Beleidskader zon/wind te gaan voldoen.

Stap 2: Wensen ophalen en projectvoorstel opstellen De initiatiefnemer gaat in gesprek met de omgeving om wensen op te halen. De initiatiefnemer organiseert zelf geschikte methoden voor overleg en advies. De gemeente is daarbij toehoorder en waar mogelijk faciliteert zij de dialoog. De gemeente kan meer aanwijzingen geven. De initiatiefnemer neemt de omgevingswensen mee bij het opstellen van een projectvoorstel. Dit projectvoorstel kan pas worden ingediend na de vaststelling van het Beleidskader door de raad. Het voorstel bevat een verantwoording van het proces, de resultaten van de omgevingsdialoog, een ontwerp-participatieplan, het concept-projectontwerp, een concept-landschappelijk inpassingsplan, een concept-ruimtelijke onderbouwing, een voorstel over de wijze van investering in het landschappelijke raamwerk, een levenscyclusplan inclusief een beheers-, en onderhoudsplan, maatschappelijke en financiële haalbaarheid. Tenslotte nog een voorstel voor financiële participatie, waaronder de manier waarop inhoud is gegeven aan de inspanningseis tot minimaal 50% lokaal eigendom.

Stap 3: Toetsen aan beleidskader De gemeente toetst het projectvoorstel aan het beleidskader. Ook wordt de geldende wet- en regelgeving en ander relevant gemeentelijk beleid bij deze toetsing betrokken. Mocht het projectvoorstel niet compleet zijn of niet voldoende basis geven voor medewerking, dan krijgt de initiatiefnemer de gelegenheid het projectvoorstel aan te passen. Is dat niet mogelijk of valt de toets nog steeds negatief uit, dan wordt geen verdere medewerking verleend.

Stap 4: (anterieure) overeenkomst Als de toets van het projectvoorstel positief uitvalt, worden alle afspraken over het projectvoorstel vastgelegd in een (anterieure) overeenkomst tussen de gemeente (het college van burgemeester en Pagina 17

wethouders) en initiatiefnemer. Daarin leggen de partijen onderling verplichtingen op over de uitvoering van een project. De gemeente levert een concept voor de tekst van de overeenkomst. De hoogte en wijze van de vergoeding van de gemeentelijke kosten die met de voorbereiding en de uitvoering van het project verbonden zijn, maken onderdeel uit van de overeenkomst. De daarnaast in rekening te brengen leges gelden voor de formele procedure van in behandeling van de vergunningsaanvraag.

Stap 5: Formele ruimtelijke procedure Na ondertekening van de overeenkomst kan de formele ruimtelijke procedure gestart worden. Ook bij deze procedure gelden naast de wettelijke vereisten de procesafspraken uit de overeenkomst. De eerste formele stap is het indienen van een (concept-)vergunningsaanvraag bij het college, samen met een onderbouwing van de nodige onderzoeken. Afhankelijk van de op dat moment geldende wetgeving gaat het om een procedure op grond van de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro) of de nieuwe Omgevingswet. Volgens de huidige inzichten treedt de Omgevingswet begin 1 juli 2022 in werking. Voor windprojecten is formele instemming van de provincie nog een eis.

Stap 6: Ontwerpbesluit De gemeente (het college) toetst de aanvraag en neemt een ontwerpbesluit en publiceert deze. Zoals in het Beleidskader is opgenomen, gaat het om een tijdelijke omgevingsvergunning.

Stap 7: Zienswijzen en beroep Zienswijzen worden door het college van burgemeester en wethouders beoordeeld en vervolgens neemt de gemeente een definitief besluit op grond van de Wro dan wel de Omgevingswet. De vergunning treedt in werking, behalve als beroep wordt aangetekend. Zonder beroep kan de uitvoering van het project starten. Daarbij gelden zowel de private verplichtingen op grond van de overeenkomst en de voorschriften van de omgevingsvergunning. Belanghebbenden kunnen beroep tegen de vergunning aantekenen en aanhangig maken bij de Raad van State. Een vergunning wordt pas onherroepelijk als er een uitspraak is gedaan.

Pagina 18

Bijlage: Ruimtelijke studie zon en wind, SAB/Pondera, maart 2021

Pagina 19

1 5. Bijlage 3 - Ruimtelijke studie zon en wind SAB-Pondera - 201539173 .pdf

Ruimtelijke studie zon en wind Duiven

Colofon Titel: Opdrachtgever: Opdrachtnemer: Projectnummer: Datum: Status:

Ruimtelijke studie zon en wind Duiven Gemeente Duiven SAB, in samenwerking met Pondera 200385 23 november 2021 Definitief

SAB

Pondera

Frombergdwarsstraat 54 Postbus 479, 6800 AL Arnhem

Amsterdamseweg 13 Postbus 919, 6800 AX Arnhem

T: 026-3576911 I: www.sab.nl E: info@sab.nl

T: 088-7663372 I: www.ponderaconsult.com E: info@ponderaconsult.com

2

Aanleiding voor de studie naar zon en wind

5

Waarom deze studie? 5 Zoekgebied 5 Totstandkoming en status van de studie 5 Leeswijzer 5

Uitgangspunten 7 Uitgangspunten voor zon en wind in Duiven 7 Beperkingen 7

Landschappelijk raamwerk 9 Een nieuw energielandschap 9 Het landschappelijk raamwerk 9

Ruimte voor biodiversiteit 13 Zon en wind in het zoekgebied

17

Zon in het zoekgebied 17 Wind in het zoekgebied 19

Inhoud

Inpassingsprincipes zon en wind

23

Inpassingsprincipes windturbines 23 Inpassingsprincipes zonnevelden 25

Scenario’s zon en wind 35 Scenario zon 36 Scenario’s wind 37 Scenario 1 39 Scenario 2 41 Scenario 3 43

Potentiële energieproductie 45 Bijlage 1 Gehanteerde milieucontouren 49 Bijlage 2 Visualisatie windturbines 53 Bijlage 3 Literatuur 61

RUIMTELIJKE STUDIE ZON EN WIND DUIVEN

3

Integrale studie wind- en zonne- energie Zoekgebied WZ5 uit RES regio Arnhem - Nijmegen - deelgebied Duiven

referentiebeeld

4

Aanleiding voor de studie naar zon en wind Waarom deze studie?

Zoekgebied

In september 2020 is het Concept bod van de Regionale Energie Strategie (RES) van de regio Arnhem - Nijmegen gepresenteerd. Onderdeel van deze strategie is het bod van de gemeente Duiven, dat uit gaat van clustering van grootschalige opwek van wind- en zonne-energie in het zoekgebied rond InnoFase/Centerpoort-Noord, in de RES opgenomen als onderdeel van het zoekgebied WZ5.

In de kaart hiernaast staat het Duivense deel van het zoekgebied rond InnoFase/Centerpoort-Noord aangegeven. De blauwe cirkel verbeeldt het zoekgebied voor wind, de oranje cirkel het zoekgebied voor zon.

De gemeente Duiven heeft opdracht gegeven voor een verdiepende studie waarin de mogelijkheden en locaties voor wind- en zonne-energie in het zoekgebied in Duiven worden verkend. Het zoekgebied in Zevenaar maakt daar geen deel van uit. Dit rapport bevat de uitkomst van deze verdiepende studie: • een indicatie van de locaties die in aanmerking komen voor windturbines en zonnevelden op basis van technische specificaties en de ruimtelijke kwaliteiten van het zoekgebied; • de inpassingsprincipes die voor de locaties kunnen gelden; • de potentiële optimale energieopbrengst in het zoekgebied in drie scenario’s.

Dit rapport is tot stand gekomen door onderzoek naar richtlijnen van de milieu wettelijke eisen, technische randvoorwaarden, landschapsbeleid en kansen voor biodiveristeit. De resultaten hiervan zijn uitgewerkt in mogelijke gebieden voor wind en zon. Voor deze gebieden is de maximaal mogelijke energieopbrengst doorgerekend om een indicatie te krijgen van wat dit gebied maximaal op zou kunnen wekken.

Totstandkoming en status van de studie naar zon en wind

Er heeft tweemaal overleg plaatsgevonden met de buurgemeenten Rheden en Zevenaar om af te kunnen stemmen met zoekgebieden voor zon en wind in andere gemeenten.

De studie is bedoeld om een eerste inzicht te krijgen in de maximale mogelijkheden voor zon en wind in het zoekgebied. Deze studie neemt u mee in het proces wat doorlopen is en vormt het uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid hoe om te gaan met zon en wind in Duiven. Het betreft een visiedocument waarbij richtlijnen en (ruimtelijke handvatten) worden gegeven voor de invulling van het gebied. Bij daadwerkelijke initiatieven voor zon en wind zijn specifieke onderzoeken en een inrichtingsplan nodig.

Leeswijzer Het rapport start met een beschrijving van de uitgangspunten voor de studie naar zon en wind in het zoekgebied. Daarna wordt ingegaan op het landschappelijk raamwerk in het zoekgebied en op de ruimte die geboden wordt aan biodiversiteit. Vervolgens wordt uitgelegd wat de (milieu)technische en ruimtelijke mogelijkheden zijn voor zon en wind in Duiven en gaan we in op inrichtingsprincipes voor ruimtelijke inpassing. Dat wordt verder uitgewerkt in verschillende scenario’s voor de combinatie van zonnevelden en windturbines van verschillende hoogte met de mogelijke opbrengst. RUIMTELIJKE STUDIE ZON EN WIND DUIVEN

5

6

Uitgangspunten

Uitgangspunten voor zon en wind in Duiven Als vertrekpunt van deze studie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • De gemeenteraad van Duiven heeft op 12 mei 2020 gekozen voor clustering van grootschalige zon en wind in één gebied om versnippering van zon en wind door de hele gemeente heen te voorkomen. Andere mogelijke zoekgebieden worden vooralsnog niet onderzocht. • In de Ontwerp Omgevingsvisie van de gemeente Duiven wordt voor het plangebied, naast energieopwek, ook ingezet op een integrale ontwikkeling van werken en biodiversiteit. Daarom is gezocht naar een integrale en optimale situatie waarin, naast het opwekken van energie, ook ruimte is voor landschappelijke doelen en biodiversiteit. Daarnaast worden meekoppelkansen voor recreatie benut. Ook is het interessant om aansluiting te zoeken bij andere lopende duurzame ontwikkelingen op het bedrijventerrein. Een voorbeeld daarvan is het Synergiepark Innofase, een samenwerking tussen bedrijven en overheid, met potentie voor doorontwikkeling tot een Energiehub. In een parallel

•

• •

•

•

spoor vindt besluitvorming plaats over bedrijvigheid in een deel van het studiegebied. De bestaande windturbines en zonnevelden zijn een gegeven. De windturbines zijn geplaatst in 2014 en zijn derhalve nog niet afgeschreven. Er is rekening gehouden met de vergunde windturbines van het Waterschap (minimale en maximale hoogte). Voor de zonnepanelen geldt een hoogte van maximaal 1.80 meter. Deze hoogte is nog goed in te passen met gebiedseigen landschappelijke elementen en is tevens een gangbare, geaccepteerde hoogte. Wanneer er nieuwe bedrijvigheid in en rondom het gebied wordt gerealiseerd, moet deze zoveel mogelijk voorzien worden van zonnepanelen op het dak. Zo wordt ook hiermee aangesloten bij de doelstelling om zon en wind in het zoekgebied te clusteren. De verhouding tussen de oppervlakte zonnevelden en landschappelijke inpassing komt in deze studie op 80 - 20. Met deze verhouding kan de RES-doelstelling voor Duiven zo goed mogelijk in dit plangebied worden gerealiseerd en wordt tegelijkertijd ook waarde gecreëerd voor biodiversiteit en landschap.

Beperkingen Er geldt ook een aantal beperkingen: • Door het gebied loopt een hoofdgastransportleiding en een persleiding. Op deze leidingen kunnen geen windturbines en zonnevelden geplaatst worden. Ook qua beplanting en natuurvriendelijke oevers zijn de mogelijkheden beperkt. Hierover zal nader overleg moeten plaatsvinden met het Waterschap en de beheerder van de leidingen. • De combinatie van landschappelijke beplanting en windturbines bij zonnepanelen zorgt er voor dat er schaduwwerking optreedt, dus minder opbrengst. In deze studie is gezocht naar een optimale verhouding. • Het zoekgebied WZ5 valt onder de 1- 8 km invloedssfeer van het Natura-2000-gebied Veluwe. Uit de rapportage van de verkenning ‘Wind op en rondom de Veluwe’ blijkt dat in deze gebieden rekening moet worden gehouden met mogelijke beperkingen voor wind in verband met de instandhoudingsdoelstelling van de Wespendief (roofvogel). Nader uit te voeren onderzoek en bovenregionale afstemming tussen de verschillende RES-regio’s rondom de Veluwe en de provincie Gelderland moet uitwijzen hoe groot deze beperkingen zijn. RUIMTELIJKE STUDIE ZON EN WIND DUIVEN

7

8

Landschappelijk raamwerk

Een nieuw energielandschap Het zoekgebied maakt deel uit van het open kommenlandschap in het Duivense Broek. Kenmerkend voor dit landschapstype zijn de openheid, de lange lijnen van de wegen en de weteringen, de bomenlanen, de grootschalige kavels en een enkel bosje. Rond de (agrarische) erven staat erfbeplanting. Met de keuze om zon en wind te clusteren in één gebied gaat het uiterlijk en de beleving van het landschap sterk veranderen. Dat geldt ook voor de omstandigheden voor flora en fauna. Er onstaat een geheel nieuw energielandschap. Uitgangspunt voor de vormgeving van het nieuwe energielandschap zijn de bestaande landschappelijke structuren en het type beplanting dat hier thuis hoort. In het landschapsbeleid van de gemeente Duiven is een aantal doelstellingen en projecten geformuleerd voor het Duivense Broek: • het weteringenstelsel ontwikkelen als groenblauw raamwerk: aanplant van bomenrijen, ontwikkelen van natuurvriendelijke oevers als ecologische stapstenen en

recreatieve routes via schouwpaden. • ontwikkelen van een landschappelijk raamwerk door behoud en versterken van wegbeplantingen in het kommenlandschap, in combinatie met recreatieve routes en natuurontwikkeling

Het landschappelijk raamwerk Met de versterking van het groenblauwe raamwerk van wegbeplanting en weteringen wordt een relatie gelegd tussen het bedrijventerrein, het plangebied en het omliggende landschap. Het plangebied voor zon en wind wordt daarmee verankerd in de omgeving. Daarbinnen biedt het raamwerk plaats aan de zonnevelden en windturbines. Door het landschappelijke raamwerk te versterken én te combineren met een zorgvuldige groene inrichting van de tussenliggende velden, wordt er een zo volledig mogelijk leefgebied ontwikkeld voor een groot aantal soortgroepen. Ondanks de plaatsing van zonnepanelen en windturbines in het gebied kan er toch meer waarde voor biodiversiteit ontstaan dan in de huidige situatie het geval is.

Naast een ecologische functie kan het groenblauwe netwerk ook een functie vervullen als recreatieve wandelroute die het bedrijventerrein verbindt met het buitengebied. De exacte inrichting van het landschappelijk raamwerk zal in overleg met verschillende partijen in het gebied plaatsvinden. Daarbij wordt onder andere gekeken naar soortkeuze maar ook naar beheer en onderhoud en de ligging van de gastransport- en persleidingen in dit gebied. De initiatiefnemers voor plaatsing van windturbines en zonnevelden in het gebied zullen bij moeten dragen aan de aanleg en de instandhouding van het landschappelijk raamwerk. Hierna worden het streefbeeld en de betekenis van de verschillende structuren in het landschappelijk raamwerk beschreven.

RUIMTELIJKE STUDIE ZON EN WIND DUIVEN

9

Landschappelijk raamwerk

Kievitstraat

Wi

jde

We te

rin

g

aat

tr Gals

Nieu

raat

sest

aaf wgr

at

stra

Gie

sbe eks

est

raa t

ter Kos

10

1 Kievitstraat De noordgrens van het plangebied wordt gevormd door de Kievitstraat. Deze weg vormt de overgang van het energielandschap naar het open kommenlandschap. De weg sluit aan op de Rivierweg en loopt door buiten het plangebied. Langs de zuidzijde van de weg staat een bomenrij. Aan de zuidzijde ligt ook een aantal (agrarische) erven. Aan de noordzijde ligt een robuuste watergang met rietgroei en het hele jaar rond water.

noordzijde een gemengde bomenrij en aan weerszijden een watergang.

5 Giesbeeksestraat De Giesbeeksestraat is een ontsluitngsweg die pas in de tweede helft van de 20e eeuw is aangelegd. De weg verbindt het bedrijventerrein met het buitengebied. Langs de noordzijde staat een bomenrij met daarachter een watergang. De bomenrij heeft landschappelijke betekenis: het versterkt de structuur van het kommenlandschap.

2 Galstraat

6 Wijde Wetering

De Galstraat is een historische laan naar Huis Lathum met een karakteristieke dubbele bomenrij. Deze laan ligt in de gemeente Zevenaar maar is beeldbepalend voor het hele gebied. De laan is de oostelijke grens van het plangebied en de overgang naar het open kommenlandschap.

De Wijde Wetering is een 15 meter brede historische watergangin het midden van het plangebied. De Wijde Wetering loopt ver door in het buitengebied én in het bedrijventerrein. Op het bedrijventerrein sluiten grotere groengebieden aan op de wetering. Door ook een brede groene zone aan beide zijden langs de Wijde Wetering in het plangebied te realiseren onstaat een robuuste groenblauwe verbindende ecologische structuur.

3 bosschage In de oostrand van het plangebied ligt een bosperceel. Samen met de Galstraat is dit voor zonnevelden een natuurlijke grens van het plangebied.

4 Kosterstraat De Kosterstraat is een smalle, historische weg met aan beide zijden een watergang. De weg sluit aan op het bedrijventerrein en vormt de overgang van het energielandschap naar de omgeving. Langs de weg, tegen het bosje aan, ligt een erf. De Kosterstraat heeft aan de

8 Groenblauwe rand van het bedrijventerrein De westgrens van het energielandschap wordt gevormd door een afwisselende groene rand van het bedrijventerrein. Dit wordt een zo breed mogelijke rand met groen en/of water met bomen of struiken die fungeert als een ecologische verbinding tussen uiterwaarden en de Wijde Wetering. Ook is deze rand geschikt om te combineren met een wandelroute.

9 Kavelstructuren en ondergrond Binnen het landschappelijk raamwerk is er ook een structuur op een lager schaalniveau. Dat is de structuur van de kavels, zichtbaar in het landschap door de begrenzing met kavelsloten. De kavelrichting ligt hoofdzakelijk in noord-zuidrichting. Deze structuur vormt de basis voor de plaatsing van zon en wind op het schaalniveau van het maaiveld: de maat en schaal van de zonnevelden, de inpassing van de afzonderlijke zonnevelden, de toegang naar de windturbines en de plaatsing van bebouwing.

7 Nieuwgraafsestraat De Nieuwgraafsestraat is in de tweede helft van de 20e eeuw aangelegd langs de Nieuwgraafse Wetering. Beiden lopen door in het bedrijventerrein. Langs de zuidzijde van de weg wordt de bomenrij versterkt. De wetering krijgt meer ecologische waarde door de aanleg van een natuurvriendelijke oever.

RUIMTELIJKE STUDIE ZON EN WIND DUIVEN

11

Ecologische waarden

12

Ruimte voor biodiversiteit

In de Regionale Energie Strategie wordt ruimte gegeven voor het behoud en de versterking van ecologsiche waarden. Op basis van de eigenschappen van het landschappelijke raamwerk wordt op verschillende mogelijkheden gefocust.

Wegbeplanting en bomenrijen langs wegen De bomenrijen langs de Kievitstraat, Galstraat, Nieuwgraafsestraat, Kosterstraat en Giesbeeksestraat hebben naast een landschappelijke en soms cultuurhistorische waarde ook een belangrijke waarde als oriëntatie en vliegroute voor vleermuizen. Bloemrijke bermen zijn van betekenis voor vogels en insecten en als foerageergebied voor vleermuizen.

Wijde Wetering De groene zone langs de Wijde Wetering wordt een brede strook met alle ruimte voor natuur. De groene zone krijgt een opbouw van (waar mogelijk) een natuurvriendelijke oever met ruimte voor rietkragen en grasland en daarachter struiken en bomen. Achter deze bomen- en struikenlaag is opnieuw ruimte voor kruiden- en faunarijk grasland.

Door de aanwezigheid van zowel water, riet, struiken, bomen als grasland wordt een heel functioneel leefgebied voor verschillende soorten aangeboden. Zo is er de mogelijkheid voor veel verschillende zangvogels, zoals bijvoorbeeld de rietzanger en kleine karekiet om tot broeden te komen in het riet, maar is er in de struiken en bomen ruimte voor nesten van bijvoorbeeld de merel, winterkoning en roodborst, maar ook voor soorten als de buizerd, boomvalk en roek. Broedende vogels hebben nestgelegenheid, schuilmogelijkheid en foerageergebied nodig om een functioneel leefgebiet te hebben. Binnen deze groene zone wordt dat allemaal aangeboden. Voor andere soortgroepen is ook veel ruimte in een dergelijke groenstrook. Zo kunnen verschillende amfibieënsoorten geschikt habitat vinden, zoals bijvoorbeeld de Alpenwatersalamander en de poelkikker. Deze kunnen voortplantingshabitat vinden in de randen van de Wijde Wetering tussen het riet en in het struikgewas kunnen ze schuilmogelijkheden vinden om als landhabitat te dienen. Ook kleine zoogdieren, zoals de egel, bunzing, wezel en hermelijn hebben veel profijt van een groenstrook met veel schuilmogelijkheden en aanbod van water.

Ten slotte kan een robuuste groenstrook langs een watergang een essentiële functie hebben voor vleermuizen met een verblijfplaats in de omgeving. Rond watergangen met veel groen zijn altijd veel insecten aanwezig. Daarnaast bieden de bomenrijen goede beschutting van de wind. Dit zorgt voor een perfect foerageergebied voor vleermuizen en kan de watergang gebruikt worden als vliegroute voor vleermuizen om zich te verplaatsen over het gebied.

Natuurvriendelijke oever Nieuwgraafsestraat Langs de Nieuwgraafsestraat is een mogelijkheid voor de aanleg van een natuurvriendelijke oever in aansluiting op de watergang op het bedrijventerrein waar al een rietkraag en struikenlaag met rietzangers aanwezig is. Zo’n natuurvriendelijke oever heeft waarde voor amfibieën, rietvogels en zangvogels.

RUIMTELIJKE STUDIE ZON EN WIND DUIVEN

13

Rand bedrijventerrein De rand van het bedrijventerrein is heel divers en vormt een ecologische verbinding van de uiterwaarden naar de Wijde Wetering. Kleine zoogdieren zoals bunzing, hermelijn, wezel en egel kunnen zo hun weg vinden door het hele gebied heen.

hier beschutting vonden en holen maken in de bomen waar ze een nest kunnen maken. Op de bodem ontstaat ook nog geschikt leefgebied voor verschillende insecten en bied het ruimte voor veel muizen om een verblijfplaats te maken.

Percelen De bosschage langs de Rivierweg in het noorden van het bedrijventerrein en de bestaande struiken langs het terrein van het Waterschap kunnen met het groene netwerk verbonden worden door een brede groene zone met bloem- en kruidenrijk grasland en wat struiken. Langs het bedrijventerrein ligt een brede wateropvang. De buitenrand kan een wat ruiger karakter krijgen dan de binnenrand. Toevoegen van struiken zorgt voor een aantrekkelijke rand en een ecologische verbinding naar de zone langs de Wijde Wetering. Door toevoegen van bomen met een gevarieerde soortkeuze langs de zuidelijke rand van het bedrijventerrein ontstaat er een verbinding naar de zone langs de Wijde Wetering.

Bosschage Het bosje heeft vooral ecologische waarde voor vogels die in een meer bosrijke omgeving leven. Ondanks dat het een relatief jong en geïsoleerd bosgebiedje is, kan het veel waarde hebben voor vogelsoorten als de boomkruiper, boomklever, koolmees en grote bonte specht. Die kunnen 14

Een bloemen- en kruidenrijk grasland met verschillende hoogtes en dichtheden heeft een breed aanbod aan flora, wat een grote diversiteit aan insecten aantrekt. In de ruigtes zal ook ruimte zijn voor verschillende muizensoorten. Door het aanbod aan muizen en insecten kan het grasland tussen de zonnepanelen ook gebruikt worden als foerageergebied voor bijvoorbeeld vogels met nesten in de omgeving. Zo kunnen buizerds en eventueel steenuilen of valken jagen op de muizen die in de graslanden leven en kunnen de kleinere vogels foerageren op de insecten die door de flora wordt aangetrokken. Door de combinatie van de verschillende landschapselementen in de velden zelf en in de randzones en groenstroken in de omgeving, wordt een volledig leefgebied aangeboden voor een groot aantal soortgroepen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=e471b834-aeea-478d-aba4-ecd567b92651