8. Bijlage 6 – 201500737 Bijlage bij toelichting 3 ON-BP - Hoflaan ong. Loo (voormalige kleuterschoollocatie).pdf
Tekst van het document
23
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 14 van 33
2283044100 (422417)
400 meter ten westen van het plangebied Loostraat 40 te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196196/438184
Nieuwe tijd: - 4 fragmenten van gedraaid aardewerk - 3 fragmenten van metalen objecten - koperen munt, - fragment van een keramische kleipijp - stenen funderingen Aangetroffen tijdens de uitvoering van een proefsleuvenonderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2283044100 (40472))
2129233100 (407877)
2166997100 (410570)
2705054100
450 meter ten zuiden van het plangebied Huuslarijstraat 29 te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196720/437710
Romeinse tijd - Nieuwe tijd: - fragment van een stenen bouwmateriaal
450 meter ten westen van het plangebied te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196100/438200
Nieuwe tijd: - fragment van een glazen object - ijzeren afval
900 meter ten zuiden van het plangebied Loowaard te Duiven Gemeente Duiven Coördinaat: 196400/437270
Middeleeuwen - Nieuwe tijd: - grondsporen
Aangetroffen tijdens de uitvoering van een booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2129233100 (18762))
Aangetroffen tijdens de uitvoering van een booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2167003100 (24086))
Betreft melding binnen AMK-terrein 13164
Aanvullende informatie Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17 Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Archeologische plaatselijke Werkgemeenschap Nederland, afdeling 17, Zuid-Veluwe en Oost Gelderland (contactpersoon de heer B. Clabbers). Er zijn geen aanvullende vondsten of bijzonderheden bekend gelegen in of in de directe omgeving van het plangebied. Historische Kring Duiven-Groessen-Loo Voor aanvullende informatie is tevens contact gezocht met de historische Kring Duiven-GroessenLoo, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. Beantwoording van relevante onderzoekvragen 4.
Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? In de omgeving van het plangebied zijn een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het betreffen voornamelijk prospectieve onderzoeken (bureau- en booronderzoeken). Een bureau- en booronderzoek en een navolgend proefsleuvenonderzoek circa 400 meter ten westen van het plangebied, ter plaatse van een locatie langs de Loostraat, heeft alleen geresulteerd in het aantreffen van enkele kuilen die met de boerderijfase vanaf de 18 e eeuw te maken hebben. Oudere sporen zijn niet aangetroffen. Een booronderzoek circa 450 meter ten zuiden van het plangebied heeft enkele fragmenten stenen bouwmateriaal opgeleverd, afkomstig uit het dunne pakket overslaggronden. De oorsprong van het materiaal is niet duidelijk en waarschijnlijk gaat het om verspoelde resten (meegevoerd tijdens een dijkdoorbraak). Concluderend zijn er tot op heden geen duidelijke aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen op de hoger gelegen oeverwallen langs de restgeul, behorend tot de Meinerswijk stroomgordel.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 15 van 33
3.6
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Cultuurhistorische ontwikkeling/kenmerken van Loo/Angeroijen24 Husselarij (Husloa) en Loo (Loo) worden al genoemd in een akte van 970. De structuur van het dorp Loo wordt gekenmerkt door een reeks boerderijen langs de noordzijde van de Lee, een waterloop in gebogen vorm, die het Looveld omsluit. Het Looveld vertoont een strookverkaveling, waarbij de boerderijen op de zuidelijke uiteinden van de ongeveer een kilometer lange kavels staan. De Lee is een oude Rijnmeander. Voor deze aanname zijn verschillende argumenten. Allereerst had Loo in 1300 reeds een eigen kapel, die tot het kerspel Angeren behoorde. Maar Angeren ligt ten zuiden van Huissen op de westelijke Rijnoever.
Angeroyen, dat buurschappelijk één geheel vormde met Loo, betekent zoveel als Angerense waterkant. Er is ook sprake van de “Lohesche ader Angeroijensche Capelle”. Kerkelijk behoorde Loo tot in de 17e eeuw onder de Betuwse parochie Angeren. Dit betekent dat Loo/Angeroijen van oudsher op de westelijke oever van de Rijn lagen. Ook de naam ‘Rijneggen’ voor de gronden die direct ten oosten van de Lee gelegen zijn, is een argument. Vermoedelijk heeft hier dus niet lang voor het sluiten van de Liemerse dijkring in de eerste helft van de 14e eeuw nog de Rijn gestroomd. Het is dus aannemelijk dat bij het sluiten van de dijkring de situatie (door natuurlijke oorzaak of door menselijk ingrijpen) veranderd is en Loo ten oosten van de Rijn is komen te liggen. Mogelijk is het Looveld toen binnen het bedijkte gebied opgenomen. Dit lijkt bevestigd te worden door een vermelding uit de 14e eeuw waarin Angeroyen tot de Liemers werd gerekend en dus toen al ten oosten van de hoofdstroom gelegen moet hebben. De oudste tot nu toe gedane vondsten in Loo zijn uit de 14e of 15e eeuw. Husselarij is een buurtschap waarvan nog niet vaststaat hou oud het is, maar het lag van oudsher op de oostelijke oever van de Rijn. Daarom is het mogelijk dat de geschiedenis van Husselarij nog veel verder teruggaat dan de oudst bekende vermelding uit 970.
24
Willemse & Verhagen, 2006
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 16 van 33
Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal 25
Tabel V. Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
1773-1794
92
-
Onbebouwd, in agrarisch gebruik, akkerland.
Langs de noordzijde van het plangebied liep de voorloper van de Loostraat als (onverharde) weg. Buurtschap Loo betrof niet meer dan enkele boerenerven aanwezig langs het oude wegenpatroon, met circa 200 meter ten westen van het plangebied de RK kerk. Omgeving betrof verder agrarisch buitengebied, met akkergronden op de hogere oeverwallen en in de komachtige gebieden meer weilanden.
Kadastrale kaart (Minuutplan)
1830
Gemeente Groessen en ‘t Loo, sectie F, Blad 03
1:2.500
Geen noemenswaardige veranderingen.
Geen noemenswaardige veranderingen. Smalle strook tussen het plangebied en de voorloper van de Loostraat in gebruik als hakhoutbos/houtwal, daar waar de lager gelegen restgeul loopt.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1866
512
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen, anders dan dat het plangebied doorsneden werd door een looppad.
Geleidelijke toename van aantal boerenerven langs oude wegenpatroon.
Militaire topografische kaart (Bonneblad)
1932
512
1:50.000
Geen noemenswaardige veranderingen.
Diverse percelen akkerland zijn in gebruik genomen als boomgaard. Verdere toename van aantal boerenerven/woonerven langs oude wegenpatroon.
Topografische kaart
1958
40 B
1:25.000
Plangebied deels in gebruik als boomgaard.
Ontstaan/ontwikkeling van bebouwde kom van Loo ten westen van het plangebied. Verder uitbreiding van bebouwing binnen boerenerven/woonerven en ontwikkeling van glastuinbouw.
Topografische kaart
1966
40 B
1:25.000
Centrale en centraalnoordelijke deel plangebied bebouwd met voorganger van recent gesloopte deel van de schoolbebouwing.
Deel van de huidige basisschool aanwezig ten westen van het plangebied. Verdere uitbreiding van bebouwde kom van Loo.
Topografische kaart
1977
40 B
1:25.000
Plangebied is gebouwd met recent gesloopte bebouwing.
De Hoflaan en de Pastoorstraat zijn aangelegd respectievelijk langs de oost- en zuidzijde van het plangebied.
Topografische kaart
1995
40 B
1:25.000
Tot voor kort aanwezige situatie.
Merendeels huidige situatie.
Hottingerkaart
25
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
www.topotijdreis.nl/beeldbank.cultureelerfgoed.nl/Versfelt, 2003
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 17 van 33
Beantwoording van relevante onderzoekvraag 3.
Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest? Historisch kaartmateriaal uit de tweede helft van de 18 e eeuw (hottinger Atlas) laat zien dat het plangebied destijds in gebruik was als akkerland (zie figuur 11). Langs de noordzijde van het plangebied liep de voorloper van de Loostraat als (onverharde) weg. Het buurtschap Loo betrof niet meer dan enkele boerenerven aanwezig langs het oude wegenpatroon, met circa 200 meter ten westen van het plangebied de RK kerk. De omgeving betrof verder agrarisch buitengebied, met akkergronden op de hogere oeverwallen en in de lager gelegen, komachtige gebieden met weilanden. Het plangebied bleef gedurende de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw in gebruik als akkerland en aan het einde deels als boomgaard (zie figuren 12 t/m 15). Ook in de omgeving van het plangebied vinden weinig veranderingen plaats, anders dan een geleidelijke toename van het aantal boerenerven/woonerven langs het oude wegenpatroon. Een smalle strook tussen het plangebied en de voorloper van de Loostraat was langere tijd in gebruik als hakhoutbos/houtwal, daar waar de lager gelegen restgeul loopt. Pas in de jaren ’60 van de 20e eeuw raakt het centrale en centraal-noordelijke deel van het plangebied bebouwd met de voorganger van het recent gesloopte deel van de schoolbebouwing.
Gelijktijdig werd ook een deel van de huidige basisschool gebouwd ten westen van het plangebied. De bebouwde kom van Loo breidt zich gedurende de tweede helft van de 20 e eeuw zich steeds verder uit (zie figuren 16 t/m 18). De Hoflaan en de Pastoorstraat, respectievelijk langs de oost- en zuidzijde van het plangebied, zijn in de jaren ’70 van de 20 e eeuw aangelegd. Ook hebben er toen in het noordelijke deel van het plangebied nieuwbouwwerkzaamheden plaatsgebonden en betreft de recent gesloopte bebouwing.
Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Duiven is het archief van de Bouw- en Woningtoezicht geraadpleegd. Onderstaande tabel geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen van het adres Loostraat 35. Tabel VI.
Verleende bouwvergunningen
Jaartal
Omschrijving
1961
Bouwen van een schoolgebouw in het centrale en centraal-noordelijke deel van het plangebied, voorzien van strook/sleuffunderingen tot een diepte van circa 90 cm -mv, niet onderkelderd.
1978
Bouwen van een recent gesloopt deel van een basisschool in het noordelijke deel van het plangebied, voorzien van strook-/sleuffunderingen tot een diepte van circa 90 cm -mv, niet onderkelderd.
De bebouwing die in het centrale tot noordelijke deel van het plangebied heeft gestaan is voorzien geweest van strook-/sleuffunderingen tot een diepte van circa 90 cm -mv. Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de bouw van de schoolgebouwen en de aanleg van diverse nutsvoorzieningen, de bodem binnen het voormalige bouwoppervlak minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven. Het schoolplein is voorzien geweest van een tegelverharding en verder waren de onverharde terreindelen binnen het plangebied in gebruik als grasveld/groenstrook. De inrichting van al deze terreindelen heeft wellicht ook geleid tot (enige) verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 18 van 33
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, zijn de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME)26 en een aantal publicaties27 geraadpleegd. Volgens de IKME ligt het plangebied ten oosten van operatieterrein ‘Market Garden’ en binnen de Noordoever-Rijn linie. Operatie Market Garden was een grootschalig geallieerd offensief met als doel de vestiging van een bruggenhoofd ten noorden van de Neder-Rijn tussen Arnhem en het IJsselmeer om de Duitse troepen in het westen van Nederland af te snijden. De Noordoever-Rijn linie is door de Duitsers aangelegd als verlenging van de Westwall om een eventuele vijand, komende vanuit het zuiden, op te kunnen vangen. Gedurende de nadagen van operatie Market Garden kwam het front kwam steeds dichter bij de Liemers. Er vonden regelmatig artillerie beschietingen vanuit de Betuwe plaats. Daarom was door Ortskommandant Hauptmann Riebenzam uit Zevenaar het bevel gegeven om Loo al op 27 september 1944 te evacueren. De meeste bewoners trokken naar Groessen, maar ook hier zouden ze maar kort kunnen blijven. Op 15 november kwam het gevreesde bericht binnen dat de dorpen geëvacueerd moesten worden. De bestemming was Steenwijk en dan waarschijnlijk Friesland. Een deel van de bevolking zag dat niet zitten en besloot op eigen gelegenheid onderdak te zoeken of bleef achter.
De evacuatiecommissie besloot dat op zaterdagmorgen 18 november de evacuatie van Duiven en een gedeelte van Groessen moest plaatsvinden. Die zaterdagmorgen, in de stromende regen, bleek er niet genoeg vervoer aanwezig. Hoewel paard en wagen gevorderd waren bij de boeren, verschenen zij niet. De burgemeester van Zevenaar werd om hulp gevraagd en de volgende dag verliep de aftocht voorspoedig. Pas op dinsdag 3 april 1945 verlaten de Duitsers in een snelle run de dorpen gelegen in de Liemers, waaronder Loo, waarna spoedig de bevrijding volgde. De slaghandelingen weerspiegelen zich vooral in een verspreiding van verschillende munitieartikelen. Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf. 3.7
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VII.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (JagersVerzamelaars)
Geen
Vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Als verspoelde resten in de beddingafzettingen behorend tot de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk (buiten hun oorspronkelijke context/ex situ)
Laat-Neolithicum (Landbouwers)
Geen
Kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Als verspoelde resten in de beddingafzettingen behorend tot de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk (buiten hun oorspronkelijke context/ex situ)
26
www.ikme.nl Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990 27
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 19 van 33
Vroege-Bronstijd t/m Midden-IJzertijd
Geen
Kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Als verspoelde resten in de beddingafzettingen behorend tot de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk (buiten hun oorspronkelijke context/ex situ)
Late-IJzertijd en Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de oeverwal-/stroomgordelafzettingen van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, afgedekt met een dunne laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik)
Middeleeuwen en Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de oeverwal-/stroomgordelafzettingen van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk dan wel in de (dunne) afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik)
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
In de top van de oeverwal-/stroomgordelafzettingen van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk dan wel in de (dunne) afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik)
WO II
Hoog
Resten van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven en mangaten
In de bovenste meter van de bodemopbouw
Op basis van de verzamelde landschappelijke gegevens ligt het plangebied binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Deze meandergordel/stroomgordel is actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). Afzettingen die gesedimenteerd zijn voordat de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk ontstond, zijn geërodeerd. De beddingafzettingen van meandergeulen van (grote) voormalige stroomgordels reiken vaak tot in de vlechtende Pleistocene rivierterrasafzettingen. Eventueel aanwezige archeologische resten uit de perioden voor de Late-IJzertijd zullen tevens zijn geërodeerd (geen ligging meer in hun oorspronkelijke context). Daarom geldt er geen archeologische verwachting meer voor resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-IJzertijd. Met het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied wel een gunstige ligging voor bewoning. Ook na bedijking bleven de binnendijks en hooggelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, ten opzichte van hun omgeving, geschikt als bewoningslocatie.
De ligging van het merendeel van het plangebied op een oeverwal/stroomrug gaf de beschikking van voldoende areaal bouwland (akkergronden) en het houden van vee, en daarmee de ontwikkeling van een nederzetting((s)complex). Op basis van het hoogtebeeld heeft specifiek het uiterst noordelijke deel plangebied een ligging binnen/op de flank van een lager gelegen verlande restgeul. Tevens wordt er een dunne afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik) verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de LateMiddeleeuwen plaatsgevonden. Uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen duidelijke aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de tweede helft van de 18e eeuw in agrarisch gebruik was en pas in de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd is geraakt, deel uitmakend van een terrein van een basisschool. Verder ligt het plangebied ten oosten van het operatieterrein ‘Market Garden’ en ligt binnen de binnen de Noordoever-Rijn linie. Loo heeft in de nadagen van september 1944 regelmatig onder artillerievuur gelegen.
Hierdoor heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van WO II gerelateerde resten.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 20 van 33
Op basis van bovenstaande uitgangspunten kunnen er binnen het plangebied archeologische resten worden verwacht in principe daterend vanaf de Late-IJzertijd. De kans op het voorkomen van resten wordt vanaf deze archeologische periode hoog geacht (zie tabel VII), conform de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Duiven. Alleen voor de periode Nieuwe tijd wordt de verwachting laag geacht, gebaseerd op geraadpleegd historisch kaartmateriaal. Archeologische resten worden verwacht in de top van de oeverwal-/stroomgordelafzettingen van Meinerswijk dan wel in de te verwachten afdekkende (dunne) laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik). Voor de perioden Late-IJzertijd en Romeinse tijd kunnen er in de archeologische laag nederzettingssporen, grafvelden en/of rituele plaatsen gevonden worden. Voor de periode Middeleeuwen kunnen er resten en sporen van een (boeren)erf gevonden worden van zowel hout- als steenbouw. De zone van de restgeul is wellicht gebruikt als dumpzone voor afval, indien er sprake was van een nabijgelegen huisplaats/nederzettingsterrein. De archeologische laag zal vooral bestaan uit een vermenging van onder meer kleine fragmenten aardewerk, houtskool en bot met het oorspronkelijke substraat.
De heersende vrij diepe grondwaterstanden zorgt wel voor zuurstofrijke omstandigheden in de bodem, waardoor organische resten en bot mogelijk al zijn aangetast. WO II archeologie, in de vorm van resten van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven en mangaten, worden verwacht in de bovenste meter van de bodemopbouw. (Moderne) bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. De recent gesloopte bebouwing die noordelijke deel van het plangebied heeft gestaan, is voorzien geweest van strook-/sleuffunderingen tot een diepte van circa 90 cm -mv. Daarnaast is vanaf de jaren ’60 van de 20e eeuw het centrale en centraal-noordelijke deel van het plangebied bebouwd geweest met een voorloper van de recent gesloopte bebouwing. Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de bouw van deze schoolgebouwen en de aanleg van diverse nutsvoorzieningen, de bodem binnen het voormalige bouwoppervlak minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven.
Hierdoor wordt de kans klein geacht dat binnen het bestaande bebouwde oppervlak in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten of sporen niet meer aanwezig zijn of in een verstoorde context voorkomen, omdat deze binnen de eerste meter vanaf het (oorspronkelijke) maaiveld worden verwacht. Het schoolplein is voorzien geweest van een tegelverharding en verder waren de onverharde terreindelen binnen het plangebied in gebruik als grasveld/groenstrook. De inrichting van al deze terreindelen heeft wellicht ook geleid tot (enige) verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 21 van 33
Beantwoording van relevante onderzoekvragen 6.
Welke culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-]constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied? Het plangebied ligt binnen het rivierengebied en maakt onderdeel uit van de Holocene RijnMaas delta. Op basis van de verzamelde landschappelijke gegevens ligt het plangebied binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Deze meandergordel/stroomgordel was actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). Afzettingen die gesedimenteerd zijn voordat de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk ontstond, zijn geërodeerd. De beddingafzettingen van meandergeulen van (grote) voormalige stroomgordels reiken vaak tot in de vlechtende Pleistocene rivierterrasafzettingen. Eventueel aanwezige archeologische resten uit de perioden voor de Late-IJzertijd zullen tevens zijn geërodeerd (geen ligging meer in hun oorspronkelijke context). Daarom geldt er geen archeologische verwachting meer voor resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-IJzertijd. Met het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied wel een gunstige ligging voor bewoning.
Ook na bedijking bleven de binnendijks en hooggelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, ten opzichte van hun omgeving, geschikt als bewoningslocatie. De ligging van het merendeel van het plangebied op een oeverwal/stroomrug gaf de beschikking van voldoende areaal bouwland (akkergronden) en het houden van vee, en daarmee de ontwikkeling van een nederzetting((s)complex). Op basis van het hoogtebeeld heeft specifiek het uiterst noordelijke deel plangebied een ligging binnen/op de flank van een lager gelegen verlande restgeul. Tevens wordt er een dunne afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik) verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de Late-Middeleeuwen plaatsgevonden. Uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen duidelijke aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de tweede helft van de 18 e eeuw in agrarisch gebruik was en pas in de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd is geraakt, deel uitmakend van een terrein van een basisschool.
Verder ligt het plangebied ten oosten van het operatieterrein ‘Market Garden’ en ligt binnen de binnen de Noordoever-Rijn linie. Loo heeft in de nadagen van september 1944 regelmatig onder artillerievuur gelegen.
7.
Welke formatieprocessen kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten Eventueel aanwezige (pre)historische resten houden voornamelijk verband met de landschappelijke ligging en de aanwezige natuurlijke afzettingen. Archeologische resten worden verwacht worden in de bovenste anderhalve meter van de bodemopbouw, in het pakket oever-/kronkelwaardafzettingen. Voor de perioden Late-IJzertijd en Romeinse tijd kunnen er in de archeologische laag nederzettingssporen, grafvelden en/of rituele plaatsen gevonden worden. Voor de periode Middeleeuwen kunnen er resten en sporen van een (boeren)erf gevonden worden van zowel hout- als steenbouw. De archeologische laag zal vooral bestaan uit een vermenging van onder meer kleine fragmenten aardewerk, houtskool en bot met het oorspronkelijke substraat.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 22 van 33
De heersende vrij diepe grondwaterstanden zorgt wel voor zuurstofrijke omstandigheden in de bodem, waardoor organische resten en bot mogelijk al zijn aangetast. WO II archeologie, in de vorm van resten van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven en mangaten, worden verwacht in de bovenste meter van de bodemopbouw. De recent gesloopte bebouwing die noordelijke deel van het plangebied heeft gestaan, is voorzien geweest van strook-/sleuffunderingen tot een diepte van circa 90 cm -mv. Daarnaast is vanaf de jaren ’60 van de 20e eeuw het centrale en centraal-noordelijke deel van het plangebied bebouwd geweest met een voorloper van de recent gesloopte bebouwing. Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de bouw van deze schoolgebouwen en de aanleg van diverse nutsvoorzieningen, de bodem binnen het voormalige bouwoppervlak minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven. Hierdoor wordt de kans klein geacht dat binnen het bestaande bebouwde oppervlak in het verleden eventueel aanwezige archeologische resten of sporen niet meer aanwezig zijn of in een verstoorde context voorkomen, omdat deze binnen de eerste meter vanaf het (oorspronkelijke) maaiveld worden verwacht. Het schoolplein is voorzien geweest van een tegelverharding en verder waren de onverharde terreindelen binnen het plangebied in gebruik als grasveld/groenstrook.
De inrichting van al deze terreindelen heeft wellicht ook geleid tot (enige) verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel. In welke mate is echter niet bekend. 8.
Wat is de aard (materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? Op basis van de aanwezige afzettingen, de landschappelijke ligging en de al aangetroffen archeologie in de directe omgeving van het plangebied, is de verwachting voor de perioden vanaf de Late-IJzertijd hoog voor de aanwezigheid van resten en sporen. Resten en sporen van Landbouwers kunnen worden verwacht in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats. Voor resten in de te verwachten oever-/kronkelwaardafzettingen zal mogelijk nog sprake van een matig/hoge dichtheid van resistente mobilia (aardewerk, metaalresten (lokale ijzerproductie) en een matig/hoge spoordichtheid (immobilia). Binnen het vondstenspectrum domineert meestal houtskool en aardewerk. Er kunnen dichte of minder dichte sporenclusters voorkomen, bestaande uit resten van greppels, erfafscheidingen, kuilen, de paalkuilen van één of meerdere (bij)gebouwen. Door agrarische bewerking van de bodem en ingrepen ten behoeve van de verbetering van de waterhuishouding van de grond, kan het archeologisch spoorniveau zijn verstoord en exsitu liggende mobilia (archeologische resten) blootgesteld zijn aan degradatieprocessen. Hierdoor kan de dichtheid van archeologische resten en sporen lager zijn geworden/zijn afgenomen.
9.
Hoe manifesteren deze zich tijdens het prospectieonderzoek? Indien binnen het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd, dan wordt er vanuit gegaan dat deze zich bij het booronderzoek voornamelijk manifesteert in een duidelijke cultuurlaag, al dan niet met een sporenniveau, en dat er sprake is van een matig/hoge vondstdichtheid. Puntlocaties zullen moeilijk op te sporen zijn. Water- en drenkkuilen moeten gezien worden als puntlocaties en hebben dus een zeer beperkte ruimtelijke spreiding, maar kunnen dieper doorlopen in de oeverwalafzettingen.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 23 van 33
Afvaldumps kunnen een grotere spreiding hebben, waarin veel materiaalsoorten kunnen voorkomen (afval van aardewerk, metaal, bot, hout, verbrandingsresten (houtskool)) met een hoge tot zeer hoge dichtheid en is herkenbaar als een duidelijke cultuurlaag. Zeker de oude geulloop, waar het uiterst noordelijke deel van het plangebied in ligt, kon gebruikt worden als dumplocatie/dumpzone van afvalresten (in het geval van bewoningsactiviteiten in de directe omgeving). 10.
3.8
Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategie) kunnen vondst- en/of spoorcomplexen systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Puntlocaties van zeer beperkte omvang en off-site resten in de vorm van individuele wateren drenkkuilen kunnen niet door een systematische oppervlaktekartering als door een karterend booronderzoek worden opgespoord. Door middel van zoeksleuven wordt de trefkans groter, echter ook door deze methode kunnen dergelijke vondst- en spoorcomplexen gemist worden. Restanten van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) met een matige/hoge vondstdichtheid zullen goed door middel van een karterend booronderzoek kunnen worden opgespoord. Vanwege de vrij beperkte oppervlakte van het plangebied zal met een minimaal aantal van acht boringen sprake zijn van een boorgrid dat aansluit op de te hanteren onderzoeksmethode C2 (nederzettingen met overwegend aardewerk van huisplaats(en) (500-2000 m), conform de Leidraad karterend booronderzoek (versie 2.0, d.d. 4 december 2012). Conclusie bureauonderzoek
Op grond van de beantwoorde onderzoeksvragen, conform het Handboek archeologisch onderzoek binnen de regio Arnhem (derde druk, januari 2017)28, blijkt dat binnen het plangebied de volgende vondst- en/of spoorcomplexen kunnen worden verwacht: puntlocaties van zeer kleine omvang, restanten van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers), resten van water- en drenkkuilen en afvaldumps. Voor puntlocaties van zeer kleine omvang is er eigenlijk geen geschikte opsporingmethode in de inventariserende fase van het veldonderzoek. Absolute zekerheid over de aan- of afwezigheid van dergelijke resten kan alleen worden gegeven door vlakdekkend gravend onderzoek. Dit staat echter in geen verhouding met geplande ontwikkelingen binnen het plangebied. Resten van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en resten van afvaldumps zijn door middel van een karterend booronderzoek goed op te sporen. Daarom is besloten om binnen het plangebied het inventariserend veldonderzoek te laten bestaan uit het zetten van een minimaal aantal van acht boringen (Edelmanboor met diameter 12 cm, gecombineerd verkennende en karterende fase), waarbij de boringen gelijkmatig verspreid binnen het plangebied worden gezet.
28
Habraken, 2017
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 24 van 33
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
4.1
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 12 juni 2020 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het plangebied was vrij toegankelijk. In totaal zijn gelijkmatig verspreid binnen het plangebied acht boringen gezet (zie figuur 19). Er is geboord tot een diepte van maximaal 300 cm -mv met een Edelmanboor met een diameter van 12 cm. De boringen zijn met meetlinten en een meetwiel ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 29 In Bijlage 5 worden overzichtsfoto’s van het plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen weergegeven. Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, niet of deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen (verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek).
Daar waar sprake is van een (deels) intact profiel is de laag waar archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht versneden en verbrokkeld en vervolgens geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot, et cetera. Vanwege het gebruik van het plangebied (deels voorzien van een laag cunet-/stabilisatiezand waar de tegelverharding heeft gelegen en verder in gebruik als grasveld/groenstrook) was het niet mogelijk een oppervlaktekartering uit te voeren. 4.2
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 6 weergegeven. De opbouw van de bodem kan schematisch als volgt worden weergegeven: Tabel VIII.
29
Algemene bodemopbouw plangebied
Diepte (cm -mv)
Samenstelling
Interpretatie
Vanaf maaiveld tot gemiddeld 60
Bruingrijs tot grijsbruin gekleurde, deels zwak humeuze, sterk zandige klei, vermengd resten baksteen- en betonpuin, kalkrijk
Geroerde/omgewerkte/deels opgebrachte grond, ten gevolgde van huidige inrichting van het terrein (deel van schoolterrein)
Tussen gemiddeld 60 en 110
Bruin gekleurde, sterk zandige klei, kalkrijk
(Restant) zwak ontwikkelde Bw-horizont van kalkhoudende ooivaaggrond, oever-/kronkelwaardafzettingen
Vanaf gemiddeld 110 tot 300 (maximale einddiepte boringen)
Grijsbruin en naar onderen toe oranjegrijs tot lichtbruingrijs en donkergrijs gekleurde, sterk zandige klei en naar onderen toe afwisseling van lagen sterk zandige klei en kleiig zand, in het zuidelijke deel zwak siltig, matig fijn zand binnen 2 meter, geheel kalkrijk
Cg-/Cr-horizont, oever-/kronkelwaardafzettingen op beddingafzettingen, gesedimenteerd tijdens de actieve fasen van meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk
Bosch, 2005
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 25 van 33
Op basis van de aangetroffen bodemopbouw heeft binnen het gehele plangebied enige mate van verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw plaatsgevonden. Vanaf het maaiveld komt tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv bruingrijs tot grijsbruin gekleurd, deels zwak humeuze, sterk zandige klei voor waar bij elke boring ook een vermenging met resten recent baksteen- en betonpuin zichtbaar was. Waarschijnlijk zijn deze verstoringen het gevolg van de huidige inrichting van het terrein (deel van schoolterrein). Een deel van deze bodemlaag kan ook opgebrachte grond betreffen. De meest diepe verstoring is aangetroffen ter plaatse van boring 3, tot 85 cm -mv, waar tot deze diepte ook vrij grote brokken baksteen en bouwpuin is aangetroffen. Zeer waarschijnlijk betreft het sloopafval van de bebouwing die aan het begin van de jaren ’60 van de 20e eeuw in het centrale en centraalnoordelijke deel van het plangebied heeft gestaan. De onverstoorde bodem bestaat tussen gemiddeld 60 en 110 cm -mv uit bruin gekleurde, kalkrijke/kalkhoudende, sterk zandige klei. Dit betreft een (restant van een) zwak ontwikkelde Bw-horizont. Het betreft de bovenlaag van het aanwezige pakket oever-/kronkelwaardafzettingen, waarin zich een kalkhoudende ooivaaggrond heeft gevormd.
Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgde van het verstoorde deel van de bodemopbouw en dat er tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden ook sprake was van een zeer uitgedroogde bodem. Vanaf gemiddeld 110 cm -mv vindt en geleidelijke overgang plaats naar grijsbruin en naar onderen toe oranjegrijs tot lichtbruingrijs en donkergrijs gekleurde, sterk zandige klei en naar onderen toe afwisseling van lagen sterk zandige klei en kleiig zand. In het zuidelijke deel van het plangebied (boringen 7 en 8) is binnen 2 meter ook zwak siltig, matig fijn zand aangetroffen. Het gehele kalkrijke pakket betreft oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen, welke gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fasen van meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Archeologische indicatoren (geen archeologische vindplaats aangetroffen) De archeologische verwachting was gericht op de oeverafzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve fasen van de meandergordels/stroomgordels van Meinerswijk en een eventuele afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen, waarin archeologische resten konden worden verwacht uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd.
Zoals hierboven aangegeven zijn overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen niet aangetroffen of waren niet te herkennen in het verstoorde deel van de bodemopbouw. De waargenomen bodemverstoringen waren echter niet in die mate dat het archeologisch potentiele sporenniveau niet meer (deels) intact aanwezig zou zijn. Onder het verstoorde deel van de bodemopbouw (waarin fijne resten betonpuinpuin en baksteen van (sub)recente ouderdom (19e/20e eeuw, NTC) zijn aangetroffen en vanuit archeologisch oogpunt niet relevant zijn), zijn in het versneden en verbrokkelde materiaal geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ook concentraties van houtskool of fosfaatvlekken, welke een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van een door de mens gevormde cultuurlaag, of indicatoren die kunnen wijzen op een oudere woongrond, zijn niet waargenomen. Op basis van deze resultaten is er geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 26 van 33
4.1
Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek
Conform het Handboek archeologisch onderzoek binnen de regio Arnhem (derde druk, januari 2017)30 worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord, voor zover het veldonderzoek de daarvoor benodigde gegevens heeft opgeleverd. 11.
Wat is de aard (ontstaanswijze, textuur, kleur), diepteligging en ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen ter plaatse van het onderzoeksgebied? In het plangebied zijn oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen aangetroffen, welke gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fasen van meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. In de top heeft zich van nature een kalkhoudende ooivaaggrond ontwikkeld. Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgde van het verstoorde deel van de bodemopbouw en dat er tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden ook sprake was van een zeer uitgedroogde bodem.
12.
Wat is de aard (kleur, textuur, samenstelling), diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke en eventueel antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.), ter plaatse van het onderzoeksgebied? Deels al beantwoord in bovenstaande onderzoeksvraag. Recente bodemverstorende ingrepen reiken tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv, waar tot op deze diepte fijne resten recent baksteen- en betonpuin zijn aangetroffen. De meest diepe verstoring is aangetroffen ter plaatse van boring 3, tot 85 cm -mv, waar tot deze diepte ook vrij grote brokken baksteen en bouwpuin is aangetroffen. Zeer waarschijnlijk betreft het sloopafval van de bebouwing die aan het begin van de jaren ’60 van de 20e eeuw in het centrale en centraal-noordelijke deel van het plangebied heeft gestaan. De onverstoorde bodem bestaat tussen gemiddeld 60 en 110 cm -mv uit bruin gekleurde, kalkrijke/kalkhoudende, sterk zandige klei. Dit betreft een (restant van een) zwak ontwikkelde Bw-horizont. Het betreft de bovenlaag van het aanwezige pakket oever-/kronkelwaardafzettingen, waarin zich een kalkhoudende ooivaaggrond heeft gevormd.
13.
Wat is de aard, dikte en omvang van eventueel ter plaatse van het onderzoeksgebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Zie ook de beantwoording van bovenstaande onderzoeksvragen. De natuurlijke afzettingen betreffen oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen, gesedimenteerd tijdens de actieve fasen van meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgde van het verstoorde deel van de bodemopbouw en dat er tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden ook sprake was van een zeer uitgedroogde bodem. Vanaf het maaiveld komt tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv bruingrijs tot grijsbruin gekleurd, deels zwak humeuze, sterk zandige klei voor waar bij elke boring ook een vermenging met resten recent baksteen- en betonpuin zichtbaar was. Waarschijnlijk zijn deze verstoringen het gevolg van de huidige inrichting van het terrein (deel van schoolterrein). Een deel van deze bodemlaag kan ook opgebrachte grond betreffen.
30
Habraken, 2017
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 27 van 33
14.
Indien er afdekkende lagen voorkomen; wat is de aard (ontstaanswijze, kleur, textuur, samenstelling), gaafheid en dikte van het onderliggende afgedekt bodemprofiel (natuurlijke en antropogene bodemhorizonten zoals oude akkerlagen) en/of afzettingen? Zie de beantwoording van bovenstaande onderzoeksvragen.
15.
Wat is de diepte tot waarop artefacten van recente ouderdom (‘modern’ afvalmateriaal) in het bodemprofiel voorkomen? De gezette boringen laten een geroerde bodemopbouw zien tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv, waar tot op deze diepte fijne resten baksteen- en betonpuin zijn aangetroffen. De meest diepe verstoring is aangetroffen ter plaatse van boring 3, tot 85 cm -mv, waar tot deze diepte ook vrij grote brokken baksteen en bouwpuin is aangetroffen. Zeer waarschijnlijk betreft het sloopafval van de bebouwing die aan het begin van de jaren ’60 van de 20e eeuw in het centrale en centraal-noordelijke deel van het plangebied heeft gestaan. De resten/brokken betonpuin en baksteen zijn van (sub)recente ouderdom (19e/20e eeuw, NTC) en zijn vanuit archeologisch oogpunt niet relevant. Archeologische relevante indicatoren zijn niet aangetroffen in het opgeboorde materiaal.
16.
Tot welke diepte in het bodemprofiel is sprake van een ‘recente’ bodemverstoring en wat is de ouderdom van deze verstoring? Zie de beantwoording van bovenstaande onderzoeksvragen (vooral de vragen 13 en 15)
Fase inventariserend veldonderzoek, kartering (geen archeologische indicatoren aangetroffen) 17.
Uitgaande van de onderzoeksstrategie: zijn de verwachte vondst- en/of spoorcomplexen (archeologische indicatoren) binnen het onderzoeksgebied aanwezig? Geef de mate van zekerheid of onzekerheid aan en licht toe met een beargumenteerde interpretatie. Op basis van de verwachte bodemopbouw gold een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen in de top van het pakket oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen en een eventuele afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen. De laatste zijn niet waargenomen. Verder laat de aangetroffen bodemopbouw dat recente verstoringen reiken tot een gemiddelde diepte van circa 60 cm -mv. Het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw bevat fijne resten/brokken betonpuinpuin en baksteen van (sub)recente ouderdom (19e/20e eeuw, NTC) en zijn vanuit archeologisch oogpunt niet relevant. In het versneden en verbrokkelde materiaal van het onverstoorde deel van de bodemopbouw zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Ook concentraties van houtskool of fosfaatvlekken, welke een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van een door de mens gevormde cultuurlaag, of indicatoren die kunnen wijzen op een oudere woongrond, zijn niet waargenomen.
Op basis van het veldonderzoek zijn er dan ook geen aanwijzingen op de aanwezigheid van vondstcomplexen in de vorm van resten van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers). Van resten van afvaldumps of puntlocaties zijn ook geen aanwijzingen gevonden dat deze aanwezig zijn binnen het plangebied. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat voor puntlocaties karterend booronderzoek niet de geschikte methode is voor het opsporen dergelijke vondst- en/of spoorcomplexen.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 28 van 33
18.
Uitgaande van waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk, in hoeverre komen de uitkomsten overeen met de resultaten van het bureauonderzoek? Geef de mate van zekerheid of onzekerheid aan en licht toe met een beargumenteerde interpretatie. Vanuit het bureauonderzoek was de verwachting hoog vanaf de Late-IJzertijd voor het aantreffen van archeologische resten. Het plangebied ligt namelijk binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Deze meandergordel/stroomgordel was actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). Afzettingen die gesedimenteerd zijn voordat de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk ontstond, zijn geërodeerd. Met het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied wel een gunstige ligging voor bewoning. Tevens werd een dunne afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik) verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de Late-Middeleeuwen plaatsgevonden. De aangetroffen bodemopbouw tijdens het booronderzoek bevestigd de ligging binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk.
Er zijn oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen aangetroffen, waarbij zich in de top van nature een kalkhoudende ooivaaggrond heeft ontwikkeld. Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgde van het verstoorde deel van de bodemopbouw en dat er tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden ook sprake was van een zeer uitgedroogde bodem. Recente bodemverstorende ingrepen reiken tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv, waar tot op deze diepte fijne resten recent baksteen- en betonpuin zijn aangetroffen. De verstoringsdiepte is echter niet in die mate dat verwacht mag worden dat het archeologisch potentiele sporenniveau volledig is verstoord. De karterende fase van het booronderzoek heeft geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd. Ook zijn er geen antropogeen beïnvloede bodemlagen aangetroffen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een door de mens gevormde oude cultuurlaag/oude woongrond. De hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten, van complextypen in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en/of van afvuldumps (daterend vanaf de Late-IJzertijd), wordt hiermee niet bevestigd.
Ook de verwachting op het eventueel aantreffen van puntlocaties van zeer kleine omvang wordt niet bevestigd, waarbij wel opgemerkt dient worden dat karterend booronderzoek niet de geschikte methode is om dergelijke resten op te sporen. Op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats, dient de hoge verwachting dan ook bijgesteld te worden naar geen verwachting ten aanzien van het onderzochte plangebied.
19.
Uitgaande van waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk, hoe adequaat is de gekozen zoekstrategie geweest (evaluatie resultaten bureauonderzoek)? Licht beargumenteerd toe. De gekozen zoekstrategie is adequaat gebleken om de bodemopbouw binnen het plangebied in kaart te brengen en of er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Het booronderzoek heeft echter geen archeologische indicatoren dan wel archeologische lagen opgeleverd. Er zijn daarmee geen aanwijzing meer om resten van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) of van afvaldumps te verwachten. Daarmee heeft de onderzoeksstrategie voldoende gegevens opgeleverd om een uitspraak te kunnen doen betreffende de geplande ingrepen (de nieuwbouw van vier of vijf woningen (CPO-constructie))
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 29 van 33
5 5.1
CONCLUSIE EN ADVIES Conclusie
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd. Het plangebied ligt namelijk binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Deze meandergordel/stroomgordel was actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). Afzettingen die gesedimenteerd zijn voordat de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk ontstond, zijn geërodeerd. Met het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied wel een gunstige ligging voor bewoning. Tevens werd een dunne afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik) verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de Late-Middeleeuwen plaatsgevonden. Uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen duidelijke aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de tweede helft van de 18 e eeuw in agrarisch gebruik was en pas in de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd is geraakt, deel uitmakend van een terrein van een basisschool. De aangetroffen bodemopbouw tijdens het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek bevestigd de ligging binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Er zijn oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen aangetroffen, waarbij zich in de top van nature een kalkhoudende ooivaaggrond heeft ontwikkeld. Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgde van het verstoorde deel van de bodemopbouw en dat er tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden ook sprake was van een zeer uitgedroogde bodem. Recente bodemverstorende ingrepen reiken tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv, waar tot op deze diepte fijne resten recent baksteen- en betonpuin zijn aangetroffen. De verstoringsdiepte is echter niet in die mate dat verwacht mag worden dat het archeologisch potentiele sporenniveau volledig is verstoord. De karterende fase van het booronderzoek heeft geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd.
Ook zijn er geen antropogeen beïnvloede bodemlagen aangetroffen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een door de mens gevormde oude cultuurlaag/oude woongrond. Geconcludeerd wordt dat voor het plangebied, op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren die kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, de hoge verwachting bijgesteld dient te worden naar geen verwachting. De hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten, van complextypen in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en/of van afvuldumps (daterend vanaf de Late-IJzertijd), wordt hiermee niet bevestigd. 5.2
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is sprake van enige mate van verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw. Verder zijn in het onverstoorde deel van de bodemopbouw geen archeologische indicatoren aangetroffen dan wel archeologische lagen waargenomen.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 30 van 33
Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zevenaar en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (aanvullende beoordeling archeologisch rapport door de heer drs. J. Habraken, Regioarcheoloog regio Arnhem e.o., d.d. 9 juli 2020). Met bovenstaand advies is ingestemd. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed31).
31
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 31 van 33
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A. 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., Stouthamer, E., 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J. & Geurts, A.H., 2012: Digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maas delta. Universiteit Utrecht. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek, W.Z., Berendsen†, H.J.A. & Kempen, H.F.J., 2009: Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel. Provincie Gelderland. Gerritsen, B., Van den Heuvel, R., Van Hunen, G., Jonker, D., Lamers, H., en Verhagen, J., 2013: Duiven, Groessen, Loo. Uit de historie van drie Liemerse Dorpen. Zevenaar. Habraken, J., 2017: Handboek archeologisch onderzoek binnen de regio Arnhem. Eisen en kaders voor onderzoek en beoordeling van rapporten (derde druk). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C.
& B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & Bakker, H. de, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg Den Bosch, 2e druk. Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Stichting voor Bodemkartering, 1966: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 40 Oost/Arnhem. Versfelt, H.J., 2003: De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen. ISBN 90-806727-4-2. Willemse, N.W. & Verhagen, J.G.M., 2006: Gemeente Duiven. Een archeologische waarden en verwachtingskaart met AMZ-adviezen. RAAP-rapport 1272. RAAP, Weesp. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 32 van 33
BRONNEN AHN; internetsite, juli 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juli 2020. https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/#/cho/search Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, juli 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemverontreinigingen provincie Gelderland: internetsite, juli 2020. https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocort ex/Essentials/REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Def ault Digitaal basisbestand paleogeografie van de Rijn-Maas delta; 2012. https://easy.dans.knaw.nl/ui/datasets/id/easy-dataset:52125 Dinoloket; internetsite, juli 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juli 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juli 2020. http://www.topotijdreis.nl/ MijnGelderland; internetsite, juli 2020. https://mijngelderland.nl/ SIKB; internetsite, juli 2020. http://www.sikb.nl Zandbanenkaart provincie Gelderland: internetsite, juli 2020. http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=471707400d6f44d5a743100c65 e3ce9b
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 33 van 33
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Loo (Gld.) (gemeente Duiven) – Loostraat 35 Situering van het plangebied binnen Nederland (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 12752.001 versie 2
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Loostraat 35 Detailkaart van het plangebied (bron: http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied
Rapport 12752.001 versie 2
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Loo (Gld.) (gemeente Duiven) – Loostraat 35 Luchtfoto van het plangebied (bron: gspot:LUFO_2016) Legenda Plangebied
Rapport 12752.001 versie 2
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Duiven
Loo (Gld.) (gemeente Duiven) – Loostraat 35 Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Duiven Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
Rapport 12752.001 versie 2
Rapport 12752.001 versie 2
Rapport 12752.001 versie 2
Figuur 5.
Holocene stroomgordels en afgedekt Pleistoceen
Loo (Gld.) (gemeente Duiven) – Loostraat 35
Legenda zie bladzijde Situering vanvolgende het plangebied ten opzichte van de Holocene beddinggordels en het afgedekt Pleistoceen niveau (Digitaal basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta) Plangebied
Rapport 12752.001 versie 2
Rapport 12752.001 versie 2
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Duiven
Loo (Gld.) (gemeente Duiven) – Loostraat 35 Situering van het plangebied binnen de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Duiven Legenda zie volgende bladzijde Plangebied
Rapport 12752.001 versie 2
Rapport 12752.001 versie 2
Rapport 12752.001 versie 2
Figuur 7.
Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zanddiepte + deklaag) 2010 van de provincie Gelderland