8. Bijlage 6 – 201500737 Bijlage bij toelichting 3 ON-BP - Hoflaan ong. Loo (voormalige kleuterschoollocatie).pdf
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN GECOMBINEERD VERKENNEND EN KARTEREND BOORONDERZOEK LOOSTRAAT 35 TE LOO (GLD.) GEMEENTE DUIVEN
Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek Loostraat 35 te Loo (Gld.) Opdrachtgever
Gemeente Duiven Postbus 6 6920 AA Duiven
Rapportnummer
12752.001
Versienummer1
2
Datum
15 juli 2020
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
ir. E.M. ten Broeke
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
12752.001
Toponiem
Loostraat 35
Opdrachtgever
Gemeente Duiven
Gemeente
Duiven
Plaats
Loo (Gld.)
Provincie
Gelderland
Kadastrale gegevens
Gemeente Groessen en Loo, sectie F, nummer 1905
Omvang plangebied
Circa 1.485 m²
Kaartblad
40 B (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 196.575 / Y: 438.155
Bevoegde overheid
Gemeente Duiven
Deskundige namens de bevoegde overheid
De heer J. Habraken, Regioarcheoloog gemeenten Duiven, Lingewaard, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort en Zevenaar Postbus 9200 6800 HA Arnhem Tel. 026-3773239 Email: Joris.Habraken@arnhem.nl
ARCHIS3
Bureauonderzoek 4868744100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Booronderzoek 4868752100
Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders rivierengebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Doetinchem/Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Uitvoerder
Econsultancy, ir. E.M. ten Broeke
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de Gemeente Duiven een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Loostraat 35 te Loo (Gld.) in de gemeente Duiven. De initiatiefnemer is voornemens vier of vijf woningen te bouwen (CPO-constructie). Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd. Het plangebied ligt namelijk binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Deze meandergordel/stroomgordel was actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). Afzettingen die gesedimenteerd zijn voordat de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk ontstond, zijn geërodeerd. Met het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied wel een gunstige ligging voor bewoning. Tevens werd een dunne afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik) verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de Late-Middeleeuwen plaatsgevonden.
Uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen duidelijke aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de tweede helft van de 18e eeuw in agrarisch gebruik was en pas in de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd is geraakt, deel uitmakend van een terrein van een basisschool. Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) bevestigd de ligging binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Er zijn oever/kronkelwaard- op beddingafzettingen aangetroffen, waarbij zich in de top van nature een kalkhoudende ooivaaggrond heeft ontwikkeld. Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgen van het verstoorde deel van de bodemopbouw en dat er tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden ook sprake was van een zeer uitgedroogde bodem. Recente bodemverstorende ingrepen reiken tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv, waar tot op deze diepte fijne resten recent baksteen- en betonpuin zijn aangetroffen.
De verstoringsdiepte is echter niet in die mate dat verwacht mag worden dat het archeologisch potentiele sporenniveau volledig is verstoord. De karterende fase van het booronderzoek heeft geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd. Ook zijn er geen antropogeen beïnvloede bodemlagen aangetroffen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een door de mens gevormde oude cultuurlaag/oude woongrond. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor het plangebied, op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren die kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, de hoge verwachting bijgesteld dient te worden naar geen verwachting. De hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten, van complextypen in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en/of van afvuldumps (daterend vanaf de Late-IJzertijd), wordt hiermee niet bevestigd.
Rapport 12752.001 versie 2
Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is sprake van enige mate van verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw. Verder zijn in het onverstoorde deel van de bodemopbouw geen archeologische indicatoren aangetroffen dan wel archeologische lagen waargenomen. Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zevenaar en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (aanvullende beoordeling archeologisch rapport door de heer drs. J. Habraken, Regioarcheoloog regio Arnhem e.o., d.d. 9 juli 2020). Met bovenstaand advies is ingestemd. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed2).
2
Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456
Rapport 12752.001 versie 2
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1
3
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
4
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 25 4.1 4.2 4.1
5
Methoden .......................................................................................................................... 3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 4 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 5 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 6 Archeologische waarden ................................................................................................ 11 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 16 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 19 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 24
Methoden ........................................................................................................................ 25 Resultaten ....................................................................................................................... 25 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 27
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 30 5.1 5.2
Conclusie ........................................................................................................................ 30 Advies ............................................................................................................................. 30
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 32 BRONNEN .......................................................................................................................................... 33
Rapport 12752.001 versie 2
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Overzicht AMK-terreinen Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-vondsten Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Algemene bodemopbouw plangebied
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18. Figuur 19. Figuur 20.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Duiven Holocene stroomgordels en afgedekt Pleistoceen Situering van het plangebied binnen de archeolandschappelijke eenhedenkaart van degemeente Duiven Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zanddiepte + deklaag) 2010 van de provincie Gelderland Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met het AHN als achtergrond Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794 vanuit kaartblad 92 Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1830 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1866 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1932 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1958 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995
Boorpuntenkaart van het plangebied met als achtergrond de luchtfoto
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen Boorprofielen
Rapport 12752.001 versie 2
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van de Gemeente Duiven een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Loostraat 35 te Loo (Gld.) in de gemeente Duiven (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens vier of vijf woningen te bouwen (CPO-constructie). Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, gecombineerd verkennende en karterende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 5). Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 10 en 11 juni 2020 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 16 juni 2020 door E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).
2
DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Het inventariserend veldonderzoek, (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied, of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat dan de gevolgen zijn voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats. Conform het Handboek archeologisch onderzoek binnen de regio Arnhem (tweede druk, mei 2017) 3 dienen het bureauonderzoek en veldonderzoek antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen: Fase bureauonderzoek 1.
Wat is de aard (ontstaanswijze en classificatie), diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten en natuurlijke afzettingen in het omringende (binnen een afstand tot circa 200 m van de onderzoekslocatie) gebied? 2. Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie), diepteligging, genese en gaafheid van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? 3. Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest? 3
Habraken, 2017
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 1 van 33
4. Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? Vermeld per vondst- en/of spoorcomplex minimaal: a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaalcategorie, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag) en f) fragmentatie 5. Welke natuurlijke formatieprocessen (sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied? 6. Welke culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-]constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied? 7. Welke formatieprocessen kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? 8. Wat is de aard (materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? 9. Hoe manifesteren deze zich tijdens het prospectieonderzoek? 10.
Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategie) kunnen vondst- en/of spoorcomplexen systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden. Fase inventariserend veldonderzoek, verkenning 11. Wat is de aard (ontstaanswijze, textuur, kleur), diepteligging en ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen ter plaatse van het onderzoeksgebied? 12. Wat is de aard (kleur, textuur, samenstelling), diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke en eventueel antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.), ter plaatse van het onderzoeksgebied? 13. Wat is de aard, dikte en omvang van eventueel ter plaatse van het onderzoeksgebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? 14. Indien er afdekkende lagen voorkomen; wat is de aard (ontstaanswijze, kleur, textuur, samenstelling), gaafheid en dikte van het onderliggende afgedekt bodemprofiel (natuurlijke en antropogene bodemhorizonten zoals oude akkerlagen) en/of afzettingen? 15. Wat is de diepte tot waarop artefacten van recente ouderdom (‘modern’ afvalmateriaal) in het bodemprofiel voorkomen? 16.
Tot welke diepte in het bodemprofiel is sprake van een ‘recente’ bodemverstoring en wat is de ouderdom van deze verstoring? Fase inventariserend veldonderzoek, kartering 17. Uitgaande van de onderzoeksstrategie: zijn de verwachte vondst- en/of spoorcomplexen (archeologische indicatoren) binnen het onderzoeksgebied aanwezig? Geef de mate van zekerheid of onzekerheid aan en licht toe met een beargumenteerde interpretatie. 18. Uitgaande van waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk, in hoeverre komen de uitkomsten overeen met de resultaten van het bureauonderzoek? Geef de mate van zekerheid of onzekerheid aan en licht toe met een beargumenteerde interpretatie. 19. Uitgaande van waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk, hoe adequaat is de gekozen zoekstrategie geweest (evaluatie resultaten bureauonderzoek)? Licht beargumenteerd toe.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 2 van 33
Fase inventariserend veldonderzoek, kartering (indien archeologische resten (indicatoren) aanwezig zijn) 20. Wat is de (mogelijke) omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit van de archeologische vondsten/of spoorcomplexen? Licht toe met een beargumenteerde interpretatie. 21. Wat is de diepteligging van de top van het niveau met archeologische vondst- en/of spoorcomplexen (‘vondstlaag’) ten opzichte van het maaiveld? Wat is de dikte van de vondstlaag of vondstlagen? Licht toe aan de hand van een beargumenteerde interpretatie van boorprofielen. 22. In hoeverre is de vondstlaag/vondstlagen of het vondstmateriaal op, of in, de bodem representatief voor die in de diepere bodem? 23. In hoeverre is de vondstlaag of het vondstmateriaal op, of in, de bodem representatief voor de ligging en verbreiding van een eventueel sporenniveau? 24. Hoe kan men de prospectieresultaten vertalen in termen van conservering/kwaliteit, en/of verdere zoek- of waarderingsstrategie? 25. Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering op de archeologische resten kunnen hebben? 26.
Welke mogelijkheden zijn er, of welk perspectief is er, voor in situ behoud? Wat zijn daarvoor de randvoorwaarden? Hoe dienen deze randvoorwaarden tijdens de waarderende fase te worden onderzocht? In de hoofdstukken 3, 4 en 5 worden aan het einde van elke paragraaf de onderzoeksvragen beantwoord wanneer deze van toepassing zijn.
3
BUREAUONDERZOEK
3.1
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 4 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
4
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
SIKB
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 3 van 33
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 3.2
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); de Atlas Gelderland; literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Duiven; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.5 Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.485 m² en ligt aan de Loostraat 35, in het noordelijke deel van de bebouwde kom van Loo (Gld.) in de gemeente Duiven (zie figuren 1 en 2). Volgens het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 11,1 m +NAP. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Groessen en Loo, sectie F, nummer 1905. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 40 B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 196.575 / Y: 438.155. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.
Het plangebied maakt deel uit van een terrein van een basisschool en er was recentelijk nog een gedeelte van de schoolbebouwing en een klein bijgebouw aanwezig (inmiddels gesloopt). Het centrale deel van de onderzoekslocatie is in gebruik als schoolplein, welke voorzien is van een tegelverharding. Het overige deel van het plangebied is in gebruik als grasveld/groenstrook. De Loostraat loopt langs de noordzijde van het plangebied. Verder wordt het plangebied aan de oost- en zuidzijde begrenst door respectievelijk de Hoflaan en de Pastoorstraat. Het plangebied wordt verder voornamelijk omgeven door woonpercelen. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een sportvereniging met diverse sportvelden (zie figuur 3).
5
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 4 van 33
Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het noordelijke deel van het plangebied ligt volgens het Bestemmingsplan Archeologie gemeente Duiven in een gebied met een specifieke vorm van waarde - oude dijken en historische dorpslinten 6. Het centrale en zuidelijke deel van de onderzoekslocatie ligt in een gebied met een specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting 3.
In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij een onderzoekslocatie groter dan 100/500 m² en bodemingrepen dieper dan 50 cm -mv, vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.6 Deze dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Duiven (zie figuur 4), welke gebaseerd is op de archeolandschappelijke eenhedenkaart (zie figuur 6, wordt in § 3.4 behandeld).7 Atlas Gelderland8 Met de Atlas Gelderland wilt de provincie Gelderland inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit binnen de provincie in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat de Atlas Gelderland zien waar vroeger (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Het raadplegen van de Atlas Gelderland heeft voor het plangebied geen aanvullende gegevens opgeleverd. 3.3
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens vier of vijf woningen te bouwen (CPO-constructie). Ter plaatse van de toekomstige bebouwing zal naar verwachting de bodem tot een diepte van circa 1 tot 1,5 m -mv worden afgegraven (bouwput), ten behoeve van de aanleg van een standaard staalfundering op het rivierzand. Tevens zullen diverse nutsvoorzieningen worden aangelegd (kabels en leidingen). De nieuwbouw zal, voor zover bekend, niet worden onderkelderd.
6
Portaal voor Ruimtelijke Plannen Willemse & Verhagen, 2006 8 https://geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.html?configBase=http://geoweb.gelderland.nl/Geocortex/Essentials/ REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Default 7
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 5 van 33
3.4
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie9
Oeverwal-/kronkelwaard- op beddingafzettingen van de Formatie van Echteld, afgezet tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van de Meinderswijk. Afgedekt met een dun pakket overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen, ten gevolge van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn. Op grotere diepte grove grindhoudende fluviatiele zanden van de Formatie van Kreftenheye.
Geologische-geomorfologische kaart van de Rijn-Maas delta10
Gelegen binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd).
Archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Duiven11
Merendeel plangebied overslaggronden < 50 cm dik op kronkelwaardafzettingen (code Ddl). Uiterst noordelijke strook binnen een laaggelegen (rest)geul opgevuld met klei en veen (Rbk).
Zandbanenkaart provincie Gelderland12
Beddingzand van onbedijkte rivieren tussen 1,5 en 2 m -mv (code 15).
Geomorfologie13
Op een rivieroeverwal (3K25).
Bodemkunde en grondwatertrap14
Kalkhoudende poldervaaggronden, bestaande uit lichte zavel (Rn15A), grondwatertrap VI.
Landschappelijke ontwikkeling 15 Het plangebied ligt binnen het Rijnstrangengebied. Het huidige uiterlijk van het Rijnstrangengebied en de omgeving vindt zijn oorsprong in de landschappelijke ontwikkelingen tijdens en na de laatste ijstijd. Tijdens de laatste koude perioden in het laat-Weichselien stroomde de Rijn in een breed dal tussen Duiven en Nijmegen als een vlechtende rivier. Tijdens korte warmere periodes, zoals het Allerød dat duurde van 13.900 tot 12.850 jaar geleden, sneed de rivier zich in zijn eigen dal dieper in en vormden zich rivierterrassen op verschillende niveaus. Op de oudere hoger gelegen terrassen werd alleen bij hoge waterstanden klei afgezet. Soms kon zich plaatselijk veen vormen in gebieden met een slechte afvoer. In de laatste koude periode in Nederland vormde de rivier wederom een vlechtend patroon in een breed dal. Door het ontbreken van vegetatie werden door de ongehinderde wind op veel plaatsen langs de randen van het hoger gelegen oudere rivierterras duinen afgezet. Onder andere in Duiven en ten noordwesten van het plangebied zijn de hoogste delen van dergelijke duinen nog in het landschap zichtbaar. In de ondergrond bevindt zich door de wind afgezet zand over een veel groter oppervlak. Doorgaans vormen deze rivierduinen gedurende een lange tijd in het Holoceen hoger gelegen gebieden in het overwegend natte rivierenlandschap.
Het zijn daardoor gunstige plaatsen voor bewoning. 9
De Mulder et al., 2003 Cohen et al., 2012 11 Willemse & Verhagen, 2006 12 http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=471707400d6f44d5a743100c65e3ce9b / Cohen et al., 2009 13 Alterra, 2003 14 Stichting voor Bodemkartering, 1966 15 Berendsen, 2005 / Berendsen, 2008 / De Mulder et al., 2003 / Cohen et al., 2009 10
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 6 van 33
Door de opwarming na de ijstijd in het Holoceen konden de rivieren zich opnieuw insnijden in hun oude dalen. De Rijn volgde daarbij het oude dal ten zuiden van Groessen. Onder andere door zeespiegelstijging in de loop van het Holoceen kon de rivier uiteindelijk ook de hoger gelegen rivierterrassen overstromen en verlegde de Rijn zich meerdere malen. Tot ongeveer 3000 jaar geleden stroomde de Rijn door het oude dal ten zuiden van Doornenburg. Pas daarna ontstond een aftakking naar het noorden door het gebied dat nu bekend staat als de Rijnstrangen. De meanderende rivier bestaat over het algemeen uit een hoofdgeul die zich door erosie in de buitenbocht van de rivier langzaam naar buiten toe heeft verlegd. Aan de binnenbocht wordt zand en grind afgezet. Bij hoge afvoer overstroomt de rivier en zet zand en klei af op haar eigen oevers. Dichtbij de hoofdgeul, waar de stroomsnelheden het hoogst zijn, wordt meer zand afgezet dan verder weg van de rivier. Hierdoor ontstaan hoog gelegen oeverwallen langs de rivier, die overgaan in lager gelegen kommen daar achter. Grote meanderbochten in de rivier worden vaak na verloop van tijd afgesneden bij het begin van de bocht waardoor de oude buitenste geul verlaten wordt en verland. Zo ontstaan hoog gelegen kronkelwaarden die doorsneden worden door laag gelegen geulen die vaak nog eeuwenlang watervoerend zijn voordat ze geheel verlanden.
Een dergelijke kronkelwaard bevindt ter plaatse en in de omgeving van Loo en wordt gerekend tot de stroomgordel van Meinerswijk. Het gaat hierbij om kleine erosieresten van een riviersysteem dat ongeveer 2150 jaar geleden is ontstaan en gedurende tenminste 250 jaar actief is geweest. In die periode heeft zich een oeverwal gevormd langs de rivier. Deze hoger gelegen gronden, waar het plangebied zich in bevindt, zijn nog steeds zichtbaar in het landschap. In de buitenbocht zijn de oeverwallen van de rivier meestal minder hoog dan aan de binnenbocht en over het algemeen smaller. Vaak ontstaan op deze plaatsen zogenaamde doorbraakgeulen in de oeverwal waarin bij hoge waterstanden het water snel afgevoerd wordt naar de lager gelegen kommen. Deze crevassegeulen zijn gedurende lange tijd actief bij overstromingen en kunnen uitgroeien tot herkenbare landschappelijke elementen. Ze vormen vaak zelf kleine oeverwallen langs de geul tot ver in het lage komgebied.
Oude geulloop langs Loo en direct ten noorden van het plangebied16
16
Gerritsen et al., 2013
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 7 van 33
Geologische-geomorfologische kaart van de Rijn-Maas delta, Zandbanenkaart Volgens de digitale geologische-geomorfologische kaart van de Rijn-Maas delta (2012) ligt het plangebied binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk (zie figuur 5). Deze meandergordel/stroomgordel was actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m VroegRomeinse tijd). Volgens de Zandbanenkaart (zanddiepte + deklaag) komen beddingzanden van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk voor binnen 1,5 en 2 m -mv (code 15, zie figuur 6). DINO17 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 18 Hieruit blijkt dat de ondergrond tot circa 40 cm bestaat uit sterk siltig/kleiig zand. Waarschijnlijk betreffen dit overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen, ten gevolgde van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn.
Hieronder komt tot een diepte van circa 170 cm -mv een laag sterk zandige klei, welke tevens onderin zwak grindig kan zijn. Vanaf 170 cm mv komt grof en deels grindrijk zand voor. Samen betreffen het oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen die gesedimenteerd zullen zijn tijdens de actieve fase van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Op grotere diepte zullen vlechtende rivierterrasafzettingen (Laagterras) voorkomen, welke worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. Geomorfologie en archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Duiven De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Op de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom, maar zeer waarschijnlijk ligt het op een rivieroeverwal (3K25, zie figuur 7). Dit betreft de oeverwal gevormd tijdens de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel. De archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Duiven, dat het meest actuele landschappelijke beeld weergeeft, bevestigd over het algemeen de ligging van het plangebied op een oeverwal. Specifiek wordt aangegeven dat het merendeel van het plangebied een gebied ligt met overslaggronden < 50 cm dik op kronkelwaardafzettingen (code Ddl, zie figuur 8).
De kronkelwaardafzettingen betreffen afzettingen die gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel. Hierboven wordt nog een dun pakket overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de Late-Middeleeuwen plaatsgevonden. De uiterst noordelijke strook van het plangebied ligt binnen een laaggelegen (rest)geul opgevuld met klei en veen (Rbk). Dit betreft een restgeul van de Meinerswijk stroomgordel. Waarschijnlijk is deze restgeul na de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel nog eeuwenlang watervoerend geweest voordat deze verlande en vormde daarmee een natuurlijke snelweg, waarmee goederen over water konden worden verscheept en verhandeld. Tevens fungeerde ze vaak als dumplocatie van afvalresten.
17 18
www.dinoloket.nl DINO boornummers B40B0667 en B40B0670
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 8 van 33
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)19 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. De ligging van Loo, en daarmee ook het plangebied, op een relatief hooggelegen rivieroeverwal is duidelijk zichtbaar (zie figuur 9). Tevens is de loop van de restgeul goed te volgen, waar de Loostraat in ligt/er direct langs loopt. Aan weerszijde van de restgeul liggen de hoogste delen van het oeverwalgebied. Verder in noordelijke en vooral noordoostelijke richting vind de overgang plaats naar het lager gelegen/meer komachtige gebied. Bodemkunde en grondwatertrap Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) ligt het plangebied binnen een gebied met kalkhoudende poldervaaggronden, bestaande uit lichte zavel (Rn15A, zie figuur 10). Dit is in overeenstemming met de relatief jonge oever- en dijkdoordraakafzettingen die binnen het plangebied worden verwacht en gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel. Ook de kalkhoudendheid van deze gronden is een aanwijzing dat er oeverafzettingen aan het maaiveld liggen. Bij een vaaggrond heeft (nog) weinig of geen bodemvorming plaatsgevonden. Deze gronden zijn wel geheel gerijpt.
Bij een vaaggrond heeft (nog) weinig of geen bodemvorming plaatsgevonden. Deze gronden zijn wel geheel gerijpt. Bij poldervaaggrond bestaat het bodemprofiel meestal uit een dunne A-horizont (humeuze toplaag) met direct daaronder de C-horizont (oorspronkelijk moedermateriaal) waar gleyverschijnselen (roestvlekken) ondieper dan 50 cm -mv in voorkomen. Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Vanwege de ligging binnen de bebouwde kom zijn er voor het plangebied geen grondwatergegevens beschikbaar, maar meest waarschijnlijk is sprake van een grondwatertrap VI. Het plangebied zal ook vroeger van nature gekenmerkt werden gekenmerkt door een relatief goede ontwatering, waardoor het geschikt was als bewoningslocatie, in ieder geval vanaf de periode dat het plangebied binnen de Meinerswijk stroomgordel kwam te liggen. Beantwoording van relevante onderzoekvragen 1.
19
Wat is de aard (ontstaanswijze en classificatie), diepteligging, genese en gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten en natuurlijke afzettingen in het omringende (binnen een afstand tot circa 200 m van de onderzoekslocatie) gebied? Het plangebied is gelegen in het rivierengebied en maakt onderdeel uit van de Holocene RijnMaas delta. Specifiek ligt het plangebied merendeels op een oeverwal dan wel een kronkelwaardrug binnen de begrenzing van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk die actief was tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). Door bedijking vanaf de 12e eeuw werd deze activiteit beperkt tot het uiterwaardengebied. Sedimentatie binnen het plangebied vond dan ook plaats voornamelijk tot het moment van bedijking. De verwachting is dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een pakket oeverwal- op kronkelwaard- op beddingafzettingen. Afzettingen die gesedimenteerd zijn voordat de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk ontstond, zijn geërodeerd. De beddingafzettingen van meandergeulen van (grote) voormalige stroomgordels reiken vaak tot in de vlechtende Pleistocene rivierterrasafzettingen. De Holocene rivierafzettingen behoren tot de Formatie van Echteld.
www.ahn.nl
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 9 van 33
Tevens wordt er nog een dunne, afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de Late-Middeleeuwen plaatsgevonden. De uiterst noordelijke strook van het plangebied ligt binnen een laaggelegen (rest)geul opgevuld met klei en veen. Dit betreft een restgeul van de Meinerswijk stroomgordel. Waarschijnlijk is deze restgeul na de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel nog eeuwenlang watervoerend geweest voordat deze verlande. Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) ligt het plangebied binnen een gebied met kalkhoudende poldervaaggronden (Rn15A, zie figuur 10). Dit is in overeenstemming met de relatief jonge oever- en dijkdoordraakafzettingen die binnen het plangebied worden verwacht en gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel. Ook de kalkhoudendheid van deze gronden is een aanwijzing dat er oeverafzettingen aan het maaiveld liggen. Bij een vaaggrond heeft (nog) weinig of geen bodemvorming plaatsgevonden. Deze gronden zijn wel geheel gerijpt. Bij een vaaggrond heeft (nog) weinig of geen bodemvorming plaatsgevonden. Deze gronden zijn wel geheel gerijpt.
Bij poldervaaggrond bestaat het bodemprofiel meestal uit een dunne A-horizont (humeuze toplaag) met direct daaronder de C-horizont (oorspronkelijk moedermateriaal) waar gleyverschijnselen (roestvlekken) ondieper dan 50 cm -mv in voorkomen. 2.
Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie), diepteligging, genese en gaafheid van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Een historisch antropogeen opgebracht pakket grond/oude woongrond wordt binnen het plangebied niet verwacht. Er dient wel rekening te worden gehouden dat bij de inrichting als schoolterrein en de bouw van de school het maaiveld wellicht wat opgehoogd is. Op de archeolandschappelijke eenhedenkaart van de gemeente Duiven wordt aangegeven dat er binnen het plangebied nog een dunne laag (< 50 cm dik) overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen ligt die gesedimenteerd zijn tijdens dijkdoorbraken van Oude Rijn, ten westen van Loo.
5.
Welke natuurlijke formatieprocessen (sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) hebben een rol gespeeld in het onderzoeksgebied? In de diepere ondergrond worden vlechtende rivierafzettingen verwacht die zijn afgezet door de Rijn tot aan het einde van het Midden-Weichselien (Laat-Pleniglaciaal), binnen het Laagterras. Dit heeft in eerste instantie een landschap achter gelaten bestaande uit rivierbanken en geulen. De terrassenkruising lag circa 3000 jaar geleden ter hoogte van Loo. Tijdens jaarlijkse overstromingen werd vooral het zandige materiaal dicht bij de rivierbedding afgezet, in de vorm van hooggelegen oeverwallen of stroomruggen, de zogenaamde stroomgordelafzettingen. Het fijnere materiaal (vooral klei) werd verder van de rivierloop afgezet als komafzettingen, daar waar het water rustiger stroomde (de lager gelegen komgebieden). Deze afzettingen van de Rijn behoren tot de Formatie van Echteld. Daar waar geen sediment van de Rijn werd afgezet vond veenvorming plaats, aangeduid als de Basisveenlaag en behorend tot de Formatie van Nieuwkoop.
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 10 van 33
In het plangebied vond in eerste instantie vooral sedimentatie plaats van komafzettingen (siltige kleien), omdat rivierlopen op grotere afstand lagen. Met de fase van activiteit van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk zijn deze sedimenten ter plaatse van het plangebied als de directe omgeving geërodeerd. Vervolgens is een sequentie van beddingafzettingen met hierboven oeverwal- op kronkelwaardafzettingen gevormd (fining upward sequentie van puur rivierzand, kleiig zand en bovenin zandige kleien). Hierboven wordt nog een dun pakket laatmiddeleeuwse overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn. In de top van de dijkdoorbraak-/oeverafzettingen bevindt bodemvorming zich nog in de initiële fase. Het zijn nog jonge bodems. Er wordt van nature een kalkhoudende poldervaaggrond verwacht. De uiterst noordelijke strook van het plangebied ligt binnen een laaggelegen (rest)geul opgevuld met klei en veen (Rbk). Dit betreft een restgeul van de Meinerswijk stroomgordel. Waarschijnlijk is deze restgeul na de actieve fase van de Meinerswijk stroomgordel nog eeuwenlang watervoerend geweest voordat deze verlande. 3.5
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).20 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 10. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 meter weergegeven. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied21 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Binnen het plangebied liggen geen AMK-terreinen. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein, op vrij grote afstand van het plangebied (zie tabel IV en figuur 10).
20 21
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Idem
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 11 van 33
Tabel II.
Overzicht AMK-terreinen
AMK nr.
Situering t.o.v. plangebied
Datering
Waarde en omschrijving
13164
900 meter ten zuiden van het plangebied Loowaard te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196399/437274
Middeleeuwen laat B - Nieuwe tijd C
Complex: Havezate/ridderhofstad Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Betreft een terrein met een op hoogte gelegen Havezate. Het gebouw is beschermd onder nr. 14184. Etymologie: Waarschijnlijk is de naam Loowaard afgeleid van de naam van het geslacht Van den Loo, dat de havezate enige tijd bezeten heeft. Toestand: Muurresten deels opgenomen in later muurwerk. Bouwgeschiedenis: Het goed de Loowaard wordt al in 1467 genoemd als eigendom van Johan van den Loo. Vermoedelijk liet Herman van den Loo de Loowaard ingrijpend verbouwen tussen 1558 en 1569. De traptoren laat een ingemetselde steen zien met het jaartal 1565 of 1569 en een tekst. De steen is niet meer goed leesbaar. Wel zijn boven die steen de wapens van Herman van den Loo en zijn vrouw Digna van Isendoorn in een steen met renaissance-omlijsting aangebracht. Toen de vrijheren Van Bodelschwingh eigenaar werden van de Loowaard werd het huis als boerderij verpacht. Om het huis als boerderij in gebruik te laten nemen werd het in de 18e deels afgebroken en verbouwd. Op een tekening van Jan de Beyer is de toestand in 1742 goed te zien: een boerderij die bestaat uit een groot voorhuis met een boerendeel daartegen aangebouwd. De tekening laat een voorhuis zien dat bestaat uit een rechthoekig tweebeukig gebouw met twee zadeldaken. Op de noordoosthoek van het voorhuis bevindt zich een achthoekige traptoren met een puntdak.
De toren is voorzien van een fries van boogjes, die rusten op kraagstenen. Ook de oostgevel is voorzien van een fries met spitsboogjes. De trapgevels aan de voorzijde tonen nog de resten van ronde en overhoekse pinakels. Waarschijnlijk is de terp, waarop de Loowaard lag, in de 19 e eeuw opgehoogd. Dit zou verklaren waarom de vensters op de benedenverdieping zo dicht bij de grond zijn geplaatst. In 1930 werd de traptoren gerestaureerd. Ook vernieuwde men in dat jaar de boerderij achter het oude voorhuis.
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 22 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal zeven archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om zes bureau- en/of booronderzoeken (prospectief onderzoek) en een proefsleuvenonderzoek (zie tabel II en figuur 10). Tabel III. Zaaknummer (OM-nummer) 2172755100 (24945)
22
Overzicht onderzoeksmeldingen
Situering t.o.v. plangebied
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
400 meter ten westen van het plangebied Loostraat 40 te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196157/438208
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 19-10-2007 Resultaat: Uit het onderzoek komt naar voren dat de geul- en oeverafzettingen van de Stroomgordel van Meinerswijk waarschijnlijk zijn afgedekt door de jonger oeverafzettingen van de Stroomgordel van de Nederrijn/Oude Rijn-Pannerden. In vier boringen, in de zuidoosthoek van het plangebied, is op ca. 110 cm -mv een cultuurlaag aangetroffen die zich waarschijnlijk in de top van de afzettingen van Meinerswijk bevindt en dus uit de Romeinse tijd of Middeleeuwen moet stammen. In deze laag zijn slechts baksteen- en houtskoolgruis aangetroffen; dateerbare archeologica ontbreken. Op basis van deze resultaten is een proefsleuvenonderzoek geadviseerd voor deze zuidoosthoek.
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 12 van 33
2283044100 (40472)
400 meter ten westen van het plangebied Loostraat 40 te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196196/438182
Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek, naar aanleiding van de resultaten van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2172755100 (24945)) Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 19-4-2010 Resultaat: Binnen de drie aangelegde werkputten, zijn geen bewoningssporen waargenomen, anders dan enkele kuilen die met de boerderijfase vanaf de 18 e eeuw te maken hebben (ingegraven vanaf de bouwvoor tot net onder bouwvoor aanwezig). Van de enkele vondsten uit de bouwvoor afkomstig, is de vondst van een 16e-eeuwse rekenpenning het meest opvallend; waarschijnlijk geslagen op het vertrek van de heer van Alva. Het onderzoek heeft de verwachting uit het booronderzoek niet kunnen bevestigen. In het geheel is geen vegetatieniveau in de top van de oeverafzettingen van de stroomgordel van Meinerswijk aangetroffen tot herkend. In de werkput en aan de hand van de profielkolommen werd onder de bouwvoor een natuurlijke opeenvolging van kleiige tot zandige lagen waargenomen zonder verdere antropogene invloed. Als advies geldt daarom vrijgave van het plangebied ten behoeve van de verdere ontwikkeling.
2328420100 (46603)
400 meter ten noordwesten van het plangebied Loostraat 36 te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196247/438371
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 13-5-2011 Resultaat: In het plangebied zijn intacte ooivaaggronden aangetroffen die zijn ontwikkeld in de sterk siltige komkleiafzettingen van de Nederrijn. Vanaf 100-130 cm beneden maaiveld zijn kronkelwaardafzettingen van de stroomgordel van Meinerswijk aangetroffen die bestaan uit zandige kleiafzettingen, waarin gelaagdheid is waargenomen, met in de diepere ondergrond matig fijn tot zeer grof beddingzand van de rivier. In het centrale deel van het plangebied ontbreken de zandige kronkelwaardafzettingen en is sterk siltige klei aangetroffen, die vanaf 220 cm beneden maaiveld zwak humeus is ontwikkeld. Mogelijk is hier een kronkelwaardgeul aangeboord. In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Op grond van de resultaten van het onderzoek is voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd.
2010924100 (3042)
450 meter ten zuidwesten van het plangebied 't Grieth-Zuid te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196389/437743
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 1-11-1999 Resultaat: Er zijn bij het onderzoek geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische bewoningssporen. Er is geen aanvullend archeologisch onderzoek aanbevolen.
2129233100 (18762)
450 meter ten zuiden van het plangebied Husselarijstraat 29 te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196756/437715
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 29-8-2006 Resultaat: Tijdens het veldonderzoek zijn in drie boringen archeologische indicatoren waargenomen. Deze bevonden zich in de overslaggronden, waardoor de oorsprong van het materiaal niet duidelijk is. In de onderliggende oeverafzettingen zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van een vindplaats in het plangebied. Op grond van het ontbreken van (duidelijke) aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten wordt ten aanzien van het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. De geplande bodemingrepen kunnen, voor zover het archeologische waarden betreft, zonder beperkingen worden uitgevoerd.
2166997100 (24085) & 2167003100 (24086)
500 meter ten westen van het plangebied Loostraat te Duiven Gemeente Duiven Coördinaat: 196077/438207
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 30-8-2007 Resultaat: Op de onderzoekslocatie is een rivierbedding en zijn oeverafzettingen aangetroffen, zoals verwacht werd in het bureauonderzoek. Hierboven is een ophogingspakket aangetroffen van ongeveer 70, cm dat het bodemarchief heeft beschermd tegen recente verstoringen. Omdat op de onderzoekslocatie een pand is gevestigd, is het aannemelijk dat hier toch verstoringen dieper dan de ophogingslaag hebben plaatsgevonden. Tevens zijn in twee boringen antropogene indicatoren aangetroffen. Deze konden echter niet worden gedateerd. In overleg met de gemeente Arnhem (archeologisch adviseur van de gemeente Duiven), in de persoon van dhr. J. Verhagen, is besloten de onderzoekslocatie vrij te geven. Wel zal er ruimte geboden moeten worden om bij de sanering het bodemprofiel in kaart te brengen door middel van het laten tekenen en beschrijven door een fysischgeograaf. Indien er tijdens de ontgravingswerkzaamheden archeologica wordt aangetroffen, dient direct het bevoegd gezag te worden ingelicht.
3988030100
700 meter ten noordoosten
Type onderzoek: bureau- en booronderzoek
Rapport 12752.001 versie 2
Pagina 13 van 33
van het plangebied Loostraat 1a te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 197156/438562
Uitvoerder: Hamaland Advies vof Datum: 11-2-2016 Resultaat: Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied een hoge trefkans heeft op archeologische resten uit de periodes Laat-Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum en de periodes Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In 1735 is het westelijk deel van het plangebied gedeeltelijk bebouwd en na 1958 is in het gehele noordelijke deel van het plangebied, bebouwing gerealiseerd. Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied bestaat uit een poldervaaggrond, bestaande uit zware klei en zavel. Tot op een diepte van 70 cm-mv is sprake van subrecent opgebrachte puinhoudende grondlagen. Daaronder is een oude akkerlaag aangetroffen. De top van de natuurlijke afzettingen (rivierklei van de Formatie van Echteld) is omgewerkt (verploegd) tot op een maximale diepte van 140 cm-mv. Daaronder is sprake van een natuurlijk profielverloop zonder sporen van menselijk handelen. Tot op een diepte van 3 m -mv is geen Pleistoceen zand van de Formatie van Kreftenheye aangetroffen. Het bodemprofiel in het plangebied kan globaal worden beschreven als een graszode, op een bouwvoor of ophooglaag (Ap1horizont), op een oude akkerlaag (A1-horizont). De onderliggende natuurlijke bodem is voor een deel verploegd, resulterend in een A/C-horizont. Hieronder volgt de natuurlijke bodem (C-horizont, jonge rivierklei).
In geen van de boringen is een intacte cultuurlaag en/of een archeologische indicator aangetroffen. Wel is sprake van een oorspronkelijke akkerlaag, maar door het ontbreken van archeologische indicatoren in deze laag kan er geen uitspraak gedaan worden over de ouderdom van deze laag. Omdat de akkerlaag zich direct onder de subrecente ophoging bevindt, mag er vanuit gegaan worden dat de akkerlaag niet ouder is dan de 18e of 19e eeuw. Omdat in de boringen het pleistocene dekzand niet is bereikt, kan er geen uitspraak worden gedaan over de verwachting voor de periodes LaatPaleolithicum tot en met Neolithicum. De funderingsdiepte van de geplande nieuwbouw is naar verwachting maximaal 80 cm-mv. Door de fundering namelijk op ca. 0,80 m-mv aan te leggen zal de in de grond indringende vorst, geen (vorst)schade kunnen aanrichten. De boringen zijn tot maximaal 3 m-mv gezet. Geconcludeerd wordt dat er geen relevante archeologische niveaus worden verstoord door de voorgenomen bodemingrepen. Op basis van de onderzoeksinspanning wordt geconcludeerd dat er geen reden meer is om nog archeologische waarden in het onderzoeksgebied te verwachten. Geadviseerd is om geen vervolgonderzoek in het plangebied uit te laten voeren en de hoge archeologische waarde op de beleidsadvieskaart aan te passen in ‘laag’.
Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied23 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vijf vondstmeldingen geregistreerd (zie tabel III en figuur 10). Het merendeel van deze vondstmeldingen zijn gekoppeld aan de archeologische onderzoeken die binnen het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd en hierboven reeds samenvattend en bij de beantwoording van onderstaande onderzoeksvraag 4 zijn beschreven. Tabel IV. Zaaknummer (waarnemingsnummer) 2172130100 (410568)
Overzicht ARCHIS-vondsten
Situering t.o.v. plangebied
Aard van de melding
400 meter ten westen van het plangebied Loostraat 40 te Loo Gemeente Duiven Coördinaat: 196150/438190
Neolithicum - Nieuwe tijd: - fragmenten van plantaardig, hout objecten Nieuwe tijd: - fragmenten van keramische bouwmateriaal Aangetroffen tijdens de uitvoering van een booronderzoek (zie Zaaknummer (OM-nummer) 2172755100 (24945))