4. 201706198-Bijlage 2 - Motivering BOPA Groessen Beerenclaauwstraat 15
Tekst van het document
4.3
Duurzaamheid en klimaat Duurzaamheid is een breed begrip. In een duurzamere wereld wordt gekeken of mens (people), milieu (planet) en economie (profit) met elkaar in evenwicht kunnen zijn, zodat we de aarde niet uitputten. Om te zorgen voor deze balans heeft Nederland zich geconformeerd aan het klimaatakkoord, wat heeft geresulteerd in de Klimaatwet (2019). Dit zorgt voor nieuwe uitdagingen op het gebied van ontwikkeling voor een duurzame en gezondere leefomgeving. Naast het feit dat de gemeente hierin een belangrijke voorbeeldrol en eigen verantwoordelijkheid heeft, wenst ze het nemen van duurzamere keuzes vooral te stimuleren en faciliteren.
4.3.1
Energietransitie De huidige samenleving zorgt voor uitputting van de bestaande energiebronnen (fossiel). Met de energietransitie wordt gewerkt aan een samenleving waarin sprake is van duurzaam opgewekte, hernieuwbare energie. Deze transitie is essentieel om de nationale doelstellingen op het gebied van CO2-reductie te behalen. De Klimaatwet zegt ons dat we 55% CO2 moeten reduceren in 2030 ten opzichte van onze uitstoot in 1990. Ook Duiven moet voldoen aan de landelijke doelstellingen. Naast het gebruik van duurzame energie, draagt het verminderen van energieverbruik (isoleren) ook bij aan het reduceren van CO 2 uitstoot. De gemeente beoordeelt (ver-)bouwplannen op hun bijdrage aan de lokale, regionale of nationale duurzaamheidsdoelstellingen. Het absolute minimum staat beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), waarin naast eisen ten aanzien van de EPC en geluidisolatie, ook eisen ten aanzien van gasloos nieuwbouwwoningen bouwen zijn opgenomen. Sinds januari 2021 is de BENG-eis ingevoerd (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Toetsing De nieuwe woning wordt gasloos ontwikkeld en voldoet aan de nieuwste BENGnormen. Binnen dit project wordt derhalve rekening gehouden met de energietransitie en wordt aandacht besteed aan energiebesparende maatregelen.
4.3.2
Circulariteit We streven als gemeente naar het bundelen van onze lokale kennis, technologie en innovaties om zo een meer circulaire lokale economie te krijgen. Een circulaire economie draagt bij aan het hergebruik van materialen, producten en diensten in 32
plaats van de vernietiging daarvan. Het gebruik van biobased producten, gemaakt van hernieuwbare grondstoffen, draagt bij aan circulariteit en een duurzame samenleving. Toetsing Bij de bouw van de woning wordt getracht van zo veel mogelijk hergebruikte materialen gebruik te maken. 4.3.3
Klimaatadaptatie Een veranderd klimaat heeft gevolgen voor de samenleving. Wateroverlast, droogte, hitte en bodemdaling komen in meer of mindere mate regelmatig voor en dat neemt de komende jaren verder toe. Vanuit de landelijke overheid is bepaald dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig moet zijn ingericht. In de ‘Nationale Klimaatadaptatiestrategie 2016’ (NAS), het Nationaal Uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie (NUP KA) en in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) wordt klimaatadaptatie verder uitgelegd. Dit betekent dat onze woningen en de ruimtelijke inrichting aangepast moeten worden zodat ze bestand zijn tegen o.a. hitte, droogte en wateroverlast. Bovendien moet dit ervoor zorgen dat de kwaliteit van de leefomgeving wordt vergroot. In 2023 heeft het Rijk de Landelijke maatlat voor een groene gebouwde omgeving opgesteld. De maatlat definieert wat er wordt verstaan onder klimaatadaptief bouwen en wat hiervoor nodig is van overheden, vastgoedeigenaren en de bouwsector. De landelijke maatlat wordt als leidend principe bij ontwikkelingen gehanteerd. Op thema’s waar wij als gemeente al wel een uitwerking hebben op lokaal niveau, gelden de bestaande normen. Verwacht wordt dat bij nieuwe ontwikkelingen de uitkomsten van de stresstesten worden meegenomen bij de planvorming.
Hierbij mag de nieuwe ontwikkeling de situatie in het werkingsgebied en omliggend gebied voor de thema’s hitte, droogte, wateroverlast en bodemdaling niet verergeren ten opzichte van de bestaande situatie, en draagt het liefst bij aan de verbetering daarvan. De initiatiefnemer moet aangeven in hoeverre het ontwerp voldoet aan de normen en richtlijnen van de landelijke maatlat (of geldende lokale normen) en welke maatregelen genomen worden om de ontwikkeling klimaatbestendig te maken. Toetsing De inrichting van de openbare ruimte heeft een zo groen mogelijk karakter, met toevoeging van verschillende groenelementen. Derhalve is er ruimte behouden voor klimaat adaptieve maatregelen en biodiversiteit. Het project is derhalve in lijn met de duurzaamheidsambities van de gemeente Duiven.
4.4
Gezondheid Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels 33
met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. De Omgevingswet beoogt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, het bereiken van een goede omgevingskwaliteit en het in stand houden daarvan. Belangrijke elementen voor een gezonde leefomgeving zijn uitnodigen tot bewegen (wandelen, fietsen, spelen), elkaar ontmoeten, ontspannen, een goede milieukwaliteit (lucht, geluid), klimaatbestendigheid (zoals meer groen voor tegengaan hitte- en wateroverlast) en een goede toegang tot voorzieningen. Toetsing In paragraaf 4.5 met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, trillingen en geluid is geconcludeerd dat in het projectgebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Als gevolg van de spoorweg wordt de standaardwaarde overschreden binnen het projectgebied, maar geldt wel dat er sprake is van geluidluwe geveldelen. Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden; − In het besluitgebied is geen trillinghinder te verwachten; − In het besluitgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit; − In het besluitgebied is geen geurhinder te verwachten. Verder is in het ontwerp ruimte gereserveerd voor een groene inrichting van het perceel.
Dit zorgt ervoor dat de toekomstige bewoners kunnen verblijven in een relatief groene omgeving, wat positief is voor de mentale gezondheid en zorgt voor schaduwwerking. Daarnaast ligt het projectgebied in het buitengebied, waardoor er voldoende ruimte is om te bewegen. Op basis van het voorgaande is het aspect gezondheid zowel vanuit gezondheidsbescherming als -bevordering meegewogen in de ontwikkeling. Conclusie Het aspect gezondheid is voldoende meegewogen in voorliggend project.
4.5
Milieu
4.5.1
M.e.r.-regelgeving De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt 34
in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van een woning direct ten oosten van reeds bestaande woningen. Met dit project vindt slechts in beperkte mate uitbreiding plaats van het areaal met stedelijke functies en zijn per saldo niet tot nauwelijks milieueffecten te verwachten. Gelet op de aard (wonen) en omvang (1 woning) van dit plan is er daarom geen sprake van een activiteit zoals genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Conclusie Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk. 4.5.2
Geluid Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor) wegen en industrieterreinen
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). 35
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Ten gevolge van het Bkl zijn in principe alle wegen in Nederland voorzien van een geluidaandachtsgebied. Uitzondering op deze regel zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt en woonerven. Als een geluidsaandachtsgebied geheel of gedeeltelijk binnen het werkingsgebied valt, moet bij de onderbouwing van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige functies, waaronder woningen. Dit geldt eveneens indien de bopa de aanleg van een nieuwe gezoneerde weg mogelijk maakt.
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting niet voldoet aan de standaardwaarde kunnen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om het geluid te verminderen tot de standaardwaarde. Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde, ook voor de geluidbelasting op bestaande geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag kan dit alleen toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn. Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek geluid weg- en spoorverkeer2 uitgevoerd. Navolgende afbeelding toont het rekenmodel waarvan gebruik is gemaakt in het onderzoek.
2
SAB (2025) Akoestisch onderzoek geluid weg- en spoorverkeer Groessen, Beerenclaauwstraat, 18 maart 2025.
36
Rekenmodel akoestisch onderzoek
Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van het bouwplan, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Spoorwegen (Arnhem-Zevenaar en Betuwelijn) Er zijn overschrijdingen van de ambitie waarde van 50 dB en de standaardwaarde van 55 dB aan de noordwest-, noord- en zuidoostgevels. Er zijn daarnaast overschrijdingen van de gemeentelijke bovengrens van 60 dB aan de noordgevel. De terrasgevels zijn allen geluidluw. Rijkswegen (uitbreiding autosnelweg A15) Er zijn overschrijdingen van de ambitiewaarde van 45 dB en de standaardwaarde van 50 dB aan de zuid- en westgevels. De terrasgevels zijn allen geluidluw in het kader van het Bkl, één van de terrasgevels voldoet tevens aan de ambitiewaarde. Gemeentewegen Als gevolg van de omliggende gemeentewegen zijn er geen overschrijdingen van de standaardwaarde van 53 dB of de ambitiewaarde van 48 dB. Voor dit aspect wordt voldaan aan het Bkl en het gemeentelijk beleid. Maatregelen en geluidafweging Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van landschappelijke en financiële aard. Er worden niet-geluidgevoelige gevels toegepast aan de noordzijde, hierdoor zijn er nergens meer overschrijdingen van de gemeentelijke bovengrens. Er blijven wel overschrijdingen van de gemeentelijke ambitiewaarde en de standaardwaarde. Er wordt voldaan aan daarbij behorende eisen uit het gemeentelijk beleid.
Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde geluidbelasting waarneembaar van 56 dB Lden. Ter indicatie benoemt de methode Miedema een dergelijke geluidklasse als ‘matig’. De geluidbelastingen kunnen acceptabel worden geacht aangezien aan de gemeentelijke bovengrens wordt voldaan. 37
Wanneer de standaardwaarde wordt overschreden dient de gezamenlijke geluidbelasting te worden vastgelegd in de BOPA, de hoogste gezamenlijke waarde is 63 dB Lden. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt gehaald voor de nieuwe woning. Conclusie Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient een aanvullend bouwakoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. 4.5.3
Luchtkwaliteit In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het opstellen van een ontwikkeling uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5 titel 5.2. De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Als een BOPA betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.
In het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) en de daarop gebaseerde Regeling Niet In Betekenende Mate (luchtkwaliteitseisen) is geregeld welke activiteiten niet meer getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. Leidt de activiteit tot een verhoging van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen, dan zal moeten worden aangetoond dat dit niet tot gevolg heeft dat de omgevingswaarden worden overschreden. Om dit te bepalen is naast de verhoging ook de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen nodig. Deze zijn vindbaar in de Atlas Leefomgeving. Bij overschrijding van de omgevingswaarden, zal de omgevingsvergunning worden geweigerd. 38
Toetsing Conform artikel 5.54 Bkl is voorliggende ontwikkeling van één woning te beschouwen als niet in betekenende mate, omdat de ontwikkeling onder de grens van 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen of 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg blijft. Als gevolg van een enkele woning wordt een verslechtering van de luchtkwaliteit of een overschrijding van de grenswaarden van NOx, PM10 en PM2,5 derhalve op voorhand uitgesloten. Nadere toetsing op dit milieuaspect is daarom niet benodigd. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 4.5.4
Geur In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: − geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); − geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); − geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); − geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan 39
andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels. Toetsing In de direct omgeving van het projectgebied bevinden zich in de feitelijke situatie geen geur-veroorzakende activiteiten. Ook voorziet de ontwikkeling niet in nieuwe geur-veroorzakende activiteiten. Een nadere beschouwing van dit aspect is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project 4.5.5
Bodem Het is het belangrijk om bij ontwikkelingen rekening te houden met de bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie of de financiële haalbaarheid. Bij een (interne) functiewijziging naar een gevoeligere functie dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit past bij de beoogde functie. Indien de bodemkwaliteit mogelijke leidt tot gezondheidsrisico’s voor de gebruikers, zullen deze risico’s moeten worden weggenomen. De Omgevingswet stelt kaders aan de aanvaardbaarheid van bodemverontreinigingen. De volgende uitgangspunten overheersen: − het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen functie; − het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; − het wegnemen van actuele risico's. Ten behoeve van ontwikkelingen dient ten minste een historisch onderzoek conform de NEN 5725 te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op bodemverontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 te worden uitgevoerd. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek naar de bodemkwaliteit3 uitgevoerd.
Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: − tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen; − in de toplaag zijn geen OCB aangetroffen; − in zowel de bovengrond als in de ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen; − het grondwater is licht verontreinigd met barium, het betreft naar verwachting een verhoogde achtergrondconcentratie; − de hypotheses dienen verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. 3
De Klinker (2024) Verkennend bodemonderzoek volgens NEN 5740 Beerenclaauwstraat 11 Groessen. Rapportnummer: K2420272.
40
Geconcludeerd wordt dat het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik (wonen). Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 4.5.6
Ontplofbare oorlogsresten Als gevolg van oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog kunnen ontplofbare oorlogsresten in Duiven zijn achtergebleven. Een ‘verdacht gebied’ is een gebied met een verhoogde kans op nog aanwezige ontplofbare oorlogsresten. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de grondroerende werkzaamheden in kaart te worden gebracht waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het geval van grondroerende werkzaamheden dient het opsporingsgebied te worden onderzocht volgens de in het CS-OOO gestelde eisen om eventuele risico’s van het ongewenst tot uitwerking komen van de ontplofbare oorlogsresten zoveel mogelijk uit te sluiten. Toetsing Het projectgebied ligt in een zone dat al is meegenomen in een aanvullend vooronderzoek in het kader van het spoortracé Veenendaal-Arnhem (Projectcode: 201565-07). Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.5.7
Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
41
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico
Bij groepsrisico (GR) is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als de ontwikkeling ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Ow optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: − beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; − veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
42
− veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); − veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quick scan omgevingsveiligheid 4 uitgevoerd. In de omgeving van het besluitgebied zijn verschillende risicobronnen gelegen (zie navolgende afbeelding).
Risicobronnen in de omgeving van het projectgebied (bron: Atlas Leefomgeving).
Met dit plan wordt een nieuw kwetsbaar gebouw toegevoegd en dient gekeken te worden of dit past in het kader van evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit de risicoanalyse blijkt dat de ontwikkellocatie binnen het aandachtsgebied ligt van verschillende risicobronnen. Het gaat om het brandaandachtsgebied van
4
SAB (2025) Onderzoek omgevingsveiligheid Beerenclaauwstraat, Groessen, 23 april 2025.
43
buisleidingen A-524, A-533 en A635, in het explosie- en gifwolkaandachtsgebied van A15 wegvak G100 (toekomstig) en in het gifwolkaandachtsgebied van de Betuweroute. Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkellocatie buiten de plaatsgebonden risicocontour 10E-06 valt van alle risicobronnen De toename van het aantal aanwezigen overschrijdt niet de oriëntatiewaarde. De toename van het groepsrisico bedraagt minder dan 10%. In het kader van de te doorlopen juridisch-planologische procedure is een afweging van de inrichting van de fysieke leefomgeving en het groepsrisico opgesteld. Uitgaande van de opgenomen afweging van het groepsrisico en de inrichting van de fysieke leefomgeving zouden maatregelen kunnen worden overwogen in samenspraak met de veiligheidsregio en gemeente, voor zover nog niet van toepassing. Te denken valt aan vluchtwegen en goede risicocommunicatie. Gezien voorgaande kan er sprake zijn van een veilige en gezonde leefomgeving en bestaat er geen belemmering vanuit het aspect omgevingsveiligheid voor de beoogde ontwikkeling. Advies van de Omgevingsdienst/Veiligheidsregio
Op basis van het advies van de ODRA, dat in samenspraak met de Veiligheidsregio tot stand is gekomen, blijkt dat zij geen problemen zien vanuit het aspect omgevingsveiligheid voor de ontwikkelingen. De opmerkingen uit de reactie van de ODRA/Veiligheidsregio zijn verwerkt in het rapport van de quick scan omgevingsveiligheid. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 4.5.8
Trilling Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten trillingsniveau als gevolg van railverkeer 5. Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat aan de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden, zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006, zal worden voldaan, waarmee qua trillingen sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
5
Peutz (2024) Te verwachten trillingniveaus als gevolg van railverkeer - woningbouw Beerenclaauwstraat te Groessen. Rapportnummer H 9635-2-RA d.d. 22 november 2024.
44
Conclusie Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project. 4.5.9
Kabels en leidingen Planologisch relevante kabels, leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd en beschermd worden tegen ingrepen die de werking ervan kunnen bedreigen. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: − gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; − aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; − defensiebrandstoffen; − warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Aan de andere kant moet de omgeving worden beschermd tegen het gevaar dat van bestaande en toekomstige leidingen, kabels en hoogspanningslijnen kan uitgaan. Ter bescherming van de kabels en leidingen en de omgeving worden zones opgenomen in een omgevingsplan waarin beperkingen gelden. Toetsing Binnen het projectgebied liggen momenteel geen planologisch relevante kabels of leidingen. Tevens worden met voorliggend project geen planologisch relevante kabels of leidingen mogelijk gemaakt. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.6
Ecologie In deze paragraaf worden de groenaspecten van de ontwikkeling beschreven (huidige en toekomstige situatie inclusief compensatie/mitigerende maatregelen). Tevens dient getoetst te worden aan de regels in de Omgevingswet ten behoeve van natuurbescherming, het beleid van de Provincie en Gemeente.
4.6.1
Ecologie Doelen van de Omgevingswet zijn onder meer de natuurbescherming en het beheer van ecosystemen (artikel 2.1, lid 3, onder h en o). De Omgevingswet is gericht op zowel de soortenbescherming als de gebiedsbescherming. De bescherming is geregeld in afdeling 3.7 Bkl. De Ow implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten en gebieden te beschermen. Indien er bij een ontwikkeling sprake is van een flora- en fauna-activiteit, moet aannemelijk zijn dat een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kan worden verkregen. 45
Behalve als uit de Omgevingswet voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van verlening van de vergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met de Omgevingswet komt de bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen en vrijstellingen bij ontwikkelingen in principe bij de provincies te liggen. Gebiedsbescherming De Ow kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: − Natura-2000 gebieden. − Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming In de Ow wordt een onderscheid gemaakt tussen: − soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; − soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en − de bescherming van overige soorten. Toetsing Voor het doorlopen van een ruimtelijke procedure is het noodzakelijk dat de haalbaarheid van het plan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Hiertoe is een quick scan natuur6 uitgevoerd. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied.
Navolgend worden de bevinding uit de quick scan uiteengezet. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebied Veluwe en Rijntakken liggen in de omgeving van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe en Rijntakken is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Voor andere storingsfactoren is dat wel uit te sluiten. Nader onderzoek naar stikstofdepositie in de vorm van een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk. Dit onderzoek naar de stikstofdepositie7 is vervolgens ook uitgevoerd. Hierin wordt geconcludeerd dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. Natuurnetwerk Nederland
Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied geen onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland of ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig 6 7
SAB (2024) Quick scan natuur Groessen, Beerenclaauwstraat, 15 november 2024. SAB (2024) Onderzoek stikstofdepositie Groessen, Beerenclaauwstraat 15, 7 november 2024.
46
is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Beschermde soorten Streng beschermingsregime
Verblijfplaatsen of andere essentiële elementen van habitatrichtlijnsoorten en niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’, en jaarrond beschermde nesten van vogelrichtlijnsoorten zijn niet aanwezig in het besluitgebied of de directe omgeving ervan. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling daarom niet in de weg. De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied, maar kan bouwterreinen wel makkelijk koloniseren. Tref de maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.8.1.2 van de quick scan natuur om vestiging van deze soort te voorkomen.
Uit de quick scan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is bescherm in of in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Tref derhalve de preventieve maatregelen zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 van de quick scan natuur om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Specifieke zorgplicht
Uit de quick scan blijkt dat soorten voor kunnen komen die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Deze vallen binnen de volgende soortgroepen: − Vogels − Amfibieën − Insecten en ongewervelden − Grondgebonden zoogdieren Tref hiervoor de maatregelen zoals opgesomd in paragraaf 3.12 van de quick scan natuur. Indien het uitvoeren van deze maatregelen (deels) niet mogelijk is, dient afstemming plaats te vinden met een deskundig ecoloog. Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van het Bal of de provinciale Omgevingsverordening of de gemeente van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie Indien voorgaande in acht wordt genomen, vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
47
4.7
Water In deze paragraaf dienen de waterhuishoudkundige aspecten van de ontwikkeling beschreven te worden (huidige en toekomstige situatie). Tevens dient getoetst te worden aan het beleid van de provincie, waterschap Rijn en IJssel en aan het gemeentelijke water- en rioleringsplan, de hemelwaterverordening en de afvalwaterverordening.
4.7.1
Beleid Provincie Gelderland Het grondwater is een belangrijke bron voor de openbare drinkwatervoorziening. Veel Nederlandse huishoudens ontvangen hun drinkwater uit grondwater. Met het oog op de continuïteit van de levering van drinkwater voert de provincie al geruime tijd een beschermingsbeleid, gericht op minimalisering van de risico's op achteruitgang van de kwaliteit. Daarvoor is er waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone aangewezen. Waterwingebied
Het waterwingebied is het meest kwetsbare deel van de Waterwinning voor menselijke consumptie. Het waterwingebied is het gebied waar het drinkwater daadwerkelijk wordt gewonnen. Daarvoor is een zeer stringente bescherming nodig. Doel van de regels is om te voorkomen dat de bodem en het zich daarin bevindende grondwater verontreinigd raakt, door activiteiten en functies te verbieden die risico geven voor de kwaliteit van het grondwater. In waterwingebieden worden daarom alle milieubelastende activiteiten die in het besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen verboden. Grondwaterbeschermingsgebied
Het grondwaterbeschermingsbeleid van de provincie Gelderland heeft tot doel om het grondwater rondom de waterwingebieden een zodanige bescherming te bieden dat het met een minimum aan maatregelen geschikt is te maken voor drinkwater. In de Omgevingsverordening zijn de regels voor bescherming van de grondwaterkwaliteit opgenomen. Naast milieubeleid en milieuregelgeving wordt ook gestuurd door middel van het ruimtelijke beleid en het stimuleringsgebied. Een belangrijk aandachtspunt bij de bescherming van het grondwater is afstromend hemelwater van gebouwen en wegen. Binnen grondwaterbeschermingsgebieden gelden regels die tot doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Boringsvrije zone
Bij een boringsvrije zone wordt het water gewonnen uit een dieper pakket die wordt afgesloten door een kleilaag. Doel van de regels in boringsvrije zone is het beschermen van de diepere watervoerende pakketten door te voorkomen dat de beschermende kleilaag wordt doorboord. Er worden regels gesteld aan de maximale diepte voor het verrichten van handelingen in de bodem, zoals boringen, grond- of funderingswerken en regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking). Uit onderzoek is duidelijk op welke diepte de beschermende kleilagen liggen. Deze staan weergegeven op de kaart dat bij de regels hoort.
48
Toetsing Het projectgebied valt niet binnen een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Bovendien tast de beoogde ontwikkeling de kwaliteit van het grondwater niet aan. Daarmee voldoet de ontwikkeling aan het provinciaal beleid. 4.7.2
Beleid Waterschap Rijn en IJssel Op 21 december 2021 is het waterbeheerprogramma van waterschap (WPB) Rijn en IJssel vastgesteld en vervangt het Waterbeheerplan 2016-2021. In dit waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap Rijn en IJssel voor de periode 2022 – 2027 op welke wijze gezorgd wordt voor: een goede bescherming tegen hoog water, een goed functionerend regionaal watersysteem en het zuiveren van afvalwater. Hiermee geeft het waterschap de koers aan voor de komende jaren. In het Waterbeheerprogramma staan de kerntaken van het waterschap centraal. In dit programma is verwoord dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Het waterschap heeft waar nodig toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en een eigen verordening: de Waterschapsverordening (voorheen Keur) en de Legger. De Waterschapsverordening en de Legger zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. De Waterschapsverordening bevat regels met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Met de Omgevingswet werkt het Waterschap Brabantse Delta met het 'ja, mits'-principe.
Dit betekent dat activiteiten zijn toegestaan, mits er wordt voldaan aan voorwaarden in de Waterschapsverordening De Legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij de uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. In de Waterschapsverordening is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam (artikel 2.2). Dit geldt ook voor neerslag door toename van verhard oppervlak, dat al dan niet via een afvoer op een oppervlaktewaterlichaam wordt geloosd. Dit verbod is van toepassing tenzij (artikel 2.31): 49
− het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; − de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; − de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; − de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: − 'benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06' Het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC wordt ten zeerste afgeraden in verband met de negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Door middel van de verplichte watertoets ziet het waterschap toe op de uitvoering van hun beleid. Hiermee wordt geborgd dat bij nieuwe ontwikkelingen het waterbeheer wordt meegenomen. Toetsing In het kader van voorliggende ontwikkeling is de digitale watertoets 8 ingevuld. Op basis hiervan blijkt dat waterschapsbelangen geraakt worden, waarvoor de normale procedure doorlopen kan worden en nadere afstemming met het waterschap nodig is. Advies kwaliteit oppervlaktewater
Hemelwater dat van verhard oppervlak direct afstroomt naar het oppervlaktewater kan verontreinigd raken door specifieke activiteiten binnen een plan. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld agrarische bedrijven, industrieterreinen, tankstations, autobedrijven of sloperijen etc. Het waterschap zal in deze gevallen aanvullende voorzorgsmaatregelen adviseren om verontreiniging van oppervlaktewater te voorkomen Advies grondwaterbeheer
Het waterschap streeft naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Nieuwe functies sluiten aan bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Hiermee willen ze structurele overlast door te hoog grondwater voorkómen en verdroging door te laag grondwater tegengaan Advies klimaatadaptatie
Met de klimaatveranderingen worden extremere buien verwacht en langere droge en warme perioden. Het watersysteem (o.a. rivieren, beken, watergangen en het grondwater) zal te maken krijgen met hogere waterstanden. Niet alleen bij langere, natte perioden of extremere buien, maar ook om water vast te houden voor drogere
8
Het wateradvies, 10 januari 2025.
50
periodes. In voorliggend plan zijn waterproblemen en -risico’s te verwachten voor de toekomstige bewoners en gebruikers in het gebied, de directe omgeving en het watersysteem. Daarom wordt bij de inrichting van het gebied nadrukkelijk rekening gehouden met het aspect water. 4.7.3
Gemeentelijk Programma Water en Riolering In de Omgevingswet zijn de verantwoordelijkheden vastgelegd ten behoeve van afval-, hemel- en grondwater. In grote lijnen betekent dit dat de gemeente een ontvangstplicht heeft van afvalwater (vervuild water) en een zorgplicht voor grond- en hemelwater. Daarnaast hebben de individuele perceeleigenaren een eigen verantwoordelijkheid voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater en het verwerken van regen- en grondwater op het eigen perceel. Toetsing Waterberging
Er dient 60 mm water berging gemaakt te worden die in 24 uur weer leeg is. Bij voorkeur doormiddel van infiltratie. Direct ten zuidoosten van de nieuwe woning bevindt zich een boomgaard, waarin op circa 30 meter van de nieuwe woning een grote natuurlijke wadi is beoogd die voorziet in voldoende bergingscapaciteit. Riolering
In het buitengebied van Groessen is geen rioleringssysteem. De huidige woning van de initiatiefnemer heeft een IBA systeem. Deze manier van afvalwaterzuivering wordt hoogstwaarschijnlijk ook weer toegepast bij deze nieuwe woning. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.8
Wegen, verkeer en parkeren
4.8.1
Verkeersafwikkeling In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Toetsing Aan de hand van CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ is de verkeersgeneratie bepaald. Op basis van de omgevingsadressendichtheid (CBS, 2024) wordt de stedelijkheidsgraad van een gemeente vastgesteld. De gemeente Duiven wordt geclassificeerd als ‘matig stedelijk’. Onderhavige locatie wordt beschouwd als ‘buitengebied’. Voor de nieuwe woning wordt de categorie ‘koop, huis, vrijstaand’ aangehouden. De extra verkeersgeneratie als gevolg van deze nieuwe woning betreft afgerond maximaal 9 (7,8-8,6) bewegingen per etmaal. Het gaat om een dusdanig geringe verkeersgeneratie dat aangenomen mag 51
worden dat deze zonder problemen kan worden afgewikkeld op het omliggende wegennet. 4.8.2
Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. De gemeente Duiven heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de Parkeernormennota Duiven uit 2018. In het ‘Parapluplan Parkeren Duiven’ wordt hiernaar verwezen. Toetsing Op basis van het gemeentelijk parkeerbeleid geldt in voorliggende situatie een parkeernorm van 1,7-2,5 (afgerond maximaal 3) parkeerplaatsen per woning. Er zal in voldoende ruimte voor parkeervoorzieningen voorzien worden op eigen terrein. Conclusie Het aspect wegen, verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
4.9
Spuitzonering Op basis van jurisprudentie is gebleken dat er voldoende afstand moet zijn tussen gevoelige functies en agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Een afstand van 50 meter wordt daarbij gezien als ‘voldoende afstand’. Tussen gevoelige functies (in dit geval wonen) en agrarische bedrijvigheid dient deze afstand aangehouden te worden. Toetsing Ten zuiden van de locatie zijn landbouwgronden gelegen, waardoor rekening gehouden dient te worden met spuitzones. Daarom is een memo spuitzonering 9 opgesteld. Hierin wordt geconcludeerd dat in de feitelijke situatie geen sprake is van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de omliggende percelen en door de ontwikkeling van het gebied dit ook niet het geval zal zijn in de toekomst. Conclusie Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
SAB (2025) Memo spuitzonering Beerenclaauwstraat te Groessen, 13 mei 2025.
9
52
5 Uitvoerbaarheid 5.1
Activiteiten, regels Onderhavige BOPA wordt verleend op basis van het geldende omgevingsplan. Met voorliggende BOPA wordt de activiteit ‘wonen’ toegestaan. Ten aanzien van de maatvoering is een gebouw met een oppervlakte van 160 m 2 toegestaan en een bouwhoogte van maximaal 6,5 meter vanaf het maaiveld.
5.2
Voorschriften / voorwaarden Uit hoofdstuk 2 en 3 van deze onderbouwing blijkt dat het mogelijk is om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te bereiken met het verlenen van de beoogde omgevingsvergunning, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden worden opgenomen in de te verlenen vergunning. Bij een planologische BOPA vormen de voorwaarden de kaders waarbinnen een opvolgende BOPA dient te voldoen.
5.3
Financiële / economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
5.4
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het is belangrijk dat omwonenden en naburige perceeleigenaren van de gewenste activiteit worden betrokken bij ontwikkelingen. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ziet toe op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en bevorderen zo een goede woon- en leefomgeving voor de inwoners. Er zijn verschillende manieren waarop de gemeente inwoners en andere belanghebbende de gelegenheid geeft mee te denken met een omgevingsplan en een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een initiatiefnemer moet in alle gevallen bij de aanvraag van de omgevingsvergunning aangeven of participatie heeft plaatsgevonden (artikel 7.4, lid 2).
5.4.1
Verplichte participatie De gemeente Duiven heeft in haar “Notitie adviesrecht, verplichte participatie en delegatiebesluit 2024 Duiven” beleidsregels opgesteld ten aanzien van participatie binnen de gemeente Duiven. Hierin is aangegeven dat participatie verplicht is vanaf de bouw van één woning in het buitengebied.
5.4.2
Intaketafel / Omgevingstafel Vanwege het uitgebreide proces wat in het buurtschap is doorlopen en waar de basis ligt voor het vrijgeven van de bouwrechten in het buurtschap is de intaketafel 53
overgeslagen. Daarnaast is ervoor gekozen om vanwege de aard en omvang van het verzoek ook geen gebruik te maken van de omgevingstafel. 5.4.3
Participatie / omgevingsdialoog Een omgevingsdialoog is een overleg tussen een initiatiefnemer met omwonenden en andere belanghebbenden. Door het voeren van omgevingsdialoog, krijgt de initiatiefnemer inzicht in de wensen, belangen en bezwaren vanuit de omgeving. De initiatiefnemer kan deze betrekken in de verdere uitwerking van de ontwikkeling. Dit leidt tot een beter gedragen ontwikkeling door de omgeving. De buurt is in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkeling. Tussentijds zijn de omwonenden ook op de hoogte gehouden. De reactie was overwegend positief en er zijn meer omwonenden die hebben aangegeven op de hoogte gehouden te willen worden. Ook zijn er wat zorgen met de initiatiefnemers gedeeld en zijn er wat vragen gesteld, waar met de kennis van dat moment op is gereageerd middels diverse nieuwsbrieven (15 september 2024, 29 september 2024, 13 oktober 2024 en 01 december 2024).
5.4.4
Adviesrecht Raad De raad kan gebruikmaken van adviesrecht. Voorliggend initiatief zal bij de definitieve aanvraag voorgelegd worden aan de gemeenteraad.
5.4.5
Adviesrecht Provincie De Provincie Gelderland heeft gevallen aangewezen waarin zij benaderd wilt worden voor advies met instemming. De Provincie heeft ervoor gekozen geen gebruik te maken van de mogelijkheid om instemmingsrecht te eisen, maar enkel niet bindend advies. Wanneer er sprake is van adviesrecht van de Provincie, veranderd de procedure voor het verlenen van de omgevingsvergunning niet. De Provincie vereist geen advies als een of meer van de volgende situaties zich voordoet en de omgevingsvergunning via het e-formulier wordt aangemeld bij de provincie: − Wanneer de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (3.4 Awb) wordt toegepast; − Voor de omgevingsvergunning is een ontheffing verleend als bedoeld in artikel [pm] van de Omgevingsverordening Gelderland; − Er is in een vroegtijdig stadium overleg gevoerd met de provincie en namens Gedeputeerde Staten (GS) is een positieve schriftelijke reactie gegeven; − De omgevingsvergunning wordt geweigerd. Dit is bij voorliggend project niet van toepassing.
5.4.6
Adviesrecht Waterschap Rijn en IJssel Toelichten of het Waterschap Rijn en IJssel adviesrecht heeft en hoe hier gehoor aan is gegeven. Dit is bij voorliggend project niet van toepassing. 54
5.4.7
Bestuurlijk vooroverleg Beschrijving met wie er overleg is geweest en de resultaten hiervan. Denk aan waterschap, Omgevingsdienst, veiligheidsregio, Rijkswaterstaat, GGD, etc. De Omgevingsdienst is betrokken bij de beoordeling van het bodemonderzoek, de veiligheidsregio (VGGM) is betrokken bij het opstellen en beoordelen van het onderdeel externe veiligheid. Er is geen aanleiding om de provincie te betrekken bij deze ontwikkeling.
5.5
Procedure De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing als de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van activiteiten, zoals activiteiten ter uitvoering van het Verdrag van Aarhus en wanneer een MER moet worden gemaakt (art. 16.50 Ow). Daarnaast is het mogelijk om de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toe te passen op verzoek van of met instemming van de aanvrager. En in gevallen die aanzienlijke gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving en waartegen naar verwachting verschillende belangen bedenkingen zullen hebben. Het college van B&W moet per aanvraag beslissen of zij afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaart. Wanneer afdeling 3.4 Awb niet van toepassing is, geldt voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit de reguliere procedure. Bij onderhavig project is de reguliere procedure van toepassing. − Conceptverzoek (optioneel) − Officiële aanvraag − Inhoudelijke beoordeling − Verlenen vergunning − Bezwaar bij gemeente − Beroep bij rechtbank − Hoger beroep bij Raad van State
55
6 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Deze onderbouwing betreft de belangenafweging. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend indien sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De vraag bij de vergunningverlening is of de ontwikkeling leidt tot een situatie, waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle omgevingsaspecten van de gevraagde activiteit nader onderzocht en afgewogen in dit document. In voorliggende onderbouwing is het project toegelicht om de bouw van een woning aan de Beerenclaauwstraat 15 te Groessen mogelijk te maken. Met deze ontwikkeling wordt woonkwaliteit toegevoegd aan de gemeente Duiven. Uit uitgevoerde onderzoeken volgt dat voldaan kan worden aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Al met al wordt zowel vanuit beleidsmatig perspectief, maar ook vanuit een integrale afweging en beoordeling van alle aspecten behorende bij de fysieke leefomgeving, aangesloten bij het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
56
57