4. 201706198-Bijlage 2 - Motivering BOPA Groessen Beerenclaauwstraat 15
Tekst van het document
Groessen, Beerenclaauwstraat 15 Motivering buitenplanse omgevingsplanactiviteit Gemeente Duiven
Ontvangstdatum : 24-07-2025 Documentnummer: D2025-00012117
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
18 juli 2025, projectnummer 230219.02
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Projectgebied
3
1.3
Het omgevingsplan
4
1.4
Leeswijzer
5
Planbeschrijving
7
2.1
Huidige situatie
7
2.2
Toekomstige situatie
8
Beleidskader
12
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
12
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
17
3.3
Regionaal beleid
21
3.4
Gemeentelijk beleid
23
Omgevingsaspecten
27
4.1
Archeologie en cultureel erfgoed
27
4.2
Bedrijfsmatige activiteiten
29
4.3
Duurzaamheid en klimaat
32
4.4
Gezondheid
33
4.5
Milieu
34
4.6
Ecologie
45
4.7
Water
48
4.8
Wegen, verkeer en parkeren
51
4.9
Spuitzonering
52
Uitvoerbaarheid
53
5.1
Activiteiten, regels
53
5.2
Voorschriften / voorwaarden
53
5.3
Financiële / economische uitvoerbaarheid
53
5.4
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
5.5
Procedure
55
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
56
Bijlagen Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Bijlage 3: Quick scan omgevingsveiligheid Bijlage 4: Quick scan natuur Bijlage 5: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 6: Onderzoek trillingshinder Bijlage 7: Digitale watertoets Bijlage 8: Memo spuitzonering
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Het voornemen bestaat om aan de Beerenclaauwstraat 15 in Groessen een nieuwe woning te realiseren. Reden hiervoor is het feit dat de toekomstige bewoners hun huidige woning aan de Beerenclaauwstraat 11 verlaten in verband met het doortrekken van de rijksweg A15 naar de A12. Na het vaststellen van het A15-tracé is besloten de bewoners van de woning aan de Beerenclaauwstraat 11 de mogelijkheid te geven om een nieuwe woning te realiseren aan de Beerenclaauwstraat 15. De gronden waar de nieuwe woning is voorzien zijn momenteel nog onbebouwd en kennen op basis van het omgevingsplan een agrarische functie. Ter plaatse van deze functie is wonen in principe niet toegestaan. De ontwikkeling past daarmee niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. Daarom wordt van het omgevingsplan afgeweken door middel van een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de BOPA.
1.2
Projectgebied Het projectgebied ligt ten oosten van de kern Groessen, gelegen in het zuidoosten van de gemeente Duiven, in het gehucht Helhoek. Het perceel ligt ten zuiden van de spoorlijn Duiven – Zevenaar, op gronden die kadastraal bekend staan als 'Gemeente Duiven, Sectie H, perceelnummer 155’. Op de navolgende afbeeldingen zijn respectievelijk de globale ligging en begrenzing van het projectgebied weergegeven.
De globale ligging van het projectgebied, aangeduid met ster (bron: PDOK Viewer).
3
Globale begrenzing projectgebied, weergegeven met rood kader (bron: PDOK Viewer).
1.3
Het omgevingsplan
1.3.1
Huidige regels omgevingsplan Ter plaatste van het projectgebied geldt het bestemmingsplan “Reparatieplan Buitengebied 2013”, dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Duiven. Dit bestemmingsplan is een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied 2013”. Dat wil zeggen dat het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' van kracht blijft, maar dat hierop middels de verbeelding en regels van de herziening een aanvulling wordt gedaan. De aanvulling bestaat uit een beknopte toelichting, een verbeelding en een set regels, maar heeft inhoudelijk geen gevolgen voor onderhavig project. Een uitsnede van de verbeelding bij het bestemmingsplan Buitengebied 2013 ter plaatse van het projectgebied is weergegeven in navolgende afbeelding. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Deze bestemming is onder meer bedoeld voor agrarisch natuurbeheer, hobbymatige weidegang en het uitoefenen van nevenactiviteiten. Verder geldt voor het gehele projectgebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Middelmatige archeologische verwachting’. Met deze dubbelbestemming zijn ter plaatse ook eventueel aanwezige archeologische waarden beschermd en wordt bij bodemingrepen van meer dan 5.000 m2 en dieper dan 50 centimeter onder maaiveld een archeologisch onderzoek gevraagd.
4
Uitsnede van de juridisch-planologische situatie ter plaatse van het projectgebied, aangeduid met rood kader (bron: Ruimtelijkeplannen.nl).
1.3.2
Strijdigheid met het omgevingsplan De bouw van woningen binnen het projectgebied is niet toegestaan op basis van de opgenomen regels in het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Duiven. In het bestemmingsplan “Buitengebied 2013” zijn ter plaatse namelijk enkel agrarische functies toegestaan. De reguliere woonactiviteit is hier dus niet toegestaan. Omdat de woonactiviteit ter plaatse niet is toegestaan, past de ontwikkeling derhalve niet binnen de juridisch-planologische kaders die ter plaatse gelden op grond van het tijdelijke omgevingsplan. Bovendien is er geen bouwvlak gelegen op het perceel, waardoor de beoogde ontwikkeling ook niet past bij de ter plaatse geldende bouwmogelijkheden.
1.3.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunningprocedure voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit doorlopen.
1.3.4
Procedure Om voorliggende ontwikkeling mogelijk te maken wordt een reguliere procedure doorlopen. De procedure, wijze van participatie, bestuurlijke overleggen en adviezen zijn nader toegelicht in hoofdstuk 5.
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de planbeschrijving beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het geldende beleid wat van toepassing is op de ruimtelijke ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven en getoetst aan beleid. 5
Hoofdstuk 5 gaat in op de procedure en de uitvoerbaarheid van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zowel juridisch, maatschappelijk als economisch. In hoofdstuk 6 wordt ten slotte geconcludeerd of wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6
2 Planbeschrijving 2.1
Huidige situatie Het projectgebied ligt ten zuiden van een spoorlijn en ten noorden van de Beerenclaauwstraat, Aan de westzijde wordt het projectgebied begrensd door de oprit van bestaande bebouwing. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie ter plaatse van het projectgebied.
Impressie bestaande situatie, projectgebied aangeduid met rood kader (bron: Walda bouwkundig ontwerp en adviesbureau).
De bestaande bebouwing bestaat uit een twee-onder-één-kapper (Beerenclaauwstraat 11 en 13) en een aantal bijgebouwen (onder andere een schuur en een overkapping voor een camper). Navolgende afbeelding toont de twee-onder-één-kapper vanaf de westzijde.
Bestaande woning aan de Beerenclaauwstraat 11 (bron: Google Street View).
7
Momenteel bestaat het projectgebied uit agrarische, onbebouwde gronden. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de huidige situatie ter plaatse van het projectgebied, gezien vanaf de Beerenclaauwstraat.
Huidige situatie projectgebied, gezien vanaf de Beerenclaauwstraat (bron: Google Street View).
2.2
Toekomstige situatie De bewoners van de woning aan de Beerenclaauwstraat 11 in Groessen zijn voornemens een nieuwe woning te realiseren in verband met de beoogde verlenging van de rijksweg A15 richting de A12. De nieuwe woning is beoogd ten oosten van de bestaande woning, ter plaatse het perceel aan de Beerenclaauwstraat 15. Navolgende afbeelding geeft de beoogde situatie weer, waarbij het tracé van de toekomstige weg ten opzichte van de bestaande woning is weergegeven.
De beoogde verlenging van de A15 ten opzichte van de Beerenclaauwstrraat 11 en het projectgebied (bron: Walda bouwkundig ontwerp en adviesbureau).
8
Navolgende afbeelding toont de beoogde toekomstige inrichting van het projectgebied. Er is gekozen voor deze positionering van de woning, zodat het projectgebied kan worden ontsloten via de bestaande oprit aan de westzijde van het projectgebied. De woning bestaat uit één bouwlaag met kap en heeft een oppervlakte van circa 160 m2. De bestaande beeldbepalende bomen worden behouden.
Beoogde toekomstige situatie (bron: Walda bouwkundig ontwerp en adviesbureau).
Bebouwing De nieuwe woning bestaat uit één bouwlaag met kap (zolder). Doordat alle functies zich bevinden op de begane grond, heeft de woning een levensloopbestendige indeling. De entree van de woning is beoogd aan de westzijde van de gevel, aan de kant van de Beerenclaauwstraat. Er is een terras voorzien aan de zijde van de Beerenclaauwstraat, in de zuidoostelijke hoek van de woning. Navolgende afbeeldingen geven de plattegronden van de toekomstige woning weer.
9
Plategrond begane grond (bron: Walda bouwkundig ontwerp en adviesbureau).
Plategrond zolder (bron: Walda bouwkundig ontwerp en adviesbureau).
De woning wordt bedekt met zwarte dakpannen, krijgt antracieten kunststoffen kozijnen en verschillende houtelementen, zoals bijvoorbeeld bij de overkapping van de entree en het terras. Navolgende afbeeldingen geven een 3d-impressie van de toekomstige woning.
10
Impressie van de toekomstige woning, gezien vanaf de Beerenclaauwstraat (bron: Walda bouwkundig ontwerp en adviesbureau).
Het parkeren is voorzien op eigen terrein. Het projectgebied zal aan de westzijde worden ontsloten via de bestaande oprit. Daar wordt een parkeervoorziening aangelegd die zal voorzien in de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners. Navolgende afbeelding geeft dit weer.
De beoogde parkeervoorziening en ontsluiting van de toekomstige woning (bron: Walda bouwkundig ontwerp en adviesbureau).
11
3 Beleidskader 3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de lange termijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI is een instrument van de Omgevingswet. De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en onder intrekking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Er zijn 21 nationale belangen beschreven die het lokale en regionale belang overstijgen: − Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. − Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. − Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. − Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. − Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. − Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. − In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. − Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving.
− Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. − Beperken van klimaatverandering. − Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. − Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. − Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. − Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). − Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. − Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. − Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. − Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. 12
− Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. − Ontwikkelen van een duurzame visserij. Toetsing Voorliggend project voorziet in de realisatie van een nieuwe woning met een levensloopbestendige indeling. Daarmee speelt het project in op de behoefte aan woningen die geschikt zijn voor senioren. Daarnaast is met het ontwerp van de nieuwe woning aansluiting gezocht bij de kenmerken en identiteit van de al bestaande woningen in de omgeving. Het perceel krijgt een zo groen mogelijk karakter. Derhalve is er ruimte behouden voor klimaat adaptieve maatregelen. Verder wordt de nieuwe woning op een duurzame en toekomstbestendig wijze gebouwd. De voorliggende ontwikkeling is daarmee in lijn met de doelstellingen van de NOVI. 3.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) De wetgever heeft in de Omgevingswet (Ow) de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd, om nationale en provinciale belangen te beschermen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Het Bkl vervangt de regels van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Hoofdstuk 8 van het Bkl bevat beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen. Deze beoordelingsregels gelden voor omgevingsvergunningen waarvoor het Rijk de vergunningplicht bepaalt in de Omgevingswet, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen waarvoor decentrale overheden de vergunningplicht bepalen staan in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening. De beoordelingsregels in het Bkl gaan over: − algemene beoordelingsregels; − het behoeden van de staat en werking van infrastructuur; − waarborgen van de veiligheid; − beschermen van de gezondheid en van het milieu; − duurzaamheid en bruikbaarheid.
In het Bkl is in artikel 8.0a lid 2 opgenomen dat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b, eerste lid, van het Bkl bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies in het omgevingsplan het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Afdeling 5.1 van het Bkl stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over: 13
− algemene bepalingen; − waarborgen van de veiligheid; − beschermen van de waterbelangen; − beschermen van de gezondheid en van het milieu; − beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; − behoud van ruimte voor toekomstige functies; − behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; − bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Afdeling 5.2 van het Bkl bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over: − het voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen; − lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; − lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool; − bebouwingscontour jacht; − bebouwingscontour houtkap. Toetsing Raadpleging van de digitale kaart behorende bij het Bkl toont aan dat ter plaatse van het projectgebied twee gebiedsaanduidingen gelden, namelijk ‘gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren’ en ‘uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra’. Radarstations
De Nederlandse staat heeft acht essentiële militaire radarstations in gebruik waarmee een radarbeeld van het Nederlands luchtruim wordt opgebouwd voor de beveiliging van het nationale luchtruim en voor de veilige afhandeling van het militaire en het burgerluchtverkeer. Radarsystemen dienen ‘vrij zicht’ te hebben om goed te kunnen functioneren. Bij het vaststellen van een omgevingsplan moet zeker zijn gesteld dat de radars een goed beeld van het luchtruim behouden en dat dat beeld niet in onaanvaardbare mate wordt verstoord door hoge objecten. De hoogte van het bouwwerk in voorliggend project overschrijdt de maximale hoogte uit deze regeling niet. Datacentra
De ontwikkeling van een hyperscale datacentrum binnen deze aanduiding is niet toegestaan. Daar is met voorliggend project geen sprake van. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Het doel van de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' (de 'Ladder') is het bewerkstelligen van een zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en met oog voor de toekomstige 14
ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de NOVI binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening. De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. Als bij een wijziging van een omgevingsplan (art. 5.129g Bkl) of buitenplanse omgevingsplanactiviteit (art. 8.0b Bkl) 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, dient daarvoor op grond van de Ladder een verantwoording te worden gegeven. De onderbouwing bij de nieuwe ontwikkeling heeft zodoende: − een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling; en − indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied is gelegen, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voordat getoetst wordt aan de Ladder, moet worden vastgesteld of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. Toetsing Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van één nieuwe woning in het buitengebied van de gemeente Duiven. In lijn met jurisprudentie is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet voor dit project te worden doorlopen. Uit onder meer de toets aan het gemeentelijk woonbeleid volgt dat de behoefte van de ontwikkeling niet ter discussie staat. 3.1.4
Projectbesluiten Het projectbesluit is een instrument voor waterschappen, provincies en het Rijk voor het mogelijk maken van vaak complexe projecten met een publiek belang. Voorbeelden zijn de aanleg of uitbreiding van een snelweg of de versterking van een primaire waterkering. Ook kan het gaan om private initiatieven die samenvallen met het bereiken van publieke doelen voor de fysieke leefomgeving. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van nieuwe natuur of energie-infrastructuur in samenwerking met een private initiatiefnemer. In de Omgevingswet, Elektriciteitswet 1998, Gaswet en Mijnbouwwet staan projecten waarvoor het waterschap, de provincie of het Rijk verplicht een projectbesluit moet vaststellen.
15
Het projectbesluit vervangt het Tracébesluit uit de Tracéwet, het inpassingsplan uit de Wet ruimtelijke ordening en het projectplan uit de Waterwet. Voor de oude instrumenten geldt het overgangsrecht. Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project. De gewijzigde regels van het omgevingsplan zijn onderdeel van het projectbesluit. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten nog geen omgevingsplan volgens de regels van de Omgevingswet. Door het overgangsrecht is er een tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het tijdelijk deel bestaat uit de op dat moment geldende bestemmingsplannen en daarmee vergelijkbare instrumenten (waaronder inpassingsplannen) en uit de bruidsschat. Gemeenten hebben tot eind 2031 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan om te zetten naar een nieuw deel van het omgevingsplan. In deze overgangsfase hoeft het Rijk, de provincie of het waterschap met het projectbesluit het omgevingsplan niet te wijzigen. Dit volgt uit artikel 22.16, lid 1, eerste zin, Omgevingswet. Voor zover het projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, geldt het projectbesluit als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Rijk, provincie en waterschap hoeven wijzigingen in het omgevingsplan dan nog niet zelf aan te brengen.
De gemeente moet ervoor zorgen dat zij het nieuwe deel van het omgevingsplan in overeenstemming brengt met deze omgevingsvergunning. Dit moet uiterlijk aan het einde van de overgangsfase zijn gebeurd of binnen 5 jaar na het vaststellen van het projectbesluit. Een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kent een aantal beperkingen. Het kan geen toegedeelde functies schrappen. De bestaande bestemmingen/functies uit het omgevingsplan blijven gelden. Ook kan het geen regels stellen over activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor het project. Denk bijvoorbeeld aan het verbod om te graven in het met het projectbesluit gerealiseerde dijklichaam of op de locatie van de buisleiding. En er kunnen bijvoorbeeld ook geen beperkingen worden gesteld aan de milieugebruiksruimte voor nabijgelegen bedrijven. Dit kan alleen worden geregeld met een wijziging van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag voor het projectbesluit kan er daarom – ook tijdens de overgangsfase – voor kiezen om het omgevingsplan direct te wijzigen met het projectbesluit. Het projectbesluit kan het omgevingsplan ook direct wijzigen door een zogenoemd ‘tijdelijk regelingdeel’ (dit is iets anders dan het tijdelijk deel van het omgevingsplan) aan het omgevingsplan toe te voegen. Dit staat in de TPOD projectbesluit.
Met het element tijdelijk regelingdeel kan het bevoegd gezag met het projectbesluit de wijzigingen van het omgevingsplan invoegen in een apart deel van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Wijzigt het projectbesluit omgevingsplannen van meerdere gemeenten, dan bevat het voor ieder omgevingsplan een tijdelijk regelingdeel.
16
In het tijdelijk regelingdeel geeft het bevoegd gezag duidelijk aan wat de verhouding is met de overige regels van het omgevingsplan. De regels in het tijdelijk regelingdeel wijken inhoudelijk immers af van de overige regels van het omgevingsplan. Een voorrangsbepaling voorkomt regelconflicten. Het bevoegd gezag van een projectbesluit kan met een tijdelijk regelingdeel het omgevingsplan wijzigen en dus bestaande functies schrappen, regels stellen over activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor het project en beperkingen stellen aan de milieugebruiksruimte voor nabijgelegen bedrijven. In het projectbesluit kan het waterschap, de provincie of het Rijk ook de volgende besluiten opnemen: − besluiten tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde uit artikel 2.12a, lid 1, 2.13a, lid 1 of 2.15, lid 2, Omgevingswet; − maatwerkvoorschriften op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); − verkeersbesluiten uit artikel 15, Wegenverkeerswet 1994; − de onttrekking van een weg aan de openbaarheid uit artikel 7, aanhef, en onder II Wegenwet. In die gevallen moet het projectbesluit aan de regels over die besluiten voldoen. Toetsing Dit is niet aan de orde bij voorliggende ontwikkeling. 3.1.5
Conclusie rijksbeleid en rijksregels Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij het rijksbeleid en rijksregels.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de ‘Omgevingsvisie Gaaf Gelderland’ vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De kern van deze Omgevingsvisie is dat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland voorop staat. Om dit te behouden en te bereiken worden in de omgevingsvisie drie uitgangspunten centraal gesteld: een Duurzaam, Economisch krachtig en een Verbonden Gelderland. Duurzaam
Gelderland beschikt over talrijke initiatieven en kansrijke aanknopingspunten op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie en biodiversiteit. Gelderland maakt ruimte voor forse schaalsprongen ten behoeve van een duurzame omgeving, samenleving en economie. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken:
17
− Energietransitie: in 2050 is Gelderland energieneutraal. Dat wil de provincie bereiken door grootschalig besparen, opwekken uit duurzame energiebronnen en innoveren. Als tussendoel wordt ingezet op 49% CO2 reductie in 2030. − Klimaatadaptatie: in 2050 is Gelderland ingericht op het veranderde klimaat. − Circulaire economie: in 2050 is Gelderland een afvalloze provincie. Met als tussenstap 50% reductie van het gebruik van grondstoffen in 2030. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden. − Biodiversiteit: vanaf 2019 denkt en werkt Gelderland natuur-inclusief. Biodiversiteit gaat verder dan de bekende natuurgebieden. Ook daarbuiten, in woonwijken, op werklocaties en bij infrastructuur wordt van biodiversiteit een kernkwaliteit gemaakt. Een krachtige economie
De ‘oude’ economie van ongelimiteerde groei verandert in een economie die in balans is met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. Vestigingsklimaat, arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden steeds belangrijker. De woningmarkt in Nederland kampt enerzijds met schaarste en anderzijds met krimp. Daarnaast is er een grote opgave om bestaande bouw te verduurzamen. Gelderland heeft sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en uiterst potentiële positie – clustering van economische activiteit, maakindustrie, logistieke kracht, sociaal ondernemen, natuur, kennis en onderwijs, ruimte, cultuur en sport en een strategische ligging. Op woongebied heeft Gelderland eveneens een uitzonderlijke positie. Door zowel te investeren in een bruisende en levendige stad als in een vitaal platteland ontstaat een symbiose waarbij beide elkaar versterken. Hierdoor gaat van Gelderland aantrekkingskracht uit. De Gelderse economie is krachtig. Deze situatie is niet vanzelfsprekend. Duurzame werkgelegenheid en bedrijvigheid zijn cruciaal voor de economische kracht van de Gelderse regio’s. Daarnaast vraagt een goed vestigingsklimaat om hoogwaardige culturele voorzieningen.
Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: − Het uitnutten van de strategische ligging van Gelderland. De Gelderse economie kan zich verder ontwikkelen binnen de natuur- en landschapswaarden en deze dragen duurzaam bij. − Het positioneren van Gelderland als hét vestigingsgebied voor de nieuwe generatie ondernemers. Ondernemers die duurzaam ondernemen in balans met de sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving hoog in het vaandel hebben. − Een sociaal evenwichtig vestigingsklimaat in Gelderland. Het versterken van de positie van Gelderland op het gebied van food, health en energy en andere topsectoren en stimuleren van kleinschalig ondernemerschap en innovatie, ook met oog voor ontwikkeling van lokale arbeidsmarkten. − Het verduurzamen van de bestaande gebouwde woonomgeving. Dit is noodzakelijk om steden toekomstbestendig en economisch aantrekkelijk te maken. De 18
provincie zoekt actief naar interessante transformaties, zoals de functiemenging op bedrijventerreinen en het omzetten van kantoren naar woningen. Blijvend verbonden
Het is van belang dat mensen andere mensen kunnen ontmoeten. Dat geldt voor mensen in steden, wijken en voor het platteland. Of het nu gaat om werk of sociale contacten, de samenleving moet voor flexibele netwerken zorgen die voor iedereen open staan en beschikbaar zijn. Naast traditionele voorzieningen als auto en OV doen nieuwe spelers en technologieën op het gebied van verbindingen en netwerken hun intrede, zoals smart mobility, zelfrijdende auto’s en deelauto’s. Ook het belang van snelle en betrouwbare data-uitwisseling neemt toe en is hier onderdeel van. De ontwikkelingen volgen elkaar snel op en zijn soms onstuimig. Het is van belang dat de relatief goede bereikbaarheid een toekomstvaste waarde voor Gelderland is. Systemen moeten meebewegen met nieuwe ontwikkelingen en deze ook faciliteren. Mobiliteit moet verder verduurzaamd worden. Daarbij wil de provincie het volgende bereiken: − Een optimale bereikbaarheid van Gelderland door onderlinge aansluiting van vervoersmogelijkheden en verplaatsingen te faciliteren. In 2050 dient de mobiliteit van Gelderland volledig duurzaam te zijn in termen van energie, klimaat, circulair en biodiversiteit. − Het creëren van slimme en duurzame oplossingen voor het verbinden van mensen, goederen en data. Daaronder wordt ook begrepen het beter benutten van bestaande infrastructuur en gedragsverandering.
De opties tussen weg, rail en water worden zorgvuldig en duurzaam afgewogen. − Het stimuleren en faciliteren van nieuwe vormen van vervoer en verplaatsing. Dit kan bijvoorbeeld door autonoom rijden. Analyse
De Omgevingsvisie doet geen specifieke uitspraken met betrekking tot de voorliggende ontwikkeling. In de stedenbouwkundige uitwerking wordt rekening gehouden met de ruimtelijke, landschappelijke en groene kwaliteiten van de omgeving, waarmee recht wordt gedaan aan de locatie. De nieuwbouw in het plangebied wordt gasloos gerealiseerd. Zodoende wordt bijgedragen aan het realiseren van een duurzame en toekomstbestendige omgeving. Toetsing Met betrekking tot de woon- en leefomgeving streeft de provincie naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Door de verlenging van de rijksweg A15 naar de A12 wensen de bewoners van de Beerenclaauwstraat 11 een nieuwe woning te realiseren in de nabijheid van de bestaande woning. Op die manier krijgen de bewoners een passende woning die aan hun behoeften voldoet. Daarnaast wordt de woning aardgasloos gebouwd, is het gasloos in gebruik en voldoet het aan de nieuwste BENG-normen. Op die manier wordt het een duurzame woning. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in lijn met het gegeven uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland.
19
3.2.2
Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Toetsing Raadpleging van de digitale kaart behorende bij de provinciale omgevingsverordening toont aan dat ter plaatse van het projectgebied drie gebiedsaanduidingen gelden, namelijk ‘Gelderse streek Liemers’, ‘glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied’ en ‘werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland’. Navolgend worden deze gebiedsaanduidingen toegelicht. Gelderse streek Liemers De provincie wil de landschappelijke waarden binnen de provincie behouden, beschermen en in stand houden. Daarom moet de toelichting van een omgevingsplan een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de in het besluitgebied aanwezige kernkwaliteiten bevatten, als een omgevingsplan een activiteit of ontwikkeling toelaat. Het besluitgebied is gelegen binnen de Gelderse streek Liemers (artikel 5.40). Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Liemers wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Liemers. De omgeving rondom het projectgebied bestaat nog steeds uit een relatief open en overwegend agrarisch landschap. Door de direct ten oosten van de bestaande bebouwing te realiseren, blijft dit landschap zo veel mogelijk behouden.
Daarnaast wordt met het ontwerp aangesloten op bestaande bebouwing in de omgeving. De beschreven kernkwaliteiten worden daarmee niet aangetast.
20
Glastuinbouwbedrijf
In artikel 5.78 is een instructieregel opgenomen ten aanzien van een glastuinbouwbedrijf. Daar is bij voorliggend project geen sprake van. Werkgebied Faunabeheereenheid Gelderland
De faunabeheereenheid Gelderland stelt een faunabeheerplan op waarin wordt vastgesteld hoe de omvang van populaties van in het wild levende dieren wordt beperkt en hoe schadeveroorzakende dieren bestreden kunnen worden. In het kader van voorliggend project is een quick scan natuur uitgevoerd, waaruit blijkt dat de ontwikkeling geen effect heeft op de natuur (zie ook paragraaf 4.6). Daarnaast gelden in de provincie Gelderland de volgende instructieregels: Wonen In artikel 5.64 van de omgevingsverordening is vastgelegd dat een omgevingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen de regionale woonagenda. Raadpleging van de Liemerse Woonagenda laat zien dat de woonregio Liemers nog voldoende ruimte in de planvoorraad heeft om aan de regionale doelstellingen te kunnen voldoen. Voorliggend project draagt hier vanuit kwantitatief perspectief op bescheiden wijze aan bij. Gelijktijdig wordt met de woning voornamelijk ingezet op de behoefte van de bestaande bewoners, zodat ook vanuit kwalitatief oogpunt een bijdrage wordt geleverd aan de behoefte. Op deze manier past de ontwikkeling binnen de gestelde regels met betrekking tot wonen.
Klimaatadaptatie In artikel 5.85 van de omgevingsverordening is vastgesteld dat in de toelichting op het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. In de beschrijving worden in ieder geval de aspecten waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte betrokken. Daarnaast moet de opgestelde beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap. Het aspect klimaatadaptatie wordt nader besproken in paragraaf 4.3.3. 3.2.3
Conclusie Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de provinciale beleidsambities en -doelstellingen en ter plaatse geldende regels.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen De Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen wordt als uitgangspunt gehanteerd bij de herijking van lokaal ruimtelijk en volkshuisvestelijk beleid. In 2020 zijn gemeenten binnen de Groene Metropoolregio, provincie Gelderland en het Rijk een langjarig partnerschap aangegaan voor een beter werkende woningmarkt. Aanleiding was de constatering dat de regio in de top 3 van regio’s met het hoogste woningtekort stond, de woonopgaven bovengemiddeld zijn en de uitvoering onder druk staat. 21
In de Woondeal staan afspraken over continuïteit en versnelling van de bouwproductie, verstedelijking en gebiedsontwikkeling, huisvesting van aandachtsgroepen, klimaatadapatieve, conceptuele en circulaire woningbouw en leefbaarheid. Op al deze punten zijn de afspraken uit 2020 geactualiseerd en waar gewenst ook geconcretiseerd. Het Rijk zet via de Nationale Woon- en Bouwagenda in op de bouw van 900.000 woningen tot en met 2030, met als streven dat hiervan minimaal 2/3 betaalbaar is. In vervolg op deze nationale ambitie zijn bestuurlijke afspraken gemaakt tussen het Rijk en de provincie Gelderland over de realisatie van 100.000 woningen tot en met 2030. Dit krijgt in deze regio nadere invulling via actualisatie van de Woondeal uit 2020. Met deze Woondeal onderkennen partijen de grote woonopgave, dat ze de samenwerking uit 2020 voortzetten en geven ze het partnerschap verder vorm. Dit zorgt voor continuïteit en zekerheid richting marktpartijen en woningcorporaties. Partijen zetten met deze Woondeal in op: − Een vergroting van de beschikbaarheid van woningen voor mensen met lage en middeninkomens, waaronder veel starters, te realiseren (in lijn met de nationale doelstelling naar 2/3 betaalbaar). − Te zorgen voor voldoende betaalbare woningen voor aandachtsgroepen en een evenwichtige spreiding daarvan over de gemeenten.
− Vanaf 2025 binnen de nieuwbouw te zorgen voor minimaal 30% sociale huur en minimaal 35% middenhuur en betaalbare koop (tot € 355.000). − Een op basis van het woningbehoefteonderzoek per gemeente te bepalen deel in het middensegment uit betaalbare koopwoningen voor de lagere inkomens met een prijs van maximaal € 250.000 of middenhuur te laten bestaan. − In te zetten op verduurzaming en het toekomstbestendig maken van de bouwsector en vermindering van bouwkosten, door circulair en conceptueel bouwen de norm te laten zijn bij woningbouw. Hiermee wordt bijgedragen aan de reductie van 55% tot 60% CO2-uitstoot (Paris-proof), 50% primaire grondstoffen en 50% uitstoot van stikstof in 2030. Toetsing Voorliggend project betreft de realisatie van een nieuwe woning aan de Beerenclaauwstraat. De woning krijgt een levensloopbestendige inrichting en is daarmee bij uitstek geschikt voor senioren. Op die manier wordt met voorliggend project een bijdrage geleverd aan de kernafspraken ten aanzien van de woningbouwopgave en specifieke doelgroepen uit de regionale Woondeal. In de planmonitor van de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen is de plancapaciteit per gemeente opgenomen. Voor de gemeente Duiven geldt dat circa 84% van de plancapaciteit ‘zacht’ is1. Daarmee is er nog voldoende ruimte is voor de extra woning uit voorliggend project.
1
Companen, geraadpleegd op 21 november 2024.
22
3.3.2
Liemerse woonagenda, de koers voor 2020-2025 Voor de subregio Liemers (gemeenten Duiven, Doesburg, Montferland, Westervoort en Zevenaar) is voor de periode 2020-2025 behoefte aan een netto toevoeging van meer dan 4.000 te realiseren woningen. De groei is het grootst in de eerste vijf jaar: een kleine 500 woningen gemiddeld per jaar. De subregio geeft aan dat opvalt dat, in de huidige woningmarkt, veel huishoudens en jongeren in het bijzonder, veel moeite hebben om een (geschikte) woning te vinden op de gespannen woningmarkt. Omdat de vraag naar verwachting nog verder zal toenemen heeft het verhogen van de nieuwbouwproductie op de korte termijn (vóór 2025) dan ook prioriteit. Voor de Liemers als geheel is berekend dat het huidige tekort aan woningen minder groot is dan in de rest van de regio. Maar dat tekort is niet overal even groot. Vanwege het groetere tekort op de Arnhemse woningmarktregio wordt in de aangrenzende gemeenten Westervoort en Duiven een groter dan gemiddelde woningmarktdruk ervaren. Toetsing Zoals aangegeven zijn er nog onvoldoende plannen om te voorzien in de restopgave tot 2025. Verder is er weinig ruimte voor planuitval, terwijl de praktijk leert dat hiermee wel rekening moet worden gehouden. Bij goed adaptief programmeren is het nodig dat er steeds voldoende potentiële bouwplannen klaarliggen om vertraging en uitval zoveel mogelijk te beperken.
Voorliggende ontwikkeling levert een bescheiden bijdrage aan het vergroten van de woningvoorraad in de subregio De Liemers.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Duiven De gemeente Duiven heeft in 2022 de Omgevingsvisie Duiven vastgesteld. De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Voor nu én voor de toekomst. Om dit te bereiken heeft de gemeente de Omgevingsvisie opgesteld als stip op de horizon voor de fysieke leefomgeving van Duiven, Groessen en Loo in 2040. De visie is tot stand gekomen in samenwerking met diverse gebruikers van de leefomgeving, waaronder inwoners, maatschappelijke instellingen, bedrijven en verenigingen. Aan de hand van een Gebieds GespreksAgenda is het Koersdocument Omgevingsvisie Duiven opgesteld in 2020, waarna een participatiebijeenkomst en schriftelijke consultatie heeft plaatsgevonden. Hierbij zijn een breed aantal reacties opgehaald vanuit de samenleving, professionele partijen en gemeenteraad. Deze reacties hebben geresulteerd in een rapportage voor de gemeenteraad en een reactienota (van de consultaties). Dit alles is verwerkt tot deze omgevingsvisie. De omgevingsvisie sluit aan bij nationaal, regionaal en lokaal beleid. De inhoudelijke basis voor deze omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: − Historie: de gemeente Duiven heeft een rijke geschiedenis waar we op voortb duivenouwen.
23
− Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere de vitale, sterk onderling verbonden inclusieve gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de uitstekende voorzieningen van de gemeente Duiven. − Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in Duiven, Groessen en Loo dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. − Ontwikkelingen & toekomstperspectief: leidraad voor de toekomst is dat we ruimte willen bieden aan ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, maatwerk leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg dragen voor natuur en milieu. Dit doen we samen met alle gebruikers van de leefomgeving. Voor de gemeente Duiven zijn de volgende thema’s, ambities en doelen van belang
24
Toetsing Met voorliggend project wordt aangesloten bij de ambities en doelen, zoals gesteld onder het thema ‘een duurzaam huis’. Immers wordt een woning gerealiseerd die aansluit bij de specifieke behoeften van de toekomstige bewoners. De woning krijgt een levensloopbestendige invulling, waardoor het tevens uitermate geschikt is voor ouderen en zorgdoelgroepen. De nieuwbouw zal zo duurzaam mogelijk gerealiseerd worden, met behoud van het gebiedseigen karakter en de ruimtelijke identiteit van de omgeving. 3.4.2
Woonvisie duiven 2025 In 2021 is de Woonvisie Duiven 2021-2030 vastgesteld. Hierin staan drie thema’s centraal. Het gaat op de eerste plaats om het verbeteren van de kwaliteit van bestaande woningen en de leefbaarheid van wijken en dorpen. Verder wordt gezorgd voor passende woonruimte voor diverse doelgroepen zoals starters, ouderen, zorgbehoevenden en overige groepen. En uiteraard gaat de visie ook over het toevoegen van woningen. In de gemeentelijke woonvisie dat de juiste woningen gerealiseerd moeten worden, rekening houdend met de geconstateerde woningbehoefte en met doorstroming uit de bestaande voorraad. De gemeente ziet ruimte om in de periode tot 2025 circa 520 woningen toe te voegen aan de werkvoorraad. Tot 2040 zijn in totaal 1.200 extra woningen beoogd. De grootste vraag bestaat binnen de kern Duiven. Daarbij wordt de voorkeur uitgesproken voor inbreidingslocaties in plaats van uitbreidingslocaties. Toetsing Met voorliggend project wordt een bescheiden bijdrage geleverd aan de uitbreiding van het woonaanbod in de gemeente Duiven. De nieuwe woning zal waarschijnlijk binnen het middeldure of dure segment vallen. Er is behoefte naar dit type woning binnen de gemeente Duiven en met voorliggende ontwikkeling kan deels invulling worden gegeven aan deze behoefte.
3.4.3
Klimaatatlas gemeente Duiven Op basis van de klimaatatlas gemeente Duiven is in beeld gebracht welke risico’s zich kunnen voordoen in het projectgebied als gevolg van klimaatverandering: − wateroverlast: uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast blijkt dat, ter plaatse van het projectgebied, plasvorming wordt verwacht na een ‘extreem hevige bui’ (zowel kort als lang). Hier zal rekening mee gehouden worden bij de inrichting van het perceel. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 4.3.3. − hitte: de kaart maakt tot op straatniveau duidelijk waar de kans op het ervaren van hittestress in de openbare ruimte groot is. Of er in de gebouwen zelf ook hittestress ervaren wordt is o.a. afhankelijk van de isolatie van gebouwen. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het projectgebied koel tot normaal is. De nieuwe woning wordt goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee is de toekomstige bebouwing ook nauwelijks gevoelig voor opwarming in de nachtelijke periode.
25
− droogte: de kaartbeelden laten zien dat er in het projectgebied sprake is van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf zoals dat in feite in de huidige situatie ook zo is. − overstroming: de kaartbeelden tonen dat er slechts een kleine overstromingskans is ter plaatse van het projectgebied. 3.4.4
Conclusie Voorliggende ontwikkeling sluit aan bij de gemeentelijke beleidsambities en -doelstellingen.
26
4 Omgevingsaspecten Op grond van de Omgevingswet en op basis van jurisprudentie moet de uitvoerbaarheid van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangetoond. Er moet voor de ontwikkeling worden onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (hierna: etfal). In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor deze ontwikkeling relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf.
4.1
Archeologie en cultureel erfgoed In deze paragraaf worden cultuurhistorische, archeologische of anderszins waardevolle eigenschappen van het werkingsgebied beschreven.
4.1.1
Erfgoedwet en Omgevingswet De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ontwikkelingen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden. Daar moet vervolgens bij het opstellen van ontwikkelingen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het uitgangspunt is dat er verplicht rekening gehouden moet worden met het behoud van het archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden door middel van archeologisch onderzoek. Bij het opstellen van ontwikkelingen moet het archeologisch en cultuurhistorisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het maakt ook onderdeel uit van de economische uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Bij een opgraving kunnen de kosten hoog oplopen.
27
Toetsing Binnen het projectgebied zijn geen archeologische monumenten of rijksmonumenten gelegen. Ook maakt het gebied geen onderdeel uit van een beschermd stadsof dorpsgezicht of beschermd cultuurlandschap. 4.1.2
Provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart Provincies beschikken over hun eigen cultuurhistorische waardenkaarten. Deze laten een breed scala aan cultuurhistorie zien. Meestal belichten ze op hoofdlijnen archeologie, cultuurlandschap en gebouwde monumenten. Welke aspecten zijn uitgelicht en welke keuze zijn gemaakt, verschilt per provincie. Vanwege de gehanteerde schaal zijn provinciale kaarten vaak een stuk nauwkeuriger dan de meeste landelijke overzichten. Hiermee geven ze een gedetailleerd beeld van de cultuurhistorie per provincie, maar laten ook zien welk erfgoed nu juist voor die provincie van belang is. De kaarten zijn digitaal beschikbaar in een GIS-viewer. In het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, worden in de provincie Gelderland ontwikkelingen getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). In de provincie Gelderland zijn twee kaarten beschikbaar: − Kaart ‘historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’. − Kaart ‘cultuurhistorie’. Toetsing Op de kaart ‘historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ is het projectgebied aangeduid als ‘archeologische ruwe diamant’. Dit betekent dat dit een archeologisch gebied van potentieel provinciaal belang is. Op de kaart ‘cultuurhistorie’ is het projectgebied aangeduid als ‘Belvoirgebied’.
In het cultuurhistorische beleid van de provincie Gelderland "Belvoir" is Gelderland ingedeeld in tien Belvoirgebieden. Ieder gebied heeft zijn eigen regionale cultuurhistorische identiteiten. De dragers van deze identiteiten zijn de DNA structuren. De kaart "Het Gelders DNA" geeft voor de verschillende Belvoirgebieden de cultuurhistorische identiteitsdragers weer. De provincie zet zich in om dit DNA te behouden, te versterken en te ontwikkelen.
4.1.3
Gemeentelijk archeologisch beleid Duiven Een visie op het Erfgoed van de gemeente Duiven, 2017-2030
Op 20 maart 2017 heeft de gemeenteraad van Duiven de ‘Visie op het Erfgoed van de gemeente Duiven, 2017-2030’ vastgesteld (nr. 17RB002). Het doel van deze erfgoednotitie is het vaststellen van: − Een visie op het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente en de wijze waarop dit erfgoed kan worden doorgegeven aan de volgende generaties. − Een visie op de wijze waarop dit erfgoed een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen.
28
Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven, 2023
Op 23 april 2024 heeft de gemeenteraad van Duiven het bestemmingsplan ‘Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven’ vastgesteld. Met betrekking tot archeologie is er een uitzondering op de vergunningplicht voor archeologisch onderzoek door een erkende archeologische partij opgenomen. Hierdoor is het niet nodig om een vergunning aan te vragen voor het doen van onderzoek, hetgeen tijd en moeite bespaart aan de kant van zowel initiatiefnemer als gemeente. Toetsing Het projectgebied kent op basis van bestemmingsplan “Buitengebied 2013’ de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Middelmatige archeologische verwachting’. Voor bodemingrepen met een oppervlakte van meer dan 5.000 m2 en dieper dan 50 centimeter onder het maaiveld geldt een verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Gelet op het feit dat de nieuwe woning deze drempelwaarden niet overschrijdt, is het uitvoeren van archeologisch onderzoek niet aan de orde. In het projectgebied bevinden zich geen monumentale en/of karakteristieke gebouwen. Daarnaast is bij het stedenbouwkundig ontwerp aansluiting gezocht op de bebouwing in de omgeving van het projectgebied, waardoor het huidige straatbeeld zoveel mogelijk behouden blijft. Conclusie De aspecten archeologie en cultureel erfgoed vormen geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.
4.2
Bedrijfsmatige activiteiten Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies, of milieuhinder-veroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat er sprake zal zijn van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. In de VNG-publicatie Handreiking Activiteiten en milieuzonering wordt gebruiksruimte per functie gedefinieerd door expliciete milieuwaarden in plaats van een vaste richtafstand. Zo wordt er een bewuste afweging van toedeling van functies aan locaties gemaakt en wordt er specifiek per functie gekeken hoeveel ruimte die functie in beslag neemt. Daarmee wordt er veel doelmatiger met beschikbare ruimte om gegaan en worden ruimte en milieu geïntegreerd. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. Ook in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) onder de Omgevingswet is gebruiksruimte een belangrijk begrip. Het is aan het bevoegd gezag om per gebied een ambitieniveau vast te stellen. Er wordt onderscheid gemaakt in vijf gebieden: − Bedrijventerreinen; − Andere werkterreinen; − Gemengd gebied met wonen; 29
− Rustig woongebied; − Buitengebied. De Handreiking activiteiten en milieuzonering is niet van toepassing op: − Industrieterreinen; − Milieuhinderlijke activiteiten binnen rustig woongebied; − Alle overige milieuthema’s anders dan geluid en niet-agrarisch geur; − Zware activiteiten die niet direct worden toegelaten. Afhankelijk van het type zone worden globaal de volgende overeenkomstige gebruiksruimten voor milieuhinderlijke activiteiten bepaald: − Zone basis > gebruiksruimte op 50 meter afstand of tot grens van het woongebied; − Zone beperkt > gebruiksruimte met extra bescherming voor het woongebied; − Zone verruimd > gebruiksruimte op 100 meter afstand met extra ruimte voor zwaardere bedrijven. Voor een volwaardige toepassing van en toetsing aan de Handreiking dienen de voornoemde gebieden en zones te zijn opgenomen in het omgevingsplan. Op het moment van schrijven is dit voor de gemeente Duiven echter nog niet het geval. Ter toetsing in de tijdelijke situatie kan worden teruggevallen op de voormalige VNGtabellen 2009 met de richtafstanden. Op basis hiervan kan worden bepaald of op voorhand zou kunnen worden voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties of dat een nader akoestisch en/of geuronderzoek benodigd is. Beoordeeld wordt de onderlinge ligging van milieugevoelige activiteiten (bv. woonactiviteiten) en milieuhinderlijke activiteiten (bv.
bedrijfsactiviteiten). Toetsing Omdat gemeente Duiven nog geen zones in haar omgevingsplan heeft vastgesteld, zal getoetst worden aan de oude VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. De ontwikkellocatie ligt in het buitengebied van de gemeente Duiven. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie liggen voornamelijk agrarische gronden, met incidenteel een woning. De omgeving is dan ook een gebied waar functiemenging vrijwel afwezig is, het gebied kan dan ook getypeerd worden als ‘Buitengebied’. Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling
De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van één nieuwe woning. Dit betreft geen milieuhinderlijke activiteit. Hinder van bestaande activiteiten op de ontwikkeling
Aangezien de beoogde ontwikkeling een geluidgevoelig gebouw (woning) betreft, dient gekeken te worden naar hinder vanuit de omgeving op de ontwikkeling. Op basis van het omgevingsplan is op circa 60 meter ten westen van het projectgebied een intensieve veehouderij toegestaan. In de feitelijke situatie is dit agrarisch bedrijf inmiddels verdwenen.
30
Paardenbak In de feitelijke situatie is direct ten noorden van de toekomstige woning een paardenbak aan huis gesitueerd. Deze paardenbak is deels binnen een woonbestemming en deels binnen een agrarische bestemming gelegen. Echter is er geen agrarische functie of relatie aanwezig. Raadpleging van het web Bestand Veehouderijen (Web-BVB) / igoview toont aan dat ter plaatse geen veehouderij gelegen is. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de paardenbak gebruikt wordt voor het hobbymatig houden van paarden. Voor het houden van paarden op hobbymatige gronden zijn geen richtafstanden van toepassing. Inzichtelijk dient te worden gemaakt in hoeverre het hobbymatig houden van paarden geluid-, licht-, stof- en geurhinder veroorzaakt ten opzichte van het bedrijfsmatig houden van paarden. Het doel daarbij is om aan te tonen dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is ter plaatse van de nieuwe woning. Geluid De paardenbak is gelegen ten noorden van de woning. Aan de noordzijde van de woning worden niet-geluidgevoelige gevels toegepast, zodat de geluidshinder gereduceerd wordt. Op deze manier wordt de gemeentelijke bovengrens niet overschreden.
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient in het kader van geluidshinder door (spoor)wegen in ieder geval middels een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt gehaald voor de nieuwe woningen. In dit onderzoek kan gekeken worden naar cumulatie van (spoor)wegverkeer en de paarden. Op die manier wordt gegarandeerd dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geluid. Licht Er is geen sprake van lichthinder, aangezien er geen lichtmasten gesitueerd zijn in of rondom de paardenbak. Stof
Een paardenbak kan bij droog weer stofoverlast geven. Stofoverlast kan beperkt worden door zogenaamde overdrachtsmaatregelen. Hierbij kan aan verschillende overdrachtsmaatregelen worden gedacht, zoals bijvoorbeeld een groenblijvende haag dien voldoende overlast wegneemt. Dat overdachtsmaatregelen afdoende kunnen zijn blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2003. Geur
De gemeente Duiven heeft in haar geurbeleid geen regels ten aanzien van dergelijke situaties rondom het houden van paarden, of specifiek beleid rondom milieubelastende activiteiten. Ook in het gemeentelijk beleid voor het buitengebied staan geen specifieke normen of regels rondom dit aspect. Veehouderijen die onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vallen, moeten voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten, tenzij er sprake is van een reeds bestaande situatie. Het Bal is echter niet van toepassing 31
op het hobbymatig houden van dieren. Doordat paarden geen zogenaamde geurfactor kennen is geurhinder niet met een geurmodel aan te tonen. Dat er enige mate van overlast wordt ondervonden door de toekomstige bewoners als gevolg van de paardenbak is mogelijk, maar de mate van overlast wordt als acceptabel gezien. Bovendien zijn de toekomstige bewoners hiervan op de hoogte. Conclusie Het aspect bedrijfsmatige activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.