3c. Bijlage Concept ontwerpprogramma Vitaal landelijk gebied Gelderland (deel A + B)
Tekst van het document
3.1 Duurzaam perspectief voor de land- en tuinbouw in Gelderland De doelen en ambities voor natuur, water, bodem en klimaat moeten voor een belangrijk deel op agrarische gronden en in agrarische stallen worden gerealiseerd. Dat betekent dat een toekomstbestendige landbouweconomie zich voor een belangrijk deel verder ontwikkelt binnen de kaders van natuur, water, bodem en klimaat. Daarom dagen wij met name agrarische ondernemers uit om hun bedrijvigheid door te ontwikkelen naar een duurzame, toekomstbestendige en economisch rendabele landbouw en zo ook bij te dragen aan de doelen voor natuur, water, bodem en klimaat. En samen met de rijksoverheid faciliteren wij hen daarbij. Het gaat hierbij zowel om agrariërs met land in eigendom als om agrariërs die grond pachten. Wij realiseren ons dat hierbij ook andere ketenspelers van grondstoffenleveranciers, banken tot supermarkten bijdragen moeten leveren. Daarom is een nationaal landbouwakkoord met alle betrokken ketenspelers zo van belang.
De agrarische sector in Gelderland is in ontwikkeling. De komende jaren zullen veel boeren in Gelderland vrijwillig stoppen vanwege hun leeftijd en gebrek aan opvolging in het bedrijf en/of doordat zij gebruik maken van de rijksregelingen voor bedrijfsbeëindiging. De agrarische sector kan bijdragen aan het realiseren van doelen voor natuur, water, bodem en klimaat als boeren en tuinders zich kunnen ontwikkelen, door te innoveren, te verbreden, te extensiveren of te verplaatsen en het boerenbedrijf elders voort te zetten. We bieden met dit programma de ruimte aan agrarische ondernemers om daarin zelf keuzes te maken, rekening houdend met doelen en kaders van dit VLGG. De agrarische sector kan de gewenste ontwikkeling doormaken als de verschillende overheden de sector daarbij faciliteren en ondersteunen. Het doel voor de agrarische sector in dit VLGG is een toekomstbestendige en economisch rendabele land- en tuinbouw rekening houdend met doelen voor natuur, water, bodem en klimaat.
23
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
3.1.1. Huidige ontwikkelingen De Gelderse landbouw draagt in belangrijke mate bij aan de Nederlandse voedselproductie en zo aan voedselzekerheid en Europese en geopolitiek context. In Gelderland zijn bijna 9.000 bedrijven actief in alle sectoren van de land- en tuinbouw. In de Veluwe en Achterhoek zijn het vooral veehouderijbedrijven (totaal bijna 6.000). In het Rivierengebied zijn veel tuinbouwbedrijven (fruitteelt, laanbomen, glastuinbouw en paddenstoelen). Ongeveer 65% van de agrarische cultuurgrond wordt benut voor gras en voedergewassen. De Gelderse kalverhouderij is een kleine sector ten opzichte van de andere veeteeltsectoren, maar met 46% van alle vleeskalveren in Nederland een aanzienlijke sector in onze provincie. Van de pluimveesector bevindt zich 16% in Gelderland, van de geitenhouderij is dit 24%. De akkerbouw is een bescheiden sector in Gelderland (10% van het grondoppervlak). In Bijlage 7 is informatie over de verschillende sectoren opgenomen en zijn de mogelijke ontwikkelingen per sector benoemd. De landbouw in beweging Uit onderzoek van DLV Advies dat kennisdocument van dit VLGG is (zie Bijlage 4), blijkt dat circa de helft van de Gelderse boeren 60 jaar of ouder is, en nog geen kwart heeft momenteel een opvolger. Ook valt op dat met name in de kalverhouderij veel stallen verouderd zijn.
De varkenshouderij en de pluimveehouderij hebben al veel gedaan aan emissiereductie. De geitenhouderij zit op slot, maar daar ligt een groeipotentie door goede marktvooruitzichten. DLV Advies geeft aan dat in de komende 10 jaar het aantal boeren zal halveren en dat, mede door subsidieverplichtingen vanuit de overheid en door verschuiving van dieren naar andere provincies, ook de veestapel met ca. 30% gaat krimpen. Een deel van deze boeren maakt daartoe vrijwillig gebruik van de beëindigingsregelingen (LBV/LBV+) die nu openstaan. Door de autonome ontwikkeling van het verminderen van het aantal bedrijven kan de vitaliteit en leefbaarheid van sommige gebieden in onze provincie onder druk komen te staan. De afgelopen jaren nam de omvang van bedrijven nog toe maar de komende jaren zal dit – met name in de veehouderij – veel minder gebeuren, aldus de onderzoekers van DLV Advies. Dit komt mede door gebrek aan vergunningsruimte, hoge grondprijzen en moeite om financieringen rond te krijgen. DLV Advies geeft aan te verwachten dat meer agrariërs daarom gaan inzetten op verbreding, met zowel agrarische als niet-agrarische functies. Actualisatie Gelderse Kadernota Agrifood nodig Wij werken – naast dit VLGG – aan een update van de Kadernota Agrifood uit 2021. In de vastgestelde Kadernota wordt ingezet op doorontwikkeling naar natuurinclusieve kringlooplandbouw.
Gelet op de stikstofcrisis, de geopolitieke veranderingen, het nieuwe Coalitieakkoord ‘Gelderland: gewoon doen’ en het uitblijven van nationale perspectiefmaatregelen voor de landbouw, willen wij het beleidskader verbreden. Dat betekent dat we ook duurzame ontwikkelrichtingen als hoogproductief, hightech en multifunctioneel naast natuurinclusief ondersteunen. In deze paragraaf richten wij ons op de ontwikkeling van de landbouw in relatie tot de doelen voor natuur, water, bodem en klimaat. 3.1.2 Doelen en opgaven Een vitaal landelijk gebied stoelt onder meer op een gezonde plattelandseconomie. Een belangrijk onderdeel daarvan is een toekomstbestendige en rendabele agrarische sector die bijdraagt aan voedselzekerheid en aan doelen op het vlak van natuur, water, bodem en klimaat. Ons doel is om toekomstperspectief te bieden voor de ontwikkeling van agrarische sector binnen de kaders van de omgevingsdoelen. Wij willen ook dat boeren kunnen verdienen aan hun bijdragen aan die doelen. Wij zien daartoe veel bereidheid bij boeren. Daarop willen wij voortbouwen. Perspectief voor blijvende ondernemers De huidige en verwachte dynamiek in de landbouw, met enerzijds stoppers en anderzijds blijvers die willen ontwikkelen, biedt kansen. Volgens DLV Advies komen er de komende jaren veel landbouwgronden vrij van agrariërs die stoppen. Het adviesbureau schat dit op 38.000 ha.
Wij willen deze gronden grotendeels inzetten voor agrariërs die door willen gaan. Een deel kan daarnaast worden ingezet voor het realiseren van doelen voor natuur en water. Hiertoe willen we actief grondbeleid voeren. Voorts willen wij goede bruikbare
24
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
landbouwgrond zoveel beschikbaar houden voor de landbouw. Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond is een structurerende keuze in dit VLGG. Van agrariërs worden investeringen verwacht voor bijvoorbeeld maatregelen die leiden tot emissiereductie. Zolang dat niet door de markt wordt gecompenseerd met hogere prijzen, willen we agrariërs waar mogelijk financieel ondersteunen, maar ook de ruimte geven om het inkomen aan te vullen met neventakken. Zo voorzien wij een toenemende vraag naar recreatie op het platteland, ter verlichting van de recreatiedruk op de Veluwe, en een toenemende vraag naar alternatieve energie, bijvoorbeeld productie van biogas, of energie uit zon en wind. Uiteraard is de locatie van het bedrijf bepalend voor de mogelijkheden. De kunst is die mogelijkheden zoveel mogelijk te benutten. Daarom zullen wij ook als overheden de landbouwsector ondersteunen en faciliteren. Wij bieden boeren en tuinders samen met het Rijk een menukaart voor hun toekomstige ontwikkeling. Daarop staan meerdere opties: innoveren, omschakelen of verbreden, extensiveren, van functie veranderen naar niet-agrarische activiteiten of verplaatsen.
Als overheid willen we de landbouwsector faciliteren met subsidies, vergoedingen en andere faciliteiten, waardoor het aantrekkelijk wordt om vrijwillig stappen te zetten die enerzijds bijdragen aan een duurzaam verdienmodel en anderzijds passen binnen de kaders van natuur, water en klimaat. Belangrijk is dat de ondernemers in dit verband langjarig perspectief wordt geboden 3.1.3 Maatregelen In bijlage 7 schetsen wij de ontwikkelingen en kansen voor de verschillende veehouderijsectoren in onze provincie. Hieronder gaan we kort in op de mogelijke maatregelen, waarbij uitgangspunt is deelname op basis van vrijwilligheid: • Innoveren • Verbreden • Extensiveren • Vrijwillige beëindiging • Verplaatsing Innoveren Bij innoveren gaat het om technische maatregelen en managementmaatregelen. Om te kunnen innoveren is inzet nodig op bedrijfskennis en ondernemerschap. Daarvoor zijn goede bedrijfslocaties met ontwikkelmogelijkheden en houdbare vergunningen een voorwaarde. Daarbij helpt de aanwezigheid van een kennisnetwerken van boeren en partijen uit de agroketen en innovatieve kennisinstellingen. Deze is in Gelderland in ruime mate aanwezig.
Denk aan de Wageningen University and Research (WUR), Van Hall Larenstein en Aeres-groep, Resarch & Development-afdelingen van grote private bedrijven, en innovatiehubs zoals De Marke, Poultry Expertise Centre, Calf Expertise Centre, en het Innovatie- en Demonstratiecentrum Randwijk. Wij hebben innovatiemakelaars aangesteld die deze kennis voor onze agrariërs ontsluiten. En wanneer wij innovatieprojecten van deze instanties financieel steunen, verbinden we daaraan de voorwaarde om de opgebouwde kennis te delen. Reductie emissies Als belangrijke innovatiesporen zien we reductie van emissies van stikstof, broeikasgassen, fijnstof en zoönosen, alsmede de reductie van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit kan door het stimuleren van land- en tuinbouwinnovaties in de bedrijfsvoering en het management (zoals aanpassing van voer, weidegang, mesttoediening, inzet van natuurlijke plaagbestrijding, erkenning van groene gewasbeschermingsmiddelen en/of via het akkerbouwplan), technische vernieuwing van verouderde stallen en stalsystemen, het treffen van teelt-ondersteunende voorzieningen en het borgen van de zoetwatervoorziening. Innovaties vergen in veel gevallen vergunningverlening. Op dit moment is de vergunningverlening voor emissiereducerende technieken, gebaseerd op de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) lastig. Daarom
25
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
roepen wij, samen met de andere provincies, het Rijk op om hier snel weer perspectief in te brengen. Samen met de veehouderijsectoren en producenten zijn we bezig doorbraakinnovaties te ontwikkelen met nieuwe, borgbare emissiereducerende technieken. We ondersteunen daarmee de aanpak zoals geschetst door de Kwartiermaker Innovatieversnelling Veehouderij en brengen dit onder het nieuwe, nationale Regieorgaan voor innovatieversnelling. Het Regieorgaan moet ervoor gaan zorgen dat emissiereducerende technieken, maar ook emissiereducerende maatregelen in het management (zoals voer, mestaanwending en weidegang) versneld ontwikkeld, gevalideerd en erkend worden. Instrumenten In het VLGG-programma nemen we instrumentarium op dat de maatregelen ondersteunt. Mede op basis van de studie van DLV Advies houden we rekening met de volgende inschatting van de deelname aan stimuleringsregelingen: • Technische emissiereducerende maatregelen (stallen, mest): we verwachten dat zeker de helft van de blijvende veehouderijbedrijven mee gaat doen; • Voermaatregelen: we verwachten dat zeker 75% van de blijvende melkveehouders mee gaat doen, en 50% van de overige veehouders; • Mestvergisters: we zien potentie tot deelname bij 25% van de melkveehouders, en 50% bij de overige veehouders; • Overige innovaties: een deelname van nog eens 15%.
Belangrijk is dat geborgd wordt dat de maatregelen aantoonbaar bijdragen aan vermindering van emissies naar lucht, water en bodem en dat ze juridisch standhouden. Verbreden DLV Advies verwacht dat steeds minder agrariërs nog in schaal zullen gaan vergroten. De belangstelling voor verbreding (meerdere takken op het bedrijf) neemt daarentegen toe, aldus de onderzoekers. Het kan gaan om veehouders die kans zien om binnen hun vergunningsruimte te verbreden (zoals met akkerbouw of tuinbouw), maar ook is er marktvraag naar andere functies zoals zorgtaken (ouderen, kinderopvang), recreatiefuncties (minicamping, B&B), energieopwekking, korte ketenproductie en huisverkoop. Het gaat om multifunctionele landbouw of multifunctionele bedrijfsvoering. We schatten in dat er potentie is aan deelname aan verbreding bij 30% van de blijvende veehouderijbedrijven. Agrariërs geven aan, dat de beweging versneld kan worden als er voldoende ruimte voor is en risico’s voor omschakeling kunnen worden opgevangen, bijvoorbeeld via een fonds. Extensiveren In deze ontwikkelrichting zien we agrariërs het gebruik van gronden aanpassen aan doelen van natuur, water en klimaat, bijvoorbeeld door meer grondgebonden landbouw (met eigen voederwinning) en invoering van agrarisch natuurbeheer.
Langs kwetsbare watergangen en wateren wordt op grond van de afbouw van de derogatieregeling bemesting verminderd binnen een afstand van 3-5 meter en dit kan voor een aantal watergangen worden uitgebreid in ruil voor een vergoeding of compensatie. Natuurinclusieve landbouw Extensiveren van de bedrijfsvoering levert een bijdrage aan de doelen voor natuur, landschap, water en bodem. Er zijn grondgebonden boeren die willen doorontwikkelen of overgaan naar vormen van natuurinclusieve of biologische landbouw of naar agrarisch natuur en landschapsbeheer mits dat langjarig verdienvermogen biedt. Met name in de buurt van natuurgronden en kwetsbare wateren kan dit veel rendement opleveren voor het natuurlijk systeem en de landschappelijke kwaliteit. Maar ook als boeren elders overgaan tot natuurinclusieve landbouw draagt dit bij aan de biodiversiteit van het landelijk gebied en de landschappelijke kwaliteit. Natuurinclusieve landbouw is een economisch rendabel landbouwsysteem, dat optimaal beheer van natuurlijke hulpbronnen duurzaam integreert in bedrijfsvoering, inclusief zorg voor ecologische functies en de biodiversiteit op en om het bedrijf. In de kadernota Agrifood hebben wij vier niveaus onderscheiden – zie ook Bijlage 1.
In aansluiting op de Uitvoeringsagenda GMS en aanvragen die wij hebben gedaan voor financiële bijdragen van het ministerie van LNV voor natuurinclusieve landbouwprojecten, gaat het in het
26
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
kader van dit VLGG het om landbouw met bedrijfsvoering op tenminste het tweede niveau en bij voorkeur het derde en vierde voor effectieve bijdragen aan de doelen van dit VLGG. Dat wil zeggen dat op het bedrijf wordt gestuurd op verbetering van de functionele biodiversiteit door verbetering van bodem-, gewas- en diercycli, naast het ruimte geven voor natuurlijk gedrag van dieren, beheer van landschapselementen als ondersteuning voor de functionele agrobiodiversiteit en maatregelen ten aanzien van specifieke soorten. In de Uitvoeringsagenda GMS hebben wij vastgelegd dat wij streven naar een toename van het areaal Natuurinclusieve landbouw met 25.000 ha, met name rond natuurgebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en beken. Mogelijk is er veel meer belangstelling onder boeren voor doorontwikkelen naar natuurinclusieve landbouw ook elders, en kan het aantal hectares nog toenemen. Voor een deel kan op die gronden ook worden bijgedragen aan hydrologische herstel rond natte en stikstofgevoelige natuurgebieden. In de Uitvoeringsagenda GMS is daarvoor 20.000 ha genoemd. Zie ook paragraaf 3.2.
Instrumenten Om natuurinclusieve landbouw te stimuleren zetten we instrumenten in zoals: Bevordering van kennis over natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuur- en landschapsbeheer; Langjarige regelingen voor natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuur- en landschapsbeheer; Strategisch grondbeleid: bevorderen van bedrijfsvoering met een lagere veebezetting door toedeling van vrijkomende gronden en inzet van kavelruil. Inzet van het instrumentarium van de Wet Inrichting Landelijk gebied, met onder meer vrijwillige ruilverkaveling). Grondinstrumentarium dient een essentieel onderdeel te zijn van gebiedsprocessen, om daarmee in te spelen op de dynamiek in de landbouwsector. Regie op grondruil en aan- en verkoop is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheden en de landbouwsector. Wij komen na overleg met gemeenten, waterschappen en landbouworganisaties met een grondstrategie die ingaat op de vraagstukken van verwerving, toedeling van grond, financiering voor langjarige investeringen en gebiedsontwikkeling. Daarbij respecteren we de bestaande eigendoms- en pachtsituaties. Vrijwillige beëindiging Gelet op de leeftijd en opvolgingssituatie wordt door DLV Advies ingeschat dat 50% van de veehouderijbedrijven de komende jaren gaat beëindigen.
In Gelderland zijn in het kader van de Aanpak piekbelasting van het Rijk ruim 1.800 bedrijven aangewezen die in aanmerking komen voor de LBV+regeling. Daarnaast was er tot december jl. de algemene beëindigingsregeling LBV, en komt er later nog een MGB (maatregel gerichte beëindiging). Als de komende jaren veel bedrijven op vrijwillige basis van de regelingen gebruik gaan maken is het van belang de ruimte die dit aan grond en locaties biedt voor agrariërs die door willen, te benutten. Landbouwgronden blijven dan zoveel mogelijk in agrarisch gebruik en er blijft zo een sterke sociaaleconomische basis in het landelijk gebied. Functieverandering naar niet-agrarische activiteiten Waar agrarische ondernemers op vrijwillige basis stoppen zijn op de achterblijvende locatie, na sloop van de stallen, diverse vormen van functieverandering mogelijk naar niet-agrarische activiteiten. Die zijn afhankelijk van wat het bestemmingsplan daarover bepaalt. Het gaat vaak om wonen, recreatie, energieproductie, zorg, kleinschalig economisch en agrarisch gerelateerd gebruik zoals loonwerk en verwerking van agrarische producten. Wij gaan ervan uit dat het ook mogelijk wordt om in het kader van rood-voor-rood, nietagrarische bebouwing op andere locaties, bijvoorbeeld bij kernen mogelijk te maken. De gemeenten vervullen hierbij een centrale rol.
We willen het proces van functieverandering op de agrarische locaties ondersteunen door subsidie aan te bieden voor de financiering van een functieverandering ter plaatse. Wij schatten in dat in potentie zo’n 30% van de bedrijven hieraan mee kan gaan doen. Verplaatsing van agrarische activiteiten naar elders In sommige gebieden zijn de ontwikkelmogelijkheden voor agrarische bedrijven beperkt vanwege bijvoorbeeld de nabije ligging van woonkernen, natuurgebieden of vanwege wateropgaven. Wij willen perspectiefvolle agrarische bedrijven helpen verplaatsen naar elders waar agrarische percelen beschikbaar
27
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
komen vanwege bedrijfsbeëindiging en er per saldo milieuwinst kan worden gehaald – vermindering stikstofemissies. Pluimveebedrijven verplaatsen wij liever niet naar locaties nabij waterrijke natuurgebieden, in verband met het vogelgrieprisico. Ten aanzien van de afstand tot andere pluimveehouderijen willen wij, bij verplaatsing naar een nieuwe locatie, een afstand van minimaal 1 km aanhouden. 3.1.4 Hulp bij de keuzes De agrarische ondernemers die door willen, moeten hulp kunnen krijgen om hun ontwikkelpad af te stemmen op wat mogelijk is. Ons uitgangspunt is, dat de agrarische ondernemer zelf kiest welk ontwikkelpad het beste bij hem/haar past met in achtneming van de randvoorwaarden voor natuur, water, bodem en klimaat. We zien potentie voor begeleidings-, coachings- en adviestrajecten voor veel veehouders. Ook zien we op basis van contacten met veehouders een stijgende behoefte aan kennisvergaring en kennisdeling in bijvoorbeeld studieclubs en netwerken. Het gaat daarbij niet alleen om individuele agrariërs maar ook om agrariërs die met elkaar en mogelijk ook met niet-agrariërs samenwerken aan verbetering van condities voor natuur, water, bodem en klimaat: bijvoorbeeld in coöperaties en in korte keten samenwerkingsverbanden. Wij willen vormen van samenwerking nadrukkelijk faciliteren en ondersteunen.
Gewenste landelijke maatregelen Een aantal zaken moet landelijk worden opgepakt om perspectief te geven aan de landbouw. Het gaat om de onderwerpen die voor ons randvoorwaardelijk zijn voor de realisatie van de gewenste ontwikkelingen. We brengen deze punten steeds naar voren in ons overleg met het Rijk, en actie op deze punten is dan ook een harde voorwaarde voor ons. • Werken met juridisch houdbare doelvoorschriften, met name voor de reductie van emissies. Daarbij hoort een juridisch sluitende borging en erkenning van alle emissiereducerende maatregelen, zowel stalsystemen als voer- en managementmaatregelen. Doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften bieden per bedrijf ruimte voor passende maatregelen, ook financieel. Dat kan als de emissies en deposities van stikstof worden gemeten bij de bron (= in of nabij de stal) en in de natuurgebieden. Monitoring door te meten is van essentieel belang. Een dergelijke benadering dient de basis te worden in het stelsel van vergunningverlening, dat zich nu beperkt tot enkel (stal-)emissiefactoren, de Rav, en de rekenmodellen zoals Aerius. De nieuwe werkwijze met ‘meten = weten’ kan ook de twijfel wegnemen over de werking van emissiereducerende technieken, vergunningverlening weer juridisch houdbaar maken en bijdragen aan een groter draagvlak voor maatregelen bij de ondernemers.
• Bevordering van het dekken van extra kosten van bijvoorbeeld verduurzaming, circulaire landbouw, extensivering en/of biologische landbouw vanuit de markt. Dit kan door afspraken te maken met ketenpartijen en te bezien in hoeverre ook bij export meerwaarde te creëren is op aldus geproduceerde agrarische producten door certificeringen te ontwikkelen die in de EU erkend worden. • Langjarige zekerheid bieden bij de verstrekking van vergoedingen voor maatschappelijke diensten, zoals agrarisch beheer van landschap, ecosysteemdiensten en natuurinclusieve landbouw. Op dit moment belemmert (Europese) regelgeving het aangaan van langjarige verbintenissen. Die belemmering moet worden weggenomen. • Het regionaal sluiten van kringlopen door samenwerking tussen agrarische bedrijven heeft voorkeur. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om mest naar akkerbouwers en voedergewassen retour. Het nieuwe voorgenomen mestbeleid moet dat niet blokkeren. • Stoppen kan nog aantrekkelijker worden; veel ondernemers schuiven die beslissing voor zich uit. Het gaat dan om het wegnemen van fiscale belemmeringen die nu ontstaan door de regelgeving omtrent stakingswinsten. Vrijstellingen voor inzet van de herinvesteringsreserve (HIR) moeten worden verruimd, voor ondernemers die op een duurzame manier verder willen ondernemen. De opgaven en mogelijkheden verschillen per sector van de landbouw. Zie ook Bijlage 7.
28
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
Maatregelen op gemeentelijk niveau Op gemeentelijk niveau gaat het bij de ontwikkeling naar een vitaal landelijk gebied vooral om vergunningverlening en ruimtelijk beleid. Een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van land- en tuinbouw binnen het kader van dit VLGG is, dat er planologische bescherming van perspectiefvolle land- en tuinbouwgronden is. Functiewijziging is alleen aan de orde wanneer gronden noodzakelijk zijn voor ruimtelijke ordeningsdoelen. Inbreiden en functiecombinaties hebben de voorkeur boven functiewijziging. Ook vragen we legitimering om perspectiefvolle agrarische locaties, waarvan functiewijziging omwille van stikstofwinst werd opgelegd door een beëindigingssubsidie, te mogen ‘terugbestemmen’ naar landbouw, mits dat niet ten koste gaat van doelen voor natuur, water en klimaat (lock-in- effecten). 3.1.5 Particuliere gronden in agrarisch gebruik Hiervoor zijn wij ingegaan op de ontwikkeling van toekomstbestendige landbouw. Het gaat daarbij zowel om ontwikkeling van boerenbedrijven met eigen gronden als om ontwikkeling van boerenbedrijven die gronden en opstallen pachten van particuliere eigenaren, zoals particuliere landgoederen, terreinbeherende organisaties en overige grondeigenaren, waaronder bijvoorbeeld kerken, verzekeringsmaatschappijen, drinkwaterbedrijf Vitens. Naast private partijen zijn er ook overheden die gronden verpachten.
Wij nodigen de verpachters uit om bijdragen te leveren aan de doelen van het VLGG en ruimte te geven aan hun pachters om de ontwikkelingen door te zetten en waar nodig faciliteiten daarvoor te bieden. Waar nodig en mogelijk zullen wij samen met de rijksoverheid daarbij faciliteren. Het is aan de verpachters en pachters om onderling afspraken te maken over de ontwikkeling van de bedrijfsvoering en de consequenties daarvan. Daarnaast zijn er particuliere grondeigenaren die vee houden op hun gronden. Als hobbyboeren komen zij niet direct in aanmerking voor vergoedingen uit bijvoorbeeld het Gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB). Maar ook zij kunnen bijdragen aan versterking van de biodiversiteit in het landelijk gebied. Met de rijksoverheid bezien wij op welke wijze wij daarbij kunnen faciliteren.
3.2 Natuur in Gelderland: robuust systeemherstel
De provincie Gelderland zet in op robuust systeemherstel van de natuur om zo de biodiversiteit te verbeteren. Dat vergt maatregelen in de natuurgebieden, maar ook op agrarische gronden direct aangrenzend aan de natuurgebieden en op gronden die verderaf gelegen zijn om ook daar de biodiversiteit te verbeteren. Op basis van de bestaande Natura2000-beheerplannen en Gelderse programma’s voor natuurherstel en bomen en bos wordt daar al aan gewerkt. We bouwen daarop verder door beperkte uitbreiding van bos en natuur en het bevorderen van natuurinclusieve landbouw en agrarisch natuurbeheer, met name nabij natuurgebieden. Verbetering van de ecologische en hydrologische condities in delen van het landelijk gebied draagt bij aan de doelen voor de Natura2000-gebieden en aan de biodiversiteit in de rest van het landelijk gebied. Daarvoor is ook nodig dat verbindingen tussen natuurgebieden in de vorm van landschappelijke elementen (groen-blauwe dooradering) worden versterkt.
De doelen voor natuur uit het ontwerp-NPLG zijn ook de algemene doelen voor het VLGG: • voor ten minste 30% van de in 2019 in een ongunstige staat van instandhouding (SvI) verkerende VHR-soorten en habitattypen in 2030 een landelijk gunstige SvI bereiken, dan wel een sterk positieve trend in gang zetten; • herstel en verbetering van de biodiversiteit in het landelijk gebied; • ondersteunend doel: in 2050 10% groen-blauwe dooradering in het landelijk gebied buiten de natuurgebieden (de helft daarvan in 2030) en daarbij versterking van de kwaliteit van het landschap.
29
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
3.2.1 Huidige ontwikkelingen Gelderland is de groenste provincie van Nederland: 20% van alle landnatuur in Nederland is te vinden in Gelderland. In de provincie liggen 15 Natura2000-gebieden, gebieden met natte landnatuur en nog vele andere natuurgebieden. Samen vormen ze het Gelders natuurnetwerk (GNN). Ook buiten die gebieden zijn natuurkwaliteiten aanwezig, onder andere in de vorm van groene en blauwe landschapselementen. Voor de bescherming en ontwikkeling van de natuurkwaliteiten in het landelijk gebied heeft de provincie de Groene Ontwikkelingszone en ecologische verbindingszones aangewezen – opgenomen in de Omgevingsvisie uit 2018. De natuur in onze provincie staat onder druk onder meer door te veel stikstof, droogte en versnippering van natuur. De biodiversiteit gaat achteruit, blijkt uit diverse wetenschappelijke studies waaronder de natuurdoelanalyses naar de Natura2000-gebieden in onze provincie. Met dit programma zetten we een stap naar een vitalere natuur door middel van robuust systeemherstel voor natuur, water en bodem. Deels gaat het om opgaven die al vastliggen in bestaand Gelders beleid, waaronder het Natuurpact, Natura2000beheerplannen, Uitvoeringsprogramma Bomen & Bos en de Uitvoeringsagenda GMS. Voor een klein deel gaat het om nieuw beleid, dit betreft de maatregelen voor groen-blauwe dooradering in het landelijk gebied buiten de bestaande natuurgebieden.
We werken sinds 2013 aan het Gelders Natuurnetwerk. Dit is overeengekomen in het Natuurpact 2013 tot en met 2027. Van de 8.400 ha moet nog ca. 2.230 ha worden ingericht als natuur (stand 1-1-2023).
Figuur 4. Gelders natuurnetwerk (met Natura2000-gebieden), Groene Ontwikkelingszone, Natte landnatuur, stikstofgevoelige gebieden en ecologische verbindingszones. Bron: Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, 2018
De Natura2000-beheerplannen (vastgesteld door GS) beschrijven hoe de Natura2000-gebieden in stand worden gehouden door de terreinbeheerders. Recentelijk zijn de meeste beheerplannen vernieuwd, waarbij is aangegeven dat het wenselijk is om de condities voor de natuur in veel gebieden te verbeteren. Dat kan grotendeels door maatregelen in de natuurgebieden zelf, zoals verbeteren bodems, verwijderen bosopslag en/of invasieve exoten, verbetering waterhuishouding, maar ook zijn er daarbuiten aanpassingen nodig zoals
30
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
verbindingszones, hogere grondwaterstanden, minder stikstofemissie. Bijlage 3 geeft een overzicht van de Natura2000-beheerplannen in onze provincie. In het Uitvoeringsprogramma Bomen en Bos uit 2020 hebben we opgenomen 1.200 ha bos aan te leggen door gronden binnen natuurgebieden hier en daar om te vormen naar natuurbos en door ooibos aan te leggen in uiterwaarden die Natura2000-gebied zijn (dit als onderdeel van de afronding van het GNN). Daarnaast is de opgave om in het landelijk gebied 1.000 ha extra bos aan te leggen, deels als compensatiebos. Dit bos draagt bij aan de klimaatdoelstelling (door vastleggen van CO2), aan doelen voor waterkwaliteit en kwantiteit en aan de landschappelijke kwaliteit. Ook hebben bossen vaak een belangrijke recreatieve waarde. In de Uitvoeringsagenda GMS uit 2020 zijn voor de periode 2021-2025 natuurherstelmaatregelen opgenomen die mede dienen om de effecten van te hoge stikstofbelasting op de natuur te verminderen: uitbreiding natuur, stimuleren natuurinclusieve landbouw en hydrologische herstelmaatregelen op landbouwgronden rond natuurgebieden – zie verder paragraaf 3.3. 3.2.2 Doelen en opgaven We willen een goede basiskwaliteit (de minimale kwaliteit van het leefgebied van soorten die nodig om deze in stand te houden) van de natuur in Gelderland bereiken, zowel binnen als buiten de natuurgebieden.
Daarmee kan de biodiversiteit in het landelijk gebied als geheel verbeteren. Meer specifiek streven we naar het realiseren van condities die nodig zijn voor een gunstige staat van instandhouding van alle soorten en habitats die onder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) vallen. Vooreerst werken we aan het realiseren van 30% meer doelbereik voor de VHR-natuurtypen en soorten. Dit doel is door het Rijk nader gespecificeerd in vier samenhangende VHR-doelen die ingaan op de specifieke condities voor het realiseren van VHRdoelbereik en samen invulling geven aan de 30%-opgave (ontwerp NPLG, pag.25). 1. Uiterlijk in 2030 moeten maatregelen getroffen zijn zodat voor ten minste 30% van de in 2019 in een ongunstige Staat van Instandhouding (oSvI) verkerende VHR-soorten en -habitattypen een landelijk gunstige Staat van Instandhouding (gSvI) wordt bereikt, dan wel een sterk positieve trend in gang gezet wordt. 2. Uiterlijk in 2030 moeten de landelijke negatieve trends van alle VHR-soorten en -habitattypen zoveel mogelijk stoppen. 3. Uiterlijk in 2030 moeten maatregelen getroffen zijn om 30% van het totale areaal van habitattypen en van de leefgebieden van soorten dat niet in goede conditie is in goede conditie te brengen: kwaliteitsverbetering. 4.
Uiterlijk in 2030 moeten maatregelen getroffen zijn om 30% van het te ontwikkelen areaal dat noodzakelijk is voor een gSvI van de habitattypen en van de leefgebieden van soorten te realiseren. Bovenstaande doelen zijn niet los van elkaar te zien en kunnen waar mogelijk in samenhang worden gerealiseerd. Het ministerie van LNV heeft per provincie aangegeven hoeveel hectares natuur en ‘agrarische natuur’ (dit is landbouwgrond met beheermaatregelen/ natuurwaarden) nodig zijn om de 4e subdoelstelling te halen. Voor Gelderland gaat het om 2.172 ha resp. 15.300 ha (zie bijlage 5 voor de VHR-tabel Gelderland). Gelderland werkt met het bestaande beleid al meerdere jaren aan de vier bovengenoemde doelen en voegt daar nog de opgave voor groen-blauwe dooradering aan toe. Daarnaast geven we in dit VLGG een meer concrete uitwerking aan de natuuropgaven voor de deelgebieden Veluwe, Achterhoek-Liemers en Rivierengebied. Om de natuurdoelen te halen zijn maatregelen nodig in zowel de Natura2000-gebieden, in de directe omgeving van deze gebieden als in het overige landelijke gebied. Onderstaande tabel biedt een overzicht van deze opgaven.
31
CONCEPT, maart 2024
VersterkingNatura2000-gebieden en de overige natuurgebieden in het GNN.
Vitaal landelijk gebied Gelderland
. Afronding van de opgave voor het Gelderse Natuurnetwerk (Natuurpact 2013) in 2027. . Uitvoering van beheerplannen voor vijftien Natura2000-gebieden, waarvan de meeste recent zijn geactualiseerd. . Herstel van natte landnatuur, zoals omschreven in Omgevingsvisie en -verordening. . Uitvoering van het programma voor Bomen en Bos, bosrevitalisering en extra bosaanleg binnen natuurgebieden.
Verbetering van de biodiversiteit rondom Natura2000-gebieden.
. Versterking van groen-blauwe landschapsstructuren en van ecologische verbindingen tussen Natura2000-gebieden en andere natuurgebieden. . Verbetering van hydrologische condities door maatregelen in het watersysteem, mede vanuit bestaand waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeleid. . Extensivering van agrarisch gebruik, verlaging van de stikstofemissies, verlaging van het gebruik van chemische stoffen en verhoging van de biodiversiteit van agrarische gronden, conform GMS en Natura2000-beheerplannen.
Verbetering van de biodiversiteit in het landelijke gebied.
. Bescherming van specifieke dier- en plantensoorten, ook buiten het GNN; bevordering van biodiversiteit (basiskwaliteit natuur). . Terugdringen van invasieve exoten (planten, diersoorten). . Versterking van groen-blauwe landschapsstructuren (groenblauwe dooradering GBDA) en van verbindingszones tussen natuurgebieden. . Uitvoering van het programma voor Bomen en Bos, zoals aanleg van extra bos, voor klimaatdoelen en als compensatie voor boskap binnen natuurgebieden.
Tabel 1. Opgaven voor robuust natuurherstel in de provincie Gelderland Door het uitwerken en uitvoeren van deze opgaven, grotendeels als onderdeel van bestaande plannen, verwachten we in 2030 de gestelde VHR-doelen te kunnen halen. De drie deelopgaven voor robuust natuurherstel worden in de paragrafen hieronder toegelicht.
3.2.3 Maatregelen om bestaande natuurgebieden te versterken De volgende maatregelen dragen bij aan de versterking van de bestaande Natura2000-gebieden en overige natuurgebieden in het GNN. Afronding opgave uitbreiding GNN Op basis van het landelijke Natuurpact werkt de provincie sinds 2013 aan het versterken en uitbreiden van bestaande natuurgebieden met in totaal 8.400 ha. De resterende opgave is 2.230 ha (stand 1-1-2023). Het gaat hierbij om inrichting, de benodigde gronden zijn verworven of in aanvraag. Met deze opgave hebben we
32
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
de afgelopen 10 jaar in Gelderland een grote bijdrage geleverd aan het in standhouden van soorten en habitats die vallen onder VHR. Versterking van Natura2000-gebieden Uit de recent opgestelde natuurdoelanalyses blijkt dat de natuurkwaliteiten in onze Natura2000-gebieden onder druk staan, onder meer door te veel stikstof, door droogte en door versnippering van natuur. De natuurdoelanalyses zijn een van de kennisdocumenten van dit VLGG (zie bijlage 4). Maatregelen voor versterking van de Natura2000-gebieden zijn opgenomen in de beheerplannen. Voor de meeste gebieden zijn de herstelmaatregelen uit de eerste generatie beheerplannen uitgevoerd en hebben wij de beheerplannen geactualiseerd. Daardoor werken we de komende periode op basis van de meest actuele informatie over de staat van de natuur aan gerichte, aanvullende maatregelen om de VHR-doelen voor deze gebieden te bereiken. Hiervoor is het bij enkele Natura2000-gebieden ook nodig om maatregelen buiten de Natura2000begrenzing te nemen. Extra bos en revitalisering van bos Op basis van het Uitvoeringsprogramma Bomen en Bos willen we ca. 9.000 ha bos revitaliseren en ca. 1.200 ha bos realiseren binnen bestaande natuurgebieden We denken hierbij onder meer aan het omvormen van soortenarme graslanden naar bos. Daarnaast gaat het om aanleg van ooibos in uitwaarden met een Natura2000 status.
Hiermee kunnen ook VHR-doelen voor bos worden gerealiseerd. We gaan hierover in gesprek met terreineigenaren en -beheerders. Herstel natte landnatuur In 2014 heeft de provincie 70 herstelgebieden natte landnatuur aangewezen om daar met voorrang de hydrologische omstandigheden te verbeteren. Het tegengaan van verdroging van natte landnatuurgebieden draagt bij aan behalen van de VHR-doelen. Het gaat om ongeveer 13.000 hectare landnatuur die afhankelijk is van specifieke grondwateromstandigheden. Voorbeelden van gebieden waar aan natte natuur is gewerkt zijn de Bloemkampen, Vossenbroek, Koolmansdijk en Hagenbeek. 3.2.4. Versterken biodiversiteit rondom Natura2000-natuurgebieden De wenselijkheid van maatregelen voor het versterken van biodiversiteit buiten stikstofgevoelige Natura2000-gebieden volgt mede uit de Natura2000-beheerplannen en natuurdoelanalyses. De wettelijke instandhoudingsdoelen worden niet gehaald als we alleen maatregelen binnen de natuurgebieden uitvoeren. Dit komt door te hoge stikstofdeposities in die gebieden, ontoereikende hydrologische condities en te beperkte verbindingen met andere natuurgebieden. Aanvullende maatregelen zijn daarom opgenomen in de beheerplannen en hebben op basis daarvan een verplichtende status.
Het gaat onder andere om aanpassingen van agrarisch grondgebruik rondom Natura2000 gebieden en op enclaves gelegen op de Veluwe, aanpassingen in het bodem- en watersysteem en het ontwikkelen van ecologische verbindingen. Maatregelen voor robuust systeemherstel Naast de maatregelen uit de beheerplannen zijn er in bredere zin aanpassingen nodig rond de Natura2000gebieden om te komen tot robuust systeemherstel. We hebben dit voor elk Natura2000-gebied onderzocht en opgenomen in de kennisdocumenten ‘Mogelijke maatregelen overgangsgebieden Natura2000’ van juli 2023 (zie Bijlage 4). Het gaat om ecologische en hydrologische maatregelen die de condities voor robuust natuurherstel in en rond de Natura2000-gebieden verbeteren. Ook de aanleg van extra bos draagt daaraan bij. De maatregelen vergen soms aanpassingen in het landbouwkundig gebruik van de betreffende gronden, zoals natuurbeheermaatregelen of een overgang naar natuurinclusieve landbouw. Daarnaast gaat het om aanpassing van landbouwbedrijvigheid gericht op vermindering van stikstofemissies.
33
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
Voor de opgave voor natuur buiten de Natura2000-gebieden gaan we vooralsnog uit van 1.000 ha, dit als nadere uitwerking van de natuuropgave die al in het programma Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS) is opgenomen en rekening houdend met mogelijkheden voor ruimtelijke stapeling. Wáár deze hectares en mogelijke maatregelen worden gerealiseerd ligt nog niet vast. We willen dit nader bepalen in de gebiedsprocessen en projecten door samen met overheden, landbouworganisaties, natuurorganisaties en inwoners opgaven uit te werken en ruimtelijk te stapelen. Hiervoor kunnen de VLGG-kennisdocumenten worden gebruikt. Daarin staan voor de omgeving van elk Natura2000-gebied mogelijke maatregelen zoals landschapselementen, natuurakkers, bloemrijke graslanden en aanpassing van het watersysteem. De kennisdocumenten tonen zoekgebieden waarbinnen de natuurhectares potentieel het beste gerealiseerd kunnen worden. Daar waar een gebiedsproces gaat starten (of al loopt) werken wij de natuurhectares uit voor de specifieke habitattypen en -soorten uit de VHR-tabel voor Gelderland (zie bijlage 5). Wij zetten in op vrijwillige uitvoering van de maatregelen, tenzij er een verplichting geldt vanuit de Wet Natuurbescherming, de Kaderrichtlijn Water of de mestwetgeving. Uitgangspunt is dat er perspectief is en blijft voor landbouw in de gebieden, met zoveel mogelijk behoud van landbouwareaal.
Er kunnen ook andere, minder belastende economische functies zoals wonen of recreatie passend zijn. 3.2.5. Versterken biodiversiteit in overig landelijk gebied De inzet voor biodiversiteit is ook in het overige landelijke gebied wenselijk om de basiskwaliteit natuur te realiseren en meer specifiek bij te dragen aan het gewenste VHR-doelbereik, bijvoorbeeld voor weidevogels, kleine zoogdieren en amfibieën, reptielen en insecten. Het gaat om soortgelijke maatregelen als in de vorige paragraaf genoemd. Groen-blauwe landschapsstructuren en ecologische verbindingszones Versterken van groene en blauwe landschapsstructuren, de zogenoemde ‘groen-blauwe dooradering’ van het landschap kan sterk bijdragen aan de biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit. In navolging van het landelijke Aanvalsplan Landschapselementen streven wij naar verbetering van bestaande landschapselementen en uitbreiding van natte en droge elementen. Het streefbeeld voor 2050 is te komen tot een bedekking tot 10% van het landelijk gebied en de helft daarvan in 2030. Het gaat om kleine natuur- en landschapselementen van maximaal een paar hectare (dus geen bos) die ons Gelders landschap in belangrijke mate vormgeven en als punten, vlakken of stroken (lijnen) aanwezig zijn. Ecologisch beheerde sloten kunnen ook tot landschapselementen gerekend worden, evenals kruidenrijke akkerranden.
Aanpassing van beekoevers en aanleg van haagbeplantingen kunnen bijdragen aan de karakteristiek van het agrarisch cultuurlandschap. Daarbij wordt ook het belevingsaspect betrokken door aanleg van landschapselementen te combineren met recreatieve paden.
Uit ons onderzoek in 2022 naar landschaps- en natuurelementen per gemeente blijkt dat op dit moment in Gelderland gemiddeld 7,5% groen-blauwe dooradering aanwezig is (kennisdocument VLGG, zie Bijlage 4). De ecologische kwaliteit daarvan is echter wisselend en deels ontoereikend om te kunnen bijdragen aan doelen van biodiversiteit. Daarom is niet alleen uitbreiding maar ook kwaliteitsverbetering van belang. We gaan vooralsnog uit van een verbeteropgave van 1.000 ha en een uitbreidingsopgave van 1.000 ha. In de VHRtabel voor Gelderland (zie bijlage 5) is onder de noemer ‘dooradering’ een opgave van 3.200 ha tot en met 2030 opgenomen. Deze omvang achten wij niet in ca. 5 jaar uitvoerbaar en financierbaar, vandaar dat wij inzetten op 1.000 ha tot en met 2030. Uitbreiding van landschapselementen betekent niet zonder meer dat de grond van functie moet veranderen. De grond kan vaak agrarisch blijven. We nodigen agrariërs uit mee te denken hoe zij hieraan bij kunnen dragen via agrarisch natuurbeheer. In Gelderland zijn al ruim 20 jaar geleden natte en droge ecologische verbindingszones aangewezen. Uit het onderzoek in 2022 blijkt, dat een groot deel van deze zones nog niet is ingericht conform de daarvoor geldende ecologische modellen. Deze verbindingen zijn deels te realiseren met de aanleg en verbetering van groene en/of blauwe landschapselementen – dit zijn koppelkansen.
34
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
Extra bomen en bos Vanuit het Uitvoeringsprogramma Bomen en Bos is voor extra bos in het landelijk gebied 1.000 ha, deels als compensatie voor boskap binnen bestaande natuurgebieden. We zien veel mogelijkheden om deze opgave te realiseren in combinatie met de andere opgaven in het landelijk gebied zoals water (beekherstel), klimaat (vastleggen CO2) en ook voor bijvoorbeeld wonen (recreatieve stedelijke uitloopgebieden). Daar waar een gebiedsproces gaat starten (of al loopt) werken wij de boshectares voor dat gebied nader ruimtelijk uit. Bescherming soorten en bestrijden exoten Soortenbescherming Op basis van onze verantwoordelijkheid voor de instandhouding van inheemse soorten planten en dieren treffen we ook buiten de Natura2000-gebieden maatregelen voor bedreigde soorten. We richten ons op soorten die onvoldoende baat hebben bij al bestaande natuurherstelmaatregelen en beheer, bijvoorbeeld op instandhouding van de laatste populatie wrattenbijters (een sprinkhanensoort) in Nederland. In het landelijk gebied buiten het Gelders natuurnetwerk werken we aan bescherming van soorten zoals bedreigde vleermuizen (beschermen kerkzolders), otter en bever (aanleg van faunavoorzieningen). Daarnaast willen we voor enkele soorten die in het landelijk gebied voorkomen de belangrijkste leefgebieden aanduiden en de gewenste inrichting en beheer stimuleren. Bij dit laatste gaat het o.a.
om sterkere groen-blauwe dooradering en betere ecologische verbindingen. De informatie over leefgebieden dient mede als input voor nieuwe (of lopende) gebiedsprocessen. Ook met deze inzet dragen we bij aan het realiseren van de VHR-doelen voor Gelderland (zie bijlage 5). Wij sluiten voor onze veenweidegebieden aan bij het landelijke Aanvalsplan Grutto om broedgebieden van deze voor Nederland belangrijke weidevogel beter te beschermen en zo de soort in Nederland in stand te houden. Hiervoor zien wij mogelijkheden in gebieden nabij de Veluwe-randmeren. Aanpak invasieve exoten Onze aanpak tegen invasieve exoten bestaat enerzijds uit het – waar mogelijk – beheersen van soorten die zich al gevestigd hebben en is anderzijds gericht op het uitroeien van nieuwe invasieve exoten. De prioriteit voor dit thema ligt bij de natuurgebieden maar we kijken hiervoor ook naar het overige landelijke gebied. Voor beheersen van soorten faciliteren we terreinbeheerders en is het van belang bestaande bestrijding meerjarig voort te zetten. Voor soortenbestrijding voeren we eerste verkenningen uit. Het gaat dan met name om soorten als de kleine waterteunisbloem, marmerkreeft, Aziatische hoornaar en hemelboom.
3.3 Gelderse aanpak stikstof
Vermindering van stikstofdepositie in natuurgebieden vergt vermindering van stikstofemissies uit landbouw, industrie, verkeer en bouwen en wonen. Daarvoor hebben wij in 2020 een aanpak ontwikkeld in de Uitvoeringsagenda Gelderse Maatregelen Stikstof (GMS). Die aanpak wordt voortgezet in dit VLGG. In heel Gelderland is vermindering van emissies nodig om zo bij te dragen aan vermindering van de ‘stikstofdeken’. De landbouw is een belangrijke bron van stikstofemissie in onze provincie. Voor Gelderland is voor de landbouw een doelstelling afgesproken tussen de provincie en het Rijk van 7,511 kiloton reductie van emissie van stikstof (NH3). Dit betekent in onze provincie een gemiddelde vermindering van de stikstofemissies afkomstig van de landbouw van 42% in 2035 ten opzichte van 2018. Per regio verschilt dit percentage, afhankelijk van kenmerken van de agrarische bedrijvigheid en de aanwezige natuur. Nabij natuurgebieden, op een afstand van 500 à 1.000 meter, is reductie van stikstofemissies het meest effectief, blijkt uit wetenschappelijke studies.
Wij kiezen ervoor om in de gebieden die direct grenzen aan natura2000-gebieden en waar veelal gestapelde opgaven zijn, agrarische bedrijven te stimuleren om emissies te reduceren en met gerichte, gebiedsspecifieke maatregelen de biodiversiteit te verhogen door ecologische en hydrologische condities te verbeteren, via onder meer aanleg van natuur- en landschapselementen, agrarisch natuurbeheer en/of natuurinclusieve landbouw.
35
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
In het ontwerp NPLG is het voor stikstof als doel gesteld dat in 2035: 74% areaal van stikstof-gevoelige habitats in Natura2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde ligt. Huidige ontwikkelingen Structureel behoud en herstel van natuurwaarden vergt naast herstelmaatregelen ook vermindering van de stikstofdepositie in de Natura2000-gebieden, als gevolg van emissies van de stikstofverbindingen ammoniak (NH3) en NOx. Zonder verlaging van de emissies die zorgen voor deze stikstofdepositie zijn de herstelmaatregelen niet effectief en zijn de verbeteringen niet structureel gewaarborgd. De depositie van stikstof is in veel Natura2000-gebieden te hoog waardoor VHR-doelbereik en/of het tegengaan van verslechtering van VHR-soorten en -habitattypen op veel plekken niet wordt gehaald. We integreren daarom de Uitvoeringsagenda GMS in dit VLGG-programma en zetten de aanpak ervan door. Aanpak van de stikstofuitstoot geeft op termijn ook ruimte voor economische ontwikkeling en mogelijkheden voor woningbouw en utilitaire bouw.
Onze provincie kent het grootste areaal stikstofgevoelige natuur in de Nederlandse Natura2000-gebieden. Bovendien is de depositie van stikstof in de meeste van deze gebieden hoog. Dit komt onder meer door het grote aantal, vooral agrarische stikstofbronnen en op veel locaties de beperkte afstand tussen emitterende landbouwbedrijven en de natuurgebieden. Onderstaande figuur 5 toont twee kaarten die inzicht geven in de in de stikstofdepositie in de Gelderse Natura2000-gebieden en in de overschrijding van de kritische depositiewaarden in de Natura2000-gebieden.
36
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
Figuur 5. De depositie en de overschrijding van de kritische depositie waarden in Gelderse Natura2000-gebieden. In het onderste deel van de figuur is de overschrijding van de Kritische depositiewaarde (KDW) aangegeven. Dit sluit aan bij de omgevingswaarden die in de Omgevingswet worden genoemd. In navolging van het advies van Remkes wordt samen met landbouworganisaties, natuurorganisaties en provincies op rijksniveau verkend of een alternatief mogelijk is voor de KDW als een ook juridisch houdbaar, sturingsinstrument.
De stikstof die in de gebieden neerslaat kent verschillende bronnen. Zoals onderstaande figuur 6 laat zien, is 41% afkomstig van landbouw binnen Gelderland en 29% van landbouw buiten de provincie. De overige 30% is verdeeld over verschillende bronnen binnen en buiten Gelderland. Daarnaast dragen de Gelderse emissiebronnen ook bij aan de te hoge stikstofconcentraties in de Nederlandse stikstofdeken en daarmee aan de depositie op stikstofgevoelige natuurgebieden in andere provincies, zoals in Brabant, Utrecht en Overijssel.
Figuur 6. Herkomst depositie op stikstofgevoelige Gelderse Natura2000-gebieden. Bron GMS 2021-2025.
Onderstaande figuur 7 uit het Gelders Gebiedsplan stikstofreductie en natuurherstel 2023 laat zien waar de Nederlandse bronnen van de stikstofdepositie in de Gelderse gebieden liggen.
37
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
Figuur 7. Totaalbeeld van de herkomst van de deposities van landbouw, industrie, verkeer en vervoer, overige sectoren. Bron: Gelders Gebiedsplan, juli 2023. De kaart laat zien dat de bronnen die het meeste bijdragen aan hoge depositie (> 25.000 mol per jaar) nagenoeg allemaal in de provincie Gelderland liggen. Uit nadere informatie uit het Gelderse Gebiedsplan blijkt dat het hierbij gaat om de agrarische stikstofbronnen die vooral in Gelderland zijn gelegen en specifiek vooral rond de Veluwe. De kaart toont ook dat verkeersaders zoals de wegen A1, A12, A28 en A50 en in mindere mate de vaarwegen, regionale bronnen zijn. Ook landbouw buiten Gelderland en andere bronnen (vooral verkeer en industrie) binnen en buiten Gelderland zijn van invloed. Ontwikkelingen Nadat de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) in 2019 sneuvelde, heeft provincie Gelderland in 2020 de Uitvoeringsagenda GMS vastgesteld. Het programma bevat maatregelen die moeten leiden tot een reductie van de stikstofdepositie in natuurgebieden. De combinatie van generieke maatregelen van de rijksoverheid, de gebiedsgerichte inzet van rijksmaatregelen en provinciale maatregelen rondom innovatie en vrijwillige opkoop, inclusief de gebiedsgerichte inzet van versnellingsgelden, dient te leiden tot de noodzakelijke stikstofreductie.
De Uitvoeringsagenda GMS richt zich op bijdragen vanuit alle sectoren: naast landbouw ook industrie, bouwen en wonen en gemotoriseerd verkeer. Bij het sneuvelen van de PAS zijn de zogenoemde PAS-melders in grote onzekerheid gekomen. Het is van belang dat zo snel mogelijk een oplossing wordt gevonden voor de problemen van deze groep ondernemers. Dit vraagt om een aanpak die bij de rechter aan kan tonen dat instandhoudingsdoelstellingen voor de natuur daadwerkelijk gerealiseerd worden. Overheden, landbouw en industrie gaan in gesprek over de wenselijkheid en het vorm geven van een zogenaamde geborgde aanpak voor de realisatie van reductie van emissies, natuurherstel en de verbetering van de (grond-) waterkwaliteit, met zekerheid en tijdig worden uitgevoerd. Doelen en opgaven De Uitvoeringsagenda GMS sluit aan bij de landelijke en in de Wet Natuurbeheer vastgestelde doelstelling voor stikstofreductie. Hierbij moet ten minste gemiddeld 40% van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden in 2025 op of onder de kritische depositiewaarde (KDW) zijn gebracht, 50% onder de KDW in 2030 en 74% onder de KDW in 2035. In dit programma voor VLGG nemen wij deze GMS-doelstellingen over en zetten wij een volgende stap met een concrete en integrale uitwerking van de maatregelen.
38
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
Reductie emissies van de landbouw Binnen het NPLG ligt de focus op reductie van het stikstofaandeel van de landbouw. Het landbouwaandeel is daarbij vertaald naar regionale reductiedoelen van NH3. Op verzoek van provincies zijn de regionale doelen gericht op emissiereductie en niet in directe zin op depositie. De landelijke doelstelling is om 74% van het areaal van stikstofgevoelige Natura2000-gebieden in 2035 onder de KDW te brengen. Dit is in het ontwerpNPLG voor Gelderland vertaald in een indicatieve reductieopgave van 7,511 kiloton van stikstofemissie (NH3) vanwege de landbouw, te realiseren in 2035 ten opzichte van het peiljaar 2018. Dit komt overeen met een algehele emissiereductie in Gelderland van gemiddeld 42%. De noodzakelijke emissiereductie is niet overal gelijk in de provincie. In de kennisdocumenten van dit VLGG heeft de WUR berekend wat de opgaven voor de verschillende bestuurlijke regio’s zijn, gelet op de aanwezige natuurgebieden en landbouwsectoren. Het kennisdocument van DLV Advies gaat in op de mogelijkheden voor emissiereductie die er zijn gelet op de ontwikkelingen van de landbouw. Ook benoemt DLV-advies de maatregelen en instrumenten die de overheden kunnen inzetten (zie paragraaf 3.1). In tabel 7 in hoofdstuk 12 zijn de opgaven per bestuurlijke regio opgenomen.
Reductie van emissies van andere sectoren Niet alleen landbouw, ook andere sectoren moeten bijdragen aan verlaging van de stikstofdeken en daarmee aan de vermindering van de stikstofdepositie in natuurgebieden. Het Rijk heeft al maatregelen afgesproken in de mobiliteit en de industrie. Met de Uitvoeringsagenda GMS zetten wij in op aanvullende reductie in deze sectoren. Wij willen de verduurzaming van de landbouw, industrie, bouw en mobiliteit versnellen en zo ook bijdragen aan de versnelling van maatschappelijke opgaven op het vlak van klimaat. In uitvoeringsplannen voor die sectoren zullen maatregelen worden opgenomen die stikstofuitstoot voorkomen of compenseren. Opgaven voor reductie van stikstofemissies werken door in opgaven zoals de verstedelijkingsopgave van de provincie. Niet alles kan overal. Bij de uitwerking van het ruimtelijk voorstel in de regioarrangementen, de gebiedsuitwerkingen per regio en de actualisatie van de Omgevingsvisie moet duidelijk worden wat waar wel en niet kan. Wij gaan ervan uit dat maatregelen ter vermindering van stikstofemissies van verschillende bronnen ook bijdragen aan vermindering van de broeikasgassen in het kader van de klimaatdoelen en vice versa – zie paragraaf 3.5.
Inzet op emissieverlaging is overal in Gelderland nodig Uit verschillende studies van WUR, RIVM en UvA naar het gedrag stikstofemissie en de herkomst van stikstofdepositie blijkt dat de concentratie van ammoniak (NH3) zich vanaf de bron snel verdunt. De hoogste depositie vindt plaats nabij de bron. De meeste depositie van een emissiebron vindt daarentegen plaats op grotere afstand. Op 1 kilometer is de depositie al 100 maal kleiner dan dicht bij de bron, maar op 1 kilometer van de bron is pas 20% van de uitstoot neergeslagen en op 100 kilometer is dit 60%. Dit maakt dat maatregelen voor emissiebeperking niet alleen dicht bij natuurgebieden maar overal in Gelderland nodig zijn om de concentraties in de stikstofdeken te verlagen en daarmee bij te dragen aan lagere stikstofdeposities in onze provincie en in heel Nederland. Daarom stimuleren wij ondernemers en betrokken partijen in heel Gelderland om emissiebeperkende maatregelen te nemen (zie paragraaf 3.1). Extra inzet in gebieden nabij Natura2000-gebieden (tot 500 á 1.000m) is extra effectief. Emissies van stikstof dicht bij de Natura2000-gebieden leveren een relatief grotere bijdrage aan de stikstofdepositie dan de verder weggelegen emissies.
De UvA-praktijkstudie (met metingen) naar de depositie rond melkveebedrijven laat zien dat circa 10% van de emissie binnen 500 meter van de bron neerslaat en dat de rest van de emissie in hogere lagen van de atmosfeer terecht komt (in de stikstofdeken).
39
CONCEPT, maart 2024
Vitaal landelijk gebied Gelderland
In de WUR-scenariostudie voor dit VLGG is berekend dat 2% van de emissie binnen een afstand van 1.000 meter van kwetsbare natuurgebieden voor 16% bijdraagt aan de landelijke stikstofdepositie ten gevolge van de Nederlandse landbouw. Hierbij heeft de WUR voor Gelderland specifiek onderscheiden dat de landbouwemissie binnen in deze 1.000 meter deels afkomstig is van stal en opslag (circa 55%) en deels van bemesting en beweiding (circa 45%). Dit samen maakt dat emissiebeperkende maatregelen nabij natuurgebieden (tot 500 á 1.000 meter) extra effectief zijn voor zowel stal en opslag (bijvoorbeeld door innovatiemaatregelen) als voor bemesting en beweiding (bijvoorbeeld door agrarisch natuurbeheer, natuurinclusieve landbouw, extensivering). Daarom willen wij ondernemers en betrokken partijen stimuleren om juist nabij de kwetsbare natuur en wateren extra emissiebeperkende maatregelen te treffen. Deze maatregelen op die plekken dragen tegelijkertijd ook bij aan het verlagen van uitstoot van broeikasgassen, het verhogen van de biodiversiteit, de verbetering van de waterkwaliteit (KRW) en de aanpak van droogte. Deze integrale aanpak in nabijgelegen gebieden zorgt voor meervoudig doelbereik en is daarmee kostenefficiënt.
Maatregelen De Uitvoeringsagenda GMS bevat een reeks aan maatregelen gericht op vermindering van emissies vanwege de verschillende bronnen: Landbouw: innovatie van management en bedrijfsvoering, extensivering van de agrarische bedrijvigheid: meer grondgebonden landbouw, omschakeling naar natuurinclusieve en biologische landbouw, verplaatsing van bedrijven en beëindiging van bedrijven. Indicatieve opgave voor vormen van natuurinclusieve landbouw is 25.000 ha. Industrie: stimuleren van best beschikbare technieken in de industrie, versnelling van de roadmap CO2. Bouwen en wonen: reductiedoelen 60% in 2030, innovatie (elektrificatie) werktuigen, vermindering autogebruik, verandering vervoermiddelen (elektrificatie), verdichting van woningbouw. Mobiliteit: verduurzaming van de binnenvaart, zero-emissie bij bevoorrading van binnensteden, bevordering duurzame mobiliteit. Recreatie: verduurzaming van recreatieactiviteiten en bedrijven, bevordering van recreatie meer in balans met natuur. Klimaat: voor industrie versnelling van de roadmap CO2. Natuur: ontwikkelen van gebieden nabij Natura2000-gebieden (in de Uitvoeringsagenda GMS overgangsgebieden genoemd) met beperkte economische (landbouw)bedrijvigheid (zonder emissies van schadelijke stoffen), wonen, waterberging, energiewinning en CO2 vastleggen. In dit programma VLGG nemen wij deze maatregelen over.
We gaan door met de aanpak die in de Uitvoeringsagenda GMS is gestart en zetten een volgende stap met een concrete en integrale uitwerking van de maatregelen. Maatregelen in de landbouw Voor de landbouw hebben wij in paragraaf 3.1 de ontwikkelingspaden geschetst die bijdragen aan beperking van de stikstofemissies en andere doelen van dit VLGG: aanpassing van agrarisch grondgebruik en daarmee verzachten van overgangen tussen cultuurgrond en natuurgrond, verbetering van de kwaliteit van wateren door vermindering van uit- en afspoeling van nutriënten en meer ruimte voor waterberging. In het Kennisdocument van de WUR zijn twee scenario’s geschetst om de doelen voor stikstof te realiseren. Scenario S1 gaat uit van een integraal maatregelenpakket, generiek geïmplementeerd. Scenario S2 gaat ook uit van een integraal maatregelenpakket, waarbij een deel van maatregelen gebiedsgedifferentieerd (in ‘aandachtsgebieden’: nabij Natura2000-gebieden en enkele beekdalen) is uitgevoerd. Het maatregelenpakket dat in de studie is betrokken is een combinatie van technische, management- en structurele maatregelen. In de studie wordt uitgegaan van afname van dieraantallen met 20 % als gevolg van vrijwillige beëindiging van veehouderijen.