CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

3. 201651700-Toelichting bp Graafstaete II

Raadsavond 23 april 2024, gemeente DuivenBij agendapunt: Bestemmingsplan Bedrijventerrein Graafstaete II14.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Bedrijventerrein Graafstaete II

Gemeente Duiven

Datum: 21 februari 2024 Projectnummer: 220237.03 ID: NL.IMRO.0226.BPGRAAFSTAETE003-VS01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer

3 3 4 5

2

Planbeschrijving

6

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

6 7

3

Beleid en regelgeving

11

3.1 3.2 3.3 3.4

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

11 13 15 15

4

Milieu- en omgevingsaspecten

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Geur Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Duurzaamheid en klimaat

17 17 18 19 20 22 23 26 30 32 34 35 36

5

Wijze van bestemmen

40

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

40 41

6

Uitvoerbaarheid

44

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

44 44

Bijlagen − − − − − − − − − − − − − − − − −

Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Onderzoek luchtkwaliteit Bijlage 5: Onderzoek externe veiligheid Bijlage 6: Watertoets Bijlage 7: Quick scan natuur Bijlage 8: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 9: Nader natuuronderzoek Bijlage 10: Archeologisch bureau- en booronderzoek Bijlage 11: Archeologisch karterend onderzoek Bijlage 12: Proefsleuvenonderzoek Bijlage 13: Cultuurhistorisch onderzoek Bijlage 14: Verkeersonderzoek Bijlage 15: Duurzaamheidsvisie Bijlage 16: Presentatie participatiebijeenkomst Bijlage 17: Reactie provincie

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op korte termijn is het aanbod bedrijfskavels voor lokale bedrijven in de gemeente Duiven uitgegeven. Om die reden bestaat de wens om een nieuw duurzaam lokaal bedrijventerrein te realiseren als uitbreiding op het bestaande bedrijventerrein Graafstaete I. Het gaat om circa 3,26 hectare netto uitgeefbaar terrein. De beoogde locatie betreft een perceel op de hoek van de Engsestraat en de Graafsingel, welke in de huidige situatie een agrarische bestemming kent. De ontwikkeling van een bedrijventerrein is niet mogelijk op grond van het nu geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor dit gebied noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft enkele agrarische gronden ten noordwesten van de kern Duiven. Het betreft een uitbreiding van het huidige bedrijventerrein Graafstaete I, welke ten zuiden van de Graafsingel is gelegen. Het plangebied kent een oppervlakte van circa 5,5 hectare. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging in relatie tot de omgeving en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan.

Ligging plangebied (rode omlijning) in relatie tot de omgeving (Bron: PDOK viewer).

3

Het plangebied bij benadering globaal rood omlijnd (Bron: PDOK viewer).

1.3

Geldende bestemmingsplannen Buitengebied 2013 Het plangebied maakt grotendeels onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2013’, zoals vastgesteld op 1 juni 2015, met bijbehorend ‘Reparatieplan Buitengebied 2013’, zoals vastgesteld op 20 november 2018. Deze gronden zijn bestemd als ‘Agrarisch’ en kennen tevens de dubbelbestemming ‘Waarde - Landschap’. De voor 'Agrarisch’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische doeleinden. De gronden met de dubbelbestemming ‘Landschap’ zijn zo bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Verder kent het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Lage archeologische verwachting’, ‘Waarde - Middelmatige archeologische verwachting’, ‘Waarde - Hoge archeologische verwachting’ en ‘Waarde - Terrein van archeologische waarde’. In de archeologische dubbelbestemming is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om eventuele archeologische waarden te beschermen en veilig te stellen. Bedrijventerrein Graafstaete Enkel de beoogde ontsluiting van het plangebied richting de Typograaf valt binnen het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Graafstaete’ dat op 6 februari 2017 is vastgesteld. Hier geldt de bestemming ‘Groen’.

4

Uitsnede vigerende bestemmingsplannen met daarop het plangebied globaal rood omlijnd (Bron: PDOK.nl).

Parapluplan Parkeren Duiven In het parapluplan Parkeren Duiven is een parkeerregeling voor de gemeente Duiven vastgesteld. De ‘Parkeernormennota Duiven’, welke op 18 januari 2018 is vastgesteld vormt de basis voor het parapluplan. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen geldt de regel dat de inrichting van de bij het bouwplan behorende en daartoe bestemde gronden zodanig moet plaatsvinden dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren en/of stallen van voertuigen wordt gerealiseerd en in stand gehouden. Hiervoor dient getoetst te worden aan de normen zoals gesteld in de parkeernormennota Duiven. Op basis van de geldende bestemmingsplannen is het niet mogelijk om voorliggend initiatief te realiseren. Daarom wordt voor de ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Voorliggend document betreft de toelichting van de benodigde bestemmingsplanherziening.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

2 2.1

Planbeschrijving Huidige situatie Historische ontwikkeling Het plangebied ligt op een overgangslocatie. Het noordelijk deel van het plangebied is onderdeel van een rivierkomvlakte, dat zich kenmerkt door een weids landschap met rechte wegen, watergangen en kavels. Van oorsprong was dit een moerassig gebied dat ontgonnen werd ten behoeve van landbouw. Het zuidelijk deel van het plangebied ligt op de rand van een eng en ligt hoger in het landschap. De hoger gelegen gronden zijn onderdeel van de rivierduin ‘De Eng’ en zijn vanaf de prehistorie in gebruik geweest als bouwland. Door eeuwenlange bemesting van de akkers is de rivierduin verder opgehoogd, waardoor het een ‘eng’ is geworden. De bebouwing ligt op enige afstand van de Engsestraat langs de rand van de eng. Hier is ook een duidelijke beplante rand aanwezig. Aan de noordoostrand van de eng ligt een greppel op de overgang van de verhoogde eng en de lager gelegen kleigronden te zien. De Meerstraat en Engsestraat zijn bij ontginning aangelegd als dijken en liggen nog altijd hoger in het landschap. Rond 2000 is te zien dat de noordelijke en oostelijke omgeving flink veranderd is. De A12, de bedrijventerreinen van Duiven en de nieuwe verbindingsweg Graafsingel/Nieuwgraaf vormen hier nieuwe functies. Het bedrijventerrein is grootschalig met gebouwen van een nieuwe schaal in het landschap.

Ook de Westsingel en de uitbreiding van Duiven aan de zuidkant zorgt voor een verandering van de oorspronkelijke eenheid van de eng.

Ontwikkeling van het plangebied en de omgeving door de jaren heen (1877, 1950, 2000, 2021) (bron: topotijdreis.nl).

6

Plangebied Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Meerstraat en de Graafsingel en aan de westzijde door de Engsestraat. Ten oosten liggen meerdere bedrijfspercelen en aan de zuidzijde bevinden zich agrarische gronden en een landbouwbedrijf. Het plangebied zelf bestaat uit een onbebouwd agrarisch perceel. In het zuiden van het plangebied bevinden zich hoger gelegen gronden. Deze gronden zijn onderdeel van de rivierduin ‘De Eng’ en vertegenwoordigen cultuurhistorische waarden. De eng is in het verleden gebruikt als akkerland, waardoor deze na jaren van bemesting hoger is komen te liggen. Aan de west-, noord- en oostzijde van het plangebied liggen watergangen. De watergang langs de Meerstraat heeft aan één zijde een onderhoudsstrook liggen, de watergang langs Graafstaete I aan weerszijden. Ten slotte is er tussen de Typograaf en het plangebied een wadi aanwezig.

Huidige situatie van het plangebied gezien vanaf de Engsestraat (bron: Google streetview).

2.2

Toekomstige situatie In de gemeente Duiven bestaat een grote vraag naar bedrijfskavels. Nu bedrijventerrein De Nieuweling grotendeels is uitgegeven, bestaat het voornemen om een bedrijventerrein voor lokale bedrijven te realiseren. Hiervoor is reeds jaren een uitbreiding van het bedrijventerrein Graafstaete in beeld. De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Graafstaete voorziet in een plangebied van circa 5,5 hectare, waarvan circa 3,26 hectare netto uitgeefbaar. Een deel van het plangebied zal benut worden voor de landschappelijke inpassing van De Eng. De kavels zijn maximaal 5.000 m2 groot. De exacte kavelindeling is flexibel en zal afhangen van de specifieke ruimtevraag van toekomstige bedrijven die zich hier willen vestigen. Het plangebied wordt ontsloten op de Typograaf. De hier aanwezige wadi zal binnen het plangebied gecompenseerd worden. In het plangebied wordt een wegenstructuur aangelegd waar bedrijven zich aan kunnen vestigen. Verder wordt een langzaam verkeers- en calamiteitenverbinding gemaakt met de Engsestraat en Meerstraat, beide belangrijke fietsverbindingen.

7

Aansluitend op de maatvoering van het aangrenzende bedrijventerrein en de Eng geldt een maximum bouwhoogte van 10 meter. Aan de zuid- en westrand geldt een maximale bouwhoogte van 7 meter om zo een geleidelijke overgang naar het buitengebied te creëren. Voor de kavels geldt een maximum bebouwingspercentage van 70% met daarbij de regel dat voor elke 100 m2 verhard terrein, 10 m2 groen (horizontaal of verticaal) moet worden gerealiseerd. Ook worden bedrijven verplicht om 60 mm hemelwater per vierkante meter verharding op eigen terrein te bergen. Op deze manier worden klimaatadaptieve bedrijfspercelen gerealiseerd.

Stedenbouwkundig plan Graafstaete II (Bron: SAB).

Langs alle wegen zal een bomenrij aangeplant worden om zo tot een prettig verblijfsklimaat op het bedrijventerrein te komen. Ter plaatse van de westelijke plangrens is geen bomenrij maar een houtwal beoogd om de harde overgang met het landelijk gebied te voorkomen en zicht op het bedrijventerrein tot een minimum te beperken. Verder blijft het gebied bij de Eng onbebouwd. Hier wordt ruimte geboden voor openbaar groen waar gerecreëerd kan worden, bijvoorbeeld door het maken van een ommetje. De exacte inrichting van de Eng wordt met belanghebbenden nader bepaald en uitgewerkt. Rondom het plangebied bevindt zich een aantal woningen aan de Engsestraat en Meerstraat. Om ter plaatse van deze woningen een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen, is wat betreft de gebruiksmogelijkheden van het bedrijventerrein het principe van ‘inwaarts zoneren’ toegepast. Dit betekent dat op korte afstand van de gevoelige functies (hier: woningen) minder milieubelastende activiteiten/milieucategorieën wenselijk zijn. Dit betekent dat hoe groter de afstand tot een milieugevoelige functie, hoe hoger de milieucategorie kan zijn. Via deze systematiek wordt een goed woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies gewaarborgd. De inwaartse zonering wordt in lijn met de richtafstanden van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ toegepast.

8

Ingetekende minimale richtafstanden vanuit de woonpercelen op basis van inwaarts zoneren (bron: SAB).

Milieucategorie

Richtafstand vanuit woonpercelen

1

0 meter

2

10 meter

3.1

30 meter

3.2

50 meter

4.1

100 meter

Uit het inwaarts zoneren volgt dat voor het grootste gedeelte van het plangebied maximaal milieucategorie 4.1 toe kan worden gestaan (op minimaal 100 meter afstand), voor het oostelijk deel geldt dat tot en met milieucategorie 4.2 kan worden toegestaan en voor de noordwestelijke en zuidwestelijke hoek geldt milieucategorie 3.2 als maximale mogelijkheid (op minimaal 50 meter afstand). In dit bestemmingsplan is gekozen om de ontwikkelvelden in z’n geheel te voorzien van een maximale milieucategorie. Dat heeft geleid dat tot het toekennen van een maximale milieucategorie 4.1 aan het noordoostelijke ontwikkelveld. Het meest westelijke en zuidelijke ontwikkelveld hebben een maximale milieucategorie 3.2. De inwaartse zonering wordt juridisch vormgegeven aan de hand van de aanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie [in te vullen milieucategorie]’. 9

Het bedrijventerrein Graafstaete II wordt een aantrekkelijk, duurzaam en groen bedrijventerrein voor lokale ondernemers. Onderscheidend zijn de maatregelen op het gebied van biodiversiteit, klimaatadaptatie en E-infrastructuur. Het gebied wordt natuur inclusief en water robuust ontworpen en sluit aan bij de groene omgeving. Op het gebied van vraag en aanbod van elektriciteit wordt onderzocht om samen met Graafstaete I een decentraal energiesysteem op te zetten. Door de nabijheid van Duiven ligt de nadruk op actieve mobiliteit en een goede ontsluiting per fiets. Schone mobiliteit wordt gestimuleerd voor zowel logistiek als elektrische auto’s. Circulariteit is een speerpunt. Ondernemers worden vanaf het begin gestimuleerd om circulair te bouwen en samen te werken op de overkoepelende thema’s. De openbare ruimte wordt zichtbaar circulair en met grondstoffen met een lage milieudruk ontwikkeld. Al met al wordt met dit plan een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Graafstaete gerealiseerd op een logische, aangrenzende locatie die reeds jaren in beeld is als ontwikkellocatie. Er wordt invulling gegeven aan een agrarisch perceel, waarbij in de opzet rekening wordt gehouden met de omgeving en qua bebouwingsmogelijkheden wordt aangesloten op het aangrenzende bedrijventerrein.

Gelet op het voorgaande sluit voorliggend plan ruimtelijk en functioneel gezien aan bij de karakteristieken van het plangebied en haar omgeving.

10

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Gelet op het feit dat voorliggend plan een uitbreiding betreft van het bestaande bedrijventerrein Graafstaete en met dit plan wordt voorzien in een lokale behoefte naar bedrijfskavels op een logische locatie, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van de omgeving van het plangebied centraal staan, is dit plan in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. Tevens wordt met het plan ruimte geboden voor nieuwe huisvestingsmogelijkheden voor bedrijven die momenteel een ruimtevraag hebben die niet ingevuld kan worden op de bestaande bedrijfslocaties en bedrijventerreinen, waarmee ruimte wordt geboden voor het behouden van de economische en sociale functie van lokale bedrijven. Op deze manier sluit de ontwikkeling aan op de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken van het kabinet die bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. 11

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van de NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit de overzichtsuitspraak1 van de Afdeling volgt dat er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling indien er met een ontwikkeling minder dan 500 m2 brutovloeroppervlakte wordt toegevoegd. Aangezien in voorliggende situatie meer dan 500 m2 bruto vloeroppervlakte wordt toegevoegd, is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking2 doorlopen. In deze toets is aangetoond dat deze ontwikkeling

1

Zie hiervoor https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/gebiedsontwikkeling/ladder-duurzame/handreiking-ladder/buttons/kopie-jurisprudentie/#hc4689667-5490-45bb-a4667e949f6f94a2.

2

SAB (2023). Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Duiven, Graafstaete II. Projectnummer: 220237. 15 november 2023. 12

voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte kan niet worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Voorliggende gronden vormen een logische locatie voor een buitenstedelijke ontwikkeling die aansluit bij de bestaande bedrijventerreinen in de omgeving en die bovendien reeds jaren onderdeel uitmaakt van het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Voorliggend plan past in het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.

− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

13

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied enkele provinciale belangen raakt. Deze worden navolgend besproken. In meer algemene zin geldt dat met de uitbreiding een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van bedrijfskavels om in te spelen op de lokale vraag. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige uitbreiding van een bedrijventerrein. Daarbij is aandacht voor zaken als bereikbaarheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld is in de Omgevingsvisie. Volgens de Omgevingsverordening ligt het plangebied buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Daarmee is, onder voorwaarden, alleen een eenmalige uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf mogelijk.

In voorliggende situatie is daar geen sprake van, waarmee deze regelgeving niet van toepassing is op de ontwikkeling. In artikel 2.6 van de Omgevingsverordening wordt aangegeven dat per regio een Regionaal Programma Werklocaties (RPW) opgesteld dient te worden, waarin voor verschillende typen werklocaties regionale afspraken worden gemaakt. In artikel 2.10 wordt gesteld dat een nieuw bedrijventerrein of een uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein alleen mogelijk is voor zover de ontwikkeling past binnen het vigerende RPW. Voorliggend plan is in paragraaf 3.3.1 getoetst aan het RPW van de regio Arnhem-Nijmegen, waaruit volgt dat nog voldoende ruimte beschikbaar is om voorliggende ontwikkeling tot uitvoering te brengen. In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Voor dit initiatief geldt dat het aardgasloos wordt ontwikkeld en er zoveel mogelijk duurzame materialen worden gebruikt. Verder wordt in het plan het oppervlak aan verharding tot een minimum beperkt en worden zo veel mogelijk gronden groen ingericht. Zo moet voor elke 100 m2 verharding, 10 m2 aan groen worden gerealiseerd op de kavel. Dit kan zowel horizontaal als verticaal worden gerealiseerd.

Ook geldt een waterbergingseis van 60 mm per vierkante meter verharding op het eigen bouwperceel. Door het nemen van deze maatregelen wordt voldoende rekening gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Conclusie Voorliggend plan past in het provinciaal beleid.

14

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen In het Regionaal Programma Werklocaties maakt de regio Arnhem Nijmegen afspraken over de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel. De meest recente versie gaat over de periode van 2021 tot en met 2024. De belangrijkste ontwikkeling is dat als gevolg van de aanzienlijke uitgifte op bedrijventerreinen in de periode 2016 tot en met 2019 ertoe heeft geleid dat het overaanbod is teruggedrongen en er zicht is op nieuwe ontwikkelruimte in de periode tot 2030. In het licht van de tijdsduur van ontwikkelprocedures (3 tot 5 jaar) is het, om als regio aantrekkelijk te blijven voor vestiging van nieuwe bedrijven en uitbreiding en verplaatsing van bestaande bedrijven, zaak op korte termijn te starten met nieuwe ontwikkelingen. Op die manier blijft de aantrekkingskracht van de regio Arnhem-Nijmegen op bedrijven en werknemers gewaarborgd. De ladder voor duurzame verstedelijking blijft hierbij het toetsingskader voor zowel lokale als regionale ontwikkelingen, waarbij bij die laatste regionale afstemming noodzakelijk blijft. Toetsing Voor voorliggende uitbreiding van het bedrijventerrein is de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen (zie paragraaf 3.1.3). Hierin is ook getoetst aan het Regionaal Programma Werklocaties.

Hierin wordt gesteld dat gemeenten zelf mogen bepalen of er voldoende vraag is naar lokale bedrijfskavels. Voorwaarde hierbij is dat de bedrijfskavels een maximale grootte hebben van 5.000 m 2. Geconcludeerd wordt dat er in de regio Arnhem-Nijmegen nog voldoende ruimte is voor het uitbreiden van bedrijventerreinen voor de lokale behoefte tot 2030. Conclusie Voorliggend plan past in het regionaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Duiven De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Om dit te bereiken heeft de gemeente Duiven de Omgevingsvisie Duiven opgesteld. De inhoudelijke ambities en doelen voor de leefomgeving bestaan uit de volgende vijf thema’s: 1. Een duurzaam thuis; 2. Gezonde, sociale en veilige leefomgeving; 3. Vitale economie; 4. Bereikbaarheid; 5. Klaar voor de toekomst. Verder wordt in de omgevingsvisie de aanvullende woonbehoefte benadrukt. De komende jaren zullen passende en betaalbare woningen moeten worden gerealiseerd.

15

Toetsing Onderhavig plan past binnen de kaders van deze visie. De uitbreiding van bedrijventerreinen is wenselijk voor het behouden en versterken van een vitale economie. De beoogde locatie van de uitbreiding is goed bereikbaar vanuit de regio, voornamelijk door de nabijheid van de A12. In de Omgevingsvisie is voorliggende locatie reeds aangewezen als mogelijke uitbreidingslocatie. De nieuwe bedrijfsgebouwen zullen qua aard en schaal aansluiten bij de omgeving. In het plan wordt ook voldoende rekening gehouden met (openbaar) groen en waterberging. Hierdoor wordt aangesloten bij het toekomstbestendig maken van Duiven. De ontwikkeling past hiermee binnen de gemeentelijke ambitie ‘Klaar voor de toekomst’. Dit alles maakt dat het plan past in de omgevingsvisie Duiven. Conclusie Voorliggend plan past in het gemeentelijk beleid.

16

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Het plan voorziet in de realisatie van een lokaal bedrijventerrein direct grenzend aan het bestaande bedrijventerrein Graafstaete. Het plan kan worden gekwalificeerd als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein als genoemd in onderdeel D.11.3 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat projecten breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit is een relevante indicatieve drempelwaarde opgenomen, namelijk in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. Het totale plangebied is circa 5,5 hectare groot. Hiermee blijft het project ver onder de indicatieve drempelwaarde en kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.beoordeling worden volstaan.

In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling3 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen significant negatief effect optreedt. De conclusie is dan dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. 3

SAB (2023). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Duiven, Graafstaete II. Projectnummer: 220237. 15 november 2023. 17

Toetsing Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in het plangebied een verkennend bodemonderzoek4 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat de bodem over het algemeen tot 1,0 à 1,2 m -mv uit klei bestaat. Onder de kleilaag bevindt zich een zandlaag tot de geboorde diepte van circa 2,0 m -mv. Plaatselijk begint hieronder opnieuw een kleilaag tot minimaal 2,2 m -mv. De bodem op het zuidelijke deel van het terrein (ten zuiden van de sloot) bestaat over het algemeen vanaf maaiveld tot 3,0 m -mv volledig uit zand. In de bovengrond rondom het erf van Engsestraat 30 zijn antropogene bijmengingen met baksteen en puin aangetroffen. In beide onderzochte watergangen is slib aanwezig, met een gemiddelde dikte van 40 cm. De onderliggende vaste waterbodem bestaat uit zowel klei als zand. De bovengrond met antropogene bijmengingen is licht verontreinigd met lood, zink en PAK. De zintuiglijk schone bovengrond, het dempingsmateriaal en de ondergrond bevatten geen verhoogde gehalten. Het in de bodem nog aanwezige slib ter plaatse van de demping is licht verontreinigd met zink. Het grondwater bevat plaatselijk licht verhoogde concentraties barium, nikkel en/of koper. Er zijn geen verhoogde PFAS-gehalten gemeten. Geconcludeerd wordt dat de gronden geschikt zijn voor het beoogde gebruik en vervolgonderzoek niet noodzakelijk is.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met voorliggend plan is geen sprake van de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies. Tevens wordt niet voorzien in een gezoneerd industrieterrein. Dit maakt dat het uitvoeren van een akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk is. Wel wordt in paragraaf 4.7 vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering aandacht besteed aan de eventuele (geluids)hinder vanuit het beoogde bedrijventerrein op omliggende milieugevoelige functies. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4

BK Ingenieurs (2022). Verkennend bodem- en asbest-in-grondonderzoek en waterbodemonderzoek. Engsestraat/Meerstraat te Duiven. Projectnummer: 221529. 16 juni 2022. 18

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen.

De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren.

Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwsvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen

19

zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Een dergelijke ontwikkeling is niet direct aan te merken als NIBM. Om die reden is een onderzoek luchtkwaliteit5 opgesteld. Met behulp van de NIBM-tool is de verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het plan berekend. Uit de invulling van de tool volgt dat de ontwikkeling niet direct NIBM te noemen is. Om die reden is ook gekeken naar de concentraties fijn stof (PM10 en PM2.5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied. Na raadpleging van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) wordt geconcludeerd dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen onder de grenswaarden in de twee jaren (2021 en 2030) liggen. Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Tevens geven de uitkomsten uit het CIMLK aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen op de lange termijn in het plangebied verder afnemen. Ook wanneer de resultaten van de NIBM-tool worden opgeteld op de concentraties zoals het CIMLK aangeeft, zal er geen sprake zijn van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden.

De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd

5

SAB (2023). Onderzoek luchtkwaliteit Duiven, Graafstaete II. Projectnummer: 220237. 4 september 2023. 20

gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Onderhavig plan betreft de uitbreiding van een bedrijventerrein aan de noordwestzijde van de kern Duiven. Rondom het plangebied bevindt zich een aantal woningen. Om ter plaatse van deze woningen een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen, is wat betreft de gebruiksmogelijkheden van het bedrijventerrein het principe van ‘inwaarts zoneren’ toegepast. Dit betekent dat op korte afstand van de gevoelige functies (in dit geval de woning) minder milieubelastende activiteiten/milieucategorieën wenselijk zijn. Dit betekent dat hoe groter de afstand tot een milieugevoelige functie, hoe hoger de milieucategorie kan zijn. Via deze systematiek wordt een goed woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige functies gewaarborgd. Voor het bedrijventerrein wordt de categorie ‘gemengd gebied’ aangehouden, waardoor de richtafstand met één stap verlaagd mag worden ten opzichte van de standaard richtafstand. Dit betekent dat de eerste schil (0 meter) rondom de woningen gebruikt kan worden voor bedrijvigheid in milieucategorie 1.

De tweede schil (10 meter) voor milieucategorie 2, de derde schil (30 meter) voor milieucategorie 3.1 etc., conform onderstaand overzicht vanuit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’. Milieucategorie

Richtafstand vanuit woonpercelen

1

0 meter

2

10 meter

3.1

30 meter

3.2

50 meter

4.1

100 meter

4.2

200 meter

De inwaartse zonering wordt juridisch vormgegeven aan de hand van de aanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie [in te vullen milieucategorie]’. In voorliggend plan zijn aanduidingen voor milieucategorie 3,2 en 4,1 van toepassing. Dit komt omdat de bedrijfsbestemming overal op minimaal 50 meter afstand is gelegen van woningen. Op basis van deze systematiek kan een goed woon- en leefklimaat voor omliggende gevoelige functies worden gewaarborgd en is er geen aanleiding tot het uitvoeren van onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering. Om duidelijkheid te creëren is er gekozen voor een maximale milieucategorie per ontwikkelveld. Dit heeft er toe geleid dat maximaal milieucategorie 4.1 wordt toegestaan daar waar de bebouwing maximaal 10 meter mag zijn. Het overige gedeelte wordt maximaal milieucategorie 3.2. Dit past binnen de mogelijkheden van de inwaartse zonering. Staat van bedrijfsactiviteiten toegespitst op de lokale situatie Aan de hand van de VNG-brochure is een zogenoemde “positieve” bedrijvenlijst opgesteld, waarbij alleen die bedrijven in de bedrijvenlijst zijn opgenomen, die passen bij het specifieke karakter van Graafstaete II en de aard en schaal van de ter plaatse wenselijke bedrijvigheid.

21

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 onder a voor het toestaan van een ander bedrijf dan ter plaatse is toegestaan, mits het bedrijf voor wat betreft de aard en de omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf in de betreffende categorie. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastingsen afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing Een geurgevoelig object is een gebouw dat, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. In lijn met deze definitie kan het zo zijn dat bedrijven op het bedrijventerrein worden gedefinieerd als geurgevoelige objecten, waardoor onderzocht moet worden of voldaan kan worden aan de Wet geurhinder en veehouderij. Geurhinder kan plaatsvinden door zowel industrie alsook veehouderijen.

In de omgeving zijn geen bedrijven aanwezig welke mogelijk geurhinder kunnen veroorzaken binnen voorliggend plangebied. Wel zijn in de omgeving enkele veehouderijen aanwezig die mogelijk geurhinder kunnen veroorzaken binnen het plangebied. Het betreft de veehouderijen op de adressen Ploenstraat 17, Broekstraat 12 en Kosterstraat 11 in Duiven en de IJsseldijk 90 en 92 in Westervoort. Echter liggen tussen de veehouderijen en het plangebied reeds woningen, bijvoorbeeld de woningen langs de Engsestraat. Dit maakt dat ervan mag worden uitgegaan dat geen hinder wordt ondervonden van de veehouderijen in de omgeving. Het uitvoeren van een nader onderzoek geurhinder is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geur zorgt niet voor een belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

22

4.7

Externe veiligheid Algemeen Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor, of door buisleidingen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimaal beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron.

Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in respectievelijk het “Besluit externe veiligheid transportroutes” (Bevt), "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb) en het Basisnet. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, namelijk het plasbrandgevaar (PAG), het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Toetsing Voorliggend plan voorziet niet in nieuwe Bevi-inrichtingen op het bedrijventerrein, maar wel in de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten. Daarom is een onderzoek externe veiligheid6 uitgevoerd. Als gevolg van het plan zal de personendichtheid in het invloedsgebied van enkele nabije gasleidingen en het wegtraject A12 toenemen. Het plangebied ligt deels in de PR 10-8-contour van buisleiding A-507 en A-505. Ten gevolge van buisleiding A-505 wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie overschreden.

Ten gevolge van de andere buisleiding treedt geen overschrijdingen van de oriëntatiewaarde op. Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van de snelweg A12, toekomstige snelweg A15, een drietal aardgastransportleidingen en BRZO inrichting Synerlogic B.V. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied van deze risicobronnen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Doordat de afstand tussen het plan en de snelweg A12 en toekomstige snelweg A15 groter is dan 200 meter, kan er worden volstaan met een beperkte verantwoording groepsrisico. Dit geldt niet voor de aardgastransportleidingen en de BRZO inrichting Synerlogic B.V, deze moeten beide uitgebreid verantwoord worden. Bij inrichtingen is het altijd uitgebreid en voor aardgastransportleiding A-505 wordt een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico berekend.

6

SAB (2023). Onderzoek externe veiligheid. Duiven, Graafstaete II. Projectnummer: 220237. 27 oktober 2023. 23

Conform vigerende wetgeving moet de gemeente het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelweg (onderdelen H en I), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) artikel 12 vanwege de aardgastransportleidingen en Besluit externe veiligheid inrichtingen (artikel 13) vanwege BRZO inrichting Synerlogic B.V. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 6 oktober 2023 (kenmerk: 2023-006145). Navolgend een beschouwing van deze aspecten. A. Personendichtheid Uit het uitgevoerde EV onderzoek (Externe veiligheid, Duiven Graafstaete II, projectnr. 22023, d.d. 19-7-2023) blijkt dat het plan voorziet in toename van 160 personen. B. Hoogte groepsrisico Uit Bilfinger memo, onderwerp Addendum QRA (memo nr. 331215410-Rev J, d.d. 8 januari 2020) voor de BRZO inrichting Synerlogic B.V. blijkt dat er enkel een groepsrisico wordt berekend onder de 10 dodelijke slachtoffers.

Officieel gezien spreken we dan niet over een groepsrisico omdat daarbij tien of meer dodelijke slachtoffers moeten vallen (een verwaarloosbaar groepsrisico). Uit ditzelfde verhaal blijkt ook dat het invloedsgebied maar 50 meter over het plangebied is gelegen. Gezien de uitkomst van de eerdere groepsrisico berekening, het invloedsgebied maar voor 50 meter is gelegen over plangebied, kan kwalitatief gesteld worden dat het ruimtelijk plan Graafstaete II Duiven geen verandering van de berekende hoogte van het groepsrisico te weeg zal brengen. Dit geldt ook voor de aardgastransportleidingen. Uit het uitgevoerde EV onderzoek (Externe veiligheid, Duiven Graafstaete II, projectnr. 22023, d.d. 19-7-2023) blijkt dat het groepsrisico van de drie aardgastransportleidingen niet toeneemt door het ruimtelijk plan. Wel wordt voor aardgastransportleiding A-505 een overschrijding van de orientatiewaarde van het groepsrisico berekend. Deze wordt alleen niet veroorzaakt door het ruimtelijk plan, maar door de al aanwezige bebouwing rondom de leiding. C t/m E. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico bij de risicobron De gemeente Duiven ziet geen andere mogelijkheden om het groepsrisico verder te beperken. In het verleden zijn er aanvullende veiligheidsmaatregelen opgenomen in de omgevingsvergunning van het Synerlogic. B.V.

De veiligheid aspecten rondom hogedruk aardgastransportleidingen is geregeld in nationale wetgeving. F. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico Doordat uit de risicoberekening voor de aardgastransportleidingen is gebleken dat het groepsrisico niet toeneemt en in de destijds uitgevoerde risicoberekening voor Synerlogic B.V. enkel groepsrisico berekende beneden de tien dodelijke slachtoffers (een

24

verwaarloosbaar groepsrisico) ziet de gemeente geen andere mogelijkheden voor een ruimtelijke ontwikkeling met een lager groepsrisico. Daarnaast is er een gebrek aan bedrijventerreinen binnen de gemeente Duiven. Deze locatie sluit mooi aan bij de al bestaande bedrijventerreinen. Deze ontwikkeling is dan ook economisch belangrijk voor de gemeente Duiven. Verder is het plan stedenbouwkundig goed inpasbaar. G. Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst De gemeente Duiven is niet voornemens nieuwe maatregelen te nemen om het groepsrisico te beperken. H. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. VGGM is hiervoor voor advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat er naar de bluswatervoorziening(en) en bereikbaarheid op planniveau gekeken moet worden vanwege o.a. risico’s van incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit aspect valt niet te regelen op bestemmingsplan niveau. In de uitwerking van het plan zal dit aspect worden meegenomen. I.

Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van de VGGM geeft het volgende aan: − Het plan ligt alleen binnen de effectafstand van het scenario fakkelbrand en toxische wolk. De kans daarop is klein, maar kan niet worden uitgesloten. Het ligt in de verwachting dat de meeste toekomstige bewoners zichzelf in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd. − De VGGM adviseert ter verbetering van de zelfredzaamheid: − Rekening houden met toestaan milieuklasse, omdat een nieuw te vestigen bedrijf ook een risicobron kan zijn; − Bouwkundige aspecten. Te denken valt aan de gebouwindeling, bouwmaterialen, technische installaties en de ontvluchting in het gebouw; − De BHV organisatie laten anticiperen op omgevingsrisico’s; − De ontvluchtbaarheid op planniveau; − Toekomstige bewoners te infomeren over de aanwezige omgevingsrisico’s met het daarbij behorende handelingsperspectief; − En de verkeersafwikkeling rondom het plangebied ingeval van evenementen.

25

Ten aanzien van de toegestane bedrijvigheid (milieuklasse), in de planregels van Graafstaete II is uitgesloten dat er bedrijven kunnen vestigen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Hierdoor zijn nieuwe grote risicobronnen uitgesloten. Ten aanzien van de bouwkundige aspecten, dit valt niet te regelen op bestemmingsplan niveau. In de uitwerking van het plan zal dit aspect worden meegenomen. Ditzelfde geldt ook voor het advies rondom BHV. Ten aanzien van risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan gemotoriseerd te ontvluchten via de Typograaf en te voet en fietsend ook via Engsestraat en Nieuwgraaf. Er wordt nog bekeken of de aansluiting aan de zuidkant van het plan (Engsestraat) geschikt te maken is als aanvalsweg voor hulpverleningsdiensten. Ten aanzien van het handelingsperspectief bij een toxische wolk is dat binnenshuis schuilen en ramen en deuren sluiten. Ingeval van fakkelbrand is het handelingsperspectief beperkt, vanwege het snelle optreden van het incident. De verkeersafwikkeling ingeval van evenementen rondom het plangebied geeft geen problemen. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren.

Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant en enkel ter verbetering. Conclusie Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de snelweg A12, de toekomstige snelweg A15, een drietal aardgastransportleidingen en BRZO inrichting Synerlogic B.V. Op basis van bovenstaande verantwoording groepsrisico kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico, dan wel op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Het nog aanwezige restrisico wordt geaccepteerd door de gemeente.

4.8

Water Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling afgewogen. Rijksbeleid – Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 worden allereerst de nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);

26

− waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂ arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. 2 Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten.

Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3 Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1 Klimaatadaptatie; 2 Waterveiligheid; 3 Zoetwater; 4 Grondwater; 5 Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=58e7c177-1710-4179-b82f-095da07e0d53