3. 201642686-Toelichting bestemmingsplan Groessen, Dorpstraat 54B, d.d. 04-01-2024
Tekst van het document
Bestemmingsplan Groessen, Dorpstraat 54B
Gemeente Duiven
Projectnummer: 3929.01 Datum: 26-03-2024 Versie: vastgesteld IMRO-idn: NL.IMRO.0226.BPGROESSEN023-VS01
Toelichting
3
4
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
7 7 8 9 10 10 10 11 13
Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
13 13 14 17 17
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bodem Geluid Geur Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bedrijven en milieuzonering Water Archeologie en cultuurhistorie Ecologie Verkeer en parkeren Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3
7
Beleidskader
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
Bestaande en toekomstige situatie
Algemeen Bestaande situatie Toekomstige situatie
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Inleiding
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Geldende juridisch-planologische regeling Leeswijzer
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3
3
Juridische planbeschrijving
Plansystematiek Opbouw regels Verbeelding
Hoofdstuk 6
Procedure
21 21 21 22 22 23 24 25 29 30 33 33 35 36 37 38 38 38 38 40
5
6
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Recent is de woning aan de Dorpstraat 54B te Groessen vrijgekomen. Initiatiefnemer wil graag op deze locatie wonen gezien de binding met de locatie. De woning aan de Dorpstraat 54B is echter sterk verouderd en voldoet niet meer aan de huidige maatstaven. Om de woning toekomstbestendig te maken, is een forse investering nodig. Na berekening blijkt dat het niet reëel is om de bestaande woning toekomstbestendig te maken. Om deze reden is ervoor gekozen een variantenstudie uit te voeren om te kijken naar de mogelijkheden op het kavel. Hieruit zijn een viertal varianten geschetst. Uiteindelijk is er, in samenspraak met de gemeente, besloten om geen extra woningen bij te voegen aan het plangebied. Desalniettemin zal de woning aan de Dorpstraat 54B worden gesloopt en opnieuw worden opgebouwd. Hierbij worden de woningen, die nu twee-aaneen zijn gebouwd, beide vrijstaand. Voor de locatie geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013''. Op basis van dit bestemmingsplan is de locatie reeds bestemd als 'Wonen'. De nieuwe woning zal echter buiten het bouwvlak worden gesitueerd. Tevens is de bouwaanduiding 'twee-aaneen' opgenomen. Op grond van de ligging van het huidige bouwvlak en de bouwaanduiding is de ontwikkeling niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig plan voorziet hierin.
Tot slot is een klein gedeelte van het weiland ten westen van de huidige woningen opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Dit is omdat er op deze gronden nog een tuin- en woonbestemming ligt welke niet op deze locatie gewenst is. Er bevindt zich hier namelijk een weiland waarop een schuilgelegenheid voor dieren staat. Het is dan ook logisch dat aan deze gronden de bestemming 'Agrarisch' zal worden gegeven. Er zullen geen fysieke wijzigingen plaatsvinden op deze locatie, behalve de bestemmingswijziging van 'Tuin' en 'Wonen' naar 'Agrarisch'. Om deze reden zal er in onderhavig bestemmingsplan niet verder worden uitgeweid over deze locatie.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied ligt in het buitengebied van Groessen, op circa 120m van de kern van Groessen. Het straatbeeld kenmerkt zich als kernrandzone waarin de bebouwing een steeds opener karakter kent en langzaam overgaat in het buitengebied. Het plangebied wordt aan de noord- en westzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de oostzijde bevinden zich woningen. De zuidzijde grenst aan de Dorpstraat, met aan de overzijde gronden die bestemd zijn voor een tuincentrum. In voorliggend plan wordt een twee-aaneengebouwde woning gesplitst in twee vrijstaande woningen. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven met een rode stippellijn. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
7
Globale ligging plangebied
Globale begrenzing plangebied
1.3
Geldende juridisch-planologischeregeling
Voor het plangebied geldt grotendeels het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' dat op 1 juni 2015 is vastgesteld door de raad van de gemeente Duiven. In 2018 is het 'Reparatieplan Buitengebied 2013' opgesteld, waarin de planregels iets zijn aangepast ten opzichte van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013'. Enkele omissies en onduidelijkheden die gaandeweg in de bestaande planregels geconstateerd werden, zijn met het 'Reparatieplan Buitengebied 2013' hersteld, dan wel verduidelijkt. Op grond van het vigerend bestemmingsplan heeft het plangebied grotendeels de bestemming 'Wonen - 1'. Er is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de bouwaanduiding 'twee-aaneen' is opgenomen. Daarnaast is aan de zuidzijde van het perceel de bestemming 'Tuin' opgenomen. Ter plaatse van deze
8
bestemming zijn de gronden bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen. In het plangebied geldt ook de dubbelbestemming 'Waarde - Hoge archeologische verwachting'. De voor ‘Waarde – Hoge archeologische verwachting' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Aan de achterzijde van de huidige woonbestemming geldt het bestemmingsplan 'Veegplan Duiven 2017'. De gronden hebben op basis van dit bestemmingsplan de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Groen'. Gezien dit de achtertuin van de huidige woningen betreft vinden hier geen agrarische activiteiten plaats. Tevens is er geen speciale groenstructuur opgenomen binnen de bestemming 'Groen'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding van de vigerende bestemmingsplannen weergegeven. Het plangebied is hierop met een rode stippellijn weergegeven.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting bestaat uit vijf hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk volgt in Hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie en de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. In Hoofdstuk 5 volgen de juridische planaspecten en de gevolgde procedure. Tot slot wordt in Hoofdstuk 6 de gevolgde procedure beschreven.
9
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande en toekomstige situatie
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling omschreven. Hierbij wordt als eerste ingegaan op de bestaande situatie in het plangebied, waarna de beoogde ontwikkeling nader toegelicht wordt.
2.2
Bestaande situatie
In de bestaande situatie bevinden zich twee twee-aaneengebouwde woningen in het plangebied. Tevens bevinden zich enkele schuren op het terrein. De woning die blijft bestaan bestaat uit drie bouwlagen, waarvan de bovenste bouwlaag zich onder een kap bevindt. De woning die zal worden gesloopt bestaat uit één bouwlaag met een kap. Beide woningen beschikken over een eigen oprit. Navolgende afbeeldingen geven een weergave van de huidige situatie op het perceel en in het plangebied.
10
Weergave huidige situatie plangebied
2.3
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie zullen zich twee vrijstaande woningen binnen het plangebied bevinden. De woning die blijft bestaan, zal op dezelfde locatie blijven staan als deze in de huidige situatie ook staat. Er zullen verder geen noemenswaardige wijzigingen aan het huis plaatsvinden, met uitzondering van eventuele verduurzaming. De exacte vorm en locatie van de nieuwe woning is nog niet bekend. Het nieuwe bouwvlak voor de woning is in het plangebied ingetekend, waarbinnen de woning gerealiseerd mag worden. Om aan te sluiten bij de woningen in de omgeving, is gekozen voor een goothoogte van maximaal 4,5 m en een bouwhoogte van maximaal 9 m. Tussen de woningen zal een inheemse haag worden geplaatst, zodat er sprake is van afscheiding van de percelen. Beide woningen behouden een eigen oprit waarop ook
11
geparkeerd zal worden.
12
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Algemeen
In deze paragraaf wordt een analyse gegeven van het relevante beleidskader. De beleidsnota's die direct of indirect doorwerken in voorliggend bestemmingsplan, worden in deze paragraaf behandeld. Gezien de aard en de schaal van de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied is het relevante beleid op Europees niveau buiten beschouwing gelaten en op Rijksniveau beperkt gehouden. Per bestuurslaag is een korte samenvatting gegeven van de meest relevante aspecten uit de verschillende beleidsnota's, alsmede de consequenties voor het voorliggende plan.
3.2
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving: Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en gezonder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, electriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goed systeem van ruimtelijke ordening. Met de ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een
13
beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing rijksbeleid Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Voorliggende ontwikkeling zou kunnen worden aangemerkt als een woningbouwlocatie. Deze term is echter niet gedefinieerd in het Bro. Uit jurisprudentie (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS201501297/1/R4) blijkt dat woningbouwplannen met elf woningen niet hoeven te worden aangemerkt als woningbouwlocatie, maar grotere woningbouwplannen wel. In voorliggend plan worden twee twee-aaneengebouwde woningen gesplitst in twee vrijstaande woningen. Het aantal woningen neemt per saldo niet toe. Onderhavige ontwikkeling wordt niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Om die reden is de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing. Met het initiatief zijn geen overige nationale belangen gemoeid.
3.3
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan: energietransitie; klimaatadaptatie; circulaire economie; biodiversiteit; bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat; woon- en leefklimaat. Voor dit bestemmingsplan zijn de ambities voor klimaatadaptatie en het woon- en leefklimaat van toepassing. Woon- en leefklimaat Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen.
In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen. Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand
14
stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen. Klimaatadaptatie Het klimaat is merkbaar aan het veranderen, waarbij hoosbuien, extreme hitte en langdurige droogte hierbij goede voorbeelden van zijn. Provincie Gelderland wil zich voorbereiden op het veranderende klimaat door in te zetten op het tegengaan van de bijbehorende risico's en gevaren. Dit heeft prioriteit: In 2050 wil Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. De provincie Gelderland werkt hierbij vooral vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de variatie van de Gelderse streken. De provincie Gelderland wil met haar partners verder kijken. Bij de aanleg, inrichting, veiligheid en leefbaarheid van de gebouwde omgeving nemen we de gevolgen van het veranderende klimaat mee en maken afspraken over hoe met de risico's om te gaan. Klimaatbestendig werken is daarbij voor de provincie Gelderland een logische voorwaarde als er samengewerkt wordt met anderen. Verschillende ontwikkelingen binnen toerisme en recreatie horen hier ook bij. Deze ontwikkelen wil de provincie Gelderland benutten.
Hierbij is het van belang dat de ontwikkelingen passen bij de Gelderse kwaliteiten. De provincie streeft naar een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid zodat Gelderland versterkt wordt voor nu en in de toekomst. Omgevingsverordening De provincie beschikt over verschillende instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem.
De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Ten aanzien van voorliggend bestemmingsplan zijn de regels ten aanzien van de onderwerpen 'wonen' en 'klimaatadaptatie' relevant. Wonen, instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda (art. 2.2) In de verordening wordt aangegeven dat nieuwe woningen alleen mogelijk zijn als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Als een ontwikkeling niet past binnen de vigerende regionale woonagenda, kan een bestemmingsplan vooruitlopend op de eerstvolgende actualisatie van de regionale woonagenda nieuwe woningen toch mogelijk maken onder de volgende voorwaarden: a. er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking; b. de ontwikkeling past binnen het meest recente provinciale beleid; c. er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden over deze ontwikkeling, en d. Gedeputeerde Staten stemmen in met deze ontwikkeling.
15
Instructieregel klimaatadaptie (art. 2.65b) De provinciale omgevingsverordening die op 1 februari 2022 van kracht is geworden bevat de instructieregel klimaatadaptie (2.65b). Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Voor de beschrijving kan gebruik worden gemaakt van de opgestelde klimaatatlas. Toetsing provinciaal beleid In voorliggend plan worden twee twee-aaneengebouwde woningen gesplitst in twee vrijstaande woningen. Het aantal woningen neemt per saldo niet toe. Om deze reden hoeft er niet getoetst te worden aan artikel 2.2 van de omgevingsverordening. Wel draagt het plan bij aan een beter woon- en leefklimaat. De oude woningen zijn zeer slecht geïsoleerd. De nieuw te bouwen woning wordt volledig volgens de huidige standaarden gerealiseerd en zal dan ook gasloos worden uitgevoerd. Tevens zal de woning die blijft bestaan ook een kwaliteitsimpuls krijgen, waardoor ook deze woning toekomstbestendig wordt.
Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat ter plaatse van het plangebied lichte tot matige plasvorming wordt verwacht na een korte of lange bui, voornamelijk ter plaatse van de tuin. Dit zal geen verdere overlast veroorzaken. Daarnaast wordt er in paragraaf 4.9 uitgebreid ingegaan op het aspect water en hoe om te gaan met eventuele wateroverlast. Hittestress. Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel hittestress is op te maken dat de temperatuur in het plangebied normaal tot koeler zal zijn op warme dagen. Dit komt omdat het plangebied zich bevind in het buitengebied, waar hittestress minder aanwezig is. De geplande nieuwbouwwoning is tevens goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee is de woning ook minder gevoelig voor opwarming wat relevant is voor warmte in de nachtelijke periode. Droogte. De bijbehorende kaartbeelden laten wat betreft grondwaterstanden en droogtegevoeligheid in 2050 geen verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het plangebied sprake van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid.
Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf zoals dat in feite in de huidige situatie ook zo is. In het plangebied zijn geen waterpartijen en beken aanwezig die stil kunnen komen te staan of droog kunnen vallen. Daarmee is geen sprake van een risico voor de volksgezondheid. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering. Overstroming. Duiven ligt tussen de Nederrijn en de IJssel. Indien een dijk van de IJssel of Nederrijn bezwijkt, zal Duiven bijna volledig onder water te komen staan. De bijbehorende kaartbeelden tonen dat er ter plaatse van het plangebied één of meer droge verdiepingen zullen zijn bij overstromingen. Dit houdt in dat er voor de bewoners voldoende mogelijkheden zijn om bij een eventuele dijkdoorbraak zichzelf in veiligheid te brengen op hoger gelegen verdiepingen. De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat er een 'kleine kans' bestaat dat het plangebied zal overstromen. Dit betekent dat er een kans van 1/300 tot 1/3.000 bestaat dat het plangebied zal overstromen. Deze kansen gelden voor de hele gemeente Duiven en vormen daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.
16
Er hoeven geen specifieke maatregelen te worden getroffen. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de provinciale Omgevingsvisie en de regels op het gebied van 'wonen' en 'klimaatadaptatie'. Het initiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten van het provinciaal beleid.
3.4
Regionaal beleid
Liemerse Woonagenda 2020-2025 Op 13 oktober 2020 is door de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland de Liemerse Woonagenda 2020-2025 vastgesteld, waarmee de agenda onderdeel is van het provinciaal beleid. Bij de vaststelling van de Liemerse Woonagenda is aangegeven dat Woonvisie 2016-2020 van de gemeente nog het geldend beleidskader is. De regionale woningbouwafspraken zijn tot stand gekomen op basis van recentelijk uitgevoerd onderzoek naar de toekomstige woonbehoeftes in de Liemers en is doorvertaald naar de verschillende gemeenten. Waar men vijf jaar geleden nog bezig was met de aanstaande krimp en het terugbrengen van de nieuwbouw aantallen, voorziet men nu dat er hard aan de slag gegaan moet worden met extra locaties om in de groeiende woningbehoefte te voorzien. In de nieuwe woningbehoefteprognoses is er geen sprake meer van een krimp in de Liemers. De prognoses uit 2019 laat tenminste tot 2040 een huishoudensgroei zien. Voor die groeiende vraag van huishoudens zullen nieuwe woningen gebouwd moeten worden. De groei is het grootst in de komende vijf jaar (ongeveer 500 woningen per jaar). Vanaf 2025 ligt deze op ongeveer 300 per jaar en na 2030 is vooralsnog een beperkte groei van 50 woningen per jaar voorzien.
Met de woonagenda wordt sterker ingezet op bouwen naar behoefte (zowel kwalitatief als kwantitatief) en is men afgestapt van harde afspraken over het aantal te bouwen woningen. Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor midden-inkomensgroepen. Volgens het woningbehoefteonderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen. De gemeente moet daarom bij nieuwbouwprojecten sturen op de te realiseren prijsklassen en het aandeel sociale huurwoningen. In de kleine kernen wordt bijvoorbeeld ingezet op specifiek maatwerk met woningbouw waarmee naar aard en omvang van de kern gericht wordt ingespeeld op de lokale woningvraag met het behouden en versterken van de groene kwaliteiten van de Liemers. Toetsing regionaal beleid In voorliggend plan worden twee twee-aaneengebouwde woningen gesplitst in twee vrijstaande woningen. Het aantal woningen neemt per saldo niet toe. Om deze reden hoeft er niet getoetst te worden aan de Liemerse Woonagenda 2020-2025. Wel draagt het plan bij aan een beter woon- en leefklimaat. De oude woningen zijn zeer slecht geïsoleerd. De nieuw te bouwen woning wordt volledig volgens de huidige standaarden gerealiseerd en zal dan ook gasloos worden uitgevoerd.
Tevens zal de woning die blijft bestaan ook een kwaliteitsimpuls krijgen, waardoor ook deze woning toekomstbestendig wordt.
3.5
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Duiven Op 15 februari 2022 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Duiven vastgesteld. De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Om dit te bereiken heeft de gemeente Duiven de Omgevingsvisie Duiven opgesteld. De omgevingsvisie sluit aan bij nationaal, regionaal en lokaal beleid. De inhoudelijke basis voor de omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: Historie: de gemeente Duiven heeft een rijke geschiedenis waar op wordt voortgebouwd;
17
Richtinggevende waarden: belangrijk zijn onder andere de vitale, sterk onderling verbonden inclusieve gemeenschap, de aantrekkelijke leefomgeving en de voorzieningen van de gemeente Duiven; Ruimtelijke kwaliteiten: de kenmerken van het landschap, het erfgoed en de manier van wonen in Duiven, Groessen en Loo dragen bij aan de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente; Ontwikkelingen & toekomstperspectief: leidraad voor de toekomst is dat de gemeente de ruimte wil bieden aan ontwikkelingen, recht doen aan ruimtelijke kwaliteiten, het maatwerk wil leveren op basis van de leefomgevingskwaliteiten en zorg wil dragen voor natuur en milieu. Dit gebeurt samen met alle gebruikers van de leefomgeving. Daarbij zijn door de gemeente vijf ambities en doelen voor 2030-2040 opgesteld. De inhoudelijke ambities en doelen voor de leefomgeving bestaan uit de volgende vijf thema’s: 1. Een duurzaam thuis; 2. Gezonde, sociale en veilige leefomgeving; 3. Vitale economie; 4. Bereikbaarheid; 5. Klaar voor de toekomst. Eén van de ambities bij het thema 'een duurzaam thuis' is het 'realiseren van passende en betaalbare woningen aansluitend op de woonvraag van de groeiende groep één- en tweepersoonshuishoudens. Het accent voor de aanvullende woonbehoefte in Duiven ligt voor de inbreidingslocaties voornamelijk op één- en tweepersoonshuishoudens zo dicht mogelijk bij de (centrum)voorzieningen.
Dit speelt in op de vraag naar betaalbare tot middeldure (nieuwbouw)woningen voor éénen tweepersoonshuishoudens en betreft dus een ander type woningen dan de voornamelijk eengezinswoningen in de bestaande voorraad. Het plangebied heeft op de bijbehorende kaarten geen specifieke aanduidingen. Woonvisie Duiven 2021-2030 In 2021 is de Woonvisie Duiven 2021-2030 vastgesteld. De vorige woonvisie is vastgesteld in 2017. De daarin opgenomen visie op het wonen in de gemeente Duiven geldt grotendeels nog steeds met de onderwerpen betaalbaar wonen, passende huisvesting voor kwetsbare doelgroepen en duurzaamheid. De woningmarkt is sinds 2017 echter sterk veranderd. Er zijn nieuwe bevolkingsprognoses en berekeningen voor woningbehoefte beschikbaar gekomen. Daaruit blijkt een veel grotere woningbehoefte dan waarmee tot nu toe rekening mee gehouden is. Deze nieuwe inzichten waren ook aanleiding voor de afspraken van begin maart 2020 over onder meer woningbouwversnelling in de zogenaamde Woondeal tussen de regio Arnhem-Nijmegen, het rijk en de provincie. In de Woonvisie 2021-2030 houdt de gemeente rekening met de nieuwe ontwikkelingen en afspraken en gaan ze in het bijzonder in op de huisvesting van arbeidsmigranten, woonwagenbewoners en spoedzoekers. De gemeente heeft de ambities voor wonen in overleg met inwoners en de bij het wonen betrokken partijen vastgelegd rondom drie thema’s.
Het gaat op de eerste plaats om het verbeteren van de kwaliteit van bestaande woningen en de leefbaarheid van wijken en dorpen. Verder zorgt de gemeente voor passende woonruimte voor diverse doelgroepen als starters, ouderen, zorgbehoevenden en eerder genoemde groepen. En uiteraard gaat de visie ook over het toevoegen van woningen. De woningbouw wordt snel opgevoerd om aan de grote woningwens te kunnen voldoen. Tot 2025 wil de gemeente 520 woningen bouwen, tot 2030 in totaal 900 woningen en tot 2040 in totaal 1.200 woningen. De gemeente faciliteert de grotere woningbehoefte volgens het principe 'de juiste woning voor de juiste doelgroep, op de juiste plaats en op het juiste moment'. Duiven ziet de grotere aantallen woningbouw als een mogelijkheid om het woningtekort in te kunnen halen en zo de kans om te slagen
18
voor een woning voor de eigen inwoners te vergroten. Dat betekent dat er voor deze grotere woningbehoefte gezocht wordt naar nieuwe woningbouwlocaties. Daarbij gaan inbreidingslocaties vóór nieuwe uitbreidingslocaties. Maar met alleen inbreidingslocaties heeft de gemeente onvoldoende mogelijkheden om te kunnen bouwen. De Woonvisie bevestigd dus dat er ook uitbreidingslocaties nodig zijn. Notitie Woningbouwprogramma gemeente Duiven 2018-2027 In 2017 heeft de raad de Woonvisie 2025 vastgesteld. Daarbij is de volgende ambitie uitgesproken: “In de gemeente Duiven is er in 2025 voor iedereen die hier woont of wil wonen een passende woning in een vitaal, open, zorgzaam en duurzaam leefmilieu.” Zoals gebruikelijk wordt het gemeentelijk nieuwbouwprogramma afgestemd op de verwachte woonbehoefte. Hiertoe worden in de regio Arnhem Nijmegen regelmatig bevolkings- en huishoudensprognoses uitgevoerd. Duiven maakt onderdeel van de sub regio De Liemers. Bij de laatste prognoses valt op dat het aantal huishoudens tot 2027 harder groeit dan eerder verwacht. De woonbehoefte is navenant groter geworden. Het huidige gemeentelijk woonprogramma is tot nu toe gebaseerd op eerdere prognoses, waarbij er geen noodzaak was om nieuwe plannen/nieuwe locaties in ontwikkeling te brengen. De ruimtelijke opgave voor de gewenste nieuwbouw van 146 woningen is getalsmatig relatief beperkt.
Ter vergelijk: de gemeente Duiven kent nu ca. 10.500 woningen. Eens te meer geldt daarvoor het adagium ‘de juiste woning op de juiste plaats’. De nieuwbouw dient goed aan te sluiten bij de kwalitatieve behoeften zoals in de Liemerse Woonagenda en de gemeentelijke Woonvisie. En in ruimtelijke zin moeten nieuwe locaties goed aansluiten bij de bestaande dan wel gewenste omgevingskwaliteit. Vervolgnotitie versnelling woningbouw gemeente Duiven Op 12 juni 2018 is door de gemeenteraad de notitie woningbouwprogramma gemeente Duiven 2018 – 2027 vastgesteld. Deze notitie is een vervolgnotitie en beschrijft de uitkomst van de analyse die is gemaakt van alle locaties die op dit moment in beeld zijn voor de versnellingsopgave woningbouw in de gemeente Duiven. In de notitie woningbouwprogramma gemeente Duiven 2018 – 2027 is geconstateerd dat er in totaal 324 woningen in de gemeente Duiven gebouwd moeten worden om de behoefte aan woningen in te kunnen vullen. Er is een toenemend gevoel van urgentie om op korte termijn de versnellingsopgave op te pakken en deze opgave als prioriteit te zien. De 15 locaties die genoemd zijn in de notitie woningbouwprogramma 2018-2027 zijn inmiddels aangevuld en geanalyseerd. Het doel is om de komende 10 jaar circa 150 extra woningen te bouwen (in totaal circa 325 woningen als je ook de bestaande plannen meerekent), waarvan 65% op korte termijn.
Dit betekent dat er circa 100 woningen voor 2022 gerealiseerd dienen te worden. Deze woningen dienen op de juiste locatie (inbreiding voor uitbreiding), voor de juiste doelgroep (grotendeels betaalbare woningen voor 1- en 2-persoons huishoudens) en met draagvlak van omwonenden gebouwd te worden. Beleidsnotitie woningsplitsing, kleinschalige woningbouwinitiatieven en functieverandering naar wonen Op 12 juni 2018 is de Notitie Woningbouwprogramma gemeente Duiven 2018-2027 door de gemeenteraad vastgesteld. In deze notitie is een denkrichting voor beleidsregels voor woningsplitsing opgenomen. In voorliggende beleidsnotitie is deze denkrichting verder uitgewerkt en vormgegeven tot een formeel beleidskader. Er bestaat behoefte aan een afwegingskader voor functieverandering naar wonen, anders dan Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB). Om die reden bevat de notitie ook
19
beleidsregels voor kleinschalige woningbouwinitiatieven en functieverandering naar wonen. Het doel van de beleidsnotitie is het vormen van een afwegingskader waarbinnen wordt aangegeven hoe het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Duiven omgaat met initiatieven voor het toevoegen van één woning of enkele woningen. Zodoende kan er een heldere en eenduidige beoordeling van deze initiatieven plaatsvinden. Op basis van de afwegingskaders in deze notitie kan er een eerste beoordeling op hoofdlijnen worden uitgevoerd. Met dit afwegingskader wordt de initiatiefnemer in een vroeg stadium geïnformeerd over de haalbaarheid van een verzoek en de eventuele vervolgstappen. Op deze wijze wil de gemeente zorgdragen voor de realisatie van de functioneel en ruimtelijk meest gewenste ontwikkeling, waarbij het waarborgen en realiseren van ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt is. Toetsing gemeentelijk beleid Binnen de gemeente is er geen beleid dat specifiek op dit verzoek van toepassing is. Er is hier namelijk geen sprake van het toevoegen van een woning maar enkel het wijzigen van het type woning. Het plan stuit daarom niet op beleidsmatige bezwaren. Wel draagt het plan bij aan een beter woon- en leefklimaat. De oude woningen zijn zeer slecht geïsoleerd.
De nieuw te bouwen woning wordt volledig volgens de huidige standaarden gerealiseerd en zal dan ook gasloos worden uitgevoerd. Tevens zal de woning die blijft bestaan ook een kwaliteitsimpuls krijgen, waardoor ook deze woning toekomstbestendig wordt.
20
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
In dit hoofdstuk is hoofdzakelijk gekeken naar de locatie van de woningbouw, gezien de rest van het plangebied beheersgericht wordt opgenomen. Hiervoor dienen dan ook geen onderzoeken uitgevoerd te worden of deze zijn reeds uitgevoerd bij de realisatie van de functies.
4.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Algemeen Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van woonwijken, de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen. Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). De voornoemde drempelwaarden hebben een indicatief karakter, hetgeen inhoudt dat ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden een (vormvrije) beoordeling dient plaats te vinden of het planvoornemen kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen. Deze beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
Hierin worden drie hoofdthema's genoemd 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten': kenmerk van het project; plaats van het project; kenmerken van het potentiële effect. Toetsing Het bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, waaronder het realiseren van woningen, valt onder categorie D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Omdat er echter sprake is van ontwikkeling van minder dan 13 woningen, wordt dit niet gezien als stedelijke ontwikkelingsproject zoals bedoeld in het Besluit mer, en hoeft er geen vormvrije m.e.r.-beoordeling aangeleverd te worden. Er geldt daarom geen m.e.r.-plicht, geen m.e.r.-beoordelingsplicht en ook is het niet noodzakelijk een vormvrije m.e.r.-beoordeling (voorafgaand aan de bestemmingsplanprocedure) uit te voeren. De milieueffecten zijn onderzocht in het kader van de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. De resultaten daarvan zijn beschreven in de paragrafen 4.3 tot en met 4.14. Daaruit kan worden geconcludeerd dat kan worden uitgesloten dat het initiatief belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Conclusie Het bestemmingsplan kan zonder (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
21
4.3
Bodem
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet aangetoond worden dat de bodem- en grondwaterkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Toetsing De ontwikkeling voorziet in het omzetten van twee halfvrijstaande woningen naar twee vrijstaande woningen. De toekomstige functie van de reguliere woningen is even gevoelig als de huidige functie (wonen). Ter plaatse van het plangebied geldt dan ook de bestemming 'Wonen'. Aangenomen kan worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende geschikt is. Om die reden kan een bodemonderzoek achterwege blijven. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.4
Geluid
Algemeen De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Voor de ontwikkeling is door Buro Ontwerp & Omgeving in juni 2023 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. Selectie van geluidsbronnen In de omgeving van de nieuwe woning bevinden zich wegen en spoorlijnen. Gezoneerde industrieterreinen zijn in de nabijheid van de nieuwe woning niet aanwezig. Akoestisch onderzoek naar gezoneerde industrieterreinen is dan ook niet nodig. De nieuwe woning ligt aan de Dorpstraat. De Dorpstraat heeft een 30 km/uur-regime. Formeel geldt voor deze weg volgens de Wgh geen onderzoeksplicht, omdat de maximaal toegestane snelheid 30 km/uur bedraagt. De verkeersintensiteit op de Dorpstraat is dusdanig dat een overschrijding van de voorkeurs-grenswaarde van 48 dB niet kan worden uitgesloten.
Daarom is in het kader van een goede ruimtelijke ordening toch akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de Dorpstraat. De nieuwe woning ligt 800 meter ten noorden van de geplande doortrekking van de A15. De doortrekking van de A15 gaat bestaan uit 4 rijstroken. Akoestisch onderzoek naar de geluideffecten van de A15 op de nieuwe woning is derhalve niet nodig. Ten zuiden van de nieuwe woning ligt de Betuwelijn op 825 meter. Het geluidsproductieplafond (GPP) van deze spoorlijn ter hoogte van de nieuwe woning bedraagt maximaal 57,0 dB, blijkt uit het geluidsregister. Deze spoorlijn heeft een zone van 600 meter. Hiermee ligt de nieuwe woning buiten de zone van de Betuwelijn.
22
Akoestisch onderzoek is noodzakelijk naar de geluidhinder afkomstig van de Dorpstraat. Resultaten De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Dorpstraat bedraagt 49 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De Dorpstraat heeft op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. Bij de nieuwe woning wordt de ambitiewaarde van 43 dB uit het gemeentelijke geluidsbeleid overschreden, echter aan de bovengrens van 53 dB uit het gemeentelijke geluidsbeleid wordt voldaan. Tevens wordt er voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh. Onderzoek naar geluidsreducerende maatregelen Het doel van de Wgh is om geluidhinder te voorkomen en te beperken. Een geluidsbelasting tot met de voorkeursgrenswaarde garandeert een goed woon-/leefklimaat op basis van de Wgh. Gezien de beperkte schaal van dit plan is het niet mogelijk of wenselijk om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.5
Geur
Algemeen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt in eerste instantie het wettelijk kader bij de beoordeling van een aanvraag om een milieuvergunning voor dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van de (geprojecteerde) veehouderij. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een in de omgeving gelegen veehouderij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Toetsing In voorliggend plan worden twee twee-aaneengebouwde woningen gesplitst in twee vrijstaande woningen. Het aantal woningen neemt per saldo niet toe. Hiermee is er ook geen sprake van de realisatie van een nieuw geurgevoelig object. De nieuwe woning wordt op circa 3 meter afstand van de huidige woning gebouwd, richting de kern Groessen. Hiermee komt deze woning niet dichterbij een veehouderij die eventueel geurhinder kan veroorzaken. Zowel de bestaande als de nieuwe woning zorgt dus niet voor een verdere beperking van de bedrijfsvoeringen van veehouderijen in de omgeving.
Er is hiermee tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
23
4.6
Luchtkwaliteit
Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.
Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing In het plangebied bestaat het voornemen om twee halfvrijstaande woningen naar twee vrijstaande woningen om te zetten. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) in het plangebied tussen 2021 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de
24
concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2021 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Het rekenpunt (71235426_15467154) dat het dichtst bij het plangebied ligt kent de volgende gemeten waarden voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2021: NO2 : 15,9034 µg/m3 PM10 : 17,2704 µg/m3 PM2,5 : 10,1588 µg/m3 Voor NO2 en PM10 verbindingen geldt een grenswaarde van 40 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een grenswaarde van 20 µg/m3. De hoeveelheid NO2, PM10 en PM2,5 in het plangebied blijft ruimschoots onder de gestelde grenswaarden. De monitoringstool maakt dus duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2021 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.7
Externe veiligheid
Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
25
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Toetsing Binnen het plangebied wordt voorzien in nieuwe kwetsbare objecten in de vorm van woningen. De navolgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart Nederland. De globale ligging van het plangebied is hierop aangeduid.
26
Kaart externe veiligheid
Stationaire bronnen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen stationaire risico bronnen. Onder deze stationaire bronnen vallen alle risicobronnen, zoals Bevi-inrichtingen en LPG-tankstations die zijn beschreven toetsingskader, inclusief de inrichtingen die vallen onder de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik, het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Vuurwerkbesluit. Het vuurwerkverkooppunt dat op circa 70 meter van het plangebied ligt wordt behandeld in paragraaf 4.8. Mobiele bronnen Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen mobiele risico bronnen. Ten noorden van het plangebied, op circa 3.100 meter, ligt de rijksweg A12. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd volgens de Regeling Basisnet. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A12 (= 4.000 m). Daarnaast is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de Betuweroute (= 4.000 m), waarbij hoge aantallen giftige vloeistoffen en giftige gassen getransporteerd worden, zodat ten aanzien van deze risicobronnen een verantwoording van het groepsrisico opgesteld dient te worden. Tot slot is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de toekomstige rijksweg A15. Gelet op de afstand (circa 3.1000 m t.o.v. de rijksweg A12, circa 1.000 m t.o.v. de rijksweg A15 en circa 950 m t.o.v.
de Betuweroute) kan in het kader van een goede ruimtelijke ordening volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Elektromagnetische straling Er zijn geen bronnen van elektromagnetische straling -zoals hoogspanningslijnen of zendmastenaanwezig met invloed op het plangebied. Nadere toetsing aan deze bronnen is dan ook niet noodzakelijk.
27
Verantwoording groepsrisico In voorliggend plan worden twee twee-aaneengebouwde woningen gesplitst in twee vrijstaande woningen. Het aantal woningen neemt per saldo niet toe. Hiermee is er ook geen sprake van de realisatie van een nieuw kwetsbaar object. Tevens zal de personendichtheid ter plaatse niet toenemen in zowel de dag- als nachtperiode. Het groepsrisico zal dan ook niet toenemen. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Uit toetsing aan de signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het ruimtelijk besluit betrekking heeft op het mogelijk maken van kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van toxische stoffen over de Betuweroute en de rijksweg A12 en A15 en geheel buiten de 200 meter van de transportroute. Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten.
Uit de notitie 'VGR voor standaard externe veiligheidssituaties' blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter zone van een transportroute ligt en het besluit geen objecten toestaat voor verminderd zelfredzame personen, er sprake is van een standaard externe veiligheidssituatie. Voor deze situaties wordt de onderstaande verantwoording van het groepsrisico gehanteerd. Beperkte verantwoording groepsrisico Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van de Betuweroute, de snelweg A12 en de toekomstige snelweg A15. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze transportroutes. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron.
De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende. Conclusie
28
Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A12 en de toekomstige snelweg A15. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.
De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Toetsing Het plangebied en haar omgeving maakt, gezien de aanwezige en toekomstige functies, deel uit van een 'gemengd gebied'. In het gebied is sprake van een matige tot sterke functiemenging. Bovendien ligt het gebied direct langs een drukke, doorgaande weg. De richtafstanden mogen daarom met één afstandsstap naar beneden worden bijgesteld, met uitzondering van het aspect gevaar. De nieuwe woningen kunnen worden aangemerkt als milieuhindergevoelig. Hinderveroorzakende functies in het plangebied In het plangebied worden geen functies gerealiseerd die milieuhinder veroorzaken. De nieuwe woningen kunnen worden aangeduid als milieuhindergevoelig. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. Er zijn drie functies in de omgeving van het plangebied die eventuele hinder kunnen veroorzaken: 1. Kinderdagverblijf "Pepeloentje", Dorpstraat 54C; 2. Tuincentrum, Dorpstraat 55; 3. Vuurwerk Outlet Gelderland, Dorpstraat 55.