CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

3. 201590620 Toelichting GVS-BP – Vitaal Centrum, IKC Remigius’.pdf

Politieke Avond 20 december 2022, gemeente DuivenBij agendapunt: 19.30 – 20.45 - Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan – ‘Vitaal Centrum, IKC Remigius’ & vaststelling bestemmingsplan ‘Droopad 1’ - ronde tafel12.037 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan | Toelichting

Vitaal Centrum, IKC Remigius

Gemeente Duiven

Datum: 23 november 2022 Projectnummer: 210207 ID: NL.IMRO.0226.BPCENTRUM009-VS01

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

3 3 5 5

2

Het project

7

2.1 2.2

Huidige situatie Toekomstige situatie

7 9

3

Beleid en regelgeving

12

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

12 14 15

4

Milieu- en omgevingsaspecten

17

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren

17 18 18 19 20 23 26 30 32 33 33

5

Wijze van bestemmen

35

5.1 5.2

Algemeen Dit bestemmingsplan

35 36

6

Uitvoerbaarheid

39

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

39 39

Bijlagen − − − − − − − − − − −

Bijlage 1: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 4: Quick scan luchtkwaliteit Bijlage 5: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 6: Akoestisch onderzoek evenemententerrein Bijlage 7: Quick scan natuur Bijlage 8: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 9: Archeologisch onderzoek Bijlage 10: Parkeerbalans Bijlage 11: Zienswijzennota

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In 2011 is door de gemeenteraad van Duiven het bestemmingsplan ‘Vitaal Centrum’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan had als doel om het centrum van Duiven te herontwikkelingen tot een aantrekkelijker voorzieningen- en woongebied met een ontspannen stratenpatroon en aangename routes en pleinen. In verschillende fasen is de herontwikkeling inmiddels stapsgewijs gerealiseerd. Voor de gronden rondom het gemeentehuis geldt dat vanuit het project ‘Vitaal Centrum’ een woonpark werd beoogd. Inmiddels is de situatie op de woningmarkt veranderd en heeft IKC Remigius behoefte aan nieuwe en toekomstbestendige huisvesting. Op basis van deze omstandigheden is gewerkt aan een nieuw stedenbouwkundig plan voor het woonpark, waarbij ruimte is gevonden voor een nieuwe locatie van IKC Remigius. Voor de huidige locatie van IKC Remigius geldt dat dit in de toekomst herontwikkeld kan worden naar wonen, evenals de resterende gronden binnen het woonpark. De huidige parkeervoorzieningen, die tevens gebruikt wordt als evenemententerrein, blijft in de toekomstige situatie behouden. In het bestemmingsplan ‘Vitaal Centrum’ zijn de gronden van het woonpark voorzien van een uit te werken bestemming woongebied. In de uitwerkingsplicht is geen mogelijkheid opgenomen voor een onderwijsinstelling om zodoende de nieuwe locatie van IKC Remigius mogelijk te maken.

Om die reden bestaat de wens om een nieuw bestemmingsplan op te stellen. In dit bestemmingsplan wordt een nieuwe uitwerkingsplicht opgenomen voor de beoogde woningbouw in het woonpark. Tevens wordt het huidige parkeer- en evenemententerrein voorzien van een actueel juridisch-planologisch kader. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het benodigde juridisch-planologische kader om deze wensen te kunnen realiseren.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied bestaat uit de gronden direct rondom het gemeentehuis van Duiven. Het gaat dan om de aanwezige parkeervoorzieningen en de nog onbebouwde gronden ten oosten en zuidoosten van het gemeentehuis. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. De exacte begrenzing van het plangebied is op de verbeelding van dit bestemmingsplan weergegeven.

3

Globale ligging plangebied binnen de kern Duiven (rood omcirkeld) (bron: pdokviewer.pdok.nl).

Globale begrenzing plangebied (rode arcering) bij benadering (bron: pdokviewer.pdok.nl).

4

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Vitaal Centrum’, zoals vastgesteld op 19 december 2011 door de gemeenteraad van Duiven, van kracht. Op grond van dit bestemmingsplan hebben de gronden de enkelbestemming ‘Woongebied - uit te werken’. Na het doorlopen van een procedure tot een uitwerkingsplan wordt hier de mogelijkheid geboden om maximaal 20 aaneengebouwde en maximaal 30 gestapelde woningen te realiseren, binnen de kaders van de uitwerkingsregels.

Uitsnede uit verbeelding van vigerend bestemmingsplan ‘Vitaal Centrum’ met daarop de locatie van het nieuwe schoolgebouw bij benadering rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

Door het ‘Bestemmingsplan Archeologie’ geldt tevens de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’, inclusief gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting 3'. Het beoogde nieuwe IKC is via de aanwezige uitwerkingsplicht juridisch-planologisch niet mogelijk te maken. Tevens geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen en het evenemententerrein niet langer onderdeel uitmaken van het zoekgebied voor wonen. Zij kunnen worden voorzien van een passende bestemming. Voor de resterende gronden rondom het gemeentehuis wordt een nieuwe uitwerkingsplicht voor woningbouw opgenomen. Daarvoor is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend document voorziet hierin.

1.4

Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting. De toelichting is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en komt de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat

5

betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk behandelt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6

2

Het project

2.1

Huidige situatie Vitaal Centrum In 2006 heeft de gemeenteraad van Duiven het besluit genomen om een interactief proces met de inwoners van Duiven te starten over de herontwikkeling van het centrum. In de vorm van een raadplegend referendum en een jongerenpeiling hebben de inwoners in ruime meerderheid hun voorkeur uitgesproken voor het toekomstbeeld ‘Een uitnodigend dorpshart’. In 2008 heeft de gemeenteraad van de gemeente Duiven ingestemd met het stedenbouwkundig plan ‘Een uitnodigend dorpshart’. Het stedenbouwkundig plan beoogt een herontwikkeling van het centrum van Duiven, waarbij meer samenhang ontstaat in het centrumgebied en met de omgeving. Op basis van dit plan is een structuurvisie vastgesteld voor het centrum van Duiven, te weten ‘Structuurvisie vitaal centrum Duiven 2020’. Zowel de structuurvisie als het stedenbouwkundig plan onderstrepen de noodzaak van de centrumontwikkeling en bevatten randvoorwaarden voor de ontwikkelingen in het plangebied. De Duivense bevolking heeft behoefte aan een centrum waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Met het stedenbouwkundig plan en de structuurvisie is beoogd om van het Duivense centrum een aantrekkelijk voorzieningen- en woongebied te maken met een ontspannen stratenpatroon en aangename routes en pleinen.

Het centrum is binnen deze visie in drie deelgebieden opgesplitst, namelijk: 1 Het Dorpshart ‘Het Dorpshart’ heeft een kleinstedelijk karakter waarbinnen voornamelijk de winkelstraten en pleinen aanwezig zijn. Centraal binnen dit deelgebied bevindt zich het Remigiusplein. Dit plein heeft een belangrijke ontmoetingsfunctie binnen het centrum, onder andere vanwege de horecafuncties die ter plaatse worden beoogd. Rondom het plein is ruimte de meer winkelstraatjes met de centrumfuncties, gecombineerd met (boven)woningen. Navolgende afbeelding geeft het structuurbeeld van dit deelgebied weer.

Uitsnede deelgebied Dorpshart Structuurbeeld 2020 (Bron: Structuurvisie Vitaal Centrum Duiven).

7

2 Het Woonpark Deelgebied ‘Het Woonpark‘ is een open parklandschap met woongebouwen en voorzieningen. Binnen dit deelgebied is ruimte voor nieuwe woonfuncties in een parkachtige setting. Deze woningbouwontwikkelingen bevinden zich in de zuidelijke helft van het deelgebied. In het noordelijk deel van het plangebied bevind zich voornamelijk bestaande bebouwing, waaronder het gemeentehuis van Duiven. Daaromheen is veel aandacht voor de realisatie van wat grotere parkeervoorzieningen. De navolgende afbeelding geeft het structuurbeeld van dit deelgebied weer.

Uitsneden deelgebieden Woonpark (links) en Rijksweg – Kastanjelaan (rechts) Structuurbeeld 2020 (Bron: Structuurvisie Vitaal Centrum Duiven).

3 Rijksweg – Kastanjelaan De Rijksweg en Kastanjelaan zijn één van de oudste wegen binnen Duiven. De structuurvisie heeft voor deze wegen een hoge kwaliteit van de openbare ruimte voor ogen. Dit betekent onder andere extra aandacht aan beplanting. Ook binnen dit deelgebied is de realisatie van parkeerplaatsen een belangrijk aspect. De hiervoor opgenomen afbeelding geeft het structuurbeeld van dit deelgebied weer. Latere inzichten en marktonwikkelingen en een bijstelling van het ambitieniveau hebben er in 2011 toe geleid dat het stedenbouwkundig plan voor het centrum is aangepast. Door bijstelling van de plannen werden ter plaatse van enkele delen van het Vitaal Centrum Duiven geen ontwikkelingen (meer) voorzien. Om die reden is ervoor gekozen die delen buiten het ontwikkelingsgerichte bestemmingsplan Vitaal Centrum te laten en op te nemen in een consoliderend bestemmingsplan. Het plangebied Het plangebied behelst de gronden direct rondom het gemeentehuis van Duiven. De gronden direct rondom het gemeentehuis zijn op dit moment deels ingericht als centraal gelegen parkeervoorzieningen voor de bewoners en bezoekers van het centrum. Daarbij geldt dat de grote zuidelijke parkeervoorziening aan de Kastanjelaan tevens

8

dienst doet als evenemententerrein waar onder meer de ijsbaan wordt aangelegd. Achter de parkeerplaatsen achter het gemeentehuis en de parkeerplaats aan de Kastanjelaan bevinden zich onbebouwde gronden. Deze onbebouwde gronden en de gronden van het parkeerterrein aan de Kastanjelaan (het Liemersplein) zijn in het kader van het ‘Vitaal Centrum’ aangewezen als gronden van het woonpark waar woongebouwen in het parklandschap waren beoogd.

Luchtfoto van de huidige situatie met daarop in het midden de parkeervoorziening aan de Kastanjelaan en ten oosten daarvan de onbebouwde gronden van de nieuwe schoollocatie (Bron: PDOK viewer).

2.2

Toekomstige situatie Het huidige schoolgebouw van IKC Remigius voldoet niet meer aan de wensen en eisen om richting de toekomst goed te kunnen functioneren. Om die reden bestaat de wens om achter het parkeerterrein aan de Kastanjelaan (het Liemersplein) een nieuw, modern schoolgebouw te realiseren. Het gebouw zal bestaan uit maximaal drie bouwlagen en huisvesting bieden voor verschillende onderwijs- en aanverwante functies voor kinderen van 0 tot 13 jaar. Het gaat dan om basisonderwijs, kinderopvang, buitenschoolse opvang en orthopedagogische behandeling dat gezamenlijk onder één dak wordt gehuisvest. Rondom het gebouw worden twee schoolpleinen voorzien, waarbij het schoolplein aan de noordzijde wordt ingericht voor de kinderen in de groepen 1 en 2 en het schoolplein aan de oostzijde voor de groepen 3 tot en met 8. Aan de noordoostzijde van het nieuwe gebouw is ruimte gereserveerd voor het stallen van fietsen. Het nieuwe gebouw gaat uit van een duurzaam ontwerp waarbinnen veel ruimte is voor avontuur en groen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen, rustige en warme kleuren en is veel aandacht voor daglicht. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het nieuwe IKC Remigius.

9

Impressie beoogde situatie nieuw IKC Remigius (Bron: KOW).

Stedenbouwkundig plan nieuwe schoollocatie (Bron: KOW).

De overige gronden rondom het nieuwe IKC hebben in de huidige situatie allemaal eenzelfde bestemming ‘Woongebied - Uit te werken’. Deze juridisch-planologische situatie zal geactualiseerd worden naar de huidige inrichting en ideeën voor dit gebied. Dat betekent dat de huidige parkeervoorzieningen als zodanig worden bestemd en dat het evenemententerrein ter plaatse van de parkeervoorziening aan de Kastanjelaan ook juridisch-planologisch wordt vastgelegd. Voor de gronden achter het gemeentehuis geldt nog steeds de ambitie om hier op termijn woningbouw te realiseren. Hier wordt in samenhang met het IKC nog steeds de ambitie beoogd om nieuwbouw in een parkachtige setting te realiseren. Een stedenbouwkundig plan is hiervoor echter nog niet voorhanden. Wel is besloten dat het om maximaal 20 woningen zal gaan, zowel gestapeld als grondgebonden (uitsluitend aaneengebouwd). In de uitwerkingsregels is

10

voor de gestapelde woningbouw vastgelegd dat dit maximaal twee appartementengebouwen mogen betreffen met een maximum bouwhoogte van 17 meter. Voor de aaneengebouwde woningen geldt een maximum goothoogte van 6 meter en een bouwhoogte van maximaal 13 meter. Dit sluit aan bij de mogelijkheden vanuit de huidige uitwerkingsplicht. Daarbij geldt dat iedere woning minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein moet worden. Al met al wordt ten opzichte van de huidige juridisch-planologische kaders de mogelijkheid voor woningbouw in dit deel van het centrum van maximaal 70 woningen teruggebracht tot maximaal 20.

11

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

Toetsing Met voorliggend project wordt voorzien in duurzame en toekomstbestendige huisvesting voor IKC Remigius. Met het plan wordt aangesloten bij de ambities die er in dit deel van het centrum van Duiven zijn door nieuwbouw in een zo groen mogelijke parkachtige setting te realiseren. Daarbij wordt tevens voorzien in een actueel juridischplanologisch kader voor de resterende gronden in het plangebied waarbinnen zich kansen voordoen om op termijn woningbouw te realiseren die aansluit bij de kenmerken van het plangebied. Op deze manier sluit dit project aan op het gedachtegoed van de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.

12

Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Omdat de nieuwbouw voor IKC Remigius qua planologisch beslag op de ruimte niet substantieel verschilt van de huidige locatie hoeft de ontwikkeling niet te worden beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit maakt dat een toets aan de Ladder van duurzame verstedelijking dan ook niet benodigd is. Conclusie Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.

13

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie en -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. − Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. − Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema’s: − Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. − Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. − Circulaire economie: sluiten van kringlopen. − Biodiversiteit: werken met de natuur. − Bereikbaarheid: duurzaam verbonden.

− Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. − Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

Toetsing Raadpleging van de digitale kaarten van de Omgevingsvisie en -verordening Gelderland heeft uitgewezen dat het plangebied geen provinciale belangen raakt. In meer

14

algemene zin geldt wel dat voorliggend plan een bijdrage levert aan het realiseren van de provinciale ambities ten aanzien van de woon- en leefomgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige invulling van de huisvesting van IKC Remigius. Tevens doen zich daarbij kansen voor om op termijn woningbouw te realiseren. Daarbij is aandacht voor zaken als bereikbaarheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Deze ambities sluiten aan bij hetgeen gesteld in de Omgevingsvisie. In artikel 2.65b van de provinciale omgevingsverordening is vastgesteld dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken. Voor dit initiatief geldt dat het aardgasloos wordt ontwikkeld en er zoveel mogelijk duurzame materialen worden gebruikt. Daarbij komt dat in het plan het oppervlak aan verharding tot een minimum wordt beperkt en zo veel mogelijk gronden groen worden ingericht. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptie. Daarmee vormen de Omgevingsvisie en -verordening geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Duiven De gemeente Duiven streeft naar het behouden en versterken van een gezonde, veilige, vitale, duurzame, leefbare en aantrekkelijke leefomgeving. Om dit te bereiken heeft de gemeente Duiven de Omgevingsvisie Duiven opgesteld. De inhoudelijke ambities en doelen voor de leefomgeving bestaan uit de volgende vijf thema’s: 1. Een duurzaam thuis; 2. Gezonde, sociale en veilige leefomgeving; 3. Vitale economie; 4. Bereikbaarheid; 5. Klaar voor de toekomst. Verder wordt in de omgevingsvisie de aanvullende woonbehoefte benadrukt. De komende jaren zullen passende en betaalbare woningen moeten worden gerealiseerd. Toetsing Onderhavig plan past binnen de kaders van voorgenoemde visie. Gesteld wordt dat het centrum van Duiven kenmerkend is voor haar diversiteit in bouwwerken en functies. Het nieuwe IKC past qua schaal en omvang bij het centrum van Duiven. Door middel van een nieuw duurzaam gebouw wordt aangesloten bij het toekomstbestendig maken van Duiven. De ontwikkeling past hiermee binnen de gemeentelijke ambitie ‘Klaar voor de toekomst’. Dit alles maakt dat de ontwikkeling in lijn is met het gestelde in de omgevingsvisie Duiven.

15

3.3.2

Woonvisie Duiven 2021-2030 In 2021 is de Woonvisie Duiven 2021-2030 vastgesteld. Hierin staan drie thema’s centraal. Het gaat op de eerste plaats om het verbeteren van de kwaliteit van bestaande woningen en de leefbaarheid van wijken en dorpen. Verder wordt gezorgd voor passende woonruimte voor diverse doelgroepen zoals starters, ouderen, zorgbehoevenden en overige groepen. En uiteraard gaat de visie ook over het toevoegen van woningen. In de gemeentelijke woonvisie van Duiven staat dat de juiste woningen gerealiseerd moeten worden rekening houdend met de geconstateerde woningbehoefte en met doorstroming uit de bestaande voorraad. De gemeente ziet ruimte om in de periode 2025 circa 300 woningen toe te voegen aan de werkvoorraad. De grootste opgave ligt in de kern Duiven. Toetsing Met voorliggend wordt via een uitwerkingsplicht voorzien in een indirecte bouwtitel voor maximaal 20 woningen. Met dit woningbouwaantal wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de woningbouwopgave waar Duiven voor staat. In de Woondeal regio Arnhem-Nijmegen wordt het centrum van Duiven genoemd als een versnellingslocatie ten behoeve van de bouwproductie tot 2025, waarmee het belang van woningbouw hier wordt onderstreept. In de nog op te stellen stedenbouwkundige plannen voor de locaties zal specifiek aandacht uitgaan in het realiseren van woningen die aansluiten op de behoefte.

Op die manier sluit het plan aan op de ambities uit de woonvisie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gestelde in het gemeentelijk beleid.

16

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.

Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Voor de beoogde woningbouwontwikkeling aan het Remigiusplein en de nieuwbouw van IKC Remigius is gezamenlijk gekeken naar mogelijke milieueffecten. De ontwikkeling worden gezamenlijk gekwalificeerd als de uitwerking van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorgenomen ontwikkelingen voorzien in de realisatie van 35 woningen en een schoollocatie. Het totale oppervlakte van de twee plangebieden samen bedraagt maximaal 6.000 m2. Hiermee blijft het project ver onder de indicatieve drempelwaarden en kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben.

Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn

17

betreffende de milieueffectbeoordeling. Daarbij dient te worden ingegaan op de volgende onderdelen: − de kenmerken van het project; − de plaats waar de activiteit plaatsvindt; − de kenmerken van het potentiële effect. Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling1 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.

4.2

Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing Ter plaatse van de locatie van het nieuwe IKC evenals de gronden direct ten noorden daarvan is een verkennend bodemonderzoek 2 uitgevoerd (vak B in de rapportage). Voor de gronden ter plaatse van het huidige IKC zal te zijner tijd in het kader van het uitwerkingsplan bodemonderzoek verricht worden. Uit het bodemonderzoek volgt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PCB, PAK, minerale olie en zink. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen boven de achtergrondwaarde aangetoond. Op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (BBK) worden twee separate analysemonsters en één mengmonster indicatief beoordeeld als klasse ‘Industrie’. De overige monsters worden indicatief beoordeeld als klasse ‘achtergrondwaarde’. Verder zijn in het grondwater geen gehaltes aangetoond die de streefwaarden overschrijden. Uit het asbestonderzoek volgt dat er geen asbest is aangetoond binnen het plangebied. Op basis van voorgaande resultaten wordt de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van de te verlenen omgevingsvergunning moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, 1

SAB (2022). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Duiven, Centrumplan fase IV en IKC. Projectnummer: 210207. 13 juli 2022.

2

Diseo B.V. (2022). Verkennend bodem- en asbestonderzoek Centrumplan, Duiven. Rapportnummer: D2022-197V1. 30 mei 2022. 18

een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met voorliggend project is sprake van de realisatie van een nieuwe geluidgevoelige functie in de vorm van een onderwijsgebouw. SAB heeft middels een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai3 de geluidsbelasting op het IKC als gevolg van de omliggende wegen onderzocht. In het onderzoek zijn de omliggende wegen betrokken, waaronder de Wilgenlaan en Kastanjelaan. De geluidsbelasting vanwege deze wegen op het toekomstige IKC in het besluitgebied is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee is sprake van een goede ruimtelijke ordening en zijn verdere vervolgacties niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: 3

SAB (2022). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Centrum IKC, Duiven. Projectnummer: 210207. 30 juni 2022. 19

Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen, zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Voor voorliggend plan is een quick scan luchtkwaliteit4 uitgevoerd.

Hieruit volgt dat het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Op basis van zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en 4

SAB (2022). Quick scan luchtkwaliteit. IKC Remigius te Duiven. Projectnummer: 210207. 30 juni 2022. 20

gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In voorliggend bestemmingsplan wordt getoetst of het nieuwe IKC mogelijk is op de voorgenomen locatie, maar wordt ook een evenemententerrein juridisch-planologisch vastgelegd. Aangetoond dient te worden dat beide ontwikkelingen inpasbaar zijn. IKC Remigius Het IKC is zowel een hindergevoelige als een hinderveroorzakende functie.

Er dient dus te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en ook dient er te worden onderzocht of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. In de directe omgeving van het plangebied is zowel juridisch-planologisch als feitelijk sprake van een afwisseling van functies. Zo bevinden zich hier bijvoorbeeld woningen, parkeervoorzieningen, maatschappelijke voorzieningen en centrumfuncties. De omgeving is dan ook een gebied met een matige tot sterke functiemengingen en kan daarom getypeerd worden als een ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNG-procedure met één afstandsstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect ‘gevaar’). Externe werking De externe werking betreft de vraag of de nieuwe functie in onderhavig plan leidt tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. Voor scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs geldt in een gemengd gebied uitsluitend een richtstand van 10 meter voor het aspect geluid. Deze afstand wordt in voorliggend plan gerespecteerd.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarentegen de geluidbelasting van het IKC op de omgeving in de vorm van een akoestisch onderzoek industrielawaai5 inzichtelijk gemaakt. Worstcase zijn daarbij de richtwaarden voor een rustige woonwijk aangehouden. Uit het onderzoek volgt dat: − In totaliteit geen overschrijding van de grenswaarden vanuit het Activiteitenbesluit waarneembaar zijn voor wat betreft het langtijdgemiddelde geluidsniveau. Op basis van de resultaten wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.

5

SAB (2022). Akoestisch onderzoek industrielawaai. Centrum IKC, Duiven. Projectnummer: 210207. 9 september 2022. 21

− Vanuit het perspectief vanuit een goede ruimtelijke ordening volgt dat de richtwaarde van stap-2 uit de VNG-publicatie voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau wordt overschreden op de twee dichtstbijzijnde woningen. − In totaliteit geen overschrijding van de grenswaarden vanuit het Activiteitenbesluit waarneembaar zijn voor wat betreft de maximale geluidsniveaus. Op basis van de resultaten wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat. − Vanuit het perspectief vanuit een goede ruimtelijke ordening volgt dat de richtwaarde van stap-2 uit de VNG-publicatie voor het maximale geluidsniveau ter plaatse van één woning wordt overschreden. − In totaliteit wordt geen grenswaarde van de indirecte hinder overschreden. − Omdat de richtwaarden vanuit een goede ruimtelijke ordening (stap-2 uit de VNGpublicatie) voor wat betreft het langtijdgemiddelde geluidsniveau en het maximale geluidsniveau wordt overschreden is beoordeeld in hoeverre maatregelen mogelijk zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat wanneer gesteld zou worden dat de omliggende woningen onderdeel uitmaken van een gemengd gebied wel voldaan kan worden aan de richtwaarden. Uit het maatregelenonderzoek volgt dat er geen doelmatige bron- en overdrachtsmaatregelen zijn. De geconstateerde overschrijdingen vinden uitsluitend plaats in de dagperiode wanneer de kinderen buiten spelen.

Een dergelijke geluidsproductie wordt aan de rand van het centrum van Duiven als passend gezien voor deze locatie. Interne werking Naast de externe werking moet ook de interne werking worden beoordeeld. Met andere woorden: laat de omgeving de nieuwe functie toe? Direct naast het beoogde IKC bevindt zich het openbare parkeerterrein aan de Kastanjelaan (het Liemersplein). Voor autoparkeerterreinen geldt in een gemengd gebied uitsluitend een richtstand van 10 meter voor het aspect geluid. De afstand tot het IKC is kleiner dan deze richtstand. Om die reden is de geluidsbelasting van het parkeerterrein op het IKC meegenomen het hiervoor genoemde akoestisch onderzoek. Daaruit volgt dat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van 50 dB(A) en daarmee sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Evenemententerrein Voor het planologisch vastleggen van een evenementenlocatie voor langdurige evenementen dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden om zo de geluidseffecten in kaart te brengen. Op het Liemersplein worden met enige regelmaat evenementen georganiseerd. De duur van deze evenementen varieert van een uur (zoals de aubade op Koningsdag) tot een hele maand (ijsbaan). De korte evenementen hebben door hun beperkte tijdsduur een beperkte invloed op het akoestisch klimaat bij de omliggende woningen.

Gezien de lange duur van de ijsbaan op het Liemersplein is de impact van de ijsbaan op de omliggende woningen en het nieuwe IKC potentieel het hoogst. Om die reden is akoestisch onderzoek6 verricht naar de geluidseffecten van de ijsbaan. Uit het onderzoek volgt dat wordt voldaan aan de geluidsnormen uit de ‘Nota evenementen met een luidruchtig karakter, d.d. januari 1996’ afkomstig van de ijsbaan. Om die reden is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

6

SAB (2022). Akoestisch onderzoek evenemententerrein. Evenemententerrein Liemersplein, Duiven. Projectnummer: 210207. 10 augustus 2022. 22

Conclusie Met inachtneming van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers is weergegeven en op de verticale as de kans per jaar daarop ten minste dat aantal slachtoffers. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.

23

Toetsing Het plan betreft de realisatie van ‘IKC Remigius’ op een nieuwe locatie en een verschuiving van de woningenbouw opgave naar bestaande locatie van het IKC. Ten opzichte van het vorige plan komen er geen nieuwe woningen bij. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom de planlocatie, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In navolgende figuur is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.

Uitsnede provinciale risicokaart, geraadpleegd op 17 juni 2022 (zwarte cirkels = ligging plangebied).

Rondom het plan zijn geen inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel ligt op ca. 1.110 meter de snelweg A12, op ca. 1.450 meter de toekomstige snelweg A15, op ca. 2.360 meter de Betuweroute en op ca. 1.350 meter drie aardgastransportleidingen (A-524, A-533 en A-635). Op basis van de regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan binnen het invloedsgebied van de snelweg A12, de toekomstige snelweg A15 en de Betuweroute. Het invloedsgebied van de drie aardgastransportleidingen (max. 580 meter) ligt niet over het plan. Ontwikkelingen binnen het invloedsgebied hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plan en deze risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft alleen het aspect zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid in beeld gebracht te worden. Verantwoording groepsrisico Het plan ligt in het invloedsgebied groepsrisico van de snelweg A12, de toekomstige snelweg A15 en de Betuweroute. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente

24

hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over deze transportroutes. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 21 juni 2022 (kenmerk: 2022-003142). Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor voor advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van de bestrijdbaarheid. De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie.

Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden geeft het volgende aan: − Het plan ligt in incidentenscenario toxisch wolk. De kans op dergelijk incident is klein. De realisatie van het plan leidt tot een toename van het aantal aanwezigen. Door de variatie aan doelgroepen zijn de gebruikers/bewoners niet allemaal zelfredzaam. Het is aannemelijk dat zij zichzelf of met behulp van bedrijfshulpverleners/zorgverleners bij een incident in veiligheid kunnen brengen, mits geïnformeerd en tijdig gewaarschuwd; − Wel adviseert de VGGM, ter verbetering van de zelfredzaamheid, de (toekomstige) bewoners te informeren over de risico’s in hun omgeving en mogelijke handelingsperspectieven (risicocommunicatie). Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-Alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan te ontvluchten via de Kastanjelaan. Gezien dit en de afstand tot de risicobron en het handelingsperspectief in het toxisch scenario binnenshuis schuilen is acht de gemeente het niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren.

Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant. Conclusie Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een inrichting, buisleiding en transportroute met een extern veiligheidsrisico. Dit vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan

25

in het invloedsgebied van de snelweg A12, de Betuweroute en de toekomstige snelweg A15. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico en op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.7

Water Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 zijn een aantal nationale belangen opgesomd: − waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); − waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; − waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; − in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; − realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; − Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; − Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1.

Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het

26

beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Provinciaal beleid – Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De provincie onderschrijft de ambitie van de Europese Kaderrichtlijn Water dat uiterlijk in 2027 het grond- en oppervlaktewater in Europa schoon en ecologisch gezond moet zijn en dat er voldoende water is voor duurzaam gebruik en voert deze uit. De beschermde gebieden voor grondwater, waterberging, de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000 zijn leidend bij de uitwerking van dit beleid in programma’s of in kaders in de verordening. Er worden condities gesteld voor effectief en zuinig gebruik van drinkwater, speciale waterecologie (Hoogst Ecologisch Niveau wateren en Specifiek Ecologische Doelstelling wateren), (grond)waterafhankelijke landnatuur plus de beschermingszones natte landnatuur en grondwateronttrekkingen voor drinkwater en industrie, groter dan 150.000 m3/jaar.

De provincie stelt via uitvoerend beleid de doelen voor de regionale wateren voor de Kaderrichtlijn Water vast en geeft daarbij ook invulling aan de voorzieningenniveaus. Met de Gelderse waterschappen en de landbouw geeft de provincie invulling aan het vasthouden van water in de bodem, het grondwater en de haarvaten van het watersysteem. Bescherming tegen overstromingen vindt primair plaats op basis van preventie, waar nodig aangevuld met maatregelen in de ruimtelijke ordening en evacuatie. Deze bescherming gebeurt bij voorkeur in combinatie met het ontwikkelen en versterken van karakteristieke riviernatuur in Natura 2000-gebieden. Regionaal Waterprogramma Gelderland 2021-2027 Het Regionaal Waterprogramma (RWP) 2021 – 2027 Provincie Gelderland is op 26 februari 2019 vastgesteld. In het Provinciaal Waterprogramma 2021-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Gelderland. Het Waterplan is onderverdeeld in drie deelprogramma’s: 1 Waterveiligheid: het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. 2 Waterkwaliteit: Dit programma draait om het tegengaan van verontreinigingen en kwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater. De drinkwatervoorzieningen worden ook beschermd.

3 Klimaatadaptatie: de verspilling moet worden aangepakt. De provincie wil een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op de hoeveelheid (goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte); en op de kwaliteit van het water (chemisch en ecologisch).

27

In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Gelderland. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Rijn en IJssel In het waterbeheerplan beschrijft het waterschap Rijn en IJssel op welke wijze de volgende thema’s in de periode 2021-2027 uitgevoerd worden: creëren en onderhouden van een klimaatrobuust en veilig gebied, bijdragen aan een circulaire economie en de energietransitie en het creëren van een gezondere leefomgeving. Het waterbeheerplan zoekt verbinding met het werk van andere overheden: de provincies, gemeenten, Rijkswaterstaat en het Rijk.

Het waterbeheer schept vaak randvoorwaarden voor gebruikers van het water, maar biedt ook mogelijkheden en meerwaarde voor maatschappelijke gebruikers, zoals burgers, agrariërs en terreinbeheerders, ondernemers en (drinkwater)bedrijven, recreanten en de naburige Duitse waterbeheerders. Vanuit de omgevingsverkenning is het beleid voor de planperiode 2021-2027 beschreven voor de kerntaken van het waterschap: − het peilbeheer van grond- en oppervlaktewater; − het onderhouden en beheren van de waterkeringen en watergangen; − het transporteren en zuiveren van afvalwater; − het verbeteren van de waterkwaliteit; − de vergunningverlening, toezicht en handhaving. Daarnaast is het veerkrachtiger maken van het gebied tegen klimaatverandering een belangrijk speerpunt. Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van onderhavig plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de watertoets. Voor de watertoets is de Standaard Waterparagraaf van het Waterschap Rijn en IJssel aangewend. Deze waterparagraaf is onderdeel van, en hangt samen met, een set van standaarden zoals die door het waterschap gehanteerd wordt. In deze waterparagraaf worden de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling per waterthema afgewogen. Als op één of meer vragen per waterthema ‘ja’ wordt geantwoord dan is het waterthema relevant. Die waterthema’s worden toegelicht. Thema

Toetsvraag

Relevant

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of

Nee

HOOFDTHEMA’S Veiligheid

regionale waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

28

Nee

Riolering en Afvalwa-

1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?

terketen

2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?

Ja Nee

3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)

Nee

1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak?

Ja

2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

Nee

3. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast

Nee

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=da282666-baf2-40b0-ac2d-cec209492fba