25. 201707741-Bijlage 20 bij toelichting - Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek
Tekst van het document
Gemeente Duiven Plangebied De Ploen Noord fase 1 te Duiven
Auteurs: W.A. Bergman, A. Huijbers
Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) BAAC-rapport V-23.0370
1
oktober 2023
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Versie: 2.1
Colofon ISSN: Auteur(s): Cartografie: Inhoudelijke controle: Redactie:
1873-9350 W.A. Bergman A. Huijbers J. Ostendorf J.F. van der Weerden J.F. van der Weerden
© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2023) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
BAAC Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 E-mail: denbosch@baac.nl
Popovstraat 54 8013 RK Zwolle
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
2
Inhoud Samenvatting
5
1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.1.1 Aanleiding 1.1.2 Beleidskader 1.1.3 Kwaliteitsborging 1.2 Doel- en vraagstelling 1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied 1.4 Administratieve gegevens
7 7 7 7 7 8 8 11
2 Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschap 2.2.1 Algemene ontwikkeling 2.2.2 Gebiedsspecifiek 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart 2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek 2.5 Archeologische verwachting
13 13 13 13 16 21 21 21 26 26 28 33
3 Inventariserend veldonderzoek 3.1 Werkwijze 3.2 Veldwaarnemingen 3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw 3.3.2 Archeologische indicatoren 3.4 Archeologische interpretatie
35 35 36 37 37 39 39
4 Conclusie en aanbevelingen
41
5 Geraadpleegde bronnen
45
Bijlagen
47
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
3
Inrichtingsschets Geologische en archeologische tijdvakken Boorstaten
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
4
Samenvatting
BAAC heeft voorafgaand aan woningbouw een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied De Ploen Noord te Duiven, gemeente Duiven. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied op de overgang van een rivierduin naar een rivierkomvlakte ligt. In de vlakte worden zandige beddingafzettingen binnen 2 m -mv verwacht. In de rivierkomvlakte zijn nauwelijks tot geen bekende archeologische vindplaatsen aanwezig. Het gebied ten zuiden van het plangebied is daarentegen rijk is aan archeologische vindplaatsen, wat samenhangt met de ligging op een rivierduin. Het gaat om vindplaatsen met sporen en vondsten uit de vroege en late prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Binnen het plangebied zelf zijn geen bekende archeologische waarden aanwezig. Wel zijn in de Tweede Wereldoorlog Duitse stellingen (afweergeschut) in het plangebied gesitueerd geweest. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge tot hoge verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Voor landbouwers uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen geldt voor het gehele plangebied een hoge verwachting en voor resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd een middelhoge verwachting.
Resten uit het neolithicum tot en met de ijzertijd kunnen in het noordelijke deel van het plangebied afgedekt zijn door een kleipakket. In het zuidelijke deel van het plangebied kunnen sporen van het afweergeschut en dergelijke uit Tweede Wereldoorlog verwacht worden. Uit het veldonderzoek blijkt dat zowel de verwachte kom- op bedding- als rivierduinafzettingen zijn aangetroffen. In het grootste deel van het plangebied (noordelijke deel) komt onder de bouwvoor komklei voor. De komklei gaat binnen 1,2 m -mv geleidelijk over in sterk zandige klei tot matig tot zeer grof zand voor. Dit betreffen beddingafzettingen. In het zuidelijke deel van het plangebied dagzoomt het rivierduin (matig grof zand). In noordelijke richting wordt het rivierduin afgedekt fluviatiele afzettingen. Deze afzettingen kunnen een dikte bereiken tot 1,3 m -mv. Gezien de vondsten en sporen die elders op het rivierduin zijn gevonden, kunnen in de top van het (begraven) rivierduin archeologische waarden bewaard zijn gebleven. Geadviseerd wordt om bij bodemverstorende activiteiten ter plaatse van het rivierduin vervolgonderzoek door middel van een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren (afb. S.1).
5
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. S.1 advieskaart
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
6
1
Inleiding
1.1 Onderzoekskader 1.1.1 Aanleiding In opdracht van Kragten BV Roermond heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd in het plangebied De Ploen Noord te Duiven, gemeente Duiven. Aanleiding voor het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging, waarbij woningbouw is voorzien (bijlage 1). De oppervlakte van het plangebied is circa 4,1 ha. De verstoringsdiepte van de toekomstige ontwikkeling is onbekend. Realisatie van de plannen kan leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwezige archeologische waarden. 1.1.2 Beleidskader Volgens het vigerend bestemmingsplan geldt voor het plangebied in algemene zin de dubbelbestemming ‘waarde Archeologie.1 In specifieke zin liggen binnen het plangebied vier verschillende ‘waarde Archeologie’ aanduidingen. In het zuidelijk deel van het plangebied ligt een 'specifieke vorm van waarde - terrein van archeologische waarde 2', waarvoor geldt dat bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 0,5 m –mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. In het midden van het plangebied ligt een 'specifieke vorm van waarde middelmatige archeologische verwachting 4' waarvoor geldt dat bij bodemingrepen groter dan 5.000 m² en dieper dan 0,5 m -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd.
In het westelijk deel van het plangebied ligt een ‘specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting 3' waarvoor geldt dat bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 0,5 m -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. In het noorden van het plangebied ligt een ‘specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting 5', waarvoor geldt dat bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,5 m -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. 1.1.3 Kwaliteitsborging Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 (bureauonderzoek) en protocol 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.12, de richtlijnen van de gemeente Duiven, het Handboek archeologisch onderzoek Regio Arnhem3 en het onderzoeksspecifieke Plan van Aanpak.4 BAAC is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems).
1
Ruimtelijkeplannen 2023. CCvD 2018. 3 Afdeling Erfgoed en Archeologie gemeente Arnhem 2023. 4 Bergman 2023. 2
7
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
1.2 Doel- en vraagstelling Het doel van het bureauonderzoek is om de geologische, bodemkundige en landschappelijke kenmerken, alsmede de bekende en verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied te inventariseren teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Het inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden en om de verstoringsgraad van het bodemprofiel te bepalen. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt de archeologische verwachting getoetst en indien nodig gespecificeerd. Het bureauonderzoek dient de volgende vragen te beantwoorden: • • •
Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, welke gegevens zijn bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en welke gegevens zijn bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied?
Het veldonderzoek dient de volgende vragen, vastgelegd in het Plan van Aanpak, te beantwoorden: • • • •
Hoe is de opbouw en geologische samenstelling van de bodem en ondergrond? Zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? Zo ja, waar en op welke diepte? Wordt de specifieke archeologische verwachting bevestigd door het veldonderzoek? In hoeverre worden archeologische resten/niveaus bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?
Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen wordt vervolgens een advies gegeven over de omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden en mogelijk vervolgonderzoek. Het bevoegd gezag (gemeente Duiven) neemt op basis van het door BAAC opgestelde advies een selectiebesluit.
1.3 Situering van het plan- en onderzoeksgebied Er wordt onderscheid gemaakt tussen de termen plangebied en onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de geplande bodemingrepen zullen gaan plaatsvinden. Het onderzoeksgebied beslaat het plangebied inclusief het omringende gebied binnen een straal van circa 500 m. Het onderzoeksgebied wordt in het bureauonderzoek als zoekgebied gehanteerd om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie van het plangebied. Het plangebied ligt aan de Hogeweg en Westsingel ten noorden van bebouwde kom van Duiven (afb. 1.1) en is in agrarisch gebruik (afb. 1.2). Ten noorden en oosten van het plangebied ligt bouwland.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
8
Afb. 1.1 Ligging van het plangebied op Opentopo-kaart (PDOK 2023).
9
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 1.2 Ligging van het plangebied op een recente luchtfoto (PDOK 2023).
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
10
1.4 Administratieve gegevens Locatiegegevens provincie gemeente plaats toponiem RD-coördinaten
kaartblad kadastrale gegevens oppervlakte plangebied Projectgegevens projectnummer type onderzoek Archis-zaakidentificatienr. opdrachtgever
Gelderland Duiven Duiven De Ploen Noord 198.062 / 441.178 198.347 / 441.047 198.179 / 441.935 198.046 / 441.021 40B Duiven A 2092 en 1057 4,1 ha
datum opdracht datum veldwerk versie nummer voorgelegd aan bevoegd gezag beheer en plaats documentatie
V-23.0370 Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) 5457979100 Kragten BV Roermond contactpersoon: R. van Hest W.A. Bergman Gemeente Duiven S. Diependaal, regioarcheoloog 3 juli 2023 13 september 2023 2.1 nee Archis 3, E-depot (Dans Easy) en archief BAAC
11
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
projectleider BAAC bevoegde overheid adviseur namens bevoegde overheid
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
12
2
Bureauonderzoek
2.1 Werkwijze Tijdens het bureauonderzoek is literatuur over de geologie, geomorfologie, het hoogteverloop (AHN) en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied bestudeerd. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van oude kadastrale en topografische kaarten. Tevens is informatie ingewonnen bij Historische Kring Duiven-Groessen-Loo.5 Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens uit Archis 3 van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. In navolgende paragrafen staan de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk is afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 2.
2.2 Landschap 2.2.1 Algemene ontwikkeling Het plangebied maakt deel uit van het rivierenlandschap. In het rivierengebied komen afzettingen van de Rijn voor. Binnen het onderzoeksgebied ligt een 1 à 2 meter dik holoceen pakket (Formatie van Echteld) op de oudere pleistocene afzettingen (afb 2.1).6 De pleistocene afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye.7 Het gaat hier om afzettingen, die door de vlechtende voorlopers van de Rijn en de Maas tijdens het Laat-Glaciaal zijn afgezet, ongeveer 13.000 – 11.650 jaar BP. De afzettingen bestaan uit grindrijk grof zand.8
5
E-mail verstuurd, d.d. 6 juli 2023. Atlas Gelderland 2023. 7 De Mulder et al. 2003. 8 Cohen et al. 2012. 6
13
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 2.1 Uitsnede van de zanddieptekaart (Provincie Gelderland 2023).
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
14
In het rivierengebied komen lokaal rivierduinen voor. Deze rivierduinen dateren uit de Jonge Dryas. In deze koude periode kon door onregelmatige waterafvoer en het ontbreken van vegetatie rivierzand uitstuiven uit de droge beddingen van de vlechtende rivieren en opwaaien tot duinen. De rivierduinafzettingen uit deze periode horen bij de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Delwijnen). In het verbeterde klimaat in het Holoceen zijn deze duinen gedeeltelijk of geheel overdekt geraakt met jongere riviersedimenten. In het Holoceen verbeterde het klimaat, waardoor de rivieren een meanderend karakter kregen. In eerste instantie sneden de rivieren zich in de oudere pleistocene sedimenten in. Alleen bij zeer hoge waterstanden traden de rivieren buiten hun insnijdingsdalen en werd zandige, zeer stugge, lichtgrijze tot blauwgrijze klei afgezet (Laag van Wijchen). In de ondiepere ondergrond zijn in het rivierengebied sedimenten door meanderende rivieren afgezet. Daarbij was de zogenaamde terrassenkruising van belang. Ten westen van deze terrassenkruising vond sedimentatie plaats, ten oosten ervan insnijding. Door de stijgende zeespiegel verschoof de terrassenkruising vanaf het begin van het Holoceen landinwaarts en werd het laat-glaciale dal geleidelijk opgevuld met holoceen riviersediment.
De accumulerende, meanderende rivieren ontwikkelden een duidelijke differentiatie in verschillende rivierafzettingen (beddingafzettingen, oeverafzettingen en komafzettingen). Beddingafzettingen betreffen alle afzettingen binnen de beddinggordel, die in de watervoerende rivierbedding worden afgezet, zoals het zand, afgezet in de binnenbocht van de rivier (kronkelwaard; afb. 2.2). Langs de geulen worden oeverwalafzettingen afgezet, die voornamelijk bestaan uit fijn zand, zavel en sterk zandige klei (afb. 2.1). Deze ontstaan wanneer bij hoge afvoeren de rivier buiten zijn bedding treedt. Hierbij neemt de stroomsnelheid snel af, waardoor het grovere sediment (zand, zavel en sterk zandige klei) direct naast de bedding wordt afgezet. De zich zo vormende oeverwallen worden in de loop der tijd steeds hoger. Hierdoor neemt de overstromingsfrequentie af. Het fijnere sediment, de zware klei, wordt verder van de bedding afgezet in lager gelegen delen. Deze afzettingen worden komafzettingen genoemd. De holocene afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Echteld. 9 In de kommen heeft zich vanwege de natte omstandigheden vaak veen gevormd (Nieuwkoop Formatie; Hollandveen Laagpakket).
Afb. 2.2 Schematische doorsnede door de stroomgordel van een meanderende rivier (natuurlijke situatie) met bijbehorende terminologie.
9
De Mulder et al. 2003.
15
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Bij extreme hoogwaterstanden in de rivieren vonden regelmatig doorbraken van de oeverwallen plaats, waardoor crevassegeulen ontstonden. In en langs de crevassegeulen vond sedimentatie plaats. De crevasseafzettingen zijn minder dik dan stroomgordelafzettingen, waarbij bovendien de variatie in lithologische samenstelling over korte afstand zeer groot kan zijn. Gedurende het Holoceen zijn er verschillende perioden geweest met sterke accumulatie, gevolgd door perioden waarin er veel minder sedimentatie optrad. Tijdens laatstgenoemde perioden nam de begroeiing toe en ontstonden er in de kom- en oeverwalgebieden donkergekleurde vegetatiehorizonten, zogenaamde laklagen. In laklagen kunnen derhalve archeologische resten voorkomen, omdat zij oude bodemoppervlakken vertegenwoordigen. Komgebieden waren over het algemeen echter laaggelegen en nat, zodat de kans op het aantreffen van archeologische resten op de stroomruggen en rivierduinen hoger is dan in de lager gelegen kommen. 2.2.2 Gebiedsspecifiek Geologie en Dino-boringen Volgens de paleogeografische kaart van Nederland lag het plangebied vanaf het begin van het holoceen op de noordflank van een rivierduin tegen een vlakte met Pleistoceen zand.10 Vanwege vernatting van het gebied in het Atlanticum (laat-mesolithicum – vroeg neolithicum) is veengroei begonnen, waarbij het rivierduin dagzoomt.
Vanwege toenemende activiteit van de Rijn is het veen ter hoogte van het plangebied vanaf het begin van onze jaartelling geërodeerd. Tot de bedijking in de late middeleeuwen blijft het plangebied onder invloed van de rivieractiviteit en wordt klei en zand afgezet. Alleen het meest zuidelijke deel van het plangebied is vanwege de relatief hoge ligging van het duin mogelijk vrij gewaard gebleven van veengroei en invloeden van de rivier. Voor zover bekend komt in het plangebied geen stroomgordel voor.11 Met behulp van de boringen uit het DINOloket kan de geologische opbouw van het plangebied nader worden gespecificeerd. Juist in het zuidelijke deel van het plangebied is een 3,25 m diepe boring gezet, waarin tot 1,2 m -mv matig grof zand is opgeboord en vervolgens tot 3,2 m -mv matig fijn zand. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Echteld. Hieronder is veen aangetroffen (Formatie van Nieuwkoop).12 Ook in een 1,2 m diepe bodemkundige boring die in 1986 in het plangebied is gezet is zand aangetroffen, waarbij een 60 cm dikke bouwvoor voorkomt. In het noordelijke deel van het plangebied komt volgens 1,2 m diepe bodemkundige boringen lichte tot zeer zware klei voor. Op circa 50 m ten noorden van het plangebied is bij een 3,5 m diepe boring tot 1,1 m -mv sterk tot matig siltige klei aangetroffen (Formatie van Echteld).
Vervolgens is de Laag van Wijchen aangeboord die een opvallende dikte van 75 cm heeft. Onder de Laag van Wijchen komen grofzandige Afzettingen van Kreftenheye voor. 13 Geomorfologie en AHN Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied grotendeels in een rivierkomvlakte.14 In het uiterst zuidelijke deel is, kan volgens de geomorfologische kaart een rivierduin aangetroffen worden (afb. 2.3). Dit komt overeen met de hierboven beschreven bevindingen. Op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland is aan de gele kleurnuance te zien dat het zuidelijke deel van het plangebied (het rivierduin) absoluut hoger ligt dan de rivierkomvlakte (afb 2.4). De overgang naar het meer noordelijk gelegen deel van de vlakte verloopt geleidelijk. De taluds langs watergangen zijn aan de blauwe kleur duidelijk te herkennen.
10
RCE 2023. Cohen et al. 2012. 12 Dinoloket 2023. Boring B40B0864 13 Dinoloket 2023. Boring B40B0944 14 Geomorfologische kaart, geraadpleegd via Archis 3 2023. 11
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
16
Afb. 2.3 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de geomorfologische kaart (Archis 3 2023).
17
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 2.4 Ligging van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand (AHN-4 2023).
Verstoringen Er zijn voor zover bekend geen ontgrondingen uitgevoerd in het plangebied.15 Als gevolg van het agrarisch grond gebruik van het plangebied zal de bodem in het plangebied verploegd en mogelijk geëgaliseerd zijn. Dit zal alleen gevolgen hebben voor de ondiepe archeologische waarden.
15
Provincie Gelderland 2023; AHN4 2023.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
18
Bodemopbouw Naast de geomorfologische ontwikkeling wordt het landschap ook gevormd door bodemvormende factoren en processen. De bodemvormende factoren zijn onder meer het moedermateriaal, reliëf, de biologische factor en tijd. Bij bodemvormende processen valt te denken aan onder meer humusvorming, ontkalking, podzolisatie, homogenisatie en rijping. Het moedermateriaal is het uitgangsmateriaal (Formatie) waarin de bodem zich heeft ontwikkeld, zoals eolische, fluviatiele of mariene afzettingen. Het reliëf hangt met name samen met de grondwaterstand. De biologische factor is onder te verdelen in mens, bodemfauna en vegetatie. De mens is hierin een zeer belangrijke factor. Denk bijvoorbeeld aan het afplaggen van heidegrond, het ontginnen van heidevelden en veengebieden, ontwatering van kleigebieden, afwatering in zandgebieden en het omzetten van grasnaar bouwland. Maar anderzijds ook het ontstaan van enkeerdgronden. Bij de factor tijd is het bijvoorbeeld van belang in hoeverre bodemvormende processen konden plaatsvinden. Een algemeen voorkomend bodemproces is humusvorming. Hierbij wordt organische stof in humus omgezet. Bij voldoende aanvoer van organische stof hoopt humus zich op den duur op in de bovengrond (Ah-horizont). De snelheid en mate waarin dit gebeurt hangt onder meer af van de factoren tijd, bodemfauna en vegetatie.
Ontkalking hangt onder meer af van de verticale en laterale afvoer van neerslag, de aanwezigheid van zuren en een afwisseling van droge en natte perioden (oxidatie-reductie). Indien het maaiveld van de bodem geruime tijd aan de oppervlakte ligt, vindt ontkalking van de bouwvoor plaats door percolatie van regenwater. Zo zijn pleistocene zandgronden meestal meters diep ontkalkt. Ook is het uitgangsmateriaal van belang. Zo zijn bijvoorbeeld Rijnafzettingen van origine kalkhoudend en de Maasafzettingen kalkloos. Kalkhoudende bodems komen onder meer voor in afzettingen die tot de Formatie van Echteld gerekend worden. In het rivierengebied kunnen echter bijvoorbeeld oeverwallen of crevasses jarenlang aan het oppervlak gelegen hebben en zo ontkalkt zijn. Omdat dergelijke oeverwallen of crevasses mogelijk lange tijd aan het oppervlak hebben gelegen, kan ook een Ah-horizont gevormd zijn en bewoond zijn geweest. Door de dynamiek in het onbedijkte rivierengebied zijn dergelijke oeverwallen of stroomgordels vaak bedekt met jongere kalkrijke afzettingen. Ook speelt de begroeiing een belangrijke rol. In een milieu met veel CO2 productie (riet) gaat de ontkalking snel. Daarom vindt in komgebieden waar veel riet groeit ontkalking meestal tijdens de afzetting plaats. Komkleien zijn dus doorgaans kalkloos. Het plangebied ligt volgens de bodemkaart van Nederland op een poldervaaggrond (afb.
2.5).16 Voor het grootste deel van het plangebied betreft het een kalkloze poldervaaggrond met zavel en lichte klei (Rn67C).17 In het uiterste oosten bevinden zich volgens de bodemkaart kalkloze poldervaaggronden met zware klei (Rn44C).18 Poldervaaggronden zijn klei-, leem- of zavelgronden met een dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 30 cm). Deze lichtbruin tot bruingrijs gekleurde A-horizont ligt direct op een licht gekleurde ondergrond die nog weinig door bodemvorming is veranderd (C-horizont). Roest en grijze vlekken komen voor binnen 50 cm –mv en beginnen dus soms al in de A-horizont. Deze lopen door tot in de permanent gereduceerde ondergrond. De gronden zijn stevig doordat ze al wel gerijpt zijn. De textuur kan sterk wisselen, al naar gelang de landschappelijke eenheid. In het uiterst zuidelijke deel komt een hoge bruine enkeerdgrond voor (bEZ30) voor.19 Dergelijke gronden zijn ontstaan door het eeuwenlang opbrengen van met uit een potstal vermengd met grondplaggen. Ter plaatse van de plaggendekken kan het originele maaiveld zijn opgehoogd met minimaal 0,5 m en lokaal zelfs meer dan 1 m, terwijl het maaiveld in de afgeplagde gebieden rondom het akkercomplex juist is verlaagd.
16
Bodemkaart, geraadpleegd via Archis 3 2023. Grondwatertrap V. Bij grondwatertrap V ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) op minder dan 40 cm – mv en ligt de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) op meer dan 120 cm –mv. 18 Grondwatertrap III. Bij grondwatertrap III ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) tussen 25 en 40 cm –mv en ligt de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) tussen 80 en 120 cm –mv. 19 Grondwatertrap VII. Bij grondwatertrap VII ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) op meer dan 80 cm – mv en ligt de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) op meer dan 120 cm –mv.
17
19
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 2.5 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de bodemkaart (Archis 3 2023).
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
20
2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding Het plangebied ligt op de noordflank van een rivierduin (zie voorgaande paragrafen). In de periode vóór de bedijkingen werden alleen de hoger gelegen stroomruggen20 en duinen of donken bewoond en gebruikt voor akkerbouw. De lagere delen waren te nat om te wonen. De laaggelegen en dus natte komgebieden werden gebruikt voor beweiding in de zomer. Ondanks de bedijkingen, die vanaf omstreeks de 12e eeuw plaatsvonden, en de aanleg van weteringen die ontwatering van de komgebieden sterk verbeterde, bleven dit natte gebieden die door dijkdoorbraken vaak overstroomden. Boerderijen werden dan ook zelden in de kommen gebouwd en als dat wel gebeurde, was dit op een hoge terp. Pas na de Tweede Wereldoorlog verschenen in de kommen op grote schaal boerderijen.21 In de omgeving van het plangebied zijn vondsten bekend vanaf het mesolithicum (zie ook paragraaf 2.4).22 De vondsten uit de periode mesolithicum en vroeger duiden vaak op een tijdelijk kamp dat seizoensmatig werd bewoond, afhankelijk van het voedselaanbod. In de loop van het neolithicum ging de mens zich steeds meer toeleggen op het verbouwen van voedsel en het houden van vee. Hoger gelegen gebieden kenden een toenemende bevolkingsdichtheid en zijn vaak voortdurend bewoond geweest tot in de Romeinse tijd.
De bevolkingsdichtheid nam vanwege teruglopende handelscontacten aan het einde van de Romeinse tijd sterk af, en nam in de middeleeuwen weer toe. 2.3.2 Historie In een oorkonde van 838 AD wordt het dorp Duiven voor het eerst vermeld als Thuuina.23 In 838 geeft een zekere graaf Rodgarius de kerk in villa Thuvine aan het kapittel van St. Maarten.24 De naam is afkomstig van het Germaanse woord “pubha” en betekent heuveltje. In 1125 zou Duiven een eigen kerspelkerk (parochiekerk) hebben gekregen.25 Duiven lag in het gebied De Liemers en dat gebied was een Kleefse enclave tot 1816.26 De naam van het plangebied Ploen is afkomstig van een hoeve zuidoostelijk van het plangebied, op de plaats van een havezate die in 1541 wordt genoemd in de bronnen.27 Op een kaart uit de tweede helft van de 18e eeuw wordt de havezate Pleum genoemd.28 Het plangebied zelf ligt op de overgang van twee cultuurlandschappen, een hoog akkergebied genaamd De Eng en een laag graslandgebied genaamd De Tulleners. Het toponiem De Eng is niet alleen een aanduiding voor een (collectief ontgonnen) akkergebied, maar ook de naam van een gehucht. Volgens Edelman dateert de naam Eng al uit de vroege middeleeuwen, maar dat is zeer de vraag.
29 Het kan ook een naam zijn die pas is ontstaan bij de inrichting van het akkergebied, nadat de bewoning ter plaatse was verdwenen, net als in Zuid-Nederland in hoge akkergebieden (plaggendekken, esdekken) vaak het geval is. Dat toponiem komt in elk geval voor vanaf 1671, wanneer van de Engsche lijkweg wordt gesproken. 30 Volgens een atlas uit 1735 begon het gehucht De Eng aan de Ploenstraat.31 In 1735 stonden er op en bij De Eng 20 huizen. Op de kaart van Loeffler uit 1782 komt de naam Eng te Duiven ook naar voren, als Engkamp.32
20
Twee oeverwallen met een bedding ertussen vormen een stroomrug. Barends et al. 2010. 22 Archis 3 2023. 23 Van Berkel en Samplonius 2006. 24 Van Dalen 1939, 31. 25 Van Dalen 1939, 33. 26 Hendriks z.j. 27 Hendriks z.j. 28 Versfelt 2003. 29 Edelman-Vlam 1956, 111. 30 Staring 2012. 31 Atlas van het voormalig Kleefse Ambt Liemers uit 1735. 32 Kaarten van de tot het rentam t Lymers behorende tiendplichtige bouw- en wei- land, met register, door F. M. Loeffler, 178216 R.A. Arnhem, Alg. Verr. No. 183. 21
21
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Op de oudste kadastrale kaart (afb. 2.6)33 is die ligging op een overgang van twee cultuurlandschappen niet terug te zien in het landgebruik. Volgens de OAT ligt op de percelen 28534 en 30235 binnen het zuidelijke deel van het plangebied bouwland, terwijl op de percelen binnen het noordelijk deel van het plangebied, percelen 28436 en 30837 ook bouwland ligt, respectievelijk eigendom van de domeinen des Rijks en de heer van Nispen tot Zevenaar (rentenier). De beide eigenaren van percelen 284 en 308 worden hier genoemd omdat zij kunnen wijzen op een hoge ouderdom van beide percelen. De familie van Nispen tot Zevenaar was namelijk ook eigenaar van de hoeve en havezate De Ploen.38 Bezit in handen van de Rijksdomeinen kan afkomstig zijn van oud middeleeuws kloosterbezit c.q. van een wereldlijke grondheer. Later in de tijd, zichtbaar op de topografische kaart van 1870, is wel sprake van een tweedeling in grondgebruik. Dat geldt ook voor de situatie op de kaart van 1900 en evenzo voor de situatie van 1960 (afb. 2.7). Heden ten dage is dat verschil in landgebruik verdwenen en is het hele plangebied in gebruik als bouwland (afb. 2.7).
33
Beeldbank 2023, Kadastrale kaart 1811-1832: minuutplan Duiven, Gelderland, sectie A, blad 02 (MIN05048A02). Beeldbank 2023, Kadastrale kaart 1811-1832: oorspronkelijke aanwijzende tafel Duiven, Gelderland, sectie A, blad 019 (OAT05048A019). 35 Beeldbank 2023, Kadastrale kaart 1811-1832: oorspronkelijke aanwijzende tafel Duiven, Gelderland, sectie A, blad 020 (OAT05048A020). 36 Beeldbank 2023, Kadastrale kaart 1811-1832: oorspronkelijke aanwijzende tafel Duiven, Gelderland, sectie A, blad 019 (OAT05048A019). 37 Beeldbank 2023, Kadastrale kaart 1811-1832: oorspronkelijke aanwijzende tafel Duiven, Gelderland, sectie A, blad 020 (OAT05048A020). 38 Hendriks z.j. 34
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
22
Afb. 2.6 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de kadastrale kaart uit het begin van de 19e eeuw (Kadasterkaart 1811-1832; Beeldbank 2023).
23
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 2.7 Ligging van het plangebied op topografische kaarten uit de 19e en 20e eeuw (Topotijdreis 2023).
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
24
Op een luchtfoto van de RAF uit 1945 (afb. 2.8) zijn in het zuidelijke deel van het plangebied (Duitse) stellingen te zien uit de Tweede Wereldoorlog. Op de beeldbank WO II is geen nadere informatie weergegeven.39 Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed ligt het plangebied in de zone van Overige gebieden. In die zone zijn resten van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. Echter meteen ten noordwesten van het plangebied ligt een zone van een linie uit 194445. Het gaat om de IJsselstellung, aangelegd door de Duitse bezettingsmacht. De IJsselstellung diende om een omtrekkende beweging van de Westwall tegen te houden door de geallieerden.40 Qua archeologie zijn naast gebouwd erfgoed (bunkers en tankversperringen) resten te verwachten van gevechts- en waarnemingsposities voor infanterie, opstellingen voor geschut, loopgraven, mangaten, overstoven betonbouw, versperringen, barakken e.d.
39 40
Beeldbank WO II 2023. IKME 2023.
25
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 2.8 Het plangebied op een luchtfoto gemaakt door de RAF in de Tweede Wereldoorlog (Universiteit Wageningen 2023)
2.4 Archeologische gegevens 2.4.1 Gemeentelijke verwachtingskaart Het plangebied heeft op de gemeentelijke verwachtingskaart vier soorten verwachtingen op het aantreffen van archeologische waarden (afb. 2.9).41 Het gaat van noord naar zuid in de eerste plaats om een groene zone opgevuld met een arcering van vierkantjes en streepjes en met de codes RKd en RKL. Het 41
Willemse 2006.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
26
betreft een zone met een lage verwachting. De aanduiding RKd betekent dat sprake is van komafzettingen met en dikte van 100 cm of meer. De code RKL betekent dat sprake is van komafzettingen met intact laatglaciaal terrassenlandschap binnen 1-2 m -mv. In de tweede plaats ligt in het plangebied een beige zone (middelmatige verwachting), eveneens opgevuld met vierkantjes en streepjes. Het gaat om een zone met een middelmatige verwachting. In de derde plaats ligt in het plangebied een bruine zone, die een hoge verwachting weergeeft. In de vierde plaats is sprake van een bruine zone in het plangebied die blauw is gearceerd. Het gaat om een zone met een hoge verwachting en tevens een terrein van hoge archeologische waarde, AMK-terrein 3845.42
42
Willemse 2006.
27
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 2.9 Ligging van het plangebied op de gemeentelijke verwachtingskaart (Willemse 2006).
2.4.2 Bekende vondsten en eerder onderzoek Bepaalde gebieden zijn vanwege hun archeologische waarde aangewezen als archeologisch (rijks)monument. Binnen een straal van 250 m is een archeologische (rijks)monument aangewezen, AMKterrein 3845. AMK-terrein 3845 draagt de toponiemen De Tulleners, De Marienboom en De Ploen. Het is een terrein van hoge archeologische waarde. De complextypen met dateringen van toepassing op dit AMKterrein zijn ‘nederzetting, onbepaald (ijzertijd laat-Romeinse tijd)’ en ‘nederzetting, onbepaald (middeleeuwen laat)’. Het gaat om een terrein met sporen van bewoning op een oude woongrond,
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
28
vastgesteld bij een bodemkartering in 1950. Op het terrein werden bij de karteringen in 1950 en 1980 vondsten gedaan uit de Romeinse tijd en de late middeleeuwen en mogelijk ook vondsten uit de vroege middeleeuwen.43 In het plangebied zijn geen archeologische vondsten gedaan en heeft niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In een straal van 250 m rondom het plangebied zijn diverse archeologische resten aangetroffen en onderzoeken uitgevoerd (tabellen 2.1 en 2.2; afb. 2.10).
43
Archis 3 2023, zoeken & vinden, kaartlaag AMK-terreinen.
29
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 2.10 Het plangebied met de archeologische (rijks)monumenten, vondstmeldingen en onderzoeken (Archis 3 2023).
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
30
Tabel 2.1 Overzicht bekende vondstlocaties binnen een straal van 250 m rondom het plangebied (Archis 3 2023). Archisnr. Afstand tot materiaal Datering verzamelwijze plangebied 2962010100 80 m ten Z Vuursteen, Vuursteen mesolithicumIVO-O (zie ook tabel 2.2) keramiek bronstijd, keramiek neolithicumbronstijd, ijzertijd-romeinse tijd, romeinse tijd, middeleeuwen, nieuwe tijd 2186266100 150 m ten Z keramiek Keramiek ijzertijd, Romeinse tijd, IVO-P (zie ook tabel 2.2) late middeleeuwen 2295810100 150 m ten Z Vuursteen, Vuursteen: mesolithicum, Opgraving (zie ook tabel 2.2) keramiek, glas, keramiek: ijzertijd, romeinse tijd, natuursteen, bot vroege middeleeuwen, late middeleeuwen, nieuwe tijd, glas: late ijzertijd-vroeg-Romeinse tijd 3148027100 250 m ten Keramiek, glas, IJzertijd-late middeleeuwen IVO-O (zie ook tabel 2.2) ZW steen, hout/houtskool, metaal 2036618100 185 ten Z Vuursteen, Vuursteen: paleolithicumIVO-P (zie ook tabel 2.2) keramiek, glas, nieuwe tijd, keramiek: bronstijdbot ijzertijd, nieuwe tijd 2125742100 145 m ten Keramiek, Keramiek vroege middeleeuwen Opgraving (zie ook tabel 2.2) ZO metaal, bot C-late middeleeuwen A, metaal: ijzertijd-nieuwe tijd, bot: paleolithicum-nieuwe tijd 2071350100 150 m ten keramiek Bronstijd, Romeinse tijd, IVO-P (zie ook tabel 2.2) ZO middeleeuwen,.
Nieuwe tijd 3070997100 160 m ten Cultuurlaag Onbekend Bodemkartering ZO (oude woongrond) met opgebrachte grond 0,5-1 m dik 3226176100 70 m ten W Keramiek, Keramiek: ijzertijd-Romeinse IVO-O (zie ook tabel 2.2) natuursteen tijd, natuursteen: neolithicumRomeinse tijd Tabel 2.2 Overzicht eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek binnen een straal van 250 m rondom het plangebied (Archis 3 2023). Archisnr. Afstand tot Uitvoerder, Type onderzoek en resultaat plangebied jaar 2032924100 20 m ten ZW ARC, 2000 IVO-O. Resultaat: onbekend (rapport niet in Archis, noch in DANS) (2 gebieden) 2036618100 20 m ten ZW ADC, 2003 IVO-P. Resultaat: proefsleuven op de top van een rivierduin en in het aangrenzende komgebied. In het komgebied in de sleuf het dichtst bij het duin een vondstlaag met ijzertijdmateriaal (put 4). In de sleuven op de top sporen van nederzettingen uit de bronstijd en late ijzertijd. In de meest oostelijke sleuf (put 6) geen sporen. Vondsten uit paleolithicum, neolithicum, bronstijd, ijzertijd, nieuwe tijd. Rapport niet in databases. Advies: onbekend. 2186266100 Grenzend Becker & Van IVO-P. Resultaat: twee vindplaatsen, een vindplaats van een nederzetting of aan zuiden de Graaf, meerdere nederzettingen uit ijzertijd-Romeinse tijd en een vindplaats van plangebied 2018 een mogelijk erf uit de middeleeuwen.
Vondsten uit bronstijd-ijzertijd, ijzertijd-Romeinse tijd, vroege middeleeuwen C en D en late middeleeuwen A en B: Advies: opgraving 2962010100 80 m ten Z Onbekend IVO-O. Resultaat: vondsten mesolithicum-nieuwe tijd (zie tabel 2.1), (staat niet in complextypen bronstijd-nieuwe tijd. Advies: onbekend (rapport niet in Archis), 2001 databases)
31
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
2147353100
250 m ten ZW
ADC, 2007
2165449100
250 ten ZW
Synthegra, 2007
2277067100
250 m ten ZW Grenzend aan zuiden plangebied 150 m ten ZO 150 m ten ZO
Synthegra, 2010 BAAC, 2010
2295810100
2177826100 2071350100 (zie ook 2071350100 hierna)
2125742100
2177826100 2071350100 (zie ook 2071350100 hiervoor)
3996852100 2076349100 2063120100 2087210100
3226176100 3148027100 4679925100 4698003100
4722992100
IVO-O. Resultaat: indicatoren prehistorische en nieuwe tijd sporen. Op basis van aardewerk, fosfaatvlekken, botresten en houtskool resten uit de late prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. Advies: IVO-P en sloopbegeleiding (zie beide zaakidentificatienummers hierna). IVO-P. Resultaat: vondst bronstijd op 2 m -mv, vondstlaag late ijzertijd, laag 12e-13e eeuw, boerderij of bijgebouw 17e-18e eeuw (voorganger huidige boerderij) en uit bouwvoor en kleilaag daaronder vondsten late middeleeuwen-nieuwe tijd. Advies: DO IVO-P en sloopbegeleiding boerderij. Resultaat: onbekend (niet in databases). Opgraving. Resultaat: vindplaatsen uit het mesolithicum en sporen uit de ijzertijd-Romeinse tijd en late middeleeuwen - nieuwe tijd.
ARC, 2004 Synthegra, 2005
IVO-O. Resultaat: onbekend (rapport niet in Archis). Zie IVO-P hierna. IVO-P. Sporen late bronstijd, late ijzertijd, late ijzertijd/vroege Romeinse tijd, vroege en late middeleeuwen. Aardewerkvondsten vroege bronstijd, late bronstijd, vroege, midden, late ijzertijd, vroege Romeinse tijd, vroege middeleeuwen, late middeleeuwen en nieuwe tijd. Met huisplattegronden. De sporen waren alle gesitueerd in de top van de C-horizont. Advies: IVO. (zie opgraving hierna). 150 m ten ZO Becker & Van opgraving (in Archis staat foutief IVO-P). Resultaat: afvalkuil latede Graaf, middeleeuwen, vier paalkuilen, vermoedelijk twee uit de late prehistorie en 2006 twee uit de middeleeuwen, recente verstoringen en recente afvalkuilen. Vondsten: kogelpotaardewerk vroege-late middeleeuwen, pijlpunt ijzertijdnieuwe tijd en bot paleolithicum-nieuwe tijd (rapport niet in databases). 160 m ten ZO ARC, 2004 IVO-O. Resultaat: onbekend (rapport niet in databases). Zie IVO-P hierna. 160 m ten ZO Synthegra, IVO-P. Resultaat: Sporen late bronstijd, late ijzertijd, late ijzertijd/vroege 2005 Romeinse tijd, vroege en late middeleeuwen. Aardewerkvondsten vroege bronstijd, late bronstijd, vroege, midden, late ijzertijd, vroege Romeinse tijd, vroege middeleeuwen, late middeleeuwen en nieuwe tijd. Met huisplattegronden. De sporen waren alle gesitueerd in de top van de Chorizont. 25 m ten W RAAP, 2016 IVO-P.
Resultaten: geen sporen, wel vondsten, met name uit de prehistorie (bronstijd-ijzertijd). Advies: geen vervolgonderzoek. 25 m ten W RAAP, 2000 IVO-O. Resultaten: onbekend (rapport niet in databases). 25 m ten W RAAP, 2002 BO+ IVO + veldkartering. Resultaten: ‘ijzertijd-Romeinse tijd’ (rapport niet in databases). 40 m ten W ADC, 2004 Opgraving. Resultaat: randzone van één of meerdere nederzettingen uit verschillende periodes op de flank van het rivierduin en menselijke activiteit in de prehistorie in het lager gelegen komgebied. De nederzetting zelf ligt hoogstwaarschijnlijk op het hogere deel van het rivierduin, direct ten zuiden en westen van het huidige onderzoeksgebied. De aangetroffen vondsten dateren vanaf het late mesolithicum tot en met de nieuwe tijd. Drie zones: lager gelegen zone met vroeg-prehistorische bewoningssporen, op de flank sporen uit de vroege ijzertijd sporen uit de ijzertijd / Romeinse tijd. 70 m ten W RAAP, 2002 IVO-O. Resultaat: op basis van vondstenspectrum vooral verwachting sporen uit de periode ijzertijd-Romeinse tijd. Advies: IVO-P 250 m ten W ARC, 2000 IVO-P. Resultaat: vindplaats late ijzertijd-late middeleeuwen. Advies: onbekend (rapport niet in databases) 250 m ten W RAAP, 2019 BO 250 m ten W RAAP, 2019 IVO-O.
Resultaat: archeologische relevant niveau in top van zandige rivierduinafzettingen, deels afgedekt door komafzettingen en deels door een plaggendek. Advies vanwege geen bedreiging dieper dan 35 cm -mv: geen vervolgonderzoek. 250 m ten W Laagland IVO-O. Resultaat: spoor in afzettingen van rivierkomafzettingen, aan de Archeologie, voet van een rivierduin. Advies: onbekend (rapport niet in databases). 2019
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
32
De beschreven Archismeldingen tonen dat vooral het gebied zuidelijk van het plangebied rijk is aan archeologische vindplaatsen dat samenhangt met de ligging op de rivierduin. Het gaat om vindplaatsen met sporen en vondsten uit de vroege en late prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. De Historische Kring Duiven-Groessen-Loo heeft niet gereageerd op het informatieverzoek van 6 juli 2023.
2.5 Archeologische verwachting Het plangebied ligt op de overgang van een rivierduin in het zuiden naar een rivierkomvlakte. De hoogte van het maaiveld loopt in noordelijke richting af. Vanwege de ligging in oud cultuurlandschap op het rivierduin heeft zich in het zuidelijke deel van het plangebied een hoge bruine enkeerdgrond (plaggendek) gevormd. In het noordelijke deel van het plangebied kan klei op zand verwacht worden. Het pleistocene zand (Delwijnen laagpakket en Formatie van Kreftenheye) kan op het diepste deel langs de noordgrens van het plangebied tussen 1,2 en 2 m verwacht worden en wordt mogelijk afgedekt door de Laag van Wijchen. In tegenstelling tot wat gebruikelijk is voor een rivierkomvlakte, maakte het plangebied deel uit van het zuidelijke gelegen akkercomplex De Eng. Direct ten noorden van het plangebied ligt een laag graslandgebied genaamd De Tulleners. Op de Eng, vanaf de grens van het plangebied tot op een afstand van meer dan 250 m van het plangebied zijn bij archeologische onderzoeken waarden uit het mesolithicum tot en met de nieuwe tijd gevonden. In het plangebied zelf heeft vermoedelijk aan het eind van de Tweede Wereldoorlog Duits geschut gestaan. Archeologische verwachting (incl.
datering, complextype en omvang) Het laat-paleolithicum werd evenals het daaropvolgende mesolithicum gekenmerkt door rondtrekkende jager-verzamelaars, die gebruikmaakten van stenen en benen werktuigen. De mensen woonden in tijdelijke kampen, die zich over het algemeen op landschappelijke gradiënten bevonden. Vindplaatsen van jager-verzamelaars worden overwegend gekenmerkt door een spreiding van vuurstenen werktuigen en afval en zijn meestal (zeer) klein (<200 m2). Vanwege eeuwenlang gebruik van het uiterste zuidelijke deel van het terrein als akker zijn eventuele vindplaatsen op een gegeven moment buiten bereik van gereedschap gebleven. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn eventuele resten afgedekt door een plaggendek en in het noordelijke deel zijn deze mogelijk afgedekt door een kleidek. Aan het plangebied wordt een middelhoge tot hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Vanaf 4900 v. Chr. (neolithicum) verruilde men geleidelijk het jagen en verzamelen voor een voedselvoorziening gebaseerd op akkerbouw en veeteelt. Door het verbouwen van voedsel werd men gebonden aan een bepaalde plek, werden stevigere onderkomens gebouwd en ging men aardewerk produceren en gebruiken.
De locatiekeuze van de mensen werd in belangrijke mate bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren voor beakkering (vruchtbaarheid en ontwatering). Dergelijke vindplaatsen (omvang 500-2000 m2) worden gekenmerkt door een spreiding van vondsten (met name aardewerk, maar ook andere gebruiksvoorwerpen) en sporen (kuilen, paalgaten, waterputten e.d.). Vaak is de vondstenlaag (het oude maaiveld) opgenomen in de bovengelegen akkerlaag, waardoor de vondstdichtheid relatief laag is. Voor landbouwers uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen geldt voor het gehele plangebied een hoge verwachting. Resten uit de prehistorie kunnen in het noordelijke deel van het plangebied afgedekt zijn door een kleipakket. Ook kunnen sporen van ontginning (percelering e.d.) aanwezig zijn. Omstreeks de 13e eeuw werden de nederzettingen verplaatst naar de overgang van de hogere naar de lagere delen van het landschap. Ondanks het feit dat de historische vindplaatsen zich hoofdzakelijk ten zuiden van het plangebied op het hogere duin concentreert, wil dat niet zeggen dat zich in het plangebied zelf geen bewoningsresten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd kunnen bevinden. In deze periode kon bewoning dynamisch zijn (naast statisch). Dit betekent dat de kans op het aantreffen van archeologische resten niet is uit te sluiten (middelhoge trefkans).
33
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Op een luchtfoto uit 1945 zijn geschutstellingen in het zuidelijke deel van het plangebied zichtbaar. In het plangebied kunnen derhalve sporen van stellingen, afval, verloren voorwerpen of munitie uit Tweede Wereldoorlog verwacht worden. Diepteligging en stratigrafische ligging De vindplaatsen bevinden zich overwegend in de top van de natuurlijke bodem onder het plaggendek of kleidek. Eventuele resten kunnen vanaf de top van de natuurlijke bodem vanaf circa 0,5 m –mv in het zuidelijke deel van het plangebied voorkomen. In het noordelijke rivierkleigebied kunnen resten tot in de top van de onderliggende zandige afzettingen verwacht worden. Deze kunnen voorkomen vanaf de voet van het begraven duin vanaf 0,5 m -mv tot afzettingen die worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye op maximaal 2 m -mv. Gaafheid, conservering en mogelijke verstoringen Als gevolg van agrarisch gebruik, egalisatie e.d. zal de natuurlijke bodem deels verstoord en/of in de basis van het esdek opgenomen zijn. Als gevolg van het historische gebruik als bouwland in het zuidelijke deel van het plangebied en de daarmee gerelateerde plaggenbemesting zal naar verwachting sprake zijn van een dik humeus cultuurdek, waardoor een eventuele vindplaats beschermd is tegen diepe (sub)recente bodemverstoringen.
In het noordelijke deel zijn eventuele archeologische resten mogelijk goed geconserveerd door een afdekkende kleilaag De verstoring van de natuurlijke bodem heeft met name gevolgen voor vuursteenvindplaatsen aangezien in situ vindplaatsen zich in de top van de natuurlijke bodem (voornamelijk Ah-, E-, en B-horizont) bevinden. Eventuele latere vindplaatsen, maar ook mesolithische haardkuilen worden voornamelijk gekenmerkt door sporen, die dieper (tot in de C-horizont van de natuurlijke bodem) zijn ingegraven, waardoor ze minder gevoelig zijn voor verstoring. In tabel 2.3 is de archeologische verwachting beknopt weergegeven. Tabel 2.3: Overzicht van de specifieke archeologische verwachting van het plangebied. periode verwachting complex omvang kenmerken Laatmiddelhoog jachtkamp <200 Vuursteenconcentraties, paleolithicum en tot hoog >1000 m2 haardkuilen mesolithicum Neolithicum-volle hoog nederzetting, 500 - 2000 Paalsporen, middeleeuwen akker/tuin, m2 waterputten, greppels begraving e.d. Late Hoog in het nederzetting, 500 - 2000 Funderingen, middeleeuwen en zuidelijke deel. begraving, m2 muurwerk, paalsporen, nieuwe tijd middelhoog in akker/tuin, , waterputten, greppels, de e.d. grachten, rivierkomvlakte vondstconcentraties Tweede hoog Sporen ingravingen Wereldoorlog afweergeschut
diepte Vanaf top pleistocene bodem. Vanaf top pleistocene bodem Vanaf top natuurlijke bodem
gaafheid goed
goed
Matig tot goed
Direct onder de goed bouwvoor
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
34
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1 Werkwijze Tijdens het inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) is het plangebied onderzocht op de geomorfologische, geologische en bodemkundige karakteristieken. Ook geeft het booronderzoek informatie over het intact zijn van de bodem en daarmee informatie over de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In het plangebied zijn in totaal 24 boringen gezet, wat neerkomt op een boordichtheid van 6 boringen/ha. De boringen zijn tot maximaal 2 m -mv gezet met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De bodemlagen zijn lithologisch44 en bodemkundig45 beschreven. Hoewel het verkennende onderzoek niet specifiek is gericht op het opsporen van archeologische indicatoren, is wel op de aanwezigheid daarvan gelet. De bodemlagen zijn met de hand en op het oog onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals bijvoorbeeld aardewerk, huttenleem, vuursteen, metaal, houtskool of al dan niet verbrand bot. Deze kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats ter plaatse of in de nabijheid van de boring met indicator. Het veldonderzoek is uitgevoerd op 13 september 2023. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het veldonderzoek beschreven. De locaties van de boringen staan weergegeven op de boorpuntenkaart (afbeelding 3.1). De boorstaten met maaiveldhoogte (in m t.o.v. NAP) zijn weergegeven in bijlage 3.
44 45
naar Bosch 2008. naar De Bakker & Schelling 1989.
35
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 3.1 Boorpuntenkaart op recente topografische kaart (PDOK 2023).
3.2 Veldwaarnemingen Het noordwestelijke deel van het plangebied, waar de boringen 1 t/m 7 zijn gezet betreft een subrecent geploegd perceel en is begroeid met gras. Het perceel ten oosten hiervan is ingezaaid met witte mosterd. Het zuidelijke perceel is braakliggend en begroeid met eenjarige wilde planten zoals bijvoet.
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
36
Door de aanwezige begroeiing waren aan het maaiveld geen aanwijzingen zichtbaar die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem (afb. 3.2).
Afb. 3.2 Zicht op het plangebied gezien vanaf boring 1 in oostelijke richting.
3.3 Verkennend booronderzoek 3.3.1 Lithologie en bodemopbouw Zoals verwacht op basis van de resultaten van het bureauonderzoek komen zowel bedding- als rivierduinafzettingen voor (afbeelding 3.3). De top van de beddingafzettingen (C2-horizont) ligt op circa 0,85 à 1,1 m -mv (9,1 à 8,5 m +NAP). Soms bestaat de top van de beddingafzettingen uit een 10 tot 60 cm dikke laag sterk zandige klei met roestvlekken. Hieronder, of als de sterk zandige kleilaag ontbreekt, komt sterk tot zwak siltig, matig tot zeer grof, gereduceerd zand voor. Dit betreft afzettingen die worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye. De beddingafzettingen worden afgedekt door licht bruingrijze, zwak siltige klei met roestvlekken (C-horizont). Vanaf circa 0,8 m -mv neemt het aantal roestvlekken af tot in de gereduceerde zone. Deze zwak siltige klei is geïnterpreteerd als komafzetting (Formatie van Echteld). De top van het profiel bestaat uit een bruingrijze, zwak siltige, matig humeuze bouwvoor (Ap-horzont). De overgangen tussen de verschillende bodemlagen verlopen steeds geleidelijk. De bodemlagen zijn kalkloos.
37
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Afb. 3.4 Interpretatiekaart lithologie van de ondergrond.
In het zuidelijke deel van het plangebied zijn rivierduinafzettingen aangetroffen waarvan de ondergrond (C-horizont) bestaat uit licht bruingrijs, matig grof, zwak siltig zand. De top van deze afzettingen is in de boringen 20, 21 en 24 aangetroffen op 0,6 à 0,8 m -mv (9,7 à 9,5 m +NAP). Hier wordt deze afgedekt door lichtbruin, sterk siltig zand met roestvlekken (ook C-horizont, rivierduin) en een 20 tot 30 cm dikke zwak humeuze bouwvoor. Ter plaatse van boring 20 is de bodem tot 0,9 m -mv (9,3 m +NAP) geroerd. In boring 18 is vanaf 0,5 m -mv (9,4 m +NAP) rivierduinzand aangetroffen. Hier wordt het rivierduin afgedekt door
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
38
zwak siltige klei (bouwvoor) en zwak zandige klei met roestvlekken. In laatstgenoemde laag zijn enkele spoortjes zacht baksteen of verbrande leem in waargenomen. Ter plaatse van boring 8 zijn rivierduinafzettingen vanaf 1,3 m -mv (8,6 m+ NAP) onder fluviatiele afzettingen aangetroffen. De top van het rivierduin bestaat uit een 20 cm dikke laag zwak humeuze, bruingrijze, zwak zandige klei met houtskoolresten. Mogelijk dat de klei deels is ingespoeld en/of deels lateraal is verplaatst tijdens de afzetting. Hieronder komt een 15 cm dikke humeuze zandlaag (Apb-horizont) op het moedermateriaal van het duin voor. 3.3.2 Archeologische indicatoren Bij controle van het opgeboorde materiaal zijn naast het eerdergenoemde zacht baksteen/verbrande leem en houtskool geen archeologische indicatoren aangetroffen.
3.4 Archeologische interpretatie Het rivierduin ligt in grote lijnen gelijk aan de volgens het bureauonderzoek veronderstelde ligging. Dit rivierduin strekt zich verder in zuidelijke richting uit en is rijk is aan archeologische vindplaatsen met sporen en vondsten uit de vroege en late prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen. De verwachte enkeerdgrond is echter niet aangetroffen. Eventuele archeologische waarden kunnen direct onder bouwvoor verwacht worden op 20 à 30 cm diepte. Ter plaatse van boring 20 is een mogelijk spoor aangetroffen. Het is niet met zekerheid te zeggen of dit een archeologisch spoor uit de Tweede Wereldoorlog of ouder betreft of een recente grondbewerking, maar gezien de luchtfoto (paragraaf 2.3.2, afb 2.8) zou dit een spoor van een stelling kunnen betreffen. De top van het duin duikt in noordelijk richting tot onder fluviatiel afzettingen. In boring 18 is de afdekkende laag circa 50 cm dik, in boring 8 1,3 m. Hieronder is nog wel het oude maaiveld waargenomen, waarin mogelijk archeologische sporen te herkennen zijn. De komafzettingen waren vermoedelijk te nat voor bewoning. Bovendien is de grond zwaar (zwak siltige klei) om te bewerken, waardoor het niet aantrekkelijk was om een bouwwerk te realiseren. De Laag van Wijchen die mogelijk op beddingafzettingen zou voorkomen is niet aangetroffen.
Archeologische waarden worden derhalve in de zone met kom- op beddingafzettingen niet verwacht.
39
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek
40
4
Conclusie en aanbevelingen
Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in hoofdstuk 1. De eerste drie vragen hebben betrekking op het bureauonderzoek. De overige op het veldonderzoek: Bureauonderzoek:
Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, welke gegevens zijn bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Binnen het plangebied zelf zijn geen bekende archeologische waarden aanwezig. Wel zijn in de Tweede Wereldoorlog Duitse stellingen in het plangebied gesitueerd geweest. Het gebied ten zuiden van het plangebied rijk is aan archeologische vindplaatsen, wat samenhangt met de ligging op een rivierduin. Het gaat om vindplaatsen met sporen en vondsten uit de vroege en late prehistorie, de Romeinse tijd en de middeleeuwen.
Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en welke gegevens zijn bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Het plangebied ligt op de overgang van een rivierduin in het zuiden naar een rivierkomvlakte. De hoogte van het maaiveld loopt in noordelijke richting af. Vanwege de ligging in oud cultuurlandschap op het rivierduin heeft zich in het zuidelijke deel van het plangebied een hoge bruine enkeerdgrond (plaggendek) gevormd. In het noordelijke deel van het plangebied kan klei op zand verwacht worden. Het pleistocene zand (Delwijnen laagpakket en Formatie van Kreftenheye) kan op het diepste deel langs de noordgrens van het plangebied tussen 1,2 en 2 m verwacht worden en wordt mogelijk afgedekt door de Laag van Wijchen. Voor zover bekend zijn geen grootschalige bodemverstorende ingrepen in het plangebied uitgevoerd.
Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? In het zuidelijke deel van het plangebied zijn eventuele resten afgedekt door een plaggendek en in het noordelijke deel zijn deze mogelijk afgedekt door een kleidek. Aan het plangebied wordt een middelhoge tot hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen van jager-verzamelaars uit het laat-paleolithicum en mesolithicum. Voor landbouwers uit het neolithicum tot en met de volle middeleeuwen geldt voor het gehele plangebied een hoge verwachting. Resten uit het neolithicum tot en met de ijzertijd kunnen in het noordelijke deel van het plangebied afgedekt zijn door een kleipakket. Omstreeks de 13e eeuw werden de nederzettingen verplaatst naar de overgang van de hogere naar de lagere delen van het landschap. Ondanks het feit dat de historische vindplaatsen zich hoofdzakelijk ten zuiden van het plangebied op het hogere duin concentreren, wil dat niet zeggen dat zich in het plangebied zelf geen bewoningsresten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd kunnen bevinden. In deze periode kon bewoning dynamisch zijn (naast statisch). Dit betekent dat de kans op het aantreffen van archeologische resten niet is uit te sluiten (middelhoge trefkans). In het zuidelijke deel van het plangebied kunnen sporen van het geschutsbeddingen, afval, verloren voorwerpen of munitie uit Tweede Wereldoorlog verwacht worden
41
V-23.0370 - De Ploen Noord te Duiven
Veldonderzoek:
Hoe is de opbouw en geologische samenstelling van de bodem en ondergrond? Zowel de verwachte kom- op bedding- als rivierduinafzettingen zijn aangetroffen. In het grootste deel van het plangebied (noordelijke deel) komt onder de matig humeuze bouwvoor kalkloze, licht bruingrijze, zwak siltige komklei met roestvlekken (C-horizont) voor. De komklei gaat geleidelijk over in kalkloos, sterk tot zwak siltig, matig tot zeer grof, gereduceerd beddingzand. Soms komt tussen de kom- en beddingafzettingen uit een 10 tot 60 cm dikke laag sterk zandige, kalkloze klei met roestvlekken voor. Dit betreffen eveneens beddingafzettingen. In het zuidelijke deel van het plangebied dagzoomt het rivierduin en zijn rivierduinafzettingen onder een zwak humeuze bouwvoor aangetroffen, waarvan de ondergrond (C-horizont) bestaat uit lichtbruin, sterk siltig zand met roestvlekken tot licht bruingrijs, matig grof, zwak siltig zand. Ter plaatse van boring 20 is de bodem tot 0,9 m -mv geroerd. In noordelijke richting wordt het rivierduin afgedekt fluviatiele afzettingen (boringen 8 en 18).
Zijn (begraven) bodems met potentiële archeologische niveaus (cultuurlagen) aanwezig? Zo ja, waar en op welke diepte? De top van de rivierduinafzettingen is in de boringen 20, 21 en 24 aangetroffen op 0,2 à 0,3 m -mv. In de boringen 8 en 18 is vanaf 1,3 en 0,5 m -mv rivierduinzand aangetroffen. Met name in boring 8 is een begraven A-horizont aanwezig. Dit betreft een potentieel archeologisch niveau. Gezien de vondsten en sporen die elders op het rivierduin zijn gevonden, kunnen van de top van het rivierduin archeologische waarden bewaard zijn gebleven.