23. Regionaal Programma Werklocaties 2017.pdf
Tekst van het document
RUIMTE VOOR ECONOMISCHE ONTWIKKELING REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES
REGIO ARNHEM-NIJMEGEN
RUIMTE VOOR ECONOMISCHE ONTWIKKELING REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES
VERSIE 12 OKTOBER 2017
REGIO ARNHEM-NIJMEGEN
3
INHOUDSOPGAVE PAGINA
4
SAMENVATTING
PAGINA
6
1 INLEIDING 1.1 ACHTERGROND EN AANLEIDING 1.2 DOELSTELLING RPW 1.3 FUNCTIES RPW 1.4 REALISATIE VAN EVENWICHT TUSSEN VRAAG EN AANBOD 1.5 TOTSTANDKOMING RPW 1.6 LEESWIJZER
PAGINA 14
2
UITGANGSPUNTEN REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES
PAGINA 18
3
UITVOERING REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES
PAGINA 20
4 BELANGRIJKSTE BESLISPUNTEN REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES
BIJLAGEN
DRIE BESLISPUNTENNOTITIES
PAGINA 29
BIJLAGE 1 BEDRIJVENTERREINEN
PAGINA 41
BIJLAGE 2 PERIFERE DETAILHANDEL
PAGINA 69
BIJLAGE 3 KANTOREN
PAGINA 76
BIJLAGE 4 FACTSHEETS 19 GEMEENTEN ARNHEM, BERG EN DAL, BEUNINGEN, DOESBURG, DRUTEN, DUIVEN, HEUMEN, LINGEWAARD, MONTFERLAND, MOOK EN MIDDELAAR, NIJMEGEN, OVERBETUWE, RENKUM, RHEDEN, RIJNWAARDEN, ROZENDAAL, WESTERVOORT, WIJCHEN EN ZEVENAAR
PAGINA 96
BIJLAGE 5
TOTAALOVERZICHT WERKLOCATIES
PAGINA 98
BIJLAGE 6 OVERZICHT LOKALE BEDRIJVENTERREINEN WAARVOOR ‘VOORZIENBAARHEID’ WORDT INGESTELD
4
SAMENVATTING In de regio Arnhem-Nijmegen is al een aantal jaren sprake van een overaanbod van bedrijventerreinen, kantoren en locaties voor perifere detailhandel. Hierin moet verandering komen, want door het overaanbod zit de regio ‘op slot’. Omdat de economie niet lokaal, maar vooral regionaal werkt, is het totale aanbod in de regio beoordeeld. Landelijk is de zogeheten ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ van kracht. Zolang er op regionale schaal een overaanbod van bedrijventerreinen is, mag er in principe niets nieuws ontwikkeld worden. Met andere woorden: het bestaande, deels verouderde en versnipperde aanbod, staat gewenste nieuwe ontwikkelingen in de weg. Er is inmiddels jurisprudentie dat deze ‘ladder’ – als er geen waterdichte onderbouwing is voor het ontwikkelen van nieuwe terreinen- onverbiddelijk wordt toegepast. Niets doen en hopen dat het probleem van overaanbod door de aantrekkende economie zal worden opgelost, is niet realistisch. De gemeenten krijgen de ruimte van de provincie Gelderland om gezamenlijk een oplossing voor de problematiek uit te werken. De portefeuillehouders economie van de 19 gemeenten in de regio Arnhem-Nijmegen hebben de handschoen opgepakt en zijn aan de slag gegaan met de ontwikkeling van een Regionaal Programma Werklocaties.
De doelstellingen van het RPW zijn: 1 Zorgen voor nieuwe economische ontwikkeling op de juiste locatie in de regio met maximaal rendement voor de werkgelegenheid. Dit geldt zowel voor bedrijventerreinen, kantoren als perifere detailhandel. 2 Ruimte geven aan uitbreiding van lokale bedrijvigheid. 3 In een realistisch tijdspad toewerken naar een economisch evenwicht in vraag en aanbod. 4 De economische marktontwikkelingen nauwlettend volgen en optimaal benutten. Er is een reële kans dat de komende drie jaren (2018, 2019 en 2020) de huidige marktontwikkelingen doorzetten en de uitgifte/verkoop van gronden boven verwachting uitpakt.
5
In dit Regionaal Programma Werklocaties met bijlagen zijn nadere voorstellen uitgewerkt om het aanbod van bedrijventerreinen, kantoren en locaties voor perifere detailhandel weer met de toekomstige vraag in evenwicht te brengen. De kern van de voorstellen: 1 Tot en met 2020 krijgen gemeenten en private partijen alle ruimte voor de uitgifte van bedrijventerreinen, kantorenlocaties en locaties voor perifere detailhandel. Intussen is er een lijst gemaakt van minder courante locaties die waarschijnlijk niet ontwikkeld en/of uitgegeven gaan worden. Dat is gedaan op basis van objectieve criteria. 2
In september 2018 wordt bepaald voor de werklocaties bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel, voor welke terreinen definitief de zogenoemde ‘voorzienbaarheid’ gecreëerd gaat worden. De voorzienbaarheid gaat in per 1 juli 2019. Gemeenten en private partijen hebben vervolgens tot en met 2020 de tijd om uitgiften te doen. Voorzienbaarheid houdt in dat na deze periode de bestemming kan worden gewijzigd/geschrapt tot het evenwicht weer hersteld is.
6
1 INLEIDING 1.1
ACHTERGROND EN AANLEIDING Hoe houden wij de regio Arnhem-Nijmegen aantrekkelijk voor vestiging van nieuwe en verplaatsing van bestaande bedrijven? Dat is de belangrijkste vraag van het Regionaal Programma Werklocaties (rpw). Uit onderzoek blijkt dat er in de regio Arnhem-Nijmegen te veel bedrijventerreinen, kantoren en locaties voor perifere detailhandel zijn. Die staan nieuwe, gewenste ontwikkelingen in de weg. Jurisprudentie bepaalt dat het nauwelijks mogelijk is nieuwe locaties te ontwikkelen, zo lang er nog voldoende ruimte in de regio beschikbaar is. Plannen worden getoetst aan de zogeheten ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Zolang er een overaanbod van bedrijventerreinen is, mag er in principe niets nieuws ontwikkeld worden. Met andere woorden: het bestaande, deels verouderde en versnipperde aanbod, staat gewenste nieuwe ontwikkelingen in de weg. Dat heeft grote gevolgen voor de aantrekkingskracht van onze regio. Daarom streven de 19 gemeenten binnen de regio Arnhem-Nijmegen samen met de provincie Gelderland ernaar het overaanbod weg te nemen. Het doel is te zorgen voor evenwicht in de marktsituatie per 2021 en zo weer ruimte te creëren voor het ontwikkelen van nieuwe initiatieven. De ‘regionale winkel’ moet als het ware deels worden leeggeruimd, voordat een nieuw, passend aanbod op de planken kan komen.
Dit rpw creëert nieuwe ruimte en helpt zo de regionale motor weer op toeren te brengen. Geografische afbakening De regio Arnhem-Nijmegen omvat de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Montferland, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar.
DE GEMEENTEN Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Montferland, Mook en Middelaar, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rijnwaarden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar.
8
Versterken van de regionale concurrentiekracht Arnhem en Nijmegen zijn de motoren van de regionale en Gelderse Economie. Ze bepalen voor een belangrijk deel de aantrekkelijkheid en het succes van onze regio op nationale en internationale schaal. Een sterke regio kan niet zonder sterke steden en omgekeerd. Daarom is het opstellen en vaststellen van dit rpw een gezamenlijke opgave van alle 19 gemeenten en de provincie Gelderland. Het aanbrengen van focus en concentratie dwingt tot locatiekeuzes voor detailhandel, wonen, kantoren, voorzieningen en bedrijventerreinen. Uitgangspunt is dat dit zo wordt aangepakt dat negatieve gevolgen voor individuele gemeenten en private partijen zo beperkt mogelijk blijven. Het vliegwiel van de regionale economie moet echter weer in beweging komen. Dat is in het belang van alle partijen in onze regio.
1.2
DOELSTELLING REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES De doelstellingen van het RPW zijn: • Zorgen voor nieuwe economische ontwikkeling op de juiste locatie in de regio met maximaal rendement voor de werkgelegenheid. Dit geldt zowel voor bedrijventerreinen, kantoren als perifere detailhandel. • Ruimte geven aan uitbreiding van lokale bedrijvigheid. • In een realistisch tijdspad toewerken naar een economisch evenwicht in vraag en aanbod. • De economische marktontwikkelingen nauwlettend volgen en optimaal benutten. Er is een reële kans dat de komende drie jaren (2018, 2019 en 2020) de huidige marktontwikkelingen doorzetten en de uitgifte/verkoop van gronden boven verwachting uitpakt.
9
1.3
FUNCTIES REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES Het RPW vervult de navolgende functies: •
Regionale doelstellingen: het rpw bevat de vertaling en uitwerking van de gemeentelijke, regionale en provinciale doelstellingen op het gebied van bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel, economische ontwikkeling en ruimtelijk beleid in de regio Arnhem-Nijmegen.
• Afsprakenkader: het rpw is een regionaal afsprakenkader over planning en programmering van bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel van de 19 gemeenten in de regio Arnhem-Nijmegen • Beleidskader: het rpw vormt het beleidskader waarop vanuit de regio nieuwe ontwikkelingen worden geaccordeerd, voordat
1
die aan Gedeputeerde Staten worden voorgelegd ter
Omgevingsverordening artikel. 2.3.2.1: in
besluitvorming.
bestemmingsplannen worden de bestemmingen bedrijventerrein, perifere detailhandel en
• Toetsingskader: na vaststelling van het rpw door gemeenteraden
kantoren slechts toegestaan als die passen in
en gs is het rpw voor de provincie Gelderland een toetsings-
de door Gedeputeerde Staten vastgestelde
kader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hier ligt een relatie met de provinciale verordening1.
regionale afspraken.
1.4
REALISATIE EVENWICHT TUSSEN VRAAG EN AANBOD Doel van het rpw is om het evenwicht tussen vraag en aanbod te herstellen. Hoe eerder overbodige locaties zonder of met een beperkt toekomstperspectief uit de markt zijn genomen, hoe eerder er ruimte ontstaat om nieuwe bedrijvigheid te faciliteren. In feite moeten de 19 gemeenten door de zure appel heen bijten om de regionale economie weer ruimte te geven. Om het evenwicht tussen vraag en aanbod te realiseren wordt gewerkt volgens twee parallelle sporen:
Spoor 1 Ruimte voor marktwerking De komende drie jaren (2018, 2019 en 2020) hebben gemeenten en private partijen de ruimte om de bestaande locaties en terreinen uit te geven. In die periode blijft de bestemming gehandhaafd. Als de uitgifte succesvol verloopt, dan ontstaat er weer ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Eind 2020 is duidelijk in hoeverre gemeenten en particuliere eigenaren er in zijn geslaagd hun terreinen, kantoren en pdv-locaties uit te geven. Dan blijkt hoe groot het overaanbod nog is.
10
Spoor 2 Voorbereiden juridische procedure (procedure ‘voorzienbaarheid’) Parallel aan het geven van ruimte aan de markt, wordt het beschikbare juridisch instrumentarium in gereedheid gebracht om per 1 januari 2021 maatregelen te kunnen nemen als blijkt dat op dat moment nog sprake is van overaanbod. De ambitie van de 19 gemeenten is per 1 januari 2021 evenwicht te halen. Die ambitie is niet vrijblijvend. Het zogeheten ‘bestemmingsplanregiem’ (planologisch kader) wordt ingezet om ervoor te zorgen dat een deel van de planvoorraad geschrapt kan worden. Vanaf 1 juli 2019 gaat de zogeheten ‘voorzienbaarheidsprocedure’ van start. Daarmee wordt het in beginsel mogelijk om de incourante planvoorraad in bestemmingsplannen te schrappen zonder (planschade-)vergoeding. De procedure ‘voorzienbaarheid’ vergt een periode van anderhalf jaar (2019-2020). De juridische uitwerking zal door de provincie Gelderland –zoveel als mogelijk in overleg met de gemeentenworden voorbereid en uitgevoerd (uit organisatorisch oogpunt efficiënt, o.a. voor de uniformiteit, maar soms ook noodzakelijk als gemeenten zelf niet willen meewerken). Vóór 1 januari 2021 zal de balans worden opgemaakt wat de marktvraag is geweest en wat er daadwerkelijk is uitgegeven.
Op basis hiervan kan worden bepaald welk deel van de planvoorraad in de bestemmingsplannen, waarvoor voorzienbaarheid is ingesteld, daadwerkelijk wordt geschrapt. Dit richt zich alleen op die locaties die daarvoor in het rpw zijn voorgedragen.
11
1.5
TOTSTANDKOMING REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES Aanpak Het rpw is via een uitvoerig en zorgvuldig proces tot stand gekomen. In 2015 zijn drie uitgangspuntennotities voor bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel uitgewerkt. Hierin zijn alle uitgangspunten (spelregels en definities) op een rij gezet om tot oplossingen voor het overaanbod te komen. Vanaf 2016 zijn vervolgens bouwstenenrapportages gemaakt waarin alle feiten en cijfers en de vraag en aanbod analyses van alle locaties in de regio zijn opgenomen. Deze rapportages maken het mogelijk de kwaliteit van de locaties zo objectief mogelijk te beoordelen en te vergelijken. Op basis van de bouwstenenrapportages is vanaf eind 2016 met de portefeuillehouders Economie van alle gemeenten gesproken over de vraag hoe het evenwicht in vraag en aanbod weer hersteld kan worden. Daarbij is met name aan de orde gekomen: 1 welke locaties hebben (toekomst)perspectief; waar willen we mee doorgaan; 2 reductie van nog niet uitgegeven gronden (moet er geschrapt worden op in ‘harde’ bestemmingsplannen); 3 de periode waarbinnen dit alles moet gaan gebeuren: wanneer moet het evenwicht tussen vraag en aanbod zijn hersteld; 4
de precieze werkwijze reductie overcapaciteit, de aanpak, et cetera.
Ook is besproken hoe de gemeenten gezamenlijk lokaal, regionaal en bovenregionaal bedrijvigheid kunnen blijven faciliteren, en hoe de markt zich in de komende jaren gaat ontwikkelen. Uiteraard moet dit alles zorgvuldig en goed onderbouwd gebeuren; het gaat om een omvangrijk en complex vraagstuk. Gezien de grote financiële belangen is het rpw via een uitvoerig en zorgvuldig proces tot stand gekomen. De navolgende tussenproducten zijn uitgewerkt: 1 2015: Uitgangspuntennotities voor bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel. Hierin zijn alle uitgangpunten (spelregels en definities) op een rij gezet om tot oplossingen voor het overaanbod te komen. Deze notities zijn eind 2015 vastgesteld door de colleges van Burgemeester en Wethouders van de 19 gemeenten. Gemeenteraden zijn geïnformeerd via een raadsinformatiebrief;
12
2 2016: bouwstenenrapportages voor bedrijventerreinen, kantoren en pdv; 3 2016 (tweede helft) en begin 2017: beslispuntennotities met concrete voorstellen voor herprogrammering voor bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel; 4
2017: Regionaal Programma Werklocaties.
Het proces is voorbereid en begeleid door de Stuurgroep rpw. Voorzitter is Ron König (wethouder gemeente Arnhem), leden zijn Hans Driessen (wethouder gemeente Beuningen), Jan Zoetelief (wethouder gemeente Nijmegen), Ellen Mulder (wethouder gemeente Doesburg), Jasper Verstand (wethouder gemeente Renkum) en Michiel Scheffer (gedeputeerde van de provincie Gelderland). Gedurende het proces heeft veelvuldig en intensief overleg plaatsgevonden met alle gemeenten en de provincie op ambtelijk en bestuurlijk niveau. In onderstaande figuur is de totstandkoming van het RPW schematisch weergegeven BEDRIJVENTERREINEN
KANTOREN
PERIFERE DETAILHANDEL
UITGANSPUNTEN
UITGANGSPUNTEN
UITGANSPUNTEN
NOTITIE
NOTITIE
NOTITIE
VRAAG-AANBOD
VRAAG-AANBOD
VRAAG-AANBOD
CONFRONTATIE
CONFRONTATIE
CONFRONTATIE
INTEGRAAL OVERZICHT WERKLOCATIES
BESLISPUNTENNOTITIES
REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES
13
1.6
LEESWIJZER REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES 1 In hoofdstuk 1 is een toelichting gegeven op achtergrond en aanleiding, de doelstellingen en functies van het rpw, de realisatie van het evenwicht in vraag en aanbod en ten slotte is toegelicht hoe het rpw tot stand is gekomen. 2 Hoofdstuk 2 gaat over de uitgangspunten van het rpw. Het programma is gebaseerd op het bestaande regionaal economisch beleid. Kern van dit rpw: nieuwe initiatieven weer mogelijk maken. Uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen daar moeten ‘landen’ waar dat logisch en passend is. 3 In hoofdstuk 3 komt de uitvoering van het rpw aan de orde. Hierin wordt onder meer beschreven hoe zowel ambtelijk als bestuurlijk omgegaan wordt met nieuwe ontwikkelingen in de regio op het gebied van werklocaties. 4 Hoofdstuk 4 bevat de belangrijkste beslispunten uit de bijlagen. De beslispuntennotities voor bedrijventerreinen, kantoren en locaties voor perifere detailhandel staan in de bijlagen 1 t/m 3. Daarna volgen in bijlage 4 negentien factsheets, waarin de belangrijkste aspecten uit het rpw voor elke gemeente op een rij worden gezet. Bijlage 5 bevat een totaaloverzicht voor de werklocaties in de gehele regio. Bijlage 6 bevat een overzicht van lokale bedrijventerreinen waarvoor ‘voorzienbaarheid’ wordt ingesteld.
14
2 UITGANGSPUNTEN REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES 2.1
RUIMTE VOOR REGIONALE EN BOVENREGIONALE INITIATIEVEN Het Regionaal Programma Werklocaties is gebaseerd op het bestaande regionaal economisch beleid. Kern van dit rpw is het weer mogelijk maken van nieuwe initiatieven. Uitgangspunt is dat nieuwe ontwikkelingen daar moeten ‘landen’ waar dat logisch en passend is. Om die reden is in het kader van het rpw-proces met name voor bedrijventerreinen onderstaande kaart ontwikkeld. De kaart maakt in een oogopslag duidelijk welke ontwikkelingen waar gewenst zijn.
Ruimtelijk economische beleidskaart Bedrijven voor regionale en bovenregionale
a12
bedrijventerreinen. Selectie belangrijke ruimtelijke concentraties/zoekgebieden
a15 GELDERS
EC
R OR
ID
O
R
157 ha Transport & logistiek a50
63 ha Handel- & consumentendiensten a73
+ dienstverlening
Smart energy: Groene hubs Campussen Logistieke knooppunten
Hotspots
15
Bij het beoordelen van nieuwe initiatieven, die van regionale en bovenregionale betekenis zijn, zal deze kaart als basis worden gehanteerd. Die maakt op hoofdlijnen immers duidelijk waar ontwikkelingen gewenst zijn. De kaart is niet van toepassing op lokale initiatieven.
2.2
RUIMTE VOOR LOKALE INITIATIEVEN Gemeenten behouden de ruimte om lokale bedrijven te faciliteren op de eigen lokale terreinen voor zover die beschikbaar zijn in de vorm van een onherroepelijk bestemmingsplan. Wanneer er een tekort aan lokaal terrein wordt voorzien, dan mag de gemeente nieuw lokaal terrein in ontwikkeling nemen. Wel moet deze ontwikkeling de toets van de ladder voor duurzame verstedelijking kunnen doorstaan. Nieuwe hectares ontwikkelen is mogelijk tot maximaal het aantal hectares dat per gemeente is toegestaan op basis van de toedeling van lokale terreinen in het rpw. Daarnaast kunnen bestaande, lokale bedrijven uitbreiden onder voorwaarden (zie pagina 21 en 22).
2.3
REGIONALE INVESTERINGSAGENDA ARNHEM-NIJMEGEN De regio Arnhem-Nijmegen is op de Gelderse en nationale schaal een kansrijke regio voor economische groei en daarmee ook groei van de werkgelegenheid. Om deze kansen te benutten is een duidelijk economisch profiel noodzakelijk. Op basis van dit profiel zijn de economische ambities verder uitgewerkt. In de regionale investeringsagenda Arnhem-Nijmegen is gekozen voor drie programma’s: 1
Ruimte voor werk, kennis en innovatie in Health en Energy
2
Slimme duurzaamheid
3
Bruisende Binnensteden aan de Rivier
Verder is vastgesteld dat het cluster Logistiek steeds belangrijker wordt voor de economie van de regio. De volgende economische doelstellingen liggen ten grondslag aan de Regionale Investeringsagenda Arnhem-Nijmegen: 1 Nieuwe programmering moet bijdragen aan de optimalisering en versterking van onze regionale economische kracht en ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen.
16
2 Deze programmering heeft de intentie om flexibel te kunnen inspelen op de vragen uit de markt (ondernemers, ontwikkelaars/ beleggers), de sterkste locatie te koppelen aan de marktvraag (de bedrijvigheid), en het moet bijdragen aan de verdienmogelijkheden voor bedrijven, maar ook aan een toename van de werkgelegenheid. Hierbij komt een accent op de campusontwikkeling, smart energy/groene hubs en logistieke knooppunten. 3 Daarbij is goede ruimtelijke afstemming voor het vestigen van bedrijven noodzakelijk om verspilling van ruimte in de regio te voorkomen.
2.4
GEBIEDSOPGAVE DE GELDERSE CORRIDOR De Gelderse Corridor is één van de centrale opgaven van het huidige provinciale coalitieakkoord. Het doel daarbij is het zorgen voor een betrouwbare doorstroming van goederen op de corridor. En daarnaast zorgen voor economische spin-off en werkgelegenheid en het garanderen van een goed werk- en leefklimaat. Het gaat om activiteiten die meerwaarde bieden bovenop de inzet die de provincie levert vanuit de kerntaken: doorstroming van goederenvervoer verbeteren en daarbij primair inzetten op de drie knooppunten binnen de provincie Gelderland (Medel/Tiel, ‘Knoop 38’: het gebied tussen Valburg, Elst, Oosterhout en Slijk-Ewijk en als derde Emmerich/Montferland/Zevenaar). Hier is ruimte voor xxl-logistiek, onder andere mega-distributiecentra (zie verder paragraaf 3.3). Railterminal Gelderland (RTG) Op ‘Knoop 38’ is de ontwikkeling van de Railterminal Gelderland (rtg) voorzien. Realisering van de rtg leidt niet tot extra aanbod van bedrijventerrein. Feitelijk gaat het om de op- en overslag van containers en functies die hieraan direct gekoppeld zijn. De specifieke bestemming sluit andere doeleinden uit. De rtg zal de kwaliteit, aantrekkelijkheid en verkoopbaarheid van het bestaande aanbod versterken en daarmee bijdragen aan de economische structuurversterking.
17
2.5
EERDERE PROGRAMMA’S WERKLOCATIES In 2013 zijn door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen twee regionale programma’s ontwikkeld; een voor bedrijventerreinen en een voor detailhandel. Regionaal Programma Bedrijventerreinen 2013 (RPB) Voor 16 gemeenten (voormalige regio Knooppunt Arnhem-Nijmegen) is het rpb 2013 het vigerende plan voor bedrijventerreinen. De gemeente Montferland was opgenomen in het rpd van de Achterhoek, de gemeente Druten was opgenomen in het oude rpd van de regio Rivierenland (daar is inmiddels een nieuw rpd gemaakt waarin Druten niet meer voor komt) en de gemeente Mook en Middelaar is niet eerder opgenomen in een Gelders rpd/rpw. Het rpd uit 2013 vormt het vertrekpunt voor het nieuwe rpw dat het kader gaat vormen voor alle 19 gemeenten voor het onderdeel bedrijventerreinen. Regionaal Programma Detailhandel 2013 (RPD) Het rpd 2013 vormt de basis voor het detailhandelsbeleid in dit nieuwe rpw. Het is het huidige kader voor 16 gemeenten (voormalige regio Knooppunt Arnhem-Nijmegen). De gemeenten Druten, de gemeente Montferland en de gemeenten Mook en Middelaar waren daarin niet opgenomen. In de uitgangspuntennotitie voor pdv/gdv (2016) is aangegeven dat het beleid en de bestaande afspraken uit het Regionaal Programma Detailhandel 2013 van kracht blijven totdat besluitvorming heeft plaatsgevonden over het rpw 2017.
Het rpw is na vaststelling leidend voor de perifere detailhandel. Voor het overige beleid rond detailhandel blijft het rpd volledig intact. Het rpd 2013 zal geactualiseerd worden op de punten die afwijken van de beslispunten in dit rpw. De bedoeling is om het geactualiseerde rpd uiteindelijk deel te laten uitmaken van het rpw.
18
3 UITVOERING REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES 3.1
REGIONALE AFSTEMMING EN MONITORING Regionale afstemming In het rpd 2013 is het beleidskader en de toetsingsprocedure bepaald voor nieuwe initiatieven met betrekking tot (perifere) detailhandel in de regio. Dit kader werkt goed in de praktijk. Om die reden wordt de huidige werkwijze voortgezet en verbreed. De afspraken gaan ook gelden voor initiatieven op het gebied van Bedrijventerreinen en Kantoren. Het ambtelijk overleg Intergemeentelijk Overleg Detailhandel (iod) wordt opgeschaald naar een breder ambtelijk overleg Werklocaties (iow). Dit ambtelijk overleg brengt advies uit aan het Portefeuillehoudersoverleg Economie (pfo) over ingediende nieuwe ontwikkelingen in de regio op het gebied van werklocaties. De behandeling van het initiatief in het pfo is voor gs van belang bij de beoordeling van nieuwe ruimtelijke plannen. De exacte werkwijze van dit ambtelijk overleg, toetsingsprocedure en dergelijke wordt in lijn met de nu geldende afspraken rond detailhandel uitgewerkt. Regionale monitoring Voor uitvoering van het rpw is monitoring van groot belang. Juiste en actuele gegevens over vraag en aanbod voor zowel bedrijventerreinen, kantoren als perifere detailhandel zijn nodig voor een goede uitvoering van het beleid en afstemming op de marktsituatie. Voor bedrijventerreinen zijn de cijfers in het databestand IBIS bij de provincie leidend.
De gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de juistheid en de meest recente informatie in dit bestand. De uitkomsten van deze monitoring, inclusief jaarlijkse uitgiftecijfers, worden jaarlijks samen met andere relevante economische ontwikkelingen in het najaar aan het Portefeuilllehoudersoverleg Economie voorgelegd met advies vanuit het ambtelijke Intergemeentelijk
19
Overleg Werklocaties. De monitoringsgegevens kunnen aanleiding zijn om het rpw op onderdelen te wijzigen. De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten kunnen daarover samen met Gedeputeerde Staten besluiten nemen. Herziening RPW Driejaarlijks zal het rpw worden herzien en ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraden voor besluitvorming. Het voorstel voor herziening wordt uitgewerkt in het najaar van 2020.
3.2
CREËREN VOORZIENBAARHEID WERKLOCATIES Voor die werklocaties waarvoor voorzienbaarheid wordt gecreëerd per 1 juli 2019, zal nader worden beoordeeld of de voorstellen ook ruimtelijk wenselijk zijn. Uiterlijk 1 oktober 2018 zal samen met iedere gemeente worden vastgesteld of aanpassing nodig is. Uitgangspunt daarbij is dat de hoeveelheid terrein waarvoor de voorzienbaarheid wordt gecreëerd, zoveel mogelijk hetzelfde blijft. De terreinen waarvoor voorzienbaarheid wordt gecreëerd mogen nog tot 1 januari 2021 worden uitgegeven. Van belang daarbij is dat verrommeling van terreinen wordt voorkomen. Door de vaststelling van dit rpw spannen de gemeenten zich in, om kavels aaneengesloten of tenminste in de directe nabijheid van elkaar, uit te geven. Dit om te voorkomen dat her en der op het bedrijventerrein losse kavels beschikbaar zijn. Dit zorgt immers voor een gebrek aan ruimtelijke kwaliteit en veroorzaakt verrommeling en verloedering van de werklocaties.
20
4 BELANGRIJKSTE BESLISPUNTEN REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES 4.1
BEDRIJVENTERREINEN
Uit het Bouwstenenrapport Bedrijventerreinen blijkt dat er te veel bedrijventerrein beschikbaar is (aanbod in onherroepelijke bestemmingsplannen). De vraag bedraagt naar schatting 219 ha, het aanbod is 367 ha, dus er is een overprogrammering van 148 ha. Dat betekent dat alle 19 gemeenten gezamenlijk 148 ha (peildatum april 2016) bedrijventerrein in portefeuille hebben waar op afzienbare termijn geen vraag naar is. Verder is geconstateerd dat ook kwalitatief vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten, nieuwe gewenste ontwikkelingen zijn niet of nauwelijks mogelijk vanwege de eerder genoemde duurzaamheidsladder en gemeenten beconcurreren elkaar onderling. Daardoor kan de markt niet optimaal worden bediend. De regio wil sturen op het bereiken van een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen. Hiervoor zal het nodig zijn om een aantal bedrijventerreinen (of delen daarvan) te schrappen, gelet op de nu bestaande overprogrammering in de regio van circa 148 ha. Uitgangspunt voor de lokale terreinen is dat alle gemeenten met een bestaand aanbod ruimte houden om de voorspelde vraag tot en met 2025 te kunnen laten landen. Het is belangrijk dat lokaal gebonden bedrijvigheid een plek kan hebben en houden binnen de gemeente.
Ook voor de beoordeling van de hoeveelheid (boven) regionale bedrijventerreinen moet op basis van een objectieve onderbouwing worden bepaald.
21
De volgende uitgangspunten zullen eind 2020 worden gehanteerd om te bepalen of terreinen daadwerkelijk zullen moeten worden ‘geschrapt’ (als gevolg van het inzetten de voorzienbaarheidsprocedure per juli 2019): 1 Een jaarlijkse monitoring zal inzichten opleveren in de uitgifte van bedrijventerreinen in de regio. Uit deze overzichten zal o.a. moeten blijken of er voldoende marktvraag is voor het betreffende bedrijventerrein. 2 De terreinen bestemd voor de ontwikkeling van campussen en groene hub’s worden gehandhaafd, vanwege de beleidsprioriteit die in het Regionaal Investeringsprogramma Arnhem-Nijmegen is vastgelegd (Kleefse Waard/IPKW Arnhem, NTC Nijmegen en het ENGIE-terrein Nijmegen, Innofase Duiven). 3 De Bouwstenenrapportage Bedrijventerreinen is de basis voor de kwalitatieve waardering van de verschillende terreinen. Tweede helft 2018 moet een herziening op tafel liggen voor de vraag en het aanbod en tevens indien daar aanleiding toe is een geactualiseerde waardering van de terreinen. Dat zal uiteindelijk gaan leiden tot het schrappen van een aantal terreinen in 2021. Een aantal ontwikkelingen wordt niet tot 2021 bevroren. Ze moeten onder voorwaarden door kunnen gaan: a Uitbreiding bestaande bedrijven op bestaande bedrijventerreinen, (incl. watergebonden bedrijven). b
Lokale terreinen: wanneer er een tekort aan lokaal terrein wordt voorzien, dan mag de gemeente nieuw lokaal terrein in ontwikkeling nemen. Wel moet deze ontwikkeling de toets van de ladder voor duurzame verstedelijking kunnen doorstaan. Dit is mogelijk tot maximaal het aantal hectares dat per gemeente is toegestaan op basis van de toedeling van lokale terreinen in dit rpw.
c
Inbreiding en transformatie van bestaande terreinen.
Bovengenoemde ontwikkelingen moeten voldoen aan de volgende vijf voorwaarden: 1 Regionale afstemming, waarbij van belang is de beoordeling die het terrein heeft gekregen in het Bouwstenenrapport (in het geval van overige plannen) en als die beoordeling daar niet is gemaakt (in geval van een geheel nieuw plan) moet die beoordeling alsnog worden opgesteld om het initiatief door de andere gemeenten in de regio te kunnen laten beoordelen. 2 De marktvraag moeten worden aangetoond. 3 De ‘ladderonderbouwing’ moet gemaakt kunnen worden. De gemeente zal per geval de inschatting moeten maken hoe risicovol dat pad is.
22
4 Nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de ruimtelijk economische kaart (voor zover relevant, bijvoorbeeld niet van toepassing op lokale bedrijventerrein); 5 Er moeten ruimtelijk geen belemmeringen zijn. De gemeenten zullen voor lokale terreinen per 1 oktober 2018 bepalen voor welke terreinen de voorzienbaarheid gecreëerd zal worden. Voorzienbaarheid gaat dan in op 1 juli 2019. Gemeenten en private partijen hebben vervolgens nog anderhalf jaar de tijd om alsnog uitgiften te doen. XXL-logistiek Er is aanvullend onderzoek gedaan naar de marktruimte en locatiemogelijkheden voor de vestiging van xxl-logistiek met als vraag: biedt het bestaand aanbod aan bedrijventerreinen in de regio gericht op logistiek voldoende kavels die groot genoeg zijn (te maken) voor mega-distributiecentra? De belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek (uitgevoerd door Ecorys, gedateerd 6 juni 2017): • in de huidige ruimtevraag is xxl-logistiek meegenomen; • binnen de logistieke knooppunten in de regio ArnhemNijmegen zijn locaties beschikbaar en zeer geschikt; •
er zijn additionele mogelijkheden om xxl-locaties te realiseren binnen de logistieke Knooppunten Knoop 38 (Elst, Nijmegen en Valburg) en Knoop EMZ (Emmerich, Montferland en Zevenaar);
• binnen knooppunt EMZ is er nog geen zekerheid over de nog te realiseren afslag bij Zevenaar; • geef randvoorwaarden mee aan xxl-locaties (zoals kavelgrootte). Dit betekent concreet dat: • in de regio geen nieuwe locatie voor xxl-logistiek hoeft te worden ontwikkeld; • Knoop 38 en Knoop EMZ worden gezien als landingsplek voor xxl-logistiek in de regio; • 20 hectare van 7Poort Zevenaar (geeft voorlopig ruimte voor minimaal 2 hele grote bedrijven tot 5 minder grote XXL-vestigingen) voor nu wordt ingezet voor xxl-logistiek. De bestemming wordt hierop aangepast: 20 hectare van 7Poort komt hiermee op ‘groen’;
23
•
het mogelijke knelpunt dat er geen ruimte is voor xxl-vestigingen is hiermee feitelijk beheersbaar gezien de beschikbaarheid van kavels in de regio en het moment waarop aanbesteding heeft plaatsgevonden voor afslag Zevenaar in 2018. Het zou niet logisch zijn, gelet op de overcapaciteit in de regio en beschik-
baarheid van goede kavels, om voor 1 of 2 jaar nog nieuwe ontwikkelruimte in de markt te brengen. Nieuwe locaties moeten dan ook nog planologisch en procedureel worden doorlopen. Voor een uitvoerige inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar het onderzoeksrapport van Ecorys d.d. 6 juni 2017 dat als bijlage is toegevoegd.
4.2
PERIFERE
DETAILHANDEL Op basis van de probleemstelling en de geformuleerde uitgangspunten voor herprogrammering perifere detailhandel zijn er voorstellen gedaan om te komen tot herverdeling van de marktruimte in de regio. Dit is op detailniveau uitgewerkt in de beslispuntennotitie pdv. Op basis van de reacties van de gemeenten is dit onderdeel van het rpw geheel herschreven (zie bijlage 2). Naast een verbeterde leesbaarheid en een aantal kleine verschuivingen zijn de volgende belangrijke aanpassingen doorgevoerd: • Er is voor de regio Noord gekozen voor concentratielocatie Duiven Centerpoort met een omvang van 18.000 m2 bvo voor reguliere pdv. • Tevens is er een reservering gemaakt van 35.000 m2 voor pdv –met een aantal restricties- met bovenregionale aantrekkingskracht in Duiven Centerpoort. • Ondanks beperkte marktruimte blijven er mogelijkheden (2.000 m2 bvo) op de Aamsepoort Zuid (concentratielocatie). • Voor de regio Zuid (concentratielocatie) is besloten om akkoord te gaan met de ontwikkeling van 20.000 m2 bvo marktruimte in Ressen voor een solitaire bouw- en tuinmarkt. • Naast de invulling van Ressen wordt voor de regio Zuid (concentratielocatie) een strategische reservering van 8.000 m2 bvo gemaakt.
• Ook de regio Noord (overige winkellocaties) kent een strategische reserve van 5.000 m2 bvo.
24
• Voor de regio Midden (overige winkellocaties) bestaan geen geschikte locaties. Deze marktruimte wordt doorgeschoven naar concentratielocatie Aamsepoort Zuid. • De marktruimte voor regio Zuid (overige winkellocaties) wordt ingevuld door benutting van de mogelijkheden Nijmegen Mercuriuspark (10.000 m2 bvo), Wijchen Nieuweweg (2.500 m2 1 inclusief Westerhout-Zuid
bvo) en Druten-Westerhout (4.000 m2 bvo1).Verder is per deelgebied een duidelijk voorstel gemaakt hoe te komen tot herprogrammering en evenwicht (rekening houdend met marktruimte etc.). Hieronder is de pdv beslisboom opgenomen die de belangrijkste keuzes en gevolgen voor de verschillende deelregio’s laat zien. Hierbij is ook een onderscheid gemaakt in de zogenaamde concentratiegebieden en de overige winkellocaties.
25
PDV BESLISBOOM
STAP 1
Stoppen met zachte plancapaciteit
STAP 2
Regionaal afspreken afwijkingsmogelijkheden niet te gebruiken
STAP 3
In balans brengen van harde plancapaciteit (met volgorde van schrappen overaanbod) Voorstel invulling marktruimte
TOTAAL 69.000 M2 BVO MARKTRUIMTE
NOORD
1
2/3 MARKTRUIMTE
1/3 MARKTRUIMTE
48.000 M2 BVO MARKTRUIMTE
21.000 M2 BVO MARKTRUIMTE
CONCENTRATIEGEBIEDEN (13 LOCATIES) BOVENLOKAAL
OVERIGE WINKELLOCATIES (C.A. 35 LOCATIES > 1.500M2 WVO)
18.000 M2 BVO
5.000 M2 BVO
ZEVENAAR: HENGELDER
9.500 M2
DUIVEN: CENTERPOORT
52.500 M2
DUIVEN: GRAAFSTAETE
11.000 M2
(NTB)
ARNHEM: IJSSELOORD 1
ARNHEM: IJSSELOORD II
26.000 M2
ARNHEM: RIJKERSWOERD
2.000 M2
RIJNW.: HALVE MAAN
2.000 M2
RIJNWAARDEN: HERWEN
2.000 M2
RIJNW.: PANNERDEN
2.000 M2
ARNHEM: OVERMAAT
2.000 M2 5.000 M2
strategische reserve
* 35.000 M2 behouden voor bovenregionale PDV
MIDDEN
OVERAANBOD*
62.000 M2
41.000 M2
- 18.000 M2
- 5.000 M2
44.000 M2
36.000 M2
OVERAANBOD
-650 M2 + 2.500 = 1.850 M2 BVO
2.500 M2 BVO (OVERHEVELEN)
OVERB.: AAMSEPOORT N
6.000 M2
OVERB.: ELST CENTR. SL2
3.000 M2
OVERB.: AAMSEPOORT Z
2.000 M2
OVERB.: ELST CENTR. SL3
6.000 M2
8.000 M2
9.000 M2
- 2.000 M2 OVERAANBOD
ZUID
6.000 M2
28.000 M2 BVO NIJMEGEN: RESSEN strategische reserve
17.000 M2 BVO 20.000 M2 8.000 M2
BERG & DAL: DE MIES I/II
8.500 M2
1
BEUNINGEN: BULL
9.000 M2
2
DRUTEN WESTERHOUT
315.000 M2
DRUTEN WESTERHOUT
4.000 M2
DRUTEN KLEPPERHEIDE
32.000 M2
NIJM.: WOLFKUILSEWEG
10.000 M2
NIJM.: MERCURIUSPARK
10.000 M2
WIJCHEN: NIEUWEWEG
2.500 M2
2
391.000 M2 - 17.000 M2 ONDERAANBOD
28.000 M2
Kwalitatieve beoordeling PDV-locatie
OVERAANBOD
374.000 M2
26
Hieronder zijn nog een enkele aanvullende beslispunten voor perifere detailhandel benoemd.
• Lokaal verzorgende perifere detailhandel buiten concentratiegebieden < 1.500 m2 bvo blijft mogelijk. Een aantal bestemmingsplannen voor overige bedrijventerreinen met minder dan 1.500 m2 wvo aan pdv/gdv-aanbod bieden de mogelijkheid om nieuwe perifere detailhandel te realiseren (circa 10 bedrijventerreinen met minder dan 1.500 m2 wvo maar met harde planvoorraad). Ze behoren niet tot de concentratiegebieden. In veel gevallen zijn op deze bedrijventerreinen vormen van detailhandel toegestaan als één van de mogelijke bestemmingen in zowel bestaande als niet bestaande bedrijfsruimtes. De bestemming voor de bestaande bedrijfsruimtes kan wijziging van het gebruik in detailhandel toelaten. In het rpd van 2013 is bepaald dat het voor gemeenten mogelijk blijft om detailhandelsinitiatieven kleiner dan 1.500 m2 bruto vloeroppervlakte te faciliteren. Gemeenten maken zelf de afweging voor dergelijke kleine ontwikkelingen met een vooral lokale functie. Indien (na vaststelling van het rpw) door uitbreiding een bestaande detailhandelsvoorziening groter wordt dan 1.500 m2 bvo zal zo’n voornemen ter advies worden voorgelegd aan Intergemeentelijk Detailhandels Overleg (iod/iow).
• Nieuwe initiatieven voor perifere detailhandel > 1.500 m2 na advies iod/iow bij voorkeur op concentratielocaties. Nieuwe, nog niet voorziene initiatieven voor perifere detailhandel met meer dan 1.500 m2 bvo worden beoordeeld in het Intergemeentelijk Overleg Detailhandel/Werklocaties (iod/iow) op basis van dit rpw en rpd 2013. Daarbij is maatwerk belangrijk. Per geval wordt bekeken of de ontwikkeling wenselijk is vanuit de doelen van het rpd en/of het past binnen de gestelde beleidskaders.
• Uitbreiding van bestaande perifere detailhandel is mogelijk na advies iod/iow
• Bestaande perifere detailhandelsvestigingen moeten vanuit bedrijfseconomische optiek kunnen uitbreiden. Als de uitbreiding groter is dan 1.500 m2 bvo, dan zal het Intergemeentelijk Overleg Detailhandel advies uitbrengen aan het Portefeuillehoudersoverleg Economie. Dat gebeurt ook bij verplaatsing, waarbij de som van de winkeloppervlakte van het nieuwe pand en het vrijkomende pand boven de 1.500 m2 bvo komt. In dat geval wordt bekeken wat publiekrechtelijke en/of privaatrechtelijke is vastgelegd over de detailhandelsbestemming van het pand dat na de verplaatsing vrij komt. Dit vraagt om een zorgvuldige onderbouwing, (o.a. toetsing aan de ladder voor
27
duurzame verstedelijking). Aangetoond moet worden dat de uitbreiding bedrijfseconomisch nodig is en verplaatsing niet nodig/mogelijk is.
• Beoordeling hoofd- en nevenassortiment aanscherpen. Het hoofdassortiment van een perifere detailhandelsvestiging wordt bepaald door het geheel van een vestiging toe te rekenen aan één van de detailhandelsbranches. Nevenassortimenten zijn assortimenten van een perifere detailhandelsvestiging die niet aan het hoofdassortiment kunnen worden toegerekend. Om te voorkomen dat perifere detailhandelsvestigingen zo veel nevenassortiment(en) gaan voeren, dat dit zal leiden tot ongewenste concurrentie met het reguliere winkelaanbod en om het voeren van nevenassortiment toch mogelijk te maken, zijn in het rpd 2013 (pagina 56) beperkingen opgenomen als richtlijn voor het toelaten van hoofd- en nevenassortimenten in de perifere detailhandelsvestigingen. Waar dit in bestemmingsplannen nog niet het geval is, dient branchering en de mogelijkheden voor nevenassortiment aangepast te worden, conform deze (en reeds gemaakte) afspraken uit het rpw (rpd).
• Het rpw wordt leidend ten opzicht van het rpd. Het Regionaal Programma Detailhandel moet geactualiseerd worden op punten die afwijken van de beslispunten van het rpw. De bedoeling is om het geactualiseerde rpd te zijner tijd deel te laten uitmaken van het rpw. Ook het toetsingskader voor het iod/iow zal aangepast worden op de afspraken uit dit rpw.
• Na bedrijfsbeëindiging op solitaire locaties: gebruik ‘bevriezen’. Solitaire pdv-locaties mogen altijd een opvolger hebben binnen de geldende regelgeving. Bevriezen houdt in: handhaven bestaande vestiging en gebruik, maar geen vierkante meters detailhandel toevoegen.
28
4.3
KANTOREN
Voor kantoren geldt een aantal belangrijke uitgangspunten/ beslispunten. Die zijn in de beslispuntennotitie onderdeel kantoren (bijlage 3 rpw) verder en meer gedetailleerd uitgewerkt. Om te komen tot een kwantitatief en bovenal kwalitatief evenwicht op de kantorenmarkt wordt ingezet op: 1 Algemeen: a Aanwijzen van Arnhem en Nijmegen als dé locaties voor kantoorontwikkeling. b
Het reduceren van het overaanbod op alle overige locaties.
Een nee, tenzij beleid voor kleinschalige initiatieven met een duidelijk lokaal karakter. 2 Kantoren op Centrumlocaties: a Ruimte bieden dan wel creëren voor kantoorontwikkeling
op Arnhem en Nijmegen Centraal; b Elst Centraal (zacht plan): Een kantoorontwikkeling tot
maximaal 5000 m2 bvo voor lokaal (en regionale) kantoorgebruikers is wel passend. Gemeente Overbetuwe gaat een totaalvisie voor Elst Centraal opstellen in afstemming met de provincie. 3 Kantoren op Kantorenparken: Concentreren kantoorvolumes
op de meeste toekomstbestendige kantorenpark-locaties: - Velperweg, Arnhems Buiten, Brabantse Poort en Heyendaal; - Ruimte bieden aan het overig plan Lent tot maximaal 5.000 m2 bvo (versterking lokaal vestigingsklimaat Waalsprong). 4 Kantoren op Bedrijventerreinen
- Voor de locatie IJsseloord II: gemeente Arnhem streeft naar vermindering van kantoren op deze locatie, waarbij gemeente Arnhem tussen de 5.000 – 10.000 m2 bvo wil behouden; - Locatie Renkum (Hes West) wordt in rpw verder niet meer meegenomen als toekomstige kantoorlocatie; - De functie kantoren op Mercurion Zevenaar kan worden geschrapt met het verzoek en toezegging voor ondersteuning van de provincie bij de zoektocht naar alternatieve invulling van de locatie.
29
BIJLAGE 1 REGIONAAL PROGRAMMA WERKLOCATIES
BESLISPUNTENNOTITIE ONDERDEEL BEDRIJVENTERREINEN 1 SEPTEMBER 2017
1.1
PROBLEEMSTELLING BEDRIJVENTERREINEN Uit het Bouwstenenrapport Bedrijventerreinen blijkt dat er te veel bedrijventerrein beschikbaar is (aanbod in onherroepelijke bestemmingsplannen). De vraag bedraagt naar schatting 219 ha, het aanbod is 367 ha, dus er is een overprogrammering van 148 ha. Dat betekent dat alle 19 gemeenten gezamenlijk 148 ha bedrijventerrein in portefeuille houden waar op afzienbare termijn geen vraag naar is.
RUIMTEVRAAG
ONHERROEPELIJK
OVERIGE
BESTAANDE VOORRAAD
AANBOD
PLANNEN
LEEGSTAND
Vervangings vraag
Incourante voorraad
12 HA 375.000
+ 367 HA
M2 +
297 HA
207 HA
+ 375.000 M2 Courante voorraad
Uitbreidingsvraag 219 HA
OVERAANBOD 148 HA
367 HA
297 HA
+ 297 HA
5% +/- 750.000 M2
30
Verder is geconstateerd dat ook kwalitatief vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten, nieuwe gewenste ontwikkelingen zijn niet of nauwelijks mogelijk vanwege de eerder genoemde duurzaamheidsladder en gemeenten beconcurreren elkaar onderling. Daardoor kan de markt niet optimaal worden bediend.
1.2
DOELSTELLING EN WERKWIJZE DE KOMENDE JAREN ALGEMEEN De regio wil sturen op het bereiken van een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen. Hiervoor zal het nodig zijn om een aantal bedrijventerreinen (of delen daarvan) te schrappen, gelet op de nu bestaande overprogrammering in de regio van ca. 148 ha. Er is extra tijd nodig om gemeenten en private partijen de ruimte te geven om aan te tonen dat er voor hun terrein(en) toch marktvraag is en dat – zoals wordt verondersteld - de uitgestelde marktvraag vanwege de inmiddels achter ons gelegen economische crisis de komende tijd zal worden ingelopen. Verder is deze periode belangrijk om te kunnen anticiperen op de financiële gevolgen voor gemeenten en private partijen die uiteindelijk wel bedrijventerreinen uit de markt moeten nemen in de nabije toekomst. Gemeenten en private partijen krijgen nog in 2018, 2019 en 2020 de mogelijkheid voor de uitgifte/verkoop van alle terreinen die -op basis van onherroepelijke bestemmingsplannen in de regio- uitgeefbaar zijn. Er worden tot 2021 geen beperkingen opgelegd in het kunnen verkopen van bedrijventerreinen.
Wel wordt voorgesteld om voor een aantal terreinen die kwalitatief minder geschikt zijn gebleken of waar de laatste jaren nauwelijks uitgifte heeft plaatsgevonden, per 1 juli 2019 de termijn van ”voorzienbaarheid” te laten gaan lopen (juridisch gereed maken voor eventuele schrappen van plancapaciteit in bestemmingsplannen per januari 2021). Private terreinen/partijen worden gelijk beoordeeld en behandeld als de gemeenten (dit geldt voor de rechten en de plichten).
31
1.3
BEOORDELING LOKALE EN REGIONALE TERREINEN Lokale terreinen Uitgangspunt voor de lokale terreinen is dat alle gemeenten met een bestaand aanbod ruimte houden om de voorspelde vraag t/m 2025 te kunnen laten landen. Het is belangrijk dat lokaal gebonden bedrijvigheid een plek kan hebben en houden in een gemeente. De lokale vraag t/m 2025 in de regio is op grond van het aantal banen in een gemeenten verdeeld over alle gemeenten (hoeveelheid hectares welke gemeente nodig heeft t/m 2025 om aan de vraag tegemoet te komen). Vervolgens is gekeken hoeveel aanbod er nu in een gemeente aanwezig is aan harde plancapaciteit. Dan blijkt dat er negen gemeenten zijn die meer aanbod hebben dan dat er vraag is tot 2025. Aan deze negen gemeenten wordt gevraagd om uiterlijk 1 oktober 2018 met een voorstel te komen om de hoeveelheid lokale terreinen te verminderen tot een niveau dat nodig is om de vraag t/m 2025 te kunnen faciliteren. Het is van belang dat dit voorstel uiterlijk 1 oktober 2018 van de gemeenten zelf komt. Zij kunnen dan rekening houden met de specifieke ruimtelijke omstandigheden (restkavels, volkstuintjes, ingesloten kavels e.d.) en een op de locaties toegespitste keuze maken. Ook op deze terreinen kunnen in 2017, 2018 en 2019 nog gewoon uitgiften worden gedaan. Wel wordt voor die terreinen per 1 juli 2019 de termijn van de voorzienbaarheid in gang gezet.
Dat betekent dat er in 2020 de balans op wordt gemaakt: heeft dit terrein toch marktwaarde en is zij nog nodig voor de gemeente om de vraag te kunnen bedienen? Zo nee, dan zijn er juridische instrumenten om er een andere bestemming op te leggen. Gemeenten die de komende jaren (dus tot 2020) meer uitgeven dan er op grond van de vraagberekeningen t/m 2025 (lokaal terrein) is berekend, mogen nieuwe terreinen ontwikkelen. Daarvoor gelden de condities die zijn genoemd in paragraaf 1.4 ‘Gewenste ontwikkelingen in de periode 2018–2021’, onder B. Daar staan ook de condities voor gemeenten die nu geen aanbod hebben maar dat wel zouden willen. Alle gemeenten met bestaand lokaal aanbod mogen een bepaalde voorraad aan bedrijventerreinen hebben. In bijlage 6 staat een overzicht van het lokale aanbod, de lokale vraag en het maximaal toegestane lokale aanbod per gemeente (zie kolom ‘te honoreren’ op pagina 99).
32
(Boven)regionale terreinen Ook voor de beoordeling van de hoeveelheid (boven)regionale bedrijventerreinen moet een objectieve onderbouwing worden bepaald. De volgende uitgangspunten zullen eind 2020 worden gehanteerd om te bepalen of terreinen daadwerkelijk worden ‘geschrapt’ (als gevolg van het inzetten de voorzienbaarheidsprocedure per 1 juli 2019): 1 een jaarlijkse monitoring –eerste in september 2018- zal inzichten opleveren van de uitgifte van bedrijventerreinen in de regio. Uit deze overzichten zal o.a. moeten blijken of er voldoende marktvraag is voor het betreffende bedrijventerrein; 2 De terreinen bestemd voor de ontwikkeling van campussen en groene hub’s worden gehandhaafd, vanwege de beleidsprioriteit die in het MIRT is vastgelegd (Kleefse Waard en IPKW Arnhem, NTC Nijmegen en ENGIE-terrein Nijmegen, Innofase Duiven); 3 De Bouwstenenrapportage Bedrijventerreinen is de basis voor de waardering van de verschillende terreinen. Eind 2018 moet een herziening op tafel liggen voor het vraag en aanbod en indien daar aanleiding voor is tevens een geactualiseerde kwalitatieve waardering van de terreinen, waar nodig. Dat zal uiteindelijk wel gaan leiden tot het schrappen van een aantal terreinen per 2021.
1.4
GEWENSTE ONTWIKKELINGEN IN DE PERIODE 2018-2021 Een aantal ontwikkelingen kunnen niet tot 2021 worden bevroren. Ze moeten onder voorwaarden door kunnen gaan. Dat is niet eenvoudig want in de periode tot 2021 is er nauwelijks ruimte vanwege het overaanbod dat nog een aantal jaren zal blijven bestaan. De regiogemeenten vinden de volgende ontwikkelingen gewenst (met in achtneming van de 5 voorwaarden hieronder vermeld): a Uitbreiding bestaande bedrijven op bestaande bedrijventerreinen, (incl. watergebonden bedrijven). Als deze uitbreidingen kunnen aantonen dat zij niet kunnen verplaatsen - niet geheel en niet gedeeltelijk - naar een andere locatie dan kunnen zij in principe uitbreiden op de huidige locatie als daar geen ruimtelijk-planologische bezwaren tegen zijn. De uitbreiding moet direct geheel in beslag genomen worden door het bedrijf zelf zodat er geen nieuw aanbod bedrijventerrein op de markt komt. Detailhandel is hierbij uitgesloten. Voorwaarde is dat het bedrijf gebonden is aan de locatie waar ze gevestigd zijn en verplaatsen
33
bedrijfseconomisch geen optie is. In geval van watergebonden bedrijvigheid: gebonden aan ligging aan een kade. Hierbij wordt gedacht aan de voorstellen voor uitbreiding van Lingewaard, Looveer; Druten, Excluton; Doesburg, Rotra. b Lokale terreinen. Indien een gemeente geen lokaal terrein meer heeft om uit te geven, danwel wanneer er een tekort wordt voorzien, dan mag de gemeente nieuw lokaal terrein in ontwikkeling nemen. Wel moet deze ontwikkeling de toets van de ladder voor duurzame verstelijking kunnen doorstaan. Dit is mogelijk tot het maximale toegestane lokale aanbod dat een gemeente mag hebben. Deze maximale voorraad aan lokaal terrein staat op pagina 99 onder de kolom ‘’te honoreren’’. Detailhandel is uitgesloten. Onder een lokaal terrein wordt verstaan een terrein met een overwegende kavelgrootte kleiner dan 0,5 ha. c Ruimtelijk gewenste bedrijventerreinen (inbreiding en transformatie): ontwikkeling van een bedrijventerrein dat bijdraagt aan een ruimtelijk gewenste situatie in de zin van inbreiding en transformatie. Het terrein wordt vervolgens op de markt gebracht. Hierbij wordt gedacht aan het Veilingterrein in Huissen.
Deze hierboven genoemde nieuwe ontwikkelingen (uit de lijst van overige plannen of geheel nieuwe plannen), kunnen - als het aan de regiogemeenten ligt - verder worden ontwikkeld als voldaan wordt aan de volgende 5 voorwaarden: 1 regionale afstemming, waarbij van belang is de beoordeling die het terrein heeft gekregen in het Bouwstenenrapport (in het geval van overige plannen) en als die beoordeling daar niet is gemaakt (in geval van een geheel nieuw plan) moet die beoordeling alsnog worden opgesteld om het initiatief door de andere gemeenten in de regio te kunnen laten beoordelen; 2 de marktvraag moeten worden aangetoond; 3 de ‘ladderonderbouwing’ moet gemaakt kunnen worden. De gemeenten zal per geval de inschatting moeten maken hoe risicovol dat pad is; 4 nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de ruimtelijk economische kaart (voor zover relevant, bijvoorbeeld niet van toepassing op lokale bedrijventerrein); 5
er moeten uiteraard ruimtelijk geen belemmeringen zijn.
34
Overige nieuwe ontwikkelingen die zich de komende jaren voordoen. Voor alle overige, hierboven nog niet genoemde nieuwe initiatieven of plannen die de komende jaren zullen worden ontwikkeld geldt het volgende: -
Regionale afstemming
-
Ladderonderbouwing
-
Ruimtelijk economische kaart
-
Ruimtelijk geen belemmeringen
Ter ondersteuning van de beoordeling van nieuwe initiatieven is er binnen het onderwerp bedrijventerreinen een zgn. ruimtelijkeconomische beleidskaart opgesteld.
Ruimtelijk economische beleidskaart a12
Bedrijven voor regionale en bovenregionale bedrijventerreinen. Selectie belangrijke ruimtelijke concentraties/zoekgebieden a15
GELDERS
E
R CO
RI
DO
R
157 ha Transport & logistiek a50
63 ha Handel- & consumentendiensten a73
+ dienstverlening
Smart energy: Groene hubs Campussen
Hotspots
Logistieke knooppunten
Deze kaart geeft aan waar de gewenste regionale bedrijvigheid het beste zou moeten/kunnen landen in de regio als alle bedrijventerreinen nog gepland zouden kunnen/moeten worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de belangrijkste beleidsbeslissingen over deze regio. De kaart kan als aanvullend instrument worden ingezet om de locaties van bedrijventerreinen te beoordelen.
35
1.5
BESTAANDE BEDRIJVENTERREINEN UITBREIDEN MET MINDER DAN 0,5 HA Doel is om kleine aanpassingen die ruimtelijk gezien wenselijk zijn, mogelijk te maken. Het gaat hierbij niet om gewone uitbreidingen van bedrijventerreinen, maar om kleine uitbreidingen van de bestemming bedrijventerrein (kleiner dan 0,5 ha) die aan het volgende moeten voldoen: -
leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;
-
een lokaal probleem oplossen;
- het gaat hier om stukjes bedrijventerrein die direct in gebruik worden genomen en die niet als aanbod op de markt komen. Wat het effect is van deze regels zal na een jaar monitoren wordt bepaald Dan wordt besloten of deze uitzondering gehandhaafd kan blijven. Werkwijze : Deze uitbreidingen moeten –via het Platform Economie- worden gemeld aan Portefeuillehoudersoverleg Economie. Er is geen regionale afstemming/ instemming nodig.
1.6
SOLITAIRE BEDRIJVEN Nieuwe solitaire vestigingen mogen zich niet buiten bedrijventerreinen vestigen. Hierop is een uitzondering mogelijk, wanneer de lokale situatie hier om vraagt, zowel ruimtelijk, economisch, functioneel en het gaat om een kleinschalig lokaal initiatief. Dit is het zgn. maatwerk, waar het ambtelijke Intergemeentelijk Overleg Werklocaties (iow) advies over moet uitbrengen. Uitbreiding van bestaande solitaire vestigingen is niet gewenst, tenzij aangetoond kan worden dat verplaatsing van dit solitaire bedrijf naar een bedrijventerrein onmogelijk is. Dan kan een kleine uitbreiding plaatsvinden tot maximaal 10% van de oppervlakte van de bestemming bedrijventerrein van die solitaire vestiging.
36
1.7
MARKTCONSULTATIE
Deze zogeheten marktconsultatie is kort verwoord in een memo van 8 juli 2016 (Ecorys). Een aantal partijen waaronder banken (in de regio) en makelaars is gevraagd om te reageren op de informatie uit het bouwstenenrapport. Niet alle partijen hebben gereageerd en het is dan ook lastig om hier conclusies aan te verbinden. Desondanks mag op hoofdlijnen de conclusie worden getrokken, dat de uitkomsten van de Bouwstenen rapportages worden onderschreven.
1.8
XXL LOGISTIEK
Er is nagegaan of er nog specifieke vraag vanuit de markt te verwachten is voor het cluster Logistiek voor de grote logistieke, zogenoemde xxl kavels. Dit is onderzocht door Buck consultancy, die hierover op 22 september 2016 een rapportage heeft gepresenteerd. De belangrijkste conclusies zijn: 1 er mag verwacht worden dat de trend naar schaalvergroting en megadistributie zich zal voortzetten; 2 puur kwantitatief hoeven er tot 2025 géén extra hectaren ruimte te worden opgenomen in de bedrijventerreinenprogramma’s voor de regio Arnhem-Nijmegen voor logistiek. In kwantitatieve zin zit er nog voldoende rek in de prognoses voor álle sectoren; 3 gezien de trend naar mega-distributiecentra (DC) is de beschikbaarheid van grote kavels van meer dan 4 tot 8 ha aan de (zeer) magere kant. Dit betekent dat de mogelijkheden om in de regio Arnhem-Nijmegen adequaat in te spelen op de groei van mega DC’s gering zijn. Op 6 juni 2017 heeft Ecorys een nader onderzoek opgeleverd met betrekking tot de marktruimte en locatiemogelijkheden voor de vestiging van Mega DC’s op xxl kavels.
De belangrijkste conclusies zijn: • De huidige ruimtevraag voorziet in de realisatie van xxl-logistiek; • Binnen de logistieke knooppunten in de regio ArnhemNijmegen zijn locaties beschikbaar en zeer geschikt; • Er zijn additionele mogelijkheden om XXL-locaties te realiseren binnen de logistieke knooppunten (Knoop 38 en Knoop EMZ);
37
• Binnen knooppunt EMZ kan een knelpunt ontstaan vanwege de nog te realiseren afslag bij Zevenaar; • Geef randvoorwaarden mee aan XXL-locaties. Voor het rpw betekent dit: • in de regio hoeft geen nieuwe locatie voor xxl-logistiek te worden ontwikkeld; • de Knoop 38 en Knoop EMZ wordt gezien als landingsplek voor xxl-logistiek in de regio; •
20 Ha van 7Poort Zevenaar (geeft voorlopig ruimte voor minimaal 2 hele grote bedrijven tot 5 minder grote xxl-vestigingen) wordt ingezet voor xxl-logistiek en de bestemming wordt hierop aangepast ( 20 ha 7Poort ‘op groen zetten’);
• het mogelijke knelpunt –gelet op beschikbaarheid van kavels in de regio en het moment waarop aanbesteding heeft plaatsgevonden voor afslag Zevenaar in 2018- is feitelijk beheersbaar. Gelet op de overcapaciteit in de regio en beschikbaarheid van goede kavels, hoeft vooralsnog geen nieuwe ontwikkelruimte in de markt te komen. Nieuwe locaties moeten dan ook nog planologisch en procedureel worden doorlopen.
1.9
CONCRETE BESLUITEN OVER LOCATIES VOOR BEDRIJVENTERREINEN Op basis van een kwalitatieve weging –rekening houdend met bovenstaande beleidsuitgangspunten- ligt er een lijst met beoordelingen van de regionale en bovenregionale bedrijventerreinen: (Boven)regionale terreinen De volgende (boven)regionale terreinen krijgen de kleur groen, dat wil zeggen dat ze kwalitatief en qua marktvraag kansen bieden en de regionale ontwikkeling in de regio Arnhem-Nijmegen ondersteunen •
Arnhem Kleefse Waard Westervoortsedijk
0,5 ha
•
Arnhem IJsseloord II
11,3 ha
•
Arnhem Westervoortsedijk
5,5 ha
•
Arnhem IPKW
3,6 ha
•
Arnhem Kleefse Waard Basf
4,8 ha
•
Duiven Innofase
14,6 ha
•
Montferland Docks NLD
25,2 ha
•
Nijmegen, Noord Kanaalhaven
3,1 ha
38
•
Nijmegen Oost Kanaalhaven
6,7 ha
•
Winkelsteeg (vm Compac)
4,1 ha
•
Winkelsteeg overig
6,2 ha
1
•
Overbetuwe Merm Oost
2,5 ha
Voor de terreinen Pannenhuis II en Agropark geldt dat het
•
Poort Midden Gelderland
6,9 ha
mogelijk is dat deze een andere kleur (groen) krijgen als er
•
Park 15
60,9 ha
definitief zekerheid ontstaat over het doortrekken van de
•
Rheden de Beemd
1,21 ha
A15. Vanaf dat moment kan worden heroverwogen. Dit
•
Wijchen Bijsterhuizen
26,5 ha
zal dan worden gelegd naast de marktsituatie, vraag en
•
Zevenaar 7Poort
20,0 ha
XXL-Logistiek2
aanbod op dat moment, hetgeen bijvoorbeeld ook zou kunnen leiden tot faseringsafspraken.
De volgende (boven)regionale terreinen krijgen de kleur oranje/rood, dat wil zeggen dat er zorgen zijn over de kwaliteit en/of marktvraag. Voor deze terreinen wordt ingezet op het principe van ‘voorzienbaar2 Voor Zevenaar 7Poort is sprake van een bijzondere situatie: er komt een directe aansluiting van dit bedrijventerrein op de A15. Wanneer er zekerheid bestaat over de
heid’. Uiterlijk per 1 juli 2019 gaat deze termijn in. Vervolgens wordt bij gelijkblijvende omstandigheden eind 2020 beoordeeld: 1
of het terrein toch voldoet aan de marktvraag;
2 of dat er geen markt is voor het terrein en het beter is om de bestemming er daadwerkelijk af te halen.
aanleg van deze aansluiting op de A15 (het moment waarop de aanbestedingsprocedure is afgerond en werk is gegund), dan zal Zevenaar 7Poort alsnog in het rijtje
Het gaat om de volgende terreinen
bedrijventerreinen met de kleur groen kunnen belanden.
•
Arnhem Het Broek
P
1,6 ha
Dit geldt in eerste instantie voor 20 ha van 7Poort, onder
•
Arnhem Merwedeterrein
P
3,4 ha
de voorwaarde dat deze 20 ha uitsluitend bestemd worden
•
Beuningen Schoenaker
beide
8,5 ha
voor XXL-logistiek. Afhankelijk van de marktsituatie en
•
Duiven Seingraaf
G
11,2 ha
•
Lingewaard Agropark 2e fase 1
beide
9,1 ha
•
Lingewaard Pannenhuis II 1
G
9,6 ha
•
Mook en Middelaar Korendal
G
4,3 ha
•
Rijnwaarden Spijksedijk
P
9,3 ha
•
Zevenaar 7poort 2
G
29,6 ha
vraag en aanbod kan (na monitoring) de laatste fase van 7Poort op groen komen voor XXL-logistiek.
September/oktober 2018 wordt definitief bepaald welke terreinen meedoen in de zogenaamde voorzienbaarheidsprocedure. Er kunnen dus nog verschuivingen plaatsvinden als gevolg van monitoring in 2018, gewijzigde marktsituatie, tempo van uitgiften, aantoonbare marktvraag, et cetera. Ook voor deze terreinen geldt, dat deze in 2018, 2019 en 2020 nog kunnen worden uitgegeven/verkocht. Daarnaast wordt voor deze terreinen met ingang van 1 juli 2019 de termijn van de voorzienbaarheid ingesteld.
39
Vervolgens wordt medio 2020 nog een keer de balans opgemaakt: is er voor deze terreinen toch gebleken marktvraag, wordt het terrein door veranderende omstandigheden in 2020 toch anders beoordeeld dan nu? Zo ja, dan kan de kleur van het terrein naar groen verschieten. Zo nee, dan zal de bestemming bedrijventerrein er daadwerkelijk afgehaald worden. Om de voorzienbaarheid te bepalen moet er nog ‘verstandig’ naar deze hectares worden gekeken. Voor sommige delen van de terreinen zal het ruimtelijk ongewenst zijn om de bestemming bedrijventerrein er af te halen, bijvoorbeeld als het gaat om een klein stukje bedrijventerrein midden op een bedrijventerrein dat verder al volledig is uitgegeven. De bedoeling is om aan het pfo van oktober 2018 een voorstel voor te leggen welke hectares wel ruimtelijk acceptabel zijn om per 2021 te schrappen. Dat wordt een concreet voorstel met gedetailleerd kaartmateriaal, wat vervolgens aan Gedeputeerde Staten zal worden aangeboden. Gedeputeerde Staten zal dit voorstel gebruiken om de inspraakprocedure op te starten als basis voor de voorzienbaarheidsprocedure. Per 1 juli 2019 zal de procedure tot voorzienbaarheid ingaan. De inschatting is, dat het aantal hectares door deze exercitie enigszins naar beneden zal moeten worden bijgesteld.