21. Ruimte voor economische activiteit tot 2030.pdf
Tekst van het document
Ruimte voor economische activiteit tot 2030 Verkenning van de ruimtevraag naar bedrijventerreinen en kantoren
Het auteursrecht voor de inhoud berust geheel bij de Stichting Economisch Instituut voor de Bouw. Overnemen van de inhoud (of delen daarvan) is uitsluitend toegestaan met schriftelijke toestemming van het EIB. Het is geoorloofd gegevens uit dit rapport te gebruiken in artikelen en dergelijke, mits daarbij de bron duidelijk en nauwkeurig wordt vermeld. Juli 2019
Ruimte voor economische activiteit tot 2030 Verkenning van de ruimtevraag naar bedrijventerreinen en kantoren Thomas Endhoven Taco van Hoek Martin Koning Paul Bleumink Ralf Olsder Margreet Verwaal
Inhoudsopgave Conclusies op hoofdlijnen
5
Samenvatting
9
1
Inleiding
19
2
Sectorbeelden
21
2.1 Aanpak 2.2 Economische beelden per bedrijfstak 2.2.1 Voedings- en genotsmiddelen 2.2.2 Textiel en kleding 2.2.3 Aardolie industrie 2.2.4 Chemische eindproducten 2.2.5 Staalindustrie 2.2.6 Scheepsbouw 2.2.7 Bouwmaterialenindustrie 2.2.8 Metaalelektro 2.2.9 Overige industrie 2.2.10 Groothandel 2.2.11 Opslag en dienstverlening voor vervoer 2.2.12 Bouwnijverheid 2.2.13 Detailhandel en horeca 2.2.14 Vervoer 2.2.15 Zakelijke diensten 2.2.16 Onderwijs 2.2.17 Zorg 2.2.18 Overige quartaire diensten 2.3 Overkoepelend beeld
21 25 25 28 31 34 37 40 43 46 49 52 55 58 61 64 67 70 73 76 79
Ruimtegebruik bedrijventerreinen en kantoren
83
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
83 85 88 90 93
3
Huidig ruimtegebruik op formele bedrijventerreinen Toekomstig ruimtegebruik op bedrijventerreinen Huidig ruimtegebruik in kantoren Toekomstige ruimtegebruik in kantoren in twee scenario’s Ontwikkeling ruimtegebruik naar landsdeel
Literatuur
95
Bijlage A
Indeling bedrijfstakken en landsdelen
97
Bijlage B
Methodiek raming economische ontwikkeling
99
Bijlage C
Methodiek ruimtegebruik
103
Bijlage D
Regionale verdeling werkgelegenheid
107
Conclusies op hoofdlijnen
Historische ontwikkeling economische groei en werkgelegenheid naar bedrijfstak •
In de periode 1995-2017 is de totale toegevoegde waarde van 18 bedrijfstakken (uitgezonderd landbouw, energie en openbaar nut) in Nederland met gemiddeld 2,1% per jaar toegenomen. De arbeidsproductiviteit nam in dezelfde periode met gemiddeld 1,1% per jaar toe. De totale werkgelegenheid van de 18 bedrijfstakken groeide hierdoor met 1% per jaar.
•
Bedrijfstakken die in de periode 1995-2017 een bovengemiddelde groei in toegevoegde waarde realiseerden waren de groothandel (4,0% per jaar), metaalelektro (3,3%), opslag en dienstverlening voor vervoer (3,3%), chemische industrie (3,1%), zakelijke diensten (2,8%) en de aardoliebasisindustrie (2,7%). Bedrijfstakken die in termen van toegevoegde waarde beduidend minder groeiden waren bouwmaterialen (-1,4%), textiel en kleding (-0,7%), overige industrie (0,1%), onderwijs (0,6%), bouwnijverheid (0,7%), scheepsbouw (1,0%), voedings- en genotmiddelen (1,1%) en staalindustrie (1,2%). De dienstentakken als zorg (2,4%), detailhandel en horeca (1,4%), vervoer (1,4%) en overige quartaire diensten (1,3%) ontwikkelden zich meer in lijn met de totale toegevoegde waarde.
•
De groei in landsdeel West (49% van Nederlandse toegevoegde waarde) en Oost (20%) lag iets boven het landelijk gemiddelde, terwijl Noord (8%) en Zuid (23%) hier met een groei van 1,7% onder lagen. De sterkste verschuivingen tussen landsdelen deden zich voor bij de voedings- en genotmiddelenindustrie (van Oost en Zuid naar West), opslag en dienstverlening voor vervoer (van West naar Oost en Zuid), scheepsbouw (van West en Zuid naar Oost), textiel en kleding (van Zuid naar West en Oost) en groothandel (van West naar Oost en Zuid). De totale regionale groei verschilt slechts in beperkte mate tussen de landsdelen. Verschillen in regionale productiegroei van de afzonderlijke bedrijfstakken werken door het regionale specialisatiepatroon slechts beperkt door in de regionale groei van de totale toegevoegde waarde.
•
De bedrijfstakken opslag en dienstverlening (2,0% per jaar), zakelijke dienstverlening (2,1%) en zorg (2,3%) zijn de enige drie sectoren die in de periode 1995-2017 een bovengemiddelde groei van de werkgelegenheid lieten zien. In veel bedrijfstakken was ondanks een groei van de toegevoegde waarde sprake van een werkgelegenheidsdaling. Alleen in de bedrijfstakken groothandel, detailhandel en horeca, onderwijs en overige quartaire diensten was sprake van een beperkte werkgelegenheidsgroei. Vooral in de bedrijfstakken textiel en kleding, aardoliebasis, chemie, metaalelektro en de groothandel was sprake van een relatief sterke verbetering van de arbeidsproductiviteit.
Twee scenario’s voor de economische ontwikkeling en de werkgelegenheid richting 2030 •
Op basis van een behoedzaam en een gunstig scenario is een bandbreedte geschetst waarbinnen de 18 bedrijfstakken zich richting 2030 in termen van toegevoegde waarde en werkgelegenheid ontwikkelen. De gemiddelde economische groei in beide scenario’s bedraagt respectievelijk 1,3 en 2,3% per jaar, terwijl de werkgelegenheid met 0,3% en 0,7% per jaar toeneemt. Hierbij is ook rekening gehouden met trends als duurzaamheid en technologische ontwikkeling die in het komend decennium naar verwachting een groter gewicht zullen krijgen.
•
De bedrijfstakken die in het verleden een sterke productiegroei realiseerden zijn ook de sectoren die in de toekomst sterk zullen groeien. Wel zal de groei in de bedrijfstakken aardoliebasis, chemie, staal, opslag en dienstverlening voor vervoer en vervoer worden geremd door hogere kosten als gevolg van verduurzaming, terwijl sectoren als de bouwnijverheid, de bouwmaterialenindustrie en de metaalelektro hiervan gaan profiteren.
5
Alleen voor de aardoliebasisindustrie wordt in tegenstelling tot het verleden geen groei meer voorzien: in het behoedzame scenario krimpt de productie, terwijl in het gunstige scenario de productie stabiliseert. Naast kostenverhogingen werkt hier de vermindering van het fossiele brandstofverbruik sterk door in de afzet. Outsourcing van activiteiten, dat in het verleden bijdroeg aan de groei van de zakelijke dienstverlening, is voor een belangrijk deel al gerealiseerd, waardoor de groei van de zakelijke dienstverlening het komend decennium relatief iets lager uitvalt. De overige dienstentakken liggen in lijn met de historische ontwikkeling van deze takken. •
De totale werkgelegenheid neemt in het behoedzame scenario toe met 0,3% per jaar en in het gunstige scenario met 0,7% per jaar. De groei valt in het komend decennium lager uit dan in het verleden, mede door een afvlakkende beroepsbevolking. De werkgelegenheid zal in de meeste industrietakken en in het vervoer in het komend decennium structureel gaan afnemen. De meeste werkgelegenheidsgroei wordt gerealiseerd in de handel en de overige dienstentakken.
Tabel A
Ontwikkeling toegevoegde waarde (TW) en werkgelegenheid (W) naar bedrijfstak in twee scenario’s, periode 2018-2030, in procenten per jaar Behoedzaam
Gunstig
TW
W
TW
W
Voedings- en genotmiddelen Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Scheepsbouw Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
0,5 -0,6 -1,5 1,6 -0,5 0,3 0,3 1,2 -0,8 2,3 2,1 1,5 0,3 0,0 1,6 0,3 1,4 0,9
-0,8 -1,1 -0,2 -1,1 -0,7 -0,7 -0,4 -0,1 -1,5 0,3 0,9 0,7 0,3 -0,8 0,6 0,1 0,9 0,3
0,9 0,8 0,0 2,5 1,1 1,9 1,7 4,3 0,4 3,6 3,2 2,4 1,6 1,2 2,5 0,6 2,7 1,7
-0,7 -0,7 -0,1 -0,7 -0,5 -0,1 0,3 0,3 -1,1 0,6 1,5 0,9 0,6 -0,5 0,9 0,3 1,7 0,6
Totaal
1,3
0,3
2,3
0,7
Bron: LISA, IBIS, bewerking door BCI
•
6
De verschillen in toekomstige economische ontwikkeling tussen de vier landsdelen lopen niet sterk uiteen. De regionale verschillen worden - naast verschillen in regionaal specialisatie patroon – ook beïnvloed door verschillen in demografische groei. De bevolkingsgroei is vooral van belang voor de ontwikkeling van de dienstentakken, terwijl voor de industriële takken de groei van de beroepsbevolking meer bepalend is. In lijn met het verleden zal de groei in het noorden iets achterblijven, terwijl de groei in het westen relatief iets hoger zal liggen. Over de hele periode gemeten kent het noorden in het behoedzame scenario hierdoor nauwelijks een groei van de totale werkgelegenheid.
Figuur A
Ontwikkeling toegevoegde waarde en werkgelegenheid naar landsdeel in twee scenario’s, periode 2018-2030, in procenten per jaar
3,0
2,5
2,0
1,5
1,0
0,5
0,0 Noord
West
Oost
Zuid
Noord
Toegevoegde waarde Behoedzaam
West
Oost
Zuid
Werkgelegenheid Gunstig
Bron: EIB
Ruimtegebruik op formele bedrijventerreinen en in kantoren •
Het ruimtegebruik van de 18 bedrijfstakken op formele bedrijventerreinen bedroeg in 2017 in totaal 54.000 ha. Ongeveer 30% van de werkgelegenheid vindt plaats op deze bedrijventerreinen. In het zuiden werkt bijna 40% op een formeel bedrijventerrein. In het westen is dat slechts 25%. Het aandeel op bedrijventerreinen ligt in het noorden en het oosten van het land rond het landelijk gemiddelde. De grootste ruimtegebruikers zijn de groothandel, de detailhandel en horeca en de zakelijk dienstverlening. Samen zijn zij goed voor grofweg de helft van het totale ruimtegebruik. In het behoedzame scenario neemt het ruimtegebruik met 10% toe tot 59.500 ha in 2030. In het gunstige scenario neemt het ruimtegebruik met 17% toe tot 63.500 ha in 2030. Hierbij is verondersteld dat een deel van de economische groei zich in een verbetering van de ruimteproductiviteit zal vertalen. De meeste uitbreiding moet plaatsvinden in het westen, terwijl die in het noorden het laagst zal zijn.
•
Het ruimtegebruik van de 18 bedrijfstakken in kantoren (gebouwen met alleen een kantoorfunctie) was in 2017 in totaal 42 miljoen m2 (bvo). Deze kantoren bieden ruimte voor een kwart van de werkgelegenheid. Verreweg de meeste kantoorruimte bevindt zich in het westen (55%). Het noorden heeft ook bij kantoren het laagste aandeel (5%) in het ruimtegebruik. Opvallend is de sterke concentratie van het ruimtegebruik in de bedrijfstakken zakelijke dienstverlening (50% van het totale ruimtegebruik), zorg (10%) en overige quartaire diensten (20%). In het behoedzame scenario neemt het ruimtegebruik toe met 6% toe tot 45 miljoen m2 bvo in 2030. In het gunstige scenario groeit het ruimtegebruik met 11% tot ruim 47 miljoen m2 bvo in 2030. Conform de ontwikkelingen in het verleden is uitgegaan van een vast aandeel van kantoorwerkgelegenheid in de totale werkgelegenheid van een bedrijfstak en een vast ruimtegebruik per kantoorbaan. Ook hier geldt dat de meeste uitbreiding in het westen moet plaatsvinden en dat de uitbreiding in de overige landsdelen beduidend lager ligt.
7
•
Uit de resultaten blijkt dat ook bij een economisch behoedzame ontwikkeling het ruimtegebruik op zowel formele bedrijventerreinen als in kantoren in het komende decennium naar verwachting in alle landsdelen zal toenemen. Gelet op de onzekerheid rond de verwachte groei kan het raadzaam zijn om voldoende ruimte te reserveren om ook de vraag bij een gunstige economische ontwikkeling te kunnen opvangen. De uitgifte van nieuwe locaties voor bedrijventerreinen en kantoren kan dan vervolgens later worden afgestemd op de actuele vraagontwikkeling. Hierbij moet worden aangetekend dat de afwegingen regionaal zullen moeten worden gemaakt, waarbij ook de regionale aanbodsituatie en mogelijke alternatieve bestemming van ruimte zullen worden betrokken.
Figuur B
Uitbreiding ruimtegebruik formele bedrijventerreinen (ha) en kantoren (1.000 m2 bvo) in twee scenario’s, gemiddeld per jaar
300
250
200
150
100
50
0 Noord
West
Oost
Zuid
Noord
Bedrijventerreinen
West
Oost
Zuid
Kantoren Behoedzaam
Gunstig
Bron: EIB
•
8
Deze studie schetst een bandbreedte van de ontwikkeling van het ruimtegebruik van formele bedrijventerreinen en kantoren van de 18 onderscheiden bedrijfstakken op landsdeelniveau in de periode tot 2030. De confrontatie van het ruimtegebruik met het aanbod vormt geen onderdeel van deze opdracht. Deze confrontatie zal op een lager schaalniveau moeten plaatsvinden. De vraag kan immers - al naar gelang de lokale situatie - worden opgevangen langs een mix van verschillende kanalen zoals betere benutting van het bestaand aanbod, leegstand, transformatie en nieuw aanbod. Naast de kwantitatieve opgave moet hierbij ook de kwalitatieve vraag naar bedrijventerreinen en kantoren worden betrokken.
Samenvatting
In het kader van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een globaal beeld nodig van de ruimtevraag vanuit de economische functies in ons land. Om tot een goed beeld voor de ruimtevraag te komen moet eerst een verkenning worden gemaakt van de groeiverwachtingen van de economische sectoren. Er zijn uiteenlopende groeiverwachtingen voor verschillende economische activiteiten en ook het ruimtelijk gedrag verschilt tussen sectoren. Om hieraan zo goed mogelijk recht te kunnen doen worden de groeivooruitzichten voor 18 bedrijfstakken1 in Nederland voor een behoedzaam en een gunstig scenario geschetst voor de periode tot 2030. Op basis van deze ontwikkelingen van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid wordt voor de afzonderlijke bedrijfstakken het ruimtegebruik naar formele bedrijventerreinen en kantoren in beeld gebracht. Voor iedere bedrijfstak is op basis van de historische ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in de periode 1995-2017 een modelvergelijking gemaakt om de toekomstige ontwikkelingen te kunnen inschatten. Deze modelvergelijkingen verklaren de ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid op basis van één of meerdere economische en demografische grootheden.
Dynamische simulaties laten zien dat deze modelvergelijkingen de trendmatige economische ontwikkelingen van de bedrijfstakken goed kunnen verklaren en vormen hiermee een robuust uitgangspunt om de ontwikkelingen richting 2030 te kunnen bepalen. Om recht te doen aan structurele groeiverschillen die zich in de toekomst kunnen voordoen, worden in deze studie een behoedzaam en een gunstig scenario uitgewerkt om een plausibele bandbreedte van mogelijke ontwikkelingen te kunnen schetsen. Bij de uitgangspunten voor deze scenario’s is zoveel mogelijk aangesloten bij de WLO-studie van het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de leefomgeving (CPB/PBL, 2015). De uitgangspunten voor beide scenario’s zijn samengevat in tabel 1.
Tabel 1
Uitgangspunten behoedzaam en gunstig scenario, jaarlijkse groeicijfers, 2018-2030
Economische factoren Bruto binnenlands product Relevant wereldhandelsvolume (index) Concurrerende wereldhandelsprijzen (index) Consumptie Huishoudens Olieprijs (niveau) Lange rente (niveau)
Historisch
Behoedzaam
Gunstig
2,0% 4,7% 1,0%
1,3% 3,0% 0,8%
2,3% 5,0% 1,3%
1,7% 0,9% € 43 3,6%
1,0% 0,2% € 50 1,5%
2,0% 0,5% € 70 2,0%
Bron: EIB, CPB, PBL
Voor de ontwikkeling van de economische groei (binnenlands bruto product) gaan wij in de periode 2018-2030 uit van een gemiddelde jaarlijkse groei van 1,3% in het behoedzame scenario en 2,3% in het gunstige scenario. Wij sluiten hiermee aan op de ontwikkelingen van respectievelijk het lage en het hoge scenario uit studie ‘Welvaart en Leefomgeving 2015’ voor de 1
Zie bijlage A voor een overzicht van deze 18 bedrijfstakken met de bijbehorende SBI-codes.
9
periode tot 2030. Voor de ontwikkeling van het (herwogen) wereldhandelsvolume en concurrentenprijzen is aangesloten op de centrale raming uit de Middellangetermijnverkenning 2018-2021 (CPB, 2017). Hierop is op basis van de historische verhouding tussen economische groei en wereldhandel de bandbreedte bepaald. Hetzelfde is gedaan voor de overige grootheden uit tabel 1. Ruimtegebruik: op basis van toegevoegde waarde of werkgelegenheid Het toekomstig ruimtegebruik op formele bedrijventerreinen wordt voor de industrietakken, de groothandel, bouwnijverheid en vervoer bepaald door de volumeontwikkeling van de toegevoegde waarde. Door verbetering van de ruimteproductiviteit slaat slechts een deel van de groei neer in meer ruimtevraag2. Startpunt voor de berekening is het ruimtegebruik per sector en per landsdeel, waarop de regionale economische ontwikkeling wordt geprojecteerd. Voor de dienstentakken (inclusief detailhandel en horeca) wordt het ruimtegebruik bepaald door de ontwikkeling van de werkgelegenheid per bedrijfstak en per landsdeel3. Hierbij wordt uitgegaan van vaste terreincoëfficiënten in de tijd. Het toekomstig ruimtegebruik van kantoren is gebaseerd op het ruimtegebruik van kantoren zonder andere gebruiksfuncties. Voor het startjaar is uit BAG het totale ruimtegebruik van deze kantoren naar landsdeel bepaald.
Door koppeling van LISA met BAG is vervolgens berekend hoeveel werkgelegenheid van een bedrijfstak in een kantoor per landsdeel werkzaam is. Voor de vertaalslag naar het ruimtegebruik naar bedrijfstak is uitgegaan van het gemiddelde aantal m2 bvo per werkende op landsdeelniveau. Er is bij het bepalen van het toekomstige ruimtegebruik naar kantoren verondersteld dat het ruimtegebruik per werkende constant blijft. Tegenover een efficiënter ruimtegebruik staat een groeiend opleidingspeil dat juist meer ruimtegebruik oplevert. Vooralsnog is ook geen verschuiving richting meer kantoorhoudende werkgelegenheid verondersteld. Bijzondere trends: verduurzaming en technologische ontwikkeling Er spelen voor de periode tot 2030 twee belangrijke trends die de ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in de verschillende bedrijfstakken zullen gaan beïnvloeden. De eerste trend is die van verduurzaming. Klimaatbeleid om de CO2-uitstoot terug te dringen zal de ontwikkeling in een aantal CO2-intensive bedrijfstakken afremmen, terwijl dit voor andere bedrijfstakken extra productie kan opleveren. Een andere belangrijke trend is die van technologische ontwikkeling. Verduurzaming In de komende jaren zal er meer en intensiever klimaatbeleid gevoerd gaan worden en dit kan grote gevolgen hebben voor specifieke sectoren.
Zo zijn er sectoren die hierdoor extra activiteiten zullen gaan ontwikkelen. De bouw- en installatiesector met de bouwmaterialenindustrie als belangrijke toeleverancier moet grote aantallen woningen en andere gebouwen verduurzamen en ook de energie-infrastructuur aanpassen om dit mogelijk te maken. Ook de metaalelektro zal als producent van zonnepanelen, windturbines en warmte-installaties hieraan een bijdrage leveren. Hiernaast zijn er sectoren die nadelen gaan ondervinden van het klimaatbeleid. De zware industrietakken waaronder de aardolie-industrie, chemische industrie en de staalindustrie die veel CO2-uitstoot veroorzaken, zullen kosten moeten maken om deze uitstoot te reduceren. Ook het vervoer en indirect de opslag en dienstverlening voor vervoer zullen worden geraakt. Naast het effect vanuit de kosten voor de zware industrie en vervoer kan er mondiaal gezien ook een concurrentie-effect optreden als Europa internationaal voorop gaat lopen en/of Nederland voorop gaat lopen binnen Europa. Voorshands wordt vooral rekening gehouden met internationaal optredende kosteneffecten en worden sterke concurrentienadelen niet verwacht c.q. worden deze geacht met andere maatregelen te worden
2
Op basis van de historische ontwikkeling van het totale ruimtegebruik op formele bedrijventerreinen en de naar het ruimtegebruik gewogen groei van de toegevoegde waarde van de verschillende bedrijfstakken blijkt dat een vijfde van de groei van activiteiten neersloeg in een verbetering van de ruimteproductiviteit. Wij veronderstellen in het behoedzame scenario dat 25% van de groei van een bedrijfstak neerslaat in meer ruimteproductiviteit en 50% in het gunstige scenario.
3
Zie bijlage A voor de landsdeelindeling naar provincie.
10
gecompenseerd. Belangrijk is dan vooral de CO2-intensiteit van de sectoren: hoe meer uitstoot de industrie, hoe meer deze last zal hebben van het klimaatbeleid via de kostenkant. Technologische ontwikkeling Een andere belangrijke trend is die van technologische ontwikkeling. Technologische ontwikkeling als trend is niet nieuw en speelt al een belangrijke rol in de historische ontwikkeling van de bedrijfstakken. Toch zijn er redenen om aan te nemen dat er in de periode tot 2030 technologische verbeteringen worden toegepast die een extra stimulans kunnen geven aan de productie van sommige bedrijfstakken. Technologische ontwikkelingen en toepassingen op het gebied van bijvoorbeeld robotisering en digitalisering kunnen de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit van de bedrijfstakken beïnvloeden. Aangenomen is dat voornamelijk in het gunstige scenario de groei van de arbeidsproductiviteit over de gehele linie gestimuleerd zal worden door een iets sterkere inzet van technologische ontwikkelingen op het gebied van robotisering en digitalisering. De arbeidsproductiviteitsgroei is hierdoor licht opwaarts aangepast ten opzichte van de modelresultaten vanuit de schattingen voor de bedrijfstakken.
Toekomstige ontwikkeling toegevoegde waarde en werkgelegenheid Toegevoegde waarde De in de twee scenario’s gehanteerde uitgangspunten uit tabel 1 zijn met behulp van de regressieresultaten per bedrijfstak doorgerekend om de structurele ontwikkeling van de toegevoegde waarde in de periode 2018-2030 in beeld te brengen. De uitkomsten hiervan zijn in tabel 2 weergegeven. Uit de tabel kan worden afgeleid dat alle sectoren in het gunstige scenario een snellere groei doormaken dan in het behoedzame scenario. De verschillen tussen de scenario’s zijn voor sommige sectoren echter veel geprononceerder dan voor andere. De metaalelektro kan bijvoorbeeld jaarlijks met bijna 4,3% groeien in het gunstige scenario, terwijl de groei in het behoedzame scenario terugvalt tot 1,2%. Voor de voeding- en genotmiddelenindustrie en het onderwijs zijn de groeiverschillen tussen het behoedzame en het gunstige scenario weer veel minder groot. Op basis van de resultaten zijn er drie typen bedrijfstakken te onderscheiden. Zo zijn er groeisectoren met bovengemiddelde groeicijfers. Dit zijn de chemische industrie, metaalelektro, de groothandel, opslag en dienstverlening voor vervoer en de zakelijke dienstverlening. Hiertegenover staan bedrijfstakken die in beide scenario’s tot 2030 slechts een beperkte groei zullen laten zien of zelfs gaan krimpen.
Dit zijn de takken voedings- en genotmiddelen, textiel en kledingindustrie, aardolie-industrie, overige industrie en het onderwijs. Dit zijn ook sectoren, met uitzondering van de aardolie-industrie, die in het verleden een relatief bescheiden ontwikkeling lieten zien. De overige bedrijfstakken laten in de beide scenario’s een relatief sterk uiteenlopende ontwikkeling zien. De bedrijfstakken staalindustrie, scheepsbouw, bouwmaterialenindustrie, bouwnijverheid, vervoer, detailhandel en horecazorg en de overige quartaire diensten realiseren in het gunstige scenario nog redelijke groei, maar groeien beperkt of krimpen in het behoedzame scenario.
11
Tabel 2
Volumeontwikkeling toegevoegde waarde in twee scenario’s, jaarlijkse groeicijfers, 1996-2017 en 2018-2030, in miljoen € en procenten, prijspeil 2017 Niveau 2017
1996-2017
2018-2030 Behoedzaam
Gunstig
Voedings- en genotmiddelen Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Scheepsbouw Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
14.200 1.100 1.500 16.700 9.200 1.300 2.700 21.700 10.900 57.600 11.000 30.300 45.000 20.200 222.700 31.100 58.900 59.600
1,1 -0,7 2,7 3,1 1,2 1,0 -1,4 3,3 0,1 4,0 3,3 0,7 1,4 1,4 2,8 0,6 2,4 1,3
0,5 -0,6 -1,5 1,6 -0,5 0,3 0,3 1,2 -0,8 2,3 2,1 1,5 0,3 0,0 1,6 0,3 1,4 0,9
0,9 0,8 0,0 2,5 1,1 1,9 1,7 4,3 0,4 3,6 3,2 2,4 1,6 1,2 2,5 0,6 2,7 1,7
Totaal
615.800
2,1
1,3
2,3
- Noord - West - Oost - Zuid
51.200 301.700 120.900 142.000
1,7 2,3 2,2 1,7
0,9 1,5 1,1 1,1
1,9 2,5 2,2 2,2
Bron: CBS, EIB
Regionale specialisatie In de periode 1996-2017 hebben er lichte verschuivingen in de regionale ontwikkeling van bedrijfstakken tussen de vier landsdelen plaatsgevonden. De grootste verschuivingen deden zich voor in de industrie bij de takken voedings- en genotsmiddelen, textiel en kleding en scheepsbouw en bij de opslag- en dienstverlening voor vervoer. Met name bij de voedings- en genotmiddelenindustrie vond een sterke concentratie plaats richting het westen, terwijl een deel van de opslag- en dienstverlening voor vervoer richting Zuid-Nederland verschoof. Voor alle andere bedrijfstakken bleven de verschuivingen beperkt. Voor de toekomst is voor de regionale specialisatie aangesloten bij de regionale verschillen in bevolkingsgroei op basis van de bevolkingsprognose van het CBS. Zowel voor de hele bevolking als voor de beroepsbevolking (20 tot 65 jaar) verwacht het CBS een relatief sterkere groei in het westen, terwijl het noorden relatief sterker achterblijft. Voor de verschuiving in regionale specialisatie is voor de industrietakken aangesloten bij de verschillen in ontwikkeling van de beroepsbevolking (aanbod van personeel), terwijl voor de overige bedrijfstakken is aangesloten bij die van de totale bevolking (vraag naar activiteiten). Werkgelegenheid De resultaten voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid van de 18 bedrijfstakken zijn weergegeven in tabel 3.
De werkgelegenheidsontwikkeling vertoont een relatie met de groei van de toegevoegde waarde, maar de structurele groei van de productiviteit verschilt per sector.
12
Opnieuw zijn er verschillende categorieën te onderscheiden. Zo zijn er ten eerste de bedrijfstakken waarvan wordt verwacht dat zowel de toegevoegde waarde als de werkgelegenheid in de periode tot 2030 zullen toenemen. Dit zijn voornamelijk de dienstensectoren. In deze sectoren wordt slechts een beperkte toename van de arbeidsproductiviteit gerealiseerd. Dit zijn de bedrijfstakken, opslag en dienstverlening voor vervoer, bouwnijverheid, detailhandel en horeca, zakelijke diensten, onderwijs, zorg en overige quartaire diensten. Ten tweede zijn er de bedrijfstakken die ondanks een verwachte toename van de toegevoegde waarde een daling of slechts een beperkte toename van de werkgelegenheid in de periode tot 2030 laten zien. Van deze (voornamelijk) industrietakken wordt verwacht dat zij in de periode tot 2030 een sterke toename van de arbeidsproductiviteit zullen realiseren. Dit zijn de bedrijfstakken voedings- en genotsmiddelenindustrie, chemische industrie, staalindustrie, scheepsbouw, metaalelektro en groothandel en vervoer.
Tabel 3
Ontwikkeling arbeidsvolume in twee scenario’s, jaarlijkse groeicijfers, 19962017 en 2018-2030, in duizend arbeidsjaren en procenten Niveau 2017
1996-2017
2018-2030 Behoedzaam
Gunstig
Voedings- en genotmiddelen Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Scheepsbouw Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
116 15 5 85 103 16 33 143 191 447 87 438 895 248 2.001 423 1.026 755
-0,8 -3,4 -0,8 -0,6 -0,6 -0,5 -2,0 -0,5 -1,2 0,8 2,0 -0,4 0,7 -0,2 2,1 1,1 2,3 0,6
-0,8 -1,1 -0,2 -1,1 -0,7 -0,7 -0,4 -0,1 -1,5 0,3 0,9 0,7 0,3 -0,8 0,6 0,1 0,9 0,3
-0,7 -0,7 -0,1 -0,7 -0,5 -0,1 0,3 0,3 -1,1 0,6 1,5 0,9 0,6 -0,5 0,9 0,3 1,7 0,6
Totaal
7.027
1,0
0,3
0,7
- Noord - West - Oost - Zuid
620 3.390 1.410 1.607
0,9 1,1 1,2 0,6
0,0 0,5 0,2 0,1
0,4 0,9 0,6 0,5
Bron: CBS, EIB
Binnen de laatste categorie vallen bedrijfstakken die in de periode tot 2030 naar verwachting een stabilisatie of krimp van de werkgelegenheid in beide scenario’s zullen laten zien als gevolg van een lage groei van de toegevoegde waarde. Bedrijfstakken die hieronder vallen zijn de textiel en kleding, aardolie-industrie en de overige industrie.
13
In lijn met de ontwikkeling van de toegevoegde waarde groeit in beide scenario’s het arbeidsvolume sterker in het westen van Nederland en blijft die in het noorden van Nederland achter. Arbeidsproductiviteit In tabel 4 is arbeidsproductiviteit weergegeven als de toegevoegde waarde per arbeidsjaar. De ontwikkeling van de toegevoegde waarde van een bedrijfstak slaat deels neer in een toename van het arbeidsvolume en voor het overig deel in een toename van de arbeidsproductiviteit. Als de toegevoegde waarde zich sterker ontwikkelt, neemt ook de arbeidsproductiviteit toe.
Tabel 4
Ontwikkeling arbeidsproductiviteit in twee scenario’s, jaarlijkse groeicijfers, 1996-2017 en 2018-2030, in € per arbeidsjaar en procenten, prijspeil 2017 Niveau 2017
1996-2017
2018-2030 Behoedzaam
Gunstig
Voedings- en genotmiddelen Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Scheepsbouw Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
122.500 74.400 304.600 196.900 89.200 79.100 82.300 151.700 57.100 128.900 126.600 69.100 50.300 81.600 111.300 73.600 57.400 78.900
1,9 2,7 3,5 3,7 1,8 1,5 0,6 3,8 1,3 3,2 1,3 1,1 0,7 1,6 0,7 -0,5 0,1 0,7
1,3 0,5 -1,3 2,7 0,2 1,0 0,7 1,3 0,7 2,0 1,2 0,8 0,0 0,8 1,0 0,2 0,5 0,6
1,6 1,5 0,1 3,2 1,6 2,0 1,4 4,0 1,5 3,0 1,7 1,5 1,0 1,7 1,6 0,3 1,0 1,1
Totaal
87.600
1,1
1,0
1,6
- Noord - West - Oost - Zuid
82.600 89.000 85.700 88.400
0,8 1,2 1,0 1,1
0,9 1,0 0,9 1,0
1,5 1,6 1,6 1,7
Bron: CBS, EIB
In het gunstig scenario neemt de arbeidsproductiviteit relatief sterker toe door een sterkere technologische ontwikkeling die tot relatief minder arbeidsinzet leidt. Deze draagt ertoe bij dat ook in de arbeidsintensieve dienstentakken ondanks een afvlakkende groei van de beroepsbevolking de toegevoegde waarde sterk kan doorgroeien.
14
Huidig ruimtegebruik Het ruimtegebruik van bedrijven op formele bedrijventerreinen (exclusief zeehaventerreinen4) en kantoren bedraagt in 2017 respectievelijk 54.000 hectare en 42 miljoen m2 bvo5. Bij bedrijventerreinen is de (groot)handel verreweg de grootste ruimtegebruiker, gevolgd door de industrie (tabel 5). Een derde van de totale werkgelegenheid is geconcentreerd op bedrijventerreinen. Bij kantoren is het ruimtegebruik van zakelijke diensten veel hoger dan de overige sectoren. Ook de overige quartaire diensten (o.a. overheid) is een relatief grote kantoorgebruiker. De kantoren herbergen een kwart van de totale werkgelegenheid in Nederland.
Tabel 5
Ruimtegebruik in 2017 op formele bedrijventerreinen en kantoorlocaties naar totaal oppervlak en aandeel (%) in de totale werkgelegenheid, per bedrijfstak en landsdeel Bedrijventerreinen
Kantoorlocaties
Ha
Aandeel
1.000 m2
Aandeel
Voedings- en genotmiddelen Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Scheepsbouw Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
1.900 385 655 1.365 2.810 400 1.790 2.435 2.515 10.455 3.085 3.735 9.275 3.040 5.945 795 710 2.740
67 54 46 88 82 85 80 91 78 68 53 47 17 60 35 6 7 11
190 30 35 290 375 70 65 375 470 2.135 450 1.635 680 930 22.340 540 4.075 7.775
6 3 26 11 16 18 4 10 9 18 23 14 3 15 45 5 16 42
Totaal
54.035
30
42.460
24
- Noord - West - Oost - Zuid
7.345 14.955 13.520 18.215
31 25 34 39
3.035 23.720 7.195 8.510
20 28 19 21
Bron: LISA, IBIS, bewerking door BCI
De regionale verdeling van het ruimtegebruik op bedrijventerreinen loopt minder sterk uiteen dan bij kantoren. De helft van de toegevoegde waarde wordt gerealiseerd in het westen van Nederland, maar een deel van het ruimtegebruik vindt hier plaats op zeehaventerreinen. Ruim de helft van de ruimtevraag naar kantoren is geconcentreerd in West-Nederland. Voor zowel
4
Het ruimtegebruik op zeehaventerreinen viel buiten onze opdracht.
5
Op basis van cijfers uit LISA en IBIS is de regionale ruimtevraag naar bedrijfstak bepaald. Hierbij is in een eerste stap de ruimtevraag bepaald die rechtstreeks kon worden bepaald door koppeling van bedrijventerreinen en de bedrijfstak van de gebruiker. Een groot deel van de terreinen kent meerdere gebruikers. Deze zijn toegedeeld naar rato van het ruimtegebruik uit de eerste stap. Tot slot zijn de terreinen die niet tot een bedrijfstak konden worden herleid naar rato van de aandelen in het totale ruimtegebruik (resultaat stap 1 en 2) naar bedrijfstak per regio toebedeeld.
15
bedrijventerreinen als kantoorlocaties geldt dat het totale ruimtegebruik in Noord-Nederland het laagste is van de vier landsdelen. Toekomstig ruimtegebruik in twee scenario’s Om het toekomstige ruimtegebruik op formele bedrijventerreinen (exclusief zeehavens) en kantoorlocaties in beeld te brengen zijn de twee scenario’s tot 2030 doorgerekend, die met elkaar een bruikbare bandbreedte van de ontwikkeling van het toekomstig ruimtegebruik moeten schetsen. Voor het behoedzame scenario is een economische groei gehanteerd van gemiddeld 1,3% per jaar voor de periode 2018-2030 en een werkgelegenheidsgroei van 0,3% per jaar. In het gunstige scenario zijn dat respectievelijk 2,3% en 0,7% per jaar6.
Tabel 6
Ruimtegebruik in 2030 op formele bedrijventerreinen in hectares, verschil in hectares en procentuele groei ten opzichte van 2017, per bedrijfstak en landsdeel Behoedzaam
Gunstig
Ha
∆
%
Ha
∆
%
Voedings- en genotmiddelen Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Scheepsbouw Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
1.985 365 655 1.595 2.665 410 1.845 2.740 2.315 13.005 3.780 4.305 10.160 3.020 6.315 795 790 2.820
85 -20 0 230 -145 10 55 305 -200 2.550 695 570 885 -20 370 0 80 80
4 -6 0 17 -5 2 3 13 -8 24 23 15 10 -1 6 0 12 3
2.010 405 655 1.620 3.010 450 2.000 3.315 2.570 13.430 3.830 4.385 11.205 3.290 6.590 815 870 2.955
110 20 0 255 200 50 210 880 55 2.975 745 650 1.930 250 645 20 160 215
6 5 0 19 7 13 12 36 2 28 24 17 21 8 11 3 23 8
Totaal
59.565
5.530
10
63.405
9.370
17
- Noord - West - Oost - Zuid
7.775 17.080 14.810 19.900
430 2.125 1.290 1.685
6 14 10 9
8.335 18.060 15.805 21.205
990 3.105 2.285 2.990
13 21 17 16
Bron: EIB
Bedrijventerreinen Het ruimtegebruik neemt in het behoedzame scenario toe met 10% tot ruim 59.000 hectare (gemiddeld 420 ha per jaar). Het zijn met name de groothandel, de opslag en dienstverlening voor vervoer en de bouwnijverheid die bij een gematigde economische groei in ruimtegebruik nog relatief sterk groeien. De groothandel heeft bovendien een relatief groot aandeel in het totale ruimtegebruik. Binnen de industrie is de extra ruimtevraag in dit scenario beperkt. De
6
Naast economische groei zijn er ook voor andere economische grootheden als bijvoorbeeld consumptie, wereldhandel en bevolkingsgroei veronderstellingen gehanteerd (tabel 1).
16
meeste onderdelen binnen de industrie laten een beperkte groei zien of zelfs een daling. Alleen in de chemische industrie en in iets mindere mate de metaalelektro neemt het ruimtegebruik sterker toe. In het gunstige scenario liggen de activiteiten van de verschillende bedrijfstakken in 2030 op een beduidend hoger niveau dan in het behoedzame scenario. Dit vertaalt zich in een hoger ruimtegebruik en ook in een hogere ruimteproductiviteit. Het totale ruimtegebruik neemt met 17% toe tot 63.000 hectare (gemiddeld 720 ha per jaar). Voor een aantal bedrijfstakken zorgt de hogere ruimteproductiviteit in het gunstige scenario voor een beperkt verschil in ruimtevraag tussen de twee scenario’s. Het zijn met name de metaalelektro, de groothandel, opslag en dienstverlening voor vervoer en de detailhandel die in het gunstig scenario een relatief sterke ruimtevraag uitoefenen. Uit tabel 6 valt op dat de groei van het ruimtegebruik op bedrijventerreinen in het westen van Nederland relatief sterker is en dat het ruimtegebruik in het noorden juist achterblijft. Kantoren Het CPB en PBL hebben in een studie laten zien dat het aandeel van de kantoorhoudende werkgelegenheid in de tijd nagenoeg constant is gebleven (CPB/PBL, 2017).
Tabel 7
Ruimtegebruik in 2030 in kantoorgebouwen in 1.000 m2 bvo, verschil in ruimtegebruik en procentuele groei ten opzichte van 2017, per bedrijfstak en landsdeel Behoedzaam
Gunstig
1.000 m2
∆
%
1.000 m2
∆
%
Voedings- en genotmiddelen Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Scheepsbouw Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
170 25 35 255 350 65 60 375 385 2.240 510 1.795 710 845 24.020 545 4.585 8.060
-20 -5 0 -35 -25 -5 -5 0 -85 105 60 160 30 -85 1.680 5 510 285
-10 -13 -3 -12 -7 -8 -5 0 -18 5 13 10 4 -9 8 1 12 4
175 25 35 265 355 70 70 400 405 2.310 550 1.845 740 875 25.060 560 5.050 8.440
-15 -5 0 -25 -20 0 5 25 -65 175 100 210 60 -55 2.720 20 975 665
-9 -9 -2 -8 -5 -1 5 6 -13 8 22 13 9 -6 12 4 24 9
Totaal
45.030
2.570
6
47.230
4.770
11
- Noord - West - Oost - Zuid
3.090 25.605 7.495 8.840
55 1.885 300 330
2 8 4 4
3.255 26.820 7.875 9.280
220 3.100 680 770
7 13 9 9
Bron: EIB
17
Voor het ruimtegebruik van kantoren is verondersteld dat het aandeel van de kantoorhoudende werkgelegenheid per bedrijfstak ook in de toekomst constant blijft. In het verleden heeft al veel outsourcing van diensten plaatsgevonden, maar dit vertaalde zich vooral in een groei van de zakelijke dienstverlening, maar niet in een hoger aandeel van de kantoorhoudende werkgelegenheid. Verder is ervan uit gegaan dat het ruimtegebruik per werkende in kantoren in de tijd constant blijft. Het ruimtegebruik neemt in het behoedzame scenario toe met 6% tot 45 miljoen m2 (gemiddeld 190.000 m2 per jaar). In de industrietakken en in het vervoer neemt de vraag naar kantoren af. Het zijn met name de groothandel, de opslag en dienstverlening voor vervoer, de bouwnijverheid en de zorg waar de vraag naar kantoorruimte toeneemt. De zakelijke dienstverlening blijft als grootste ruimtegebruiker van kantoren in dit scenario nog stevig doorgroeien. Het ruimtegebruik neemt in het gunstige scenario toe met 11% tot ruim 47 miljoen m2 (gemiddeld 330.000 m2 per jaar).Vooral de sterke groei van de grote kantoorruimtevragers als zakelijke diensten en zorg stuwen de vraag naar kantoren in dit scenario fors op.
Tot slot Hierboven is een bandbreedte geschetst van de ontwikkeling van het ruimtegebruik van formele bedrijventerreinen en kantoren van de 18 onderscheiden bedrijfstakken op landsdeelniveau in de periode tot 2030. De confrontatie van het ruimtegebruik met het aanbod vormt geen onderdeel van deze opdracht. Deze confrontatie zal op een lager schaalniveau moeten plaatsvinden. De vraag kan immers - al naar gelang de lokale situatie - worden opgevangen langs een mix van verschillende kanalen zoals betere benutting van het bestaand aanbod, leegstand, transformatie en nieuw aanbod. Naast de kwantitatieve opgave moet hierbij ook de kwalitatieve vraag naar bedrijventerreinen en kantoren worden betrokken.
18
1
Inleiding
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het Rijk zet daarmee de koers uit om het hoofd te bieden aan maatschappelijke opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw en streeft daarbij om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden en zoveel mogelijk te versterken. Om een goede kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden en tegelijkertijd ruimte te bieden voor maatschappelijke functies heeft het Rijk de NOVI opgesteld waarin keuzes worden gemaakt voor het beleid op de fysieke leefomgeving. Binnen deze visie is ook aandacht voor de wens om de ruimtevraag naar bedrijventerreinen en kantoren te kunnen accommoderen om de groei van economische activiteiten niet onbedoeld te belemmeren. In opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaatbeleid (EZK) hebben EIB en BCI samen twee scenario’s opgesteld voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde, de werkgelegenheid en de ruimtevraag naar bedrijventerreinen van 18 bedrijfstakken in Nederland. Op basis van deze scenario’s wordt een bandbreedte geschetst voor het te verwachten ruimtegebruik door de economische activiteiten van deze bedrijfstakken. Deze scenario’s vormen mede input voor de NOVI.
Eerst zijn twee scenario’s opgesteld voor de ontwikkeling van de economische activiteit van 18 bedrijfstakken. Een groot deel van de Nederlandse productie wordt hiermee in beeld gebracht. Alleen de bedrijfstakken landbouw, energie en openbaar nut vallen vanwege hun specifieke ruimtevraag buiten de scope van dit onderzoek. Per bedrijfstak zijn op basis van historische cijfers van het CBS modelvergelijkingen geschat die de structurele ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid van de bedrijfstak op basis van een aantal economische en demografische grootheden goed kunnen verklaren. Deze vergelijkingen zijn gebruikt om de ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid van de 18 bedrijfstakken voor een behoedzaam en een gunstig scenario te berekenen. Hierbij is ook specifiek aandacht besteed aan de invloed van duurzaamheid en technologische ontwikkeling. Op basis van de ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid is vervolgens ook de ruimtevraag naar bedrijventerreinen en kantoren van deze 18 bedrijfstakken voor de twee scenario’s bepaald. Door koppeling van IBIS (bedrijventerreinen) of BAG (kantoren) met LISA (gegevens over bedrijven op deze locaties) is het totale ruimtegebruik per bedrijfstak en naar landsdeel in het startjaar 2017 in beeld gebracht7.
Het ruimtegebruik is vervolgens op basis van de ontwikkeling van de toegevoegde waarde en werkgelegenheid van de 18 verschillende bedrijfstakken naar 2030 geëxtrapoleerd. Tijdens het proces zijn er bijeenkomsten georganiseerd met een klankbordgroep en de IPOwerkgroep bedrijventerreinen om de aanpak en voorlopige resultaten te bespreken. De klankbordgroep bestond uit: J. Heijs en H.W. Teerink (EZK), G. Borgman (BZK), R.W. Euwals (CPB), J.R. Ritsema van Eck (PBL), R. van Aaken en J. Geurts (Provincie Gelderland). Wij zijn zowel de klankbordgroep als de IPO-werkgroepleden erkentelijk voor hun opmerkingen en suggesties. Uiteraard zijn EIB en BCI geheel zelf verantwoordelijk voor de inhoud van deze publicatie. De opbouw van deze publicatie is als volgt. In hoofdstuk twee wordt het economisch beeld beschreven van de 18 bedrijfstakken. Dit hoofdstuk beschrijft per bedrijfstak eerst de historische ontwikkeling van de productie en werkgelegenheid en vervolgens de verwachte ontwikkeling op basis van de twee scenario’s. In hoofdstuk drie wordt de ruimtevraag naar bedrijventerreinen en kantoren in het startjaar en voor de twee scenario’s tot en met 2030 beschreven.
7
Voor de indeling van de bedrijfstakken en landsdelen wordt verwezen naar bijlage A.
19
20
2
Sectorbeelden
Dit hoofdstuk beschrijft eerst de wijze waarop het behoedzame en het gunstige economische scenario voor de 18 bedrijfstakken zijn opgesteld. Het hoofdstuk beschrijft de historische ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid van de 18 bedrijfstakken. Ook worden per bedrijfstak de verwachtingen beschreven voor de periode 2018-2030 op basis van een behoedzaam en een gunstig scenario. 2.1
Aanpak
Keuze van de 18 bedrijfstakken Om een goede ruimtevraagraming te kunnen maken is het van belang om een onderverdeling in homogene bedrijfstakken te hanteren met ieder een uiteenlopende ontwikkeling tussen de productie, de werkgelegenheid en de ruimtevraag. Zo is het relevant of de bedrijvigheid van een bedrijfstak in de tijd snel of gematigd toe gaat nemen of zelfs gaat krimpen. Hoe lager het aggregatieniveau, hoe beter de ontwikkeling van de totale ruimtevraag in beeld kan worden gebracht. Echter, de beschikbaarheid van historische data over de productie, toegevoegde waarde en werkgelegenheid van bedrijfstakken beperkt de mogelijkheden voor gedetailleerde bedrijfstakindelingen. Uiteindelijk hebben wij gekozen om 18 bedrijfstakken afzonderlijk in beeld te brengen. In bijlage A geven wij het overzicht van deze 18 bedrijfstakken met de bijbehorende SBI-indeling. De bedrijfstakken landbouw, energie en openbaar nut zijn in deze studie buiten beschouwing gelaten. De economische activiteiten en het ruimtegebruik van deze sectoren worden sterk beïnvloed door het beleid rond o.a. duurzaamheid en circulariteit en de toekomstige ontwikkelingen van deze sectoren laten zich dan ook niet goed verklaren uit de historische samenhang met algemene economische en demografische grootheden.
Toegevoegde waarde en werkgelegenheid: verklarende factoren per bedrijfstak De vooruitzichten voor de bedrijfstakken zijn bepaald door belangrijke volumeontwikkelingen in de nationale en internationale economie te koppelen aan de ontwikkelingen van de onderscheiden bedrijfstakken. Hiertoe is eerst een historische analyse uitgevoerd om vast te stellen in welke mate de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van de relevante bedrijfstak historisch kan worden verklaard met behulp van de groei van de wereldhandel, van het bbp en/of van het consumptievolume in Nederland. Deze factoren blijken de historische groei van de bedrijfstakken over het verleden vrij goed te kunnen verklaren. De nationale economische groei is een belangrijke determinant voor de groei van vrijwel alle bedrijfstakken, terwijl de wereldhandel aanvullende verklaringskracht biedt voor bedrijfstakken met een grote afzet in het buitenland. Voor bedrijfstakken die sterk op de binnenlandse afzet zijn aangewezen biedt het consumptievolume soms aanvullende verklaringskracht naast het bbp. Voor de werkgelegenheid is de samenhang geschat tussen de ontwikkeling van het arbeidsvolume en de ontwikkeling van de toegevoegde waarde van de bedrijfstak. Op deze wijze wordt ook impliciet de relatie met de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteitsontwikkeling in beeld gebracht.
Het gehanteerde schattingsmodel richt zich op de lange termijn ontwikkeling van de productie (volume van de toegevoegde waarde) en de werkgelegenheid. Wij maken hierbij gebruik van het Error Correction Model (ecm) van Engle en Granger (1987). Voor sommige bedrijfstakken is op basis van de resultaten gekozen om alleen in niveaus of mutaties te schatten. Voor iedere bedrijfstak is gezocht naar een plausibele en significante samenhang met de ontwikkeling van de productie en de ontwikkeling van de relevante macro-economische grootheden. Hierbij is voor de verklaringskracht ook naar de historische dynamische simulaties gekeken. De historische verbanden zijn geschat voor de periode 1995-2017. Deze periode is lang genoeg om voldoende waarnemingen te genereren en ligt weer niet zover terug dat de periode geen goede referentie meer kan bieden voor de toekomst. Er is overigens ook gekeken naar
21
deelperioden en dit levert in het algemeen geen wezenlijk andere resultaten op dan de schatting over de gehele periode. De gevonden coëfficiënten geven aan in welke mate de bedrijfstakontwikkelingen historisch samenhingen met de ontwikkelingen van het bbp, de wereldhandel en het consumptievolume. Dit levert goede simulaties op van de trendmatige ontwikkelingen van de verschillende bedrijfstakken. Conjuncturele beelden zijn ook terug te zien, maar van jaar-op-jaar zijn er wel nog behoorlijke onverklaarde bewegingen (residuen). Dit laatste is vrij gebruikelijk en voor een structurele analyse richting 2030 ook geen obstakel. De historische samenhangen bieden voor ons doel dan ook een robuust uitgangspunt. Twee scenario’s: behoedzaam en gunstig Duidelijke samenhangen tussen de bedrijfstakontwikkelingen en de nationale en internationale volumeontwikkelingen geven nog geen uitsluitsel over de verwachte toekomstige ontwikkelingen. Er zijn sectoren die meer of minder gevoelig zijn voor de nationale en internationale volumeontwikkelingen, maar hoe zullen die volumeontwikkelingen er uitzien in het komend decennium? De nationale en internationale economische ontwikkeling is over een periode van ruim tien jaar met vrij veel onzekerheid omgeven.
Weliswaar wisselen perioden van hoge en lage groei zich af, zodat de gemiddelde verschillen in jaarlijkse groeitempi over een langere periode minder groot zijn dan bijvoorbeeld tussen de groei in hoog- en laagconjunctuur, maar structurele groeiverschillen tikken wel ieder jaar aan. Om recht te doen aan structurele groeiverschillen die zich in de toekomst kunnen voordoen wordt vaak met scenario’s gewerkt. Zo ook in deze studie waar gewerkt wordt met zowel een scenario met een relatief hoge economische groei (Gunstig) als een scenario met een relatief lage economische groei (Behoedzaam). Bij de uitgangspunten voor deze scenario’s is zoveel mogelijk aangesloten bij de WLO-studie van het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving (CPB/PBL, 2015). De uitgangspunten voor beide scenario’s zijn samengevat in tabel 2.1.
Tabel 2.1
Uitgangspunten behoedzaam en gunstig scenario, jaarlijkse groeicijfers, 2018-2030
Economische factoren Bruto binnenlands product Relevant wereldhandelsvolume Concurrerende wereldhandelsprijzen Consumptie Huishoudens Olieprijs (niveau) Lange rente (niveau)
Historisch
Behoedzaam
Gunstig
2,0% 4,7% 1,0% 1,7% 0,9% € 43 3,6%
1,3% 3,0% 0,8% 1,0% 0,2% € 50 1,5%
2,3% 5,0% 1,3% 2,0% 0,5% € 70 2,0%
Bron: EIB
Voor de ontwikkeling van de economische groei (binnenlands bruto product) gaan wij in de periode 2018-2030 uit van een gemiddelde jaarlijkse groei van 1,25% in het behoedzame scenario en 2,25% in het gunstige scenario. Wij sluiten hiermee aan op de ontwikkelingen van respectievelijk het lage en het hoge scenario uit studie ‘Welvaart en Leefomgeving 2015’ voor de periode tot 2030. Voor de ontwikkeling van het (herwogen) wereldhandelsvolume en concurrentenprijzen is aangesloten op de centrale raming uit de Middellangetermijnverkenning 2018-2021 (CPB, 2017). Hierop is op basis van de historische verhouding tussen economische groei en wereldhandel de bandbreedte bepaald. Hetzelfde is gedaan voor de overige grootheden uit tabel 2.1.
22
Regionale specialisatie De historische verdeling naar landsdeel van de toegevoegde waarde per bedrijfstak is afgeleid uit de verdeling van de werkgelegenheid naar landsdeel. Voor de toekomstige ontwikkeling van de regionale verdeling van de toegevoegde waarde en werkgelegenheid is aangesloten bij de regionale verschillen in bevolkingsgroei op basis van de bevolkingsprognose van het CBS (tabel 2.2). Zowel voor de hele bevolking als voor de beroepsbevolking (20 tot 65 jaar) verwacht het CBS een relatief sterkere groei in het westen, terwijl de groei in het noorden relatief achterblijft. Voor de verschuiving in regionale specialisatie is onderscheid gemaakt tussen de industrietakken en de overige takken. Voor de industrietakken is de verschuiving bepaald op basis van de groeicijfers van de beroepsbevolking voor de vier landsdelen. Industriële bedrijvigheid zal zich sterker gaan ontwikkelen in landsdelen met een relatief sterker groeiend aanbod van personeel. Voor de overige bedrijfstakken is de verschuiving bepaald op basis van de groei van de totale bevolking in de vier landsdelen. De groei van deze bedrijfstakken hangt sterker samen met de groei van de bestedingen. In landsdelen met een relatief sterke bevolkingsgroei zullen de bestedingen zich sterker ontwikkelen. Tabel 2.2
Ontwikkeling totale bevolking en beroepsbevolking, 2018-2030, gemiddelde groei per jaar in procenten Totale bevolking
Beroepsbevolking
Noord West Oost Zuid
0,0 0,5 0,2 0,2
-0,6 0,0 -0,3 -0,4
Nederland
0,3
-0,2
Bron: CBS
Bijzondere trends: verduurzaming en technologische ontwikkeling Er spelen voor de periode tot 2030 twee belangrijke trends die de ontwikkeling van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid in de verschillende bedrijfstakken zullen gaan beïnvloeden. De eerste trend is die van verduurzaming. Klimaatbeleid om de CO2-uitstoot terug te dringen zal de ontwikkeling in een aantal CO2-intensive bedrijfstakken afremmen, terwijl dit voor andere bedrijfstakken extra productie kan opleveren. Een andere belangrijke trend is die van technologische ontwikkeling. Verduurzaming In de komende jaren zal er meer en intensiever klimaatbeleid gevoerd gaan worden en dit kan grote gevolgen hebben voor specifieke sectoren. Zo zijn er sectoren die hierdoor extra activiteiten zullen gaan ontwikkelen. De bouw- en installatiesector met de bouwmaterialenindustrie als belangrijke toeleverancier moet grote aantallen woningen en andere gebouwen verduurzamen en ook de energie-infrastructuur aanpassen om dit mogelijk te maken. Ook de metaalelektro zal als producent van zonnepanelen, windturbines en warmte-installaties hieraan een bijdrage leveren. Hiernaast zijn er sectoren die nadelen gaan ondervinden van het klimaatbeleid.
De zware industrietakken waaronder de aardolie-industrie, chemische industrie en de staalindustrie die veel CO2-uitstoot veroorzaken zullen kosten moeten maken om deze uitstoot te reduceren. Ook het vervoer en indirect de opslag en dienstverlening voor vervoer zullen worden geraakt. Naast het effect vanuit de kosten voor de zware industrie en vervoer kan er mondiaal gezien ook een concurrentie-effect optreden als Europa internationaal voorop gaat lopen en/of Nederland voorop gaat lopen binnen Europa. Voorshands wordt vooral rekening gehouden met internationaal optredende kosteneffecten en worden sterke concurrentienadelen niet verwacht c.q. worden deze geacht met andere maatregelen te worden
23
gecompenseerd. Belangrijk is dan vooral de CO2-intensiteit van de sectoren: hoe vervuilender de industrie, hoe meer deze last zal hebben van het klimaatbeleid via de kostenkant. In tabel 2.2 wordt per bedrijfstak de totale CO2-uitstoot, het aandeel hiervan in de totale uitstoot van alle bedrijfstakken in Nederland en de CO2-intensiteit8 in beeld gebracht.
Tabel 2.3
CO2-uitstoot per bedrijfstak en CO2-intensiteit, miljoen kilogram, 2017
CO2uitstoot
% totale uitstoot
CO2intensiteit
Voedings- en genotmiddelenindustrie Textiel en kleding Aardoliebasisindustrie Chemische industrie Staalindustrie Bouwmaterialenindustrie Metaalelektro en scheepsbouw Overige industrie Groothandel Opslag en dienstverlening voor vervoer Bouwnijverheid Detailhandel en horeca Vervoer Zakelijke diensten Onderwijs Zorg Overige quartaire diensten
4.341 165 10.066 21.748 7.776 2.019 655 1.544 4.010 864 3.249 1.097 25.407 3.652 584 1.518 2.710
2,7% 0,1% 6,2% 13,4% 4,8% 1,2% 0,4% 1,0% 2,5% 0,5% 2,0% 0,7% 15,7% 2,3% 0,4% 0,9% 1,7%
0,31 0,15 6,61 1,30 0,85 0,74 0,03 0,14 0,07 0,08 0,11 0,02 1,25 0,02 0,02 0,03 0,05
Totaal
91.405
56,5%
0,15
Bron: CBS, bewerking EIB
Tezamen zijn de 18 bedrijfstakken goed voor iets meer dan de helft van de totale CO2-uitstoot van het bedrijfsleven. Relatief veel uitstoot wordt gerealiseerd door sectoren die voor deze studie buiten beschouwing zijn gelaten (energie, afvalverwerking en landbouw). Uit de tabel blijkt dat van de 18 bedrijfstakken voornamelijk de chemische industrie, vervoer, staalindustrie en de aardolie-industrie een hoge CO2-intensiteit kennen. Klimaatbeleid zoals een verhoging van de CO2-heffing zal de productie van deze drie bedrijfstakken het sterkst raken. Bedrijfstakken die laag scoren op CO2-intensiteit leveren voornamelijk diensten, bijvoorbeeld de detailhandel en horeca, zakelijke diensten, onderwijs, zorg en overige quartaire diensten. Een industrietak die een lage CO2-intensiteit kent is de metaalelektro. Van deze bedrijfstakken wordt verwacht dat de productie minder sterk zal worden geraakt door het klimaatbeleid. Technologische ontwikkeling Een andere belangrijke trend is die van technologische ontwikkeling. Technologische ontwikkeling als trend is niet nieuw en speelt al een belangrijke rol in de historische ontwikkeling van de bedrijfstakken. Toch zijn er redenen om aan te nemen dat er in de periode tot 2030 technologische verbeteringen worden toegepast die een extra stimulans kunnen geven aan de productie van sommige bedrijfstakken.
Technologische ontwikkelingen en toepassingen op het gebied van bijvoorbeeld robotisering en digitalisering kunnen de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit van de bedrijfstakken beïnvloeden. Aangenomen is dat voornamelijk in
8
Uitstoot CO2 in kilogram per euro toegevoegde waarde.
24
het gunstige scenario de groei van de arbeidsproductiviteit over de gehele linie gestimuleerd zal worden door een iets sterkere inzet van technologische ontwikkelingen op het gebied van robotisering en digitalisering. De arbeidsproductiviteitsgroei van de onderscheiden bedrijfstakken zijn op basis van de modelresultaten hiervoor autonoom aangepast. 2.2
Economische beelden per bedrijfstak
In deze paragraaf wordt het economisch beeld van de 18 bedrijfstakken beschreven. Per bedrijfstak worden achtereenvolgens de bedrijfstakstructuur, de historische ontwikkeling en de prognose tot 2030 beschreven. Meer informatie over de schattingsresultaten en de regressievergelijkingen van de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid is te vinden in bijlage B. 2.2.1 Voedings- en genotsmiddelen Bedrijfstakstructuur Voedingsmiddelenindustrie grootste onderdeel voedings- en genotsmiddelen De bedrijfstak voedings- en genotsmiddelen omvat alle activiteiten die te maken hebben met het verwerken van primaire grondstoffenproducten tot voedingsmiddelen, dranken en tabaksproducten. De voedings- en genotsmiddelenindustrie was met een toegevoegde waardevolume van € 14,2 miljard in 2017 goed voor 2% van de totale toegevoegde waarde van de Nederlandse economie. Het grootste onderdeel binnen de voedings- en genotsmiddelen is de voedingsmiddelenindustrie. Andere onderdelen die vallen onder de bedrijfstak voedings- en genotsmiddelen zijn de drankindustrie en de tabaksindustrie. Hoge arbeidsproductiviteit voedings- en genotsmiddelen De bedrijfstak voedings- en genotsmiddelen bood in 2017 voor 116 duizend arbeidsjaren aan werkgelegenheid. Het grootste deel van deze werkgelegenheid is toe te schrijven aan het onderdeel voedingsmiddelenindustrie.
De bedrijfstak voedings- en genotsmiddelen heeft in vergelijking met andere bedrijfstakken een relatief hoge arbeidsproductiviteit. De toegevoegde waarde per arbeidsjaar bedroeg in 2017 € 122.000. Ontwikkeling in de periode 1995-2017 Voedings- en genotsmiddelen geleidelijk gegroeid In de periode 1995-2017 is het productievolume van de bedrijfstak voedings- en genotsmiddelen ieder jaar gemiddeld met 1,1% toegenomen. Vanaf het begin van de periode tot 2010 groeide de productie van de voedings- en genotsmiddelenindustrie vrij geleidelijk met een kleine terugval in 2006 door een wereldwijde voedselcrisis. Vanaf 2010 groeide de productie ieder jaar in een veel hoger tempo. Deze groeiversnelling hangt samen met een sterke internationalisering van de bedrijfstak in deze periode. De export van voedingsmiddelen nam over de hele linie toe, zowel naar de directe buurlanden, Europa als naar de rest van de wereld. Deze sterk groei hield aan tot en met 2016, in 2017 is er een lichte daling van de productie. Uit regressieanalyses blijkt dat de ontwikkeling van de productie in de voedings- en genotsmiddelenindustrie in de periode 1995-2017 goed is te verklaren aan de hand van de ontwikkeling van het Nederlands bruto binnenlandsproduct.
Werkgelegenheid afgenomen De werkgelegenheid in de voedings- en genotsmiddelenindustrie is in de periode 1995-2017 ondanks groei van de productie in deze periode geleidelijk afgenomen. Dit kan worden verklaard door ontwikkelingen op het gebied van outsourcing en automatisering van productieprocessen. Tussen 1995-2007 heeft de grootste afname van de werkgelegenheid plaatsgevonden. Vanaf 2008 neemt de werkgelegenheid onder invloed van een sterke productiegroei ieder jaar toe, met uitzondering van 2011. De ontwikkeling van de productie kan de structurele ontwikkeling van het arbeidsvolume goed verklaren. De sterke daling na 2001 kan echter minder goed worden verklaard.
25
In figuur 2.1 worden de feitelijke ontwikkeling en de simulatie van de productie en het arbeidsvolume van de bedrijfstak voedings- en genotsmiddelen weergegeven.
Figuur 2.1