CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

201714779-Bijlage 10 Aanvullende ecologisch onderzoek

Raadsavond 9 december 2025, gemeente DuivenBij agendapunt: Verzoek Adviesrecht BOPA Welleveldsestraat 2 Duiven11.403 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De methodiek is conform het soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus (z.d.) uitgevoerd. Dit houdt het volgende in: ● ● ● ● ● ●

De afwezigheid van een voortplantingsbiotoop kan worden aangetoond door minimaal 3 veldbezoeken waarvan minimaal 1 in de periode half april tot en met mei en de overige tussen half juni en begin augustus (Netwerk Groene Bureaus, z.d.). GRAS Advies verricht minimaal 2 veldbezoeken vanaf half april tot eind mei en 1 veldbezoek in juni of juli waarbij onderzoeken in de avonduren plaatsvinden en over deze periode worden verspreid. Onderzoek omvat het inventariseren van voortplantingswateren door te luisteren naar kooractiviteiten al dan niet met behulp van het afspelen van lokgeluiden. Ook worden herpetoplaten neergelegd en onderzocht (Afbeelding 4.4). Indien mogelijk worden in de maanden juni en juli voortplantingswateren onderzocht op aanwezigheid van eisnoeren en larven. Onderzoeken vinden bij voorkeur plaats tijdens geschikte weersomstandigheden (relatief warme, windstille avonden/nachten, ná zware regenval (Netwerk Groene Bureaus, z.d.). Inventarisatie vindt bij voorkeur plaats tussen zonsondergang en middernacht (Netwerk Groene Bureaus, z.d.). De minimale inspanningsduur is 1,5 uur.

Exacte rust- en verblijfplaatsen van (sub)adulte exemplaren en hun functioneel leefgebied is vrijwel onmogelijk in beeld te brengen. Indien rugstreeppadden worden aangetroffen wordt er daarom van uitgegaan dat alle mogelijk geschikte rust- en voortplantingsplaatsen als zodanig kunnen worden gebruikt en dat alle essentiële habitatfuncties daarom ook aanwezig zijn (Netwerk Groene Bureaus, z.d.).

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 21 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Afbeelding 4.4. Locaties herpetoplaten.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 22 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

5 Habitatgeschiktheidsonderzoek kleine marterachtigen Het leefgebied van kleine marterachtigen bestaat uit de verblijfplaatsen, foerageergebieden en verbindende functies. De territoriumgrootte verschilt per diersoort (BIJ12, 2024; Broekhuizen et al. 2016). Bunzing: Varieert sterk van 28 tot wel 830 hectare. Afhankelijk van voedselaanbod. Hermelijn: Varieert voornamelijk van 2 tot 40 hectare. Afhankelijk van voedselaanbod, geslacht en jaargetijde. Wezel: Minder dan 1 tot soms zelf 200 hectare. In Nederland bekend tussen de 3,5 tot 8,4 hectare. Grootte is afhankelijk van kwaliteit leefgebied en jaargetijde. Om de habitatgeschiktheid van het projectgebied te bepalen dient niet alleen het projectgebied zelf maar ook de gehele omgeving onderzocht te worden. Daarom zijn op basis van alle verzamelde gegevens kaarten gemaakt van het terrein zelf en de ligging daarvan in de omgeving. Bij het kaartonderzoek is gekeken naar het groen in één km. rondom het projectgebied (Afbeelding 5.1). Niet alle functies zijn jaarrond geschikt. Elementen zoals sommige hagen of hoogstaand gras kan in de winter niet voldoende dekking bieden voor marters. Deze verbindingen zijn vaak alleen in de zomerperiode geschikt wanneer de vegetatie nog voldoende dekking biedt. In de functiekaart is daarom onderscheid gemaakt tussen jaarrond geschikt en elementen die alleen in de zomerperiode geschikt zijn.

Afbeelding 5.1. Functiekaart projectgebied in relatie met de omgeving.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 23 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

5.1

Verbinding

Verbindende elementen zoals hagen, bosschages, houtstapels en begroeiing langs hekken en muren worden door kleine marters gebruikt om zich te verplaatsen door het landschap. Looproutes en migratieroutes verbindt functies als verblijfplaatsen, winterhabitat en foerageergebieden met elkaar. Langs het projectgebied zijn potentiële verbindingen aanwezig. Deze bestaan uit bomenrijen met ondergroei en opkomende kruiden langs de watergangen (Afbeelding 5.2). Ten noorden van het projectgebied, daar waar de bomenrij met struweel gelegen is, betreft jaarrond geschikt leefgebied. De opkomende kruiden langs de sloten en rondom de weilanden zijn daarnaast bij hogere groei in de zomerperiode geschikt. Rondom het projectgebied liggen meerder parkjes en plukjes groen met hogere struwelen en boomclusters. Een deel van de parkjes worden met regelmaat gemaaid waardoor deze niet geschikt zijn als leefgebied en/of migratie. De plukjes groen met hogere vegetatie bieden dan de benodigde stapstenen tussen leefgebieden en foerageerroutes.

Afbeelding 5.2. Verbindingsroutes binnen en rondom het projectgebied.

5.2

Winterhabitat

Het gebruik van het landschap correleert met de beschikbaarheid van voedsel en dekking (BIJ12, 2024, Westra & Kuiters, 2018; Magrini, et al. 2009; Bahgli, et al. 2005). Winterhabitat van kleine marterachtigen komt grotendeels overeen. De bunzing trekt in de winter soms ook naar bewoond gebied, voornamelijk schuren waar bruine ratten kunnen zitten. Voor alle drie de kleine marterachtigen is dekking in de winter essentieel. Kleine marterachtigen verplaatsen zich van en naar dit winterhabitat middels migratieroutes. Voor kleine marterachtigen zijn dekkende verbindingen met het winterhabitat onmisbaar. Binnen het projectgebied kunnen de schuren gebruikt worden als winterrustlocatie met de noordelijke bomenrij met struwelen als leef- en/of foerageergebied (Afbeelding 5.2). Dit door de hoge mate van dekking. De weilanden zijn hierbij niet interessant voor de soorten door het gebrek aan dekking.

5.3

Foerageergebied

De kwaliteit van een foerageergebied is afhankelijk van het voedselaanbod en de bereikbaarheid vanaf de verblijfplaats (BIJ12, 2024; Margrini, et al. 2009). Kleine marterachtigen gebruiken meerdere jachtgebieden

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 24 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

om aan voldoende voedsel te komen (Scholten-Huizendveld & Noltes, 2022). Belangrijk voor kleine marterachtigen is dat de foerageergebieden bereikbaar zijn via verbindingszones vanaf nest- en verblijfplaatsen. Verbindingszones moeten daarom in voldoende mate binnen het territorium aanwezig zijn. Binnen het projectgebied zijn enkel zomer periodieke foerageergebieden aanwezig. Dit komt beschikbaar wanneer de vegetatie voor een langere periode niet is gemaaid of begraasd. Door het strengere beheer is hiervan nauwelijks sprake. Langs de randen van het projectgebied is meer dekking aanwezig in de vorm van hogere ondergroei wat zuidelijk van het projectgebied alleen geschikt is in de zomerperiode en noordelijk van het projectgebied jaarrond geschikt foerageergebied dient (Afbeelding 5.3).

Afbeelding 5.3. Geschikte foerageerelementen.

5.4

Verblijfplaatsen

Kleine marterachtigen hebben meerdere verblijf- en rustplaatsen binnen het leefgebied en wisselen tussen deze verblijfplaatsen (BIJ12, 2024). Verblijfplaatsen van kleine marterachtigen komen in de vorm van holen van o.a. ratten, mollen en woelmuizen en in boomholtes, houtstapels, openingen in bebouwing en andere droge, dekkende en geïsoleerde locaties. Voor de wezel geldt dat een holte vanaf ca. 2,5 cm nodig is om toegankelijk te zijn (Scholten-Huizendveld & Noltes, 2022). Verblijfplaatsen zijn vaak aanwezig in lijnvormige landschapselementen zoals bosranden, berm, greppel en houtwallen (BIJ12, 2024; Lemmers, et al. 2022; King & Powell, 2007). Verblijfplaatsen van wezel zitten ook dieper in het bos, in extensief grasland of ruigtes met braam (Lemmers, et al. 2022). Hermelijnen hebben verblijfplaatsen in tunnels onder mossen, houtstapels, boomwortels, boomholtes of bestaande holen van ratten of woelratten (BIJ12, 2024). Ook zijn verblijfplaatsen aangetoond in irrigatiebuizen. De bunzing heeft een nest in konijnenburchten waarvan de oorspronkelijke bewoners eerst zijn opgegeten (BIJ12, 2024). Ook kunnen nesten voorkomen onder houten terrassen, oude burchten van das of vos en in sommige gevallen ook onder stenen, boomholtes, tussen wortels of takkenhopen. Binnen het projectgebied zijn potentiële verblijfplaats locaties aanwezig.

De schuren zijn vrij toegankelijk en bevatten stukken als zolders welke niet door de mens worden betreden. Daarnaast zijn de jaarrond geschikte bosschages in de omgeving samen met de bomenrij met struwelen ten noorden van het gebied dicht genoeg om jaarrond verblijfplaatsen te verbergen (Afbeelding 5.4).

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 25 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Afbeelding 5.4. Geschikte winterrust en zomerverblijfplaatsen.

5.5

Geregistreerde waarnemingen

Vanuit de NDFF zijn de bekende waarnemingen in 10 kilometer rondom het projectgebied van de afgelopen 10 jaar verzameld (NDFF, 2025). Het ontbreken van waarnemingen binnen (of rondom) het projectgebied betekent niet in dat de soort niet aanwezig is. Onderzoek middels bekende waarnemingen geeft een indicatie van wat zich in de omgeving bevindt en niet wat zich niet in de omgeving bevindt. Waarnemingen zijn zeer afhankelijk van het aandeel registrerende waarnemers en hoe verborgen een soort leeft. Hermelijn Er zijn geen geregistreerde waarnemingen van de hermelijn bekend in de afgelopen 10 jaar. Wezel Er zijn 42 geregistreerde waarnemingen van de wezel bekend in de afgelopen 10 jaar. Bunzing Er zijn 52 geregistreerde waarnemingen van de bunzing bekend in de afgelopen 10 jaar.

5.6

Conclusie

Het projectgebied is geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen. Het leefgebied sluit aan op ander geschikt leefgebied. Gezien de verspreidingsgegevens en NDFF-waarnemingen wordt de aanwezigheid van de hermelijn niet verwacht, maar kan niet worden uitgesloten. Een aanvullend onderzoek met camera’s daarmee noodzakelijk.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 26 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

6 Resultaten Hoofdstuk 6 behandeld welke beschermde soorten mogelijk voorkomen in en rondom het projectgebied, welke habitatfuncties aanwezig en essentieel zijn, en wat de verwachte negatieve effecten op deze functies zijn als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Soorten en functies zijn opgenomen op basis van het eerder uitgevoerd verkennend onderzoek (GRAS Advies, 2025). De aanwezigheid van habitatfuncties; in hoeverre deze essentieel zijn voor de aanwezige soort en het negatief effect op deze functie als gevolg van de beoogde ontwikkeling, is gebaseerd op resultaten verkregen tijdens dit onderzoek. Onderstaande paragrafen geven per soort(groep) de resultaten weer.

6.1

Kleine marterachtigen

Verblijfplaatsen en functioneel leefgebied Tijdens veldbezoeken zijn geen kleine marterachtigen waargenomen op de camera’s of tijdens de onderzoeken door de ecologen zelf. Ook waren verse uitwerpselen en/of prooiresten welke van kleine marterachtigen afkomstig kunnen zijn afwezig. Effectenbeoordeling Het projectgebied is geen onderdeel van het leefgebied van de hermelijn, bunzing of de wezel. Zowel nestplaatsen als rustplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes zijn als habitatfunctie binnen het gebied afwezig. De beoogde ontwikkeling heeft hierdoor geen negatief effect op essentiële habitatfuncties van kleine marterachtigen. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna-activiteit voor de hermelijn, bunzing en wezel is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet nodig.

6.2

Steenmarter

Verblijfplaatsen en functioneel leefgebied Tijdens veldbezoeken zijn op 02-07-2025 en 06-08-2025 in totaal 2 waarnemingen gedaan van de steenmarter in het projectgebied (Afbeelding 6.1). Tijdens de onderzoeken was een van de camera’s gericht op de schuren om in- en uittredende dieren te observeren. Hierop waren geen steenmarters bij zichtbaar waardoor het gebruik van de schuren als verblijfplaats kan uitsluiten. Wel zijn twee waarnemingen gedaan bij de bomenrijen rondom het projectgebied en langs de noordelijke buitenste schuur (Afbeelding 6.1). Verse uitwerpselen en/of prooiresten welke van een steenmarter afkomstig kunnen zijn waren afwezig. Effectenbeoordeling Het projectgebied betreft door het lage aantal waarnemingen en het gebrek aan sporen geen onderdeel van het leefgebied van de steenmarter. Mogelijk wordt de omliggende bomenrij/struwelen gebruik als lijnvormig migratie element, deze blijven in de toekomstige situatie bestaan. Zowel nest- als rustplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes zijn als habitatfunctie binnen het gebied afwezig. De beoogde ontwikkeling heeft hierdoor geen negatief effect op essentiële habitatfuncties van de steenmarter. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna-activiteit voor de steenmarter is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet nodig.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 27 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Afbeelding 6.1. Waarnemingen van steenmarter binnen het projectgebied.

6.3

Vleermuizen

Waargenomen soorten Tijdens de onderzoeken in het voorjaar en najaar is de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) waargenomen in het projectgebied. Het ging hierbij om overvliegende individuen en foeragerend gedrag. Andere vleermuissoorten zijn niet waargenomen. Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken in zowel het voorjaar en zomer als het najaar zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld. Zwerm- en/of baltsgedrag is niet waargenomen en de dieren vertoonden geen zichtbaar gebouwgebonden gedrag. In- en/of uitvliegende dieren zijn ook niet waargenomen. Vliegroute Tijdens veldbezoeken in het voorjaar, zomer en najaar zijn enkele overvliegende vleermuizen waargenomen. Gelet op de lage aantallen en het ontbreken van een duidelijke richting, is de aanwezigheid van een vliegroute voor vleermuizen uitgesloten. Foerageergebied Tijdens veldbezoeken in zowel het voor, - als najaar, zijn in het projectgebied weinig foeragerende vleermuizen waargenomen. Van een essentieel foerageergebied voor vleermuizen binnen het projectgebied is zodoende geen sprake. Wel is meerdere malen een kleine groep (~5) foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen bij de bomenrij ten noorden van de bebouwing. Deze bomen/struwelen blijven in de toekomstige situatie bestaan. Effectenbeoordeling Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 28 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Gelet op de afwezigheid van essentiële verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied binnen het projectgebied is er geen sprake van een negatief effect op vleermuizen als gevolg van de beoogde ontwikkeling, mits de bomen/struwelen aan de randen behouden blijven. Daarnaast wordt geadviseerd om werkzaamheden enkel overdag uit te voeren en zonder kunstlicht. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en faunaactiviteit is voor de uitvoering van de werkzaamheden niet vereist.

6.4

Huismus

Leefgebied en nest- en rustplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn geen waarnemingen gedaan van huismussen rondom of binnen het projectgebied. Hiermee kan leefgebied van deze soort binnen het projectgebied worden uitgesloten. Effectenbeoordeling Het projectgebied voorziet niet in essentiële habitatfuncties van de huismus. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna- activiteit is daarom niet nodig.

6.5

Gierzwaluw

Leefgebied en nest- en rustplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn geen waarnemingen gedaan van laagvliegende gierzwaluwen rondom of binnen het projectgebied. Bij de enkele keer dat de soort is waargenomen vlogen de dieren hoog waardoor affiniteit met het projectgebied en dus leefgebied van deze soort binnen de projectgrenzen kan worden uitgesloten. Effectenbeoordeling Het projectgebied voorziet niet in essentiële habitatfuncties van de gierzwaluw. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna- activiteit is daarom niet nodig.

6.6

Boerenzwaluw

Leefgebied en nest- en rustplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn geen waarnemingen gedaan van de boerenzwaluw. De soort is dan ook niet inof uitvliegend waargenomen. Verder zijn de schuren meerdere malen betreden opzoek naar nieuwe sporen als veren en uitwerpselen. Deze zijn niet aangetroffen. Effectenbeoordeling Het projectgebied voorziet niet in essentiële habitatfuncties van de boerenzwaluw. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna- activiteit is daarom niet nodig.

6.7

Kerkuil

Leefgebied en nest- en rustplaatsen Tijdens de veldbezoeken is eenmaal een kerkuil waargenomen. Dit was op 30-04-2025 ten noordwesten van het projectgebied. Hier was het dier kort overvliegend waarna het in de richting van het Candea college vloog (afbeelding 5.4). Andere waarnemingen waren niet opgedaan tijdens dit onderzoek. Verder is geluisterd naar roepen en krijsen van de soort. Deze waren niet hoorbaar. Ook zijn er tijdens de onderzoeken geen braakballen of krijtsporen aangetroffen. Effectenbeoordeling Het projectgebied voorziet niet in essentiële habitatfuncties van de kerkuil. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna- activiteit is daarom niet nodig.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 29 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Afbeelding 6.2. Waargenomen overvliegende kerkuil (blauwe stip)

6.8

Steenuil

Leefgebied en nest- en rustplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn geen waarnemingen gedaan van de steenuil. Verder is geluisterd naar roepen en baltsgeluid van de soort. Deze waren niet hoorbaar. Ook zijn er tijdens de onderzoeken geen braakballen of krijtsporen aangetroffen. Effectenbeoordeling Het projectgebied voorziet niet in essentiële habitatfuncties van de steenuil. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna- activiteit is daarom niet nodig.

6.9

Rugstreeppad

Leefgebied Tijdens de veldbezoeken in het voor- en najaar zijn geen waarnemingen gedaan van de rugstreeppad. Kooractiviteiten waren niet hoorbaar en bij de herpetoplaten is geen activiteit aangetroffen. Effectenbeoordeling Het projectgebied voorziet niet in essentiële habitatfuncties van de rugstreeppad. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna- activiteit is daarom niet nodig. Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 30 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

7 Conclusies Op basis van de resultaten van dit aanvullend soortenonderzoek kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat er geen essentiële habitatfuncties van soorten aanwezig zijn die worden beschermd onder de Omgevingswet. Negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Vervolgonderzoek naar beschermde soorten, een vergunningsaanvraag of vervolgstappen zijn niet nodig. Het projectgebied maakt mogelijk deel uit van het leefgebied voor diverse (zang)vogels (GRAS Advies, 2025) Nesten van broedende vogels en hun omgeving zijn wettelijk beschermd en mogen niet worden verstoord. Verstoring wordt voorkomen door: ● verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, of; ● maatregelen te nemen zodat nesten geen hinder ondervinden, of ● een broedvogelinspectie en vrijgave te laten plaatsvinden vóór aanvang van desbetreffende werkzaamheden (ook nestkastjes). Geadviseerd wordt om de struweelranden en bomen in de randen in takt te houden om verstoring te voorkomen. GRAS Advies adviseert de resultaten en conclusies voor te leggen aan het bevoegd gezag, de provincie Gelderland. Zorgplicht In artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Lid 1 van het artikel luidt als volgt: 1.

“Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. “alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.” Deze zorgplicht wordt nader geconcretiseerd omdat initiatiefnemers op grond van lid 2 verplicht zijn zich ervan dienen te vergewissen dat op de locatie van de beoogde ontwikkeling, geen in het wild levende dieren van beschermde soorten of hun belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn (Bron: BIJ12, 2024).

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 31 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Bronnen BIJ12 (2024a). Juridisch Kader behorende bij de Kennisdocumenten Soortbescherming. Versie 2.0, januari 2024. BIJ12 (2024b). Kennisdocument kleine marterachtigen, Versie 1.0, januari 2024. BIJ12 (2024c). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 2.0, april 2024. BIJ12 (2023a). Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, Versie 2.0, juli 2023. BIJ12 (2023b). Kennisdocument Huismus Passer domesticus, Versie 2.1, februari 2023. BIJ12 (2017a). Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017b). Kennisdocument Steenuil Athene noctua, Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017c). Kennisdocument Rugstreeppad Bufo calamita, Versie 1.0, juli 2017. Bodemdata (z.d.). Bodemkaart van Nederland. https://bodemdata.nl/basiskaarten. Datum geraadpleegd: 1102-2025. GRAS Advies (2025). Rapportage Quickscan flora en fauna Welleveldsestraat 2 te Duiven. Versie 1.0. Huissen. Hunink, S. (2025). Lijst beschermde soorten Omgevingswet. Natuurinclusief, Borculo. 07 juli 2025. Interprovinciaal overleg (IPO). (2022). Natuurnetwerk Nederland (ehs). Atlas Leefomgeving. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. December 2016. Versie 1.3, 5p. Ministerie van Economische Zaken. (2018). Natura 2000-gebieden. Atlas Leefomgeving. Nationale Databank Flora en Fauna (z.d.). https://ndff-ecogrid.nl/ Datum geraadpleegd: 30-09-2025.

Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Versie november 2023. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2025). Vleermuisprotocol 2025, maart. Zoogdiervereniging (2024). Wet natuurbescherming/Omgevingswet. https://www.zoogdiervereniging.nl/WetNatuurbescherming/Omgevingswet. Datum geraadpleegd: 30-09-2025. Vogelbescherming (z.d.a). Boerenzwaluw. https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/boerenzwaluw. Datum geraadpleegd: 30-09-2025. Wetten.overheid.nl (2024). Omgevingswet. https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2024-01-01. Datum geraadpleegd: 30-09-2025. Zoogdiervereniging (z.d.). Steenmarter. https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter Datum geraadpleegd: 30-09-2025. Zoogdiervereniging (z.d.a). Boerenzwaluw. https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/boerenzwaluw. Datum geraadpleegd: 30-09-2025.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 32 van 33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=4aed8e82-a645-41a1-a6a8-7accd70a6f90