CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

201714779-Bijlage 10 Aanvullende ecologisch onderzoek

Raadsavond 9 december 2025, gemeente DuivenBij agendapunt: Verzoek Adviesrecht BOPA Welleveldsestraat 2 Duiven11.403 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Ontvangstdatum : 17-11-2025 Documentnummer: D2025-00019289

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven P08410 Versie: 2.0 Projectcode: P08410 Versie: 1.0

Pagina 0 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Colofon Titel

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Projectcode Versie Datum

P08410 2.0 21-10-2025

Opdrachtgever

Gemeente Duiven Kastanjelaan 3 6921 ER DUIVEN, Nederland

Uitvoerder

Email Website Telefoon

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

GRAS Advies B.V. Bedrijvenpark Twente 412 7602 KM Almelo ecologie@grasadvies.nl https://grasadvies.nl/ 074 2020258

Pagina 1 van 33

Huismanstraat 6 6851 GT Huissen

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 1

Inleiding ............................................................................................................................................ 4

2

Gebiedskenmerken en beoogde ontwikkeling ................................................................................. 6

2.1

Gebiedsbeschrijving ......................................................................................................................... 6

2.2

Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................................... 9

3

Wettelijk kader ................................................................................................................................ 10

3.1

Beschermde gebieden (artikel 2.44, lid 5 Ow): .............................................................................. 10

3.2

Houtopstanden (artikel 11.111 Bal) ................................................................................................ 11

3.3

Beschermde soorten ...................................................................................................................... 11

3.3.1

Vogelrichtlijn soorten (artikel 11.37 Bal) ......................................................................................... 11

3.3.2

Habitatrichtlijn soorten (artikel 11.46 Bal) ...................................................................................... 11

3.3.3

Overige soorten (artikel 11.54 Bal) ................................................................................................ 12

3.4

Invulling van de zorgplicht .............................................................................................................. 12

4

Onderzoeksmethodiek ................................................................................................................... 13

4.1

Algemene onderzoeksmethode ..................................................................................................... 13

4.2

Soortspecifieke onderzoeksmethoden ........................................................................................... 14

5

Habitatgeschiktheidsonderzoek kleine marterachtigen .................................................................. 23

5.1

Verbinding ...................................................................................................................................... 24

5.2

Winterhabitat .................................................................................................................................. 24

5.3

Foerageergebied ............................................................................................................................ 24

5.4

Verblijfplaatsen ............................................................................................................................... 25

5.5

Geregistreerde waarnemingen ....................................................................................................... 26

5.6

Conclusie ........................................................................................................................................ 26

6

Resultaten ...................................................................................................................................... 27

6.1

Kleine marterachtigen .................................................................................................................... 27

6.2

Steenmarter .................................................................................................................................... 27

6.3

Vleermuizen ................................................................................................................................... 28

6.4

Huismus.......................................................................................................................................... 29

6.5

Gierzwaluw ..................................................................................................................................... 29

6.6

Boerenzwaluw ................................................................................................................................ 29

6.7

Kerkuil............................................................................................................................................. 29

6.8

Steenuil........................................................................................................................................... 30

6.9

Rugstreeppad ................................................................................................................................. 30

7

Conclusies ...................................................................................................................................... 31

Bronnen ........................................................................................................................................................... 32

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 2 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Samenvatting Gemeente Duiven is voornemens om op de percelen aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven een noodopvanglocatie voor asielzoekers te realiseren. Hiervoor wordt de huidige bebouwing op deze locatie gesloopt en worden woonunits geplaatst. Om in het kader van ruimtelijke ontwikkeling te voldoen aan de Omgevingswet, heeft GRAS Advies op verzoek van Gemeente Duiven een aanvullend soortenonderzoek uitgevoerd op bovengenoemde locatie. Dit aanvullend onderzoek vloeit voort uit de resultaten van een eerder uitgevoerd verkennend onderzoek (quickscan) flora en fauna (GRAS Advies, 2025). Het geeft uitsluitsel over de mogelijke aanwezigheid van, de wettelijk beschermde, vleermuizen, huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, steenmarter, kleine marterachtigen, boerenzwaluw en rugstreeppad en hun essentiële habitatfuncties in het projectgebied. Het beoordeelt of deze soorten en hun functioneel leefgebied negatieve effecten ondervinden van de beoogde ingreep en of verbodsbepalingen mogelijk worden overtreden. Met deze kennis is onderbouwd of de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is of dat mogelijk een omgevingsvergunning of andere maatregelen en/of vervolgstappen noodzakelijk zijn. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn als volgt: 1

De aanwezigheid van essentiële habitatfuncties van vleermuizen, huismus, gierzwaluw, boerenzwaluw, kerkuil, steenuil, steenmarter, kleine marterachtigen en rugstreeppad binnen het projectgebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van de beoogde ontwikkelingen en daarmee een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is niet noodzakelijk.

2

De randen van het projectgebied, maar ook de bebouwing maken mogelijk deel uit van het leefgebied voor diverse (zang)vogels (GRAS Advies, 2025). Nesten van broedvogels mogen niet worden verstoord. Verstoring wordt voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, maatregelen te nemen zodat nesten geen hinder ondervinden, of een broedvogelinspectie en vrijgave te laten plaatsvinden vóór aanvang van desbetreffende werkzaamheden.

3

Er wordt geadviseerd om enkel overdag te werken en zonder kunstlicht om verstoring of foeragerende vleermuizen te voorkomen.

4

De aannemer, maar ook alle medewerkers; als in iedereen, behoud te allen tijde zijn of haar zorgplicht: De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de fysieke leefomgeving, inclusief in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken of ongedaan maken en c) het achterwege laten van schadelijke handelingen voor de natuur.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 3 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

1 Inleiding In opdracht van Gemeente Duiven heeft GRAS Advies een Verkennend onderzoek (quickscan) flora en fauna uitgevoerd op de percelen aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven. De initiatiefnemer is voornemens om hier een noodopvanglocatie voor asielzoekers te realiseren. Hiervoor wordt de bebouwing op locatie gesloopt. Bij dergelijke ruimtelijke ingrepen verplicht de Omgevingswet te toetsen of aanwezige beschermde plant- en diersoorten geen negatieve effecten ondervinden van de beoogde ontwikkeling. Eerder uitgevoerd verkennend onderzoek (quickscan) naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna op de bovengenoemde locatie (GRAS Advies, 2025), kon de aanwezigheid van de volgende soorten en (soort)groepen niet uitsluiten: • Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) • Steenmarter • Vleermuizen • Huismus • Gierzwaluw • Boerenzwaluw • Kerkuil • Steenuil • Rugstreeppad Op basis hiervan is nader onderzoek naar deze soorten en (soort)groepen) verricht. Dit aanvullende soortenonderzoek geeft uitsluitsel over de aanwezigheid of afwezigheid van bovengenoemde soorten en soort(groepen) en adviseert over de te nemen vervolgstappen.

Het onderbouwt of de beoogde ruimtelijke ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is of dat mogelijk verbodsbepalingen worden overtreden en een vergunningsaanvraag op basis van een flora- en fauna-activiteit en/of andere maatregelen noodzakelijk zijn. Aanvullend soortenonderzoek is een uitgebreid en afgestemd soortgericht onderzoek. Het bestaat uit een bureaustudie en meerdere veldinventarisaties waarbij onderzoeksmethoden en richtlijnen uit erkende en soort specifieke kennisdocumenten en/of soortprotocollen worden toegepast. Met inachtneming van wettelijke kaders, de kenmerken van de beoogde ontwikkeling en de gerelateerde werkzaamheden wordt beoordeeld of aanwezige soorten, hun functioneel leefgebied en essentiële habitatfuncties negatieve effecten ondervinden van de beoogde ingreep. Indien een vergunningsaanvraag of andere ecologische maatregelen en/of vervolgstappen noodzakelijk worden geacht, kan GRAS Advies adviseren en begeleiding bieden in het vervolgtraject. Verspreidingsgegevens In dit rapport is informatie verwerkt afkomstig uit de Nederlandse Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze informatie mag (zolang de datavoorziening niet open en toegankelijk is) zonder toestemming van BIJ12 niet worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar worden gemaakt.

Indien relevant zal GRAS Advies verspreidingsgegevens die zijn verkregen door veldinventarisaties binnen en/of rondom het projectgebied na een periode van 2 jaar openbaar maken binnen de omgeving van de NDFF. Dit rapport presenteert de uitkomsten van het aanvullend soortenonderzoek Omgevingswet en de eventuele noodzakelijke vervolgstappen. Het is onlosmakelijk verbonden aan het verkennend onderzoek (quickscan) Flora en Fauna Welleveldsestraat 2 te Duiven (GRAS Advies, 2025). GRAS Advies adviseert, indien van toepassing, uitkomsten als verplichting vast te leggen voor de uitvoerende partij. Gebiedskenmerken van het huidige projectgebied en een globale beschrijving van de beoogde ontwikkeling zijn opgenomen in Hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 beschrijft een beknopte samenvatting van het relevante wettelijk kader, gevolgd door de toegepaste onderzoeksmethodiek in Hoofdstuk 4. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in Hoofdstuk 6. Hier worden alle relevante soorten beschreven die mogelijk voorkomen, inclusief het effect van de beoogde ontwikkeling op deze soorten en hun functionele leefgebied. De conclusies zijn opgenomen in Hoofdstuk 7 waarin de belangrijkste resultaten, mogelijke maatregelen en vervolgstappen worden samengevat. Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 4 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Reikwijdte en beperkingen Informatie met betrekking tot gebiedsbescherming, houtopstanden en stikstof vallen buiten de scope van dit onderzoek. De ecologen van GRAS Advies spannen zich maximaal in om onderzoek zo zorgvuldig mogelijk uit te voeren. Desondanks zal nooit een volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. GRAS Advies kan daarom geen aansprakelijkheid aanvaarden voor kosten en vertraging die optreden als gevolg van het voorkomen van beschermde flora en/of fauna. Momenteel bestaan er geen landelijke richtlijnen betreft de geldigheidsduur van aanvullende soortenonderzoeken. Desalniettemin kan bevoegd gezag hieraan een termijn koppelen en actuele gegevens vereisen. Doorgaans wordt een termijn van 3 jaar aanbevolen. GRAS Advies adviseert daarom de termijn van 3 jaar niet te overschrijden. Dit rapport gaat in op de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling zoals beschreven in Paragraaf 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en hun functioneel leefgebied leiden.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 5 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

2 Gebiedskenmerken en beoogde ontwikkeling 2.1

Gebiedsbeschrijving

Gegevens Adres: Plaats: Gemeente: Provincie:

Welleveldsestraat 2 Duiven Duiven Gelderland

Locatie en omgeving Het projectgebied bevindt zich aan de westelijke rand van het dorp Duiven. Het ligt noordelijk van de spoorlijn tussen Duiven en Westervoort en het hierachter gelegen Horsterpark. Naast het Horsterpark is een middelbare school gelegen welke de start van de bebouwde kom van Duiven aangeeft. Op ca. 300 meter ten oosten van het projectgebied is het Gemünden am Main Park gelegen met naastliggend een skatepark. Hieromheen zijn veelal woningen gelegen waarachter, buiten de bebouwde kom, agrarische velden beginnen. Ten westen van het projectgebied bevindt zich een aarden wal met enkele bomen welke de Westsingel (weg) via een brug over het spoor helpt. Naast deze aardenwal met bomen loopt een klein bosschage voor het projectgebied langs. Afbeelding 2.1 toont de ligging van het projectgebied.

Afbeelding 2.1. Ligging van het projectgebied (rood kader).

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 6 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Terrein en kenmerken Het projectgebied bestaat uit perceelnummers 927, 928, 871 en 876. Hierbij gaat de voorkeur voor uitvoeringslocatie naar percelen 871 en 876, daar waar de bebouwing zich bevindt. Afbeelding 2.2 toont een luchtfoto van het projectgebied, inclusief begrenzing. Het terrein wordt bepaald door weilanden waaraan evenwijdig twee sloten gelegen zijn. Het weiland is gevormd op kalkloze poldervaaggronden met zware klei en houdt in de winterperiode goed water vast (Bodemdata, z.d.). Zichtbaar zijn soorten als ridderzuring (Rumex obtusifolius), Engels raaigras (Lolium perenne), smalle weegbree (Plantago lanceolata) en gewoon speenkruid (Ficaria verna). In de sloten en langs de randen van de weilanden staan vooral oudere en beschadigde knotwilgen (Salix) met opschot, gewone braam (Rubus plicatus), riet (Phragmites australis), rode kornoelje (Cornus sanguinea) en meidoorn (Crataegus). Het weiland staat onder strak beheer en wordt met regelmaat gemaaid en voor een deel beweid. De bebouwing binnen percelen 871 en 876 bestaat uit een woning met verouderde en door de natuur overgenomen tuinkas en 5 schuren waarvan een open schuur. De woning heeft 1 gesloten luik met een enkel nestkastje aan de gevel. Het heeft een zadeldak met dakpannen en aan de voor- en achterzijde van het gebouw opklimmende klimop.

Naast deze woning is de tuinkas gelegen welke enkele glazen ramen mist en grotendeels is overgenomen door braamstruweel. Tussen deze woning en kas is een stoeptegelpad gelegen waarnaast strak onderhouden gazon is gelegen. De open schuur heeft, net als de andere schuren, een zadelvormig dak met dakpannen en bakstenen zijmuren. Het bevat machines en verschillende andere voorwerpen en objecten. Het is aan de westelijke zijde geopend en bestaat uit tweedelen. Het tweede deel bevat in plaats van een zadeldak een plat dak met metalen afwerkrand. De schuur bevat aan de noordelijke zijde twee ramen waarvan beide het glas gebroken is. Binnen in deze schuur zijn twee nesten aangetroffen van boerenzwaluw, waarvan de eerste opgetopt is met mos en mogelijk in gebruik is door een winterkoning. Naast de open schuur staan twee aaneenliggende gesloten schuren. De voorste schuur is in de huidige situatie een paardenstal met kleine opslag en een zolder. Deze zolder was in verband met houtrot niet veilig te betreden. In de voorgevel van deze schuur is een zolderraam gevestigd waarvan het glas gebroken is. In deze schuur zijn enkele boerenzwaluwnesten waargenomen. Aan de achterzijde van de schuur is de deur geopend naar een buitenverblijf voor de paarden. De tweede schuur is in gebruik als opslag. Deze schuur is volledig afgesloten en bevat een nestkastje voor vogels aan de voorgevel.

De derde schuur is met een losse deur gekoppeld aan de tweede schuur en is ook weer volledig afgesloten. Dit gebouw is in gebruik als hobbylocatie. Er zijn geen sporen van dieren, lekkages of openingen aangetroffen op deze locatie. De vierde locatie staat gevestigd achter de openschuur en bevat enkele gebroken ramen en openingen. Ook dit wordt gebruikt als opslaglocatie. Hier zijn meerdere vlindervleugels aangetroffen van de dagpauwoog. Afbeelding 2.3 geeft een impressie van het projectgebied.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 7 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Afbeelding 2.2. Luchtfoto met begrenzing van het projectgebied (rood kader).

Afbeelding 2.3. Impressie van het projectgebied.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 8 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

2.2

Beoogde ontwikkeling

Gemeente Duiven is voornemens om woonunits te plaatsen aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven om hiermee circa 150 personen op te vangen. Hiervoor wordt de bebouwing op locatie gesloopt.

Afbeelding 2.4. Schets beoogde ontwikkeling.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 9 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

3 Wettelijk kader Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Deze wet ziet toe op de bescherming en benutting van de fysieke leefomgeving door middel van zorgplichten. Er is een algemene zorgplicht van kracht die te allen tijde geldig is voor iedereen. De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de fysieke leefomgeving, inclusief in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In de praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken of ongedaan maken en c) het achterwege laten van schadelijke handelingen voor de natuur. Zorgplicht In artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Lid 1 van het artikel luidt als volgt: 1. “Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. “alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.

als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.” Deze zorgplicht wordt nader geconcretiseerd omdat initiatiefnemers op grond van lid 2 verplicht zijn zich ervan dienen te vergewissen dat op de locatie van de beoogde ontwikkeling, geen in het wild levende dieren van beschermde soorten of hun belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn (Bron: BIJ12, 2024). Daarnaast zijn speciale zorgplichten vastgesteld ter bescherming van gebieden, soorten, houtopstanden en landschapselementen. Wanneer speciale zorgplichten zijn vastgesteld, gaan deze voor de algemene zorgplicht. Speciale zorgplichten kunnen op meerdere niveaus uitgewerkt zijn en staan onder meer vastgelegd in programma’s (Rijksniveau), waterschapverordeningen (waterschapniveau), omgevingsvisies en aanvullende provinciale verordeningen (provinciaal niveau) en omgevingsplannen (gemeentelijk niveau). Invasieve exoten kunnen een bedreiging vormen voor inheemse planten en dieren. Indien schadelijke exoten in het projectgebied aanwezig zijn, dienen deze bestreden te worden. Het bestrijden van invasieve exoten valt onder de algemene zorgplicht. Er kunnen ook speciale zorgplichten met nadere bestrijdingsmethoden zijn uitgewerkt.

Onderzoekverplichting en omgevingsvergunningen Er is een onderzoekverplichting ingesteld die de initiatiefnemer verplicht om te onderzoeken of er sprake kan zijn van schadelijke handelingen voor de natuur. Als er sprake is van schadelijke handelingen dient een vergunning aangevraagd te worden via het digitaal stelsel omgevingswet (DSO). Als er meerdere vergunningen nodig zijn kan de initiatiefnemer ervoor kiezen deze vergunningen gezamenlijk aan te vragen of allemaal los van elkaar aan te vragen. Indien er meerdere vergunningen worden aangevraagd zal het laagste overheidsorgaan de aanvraag uit het DSO behandelen. Het overheidsorgaan dat de aanvraag ontvangt kan echter, met wederzijdse instemming, de beslisbevoegdheid overdragen aan een ander overheidsorgaan.

3.1

Beschermde gebieden (artikel 2.44, lid 5 Ow):

De bescherming van gebieden is onderverdeeld in drie categorieën: Natura-2000 gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 10 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Natura 2000 Voor activiteiten die effect hebben op beschermde gebieden dient een omgevingsvergunning N2000-activiteiten te worden aangevraagd. NNN gebieden Voor activiteiten die effect hebben op NNN-gebieden en niet passen binnen de huidige bestemming dient een omgevingsvergunning omgevingsplan-activiteit aangevraagd te worden. Bijzondere natuurgebieden en landschappen In de provinciale omgevingsvisies en verordeningen en in de gemeentelijke omgevingsplannen kunnen bijzondere natuurgebieden en landschappen zijn aangewezen. Een voorbeeld hier van zijn beschermde kleine landschapselementen van provincie Utrecht en Landgoed Overcingel in Assen dat is aangewezen als provinciaal natuurgebied.

3.2

Houtopstanden (artikel 11.111 Bal)

De bescherming van houtopstanden is onderverdeeld in twee categorieën: binnen de vastgestelde bebouwingscontour houtkap (dit valt onder de gemeente) of buiten de bebouwingscontour houtkap. Buiten de bebouwingscontour houtkap is een houtopstand beschermd als deze uit meer dan 1000m2 (10 are) bestaat of uit een rijbeplanting van 21 bomen of meer. Voor beschermde houtopstanden geldt een meldingsplicht.

3.3

Beschermde soorten

De bescherming van soorten is verdeeld in drie categorieën: soorten van de Vogelrichtlijn, soorten van de Habitatrichtlijn en overige soorten. Voor activiteiten die effect hebben op beschermde soorten dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten te worden aangevraagd (art. 5.1 ow). De specifieke zorgplichten ten aanzien van deze beschermde soorten staat beschreven in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

3.3.1

Vogelrichtlijn soorten (artikel 11.37 Bal)

3.3.2

Habitatrichtlijn soorten (artikel 11.46 Bal)

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit de volgende schadelijke handelingen te verrichten: ● Artikel 11.37 lid 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. ● Artikel 11.37 lid 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. ● Artikel 11.37 lid 3.

Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort.

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit de volgende schadelijke handelingen te verrichten: ● Artikel 11.46 lid 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 11 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

●

●

b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Artikel 11.46 lid 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Artikel 11.46 lid 3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn.

3.3.3

Overige soorten (artikel 11.54 Bal)

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit de volgende schadelijke handelingen te verrichten: ● Artikel 11.54 lid 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. ● Artikel 11.54 lid 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1˚.

een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Deze handelingen mogen alleen plaats vinden indien er geen mogelijke alternatieven zijn, indien er een dwingende reden is (wettelijk belang) en wanneer er passende maatregelen en voldoende compensatie wordt aangeboden voor de beschermde soort. Indien gewerkt wordt volgens een goedgekeurde gedragscode kan een vrijstelling van de vergunningplicht gelden.

3.4

Invulling van de zorgplicht

Broedende vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd en er dient zorg gedragen te worden voor broedende vogels, zodat deze niet verstoord worden en geen (nadelig) effect ondervinden van de geplande werkzaamheden. Voor vogelsoorten die ieder jaar een nieuw nest bouwen geldt dat nesten beschermd zijn zolang de broedperiode van de soort duurt. Dit houdt in dat de nesten beschermd zijn vanaf de eerste aanzet van nestbouw, tot het moment dat het laatste jong het nest verlaten heeft.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 12 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

4 Onderzoeksmethodiek Het onderzoek wordt uitgevoerd om te beoordelen of de beoogde ruimtelijke ontwikkeling een mogelijk significant negatief effect heeft op (wettelijk) beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is het noodzakelijk om aanwezigheid of afwezigheid van deze soorten vast te stellen en locaties van habitatfuncties te bepalen. De door GRAS Advies gehanteerde algemene onderzoeksmethodiek (Paragraaf 4.1) is globaal onder te verdelen in bureauonderzoek, veldonderzoek en analyse. De soortspecifieke onderzoeksmethoden staan beschreven in Paragraaf 4.2.

4.1

Algemene onderzoeksmethode

Bureauonderzoek Voor relevante datavisualisatie, projectinformatie en soorteninformatie is onder andere Rapportage Quickscan Flora en Fauna Welleveldsestraat 2 te Duiven, versie 1.0 (GRAS Advies, 2025) geraadpleegd. Hierbij zijn gegevens overgenomen en aanvullende informatie verzameld over: ● locaties van habitatfuncties van mogelijk aanwezige beschermde soorten; ● gebiedskenmerken en mogelijke huidige ruimtelijke en ecologische veranderingen; ● soortspecifieke verspreidingsgegevens (indien van toepassing) waaronder verspreidingsatlassen; ● geschikte onderzoeklocaties. Mogelijke aanwezigheid van soorten, locaties van soortspecifieke/gebonden gebiedsfuncties en de locaties waar de trefkans van de te onderzoeken soorten het hoogst zijn, worden hiermee bepaald. Aan de hand van deze gegevens zijn soortspecifieke onderzoeksmethoden vastgesteld en veldonderzoeken gepland. Veldonderzoek Soortgerichte onderzoeken zijn in en rondom het projectgebied uitgevoerd. De door GRAS Advies gehanteerde veldonderzoeksmethodiek is (indien beschikbaar) conform aanbevolen methoden en richtlijnen, beschreven in erkende soortspecifieke kennisdocumenten en protocollen. Onderzoek vereist doorgaans meerdere veldbezoeken en onderzoeksperioden zijn veelal verbonden aan vaste perioden. GRAS Advies combineert waar mogelijk soortspecifiek onderzoek om zodoende veldbezoeken te beperken.

In Paragraaf 4.2 worden de soortspecifieke onderzoeksmethoden beschreven. Tabel 4.1 toont alle data en specificaties van veldbezoeken. Tabel 4.1: Data en specificaties veldbezoeken.

Datum

Soort

Tijdstip

27-03-2025

Kerkuil, steenuil

02-04-2025

Huismus

14-04-2025

Kerkuil, steenuil

15-04-2025

Huismus

30-04-2025

Kerkuil, steenuil, rugstreeppad

20:0022:30 08:4510:45 20:5123:05 10:0012:00 20:3023:45

03-06-2025

Steenmarter, kleine marterachtigen, gierzwaluw, rugstreeppad, vleermuizen, kerkuil, boerenzwaluw Steenmarter, kleine marterachtigen, gierzwaluw, boerenzwaluw

16-06-2025

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Aantal onderzoekers 1 1 1 1 2

Weersomstandigheden

Reden veldbezoek/ onderzoek

11⁰C, wind ZW 1 Bft, onbewolkt, droog 6⁰C, wind W 3 Bft, licht bewolkt, droog 10⁰C, wind O 1 Bft, onbewolkt, droog 14⁰C, wind W 3 Bft, licht bewolkt, droog 18⁰C, wind NO 2 Bft, onbewolkt, droog

Nest- en rustplaatsen en functioneel leefgebied Nest- en rustplaatsen en functioneel leefgebied Nest- en rustplaatsen en functioneel leefgebied Nest- en rustplaatsen en functioneel leefgebied Nest- en rustplaatsen & Voortplantingsgebied, Plaatsen materiaal Plaatsing camera’s, Nest- en rustplaatsen, Voortplantingsgebied & Kraam- en zomerverblijfplaatsen

20:0000:15

5

18⁰C, wind Z 2 Bft, bewolkt, droog

20:0023:15

1

24⁰C, wind NW 3 Bft, onbewolkt, droog

Pagina 13 van 33

Controle camera’s Nest- en rustplaatsen

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

02-07-2025

03-07-2025 15-07-2025

Steenmarter, kleine marterachtigen, gierzwaluw, rugstreeppad, vleermuizen, boerenzwaluw, kerkuil Vleermuizen, kerkuil

19-08-2025

Steenmarter, kleine marterachtigen Steenmarter, kleine marterachtigen Rugstreeppad

01-09-2025

Vleermuizen

24-09-2025

Vleermuizen

06-08-2025

20:0000:30

5

19⁰C, wind NW 3 Bft, licht bewolkt, droog

Controle camera’s, Nest- en rustplaatsen, Voortplantingsgebied & Kraam- en zomerverblijfplaatsen

02:0505:30 10:4012:00 08:3009:15 20:4022:45 23:0001:00 19:4423:15

2

15⁰C, wind NW 2 Bft, onbewolkt, droog 20⁰C, wind NO 3 Bft, onbewolkt, droog 15⁰C, wind NO 2 Bft, onbewolkt, droog 20⁰C, wind N 1 Bft, licht bewolkt, droog 25⁰C, wind NO 2 Bft, onbewolkt, droog 11⁰C, wind NO 2 Bft, onbewolkt, droog

Kraam- en zomerverblijfplaatsen Controle camera’s

1 1 2 2 2

Ophalen camera’s Voortplantingsgebied en verwijderen materiaal Paarverblijfplaatsen Paarverblijfplaatsen

Analyse Na afronding van veldonderzoeken worden gegevens zoals velddata, waarnemingen en bevindingen verzameld. De analyse van deze gegevens bestaat uit: ● bepalen soort en aanwezigheid; ● bepalen locaties (essentiële) habitatfuncties; ● beoordelen kenmerken van beoogde ontwikkeling (zoals duur, periode, invloedsfeer); ● beoordelen effecten beoogde ontwikkeling op aanwezige soorten en habitatfuncties; ● bepalen mogelijke gevolgen, maatregelen en (wettelijke) vervolgstappen. GRAS Advies is een ecologisch adviesbureau en voert verkennend veldonderzoek uit volgens geldende soortprotocollen. De deskundige ecologen van GRAS Advies zijn middels opleiding en ervaring bevoegd voor de verrichte werkzaamheden. Daarnaast is het project uitgevoerd volgens het kwaliteitshandboek van GRAS Advies. Het kwaliteit managementsysteem van GRAS Advies is ISO NEN-EN-ISO 9001:2015 gecertificeerd.

4.2

Soortspecifieke onderzoeksmethoden

Onderstaande beschrijft de gehanteerde soortspecifieke onderzoeksmethoden. Hoofdstuk 4, Tabel 4.1 geeft een overzicht van alle veldbezoekspecificaties. Kleine marterachtigen De hermelijn (Mustela erminea), wezel (Mustela nivalis) en bunzing (Mustela putorius) komen in de meeste habitats voor, al hebben de hermelijn en bunzing een voorkeur voor vochtiger terrein. Ze zijn te vinden in open landschap, bossen, weilanden, rietlanden, houtwallen en akkers en prefereren kleinschalig (cultuur)landschap met takkenrillen, struweel, hagen, bosschages, rommelhopen en rommelschuren. Essentiële lijnvormige elementen dienen als rust- of verblijfplaats, voortplantingsplaats of als verbindingsroute tussen gebieden (BIJ12, 2024b). Uit verkennend onderzoek is gebleken dat de omliggende bomen en struwelen geschikt kunnen zijn als lijnvormige migratie elementen en dat de schuren mogelijk verblijfplaatsen kunnen bieden aan deze soorten. Onderzoek naar kleine marterachtigen wordt uitgevoerd om de aanwezigheid van exemplaren, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied (foerageergebied, verbindingsroutes) vast te stellen. Voor deze soorten bestaat geen landelijk gestandaardiseerd onderzoeksprotocol. Sinds januari 2024 is het Kennisdocument Kleine marterachtigen van BIJ12 (2024) als handreiking hiervoor beschikbaar.

Ondanks grotendeels geaccepteerd zijn er provincies die gebruik maken van individueel opgestelde handreikingen. Voor de provincie Gelderland wordt gebruik gemaakt van het BIJ12 Kennisdocument Kleine marterachtigen (BIJ12, 2024). Voor het onderzoek kan een keuze gemaakt worden tussen twee benaderingswijzen: • Habitatbeoordeling (verkennend onderzoek) Er wordt in kaart gebracht of het projectgebied (of een deel hiervan) geschikt is voor kleine marterachtigen. • Verdiepend onderzoek De aanwezigheid van kleine marterachtigen binnen het projectgebied wordt onderzocht. Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 14 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Bij dit project is gekozen voor een verdiepend onderzoek. Met een habitatsonderzoek (deskresearch) zijn de potentiële functies binnen het projectgebied en van het projectgebied in de omgeving in kaart gebracht. Afhankelijk van het resultaat van het habitatonderzoek is een passende methode opgesteld voor het aanvullend onderzoek met inzet van onderzoeksmateriaal. Het gebied binnen een straal van 10 kilometer van het projectgebied is binnen deze analyse meegenomen. Met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn bestaande waarnemingen van de afgelopen 10 jaar opgevraagd. Tijdens het veldbezoek is het terrein onderzocht op geschiktheid voor: • verblijf- en voortplantingsplaatsen; • foerageergebieden; • verbindingszones. Hierbij wordt rekening gehouden met de verandering van het landschap door het jaar heen. Op een ecologische functiekaart worden potentieel geschikte aanwezige elementen en functies aangegeven. De uitkomsten van de habitatbeoordeling worden gebruikt bij het uitvoeren van het veldonderzoek. Het verdiepend onderzoek bestaat uit de inzet van waarnemingsapparatuur- of materialen gedurende een onderzoeksperiode van minimaal 8 weken. De periode met de hoogste waarnemingskansen ligt tussen juni en half november (BIJ12, 2024). Voor de keuze van de onderzoeksmaterialen wordt gebruik gemaakt van de uitkomsten van de habitatbeoordeling (hoofdstuk 5).

Potentieel aanwezig leefgebied van bunzing, wezel en/of hermelijn is hierbij in beeld gebracht. De oppervlakte van het projectgebied beslaat ca. 2,6 ha.. Onderzoeksmateriaal is daarom ingezet op 8 meetpunten binnen het projectgebied (BIJ12, 2024). Omdat de soorten bunzing, wezel en hermelijn aanwezig kunnen zijn binnen het projectgebied is gekozen voor de inzet van camera’s met lokstof en struikrovers (BIJ12, 2024; Mos, J., 2023). Afbeelding 4.1 laat de locaties zien van de onderzoeksmaterialen. In tabel 4.2 staan de perioden dat de materialen ingezet zijn. De geplaatste wildcamera’s met lokstof en struikrovers zijn weergegeven op Afbeelding 4.2.

Afbeelding 4.1. Het projectgebied met locaties waarop de wildcamera’s (driehoek) en struikrover (vierkant) zijn ingezet. Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 15 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Afbeelding 4.2. Locaties van geplaatste camera’s.

Steenmarter De steenmarter (Martes foina) is een nationaal beschermde soort die niet is vrijgesteld in de provincie Gelderland. De soort wordt gezien als een 'cultuurvolger' en dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtig habitat zoals steengroeven en gebouwen. De soort is te vinden in parklandschap maar vooral in de buurt van dorpen, boerderijen en zelfs grote steden. Oude schuren, heggen en geriefbosjes zijn erg geschikt. Essentieel is de aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes en bermen waar de soort foerageert (Zoogdiervereniging, z.d.). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de omliggende bomen en struwelen geschikt kunnen zijn als lijnvormige migratie elementen en dat de schuren mogelijk verblijfplaatsen kunnen bieden aan deze soort. Onderzoek naar steenmarter is maatwerk en wordt doorgaans gedaan om de aanwezigheid van vaste en essentiële rust- of voortplantingsplaatsen en foerageergebied vast te stellen. Voor deze soort bestaat geen landelijk gestandaardiseerd onderzoeksprotocol. ● GRAS Advies gebruikt wildcamera’s met lokstof (pindakaas) om beeldmateriaal te vervaardigen van passerende dieren. De lokstof wordt voor de camera op/aan een verhoging geplaatst om determinatie van de soort te vergemakkelijken. Afbeelding 4.1 geeft de locaties van de ingezette wildcamera’s weer. ● Onderzoek is niet gebonden aan vaste perioden.

Desondanks hanteert GRAS Advies de periode waarbij deze soort meest actief is. Dit is globaal maart tot en met augustus. In deze periode worden inventarisatiematerialen minimaal 6 weken in het projectgebied geplaatst. Buiten deze periode wordt minimaal 12 weken gehanteerd. ● Inventarisatiematerialen worden geplaatst op plekken waar de trefkans het hoogst is. Dit wordt bepaald aan de hand van eerder uitgevoerd verkennend onderzoek, de huidige ruimtelijke en ecologische situatie en kenmerken van de beoogde ontwikkeling. In dit geval is gekozen om de wildcamera’s met lokstof te plaatsen rondom de aanwezige bebouwing omdat hier mogelijk essentiële habitatfuncties aanwezig zijn en de beoogde ontwikkelingen hier daarmee mogelijk effect op heeft. De weilanden rondom het projectgebied worden intensief beheert (maaien en begrazing) en zijn daarmee zeer matig geschikt door de afwezigheid van voldoende dekking en lijnvormige elementen. De randen van het projectgebied zijn mogelijk geschikt maar blijven behouden in de toekomstige situatie en daarmee blijft een mogelijke functie behouden. Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 16 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

● ●

Het aantal in te zetten inventarisatiematerialen wordt bepaald door de deskundige ecoloog. Dit is afhankelijk van de grootte en toegankelijkheid van het projectgebied en de geschiktheid van het gebied voor de steenmarter. Om de werking van inventarisatiematerialen te waarborgen kiest GRAS Advies ervoor binnen deze periode om de twee weken batterijen en opslagmiddelen van opname apparatuur te vervangen en de lokstof te vernieuwen.

Voor het onderzoek aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven zijn 3 wildcamera’s met lokstof ingezet. Tabel 4.1 toont de veldbezoekspecificaties. Afbeelding 4.1 geeft de locaties van plaatsing weer. Inventarisatiemateriaal is 8 weken operationeel geweest. Na het plaatsen van de wildcamera’s zijn in totaal 3 veldbezoeken geweest om de SD-kaarten en batterijen van de wildcamera’s te vervangen en daarbij de lokstof te verversen. Bij het laatste locatiebezoek zijn alle materialen verwijderd. Vleermuizen Alle vleermuizen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Verblijfplaatsen zijn doorgaans te vinden in holten, kieren en andere openingen in bomen of gebouwen. Vleermuizen komen bijna overal voor en prefereren gesloten tot halfopen landschap waar ze in de beschutting van opgaande elementen foerageren langs een vast netwerk van lijnvormige structuren zoals kanalen, lanen, tuinen, boomkruinen, bebouwing en waterpartijen. Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de bebouwing geschikte verblijfplaatsen kan bieden aan gebouwbewonende vleermuissoorten. Daarnaast wordt beschreven dat de bomen langs de randen van het projectgebied geschikt zijn als vliegroute en dat de sloten hiertegen aan als geschikt foerageergebied kunnen dienen. Onderzoek wordt uitgevoerd om het aantal en de soort vast te stellen en om gebiedsfuncties (foerageergebied, vliegroute en verblijfplaats) te bepalen.

Van een eventuele verblijfplaats kan worden vastgesteld of het een zomer-, kraam-, paar- en/of winterverblijf betreft. Hoofdstuk 4, Tabel 4.1 toont de veldbezoekspecificaties. De methodiek gehanteerd door GRAS Advies is conform het protocol voor vleermuisinventarisaties Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus & Zoogdiervereniging (2021) en de soortspecifieke kennisdocumenten van BIJ12. Het vleermuisprotocol hanteert de volgende richtlijnen: ● Een voorjaarsonderzoek om een mogelijke functie als zomer- en/of kraamverblijf te onderzoeken. Dit onderzoek bestaat uit 3 bezoeken tussen 15 mei en 15 juli, waarvan minimaal één ’s ochtends en één in juni. Mogelijke vliegroutes en foerageergebied wordt ook tijdens deze periode vastgesteld. ● Een najaarsonderzoek om een mogelijke functie als paar- en/of winterverblijf te onderzoeken. Dit onderzoek bestaat uit 2 bezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober. ● Minimaal een periode van 20 dagen tussen veldonderzoeken in het voor- en najaar m.u.v. (massa)winterverblijfplaatsen. De begin- en eindtijd is in de regel tot 2 uur na zonsondergang en vanaf 2 uur voor zonsopkomst. Bij paarverblijfplaatsen is dit doorgaans vanaf 1 uur na zonsondergang of tot zonsopkomst met minimaal één bezoek rond middernacht. ● Meervleermuis: Een voorjaarsonderzoek om een mogelijke functie als zomer- kraam- en/of satellietverblijf te onderzoeken.

Dit onderzoek bestaat uit 3 bezoeken tussen 15 mei en 15 juli, waarvan minimaal één ’s ochtends in juli en één bezoek in juni. Mogelijke vliegroutes en foerageergebied wordt ook tijdens deze periode vastgesteld. ● Exacte planning omtrent vleermuisonderzoek is soortspecifiek en is afgestemd op de te verwachte soorten. Indien bijzondere soorten aanwezig zijn, kan eerdergenoemde onderzoekstijd worden verlengd door eerder te starten of later te eindigen. ● Tenminste 75% van het te observeren object moet worden overzien tijdens onderzoeken die gericht zijn op habitatfuncties. Voor het onderzoek naar vleermuizen aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven zijn 5 veldbezoeken afgelegd. Tijdens veldbezoeken wordt geïnventariseerd op geluid en zichtwaarnemingen en is gebruik gemaakt van Ultrasone microfoons (Echo Meter Touch 2 Pro). Ultrasone geluiden zijn hiermee hoorbaar, opneembaar en analyseerbaar. Bij de onderzoeken is ook gebruik gemaakt van een felle zaklamp. Onderstaande afbeelding geeft de zichtlocaties weer van het vleermuisonderzoek. De locatie A en B zijn afwisselend bezet.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 17 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Afbeelding 4.3. Zichtlocaties tijdens vleermuisonderzoek.

Huismus De huismus (Passer domesticus) wordt beschermd onder de Vogelrichtlijn. Het is een standvogel die vooral nestelt in de buurt van bebouwing. Ze komen vooral voor in steden, dorpen en landelijk gebied en in mindere mate in agrarisch gebied. Huismussen zijn sociale dieren die alles in groepsverband doen en ze blijven het gehele jaar dicht bij de nestplaats. Essentieel is dat alle habitatfuncties rondom de nestplaats aanwezig zijn. Dit omvat nestgelegenheid, voedsel, water, stofbaden en voldoende dekking (BIJ12, 2023b). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de bebouwing geschikte verblijfplaatsen kan bieden aan soorten als de huismus. Onderzoek wordt uitgevoerd om de aanwezigheid van exemplaren, aantal, nestlocaties, rustplaatsen en locaties van (essentieel) functioneel leefgebied vast te stellen. Hoofdstuk 4, Tabel 4.1 toont de veldbezoekspecificaties. De methodiek is conform Het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023b) uitgevoerd. Dit houdt het volgende in: ● De afwezigheid van nesten wordt aangetoond door minimaal 2 veldbezoeken in de optimale periode van 1 april tot en met 15 mei met een interval van minimaal 10 dagen. ● Inventarisatie vindt bij voorkeur plaats tussen enkele uren na zonsopkomst en enkele uren voor zonsondergang bij gunstige weersomstandigheden (geen regen, kou en harde wind) (BIJ12, 2023b).

● Het is mogelijk eenmalig pannen te lichten in de periode van 15 september tot 1 maart. Dit kan niet gedurende periodes met vorst (BIJ12, 2023b). Deze methode wordt door GRAS Advies niet standaard uitgevoerd. ● De aanwezigheid van een nest kan worden aangetoond door zichtwaarnemingen van nesten (inclusief uitstekende takjes en veertjes), nestbouw, bezoek aan een nestplaats, transport van voedsel of ontlastingspakketjes, bedelende jongen, zingende mannetjes in broedbiotoop, paartjes bij een potentiële nestplaats, baltsgedrag, paring e.d. (BIJ12, 2023b). ● Aan de hand van waarnemingen worden indien relevant en mogelijk, het aantal individuen en nest- en/of verblijfplaatsen geschat.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 18 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

●

De afwezigheid van broedende huismussen is aannemelijk wanneer er minimaal 1 uur geen nest- of rustplaats gerelateerde waarnemingen zijn gedaan, gedurende 2 veldbezoeken in de optimale periode en onder bovengenoemde omstandigheden (BIJ12, 2023b).

Voor huismussenonderzoek aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven zijn twee veldbezoeken afgelegd. Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke habitatfuncties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld. Gierzwaluw De gierzwaluw (Apus apus) wordt beschermd onder de Vogelrichtlijn. Het is een trekvogel met zijn winterbiotoop in tropisch Afrika en komt enkel rond de zomermaanden in ons land voor. Gierzwaluwen zijn semi koloniebroeders en gebruiken doorgaand jaarlijks hetzelfde nest. Nestplaatsen zijn gebonden en bebouwing en ze komen voor in steden en dorpen waar ze nestelen in pleten, kieren en ventilatieschachten van gebouwen of onder dakpannen. Gierzwaluwen kunnen niet opvliegen en om het nest te verlaten, gebruiken ze een vrijeval. Foerageergebieden zijn afhankelijk van het voedselaanbod en kunnen ver van de nestlocatie liggen (BIJ12, 2023a). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de woning geschikte verblijfplaatsen kan bieden aan soorten als de gierzwaluw. Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren, aantal, nestlocaties en rustplaatsen vast te stellen. Hoofdstuk 4, Tabel 4.1 toont de veldbezoek specificaties. De methodiek is conform Het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2023a) uitgevoerd.

Dit houdt het volgende in: ● De afwezigheid van een nest of rustplaats wordt aangetoond door minimaal 3 veldbezoeken met een interval van tenminste 10 dagen in de optimale periode van 1 juni tot en met 15 juli (BIJ12, 2023). Hierbij wordt minimaal 1 veldbezoek uitgevoerd ná 1 juli (BIJ12, 2023). ● De inventarisaties vinden bij voorkeur ’s avonds plaats 1,5 uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang tijdens goede weersomstandigheden (droog en weinig wind) (BIJ12, 2023). ● Voor (broedende soorten) wordt gelet op (gierende) dieren en in- en uitvliegende dieren (BIJ12, 2023). ● Aan de hand van typen (zicht)waarnemingen, worden het aantal individuen en/of nest- en/of verblijfplaatsen bepaald waarbij het waargenomen aantal vluchten op dakgoot-, nok- en huishoogte wordt gedeeld door 1.5 (BIJ12, 2023). ● De afwezigheid van broedende gierzwaluwen is aannemelijk wanneer er minimaal 3 inventarisatiemomenten hebben plaatsgevonden met een interval van minimaal 10 dagen, waarvan 1 heeft plaatsgevonden vóór 1 juli en 1 ronde na 1 juli en waarbij er tijdens goede weersomstandigheden 1,5 uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang is geïnventariseerd (BIJ12, 2023). Voor het onderzoek naar gierzwaluwen aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven zijn drie veldbezoeken afgelegd. Deze zijn waar mogelijk gecombineerd met vleermuisonderzoek.

Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke nestlocaties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld. Boerenzwaluw De boerenzwaluw (Hirundo rustica) is een trekvogel die in Nederland broed en in de winter naar centraal- en tropisch Afrika trekt. Deze soort broed in kolonieverband en bouwt zijn nesten voornamelijk in open schuren, tegen gevels (onder dakranden) en onder bruggen. De nesten worden gebouwd met hun eigen speeksel en klei, leem of zand. Ze foerageren in de lucht, vaak op grootte hoogte, waar ze muggen en/of andere vliegende insecten vangen. Waterrijk gebied is zeer geschikt als foerageergebied, vanwege een hoog aanbod van vliegende insecten (Vogelbescherming, z.d). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat er in de schuren meerdere verouderde zwaluwnesten aanwezig waren. Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren, aantal, nestlocaties en rustplaatsen vast te stellen. Hoofdstuk 4, Tabel 4.1 toont de veldbezoek specificaties. De methodiek is conform eigen inzicht. Dit houdt het volgende in: ● De afwezigheid van een nest of rustplaats wordt aangetoond door minimaal 2 veldbezoeken met een interval van tenminste 10 dagen in de periode van 15 mei tot en met 15 juli. ● De inventarisaties vinden overdag plaats tijdens goede weersomstandigheden (droog en weinig wind). ● Voor (broedende soorten) wordt gelet op in- en uitvliegende dieren.

● De afwezigheid van broedende boerenzwaluwen is aannemelijk wanneer er minimaal 2 inventarisatiemomenten hebben plaatsgevonden met een interval van minimaal 10 dagen en waarbij er tijdens goede weersomstandigheden overdag is geïnventariseerd.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 19 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

Voor het onderzoek naar boerenzwaluwen aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven zijn twee veldbezoeken afgelegd. Deze zijn waar mogelijk gecombineerd met vleermuisonderzoek. Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke nestlocaties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld. Kerkuil De kerkuil (Tyto alba) is beschermd onder de Vogelrichtlijn. Kerkuilen zijn standvogels en keren meestal terug naar hetzelfde gebied. Ze prefereren cultuurland met gras- en bouwlanden die worden begrensd door bosjes, houtwallen, heggen en kruidenrijke akkerranden. Ondanks ze incidenteel in holle bomen broeden, broeden ze doorgaans in hoge donkere en tochtvrije delen van bijvoorbeeld schuren (deze kunnen in strenge winters als foerageergebied dienen) en torens. Nesten worden soms jaarrond gebruikt (als rustplaats) al kan de winterverblijfplaats verschillen. Belangrijk is voldoende voedselaanbod, weinig versnippering van het gebied, donkere plekken en voldoende schuilplekken en uitkijkplaatsen (BIJ12, 2017a). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de schuren mogelijk geschikte nestlocaties bieden voor deze soort. Het omliggende weiland kan hierbij dienen als foerageergebied. Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren, nestlocaties, rustplaatsen en locaties van (essentieel) functioneel leefgebied zoals foerageergebied vast te stellen.

Hoofdstuk 4, Tabel 4.1 toont de veldbezoekspecificaties. De methodiek is conform Het Kennisdocument Kerkuil (BIJ12, 2017a) uitgevoerd. Dit houdt het volgende in: ● De afwezigheid van broedende kerkuilen wordt aangetoond door 3 gerichte veldbezoeken in de periode begin februari tot en met half oktober. ● Inventarisaties vinden bij voorkeur ’s avonds en ’s nachts plaats tijdens goede weersomstandigheden. ● De aanwezigheid van een nest kan worden bevestigd indien er een bezet nest is, als er minimaal één waarneming is van een paar in broedbiotoop in de periode 1 februari tot en met 15 oktober, bij territoriaal gedrag zoals een krijsende vogel of bij waarnemingen van bedelende jongen. ● Er vindt bij voorkeur overdag onderzoek plaats naar sporen die de aanwezigheid van een nest aannemelijk maken zoals braakballen, ruiveren en krijtstrepen (jaarrond mogelijk). Bij voorkeur heeft dit plaats gevonden tijdens het verkennend onderzoek (quickscan). ● Indien er tijdens de 3 gerichte veldbezoeken verspreid over de periode februari tot en met half oktober geen aanwezigheid kan worden aangetoond, kan de aanwezigheid van essentiële habitatfuncties van de kerkuil worden uitgesloten. Voor het kerkuilenonderzoek aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven zijn 6 veldbezoeken afgelegd. Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke habitatfuncties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld.

Tijdens de quickscan heeft er overdag sporenonderzoek plaatsgevonden in en rondom het projectgebied. Hierbij is onder andere gezocht naar braakbalen, krijtsporen en prooiresten. Steenuil De steenuil (Athene noctua) valt onder bescherming van de Vogelrichtlijn. Het zijn standvogels die het gehele jaar in hun relatief klein territorium verblijven. Ze prefereren kleinschalig agrarisch cultuurlandschap met afwisselende vegetatie en komen voor op erven, bij boerderijen, langs dorpsranden, moestuinen en weilandjes. Ze broeden in nestholten (van bomen of in gebouwen) die ze doorgaans jaarrond gebruiken als verblijf- en rustplaats. Voldoende variatie in voedselaanbod is belangrijk evenals voldoende uitkijkposten om te foerageren en een aaneengesloten leefgebied (BIJ12, 2017b). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de schuren mogelijk geschikte nestlocaties bieden voor deze soort. Het omliggende weiland kan hierbij dienen als foerageergebied. Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren, nestlocaties, rustplaatsen en locaties van (essentieel) functioneel leefgebied zoals foerageergebied vast te stellen. Hoofdstuk 4, Tabel 4.1 toont de veldbezoekspecificaties. De methodiek is conform Het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017b) uitgevoerd. Dit houdt het volgende in: ● ● ● ●

De afwezigheid van een broedende steenuil kan worden aangetoond door 3 gerichte veldbezoeken in de periode van 1 februari tot en met 30 april waarbij tussen het eerste en laatste veldbezoek minimaal één maand interval zit. De optimale periode is 15 februari tot en met 15 april. Alle waarnemingen van een steenuil duiden op een mogelijke aanwezigheid van een nestplaats in dat gebied. Inventarisaties vinden bij voorkeur plaats in de avondschermer vanaf een half uur na zonsondergang tot middernacht of in de ochtendschemer van anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. Tijdens inventarisaties wordt de baltsroep van de steenuil afgespeeld.

Projectcode: P08410 Versie: 2.0

Pagina 20 van 33

Rapportage Aanvullend soortenonderzoek Welleveldsestraat 2 te Duiven

● ● ●

Er vindt bij voorkeur overdag onderzoek plaats naar sporen die de aanwezigheid van een territorium aannemelijk maken zoals braakballen en krijtstrepen. Bij voorkeur heeft dit plaats gevonden tijdens het verkennend onderzoek (quickscan). De aanwezigheid van een nest kan worden bevestigd indien een nest aanwezig is, bij een waarneming van bezoek van een steenuil aan een nestplaats of bij waarnemingen van transport van voedsel naar jongen of bedelende jongen in een nestopening. Indien er tijdens de 3 gerichte veldbezoeken verspreid over de periode van 1 februari tot en met 30 april geen aanwezigheid kan worden aangetoond, kan de aanwezigheid van essentiële habitatfuncties van de steenuil worden uitgesloten.

Voor het steenuilenonderzoek aan de Welleveldsestraat 2 te Duiven zijn 3 veldbezoeken afgelegd. Tijdens veldbezoeken zijn mogelijke habitatfuncties in het projectgebied en de omgeving onderzocht en beoordeeld. Tijdens de quickscan heeft er overdag sporenonderzoek plaatsgevonden in en rondom het projectgebied. Hierbij is onder andere gezocht naar braakbalen, krijtsporen en prooiresten. Rugstreeppad De rugstreeppad (Bufo calamita) is beschermd onder de habitatrichtlijn. Deze soort komt voor in stabiele vennen en sloten maar ook in gebieden met veel dynamiek waaronder braakliggend bouwterrein en zand- en klei afgravingen. Regenplassen, volgelopen greppels en gestagneerd water in bandensporen vormen ideale voortplantingsplaatsen. Voor zomer- en winterverblijfplaatsen gaat zijn voorkeur uit naar een zandige losse bodem op zonnige vorstvrije locaties met een snel opwarmende bodem maar ook dekking biedende tegels, banden etc. (BIJ12, 2017c). Uit het verkennend onderzoek is gebleken dat de kleigrond bij het weiland mogelijk water doet stagneren en hiermee geschikt voortplantingsgebied creëert. Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren in de voortplantingsbiotoop vast te stellen. Onderzoek wordt gedaan om de aanwezigheid van exemplaren in het voortplantingsbiotoop vast te stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=4aed8e82-a645-41a1-a6a8-7accd70a6f90