1e. bijlage - Memorie van toelichting Conversietherapie consultatieversie.docx.pdf
Tekst van het document
[Kamerstuknummer]
Voorstel van wet van de leden Van der Laan, Van der Woude, De Hoop, Westerveld, Kwint en Van Esch tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen strekken tot het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit (strafbaarstelling conversiehandelingen)
Nr. **
MEMORIE VAN TOELICHTING (CONSULTATIEVERSIE)
I. ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding Conversiehandelingen hebben tot doel om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van mensen te veranderen tot de heersende norm. Meestal gaat het hierbij om de verandering van homo- naar heteroseksualiteit, dan wordt ook wel gesproken van ‘homogenezingstherapie’. In de internationale literatuur wordt doorgaans gesproken van sexual orientation and gender identity and expression conversion efforts (SOGIECE). Onder deze noemer valt een spectrum van activiteiten, waaronder pastorale gesprekken, gebedsgenezing, gedragsinterventies en duivelsuitdrijving. Buitenlands onderzoek toont dat drie tot vijf procent van de LHBTI’ers te maken heeft gehad met een vorm van SOGIECE.1 Recent onderzoek, uitgevoerd op verzoek van de Tweede Kamer, toont aan dat ‘conversietherapie’ ook in Nederland voorkomt.2 In deze memorie zal meestal gesproken worden over ‘conversiehandelingen’, daar die term het meest aansluit bij de voorgestelde juridische terminologie en ‘therapie’ de onterechte suggestie wekt dat er sprake is van hulpverlening. Slachtoffers van conversiehandelingen bevinden zich vaak in een kwetsbare positie. Het gaat voornamelijk over jonge mensen die opgroeien in een religieuze omgeving met strenge normen met betrekking tot seksuele gerichtheid en genderidentiteit.
Deze omgeving kan een sturende, soms zelfs dwingende, rol spelen bij de zelfacceptatie wanneer men worstelt met de seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Bijvoorbeeld homoseksualiteit wordt in sommige religieuze kringen gezien als zondig en niet verenigbaar met een leven in die gemeenschap. Dit kan een aanleiding zijn om mensen aan te sporen de homoseksualiteit te veranderen of te onderdrukken. Sommige slachtoffers geven ook aan dat zij zichzelf gemeld hebben voor het ondergaan van een vorm van conversiehandelingen, vanuit de overtuiging dat het beter zou zijn om volgens de normen van hun religieuze omgeving te leven. Deze overtuiging komt vaak voort uit ervaren sociale of religieuze druk.3 Conversiehandelingen worden aan deze personen vaak aangeboden als een manier om zichzelf te verbeteren of te ‘genezen’. Er ligt vrijwel altijd de opvatting aan ten grondslag dat de seksuele gerichtheid of genderidentiteit veranderd kan worden, mits men dat zelf wil. Ethisch zijn conversiehandelingen niet te verantwoorden in het licht van de wetenschap. Daarbij is nooit aangetoond dat conversiehandelingen effectief zijn in het veranderen van de genderidentiteit of seksuele gerichtheid. Hoewel sommigen zich naar buiten toe weten aan te passen aan de heersende norm, is seksuele gerichtheid niet te veranderen met therapieën.
De risico’s die aan deelname aan conversiehandelingen zijn verbonden zijn daarentegen niet gering. Mensen ondervinden blijvende Bureau Beke en Ateno, ‘Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland’, mei 2020, p. 13 2 Idem, p. 37-38 3 Idem, p. 114 1
1
schade als positieverlies in de familie en maatschappij, een verlaagd zelfvertrouwen, angst- en schuldgevoelens, depressie, paniekaanvallen, zelfhaat, sociale isolatie en disfunctioneren op seksueel vlak.4 Ook kan het leiden tot religieuze problemen als men doordrongen raakt van de gedachte dat ze door hun seksuele gerichtheid zondig zijn, of worden gestraft. De initiatiefnemers zijn van mening dat – gelet op de zeer schadelijke gevolgen die conversiehandelingen kunnen hebben – kwetsbare slachtoffers door een specifieke strafbaarstelling van conversiehandelingen moeten worden beschermd tegen dergelijke handelingen. Daartoe strekt dit wetsvoorstel. In mei 2019 is door de Tweede Kamer aandacht gevraagd voor dit onderwerp, middels de moties Bergkamp cs. en Yesilgöz-Zegerius die vroegen om respectievelijk een onderzoek naar en een verbod op conversiehandelingen.5 Aan de eerste motie is door de regering uitvoering gegeven, aan de tweede niet. In mei 2020 ontving de Tweede Kamer het onderzoeksrapport “Voor de verandering” van Bureau Beke en Ateno. Dit onderzoek beschrijft de aard en tot op zekere hoogte de omvang van conversiehandelingen in Nederland en doet verslag van vele persoonlijke verhalen van slachtoffers. Het onderzoek maakt duidelijk dat conversiehandelingen in Nederland voorkomen, en dat slachtoffers hier blijvende schade aan overhouden.
Later dat jaar zou een vervolg op dit onderzoek met concrete beleidsaanbevelingen gepubliceerd worden. Vanwege het uitblijven van dit tweede deel hebben de leden Bergkamp, El Yassini, Van den Hul en Özütok in januari 2021 opnieuw een motie ingediend. Deze nagenoeg unaniem aangenomen motie verzoekt de regering om voor het einde van 2021 te komen met een verbod op conversietherapie. In mei 2021 maakte de regering duidelijk dat zij deze motie niet zouden uitvoeren. De regering gaf aan verder onderzoek te willen doen. Dit vormde aanleiding voor de initiatiefnemers om het heft in eigen hand te nemen en te komen met dit voorstel. De strafbaarstelling van conversiehandelingen stelt twee typen gedragingen strafbaar. Enerzijds gaat het – kort gezegd – om een verbod op het beroepsmatig of in organisatieverband uitvoeren van handelingen die strekken tot het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit van een minderjarige dan wel van een meerderjarige door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht (het voorgestelde artikel 285ba, eerste en tweede lid, Sr). Anderzijds bevat dit wetsvoorstel een verbod op het aanbieden van de voornoemde handelingen, ongeacht de leeftijd van de beoogde slachtoffers (het voorgestelde artikel 285ba, derde lid, Sr).
Met deze leeftijdsgrens en het opsplitsen van het verbod in uitvoeren en aanbieden willen de initiatiefnemers recht doen aan zowel de kwetsbaarheid als de autonomie van de personen die in aanraking komen met conversiehandelingen. Deze afweging wordt verderop nader toegelicht. Leeswijzer I. Algemeen deel 1. Inleiding 2. Probleemschets 3. Constitutionele paragraaf en grondrechten 4. Inzet strafrecht 5. Inhoud van het voorstel 6. Bestaand strafrechtelijk instrumentarium 7. Uitvoeringsaspecten en handhaving 8. Rechtsvergelijking 9. Financiële gevolgen (volgt na consultatie) 10. Administratieve gevolgen (volgt na consultatie) II. Artikelsgewijze toelichting 4
Idem, p. 106 https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2019Z10048&did=2019D20682 & https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2019Z10459&did=2019D23148 5
2
2. Probleemschets 2.1 Aard en omvang van conversiehandelingen Over de aard en omvang van conversiehandelingen in Nederland is recent onderzoek gedaan. Het meest recente en uitgebreide onderzoek is het in 2020 gepubliceerde rapport “Voor de verandering” van Bureau Beke en Ateno. Dit onderzoek bestaat uit een literatuur- en mediastudie, een tweetal websurveys en een aantal interviews. Beide web-surveys hebben een honderdtal reacties opgeleverd vanuit LHBTI’ers en religieuze gemeenschappen. Voor de interviews is gesproken met slachtoffers, deskundigen en vertegenwoordigers van religieuze gemeenschappen. Vanwege de opzet van het onderzoek is er een bias in de respons.6 Ook valt op dat een vijftiental organisaties, welke volgens andere bronnen actief zouden zijn binnen met dergelijk aanbod, niet mee wilden werken met dit onderzoek.7 Het is dus lastig om op basis van de resultaten heldere kwantitatieve uitspraken te doen over de omvang van conversiehandelingen in Nederland. Het onderzoek geeft wel inzicht in de verschillende verschijningsvormen, de aanbieders, de kenmerken van hulpvragers en hun motivaties. 2.1.1 Typen handelingen SOGIECE betreft geen afgebakende praktijk. De internationale literatuur over SOGIECE-activiteiten onderscheidt grofweg vijf typen therapieën.
Het gaat hier om biologische behandelingen, gedragsinterventies, cognitieve therapie, psychoanalyse en religieuze interventies.8 Alhoewel niet uit te sluiten valt dat de overige typen ook in Nederland voorkomen, doet het onderzoek van Bureau Beke en Ateno voornamelijk melding van de laatste categorie. Dit onderzoek spreekt van pastorale gesprekken, therapie, gebedssessies en duivelsuitdrijving. De mate van indringendheid verschilt. Goed om op te merken is dat SOGIECE een term is die wordt gebruikt in de (academische) literatuur. De strafbaarstelling sluit daar niet volledig bij aan. Niet alle in het vervolg besproken vormen van SOGIECE zullen vallen onder de reikwijdte van de strafbepaling. Als wordt gesproken over de beoogde strafbaarstelling wordt gesproken over ‘conversiehandelingen’. Dit wordt verder uitgewerkt in de omschrijving van de strafbepaling in paragraaf 5 en de artikelsgewijze toelichting. Sommige ervaringsdeskundigen geven aan dat ze gesprekken voerden met de predikant of jeugdleiders. Het doel van deze gesprekken was om te leren omgaan met hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Dat kan betekenen dat er duidelijk wordt gemaakt dat homoseksualiteit in strijd is met het de Bijbel en dat men de persoon hulp wil bieden bij het niet-praktiseren van de nietheteroseksuele voorkeur.
Het doel is hier dus niet altijd om de gevoelswereld van de persoon te veranderen, maar wel om de seksuele gerichtheid te onderdrukken. Er zijn ook intensere vormen van SOGIECE. Het gaat hierbij vaak om een reeks van gesprekken met een specifiek persoon. De boodschap in deze gesprekken is: homoseksualiteit past niet binnen de religie en als je wilt kan je ervan af komen. Er worden verhalen gedeeld over ’ex-homo’s’, die door therapie ‘genezen’ zijn van hun homoseksualiteit. Een respondent vertelt: “Op dat moment voelt dat goed want het is een geruststelling dat er een geneesmiddel is voor haar gevoelens. Ook vindt ze het fijn dat haar zondigheid buiten haar ligt: het is iets dat de duivel haar wijsmaakt en dus iets wat weg kan gaan. Achteraf stelt de respondent dat zij gedurende deze periode geïndoctrineerd is.”9 Het doel van deze gesprekken is om de persoon te veranderen of te ‘genezen’ van zijn of haar ‘ziekte’. 6
De onderzoekers erkennen en beschrijven dit op pagina 36. Bureau Beke en Ateno, ‘Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland’, p. 36 8 Idem, p. 39-40 9 Idem, p. 117 7
3
Een andere vorm van de religieuze SOGIECE is het verrichten van gebedssessies. Een respondent vertelt dat er enkele jaren voor hem gebeden is tijdens diensten. Ook kwam het voor dat mensen buiten diensten om voor hem baden. Hierbij was ook sprake van handoplegging en het bidden of spreken in ‘tongen’, dat wil zeggen: in een onverstaanbare klanktaal waarmee men zegt te spreken door de Heilige Geest. In een meer extreme variant kunnen deze gebedssessies gepaard gaan met duivelsuitdrijving. Een ervaringsdeskundige beschrijft hoe hij bij een ouder echtpaar van zijn evangelische gemeente gedurende een lange periode gebedssessies ondergaat, die steeds heftiger worden. “Hem wordt verteld dat zijn voorouders slecht zouden hebben geleefd en er daarom een vloek op hem rust. Hij moet worden bevrijd van deze vloek en de demonen in hem door opnieuw een maagdenvlies te breken om op die manier opnieuw geboren te worden. Handen worden op zijn hoofd gedrukt en hem wordt gezegd dat hij door moet breken. Ze zeggen: “Breek door, breek door, breek door.” De respondent schat in dat deze ‘door-braaksessie’ zo’n half uur tot drie kwartier duurt.”10 Een andere respondent beschrijft een soortgelijke ervaring. “Op die bewuste avond fietst hij naar het huis van het oudstenpaar met een knoop in zijn maag en misselijk. Hoe de avond daarna precies is verlopen, weet hij niet meer.
Maar hij weet dit nog wel: er is deze avond flink voor hem gebeden, met handoplegging. In dit gebed wordt in Jezus’ naam van alles geproclameerd om de gemanifesteerde geest te bevelen om uit zijn lichaam te treden. Hij herinnert zich dat zijn handen volledig verkrampten en hij zijn vingers niet meer kon bewegen. Ook herinnert hij zich dat hij enkele keren heeft moeten overgeven. De oudsten zien dit als een teken dat de geest zich sterk in hem gemanifesteerd heeft en zich er niet zomaar laat uitjagen. Op gegeven moment zeggen de oudsten dat het ‘klaar is’ en de respondent bevrijd is. Hij heeft een andere ervaring: “Er is niets veranderd!””.11 2.1.2 Aanbieders SOGIECE-activiteiten worden aangeboden in minder en meer beroepsmatige vorm. De minder beroepsmatige vorm vindt vaak plaats binnen de eigen religieuze gemeenschap. Het gaat hier bijvoorbeeld om gesprekken tussen de jongere en een senior lid van de gemeenschap of het zogenoemde bevrijdingspastoraat in bepaalde christelijke kringen.
In deze setting komen ook gebedssessies met de jongere en zijn of haar ouders en uitleg over homoseksualiteit vanuit de Heilige Schrift voor.12 De onderzoekers van Bureau Beke en Ateno merken ook op dat een deel van de geloofsgemeenschappen juist ondersteuning biedt bij de acceptatie van de niet-heteroseksuele voorkeur.13 Het onderzoek dat in Nederland is uitgevoerd heeft vooral respons gekregen uit de christelijke hoek. Dat wil echter niet zeggen dat SOGIECE niet ook binnen andere religieuze stromingen voor kan komen. Het onderzoek van Bureau Beke en Ateno kan vanwege het beperkte aantal respondenten niet worden geacht representatief te zijn voor alle situaties van SOGIECE. Ook binnen het jodendom en de islam wordt, voornamelijk vanuit de orthodoxe stromingen, afkeurend gedacht over personen met een nietheteroseksuele gerichtheid. Het is dan ook niet aannemelijk dat SOGIECE zich beperkt tot christelijke religieuze gemeenschappen. Op basis van de gegevens die bij de initiatiefnemers bekend zijn kan echter niet worden vastgesteld wat de aard en de omvang van SOGIECE binnen deze andere religieuze groepen is. Dat er vooral informatie uit christelijke gemeenschappen bekend is geraakt kan ook betekenen dat het emancipatieproces in die gemeenschap verder is ontwikkeld, waardoor mensen naar buiten treden. Initiatiefnemers benadrukken daarom dat het ‘homogenezing’ geen probleem is
10
Idem, p. 118 Idem, p. 122 12 Idem, p. 91 13 Idem, p. 92 11
4
van louter de christelijke gemeenschap. Er zijn ook signalen dat er seculieren zijn die dergelijke diensten aanbieden. Naast de activiteiten als aangeboden binnen religieuze gemeenschappen zijn er aanbieders van hulp en ondersteuning die zowel groepsgewijs diensten aanbieden als ook diensten verlenen op individuele basis. Het gaat hier dus om een meer georganiseerde en beroepsmatige vorm van hulpverlening. Bij de groepsgewijze hulp kan worden gedacht aan seminars, bijbelscholen, conferenties waar vanuit een religieus perspectief over homoseksualiteit wordt gesproken met de hulpvragers. Het is ambivalent of deze organisaties enkel zelfacceptatie en niet-praktiseren van de niet-heteroseksuele gerichtheid tot doel hebben, of dat er ook sprake is van pogingen om de gerichtheid of identiteit te veranderen. Ook zijn er enkele zogenaamde ‘vrijgevestigde therapeuten’ actief, die therapie aanbieden aan LHBTIpersonen die psychische problemen ervaren die samenhangen met hun seksuele gerichtheid en hun geloof. Afgaande op de verhalen van de ervaringsdeskundigen hebben de (soms veel) gesprekken tot doel om te veranderen van een homo- naar een heteroseksuele voorkeur. 14 Veel van de aanbieders adverteren niet openlijk met hun activiteiten, of gebruiken eufemistische termen om hun diensten te omschrijven. Woorden als ‘therapie’ of ‘genezing’ komen niet expliciet voor op de websites.
Het hulpaanbod wordt omschreven met ‘gebedsgenezing’ en ‘zuiver leven’. Over het aantal aanbieders schrijven Bureau Beke en Ateno: “De schatting op basis van de geraadpleegde bronnen is dat het vijftien organisaties of personen betreft, die ook nevenactiviteiten kunnen organiseren (onder meer vakantiekampen, seminars en workshops) waarbij een niet-heteroseksuele gerichtheid kan worden geproblematiseerd en waarbij wordt geprobeerd om deze te ‘verhelpen’.”15
2.1.3 Hulpvragers en hun motivaties Op basis van internationaal onderzoek kan een aantal dingen gezegd worden over de groep personen die een vorm van SOGIECE hebben ondergaan. Een groot deel van de hulpvragers heeft een religieuze achtergrond of vindt religie erg belangrijk. De resultaten van verschillende onderzoek hierover lopen uiteen van ongeveer 50% tot 93% van de respondenten.16 Een tweede gegeven is dat de personen van uiteenlopende leeftijden in aanraking komen met SOGIECE. Een enkel onderzoek heeft respondenten met leeftijden tussen de 11 en 52 jaar oud ten tijde van hun eerste sessie, met een gemiddelde leeftijd van 23.17 Bij overige onderzoeken is enkel de leeftijd bekend op het moment van deelname aan het onderzoek. Hier lopen leeftijden uiteen tussen de 18 en 82, met een gemiddelde van 40.18 Dit suggereert dat hulpvragers op diverse leeftijden met SOGIECE geconfronteerd worden. Een laatste kenmerk is dat personen die ‘uit de kast gekomen zijn’ vaker aan SOGIECE deelnemen dan personen die hun seksuele gerichtheid nog niet bekend hebben gemaakt. Het onderzoek in Nederland laat een beeld zien dat in lijn is met het bovenstaande. Bijna 90% van de respondenten is lid van een religieuze gemeenschap. Het merendeel hiervan is van christelijke signatuur, maar er zijn ook enkele respondenten met een Joodse of Islamitische achtergrond.
Omdat er weinig respons vanuit deze laatste twee gemeenschappen is, is het lastig om met zekerheid iets te zeggen over SOGIECE binnen deze groepen. Het is echter aannemelijk, zoals eerder naar voren gebracht, dat SOGIECE zich niet beperkt tot de christelijke religieuze gemeenschappen. De leeftijden lopen uiteen van enkele minderjarige respondenten tot aan een groot aantal respondenten dat ouder 14
Idem, p. 95 Idem, p. 13 16 Idem, p. 93 17 Flentje, A., Heck, N.C. & Cochran, B.N. (2013). Sexual reorientation therapy interven-tions: Perspectives of ex-ex-gay individuals. Journal of Gay & Lesbian Mental Health, 17(3), 256-277. 18 Bureau Beke en Ateno, ‘Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland’, p. 40 15
5
is dan 40. Alle geïnterviewde personen in het onderzoek van Bureau Beke en Ateno ontwaarden de eerste gevoelens van niet-heteroseksuele gerichtheid tijdens hun pubertijd.19 Van de respondenten ervoer ongeveer 60% enige of forse druk om de seksuele of genderidentiteit om te vormen. In hun perceptie werd deze druk uitgeoefend door henzelf (54%), ouders (48%), overige familie (21%) en de geloofsgemeenschap (55%).20 Alle respondenten aan dit onderzoek hebben als tiener of als jongvolwassene gezocht naar een manier om hun ‘anders zijn’ een plek te geven of te veranderen. Bijna zonder uitzondering is dit een proces van meerdere jaren geweest. Van de groep die hiertoe een externe druk heeft ervaren geeft ongeveer de helft aan dat dit heeft geleid tot pogingen om de seksuele gerichtheid of identiteit te veranderen.21 Ook de eigen religieuze overtuiging kan een beweegreden zijn om hulp te vragen. Internationale literatuur beschrijft dat de religieuze achtergrond ervoor kan zorgen dat men de eigen seksuele gerichtheid beschouwt als immoreel of zondig, waardoor er een intern conflict ontstaat.
Angst voor afwijzing door de gemeenschap of ‘eeuwige verdoemenis’ is een andere drijfveer om deel te nemen aan SOGIECE.22 2.2 Gevolgen van SOGIECE Een scala aan internationaal onderzoek laat zien dat er geen enkel empirisch bewijs is dat SOGIECE succesvol IS in het wijzigen van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit.23 Een aantal onderzoeken geeft blijk van een initieel effect, waarbij deelnemers aan SOGIECE aanvankelijk steun en opluchting ervaren. Echter, deze positieve gevolgen blijken van korte termijn. Er is geen sprake van blijvende verandering.24 Een enkel onderzoek dat wel een blijvende verandering aantoont heeft veel methodologische kritiek ontvangen.25 Er kan dus met zekerheid gesteld worden dat SOGIECE niet het beoogde effect heeft. Voor de volledigheid merken initiatiefnemers wel op dat het feit dat de behandelingen niet het beoogde effect hebben niet redengevend is voor het voorgestelde verbod. Zij hechten er wel waarde aan dat glashelder is dat het bij seksuele gerichtheid en genderidentiteit gaat om onveranderbare persoonskenmerken. Wel redengevend zijn de risico’s op negatieve effecten verbonden aan conversiehandelingen. Deelnemers ervaren door de druk die hen wordt opgelegd afwijzing vanuit de familie, evenals tot positieverlies in de maatschappij, het verliezen van het persoonlijke geloof en tot kwetsbaarheid voor antihomoseksuele vooroordelen.
Ook hebben zij op emotioneel vlak schuldgevoelens en depressieve gevoelens ondervonden, hebben ze een lager zelfvertrouwen en ervaren ze intimiteitsproblemen.26 Deze gevoelens kunnen worden veroorzaakt door een gevoel van afwijzing en falen. Tijdens de therapieën wordt hulpvragers verteld dat ze het conflict omtrent hun seksuele gerichtheid niet hebben kunnen verhelpen doordat ze er te weinig moeite voor hebben gedaan, verdorven waren of bezeten 19
Idem, p. 14 Idem, p. 101 21 Idem, p. 101 22 Idem, p. 42 23 Haldeman, D. C. (2002a). Gay rights, patient rights: The implications of sexual orienta-tion conversion therapy. Professional Psychology: Research and Practice; Maccio, E. M. (2011). Self-reported sexual orientation and identity before and after sexual reorientation therapy. Journal of Gay & Lesbian Mental Health, 15(3); Dehlin, J.P., Galliher, R.V., Bradshaw, W.S., Hyde, D.C. & Crowell, K.A. (2015). Sexual orientation change efforts among current or former LDS church members. Journal of Counseling Psychology. 24 Shidlo, A., & Schroeder, M. (2002). Changing sexual orientation: A consumer’s report. Professional Psychology: Research and Practice; Beckstead, A. L. & Morrow, S. L. (2004). Mormon clients’ experiences of conversion therapy: the need for a new treatment approach. The Counseling Psychologist; Karten, E. Y., & Wade, J. C. (2010). Sexual orientation change efforts in men: A client perspective. The Journal of Men’s Studies. 25 Bureau Beke en Ateno, ‘Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland’, p. 47 26 Idem, p. 48 20
6
waren door demonen. Daarnaast zouden ze zondig, ziek en zwak zijn. Wanneer blijkt dat er geen succes wordt geboekt, gaat de hulpvrager aan zichzelf twijfelen en zichzelf de schuld geven van het ‘mislukken’ van de therapie.27 In de afgelopen jaren is er steeds meer empirisch onderzoek verricht naar de schade die SOGIECE aanricht bij slachtoffers. Onderzoekers richten zich daarbij vooral op mentale schade die voortkomt uit SOGIECE, maar ook op sociaaleconomische gevolgen en bijvoorbeeld verslavingsproblematiek. Bij mentale klachten vinden onderzoekers een correlatie tussen SOGIECE en depressie of zelfmoordpogingen. Uit Amerikaanse vergelijkingen met SOGIECE-slachtoffers en een controlegroep van LHBTI’ers blijkt dat jongeren en jongvolwassenen twee tot wel vijf keer vaker een zelfmoordpoging ondernemen dan de controlegroep28. Bij meervoudige zelfmoordpogingen was het gat tussen slachtoffers en andere LHBTI-jongvolwassenen nog groter. In interviews geven SOGIECE-slachtoffers aan dat ze zich door SOGIECE gebroken en sociaal geïsoleerd voelen.29 Slachtoffers geven ook aan nog onzekerder te zijn over hun identiteit dan bij aanvang van SOEGIECE. Daarbij geldt in het algemeen dat de aangebrachte mentale schade door SOGIECE het grootst is onder kinderen.
De schade is ook significant groter wanneer het initiatief tot SOGIECE door de ouders wordt genomen, maar de uitvoering bij een aparte aanbieder is belegd (zie paragraaf 2.1.2). Naast de correlatie met mentale schade, bestaat er ook een correlatie tussen SOGIECE en sociaaleconomische schade. Uit onderzoek blijkt dat slachtoffers van SOGIECE naderhand in een slechtere sociaaleconomische positie verkeren dan de controlegroep. Concreet gaat het dan om een lager inkomen en een lager opleidingsniveau. Daarbij is het aannemelijk dat de problematiek meervoudig is, dat wil zeggen dat slachtoffers die mentale schade overhouden aan SOGIECE ook sociaaleconomisch worden getroffen. Andersom is ook aannemelijk dat in het algemeen SOGIECE vaker plaatsvindt bij slachtoffers uit huishoudens met een lager inkomen en grotere sociaaleconomische kwetsbaarheid.30 Uit het empirisch onderzoek van Bureau Beke en Ateno naar SOGIECE blijkt dat dezelfde negatieve gevolgen van SOGIECE ook gelden binnen Nederlandse context. Het kan hier gaan om de mentale en fysieke gezondheid, maar ook om problemen in de seksuele identiteit en met sociale contacten.
Respondenten beschrijven kortetermijneffecten zoals depressiviteit, afzondering van hun sociale omgeving en een zeker mate van vervreemding van zichzelf.31 Onder de langetermijngevolgen vallen onder andere: somberheid, angst, paniek(aanvallen), schaamte, twijfel, eenzaamheid, teleurstelling, wanhoop en gebrokenheid. Een aantal respondenten geeft daarnaast aan te hebben geworsteld met
27
Drescher, J. (2015). Can sexual orientation be changed? Journal of Gay & Lesbian Men-tal Health, 19(1), 8493. 28 Green, A. E., Price-Feeney, M., Dorison, S. H., & Pick, C. J. (2020). Self-reported conversion efforts and suicidality among US LGBTQ youths and young adults, 2018. American journal of public health, 110(8), 12211227. Caitlin Ryan, Russell B. Toomey, Rafael M. Diaz & Stephen T. Russell (2018): Parent-Initiated Sexual Orientation Change Efforts With LGBT Adolescents: Implications for Young Adult Mental Health and Adjustment, Journal of Homosexuality, DOI: 10.1080/00918369.2018.1538407 29 Trevor Goodyear, David J. Kinitz, Elisabeth Dromer, Dionne Gesink, Olivier Ferlatte, Rod Knight & Travis Salway (2021): “They Want You to Kill Your Inner Queer but Somehow Leave the Human Alive”: Delineating the Impacts of Sexual Orientation and Gender Identity and Expression Change Efforts, The Journal of Sex Research, DOI: 10.1080/00224499.2021.1910616 30 Salway, T., Ferlatte, O., Gesink, D., & Lachowsky, N. J. (2020). Prevalence of exposure to sexual orientation change efforts and associated sociodemographic characteristics and psychosocial health outcomes among Canadian sexual minority men. The Canadian Journal of Psychiatry, 65(7), 502-509. 31 Bureau Beke en Ateno, ‘Voor de verandering.
Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland’, p. 125 7
een eetstoornis, depressie en zelfmoordgedachten.32 Naast deze psychologische effecten wordt ook melding gedaan van sociale uitsluiting, verlies van contact met de gemeenschap waarin de persoon geworteld is en het verlies van de persoonlijke geloofsbelevenis. De onderzoekers noemen als belangrijke gemeenschappelijke factor dat de ervaringsdeskundigen een jarenlang proces doormaken voordat zij zich kunnen vereenzelvigen met hun seksuele identiteit. De initiatiefnemers benadrukken hier nogmaals dat het onderzoek van Bureau Beke en Ateno gebaseerd is op een beperkt aantal reacties. De hierboven genoemde gevolgen van SOGIECE zijn dan ook vooral een illustratie, die ondersteund wordt door bevindingen uit de internationale wetenschappelijke literatuur. 2.3 Problemen in de aanpak Er is in Nederland momenteel geen wetgeving die SOGIECE expliciet verbiedt. Er bestaan wel bepalingen in het strafrecht en civiel recht die in bepaalde gevallen kunnen worden ingeroepen als er sprake is van SOGIECE. Paragraaf 6 gaat verder in op waarom het bestaande strafrechtelijke instrumentarium niet afdoende is om SOGIECE effectief tegen te gaan. Naast de juridische middelen wordt er ook al een en ander gedaan aan preventie en het vergroten van de acceptatie van LHBTI-personen in religieuze gemeenschappen. Zo wordt er in het onderwijs aandacht besteed aan seksuele diversiteit.
Hierbij werkt het Ministerie van OCW samen met Christelijke organisaties ter bevordering van de acceptatie van LHBTI-personen in de christelijke gemeenschap. Het is echter zeer de vraag of deze inspanningen ook plaatsvinden bij de strenge religieuze omgevingen waar de slachtoffers van SOGIECE zich bevinden. De initiatiefnemers merken hierbij op dat het vooralsnog toegestaan is voor scholen om ouders te vragen bepaalde opvattingen te onderschrijven, waaronder bijvoorbeeld het afkeuren van homoseksualiteit. Een laatste belangrijke lacune in het bestaande middelen om SOGIECE tegen te gaan is het gebrek aan toezicht. Omdat een seksuele gerichtheid of genderidentiteit nooit als ziekte of aandoening mag worden gezien, ligt bij pogingen gericht op het veranderen van een seksuele gerichtheid of genderidentiteit in beginsel geen taak bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Ook is er vanuit de religieuze gemeenschap geen interne regulering. Een poging om een gedragscode op te stellen is in 2021 gestrand vanwege een gebrek aan draagvlak vanuit de religieuze koepelorganisaties. Het CIO en het CMO hebben aangegeven dat zij niet mee willen werken aan de totstandkoming van een gedragscode.33 Dit vormt voor de initiatiefnemers ook een belangrijk signaal dat een verbod op conversiehandelingen nodig is.
3. Verhouding tot hoger recht Diverse constitutionele aspecten dienen te worden meegewogen in de besluitvorming aangaande dit voorstel. Het betreft dan met name grondrechten. Een verbod op conversiehandelingen beschermt mensen tegen inbreuken op hun grondrechten door derden. Anderzijds dient de staat bij een dergelijk verbod en de bepaling van de reikwijdte daarvan rekening te houden met mogelijk relevante grondrechten van die derden, in het bijzonder plegers. Grondwet Conversiehandelingen leveren ten eerste spanning op met het recht op eerbiediging van de 32
Idem, p. 126 Kamerstukken II, 20202021, 4024 Aanhangsel (Beantwoording Kamervragen van de leden Van der Woude en Van der Laan) 33
8
persoonlijke levenssfeer (art. 10 lid 1 GW). Seksuele gerichtheid en genderidentiteit betreffen onveranderlijke persoonskenmerken. Pogingen deze kenmerken, eventueel met gebruikmaking van manipulatie of dwang, te veranderen of te onderdrukken zijn geestelijk buitengewoon invasief en potentieel schadelijk voor de persoon die de behandeling ondergaat.34 Ook kan bij bepaalde vormen van SOGIECE de integriteit van het lichaam in het geding zijn (art. 11 GW). Initiatiefnemers zien het ongestoord kunnen beleven en uitdragen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit als een fundamenteel uitgangspunt bij het eerbiedigen van de persoonlijke levenssfeer. Grondrechten zijn er echter ook aan de kant van aanbieders. Zo kan betoogd worden dat het aanbieden en uitvoeren van SOGIECE kan vallen onder de vrijheid van godsdienst (art. 6 GW) als er sprake is van een religieus motief. Artikel 6 van de Grondwet bepaalt dat eenieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Of SOGIECE al valt onder het ‘belijden’ van godsdienst is in die zin minder van belang, omdat de godsdienstvrijheid al bij wet beperkt kan worden.
Voorts zijn initiatiefnemers van mening dat een beroep op de godsdienstvrijheid zeker niet zonder meer opgaat omdat conversiehandelingen worden uitgevoerd bij een ander. Wanneer iemand de intentie heeft bijvoorbeeld de seksuele gerichtheid van een ander te veranderen of te onderdrukken, dan kan volgens initiatiefnemers in principe geen succesvol beroep worden gedaan op de vrijheid van godsdienst van degene die de conversiehandelingen verricht. De grenzen van het belijden van en uitvoering geven aan van de eigen godsdienst zijn dan naar hun oordeel gepasseerd. Initiatiefnemers wijzen daarbij ook op de bijzondere positie van minderjarigen. Kinderen staan onder ouderlijk gezag en daardoor hebben ouders een voorname rol in de invulling van vrijheidsrechten. Ouders hebben op basis van verschillende bepalingen uit internationale verdragen de vrijheid om hun kind naar eigen inzicht op te voeden, zonder dat de overheid zich hierin mengt.35 Dat betekent echter niet dat ouders op dezelfde manier kunnen beschikken over hun kinderen zoals een volwassene over zichzelf kan beschikken. Het ouderlijk gezag omvat immers belangrijke plichten ten aanzien van de zorg voor het lichamelijk en geestelijk welzijn van het kind (art. 1:247 BW). Daarbij hebben zij een rol in het beschermen van het belang van het kind, zoals dat in het IVRK is vastgelegd.
Voor ouders staat dan in de context van conversiehandelingen dan ook niet de (eigen) vrijheid van religie, maar de ouderlijke autonomie centraal. Die ouderlijke autonomie kan het laten ondergaan van conversiehandelingen van het eigen kind naar oordeel van initiatiefnemers niet rechtvaardigen, omdat de belangen van het kind worden geschaad.36 Hoewel het wetsvoorstel in beginsel niet ziet op de privésetting (hetgeen enkel binnen het huishouden plaatsvindt) is dit van belang als ouders betrokken zijn bij conversiehandelingen jegens hun kind, die door een ander in diens ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie worden verricht. Ten aanzien van een beroep op artikel 23 van de Grondwet, inhoudende de vrijheid van onderwijs, zijn initiatiefnemers van mening dat dit artikel niet op kan gaan voor handelingen binnen scholen die neerkomen op conversiehandelingen. Handelingen die erop zijn gericht iemands seksuele gerichtheid en genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken kunnen niet vallen onder ‘het geven van onderwijs’ in de zin van artikel 23, tweede lid, van de Grondwet. Het heeft immers niets van doen met onderwijs. Initiatiefnemers merken daarbij in het licht van eerdere discussies op dat scholen zorg dienen te dragen voor een veilige omgeving voor LHBTI-jongeren. Scholen zijn daarbij ook gebonden aan gelijkebehandelingswetgeving.
Bij het voorgaande moet wel in acht worden genomen dat er een verschil is tussen het willen veranderen of onderdrukken van de genoemde persoonskenmerken enerzijds en het afkeuren van 34
Zie paragraaf 2.2 over de gevolgen van conversietherapie. Zie onder meer Artikel 18 lid 4 IVBPR, artikel 13 lid 3 ICESCR, artikel 8 EVRM, artikel 5 IVRK. 36 Het weigeren van bloedtransfusies en vaccinaties op grond van godsdienstige motieven · Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid · BJu Tijdschriften 35
9
deze kenmerken en de zaken die voortvloeien uit die kenmerken anderzijds. Dat laatste valt in beginsel onder de vrijheid van meningsuiting, tenzij sprake is van een uitingsdelict. Centraal staat –zo is dat ook opgenomen in de voorgenomen strafbepaling- de intentie. Het moet immers gaan om – kort gezegd – handelingen die gericht zijn op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit van een ander. Verdragen Diverse mensenrechtenverdragen spreken zich ook uit over rechten die in het gedrang kunnen komen door conversiehandelingen. Initiatiefnemers beperken in de memorie van toelichting zich tot de twee verdragen die naar hun oordeel het meest van belang zijn voor het voorstel: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK). EVRM Uit de verdragstekst van het EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) komt niet naar voren of lidstaten geboden zijn een verbod op conversiehandelingen in te voeren of juist dat een dergelijk verbod in strijd zou zijn met het verdrag. Er is initiatiefnemers geen jurisprudentie bekend van het EHRM die betrekking heeft op conversiehandelingen. Artikel 8 van het EVRM beschermt het recht ‘private life’.
Initiatiefnemers zien een verbod op conversiehandelingen als middel om dat recht te beschermen. Initiatiefnemers lezen in artikel 8 mede het recht om de eigen, aangeboren (seksuele) identiteit te hebben en in de beleving daarvan niet door derden te worden gestoord. Conversiehandelingen impliceren de boodschap dat er iets ‘mis’ is met LHBTI-personen, of dat zelfs sprake is van een ziekte. Dergelijke problematisering draagt bij aan een onveilig klimaat voor niet-heteroseksuelen en niet-cisgender personen. Daarbij kent ook het EVRM de vrijheid van religie, vastgelegd in artikel 9, eerste lid, van dat verdrag. De jurisprudentie van het EHRM werkt artikel 9 verder uit. Er is de initiatiefnemers geen jurisprudentie bekend die verder ingaat op SOGIECE en artikel 9 EVRM. Bij een concreet voorliggend geval zal de rechter diverse vragen moeten beantwoorden. Zo zal deze moeten bezien of er sprake van godsdienst en of er sprake is van een voldoende nauw en direct verband tussen de handelingen en de godsdienst.37 Dergelijke vragen zullen per geval beantwoord moeten worden. De initiatiefnemers zijn van oordeel dat het aan aanbieden dan wel uitvoeren van conversiehandelingen op zijn hoogst behoort tot de periferie van de godsdienstvrijheid, en niet tot de kern.
Voor zover een strafrechtelijk verbod van conversiehandelingen in een voorliggend geval wel inbreuk zou maken op de godsdienstvrijheid, dan komt de beperkingssystematiek van artikel 9 aan de orde. Het tweede lid regelt onder welke voorwaarden het recht op vrijheid van religie beperkt kan worden. De vrijheid zijn godsdienst te belijden of overtuiging tot uiting te brengen kan, zo stelt het artikel, aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De voorgestelde regeling kan die toets volgens initiatiefnemers zeker doorstaan. Het voorstel voorziet in een wettelijke regeling die noodzakelijk is om de gezondheid en de rechten en vrijheid van anderen te beschermen, specifiek LHBTIQA+-ers en met name minderjarigen binnen die groep. Het voorstel is naar oordeel van de initiatiefnemers zonder meer proportioneel, al is het maar omdat de verbodsbepaling het niet moeilijker maakt om een geloof te belijden en te praktiseren. Het verbod ziet op een zeer specifieke praktijk, die niet gezien kan worden als essentieel voor de geloofsbeoefening. 37
EHRM 15 januari 2013, App. 48420/10, ro. 82; ABRvS 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2715 10
Daarnaast wordt voldaan het vereiste van subsidiariteit. Een strafrechtelijk verbod gaat ver en geldt als ultimum remedium. Initiatiefnemers zijn van mening dat lichtere middelen niet volstaan. Het strafbaar te stellen gedrag is naar oordeel van de initiatiefnemers dusdanig verwerpelijk en schadelijk dat bijvoorbeeld alleen informatievoorziening of bestuursrechtelijke handhaving een onvoldoende zwaar middel is. IVRK Dan is er het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind. Artikel 3 lid 1 IVRK luidt: ‘Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.’ Wat ‘het belang van het kind’ inhoudt wordt verder uitgewerkt in de rest van het verdrag en in de zogeheten ‘general comments’.
Daarbij nemen de ratificerende staten volgens artikel 19 ‘alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, terwijl het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft’. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt een praktijk te verbieden die zeer schadelijk kan zijn voor kinderen. Door de norm te stellen dat conversiehandelingen ten aanzien van kinderen volstrekt onacceptabel zijn en strafrechtelijke vervolging mogelijk te maken beschermt het voorliggende wetsvoorstel kinderen tegen schadelijke handelingen. Ook andere artikelen van het IVRK kunnen worden ingeroepen ter ondersteuning van het initiatiefwetsvoorstel. Zo bepaalt artikel 16 dat geen enkel kind mag worden onderworpen aan een willekeurige of onrechtmatige inmenging in zijn of haar privéleven. General comment 13 gaat uitdrukkelijk over de rol van de staat in de bescherming van kinderen tegen mentaal geweld.
Verder kunnen het recht op gezondheid, het verbod van foltering en vrijheidsberoving en het recht op ontwikkeling worden genoemd.38 De ouderlijke verantwoordelijkheid zoals vastgelegd in artikel 18 van het IVRK kan geen rechtvaardiging zijn als die verantwoordelijkheid wordt aangewend voor schadelijke behandeling. 4. Inzet strafrecht Initiatiefnemers onderschrijven, zoals ook naar voren gebracht in de constitutionele paragraaf, het uitgangspunt dat een strafrechtelijk verbod alleen aan de orde dient te zijn als andere middelen niet voldoen. Daarnaast zijn er andere overwegingen en uitgangspunten die een rol dienen te spelen als strafbaarstelling aan de orde is. Er is geen bindend kader dat voorschrijft wanneer een strafbepaling een geëigend middel is. In de literatuur worden wel criteria geformuleerd die behulpzaam kunnen zijn bij de beantwoording van de vraag of strafbaarstelling wenselijk is. De door Cleiren39 geformuleerde criteria zijn: het moreel verwerpelijk karakter van het gedrag, het tolerantiecriterium, het principe van ultimum remedium, het schadeprincipe, het criterium van handhaafbaarheid en effectiviteit, en de frequentie van het gedrag. Op basis van deze criteria komt een genuanceerd beeld naar voren. De criteria zullen hier worden besproken. Ten eerste komt het moreel verwerpelijke karakter van het gedrag naar voren.
Conversiehandelingen dragen uit dat er iets mis is met seksuele gerichtheden en genderidentiteiten die afwijken van wat als de ‘norm’ wordt gezien. Nog altijd zijn LHBTI-personen slachtoffer van discriminatie en worden zij minder geaccepteerd dan niet-LHBTI-personen. Omdat deze groepen toch 38
Respectievelijk art. 24, 37 en 6 IVRK C.P.M. Cleiren e.a., Criteria voor strafbaarstelling in een nieuwe dynamiek, Den Haag: Boom Lemma Uitgevers 2012 39
11
al kwetsbaar zijn, en des te meer wanneer zij opgroeien in een conservatieve omgeving, gaat het in de voorliggende casuïstiek om zeer kwetsbare, veelal jonge mensen. Seksuele gerichtheid en genderidentiteit zijn onveranderbare persoonskenmerken en de notie dat deze persoonskenmerken veranderd dienen te worden door een derde (hetgeen niet mogelijk is) is naar oordeel van initiatiefnemers zeer verwerpelijk. Dat het verwerpelijk gedrag betreft komt ook door de schade die conversiehandelingen tot gevolg kunnen hebben. Het schadeprincipe speelt zodoende ook een rol. Initiatiefnemers verwijzen in dit kader naar hetgeen is verhandeld onder paragraaf 2.2 over de gevolgen van SOGIECE. Dat deze schade niet in ieder geval aan de orde is doet niet af aan de toepasbaarheid van het schadeprincipe. Hetzelfde geldt immers voor tal van andere misdrijven, waaronder misdrijven die reeds in dezelfde titel zijn opgenomen als waarin de voorgestelde strafbepaling zou worden geplaatst. Het tolerantiecriterium kan door voor- en tegenstanders worden aangehaald. Ten eerste vanwege de opvatting dat eenieder de vrijheid toekomt om zich naar eigen inzicht en mogelijkheden te ontplooien. Strafbaarstelling dient anderzijds niet in de weg te staan aan respect en verdraagzaamheid jegens levensbeschouwelijke opvattingen en gedragingen van anderen.
Ook als er sprake is van schadelijk gedrag, kan het nog steeds zijn dat de wetgever niet moet overgaan tot strafbaarstelling, vanwege de te grote inbreuk die daarmee op de persoonlijke vrijheid wordt gemaakt. Initiatiefnemers zijn van mening dat de belangen van de personen die onderwerp zijn van de behandeling binnen de kaders van het tolerantiecriterium zwaarder wegen. De belangen van uitvoerders wegen minder zwaar, zeker daar waar slachtoffers minderjarig zijn. Tot slot impliceert de frequentie van het gedrag dat, bij gedrag dat zeer frequent voorkomt, de wetgever zich moet afvragen of strafbaarstelling past in het sociale beeld van strafwaardigheid én of bestrijding via het strafrecht wenselijk en haalbaar is. Uit het onderzoek dat in Nederland is gedaan blijkt dat er diverse aanbieders in Nederland zijn.40 Deze praktijken spelen zich daarbij buiten het zicht van het publiek, juist omdat er in Nederland weinig tolerantie is voor SOGIECE. De handhaafbaarheid en effectiviteit van de regeling zijn niet bij voorbaat eenvoudig te beoordelen. Er zijn in het bijzonder twee punten waarop in de praktijk de handhaafbaarheid tegen problemen aan kan lopen. Ten eerste gaat het dan om de bewijsbaarheid van specifieke handelingen.
Dat kan dan gaan om het hebben van bepaalde zeer indringende gesprekken of bijvoorbeeld pseudopsychotherapeutische sessies met de strekking de genderidentiteit of seksuele gerichtheid te veranderen of te onderdrukken. Het zal niet altijd eenvoudig zijn om aan te tonen dat dergelijke handelingen feitelijk hebben plaatsgevonden. Vaak gaat het immers, net als bij delicten als bedreiging, om uitingen. Naar hun aard zijn uitingen vaak ingewikkeld aan te tonen. Er zullen immers niet altijd getuigenverklaringen, documenten en fysieke bewijzen beschikbaar zijn, zoals dat bijvoorbeeld vaak het geval is bij belaging (art. 285b Sr). Initiatiefnemers zien hier praktische uitdagingen, maar niet in sterkere mate dan bij reeds bestaande misdrijven. Uitdagingen ten aanzien van de bewijslast kunnen zich ook voordoen ten aanzien van het niet-openbaar aanbieden van de handelingen. Dan ziet het immers mede op een besloten context, hetgeen de opsporing bemoeilijkt. Ten tweede is er de intentie van de pleger, die een centrale rol speelt in de voorgestelde regeling. Het opzet dient gericht te zijn op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit van een ander. Dit opzet draagt bij aan de strafwaardigheid van de strafbaar gestelde gedragingen.
Wat betreft de bewijsdrempel die deze opzeteis meebrengt, merken de initiatiefnemers op dat het bewijs van dat opzet kan worden gebaseerd op vastgestelde objectieve feiten en omstandigheden, waaronder de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. In deze bewijsdrempel wordt dan ook geen aanleiding gevonden om af te zien van een strafrechtelijk verbod.
Bureau Beke en Ateno, ‘Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland’ 40
12
Gezien het bovenstaande achten de initiatiefnemers een strafrechtelijk verbod doelmatig, proportioneel en gepast. 5. Inhoud van het wetsvoorstel Strafbepalingen Het wetsvoorstel voorziet primair in het toevoegen van een nieuw artikel in het Wetboek van Strafrecht, artikel 285ba, houdende verboden om handelingen uit te voeren die gericht zijn op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit van een ander die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel van een meerderjarige persoon door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Het derde lid bevat een verbodsbepaling ten aanzien van het openbaar aanbieden van de genoemde handelingen, waarbij de leeftijd van degene aan wie het aanbod gericht is niet uitmaakt. Het vierde lid bevat een strafverzwaringsgrond voor gevallen waar in het delict uit het eerste of tweede lid wordt gepleegd door een persoon die daarvan een gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen. Het vijfde lid voorziet in de mogelijkheid om een beroepsverbod op te leggen indien feiten uit het eerste, tweede of derde lid worden gepleegd binnen een beroep. Initiatiefnemers lichten allereerst de keuzes uit het voorgestelde artikel 285ba toe, alvorens zij overgaan tot het toelichten van de gerelateerde bepalingen in het voorstel.
In de wettekst wordt bewust niet gesproken van ‘conversietherapie’. Dit enerzijds omdat die term geen recht doet aan de diversiteit van de bedoelde problematiek, maar bovendien omdat de term ‘therapie’ een zekere medische aard van de behandeling of een vorm van hulpverlening kan impliceren. Van (medische) noodzaak, wenselijkheid of zelfs onderbouwing is bij de bedoelde problematiek geen sprake. Initiatiefnemers hebben met de bewoordingen in het wetsvoorstel getracht aan te sluiten bij de internationale term ‘SOGIECE: sexual orientation and gender identity and expression conversion efforts. Buitenlandse studies duiden het brede scala aan prakijken, gericht op onderdrukking, ontmoediging en verandering, middels deze term.41 De initiatiefnemers benadrukken dat niet alle handelingen die in de internationale literatuur worden gevat onder de noemer SOGIECE ook per definitie vallen onder de reikwijdte van deze strafbepaling. Zoals eerder genoemd verwijst SOGIECE naar een breed spectrum van activiteiten. In het wetsvoorstel gaat het om handelingen die strekken tot ‘veranderen of onderdrukken’. Met veranderen wordt bedoeld het veranderen van een, bijvoorbeeld, homoseksuele gerichtheid naar de heteroseksuele of aseksuele gerichtheid bij een individu, of bijvoorbeeld het veranderen van de genderidentiteit naar een identiteit die overeenstemt met het biologische geslacht.
Met ‘onderdrukken’ wordt bedoeld het onderdrukken van de gevoelens die uit de seksuele gerichtheid of de genderidentiteit voortkomen. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het initiëren van pseudo-psychotherapeutische sessies die beogen die gevoelens te verminderen of het toedienen van libidoremmende medicatie. Het ‘veranderen of onderdrukken’ gaat dus verder dan het enkel afkeuren van een seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Dit laatste valt expliciet niet onder de reikwijdte van deze strafbepaling. Men kan immers iets afkeuren, zonder dit ook te willen veranderen of onderdrukken. De initiatiefnemers zijn zich bewust van het gegeven dat het niet altijd eenvoudig te stellen is of er sprake is van een intentie om te ‘veranderen of onderdrukken’. Seksuele gerichtheid heeft betrekking op tot welke gender(s) of geslacht(en) een persoon zich romantisch en/of seksueel toe aangetrokken voelt. Het maakt voor dit wetsvoorstel niet uit in welke Bureau Beke en Ateno, ‘Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland’, p. 8 41
13
richting de seksuele gerichtheid wordt gepoogd te veranderen of welke vorm van seksuele gerichtheid wordt gepoogd te onderdrukken. Genderidentiteit gaat over iemands persoonlijke beleving van zijn/haar/hen gender. Deze genderidentiteit hoeft niet altijd overeen te komen met iemands genderexpressie. Bij een poging de genderidentiteit te onderdrukken kan men denken aan pogingen om bij een transvrouw de vrouwelijke genderidentiteit te onderdrukken of proberen te veranderen. De ‘’genderexpressie’’ is, anders dan in bijvoorbeeld de AWGB en de voorgenomen wijzigingen op de artikelen 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht, niet opgenomen. ‘’Genderexpressie’’ verwijst naar de manier waarop iemand (onder meer door kleding, spraak en manier van gedragen) vormgeeft aan deze genderidentiteit, en de manier waarop deze gepercipieerd wordt door anderen. Genderexpressie omvat eveneens occasionele, of tijdelijke vormen van uitdrukking geven aan gender.42 Het is daarmee een andere type persoonskenmerk dan ‘’seksuele gerichtheid’’ en ‘’genderidentiteit’’. Die kenmerken zijn niet te veranderen door een derde, terwijl genderexpressie iets is dat juist dynamisch is. Ook verboden die gelden in het buitenland noemen ‘’genderexpressie’’ niet.
Leeftijdsgrens lid 1 Er is voor gekozen om het eerste lid slechts te doen strekken tot conversiehandelingen die worden uitgevoerd bij minderjarigen en een beperkte groep meerderjarigen. Aangaande het derde lid, betreffende het openbaar aanbieden van de diensten, is gekozen voor een totaalverbod. Dat betreft een soortgelijke constructie als in Duitsland, verwezen wordt naar de rechtsvergelijkende paragraaf. Initiatiefnemers hebben meerdere varianten in overweging genomen bij het opstellen van de wettekst. Zo is ook nagedacht over een totaalverbod aangaande de handelingen, alsook een alternatieve leeftijdsgrens. Voor een totaalverbod spreekt dat een totaalverbod meer duidelijkheid en (rechts)zekerheid geeft en eenvoudiger te handhaven is. Anderzijds grijpt een totaalverbod ook in in de vrijheid van een weldenkend en volwassen individu dat bepaalde handelingen wenst te ondergaan. Ingrijpen middels het strafrecht gaat dan te ver. Ook is de mogelijkheid in overweging genomen een alternatieve leeftijdsgrens te hanteren. Daarvoor spreekt dat slachtoffers in de meeste gevallen jongvolwassenen lijken te zijn. Initiatiefnemers zijn echter van mening dat als tot een andere leeftijdsgrens dan reeds gebruikelijk is in het strafrecht zou worden besloten, nadere bezinning nodig is over leeftijdsgrenzen in het strafrecht in bredere zin.
De seksuele meerderjarigheid vangt aan bij zestien jaar, en kinderen onder de twaalf jaar zijn ook sterker beschermd maar verder kent het wetboek van strafrecht –ten aanzien van slachtoffers- enkel de grens van achttien jaren. Ook specifiek de titel betreffende misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid kent geen hogere grens dan achttien jaren. Het jeugdstrafrecht geldt ten hoogste tot de leeftijd van drieëntwintig jaar, maar deze leeftijdsgrens heeft procedurele gevolgen en daarmee een andersoortig karakter.
Medische exceptie niet geëxpliciteerd De in het eerste lid opgenomen strafbaarstelling strekt zich niet uit tot handelen in het kader van een verantwoorde medische beroepsuitoefening (de zogeheten ‘medische exceptie’). Dergelijk handelen is op grond van de algemene strafuitsluitingsgronden niet strafbaar.43 Zo kan een geslachtsveranderende invloed hebben op hoe iemand zich identificeert. Dat wordt niet strafbaar met dit voorstel. Sterker: initiatiefnemers benadrukken dat eenieder wiens ervaren geslacht niet overeenkomt met het biologische geslacht het recht heeft om zich tot een arts te wenden. Wil de medische exceptie van toepassing zijn dan dient wel aan bepaalde cumulatieve vereisten voldaan te zijn. Een ander voorbeeld is dat libidoverlagende medicatie wordt voorgeschreven bij behandeling van 42 43
Kamerstukken II, 2016/17, 34 650, nr. 3 J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, p. 348 14
hyperseksualiteit en parafilieën en dat dit mogelijk kan worden gezien als ‘onderdrukking van de seksuele gerichtheid’. Het wetsvoorstel beoogt echter niet om een dergelijke medische behandeling criminaliseren. Uit de jurisprudentie blijkt dat een arts die een beroept wenst te doen op de exceptie aannemelijk moet maken dat (1) de behandeling medisch geïndiceerd is met het oog op een concreet behandelingsdoel, (2) hij heeft gehandeld naar de geldende medisch-professionele standaard en (3) hij toestemming had van de patiënt.44 De medische exceptie als strafrechtelijke rechtvaardiging vervalt bij handelen in strijd met de geldende professionele standaard. De professional zal zich, zo blijkt uit de jurisprudentie, moeten gedragen als goed hulpverlener.45 Kwetsbare volwassenen: misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht Het wetsvoorstel bevat, in het tweede lid van de kernbepaling, een norm die een tamelijk open karakter kent en in de prakrijk wordt ingevuld door de rechtspraak, namelijk ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’. Initiatiefnemers hebben hiertoe besloten omdat zij reden zien de strafrechtelijke bescherming verder te doen reiken dan slechts het beschermen van minderjarigen.
Initiatiefnemers willen niet uit het oog verliezen dat (potentiële) slachtoffers van conversiehandelingen veelal kwetsbaar zijn en, zoals eerder naar voren gebracht, het in de meeste gevallen (jonge) meerderjarigen betreft. De motie Bergkamp c.s. riep daarom ook op tot een verbod ten aanzien van minderjarigen en kwetsbare volwassenen.46 Initiatiefnemers hebben er mede gelet op het bovenstaande voor gekozen om handelingen die ertoe strekken de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een meerderjarige persoon door ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ te veranderen of te onderdrukken, onder het beschermingsbereik van de strafbaarstelling te brengen. Dezelfde formulering nu reeds terug te vinden is in het Wetboek van Strafrecht, in de artikelen 248a en 273f, die toepassing vinden bij situaties van het tot ontucht verleiden van minderjarigen en mensenhandel. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop verder ingegaan. Verbod op aanbieden Het argument van zelfbeschikking geldt minder sterk ten aanzien van het aanbieden van de diensten. Initiatiefnemers zijn van oordeel dat het van belang is dat de praktijk van conversiehandelingen zich niet verder ontwikkelt. Mede met oog daarop stellen zij een algeheel verbod voor op het, in welke vorm dan ook, aanbieden van conversiehandelingen.
Dat behelst ook het aanbieden binnen een meer besloten context, zoals binnen een vereniging of in een persoonlijk gesprek. Een nadeel van het tevens verbieden van het aanbieden buiten de openbaarheid is dat deze gevallen in de praktijk moeilijker bewijsbaar en dus moeilijker vervolgbaar zullen zijn. Anderzijds zullen bij vrijwel elke strafbaarstelling gevalstypen zijn die in de regel moeilijker bewijsbaar zijn. Strafverzwaringsgrond Initiatiefnemers hebben tevens de keuze gemaakt voor het toevoegen van een strafverzwaringsgrond in het vierde lid. Deze grond ziet op gevallen waarin de gedraging van het eerste en tweede lid wordt gepleegd door een persoon die daarvan een gewoonte maakt of door twee of meer verenigde personen. Daarvoor is gekozen omdat het bij herhaling of in vereniging plegen van het feit nog verwerpelijker en tevens potentieel schadelijker is dan het basisdelict. 44
Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 30 oktober 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:13243 (Haagse Borstendokter), ro. 6.2.3. 45 Hoge Raad 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1093 (Haagse borstendokter), ro. 5.1 e.v. 46 Kamerstukken II 2020/21, 35570 XVI, nr. 181 15
Beroepsverbod Voorts hebben initiatiefnemers geopteerd voor de mogelijkheid voor de strafrechter om tevens een bepaald ambts- of beroepsverbod op te leggen aan de persoon die het feit pleegt in uitoefening van zijn ambt of beroep. Verjaringstermijn Initiatiefnemers hebben ervoor gekozen om de verjaringstermijn (die zes jaar bedraagt) pas aan te laten vangen op de dag na de dag waarop degene jegens wie het feit gepleegd is de leeftijd van achttien jaar bereikt, in de gevallen waarin diegene op het moment van het ondergaan nog minderjarig was. Initiatiefnemers hebben hiervoor gekozen omdat het doen van aangifte voor een minderjarige een grote stap is. Daarnaast kan de schade zich soms ook pas later uiten. Ook wordt aangesloten bij artikel 284 Sr (dwang), waarbij de verjaringstermijn ook aanvangt bij het bereiken van de meerderjarigheid van de persoon tegen wie het feit is gepleegd. Spreekrecht Middels de toevoeging aan artikel 51e Sv verzekeren initiatiefnemers het spreekrecht van personen die daartoe gerechtigd zijn. Hiermee wordt ook aangesloten bij onder meer de artikelen 285 en 285b Sr (respectievelijk bedreiging en belaging), waarvoor ook het spreekrecht geldt. Conversiehandelingen kunnen uitermate invasief zijn en, zoals besproken in paragraaf 2.2 ernstige gevolgen hebben voor slachtoffers.