1d. bijlage - Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de.pdf
Tekst van het document
Voor de verandering Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van de seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland Voortgangsrapportage mei 2020
Bureau Beke Anton van Wijk Joey Wolsink Gerine van Barneveld
Ateno Paul Gruter Peter Kruize Teddy van Suchtelen
1
Inhoudsopgave Vooraf
5
Samenvatting
8
Summary
17
1 Inleiding
25
2 Opzet en uitvoering van het onderzoek 2.1 Deskresearch 2.1.1 Literatuurstudie 2.1.2 Analyse nieuwsberichten 2.2 Websurveys 2.2.1 Survey geloofsgemeenschappen 2.2.2 Survey onder LHBTI-groepen 2.3 Interviews deskundigen 2.3.1 Ervaringsdeskundigen (N=14) 2.3.2 Aanbieders (N=3) 2.3.3 Professionals (N=12) 2.3.4 Vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen (N=8) 2.4 Expertsessies 2.5 Conceptueel kader en begrippen 2.6 Reflectie
28 28 28 28 29 29 31 32 32 32 33 33 34 34 35
3 Literatuuroverzicht en afbakening 3.1 De omvang van conversietherapieën 3.2 De aard van conversietherapieën 3.2.1 Typen therapieën 3.2.2 Typen hulpvragers 3.2.3 De motivaties van hulpvragers 3.2.4 De aanbieders 3.2.5 De motivaties voor het aanbieden van conversietherapieën 3.3 Effectiviteit van de homogenezingspraktijken 3.3.1 Gematigd effectieve studies 3.3.2 Effectieve studies 3.3.3 De methodologische kritiek op de onderzoeken 3.4 De risico’s van deelname aan conversietherapieën 3.5 Resumé
37 37 38 38 40 42 42 44 45 45 46 47 48 50
4 Media over ‘homogenezing’ 4.1 ‘Homogenezing’ in de media 4.2 Bronnen
51 51 52
2
4.3 4.3.1 4.3.2 4.4 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.5.4 4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7
Hulpvragers en ervaringen Negatieve ervaringen Positieve ervaringen Organisaties en praktijken Homogenezing in het buitenland De VS Malta Engeland Duitsland Analyse Beeldvorming in de Nederlandse media Functie van het debat Een debat over acceptatie Resumé
53 54 56 57 60 61 62 62 63 63 63 64 65 66
5 SOGIECE: opinies binnen de geloofsstromingen 5.1 Geloofsgemeenschappen 5.1.1 Geloven in Nederland: enkele cijfers 5.1.2 Verschuiving van discours in tijd 5.1.3 In de christelijke geloofsgemeenschappen: een continuüm 5.1.4 Religie: theorie versus de dagelijkse praktijk 5.2 SOGIECE in een religieuze context 5.2.1 Protestantisme 5.2.2 Rooms-Katholieke Kerk 5.2.3 Jodendom 5.2.4 Islam 5.3 Resumé
68 68 68 69 71 73 74 74 84 85 86 87
6 Aard en omvang van SOGIECE-activiteiten 6.1 Aanbieders 6.1.1 Omvang van het aanbod 6.1.2 Aard van het aanbod 6.2 Hulpvragers 6.2.1 Omvang 6.2.2 Leeftijden, sekse en religieuze achtergronden 6.2.3 Acceptatie van LHBTI-personen in hun sociale context en de geloofsgemeenschap 6.2.4 Vormen van verandering 6.2.5 Moment van verandering 6.2.6 Omvang van SOGIECE 6.2.7 Gevolgen van SOGIECE 6.3 Resumé
89 89 89 90 95 96 96 99
3
101 104 106 106 108
7 Persoonlijke verhalen van ervaringsdeskundigen 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9 7.9.1 7.9.2 7.9.3 7.10
Opgroeien, het gezin en de kerk Ontdekking van seksuele gerichtheid Reactie ouders Reactie omgeving Reactie geloofsgemeenschap en haar leden Motivaties voor aanpassing of verandering Ervaringen met diverse vormen van SOGIECE Ervaringen rond ommekeer Gevolgen van SOGIECE Mentale gezondheid Sociale leven Geloofsbeleving Resumé
109 109 110 111 112 113 114 115 123 124 124 128 130 131
8 Aanpak in buitenland en Nederland (volgt)
133
9 Conclusies 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8
134 134 135 136 137 138 139 139 139
Methodologische reflectie Verschijningsvormen en aanbieders Context Geschatte omvang Profiel van ervaringsdeskundigen Gevolgen SOGIECE: een probleem? Aanpak volgt
Geraadpleegde bronnen
140
Bijlage 1: Enquête geloofsgemeenschappen
152
Bijlage 2: Vragenlijst LHBT+-gemeenschap
158
Bijlage 3: Coderingsformat Mediaresearch en Landtabellen
165
4
Vooraf Als onderzoekers willen we de lezer graag meenemen in een aantal overwegingen die hebben meegespeeld tijdens het onderzoek naar dit precaire onderwerp en de invalshoek die daarbij is gekozen. De aanleiding voor dit onderzoek is de zorg bij verschillende Kamerleden over de zogenoemde conversietherapieën die jongeren en kwetsbare personen met een niet-heteroseksuele gerichtheid vaak ondergaan. Deze groep wordt vaak aangeduid met de afkorting LHBTI, die staat voor lesbische vrouwen (L), homoseksuele mannen (H), biseksuelen (B), transgender personen (T) en intersekse personen (I). Conversietherapie heeft – kort gezegd – als doel om de gerichtheid van een persoon te veranderen naar heteroseksueel. We sluiten in dit onderzoek aan bij de Engelstalige uitdrukking ‘sexual orientation and gender identity and expression conversion efforts’ die een breed palet aan praktijken bestrijkt die later in dit rapport staan toegelicht (CGSH, 2020). We gebruiken voor de leesbaarheid de afkorting SOGIECE. Het spectrum van SOGIECE is namelijk groot en omvat meer dan therapie alleen. De praktijken, die zich in dit onderzoek met name in een religieuze context afspelen, zijn grofweg op een continuüm te verdelen.
Aan een kant is sprake van minder georganiseerde (pogingen tot) verandering, zoals een eenmalig gesprek of gebed en de andere kant van het continuüm bestaat uit meer georganiseerde (systematische, methodische) praktijken, zoals therapieën, bedoeld om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen, te onderdrukken of te ontmoedigen. Het willen veranderen van seksuele gerichtheid is geen onbekend verschijnsel. In een onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) is de eigen acceptatie van de seksuele gerichtheid onderzocht door de vraag te stellen of men de eigen seksuele gerichtheid zou willen veranderen als dat mogelijk was. Twaalf procent van de homoseksuele mannen en acht procent van de lesbische vrouwen geeft – in antwoord op die vraag – aan de gerichtheid te hebben dan heteroseksueel te willen zijn. Dit geldt onder andere voor religieuzen en homoseksuele personen die niet uitsluitend, maar vooral op het eigen geslacht vallen (Keuzenkamp, Kooiman & Lisdonk, 2012). Uit een nadere analyse blijkt dat rooms-katholieken, Nederlands hervormden en gereformeerden meer moeite hebben om hun homoseksuele gerichtheid te accepteren dan homoseksuele personen die niet religieus zijn.
Protestantse homoseksuele personen, en dan vooral de gereformeerden, lijken bovendien vaker hun seksuele gerichtheid te willen veranderen dan rooms-katholieken (Keuzenkamp et al., 2012, p.68). Recent onderzoek van het SCP laat zien dat een groot deel van de Nederlandse bevolking over het algemeen (zeer) positief denkt over homo- en biseksualiteit. Een uitzondering zijn enkele religieuze stromingen (Kuyper, 2018). Standpunten omtrent homoseksualiteit lijken identiteitsbepalend voor zowel seculiere en christelijke groepen (Derks, 2019) als in en tussen geloofsgemeenschappen (Bos, 2010).
5
De Nashvilleverklaring is een document over het christelijk geloof, huwelijk en seksualiteit dat oorspronkelijk in 2017 in de Amerikaanse stad Nashville is opgesteld. Met deze verklaring willen de ondertekenaars, met name afkomstig uit orthodox en conservatief protestantse of evangelische kringen, een eenduidig geluid laten horen rond thema’s zoals homoseksualiteit, genderneutraliteit en transseksualiteit. De ondertekenaars spreken zich onder meer uit tegen LHBTI-seksualiteit, het homohuwelijk, polygamie en overspel. De kern is dat God de vrouw en de man heeft geschapen om binnen het huwelijk kinderen op te voeden en lief te hebben.1 De in het Nederlands vertaalde verklaring is meer dan 250 keer ondertekend. De ondertekenaars komen onder andere uit de Hersteld Hervormde Kerk, de Gereformeerde Gemeenten, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Protestantse Kerk in Nederland (PKN).2 Veel kerken hebben er expliciet afstand van genomen. Sommige kerken hebben rond de tijd van het verschijnen van de verklaring de regenboogvlag gehesen als signaal dat iedereen welkom is.3 In dit onderzoek zijn onder meer geloofsgemeenschappen van zoveel mogelijk richtingen gevraagd naar de wijze waarop zij met de LHBTI-groep omgaan in de breedste zin van het woord. Een onderzoek als het onderhavige is op voorhand beladen.
Ten tijde van het onderzoek hebben diverse kerkelijke koepelverenigingen opgeroepen om niet mee te werken aan het onderzoek. Zij dragen daarvoor verschillende argumenten aan4, maar die ook zijn terug te voeren op de scheiding van kerk en staat en de alertheid op een vermenging van beide werelden. In de interviews spreken vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen meerdere malen de vrees uit voor een beperking van de godsdienstvrijheid. Tegelijkertijd leggen geloofsgemeenschappen uit dat zij (ook) worstelen met het onderwerp. In dit onderzoek proberen de onderzoekers recht te doen aan zowel de ervaringsdeskundigen als aan de visies van geloofsgemeenschappen en hulpverlenende instanties door beide perspectieven – hulpverleners en hulpvragers − te beschrijven. Mede gegeven de beperkte onderzoektijd is dit onderzoek exploratief en beschrijvend van aard. Wat we hebben gedaan, is het ophalen van verhalen en beelden bij vertegenwoordigers van een beperkt aantal geloofsgemeenschappen en we hebben interviews afgenomen met ervaringsdeskundigen en professionals, zijnde deskundigen met kennis vanuit diverse invalshoeken. Zonder aarzeling kunnen we aannemen dat de werkelijkheid omtrent geloof en homoseksualiteit vele malen complexer is.
Met dit onderzoek hopen we een eerste, belangrijke stap te hebben gezet in de gedachtenvorming over voornamelijk jonge mensen met een niet-heteroseksuele gerichtheid die opgroeien in een religieuze omgeving waar velen van hen geconfronteerd worden met de druk om hun leven in te richten als een heteroseksueel, terwijl zij zeggen zich niet zo te voelen.
1. 2. 3. 4.
Schipper (2019, 7 januari). Duijf (2019, 6 januari). Zie bijvoorbeeld AT5 (2019, 7 januari). Zie bijvoorbeeld: Provoost (2020, 8 februari).
6
Tot slot bevat dit verslag deels voorlopige onderzoeksresultaten en conclusies. De expertsessies, waar de mogelijkheden voor een aanpak worden besproken, vinden in mei plaats. Eind juni 2020 volgt dan de definitieve rapportage. De onderzoekers van Bureau Beke en Ateno Arnhem/Amsterdam, april 2020
7
Samenvatting Aanleiding van het onderzoek Conversietherapie ‒ ook wel ‘homogenezingstherapie’ genoemd ‒ betreft een aanpak die beoogt de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuele vrouwen of mannen, transgender personen en intersekse personen (LHBTI) te veranderen. Tot dusverre is het onbekend in welke mate en hoedanigheid conversietherapie voorkomt in Nederland. In de media is er de nodige aandacht besteed aan de ervaringen van mensen die dergelijke therapieën hebben ondergaan. Dit is aanleiding geweest voor D66-Kamerlid Vera Bergkamp c.s. om in mei 2019 een motie in te dienen tijdens het Algemeen Overleg Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. In de motie is gevraagd om onderzoek te verrichten naar de mate waarin jongeren en kwetsbare personen worden blootgesteld aan conversietherapieën of homogenezingstherapieën. Deze motie heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ertoe gebracht om, in nauwe samenwerking met de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Justitie en Veiligheid, een onderzoek te laten uitvoeren door twee onderzoeksbureaus (Beke en Ateno) naar de aard, omvang en gevolgen van conversietherapie in Nederland en de maatregelen die genomen kunnen worden om de ervaren problemen te adresseren.
Afbakening en doel van het onderzoek Uit internationale literatuur en mediaberichtgeving blijkt dat conversietherapie veel verschillende vormen kent. Het betreft geen duidelijk afgebakende praktijk, maar laat zich eerder omschrijven als een verzameling van verschillende praktijken die door aanhoudende, bewuste inspanningen gericht zijn op verandering van niet-heteroseksuele gerichtheid. Daarbij geldt tevens dat de doelstellingen van conversietherapieën kunnen verschillen, waarbij de praktijken gericht kunnen zijn op een daadwerkelijke verandering van de niet-heteroseksuele gerichtheid, maar ook op onderdrukking of ontmoediging van (de praxis van) seksuele gevoelens. Bovendien kunnen conversietherapieën ook beogen om – naast seksuele gerichtheid – genderidentiteiten en -expressies te onderdrukken, ontmoedigen of veranderen. Buitenlandse studies duiden het brede scala aan prakijken, gericht op onderdrukking, ontmoediging en verandering, door te spreken over Sexual Orientation and Gender Identity and Expression Conversion Efforts, kortweg SOGIECE. In sommige gevallen zijn (pogingen tot) onderdrukking, ontmoediging of verandering niet goed zichtbaar en heimelijker van aard.
Uit buitenlandse studies blijkt dat wanneer personen in leidinggevende posities of met een zekere mate van autoriteit (zoals geestelijk leiders, maar ook therapeuten) uiting geven aan cis-seksistische (genderidentiteit komt overeen met geboortegeslacht) of hetero-seksistische denkwijzen, dit het acceptatieproces van iemands (ontwikkeling van) seksuele gerichtheid of genderidentiteit kan vertragen of belemmeren, en – al dan niet bewust – de seksuele gerichtheid of genderidentiteit
8
en -expressie van een individu kan onderdrukken, ontmoedigen of veranderen. Conversietherapie en daaraan verwante activiteiten (SOGIECE) kunnen dan ook niet los worden gezien van heersende denkwijzen in de maatschappij over seksuele gerichtheid, genderidentiteit en -expressie. Dat betekent dat zowel de meer explicietere, bewuste vormen van conversietherapie zijn onderzocht als de meer impliciete vormen, gericht op onderdrukking en ontmoediging van genderidentiteit of een niet-heteroseksuele gerichtheid. In het bijzonder zijn de heersende opvattingen van Nederlandse geloofsgemeenschappen over LHBTI-personen onderzocht en opgetekend, alsook de manieren waarop geloofsgemeenschappen met deze personen omgaan, omdat SOGIECE vaak een religieuze context kent. De volgende onderzoeksvragen zijn geformuleerd: 1. Welke verschijningsvormen van SOGIECE zijn te onderscheiden? 2. In welke (religieuze of andersoortige) context vinden SOGIECE plaats? 3. Wie zijn de aanbieders van SOGIECE? 4. Wat is de geschatte omvang van het aanbod van en de deelname aan SOGIECE? 5. Wat is het profiel van de ervaringsdeskundigen die met activiteiten gericht op SOGIECE te maken hebben gehad (onder andere leeftijd)? 6. Welke gevolgen hebben de activiteiten gericht op SOGIECE voor de ervaringsdeskundigen? 7. Waar en op welke wijze wordt SOGIECE als een probleem ervaren? 8.
Welke (haalbare) maatregelen kunnen worden genomen om de ervaren problemen te adresseren en te voorkomen?
Opzet en uitvoering van het onderzoek Om de onderzoeksvragen te beantwoorden, zijn diverse onderzoeksactiviteiten verricht. In de eerste plaats is een deskresearch uitgevoerd, bestaande uit een literatuurstudie en een media-analyse. Hierbij is gekeken naar de opbrengst van vijftig Engelstalige (vooral Amerikaanse) studies. Nederlands wetenschappelijk onderzoek op dit terrein was amper voorhanden. Aan de hand van een analyse van honderd Nederlandse mediaberichten is in kaart gebracht wat reeds bekend is over SOGIECE in Nederland. Naast de deskresearch zijn twee online-surveys ontwikkeld en uitgevoerd. De eerste web-survey is gericht aan bijna 600 willekeurig gekozen christelijke, joodse en islamitische geloofsgemeenschappen in Nederland. In deze survey is aan vertegenwoordigers van de geloofsgemeenschappen gevraagd naar de manier waarop (binnen de gemeenschap) in het algemeen wordt omgegaan met medegelovigen die een niet-heteroseksuele gerichtheid hebben. De overall respons was – na een herinnering – 30 procent. De tweede web-survey is uitgevoerd onder de LHBTI-gemeenschap. In deze survey is respondenten gevraagd naar hun religieuze achtergrond, de mate van acceptatie van
9
hun seksuele gerichtheid en/of genderidentiteit en -expressie in hun (nabije) sociale omgeving en ervaringen met (pogingen tot) onderdrukking, ontmoediging of verandering van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit en -expressie. In totaal hebben 239 LHBTIpersonen de vragenlijst ingevuld. Daarnaast zijn aan de hand van topiclijsten 37 interviews afgenomen. In de eerste plaats zijn veertien personen geïnterviewd met een persoonlijke ervaring op het gebied van SOGIECE. Naar deze respondenten wordt in de rapportage verwezen met de term ervaringsdeskundigen. In de tweede plaats zijn de vertegenwoordigers van drie organisaties geïnterviewd die hulp bieden (of hebben geboden) aan personen met een andere dan een heteroseksuele gerichtheid. Het gaat hier nadrukkelijk om hulp aan personen die vanwege hun seksuele gerichtheid hulp zoeken of zochten bij deze organisaties. De drie organisaties bieden of boden hulp vanuit de christelijke levensovertuiging. Deze vertegenwoordigers worden in de rapportage aangeduid met de term ‘aanbieders’. In de derde plaats zijn negen vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen geïnterviewd, ter verdieping van de reacties van geloofsgemeenschappen op de web-survey. In de laatste plaats zijn twaalf personen geïnterviewd die vanuit hun expertise (goed) zicht hebben op SOGIECE in Nederland.
Het gaat hier om drie religiewetenschappers, twee theologen, twee initiatiefnemers van websites voor gelovige LHBTI-personen, een medewerker van een islamitische stichting voor LHBTI-personen, een bestuurder van een sjoel, een adviseur op het gebied van seksuele diversiteit op scholen, een journalist van een katholiek maandblad en een trauma-therapeut. Deze vertegenwoordigers zijn in de rapportage aangeduid met de term professionals. Tot slot worden in mei 2020 gesprekken gevoerd met experts met een academische achtergrond om hun visie te horen op mogelijke maatregelen en oplossingsrichtingen wat betreft de verschillende activiteiten gericht op SOGIECE.
Methodologische reflectie De verzamelde informatie heeft voornamelijk een kwalitatief karakter. Verschillende denominaties (religieuze stromingen) zijn in de interviews in verband gebracht met (vormen van) SOGIECE (waaronder de pinkster-, evangelische en baptistenstroming en enkele stromingen binnen de islam). Echter, deze religieuze stromingen zijn ondervertegenwoordigd in de respons op de survey onder geloofsgemeenschappen. Het is hierdoor mogelijk dat voor dit onderzoek relevante visies, ervaringen en vormen van SOGIECE onderbelicht zijn gebleven. Verschillende aanbieders van SOGIECE die uit de andere informatiebronnen naar voren zijn gekomen, hebben niet meegewerkt aan een interview. De meest genoemde reden was ‘geen tijd en/of prioriteit’. Hierdoor is mogelijk geen volledig beeld ontstaan van SOGIECE in Nederland. De enquête onder de LHBTI-gemeenschap is door ruim 200 mensen ingevuld, maar het is onduidelijk welk deel van de ‘ervaringsdeskundigen’ over het hoofd is gezien. Mogelijk zijn ‘positieve’ ervaringen met SOGIECE onderbelicht gebleven – onder meer vanwege de platforms waarop deze enquête is verspreid.
10
De interviews met de deskundigen en vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen hebben geen representatieve pretentie, maar zijn bedoeld om een beeld te schetsen van hoe zij aankijken tegen en welke ervaringen zij hebben met SOGIECE. De vertegenwoordigers van de verschillende geloofsrichtingen hebben vanuit hun lokale kennis en ervaring gesproken en geen officieel standpunt namens hun denominatie ingenomen. Het onderwerp SOGIECE is dermate gelaagd en complex dat verdiepend, kwantitatief vervolgonderzoek nodig is om deze eerste bevindingen te verifiëren. Tegelijkertijd is de combinatie van verschillende informatiebronnen in dit onderzoek waardevol geweest, omdat uit de diverse bronnen enkele gemeenschappelijke bevindingen zijn te destilleren.
Verschijningsvormen, context en aanbieders De verschijningsvormen van SOGIECE in Nederland hangen volgens de geraadpleegde bronnen nauw samen met de context en de aanbieders (onderzoeksvragen 1, 2 en 3). Er kan onderscheid worden gemaakt tussen geloofsgemeenschappen enerzijds en initiatieven, instanties en personen buiten de kring van geloofsgemeenschappen, maar nog altijd binnen een religieuze context, anderzijds. Wat betreft de geloofsgemeenschappen is een breed scala aan activiteiten waar te nemen gericht op SOGIECE. Uit de enquêtes en interviews komt naar voren dat vertegenwoordigers van christelijke gemeenten pastorale gesprekken voeren met niet-heteroseksuele jongeren (en hun ouders) over hun seksuele gerichtheid en de Bijbelse visie hierop. Deze gesprekken variëren in duur en intensiteit. Vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen geven aan dat het initiatief voor een gesprek vaak bij de jongere ligt. Voorgangers, oudsten en pastoraal medewerkers pogen jonge gemeenteleden in deze gesprekken onder meer te ondersteunen bij het niet praktiseren van hun anders dan heteroseksuele gerichtheid. Ook gebedssessies worden in dit verband genoemd. Let wel: het betreft hier een beperkt aantal geloofsrichtingen en zelfs binnen die richtingen kan anders worden gedacht over (de wenselijkheid van) SOGIECE.
Uit de enquête onder de geloofsgemeenschappen blijkt dat het overgrote deel van de vertegenwoordigers accepterend staat tegenover LHBTI-personen in hun gemeenschap. Een beperkter deel zegt dat LHBTI-personen geaccepteerd worden, maar binnen de lokale gemeenschap bepaalde functies niet mogen uitoefenen of niet mogen deelnemen aan bepaalde rituelen, zoals het avondmaal. De interviews met de ervaringsdeskundigen laten zien dat zij zich hierdoor gedwongen voelen om zich aan te passen en hun seksuele gerichtheid te onderdrukken. Uit zowel de literatuur als de interviews komt tot slot naar voren dat bij bepaalde geloofsrichtingen (pinkster, baptisten en evangelisch) het bevrijdingspastoraat wordt ingezet om mensen met een niet-heteroseksuele gerichtheid te ‘bevrijden’ van het ‘kwade’ en de ‘demonen’. Dit zijn volgens de ervaringsdeskundigen zeer indringende en intimiderende situaties. Degenen die dit hebben meegemaakt, hebben hier schadelijke gevolgen van ondervonden. Uitgaande van het SOGIECE-model kan in dit geval worden gesproken van bewuste activiteiten, gericht op verandering.
11
Buiten de kring van geloofsgemeenschappen, maar nog altijd in een religieuze context, zijn er in dit onderzoek verschillende initiatieven, instanties en personen naar voren gekomen die – neutraal geformuleerd – mensen met een niet-heteroseksuele gerichtheid proberen te helpen. Net als bij de geloofsgemeenschappen geldt ook hier dat een LHBTIpersoon vaak zelf met de ‘hulpvraag’ komt, dan wel – op eigen initiatief – gebruikmaakt van een bepaald ‘aanbod’. Hoe met mensen wordt omgegaan die een niet-heteroseksuele gerichtheid hebben, valt in een aantal ziens- en handelwijze te onderscheiden, die in het onderzoek naar voren zijn gekomen. Een niet-heteroseksuele gerichtheid: (1) is een zonde (ook wanneer de gevoelens niet worden gepraktiseerd); (2) is een kwade macht waar mensen van bevrijd moeten worden; (3) is een ziekte waar mensen van moeten herstellen c.q. genezen; (4) is iets waar mensen mee moeten leren leven, zonder de gevoelens te praktiseren (‘het is een kruis dat gedragen moet worden’). Bij die laatste visie zijn initiatieven te noemen die feitelijk, al dan niet impliciet, pleiten voor een single leven van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen. Daarnaast komen in de interviews, de media-analyse en de survey onder de LHBTI-gemeenschap andere organisaties naar voren die eveneens initiatieven ondernemen op het gebied van SOGIECE.
Met verschillende van deze organisaties is contact gezocht voor een interview, maar deze verzoeken zijn, zoals gezegd, niet gehonoreerd. Afgaande op interviews met de ervaringsdeskundigen en professionals kan worden gesteld dat er weinig/geen instanties en personen zijn die de mogelijkheid op verandering van niet-heteroseksuele gerichtheid expliciet propageren, terwijl enkele wel stellen dat ‘voor God alles mogelijk is’. Een groot deel van de geraadpleegde bronnen wijst in dit verband op EHAH (Evangelische Hulp aan Homofielen), later Different geheten, als een belangrijke instantie waarbij (individuele en groepsgerichte) hulp werd aangeboden, die in elk geval niet zo expliciet was gericht op verandering, maar – afgaande op de verhalen van ervaringsdeskundigen – dat in bepaalde gevallen wel als onderliggend motief had, in elk geval in de beleving van de ervaringsdeskundigen. Datzelfde geldt voor de zelfstandig werkende therapeuten die ‘een-op-een’-therapie bieden die impliciet gericht is op verandering.
Omvang SOGIECE in Nederland Over de omvang van de activiteiten gericht op SOGIECE in Nederland (onderzoeksvraag 4) zijn geen betrouwbare uitspraken mogelijk. Dit betreft zowel de kant van de ‘hulpverleners’ als de kant van de ‘hulpvragers’. Deels is dat gebrek aan duidelijkheid terug te voeren op het model van SOGIECE dat in dit onderzoek is gebruikt. In dat model worden namelijk ook de heimelijk pogingen tot onderdrukking en ontmoediging van een niet-heteroseksuele gerichtheid meegenomen. Die zijn per definitie niet telbaar. Afgaande op de verhalen van de ervaringsdeskundigen, vertegenwoordigers van geloofsgemeenschappen en professionals komen de onderdrukkende en ontmoedigende ‘activiteiten’ bij geloofsgemeenschappen voornamelijk voor in de meer orthodoxe geloofsrichtingen. Het woord ‘activiteiten’ staat tussen aanhalingstekens, omdat het soms duidt op een impliciete, geinternaliseerde geloofscultuur, waarvan ervaringsdeskundigen pas achteraf zeggen dat zij
12
zich daardoor (fors) in hun seksuele, emotionele en sociale ontwikkeling belemmerd hebben gevoeld. Meer actieve vormen van SOGIECE in geloofsgemeenschappen – denk hierbij aan counselinggesprekken en ‘duiveluitdrijvingsessies’ – zijn evenmin telbaar. Afgaande op buitenlands onderzoek heeft 3 tot 5 procent van de LHBTIgemeenschap te maken (gehad) met SOGIECE. Vanwege culturele, juridische en methodologische verschillen mag dit percentage niet zonder vertaald worden naar Nederland, maar het geeft in elk geval een indruk van de mogelijke omvang. De 68 LHBTI-personen die in de web-survey aangeven te maken hebben gehad met SOGIECE, vormen zeer waarschijnlijk het topje van de ijsberg. Uit de enquête blijkt ook dat voor ongeveer de helft van de respondenten de activiteiten, gericht op SOGIECE-conversie, zich uitstrekken over een periode van meer dan een jaar. Bij ruim een derde (36 procent) van de respondenten is er sprake van een verloop van minder dan een halfjaar. De overige respondenten (13 procent) spreken over een periode van een half tot een heel jaar. De frequentie varieert van dagelijks/meerdere keren per week tot enkele keren en eenmalig. Voor sommigen is hun SOGIECE ervaring van recente datum., voor anderen is dat langer geleden.
Het aantal organisaties en personen dat zich in Nederland actief bezighoudt met SOGIECE is redelijk overzichtelijk, in die zin dat in interviews en in de survey voor de LHBTIgemeenschap vaak dezelfde namen en veelal dezelfde gemeenschappen worden genoemd. De schatting op basis van de geraadpleegde bronnen is dat het vijftien organisaties of personen betreft, die ook nevenactiviteiten kunnen organiseren (onder meer vakantiekampen, seminars en workshops) waarbij een niet-heteroseksuele gerichtheid kan worden geproblematiseerd en waarbij wordt geprobeerd om deze te ‘verhelpen’. In de interviews worden in dit verband vooral de pinkster, baptisten en evangelische gemeenten genoemd waar actieve vormen van SOGIECE worden toegepast, in het bijzonder het bevrijdingspastoraat. Dit onderzoek is er niet op gericht om het aantal gemeenten vast te stellen dat het bevrijdingspastoraat voor LHBTI-personen praktiseert. Daarnaast zijn er enkele vrijgevestigde therapeuten in beeld gekomen die eveneens initiatieven ondernemen op het gebied van SOGIECE en zodoende ‘hulp’ bieden aan LHBTI-personen. Over de omvang van islamitische initiatieven op het gebied van SOGIECE is niets bekend.
Profiel ervaringsdeskundigen Op basis van de survey onder de LHBTI-gemeenschap en de interviews met de veertien ervaringsdeskundigen kan een globaal profiel worden opgesteld (onderzoeksvraag 5). De soms indringende verhalen van de veertien ervaringsdeskundigen schetsen een gedetailleerd beeld van persoonlijke ervaringen op het gebied van (pogingen tot) onderdrukking, ontmoediging en pogingen tot verandering van hun niet-heteroseksuele gerichtheid. Op een enkele uitzondering na groeiden de geïnterviewde ervaringsdeskundigen op in een christelijk gezin en in een overwegend christelijke omgeving. Tijdens de kinder- en tienerjaren speelde het geloof voor vrijwel alle ervaringsdeskundigen een belangrijke rol in het dagelijks leven. Ook op hogere leeftijd – in de (vroege) volwassen jaren – is een overgroot deel belijdend christen. Van kwetsbaarheden in de zin van psychische problematiek en problematische gezinsachtergronden (huiselijk geweld, verslaving en dergelijke) is bij de
13
geïnterviewde respondenten geen sprake. Wel hebben zij problemen ervaren met de overheersende religieuze context waarin zij zijn opgegroeid en hun anders-geaard zijn. Alle geïnterviewde ervaringsdeskundigen ontwaarden in hun puberteit de eerste gevoelens voor hetzelfde geslacht. Het overgrote deel bood in deze tijd weerstand tegen de ontluikende niet-heteroseksuele gevoelens, vanwege het verlangen naar een ‘normaal’ (heteroseksueel) leven. Dit verlangen werd gevoed en versterkt door de heersende maatschappelijke norm, maar in veel gevallen vooral door geïnternaliseerde christelijke waarden en negatieve reacties vanuit de (nabije) omgeving op de niet-heteroseksuele gerichtheid (of de negatieve reacties op niet-heteroseksuele gerichtheid in het algemeen). Alle ervaringsdeskundigen zochten blijkens de interviews en de survey voor de LHBTI-gemeenschap als tiener en/of (jong)volwassene dan ook – al dan niet actief – naar mogelijkheden om hun seksuele gerichtheid een plek te geven (zonder deze te praktiseren) of te veranderen. In deze zoektocht bewandelden zij verschillende paden en kwamen zij vaak terecht bij goedbedoelende medegelovigen, pastoraal medewerkers, gebedsgenezers, Bijbelstudiegroepen of christelijk-georiënteerde zorgaanbieders en therapeuten, die hen handvatten (pogen te) boden om de niet-heteroseksuele gevoelens te onderdrukken of veranderen.
Bijna zonder uitzondering hebben de geïnterviewde ervaringsdeskundigen jarenlang geprobeerd om van hun niet-heteroseksuele gevoelens af te komen. In alle gevallen is er echter een moment gekomen waarop de zogenoemde ‘strijd’ tegen de seksuele gevoelens is gestaakt, mede vanwege het uitblijven van een verandering of vanwege herhaaldelijke afwijzende reacties vanuit de geloofsgemeenschap. Enkele respondenten geven aan dat zij op enige moment verliefd zijn geworden op iemand van hetzelfde geslacht en vanaf dat moment niet langer meer konden geloven dat God dergelijke liefdevolle gevoelens zou afkeuren. Alle geïnterviewde ervaringsdeskundigen zeggen hun niet-heteroseksuele gerichtheid te hebben geaccepteerd, wat in enkele gevallen meer dan twintig jaar heeft geduurd. De gevolgen van de ervaringen met SOGIECE zijn voor de meeste gesproken ervaringsdeskundigen groot.
Gevolgen van SOGIECE De gevolgen van activiteiten gericht op SOGIECE raken primair de ervaringsdeskundigen (onderzoeksvraag 6). Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen de gevolgen van activiteiten gericht op SOGIECE voor hun seksuele gerichtheid en de gevolgen van SOGIECE voor hun persoonlijke leven. De wetenschappelijke literatuur is tamelijk eenduidig waar het gaat om verandering van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit: die treedt niet op, althans voor de meesten, en zeker niet op langere termijn. In een enkel onderzoek wordt wel van (blijvende) verandering gesproken, maar op deze studies is forse methodologische kritiek gekomen. Wat wel voorkomt, maar in dat geval kan niet worden gesproken van een wezenlijke verandering van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit, is dat een homoseksuele man of een lesbische vrouw een relatie aangaat met iemand van het andere geslacht (en soms ook kinderen krijgt). De interviews met ervaringsdeskundigen die dit hebben meegemaakt, bevestigen dat het dan vooral een uiterlijke aanpassing is, die voornamelijk in het teken staat van de strijd tegen hun eigen seksuele
14
gerichtheid. Die schijnaanpassing heeft vergaande consequenties voor hun persoonlijke leven. In de interviews hebben bijna alle ervaringsdeskundigen het over psychische klachten (depressie, suïcidale gedachten, eetproblemen), seksuele problemen, sociale klachten (eenzaamheidsgevoelens, geen contact met mensen willen/durven, vriendschappen afbreken) en tot slot ook over veranderingen op geloofsgebied. De religieuze context is zowel probleemveroorzaker geweest (homoseksualiteit is een zonde of iets van de duivel waartegen gestreden moet worden) als iets waar de oplossing voor hun ‘probleem’ is gezocht, namelijk hun geloof in God voor wie niets onmogelijk is. Een aantal ervaringsdeskundigen heeft na verloop van tijd afstand genomen van het geloof, anderen daarentegen geloven nog wel en hebben hun niet-heteroseksuele gerichtheid daarin een plaats kunnen geven (i.e. accepteren), onder andere doordat ze naar een andere geloofsgemeenschap zijn gegaan. Uit de gesprekken is duidelijk geworden dat er veelal geen sprake is geweest van slechts een enkele interventie, bijvoorbeeld het uitdrijven van demonen, die hun problemen en klachten heeft veroorzaakt. De verhalen laten zien dat ze, vanaf het moment dat ze erachter komen dat ze zich seksueel aangetrokken voelen tot iemand van hetzelfde geslacht, een bijna permanente strijd voeren om ‘normaal’ te worden.
In de woorden van een respondent is deze strijd een kwestie geweest van ‘24/7’, wat alle facetten van het leven heeft geraakt. Velen van hen denken daarbij dat het (hun homoseksuele gerichtheid) een periode van voorbijgaande aard is en dat het geloof hen daarbij zal helpen om weer ‘normaal’ (is heteroseksueel) te worden. Ze gaan daarin steeds verder. In die zin is het SOGIECE-model als een ontwikkelingsmodel te beschouwen, waarbij de top van de piramide wordt gevormd door de meest indringende interventies, die ook negatieve gevolgen hebben, maar vaak een sluitstuk vormen in de strijd tegen minder indringende, meer impliciete en heimelijker vormen van onderdrukking en ontmoediging. “Niets heeft geholpen, dus ik ben wie ik ben”, aldus een van de ervaringsdeskundigen. Op dat punt aangekomen, nemen de meeste ervaringsdeskundigen, waarmee is gesproken, de beslissing om hun eigen seksuele gerichtheid te accepteren, wat in de praktijk niet eenvoudig blijkt en soms een aanvullende behandeling vergt van een psycholoog.
Probleemperceptie De vraag is of de activiteiten gericht op SOGIECE in Nederland een probleem zijn en zo ja voor wie. Vanuit het perspectief bezien van de aanbieders/hulpverleners is het geen probleem, want ze willen de ‘hulpvrager’ vanuit hun geloofsovertuiging helpen met hun ‘probleem’. Ook de ervaringsdeskundigen stellen dat de hulpverleners met de beste bedoelingen hebben gehandeld en vaak op hun eigen verzoek. Dat laat onverlet dat de ervaringsdeskundigen de activiteiten gericht op SOGIECE duidelijk wel als een probleem ervaren. Dit probleembesef groeit in de loop van de jaren, zeker als de verwachte effecten (een ‘normaal’ leven krijgen) uitblijven en zij steeds verder gaan om van hun seksuele gerichtheid af te komen. Dat gaat in veel gevallen gepaard met steeds meer problemen op allerlei gebied, omdat ze zichzelf feitelijk verloochenen. Achteraf stellen de ervaringsdeskundigen dat hun geloof een extra drempel heeft betekend in hun proces van
15
zelfacceptatie. In dit onderzoek zijn er geen LHBTI-personen naar voren gekomen die op een positieve wijze terugkijken op de periode waarin anderen hebben getracht hun seksuele gerichtheid te veranderen. Wel is een enkele respondent tevreden met de bewuste keuze om als single niet-heteroseksueel door het leven te gaan.
Aanpak Volgt in juni 2020
16
Summary Purpose of the study Conversion therapy – also called ‘reparative therapy’ – is an approach aiming to change the sexual orientation or gender identity of lesbian women, homosexual men, bisexual women or men, or transgender or intersex individuals (LHBTI). The extent to which conversion therapy occurs in the Netherlands, and its manifestations, is as yet unknown. The media has devoted significant attention to the experiences of some who have undergone such therapies. This prompted (Dutch social-liberal political party) D66 Member of Parliament Vera Bergkamp and others to submit a motion during the General Consultation on Domestic Violence and Child Abuse in May 2019. The motion asked that research be conducted into the extent to which young and vulnerable people are exposed to conversion or reparative therapies. This motion led the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport, in close cooperation with the Ministries of Education, Culture and Science, and Justice and Security, to commission two research agencies (Beke and Ateno) to conduct an investigation into the nature, scope and consequences of conversion therapy in the Netherlands, and the measures that can be taken to address the problems experienced.
Demarcation and purpose of the study International literature and media coverage show that conversion therapy takes many different forms. It is not a clearly defined practice, but can instead be described as a collection of varying practices aimed at changing non-heterosexual orientations through sustained, conscious efforts. However, the objectives of conversion therapies may differ. There are practices which may be aimed at an actual change of non-heterosexual orientation, but also at repressing or discouraging (the exercising of) sexual feelings. Alongside addressing sexual orientation, conversion therapies may also aim to repress, discourage or change gender identities and expressions. Foreign studies indicate the wide range of practices aimed at repression, discouragement and change, by referring to Sexual Orientation and Gender Identity and Expression Conversion Efforts, in short SOGIECE. In some cases (attempts at) repression, discouragement or change are not clearly visible, being of a more covert nature.
Foreign studies show that when individuals in leading positions or with a particular degree of authority (such as spiritual leaders, but also therapists) express thinking which is cissexist (gender identity corresponds to birth gender) or heterosexist, this can slow down or hinder the acceptance process of a person’s (development of) sexual orientation or gender identity. Whether consciously or unconsciously, this can repress, discourage or change an individual’s sexual orientation or gender identity and expression. Conversion therapy and related activities (SOGIECE) cannot therefore be considered in isolation from prevailing thinking in society about sexual orientation, gender identity and expression.
17
This means that both the more explicit, conscious forms of conversion therapy, and the more implicit forms aimed at repressing and discouraging gender identity or non-heterosexual orientation, have been investigated. In particular, the prevailing views of Dutch religious communities towards LHBTI individuals have been investigated and recorded, as well as the ways in which religious communities deal with such individuals, because SOGIECE often has a religious context. The following research questions were formulated: 1. Which manifestations of SOGIECE can be distinguished? 2. In which (religious or other) contexts do SOGIECE occur? 3. Who are the providers of SOGIECE? 4. What is the estimated extent of the provision of, and participation in, SOGIECE? 5. What is the profile of personal-experience experts who have been involved in activities related to SOGIECE (including age)? 6. What are the consequences of the activities aimed at SOGIECE for the personalexperience experts? 7. Where and how is SOGIECE experienced as a problem? 8. What (feasible) measures can be taken to address and prevent the problems experienced?
Design and implementation of the research Various research activities have been conducted to answer the research questions. Desk research was initially carried out, consisting of a literature study and a media analysis. The results from fifty English-language (mainly American) studies were examined. There was limited availability of Dutch scientific research in this field. An analysis of one hundred Dutch media reports was used how the discussion on this theme in the Netherlands has developed in the public debate. Two online surveys were developed and conducted alongside the desk research. The first web-survey targeted almost 600 randomly chosen Christian, Jewish and Islamic religious communities in the Netherlands. In this survey, the religious communities’ representatives were asked about the way fellow believers with a non-heterosexual orientation are generally treated (within the community). After a reminder, the overall response rate was 30 per cent. The second web survey was conducted among the LHBTI community. Respondents were asked about their religious background, the degree of acceptance of their sexual orientation and/or gender identity and expression in their (close) social environment, and their experiences with repression, discouragement or changing sexual orientation or gender identity and expression or attempts in this regard.
A total of 239 LHBTI individuals completed the questionnaire.
18
Additionally, 37 interviews were conducted based on topic lists. Fourteen individuals with a personal SOGIECE experience were initially interviewed. These respondents are referred to in the report by the term ‘experience experts’. Secondly, there were interviews with representatives of three organisations that offer (or have offered) help to people with a non-heterosexual orientation. The three organisations offer or have offered help on the basis of their Christian philosophies. These representatives are referred to in the report as ‘providers’. Thirdly, nine representatives of religious communities were interviewed for a more in-depth consideration of the responses of religious communities to the web survey. Finally, there were interviews with twelve individuals with a (good) insight into SOGIECE in the Netherlands on the basis of their expertise. These were three religious’ scientists, two theologians, two initiators of websites for religious LHBTI individuals, an employee of an Islamic foundation for LHBTI people, an administrator of a shul (synagogue), an advisor on sexual diversity in schools, a journalist from a Catholic monthly magazine, and a trauma therapist. These representatives are referred to in the report as ‘professionals’.
Finally, in May 2020, interviews will be held with experts with an academic background, to hear their views on possible measures and solutions for the various activities aimed at SOGIECE.
Methodological reflection The information collected is mainly of a qualitative nature. Various denominations (religious movements) were associated in the interviews with (forms of) SOGIECE (including the Pentecostal, Evangelical and Baptist movements and some movements within Islam). However, these religious movements are underrepresented in the response to the survey among religious communities. It may therefore be the case that views, experiences and forms of SOGIECE relevant to this research have been underexposed. Several SOGIECE providers that emerged from the various sources of information did not consent to an interview. The reason most frequently mentioned was ‘no time and/or priority’. This may mean an incomplete picture of SOGIECE in the Netherlands. The survey among the LHBTI community was completed by more than 200 people, but it is unclear what share of the ‘personal-experience experts’ was overlooked. Therefore, it is possible that ‘positive’ experiences with SOGIECE remain underexposed – partly because of the platforms on which this survey was distributed. The interviews with the experts and representatives of faith communities do not pretend to be representative, but rather to provide an impression of how they view SOGIECE and what experiences they have with it.
The representatives of the different faiths have spoken on the basis of their local knowledge and experience, rather than taking an official position on behalf of their denominations. The subject of SOGIECE is so layered and complex that in-depth, quantitative follow-up research is needed to verify these initial findings. At the same time, the combination of different sources of information in this study has been valuable, because some common findings can be distilled from the various sources.
19
Manifestations, context and providers According to the sources consulted, the manifestations of SOGIECE in the Netherlands are related closely to the context and the providers (research questions 1, 2 and 3). A distinction can be drawn between religious communities on the one hand, and initiatives, institutions and individuals outside the circle of religious communities, but still within a religious context, on the other. A wide range of SOGIECE activities can be observed in the faith communities. Surveys and interviews show that representatives of Christian churches conduct pastoral conversations with non-heterosexual youths (and their parents) about their sexual orientation, and about the biblical views of this. These conversations vary in duration and intensity. Representatives of faith communities indicate that the initiative for a conversation often stems from the young person. Predecessors, elders and pastoral workers try to support young church members in these conversations, in not practising their non-heterosexual orientation, among other things. Prayer sessions are also mentioned in this context. Note: these are a limited number of faiths, and even within those denominations, different ideas about (the desirability of) SOGIECE can be expressed. The faith communities survey shows that the vast majority of the representatives accept LHBTI people in their communities.
A more limited share responds that LHBTI individuals are indeed accepted but are not allowed to exercise certain functions or participate in certain rituals within the local community, such as the Holy Communion. The interviews with the personal-experience experts show that they therefore felt compelled to adapt and to repress their sexual orientation. Finally, both the literature and the interviews show that within certain faiths (Pentecostal, Baptist and Evangelical), liberated pastoral care is used to ‘free’ people with a nonheterosexual orientation from ‘evil’ and ‘demons’. The personal-experience experts state these are very intrusive and intimidating situations. Those who have experienced this have suffered harmful consequences. Based on the SOGIECE model, here we may refer to conscious activities aimed at change. Outside the circle of religious communities, but still within a religious context, there are various initiatives, agencies and individuals which have emerged in this research that – in neutral terms – attempt to help people with a non-heterosexual orientation. As with religious communities, an LHBTI individual often expresses a ‘request for help’ himself or herself or makes use of a certain ‘offer’ on his or her own initiative.
How people with a non-heterosexual orientation are treated within religious communities can be discerned in a number of ways of seeing and acting that have emerged in the study. A non-heterosexual orientation: (1) is a sin (even when feelings are not practised); (2) is an evil power from which people must be freed; (3) is a disease from which people must recover or heal; (4) is something people must learn to live with, without practising the feelings (‘it is a cross that must be borne’). Within the latter view there are initiatives which, implicitly or otherwise, actually advocate a single life for homosexual men and lesbian women. The interviews, the media analysis and the survey among the LHBTI community also reveal other
20
organisations taking SOGIECE initiatives. Several of these organisations were contacted for an interview, but as already mentioned, these requests were not granted. Based on interviews with the personal-experience experts and professionals, it can be stated that there are few or no initiatives, agencies and individuals who explicitly propagate the possibility of changing non-heterosexual orientations, while some do state that ‘for God everything is possible’. In this respect a large number of the sources consulted point to EHAH (Evangelische Hulp aan Homofielen or evangelical help for homosexuals), later called Different, as a significant institution where (individual and group-oriented) help was offered, not however aimed explicitly at change but which – judging from the stories of the personal-experience experts – did have this as its underlying motive in certain cases, at least in the experience of those experts. The same applies to independent therapists offering ‘one-on-one’ therapy aimed implicitly at change.
Extent of SOGIECE in the Netherlands Based on this study … No reliable statements can be made about the scope of the activities aimed at SOGIECE in the Netherlands (research question 4). This applies both to the ‘counsellors’ and to ‘people seeking help’. This lack of clarity can be traced in part back to the SOGIECE model used in this study. This model also includes the surreptitious attempts to repress and discourage non-heterosexual orientation. By definition, these cannot be counted. According to the stories of the personal-experience experts, representatives of faith communities and professionals, the repressive and discouraging ‘activities’ within faith communities occur mainly in the more orthodox faiths. The word ‘activities’ is placed in quotation marks because it sometimes refers to an implicit, internalised culture of faith, of which personal-experience experts only say afterwards that they felt themselves to be (seriously) hindered in their sexual, emotional and social development. Neither can more active forms of SOGIECE within faith communities be counted – e.g. counselling sessions and ‘exorcism sessions’. Foreign research has shown that between 3 and 5 per cent of the LHBTI community has (had) experience of SOGIECE.
Cultural, legal and methodological differences mean this percentage should not automatically be assumed in the Netherlands, but it does at least offer an impression of the possible extent. The 68 LHBTI individuals who indicated in the web survey that they had had involvement with SOGIECE are most likely the tip of the iceberg. The survey also shows that for around half of the respondents, the activities related to SOGIECE (including conversion therapy) extend over a period of more than one year. More than a third (36 per cent) of the respondents referred to a duration of less than six months. The other respondents (13 per cent) referred to between six months and a full year. The frequency varies from daily/multiple times a week, to several times and once only. Some respondents indicated that they had experienced a singular SOGIECE activity. For some, their SOGIECE experience has been recent. For others, it has been longer The number of organisations and individuals actively involved in SOGIECE in the Netherlands is fairly clear, in the sense that often the same names and largely the same communities are mentioned in interviews and in the survey for the LHBTI community. The
21
estimate based on the sources consulted, is that there are fifteen organisations or individuals who may also organise peripheral activities (e.g. holiday camps, seminars and workshops) in which a non-heterosexual orientation is regarded as problematic and attempts are made to ‘remedy’ this. In this context, the interviews mainly mention the Pentecostal, Baptist and Evangelical settings where active forms of SOGIECE are applied, in particular liberation ministry. This study is not aimed at determining the number of congregations practising liberation ministry for LHBTI individuals. A number of volunteer therapists have also been identified as undertaking SOGIECE initiatives, and in this way offering ‘help’ to LHBTI individuals. Nothing is known about the extent of Islamic SOGIECE initiatives.
Profile of personal-experience experts A global profile can be drawn up based on the survey among the LHBTI community and the interviews with the fourteen personal-experience experts (research question 5). The sometimes-intrusive stories from the fourteen personal-experience experts sketch a detailed picture of personal experiences involving (attempted) repression, discouragement and change of their non-heterosexual orientation. With a few exceptions, the interviewed personal-experience experts grew up in Christian families and predominantly Christian environments. Faith played an important role in daily life for almost all the personal-experience experts during their childhood and teenage years. At a later age too – in (early) adulthood – the vast majority are professed Christians. Among the vast majority of interviewees there were no vulnerabilities in the sense of psychological problems, problematic family backgrounds (domestic violence, addiction etc.). They did, however, experience problems with the prevailing religious context in which they grew up and their differing sexual orientation. All the interviewed personal-experience experts felt their first feelings for the same sex during puberty. The vast majority of them resisted the burgeoning nonheterosexual feelings at this time, because of the desire for a ‘normal’ (heterosexual) life.
This longing is nourished and strengthened by the prevailing social norm, but in many cases especially by internalised Christian values and the negative reactions from those near or around them to a non-heterosexual orientation (or the negative reactions to nonheterosexual orientations in general). According to the interviews and the survey of the LHBTI community, all the personal-experience experts sought opportunities during their teens and/or as young adults, to accord their sexual orientation a place (without practising it) or to change it, whether active or not. In this search they tread different paths and often end up with well-meaning fellow believers, pastoral workers, faith healers, Bible study groups or Christian-oriented care providers and therapists, who offer them tools (attempts) to repress or change non-heterosexual feelings. Almost without exception, the personal-experience experts have tried for years to divest themselves of their non-heterosexual feelings. In all cases, however, there has come a point at which the so-called ‘struggle’ against sexual feelings has ceased, partly due to a lack of change or repeated rejection reactions from the religious community. Some respondents indicated that at some point they had fallen in love with someone of the same sex, and from that moment
22
on they could no longer believe that God would disapprove of such loving feelings. All the personal-experience experts interviewed say they have accepted their non-heterosexual orientation, in some cases taking more than twenty years to do so. However, the consequences of their experiences with SOGIECE have been significant for most of the personalexperience experts interviewed.
Consequences of SOGIECE The consequences of activities aimed at SOGIECE affect primarily the personal-experience experts (research question 6). A distinction can be made between the consequences of activities aimed at SOGIECE with respect to their sexual orientation, and the consequences of SOGIECE for their personal lives. The scientific literature is fairly clear when it comes to changing sexual orientation or gender identity: change does not occur, at least for most, and certainly not over the longer term. A few studies talk of (permanent) change, but these studies have come in for considerable methodological criticism. What does occur, though here one cannot refer to a substantial change in sexual orientation or gender identity, is that a homosexual man or lesbian woman enters into a relationship with someone of the opposite sex (and sometimes also has children). Interviews with personal-experience experts who have experienced this confirm that it is largely an outward adjustment, dominated mainly by the struggle against their own sexual orientation. This sham adaptation has far-reaching consequences for their personal lives.
In the interviews almost all the personal-experience experts talk of psychological disorders (depression, suicidal thoughts, eating issues), sexual problems, social disorders (feelings of loneliness, either not wanting or not daring to have contact with people, breaking off friendships), and finally also about religious changes. The religious context has been both a cause of problems (homosexuality is a sin, or it comes from the devil and must be fought against), and something in which the solution to their ‘problem’ has been sought, namely their faith in God for whom nothing is impossible. Over time some personal-experience experts have distanced themselves from their faith; on the other hand, others still believe and have been able to accord their non-heterosexual orientation a place in it (i.e. accept it), partly because they have gone to a different faith community. From the interviews it became clear that there was often no single intervention, e.g. the casting out of demons, that caused their problems and disorders. The stories show that from the moment they discovered that they are sexually attracted to someone of the same sex, they engaged in an almost permanent struggle to become ‘normal’. In the words of one respondent, this struggle has been waged ‘24/7’, touching every aspect of life.
Many of them believed that it (their homosexual orientation) was a transient period, and that faith would help them to become ‘normal’ (i.e. heterosexual) again. They went further and further in this. In this sense, the SOGIECE model can also be seen as a developmental one, where the top of the pyramid is formed by the most intrusive interventions, which also have negative consequences, but which often also make up a final element in the battle against less intrusive, more implicit and covert forms of repression and discouragement.
23
“Nothing has helped, so I am who I am,” says one of the personal-experience experts. On arriving at that point, all of the personal-experience experts interviewed have taken the decision to accept their own sexual orientation, which does not turn out to be easy in practice and sometimes requires additional treatment from a psychologist.
Problem perception The question is whether the activities aimed at SOGIECE in the Netherlands are a problem, and if so, for whom. They do not constitute a problem from the viewpoint of the providers/assistance workers, because they want to help the ‘person asking for help’ with their ‘problem’ from their own perspective. Personal-experience experts also state that the counsellors acted with the best of intentions, and often at their own request. This does not alter the fact that the personal-experience experts do indeed clearly perceive the activities aimed at SOGIECE as a problem. This awareness of the problem grows over the years, especially when the anticipated effects (acquiring a ‘normal’ life) do not materialise, and they go steadily further to rid themselves of their sexual orientation. In many cases this goes hand in hand with growing problems in all sorts of areas, because they actually deny themselves. With hindsight, the personal-experience experts suggest that their faith has meant an extra threshold in their process of self-acceptance. In this study, no LHBTI individuals have emerged who look back positively on the period where others tried to change their sexual orientation. However, a single respondent said to be indeed satisfied with his conscious choice to go through life as a single non-heterosexual.
Approach Follows in June 2020
24
1 Inleiding Conversietherapie, ofwel pogingen om de seksuele gerichtheid en genderidentiteit te veranderen, wordt in dit onderzoek een vorm van SOGIECE genoemd, daarbij verwijzend naar de Engelse omschrijving sexual orientation and gender identity and expression conversion efforts. Het betreft een aanpak die beoogt een niet-heteroseksuele gerichtheid te veranderen in een heteroseksuele. Tot dusverre is onbekend in welke mate en hoedanigheid SOGIECE voorkomt in Nederland, mede omdat er geen wetenschappelijk onderzoek naar is verricht. Uit diverse mediaberichten zijn er echter wel ervaringen bekend van deelnemers aan dergelijke therapieën. In 2008 ontstaat naar aanleiding van een artikel in Trouw ophef over conversietherapieën in Nederland.