CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

18. Langjarige_prognose_ruimtevraag_bedrijventerreinen_provincie_Gelderland.pdf

Politieke Avond 16 februari 2021, gemeente DuivenBij agendapunt: bijlagen bij beantwoording vragen PvdA d.d. 9 februari13.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland Periode 2019-2030, met een doorkijk naar 2050 Opdrachtgever: Provincie Gelderland Rotterdam, 12 juli 2019

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

Periode 2019-2030, met een doorkijk naar 2050

Opdrachtgever: Provincie Gelderland

Laurens Warnink Arjan Slaakweg Luc Heestermans

Rotterdam, 12 juli 2019

Inhoudsopgave

Samenvatting

7

1

9

2

3

4

Inleiding 1.1

Aanleiding

9

1.2

Vraagstelling

9

1.3

Aanpak

9

1.4

Leeswijzer

10

Methodiek

11

2.1

Inleiding

11

2.2

De onderdelen van de ruimtevraag op bedrijventerreinen

11

2.3

WLO-scenario’s

12

2.4

Shift-and-share

13

2.5

Spectra+

13

2.6

Ruimtelijk-economische trends en ontwikkelingen

14

2.7

Werkmilieus

15

Ruimtebehoefte op bedrijventerreinen

19

3.1

Inleiding

19

3.2

De autonome ruimtebehoefte in de Achterhoek

19

3.3

De autonome ruimtebehoefte in de regio Arnhem-Nijmegen

22

3.4

De autonome ruimtebehoefte in de Foodvalley

24

3.5

De autonome ruimtebehoefte in Noord Veluwe

27

3.6

De autonome ruimtebehoefte in Rivierenland

30

3.7

De autonome ruimtebehoefte in de Cleantech regio

34

3.8

De autonome ruimtebehoefte in provincie Gelderland

36

Conclusie

39

4.1

Inleiding

39

4.2

Uitkomsten prognose autonome ruimtevraag

39

4.3

Aanbevelingen

42

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

5

Samenvatting

De provincie Gelderland heeft zich tot doel gesteld om weloverwogen keuzes te maken waar het gaat om de vitaliteit van bestaande en de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Om dit doel te bereiken heeft Ecorys in beeld gebracht wat de ruimtebehoefte is voor de periode tot en met 2030, inclusief een doorkijk naar 2050. De uitbreidingsvraag1 is geraamd op provinciaal niveau en op het niveau van de zes wgr-regio’s, bestaande uit de Achterhoek, Arnhem-Nijmegen, Foodvalley, Noord Veluwe, Rivierenland en de Cleantech Regio. In tegenstelling tot voorgaande ramingen is voor deze prognose gebruik gemaakt van nieuwe WLO-scenario’s, die in 2015 zijn geïntroduceerd door het CPB en PBL. De wereld en daarmee de uitgangspunten zoals bevolkingsontwikkeling en technologie zijn sterk veranderd tussen de oude (TM) en nieuwe WLO-scenario’s. Dit heeft consequenties voor de behoefte naar ruimte op bedrijventerreinen. Uitgaande van de nieuwe WLO-scenario’s, wordt in deze prognose onderscheid gemaakt tussen scenario Laag en scenario Hoog. De prognose is zo opgesteld dat de som van de geraamde vraag voor de zes wgr-regio’s de vraagraming voor de gehele provincie vormt. Er is dus niet, zoals in voorgaande vraagramingen, top-down een provinciale vraagraming opgesteld die vervolgens naar de regio’s vertaald is, maar bottom-up vanuit de regio’s naar de provincie.

Deze optelsom voor de de gehele provincie bedraagt 652 tot 1.248 hectare voor de periode 2019-2030 en 629 tot 1.768 hectare voor de periode 2030-2050. De prognose van de ruimtevraag op provinciaal niveau geeft een algemeen beeld van de ontwikkelingsrichting. Van groter belang zijn de prognoses op regionaal niveau. De vraagraming is namelijk voor iedere wgr-regio afzonderlijk uitgevoerd. Door deze regio-specifieke vraagramingen te voorzien van een kwalitatieve verdieping op basis van werkmilieus, ontstaat naast een beeld van de kwantiteiten (de hoeveelheid ruimtebehoefte), ook een beeld van het type ruimtebehoefte en de daarmee samenhangende vestigingseisen. Voor de Achterhoek bedraagt de ruimtevraag 98 tot 231 hectare voor de periode 2019-2030 en 175 tot 287 hectare voor de periode 2030-2050. De geprognosticeerde ruimtevraag in de Achterhoek is verdeeld over de werkmilieus klassiek-gemengd, (maak)industrieel, agrifood, logistiek en hoogwaardig/kantoren. De ruimtevraag voor de regio Arnhem-Nijmegen is geraamd op 213 tot 369 hectare voor de periode 2019-2030 en 107 tot 485 hectare voor de periode 2030-2050. De geprognosticeerde ruimtevraag in de regio is verdeeld over de werkmilieus klassiek-gemengd, (maak)industrieel, agrifood en logistiek.

Voor de regio Foodvalley is uit de raming voor de ruimtevraag 141 tot 199 hectare voor de periode 2019-2030 en 224 tot 297 hectare voor de periode 2030-2050 gekomen. De geprognosticeerde ruimtevraag in de regio Foodvalley is verdeeld over de werkmilieus klassiek-gemengd, (maak)industrieel, agrifood, logistiek en hoogwaardig/kantoren.

1

De ruimtebehoefte die hier uitkomt is alleen gebaseerd op de economische groei zonder te kijken naar beleidsambities, de bovenregionale vraag en de vervangings- en verplaatsingsvraag.

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

7

Voor Noord-Veluwe bedraagt de ruimtevraag 50 tot 115 hectare voor de periode 2019-2030 en 77 tot 165 hectare voor de periode 2030-2050. De geprognosticeerde ruimtevraag in Noord-Veluwe is verdeeld over de werkmilieus klassiek-gemengd, (maak)industrieel, agrifood, logistiek en maritiem. Voor de regio Rivierenland is de ruimtevraag op 31 tot 172 hectare voor de periode 2019-2030 en 38 tot 349 hectare voor de periode 2030-2050 geraamd. De geprognosticeerde ruimtevraag in de regio is verdeeld over de werkmilieus klassiek-gemengd, agrifood, logistiek en hoogwaardig/kantoren. De ruimtevraag voor de Cleantech regio is geraamd op 114 tot 162 hectare voor de periode 20192030 en 115 tot 175 hectare voor de periode 2030-2050. De geprognosticeerde ruimtevraag in de regio is verdeeld over de werkmilieus klassiek-gemengd, (maak)industrieel, agrifood, logistiek en hoogwaardig/kantoren. Per regio is tevens geanalyseerd wat de mogelijke gevolgen van de nieuwe prognoses zijn voor de huidige regionale afspraken. Een belangrijk aandachtspunt is de bandbreedte tussen scenario Laag en scenario Hoog. Een vraag die vaak gesteld wordt in de stap van prognoses naar regionale afspraken, is de vraag waarop (binnen de gehanteerde bandbreedte) het regionaal bedrijventerreinenbeleid gebaseerd moet worden. Het antwoord op deze vraag is dat dit met name een beleidsmatige keuze is.

De bandbreedte die we met dit onderzoek aanleveren geeft richting aan deze beleidsmatige keuze. Deze keuze wordt idealiter op regioniveau gemaakt, omdat op die manier de (specifieke) regionale economische situatie, historische en recente ontwikkelingen in de uitgifte van bedrijventerreinen en vooruitzichten het meest tot hun recht komen in de afspraken. Wij adviseren daarom om: 

in overleg tussen de provincie Gelderland en de regio’s te bepalen op welk scenario (binnen de bandbreedte) de regionale bedrijventerreinenprogrammering wordt gebaseerd.

per regio een kwalitatieve verdieping van het aanbod per werkmilieu uit te voeren;

de uitgifte van bedrijventerreinen blijvend te monitoren (onder andere op basis van kwaliteiten);

alle facetten van de ruimtevraag (dus inclusief potentiele vervangings- en verplaatsingsvraag en bovenregionale vraag) in beeld te brengen.

.

8

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De provincie Gelderland heeft zich tot doel gesteld om weloverwogen keuzes te maken waar het gaat om de vitaliteit van bestaande en de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen2. De provincie heeft Ecorys daarom opdracht gegeven de ruimtebehoefte voor de periode tot en met 2030 inzichtelijk te maken, met een doorkijk naar 2050. De provincie is daarbij geografisch onderverdeeld in de wgr-regio’s Achterhoek, Arnhem-Nijmegen, Foodvalley, Noord Veluwe, Rivierenland en de Cleantech regio3. In voorgaande ramingen heeft de Provincie Gelderland voor langjarige prognoses van de uitbreidingsvraag4 naar bedrijventerreinen gebruik gemaakt van de WLO-scenario’s, waarbij het TM-scenario (Transatlantic Market) steeds het uitgangspunt is geweest. Omdat het CPB en PBL in 2015 nieuwe WLO-scenario’s heeft geïntroduceerd, waarbij scenario Hoog en Laag worden onderscheiden, heeft de provincie Gelderland Ecorys opdracht gegeven om te ramen met de WLO2 -scenario’s5.

1.2

Vraagstelling De vraagstelling die ten behoeve van dit traject door de provincie Gelderland is opgesteld, bestaat uit de volgende drie onderdelen: 1. een prognose van de langjarige uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen volgens de WLO2scenario’s voor Gelderland als geheel en per regio; 2. inzicht in het verschil in de langjarige uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen tussen het TMscenario en de WLO2 scenario’s voor Gelderland als geheel en per regio; 3. inzicht in de beleidsmatige consequenties van de omschakeling tussen prognoses en hoe hier mee om gegaan kan worden.

1.3

Aanpak In deze rapportage worden de resultaten gepresenteerd van de prognose langjarige uitbreidingsvraag naar bedrijventerreinen voor Gelderland als geheel en per wgr-regio. De prognoses gaan over de periode 2019-2030 en geven een doorkijk voor de periode 2030-2050. Omdat de onzekerheid, en daarmee de bandbreedte, in de periode na 2030 sterk toeneemt, ligt de focus voornamelijk op de periode 2019-2030. Alleen voor deze periode wordt daarom een verdiepende analyse, die resulteert in een toedeling naar werkmilieus, uitgevoerd. De doorkijk naar 2050 geeft wel een beeld van de mogelijke economische ontwikkeling van de wgr-regio’s op de lange termijn.

2

3 4

5

Onder bedrijventerreinen ziet Ecorys terreinen die een oppervlakte hebben van meer dan één hectare bruto, waar sprake is van mogelijkheid tot vestiging van meer dan één bedrijf. Deze terreinen zijn vanwege bestemming beschikt, maar niet uitsluitend voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële dienstverlening en industrie. Onder deze beschrijving vallen ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk bestemd en geschikt zijn voor kantoorruimte (Definitie IBIS). De gemeenten per wgr-regio worden per regioparagraaf opgesomd. De ruimtebehoefte die hier uitkomt is alleen gebaseerd op de economische groei zonder te kijken naar beleidsambities, de bovenregionale vraag en de vervangings- en verplaatsingsvraag. CPB/PBL (2015) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving. Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Planbureau.

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

9

Omdat de resultaten van de prognose kunnen afwijken van de cijfers waarop de huidige Regionaal Programma’s Werklocaties (RPW’s) zijn gebaseerd, heeft de nieuwe vraagraming mogelijk beleidsmatige consequenties. De eventuele beleidsmatige consequenties maken we eveneens per regio inzichtelijk en voorzien we van een advies hoe hier mee om gegaan kan worden. Om verder inzicht te verschaffen in de effecten van de nieuwe scenario’s, is voor de gehele provincie en de zes wgr-regio’s ook een prognose opgesteld op basis van het TM-scenario. De verschillen tussen de uitkomsten van de prognose volgens het TM-scenario en de (nieuwe) WLO2scenario’s, alsmede de invloed van de raming van de ruimtevraag van logistiek en industrie op basis van toegevoegde waarde (nadere uitleg in hoofdstuk 2), zijn tijdens individuele sessies aan de regio’s gepresenteerd. Uit de analyse van de prognose met het (oude) TM-scenario is duidelijk geworden dat de discussie of het TM-scenario recht doet aan de groei(potentie) van de regio gerechtvaardigd is. De resultaten van de raming volgens het (oude) TM-scenario zijn bedoeld om de regio’s te laten zien wat de verschillen zijn tussen de oude en nieuwe WLO-scenario’s en wat het effect is van de nieuwe methodiek (namelijk dat enkele sectoren zijn geraamd op basis van de ontwikkeling van de toegevoegde waarde in plaats van het arbeidsvolume).

De uitkomsten van de nieuwe WLO2-scenario’s blijken meer in lijn te liggen met de praktijk. In de vraagraming per regio wordt op basis van de geldende regionale afspraken een beeld geschetst van het (oude) TMscenario. Verder zijn de resultaten van de ramingen volgens het TM-scenario niet in deze rapportage opgenomen.

1.4

Leeswijzer De rapportage is als volgt opgebouwd: 

Het tweede hoofdstuk omschrijft de methodiek die Ecorys hanteert voor de ramingen van de ruimtebehoefte op bedrijventerreinen.

In het daaropvolgende hoofdstuk worden de resultaten van vraagraming per wgr-regio gepresenteerd. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een totaalbeeld voor de gehele provincie. De vraagraming per regio is als volgt opgebouwd: -

allereerst een korte inleiding met betrekking tot de regio;

-

gevolgd door een overzicht van het huidige RPW;

-

tot slot volgt een vergelijking van de vraagraming van het huidige RPW met de nieuwe vraagraming en de mogelijke beleidsmatige consequenties die de verschillen hiertussen met zich meebrengen.

De rapportage wordt afgesloten met een concluderend hoofdstuk. Hierin wordt een overzicht gegeven van de resultaten per regio. De conclusie gaat vergezeld van een advies over hoe om te gaan met de nieuwe vraagraming.

10

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

2

Methodiek

2.1

Inleiding Ecorys maakt bij de uitvoering van behoefteramingen gebruik van de scenario’s uit de Welvaart en Leefomgeving-publicaties (WLO) en Langetermijnverkenningen van het CPB en PBL. Sinds enige tijd gebruiken we hiervoor de in 2015 geïntroduceerde WLO2-scenario’s6. Vanwege het ontbreken van (sub)regionale en betrouwbare sectorgegevens binnen deze WLO-scenario’s maken wij zelf een vertaling naar hoofdsector en deelregio. Hiervoor hanteren wij een regionale ‘shift-and-shareanalyse’. Daarmee worden de prognoses regio-specifiek gemaakt voor de provincie Gelderland én de zes wgr-regio’s.

2.2

De onderdelen van de ruimtevraag op bedrijventerreinen Om van werkgelegenheidscijfers te komen tot de toekomstige ruimtevraag vindt een berekening plaats met behulp van terreinquotiënten en locatievoorkeuren. Het terreinquotiënt is het ruimtegebruik per werkzame persoon (uitgedrukt in vierkante meter). De locatievoorkeur geeft per sector aan welk gedeelte van de werkgelegenheid (uitgedrukt in procenten) zich vestigt op bedrijventerreinen (de gehanteerde terreinquotiënten en locatievoorkeuren zijn te vinden in bijlage 1). Dit wordt in paragraaf 2.3 t/m 2.5 nader toegelicht. Ruimtevraag op bedrijventerreinen wordt normaliter opgebouwd uit vier onderdelen, te weten: 

de autonome uitbreidingsvraag, gebaseerd op economische groei;

vervangingsvraag als gevolg van transformatie (functiewijziging) van een bedrijventerrein;

verplaatsingsvraag als gevolg van herprofilering (wijziging van profiel/doelgroep) van een bedrijventerreinen;

bovenregionale vraag, de ruimtevraag vanuit bedrijvigheid die buiten de geraamde regio gevestigd is.

De ruimtebehoefte in deze prognose is enkel gebaseerd op economische groei van in de provincie gevestigde bedrijvigheid, uitgedrukt in de ontwikkeling van het aantal arbeidsplaatsen en de toegevoegde waarde van enkele sectoren. De ramingen zijn derhalve beleidsarm, dat wil zeggen dat, behoudens bestaand beleid en de voorgenomen maatregelen die in de WLO2-scenario’s zijn verwerkt, de geraamde ruimtevraag niet wordt beïnvloed door nationale, regionale en/of gemeentelijke beleidsambities7. De geraamde ruimtevraag bevat geen vervangings- en/of verplaatsingsvraag als gevolg van herstructurering en/of transformatie. Bovenregionale vraag is in dit onderzoek niet specifiek geraamd. De bovenregionale vraag maakt ten dele onderdeel uit van de geraamde ruimtevraag. De vestiging van bedrijvigheid van buiten de regio in voorgaande jaren zorgt immers ook voor een toename van het aantal arbeidsplaatsen en/of de toegevoegde waarde. Dit werkt door in de toekomstige ontwikkeling van de regio. Grootschalige ruimtevraag (van buiten), van bijvoorbeeld XXL-logistiek, is echter niet op deze manier te ramen en valt daarom buiten de scope van deze

6

7

CPB/PBL (2015) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving. Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Planbureau. CPB/PBL (2015) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving. Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Planbureau.

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

11

prognose. Afhankelijk van de wenselijkheid van dergelijke vestigingen moet hiermee rekening gehouden worden in de regionale afspraken.

2.3

WLO-scenario’s Voorheen is in de Provincie Gelderland gebruik gemaakt van de WLO-scenario’s die in 2006 door het CPB zijn geïntroduceerd. Conform landelijke afspraken zijn de regio’s en de Provincie Gelderland destijds overeengekomen dat bij de planning van bedrijventerreinen het scenario Transatlantic Market (TM) als referentie genomen wordt voor het in beeld brengen van de ruimtevraag op bedrijventerreinen. In 2015 hebben PBL en CPB nieuwe verkenningen geïntroduceerd. Deze verkenningen hebben geleid tot de WLO2-scenario’s: scenario Laag en scenario Hoog. De Provincie en de regio’s hebben nog geen afspraken gemaakt over hoe om te gaan met de nieuwe scenario’s Hoog en Laag. In dit onderzoek wordt voor de provincie Gelderland dan ook voor het eerst geraamd op basis van de nieuwe WLO2-scenario’s. Ecorys rapporteert steeds de bandbreedte tussen beide scenario’s. De keuze hoe de programmering te baseren op deze bandbreedte, is een beleidsmatige en ligt daarom bij de Provincie en de wgr-regio’s.

2.3.1 Nieuwe WLO-scenario’s In de studie ‘Welvaart en Leefomgeving’ worden mogelijke toekomstbeelden geschetst om beleidsmakers te begeleiden in hun werk. De studie, die in 2006 uitgegeven is, presenteert de mogelijke toekomstbeelden in vier scenario’s. Toen in 2015 de economische crisis op haar eind liep, is door het PBL en CPB gehoor gegeven aan de behoefte aan nieuwe toekomstverkenningen. In de nieuwe WLO2-scenario’s, presenteren het CPB en PBL twee mogelijke toekomstbeelden voor Nederland. Deze toekomstbeelden maken beleidsopgaven zichtbaar waar de samenleving de komende decennia mogelijk voor staat op het gebied van woningbouw, infrastructuur, energie en landbouw. Met de Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving (WLO) kijken het CPB en het PBL vooruit naar de jaren 2030 en 20508. De in 2015 gepresenteerde verkenningen hebben geresulteerd in de ontwikkeling van twee referentiescenario’s: scenario Hoog en scenario Laag. Scenario Hoog gaat uit van een economische groei van 2 procent per jaar met een relatief sterke bevolkingsaanwas. In het scenario Hoog is sprake van een relatief groot internationaal vertrouwen, met bijbehorende veiligheid, florerende handel, liberalisering, concurrentie en globalisering. Internationale samenwerking, zowel binnen Europa als tussen Europa en andere landen, is succesvol.

In scenario Laag is een gematigde economische groei van 1 procent per jaar gecombineerd met een beperkte demografische ontwikkeling. In scenario Laag zijn er in de wereld meer spanningen en conflicten. Er is in dit scenario minder internationaal vertrouwen, het is lastiger om internationale afspraken te maken en liberalisering, globalisering en internationale handel reiken minder ver. Concurrentie is daardoor minder krachtig en er is minder innovatie, waardoor de wereldwijde economische groei lager is.

8

12

CPB/PBL (2015) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving. Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Planbureau.

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

Voor meer achtergrond over de WLO2-scenario’s en de onderliggende thema’s demografie, macroeconomie, regionalisering en verstedelijking, mobiliteit, klimaat en energie, en landbouw verwijzen we naar de rapportage “Nederland in 2030 en 2050: Twee referentiescenario’s”9

2.4

Shift-and-share Aangezien de WLO-scenario’s enkel uitspraken doen over landelijke economische toekomstbeelden en betrouwbare regionale sectorgegevens daardoor ontbreken, heeft Ecorys een eigen methodiek ontwikkeld om de vertaalslag te maken van landelijke naar regionale groeiscenario’s. Dit is de zogenoemde shift-and-share-analyse. Om te komen van landelijke naar regionale groeiscenario’s wordt de economische ontwikkeling (uitgedrukt in werkgelegenheid) gesplitst in een nationale component, een structuur-component (industry mix) en een regionale component (regional shift): 

De nationale component geeft een indicatie voor conjuncturele invloeden. De onderliggende data van de nationale component komt van het CBS.

De structuurcomponent geeft inzicht in een gunstige of ongunstige sectorstructuur van de regio (de regionale industry mix) als deze wordt vergeleken met de sectorstructuur op nationaal niveau (de nationale industry mix).

De regionale component geeft tenslotte een indicatie voor de kwaliteit van het ondernemerschap en een (on)gunstig regionaal vestigingsklimaat als vergeleken wordt met de nationale groei. De onderliggende data voor de regionale component is door de provincie zelf aangeleverd10.

Dankzij de shift-and-share-analyse kunnen de WLO-scenario’s op ieder van de zes wgr-regio’s worden toegepast. Daarmee zijn de prognoses regio-specifiek gemaakt én passen zij binnen de nationale kaders van de prognoses van economische en werkgelegenheidsontwikkeling.

2.5

Spectra+ De uitkomsten van de regionale prognoses worden gekoppeld aan het door Ecorys ontwikkelde Spectra+-model. Met dit model wordt een vertaling gemaakt van de WLO-scenario’s naar werkgelegenheid per sector en de daaruit af te leiden ruimtebehoefte. Voor arbeidsextensievere sectoren, te weten industrie en logistiek, is de prognose gebaseerd op de ontwikkeling van de toegevoegde waarde per hectare bedrijventerrein, ofwel de ruimteproductiviteit. Deze keuze is gemaakt, omdat een vraagraming op basis van werkgelegenheidsontwikkeling voor deze sectoren geen goede afspiegeling geeft van de werkelijkheid (een negatieve werkgelegenheidsontwikkeling versus een omvangrijke vraag naar ruimte). Door automatisering en robotisering worden namelijk steeds meer werkzaamheden uitgevoerd door robots. Dit betekent een dalende werkgelegenheid in deze sectoren, terwijl er evenveel of zelfs meer geproduceerd en/of omgezet wordt en dus ruimte vraagt. Een raming op basis van werkgelegenheid zou in dit geval, ten onrechte, een daling van de ruimtevraag betekenen. Daarom worden de sectoren industrie en logistiek geraamd op basis van de ruimteproductiviteit.

9

10

CPB/PBL (2015) Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving. Nederland in 2030 en 2050: twee referentiescenario’s, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving/Centraal Planbureau. PWE Gelderland 2018

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

13

Vervolgens worden de werkgelegenheidscijfers en de toegevoegde waarde middels de locatievoorkeur (het aandeel van een sector dat zich op een bedrijventerrein vestigt) en het terreinquotiënt (het ruimtegebruik per werkzame persoon) omgerekend naar toekomstig ruimtegebruik. De locatievoorkeur wordt berekend door het arbeidsvolume op bedrijventerreinen per sector te delen door het totale arbeidsvolume per sector. Voor het bepalen van het terreinquotiënt per sector is de oppervlakte van bedrijven (m2) in een bepaalde sector gedeeld door het aantal arbeidsplaatsen van deze bedrijven. De uitkomst van deze berekening is het aantal vierkante meter dat nodig is voor een arbeidsplaats, oftewel het terreinquotiënt. Om extreme gevallen of datafouten te filteren, is in iedere regio een minimaal aantal van 100 waarnemingen per sector gehanteerd om het terreinquotiënt voor een sector te bepalen. Indien het aantal waarnemingen de 100 niet overstijgt, is van deze sector het terreinquotiënt van de provincie gebruikt. Bovendien is een bandbreedte (minimaal-maximaal) gehanteerd van bedrijven met een terreinquotiënt van 50m2 - 1500m2 per arbeidsplaats. In bijlage 1 is een uitgebreide toelichting van het model Spectra+ te vinden.

2.6

Ruimtelijk-economische trends en ontwikkelingen Het ruimtegebruik op bedrijventerreinen is steeds aan verandering onderhevig. Op dit moment spelen er, of hebben we zicht op, enkele belangrijke trends en ontwikkelingen die van invloed zijn op dit ruimtegebruik. BCI en EIB bespreken in hun landelijke verkenning van de ruimtevraag naar bedrijventerreinen en kantoren eveneens enkele ruimtelijk economische ontwikkelingen 11. De drie belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen zijn in onze optiek automatisering en robotisering, circulaire economie en duurzaamheidsmaatregelen. De invloed van deze ontwikkelingen maakt, doordat enkele sectoren reeds op basis van toegevoegde waarde worden geraamd, in het geval van automatisering/robotisering al onderdeel uit van de vraagraming (zie toelichting paragraaf 2.5 Spectra+). Voor circulaire economie en duurzaamheidsmaatregelen is dit niet het geval. Van deze laatste twee verwachten we echter wel invloed op het ruimtegebruik op bedrijventerreinen: Een circulaire economie is een economie waar restproducten van de consument of bedrijf als grondstof wordt gebruikt door het andere bedrijf. Op dit moment bevinden we ons in de transitiefase, waarin steeds meer bedrijven zich bezighouden met of richten op een circulaire productiestructuur. Tijdens de transitiefase bestaan de oorspronkelijke, ‘lineaire’ economie en de circulaire economie naast elkaar.

Terwijl sommige bedrijven al instappen in de circulaire gedachte, zijn andere bedrijven daar nog niet toe in staat. Omdat beiden vormen van economie naast elkaar kunnen bestaan, is in de transitiefase daarom op bedrijventerreinen mogelijk extra ruimte nodig voor het faciliteren van circulaire bedrijvigheid naast de ‘oude’ bedrijvigheid. Bovendien vraagt circulaire economie om meer ruimte voor de opslag van materialen. Restproducten van de consument en/of andere bedrijven kunnen immers niet altijd meteen opnieuw worden ingezet in het productieproces. In de bouwsector vraagt het toenemende gebruik van prefab-woningen om tijdelijke ruimte, bij voorkeur nabij woningbouwlocaties12. We verwachten kortom dat deze ontwikkeling zal leiden tot meer ruimtegebruik/vraag op/naar bedrijventerreinen. Ten eerste, omdat de circulaire en lineaire economie naast elkaar bestaan in de transitiefase. Ten tweede, vanwege het feit dat circulaire economie vraagt om meer opslagruimte. 11

12

14

BCI & EIB (2019) Ruimte voor economische activiteit tot 2030 Verkenning van de ruimtevraag naar bedrijventerreinen en kantoren. Ecorys (2017) advisering ministerie van EZ inzake nationale omgevingsvisie (NOVI)

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

Duurzaamheidsmaatregelen zijn in te delen in meerdere categorieën, zoals energiemaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Energiemaatregelen hebben betrekking op het verminderen/verduurzamen van het energiegebruik bij bedrijven. Dit vraagt enerzijds om een aanpak op pandniveau, maar een gemeenschappelijke aanpak op bedrijventerreinniveau behoort ook tot de mogelijkheden. Dit heeft echter nauwelijks consequenties op de ruimtebehoefte. Wat wel invloed heeft op de ruimtebehoefte zijn maatregelen om de gevolgen van zaken als hittestress en piekbuien te verminderen. Dit vraagt namelijk om een ruimere opzet van bedrijventerreinen, met meer groen en waterbergingsgebieden. In termen van ruimtevraag betekent dit dat het verschil tussen de netto oppervlakte en de bruto oppervlakte toeneemt. In deze raming wordt gewerkt met de vraag gerekend in netto oppervlakte.

2.7

Werkmilieus Regionale afspraken over het bedrijventerreinenbeleid leiden veelal tot een discussie over hectaren (in kwantitatieve zin). Bedrijventerreinen zijn echter dikwijls niet met elkaar te vergelijken. Het is daarom belangrijk zowel vraag als aanbod ook te analyseren op basis van kwaliteiten. Om dit te bewerkstelligen heeft Ecorys een methodiek ontwikkeld die vraag en aanbod indeelt in werkmilieus. De toedeling naar werkmilieus levert inzicht op in het type ruimtevraag en de bijbehorende vestigingseisen van de ruimtevrager. Door vraag en aanbod op werkmilieu met elkaar te confronteren, heeft een vraag-aanbodconfrontatie daadwerkelijk waarde. Hiermee wordt immers zichtbaar voor welke doelgroep en in welk marktgebied vraag en aanbod al dan niet in evenwicht zijn. Op basis van meerdere landelijke onderzoeken zijn een achttal werkmilieus geïdentificeerd. We onderscheiden de volgende werkmilieus: 

Klassiek-gemengd;

Agrifood;

Logistiek;

(Maak)industrieel;

Hoogwaardig/ kantoren;

Stedelijk interactiemilieu;

Maritiem;

Campus.

Omdat de werkmilieus zijn gebaseerd op landelijk onderzoek is niet per definitie ieder werkmilieu van toepassing op de vraag naar bedrijventerreinen in Gelderland. De werkmilieus worden in het vervolg van deze paragraaf nader toegelicht. Klassiek-gemengd werkmilieu Een traditioneel werkmilieu, ook wel “functioneel gemengd” genoemd. De term klassiek duidt niet op de leeftijd van het terrein of de (werkzaamheden van) de gevestigde bedrijvigheid, maar op het feit dat dit type bedrijventerrein van oudsher in zo goed als iedere gemeente te vinden is: Een monofunctioneel werkmilieu met een diversiteit aan bedrijven op overwegend kleine(re) kavels. Bedrijventerreinen met een klassiek-gemengd werkmilieu zijn ook geschikt om kleinschalige activiteiten uit andere werkmilieus te huisvesten. Bijvoorbeeld stadsdistributie of productie met een lage milieu-/hindercategorie. Dit sluit niet uit dat er enkele zwaardere bedrijven zijn gehuisvest of grotere kavels aanwezig zijn, vaak mogelijk gemaakt door zonering. Dit type terreinen is belangrijk voor de werkgelegenheid en dynamiek in stedelijke gebieden en kernen.

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

15

Agrifood Een clustering van bedrijven met aan de basis productiebedrijven gerelateerd aan teelt en veredeling van landbouwproducten. Verderop in de keten vinden we agrologistieke bedrijven zoals importeurs, exporteurs, verpakkingsbedrijven en logistiek dienstverleners. Een agrifood-profilering ontstaat vanuit een relatie met de agrarische sector. Logistiek Een clustering van bedrijven in de logistiek, handel en opslag. Dit zijn vaak grootschalig opgezette terreinen met veel ruimte voor vrachtwagens en gerelateerde voorzieningen. De echt grootschalige logistiek (>5ha) vestigt zich binnen Nederland met name in de zuidoostelijke provincies. (Maak)industrieel werkmilieu Een werkmilieu met een industrieel karakter waarbinnen bedrijven produceren en verwerken. Dit vindt vaak plaats op grote(re) kavels, veelal met een maximale milieucategorie van minstens 3.2. Industriële terreinen bieden in de regel ruimte aan hmc-bedrijvigheid (HogereMilieuCategorie). Het verschil met het klassiek-gemengd werkmilieu is de schaalgrootte van de gevestigde bedrijven, alsmede een overwegend hogere milieucategorie. Hoogwaardig/kantoren werkmilieu Het werkmilieu hoogwaardig/kantoren kenmerkt zich door de aanwezigheid van met name kantoorgerelateerde bedrijfsfuncties op een vaak nog monofunctioneel bedrijventerrein.

Het betreft veelal bedrijfsverzamelgebouwen, waar bedrijven uit bijvoorbeeld de zakelijke dienstverlening zich vestigen. Een hoogwaardig werkmilieu kan tevens productiefaciliteiten voor hoogwaardigere sectoren, zoals de medische sector, huisvesten. Stedelijk interactiemilieu Een werkmilieu dat bepaald wordt door zijn stedelijkheid. Een rijke culturele omgeving met vele voorzieningen, een onderscheidende kwaliteit van de leefomgeving, vele informele ontmoetingsplekken en een brede attractiviteit (nationaal en internationaal) om te werken, te wonen en te bezoeken. Het is een interessante vestigingslocatie voor talent, kent een grote hoeveelheid aan startups en ZZP’ers en ook grotere (inter)nationale bedrijven. Dit werkmilieu wordt vaak gevonden op binnenstedelijk gelegen werklocaties. Het stedelijk interactiemilieu vormt voor veel binnenstedelijke bedrijventerreinen een stip op de horizon om naartoe te werken. Maritiem Het werkmilieu maritiem beschrijft een cluster van bedrijven in de maritieme (maak)industrie, zoals scheepsbouw en –reparatie. Bedrijvigheid binnen dit werkmilieu is doorgaans gevestigd op watergebonden en/of –verbonden kavels. Deze watergebonden bedrijvigheid trekt aan- en toeleveranciers aan die zich dikwijls vestigen op nabijgelegen, niet-watergebonden kavels.

De watergebonden bedrijventerreinen voor de op- en overslag van goederen (inclusief zeehaventerreinen) behoren niet tot dit werkmilieu. Deze bedrijvigheid wordt, afhankelijk van het type goederen dat wordt op- en overgeslagen, onderverdeeld in logistiek dan wel (maak)industrieel werkmilieu. Campus Een werkmilieu dat zich onderscheidt door kennisontwikkeling en innovatie. Formeel gezien wordt een campus ontwikkeld door of in samenwerking met een onderwijsinstelling. Zoals TIC-Delft, Hightech Campus Eindhoven en Kennispark Twente. Een campus kan echter ook ontstaan rondom een bepaald type bedrijvigheid (bijvoorbeeld biobased, health, high- & cleantech en creatieve industrie) of bedrijf. Een voorbeeld daarvan is de Novio Tech Campus in Nijmegen. Bedrijventerreinen die als

16

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

geheel ingericht worden als campus zijn relatief zeldzaam. Dergelijke terreinen kennen bovendien een andere dynamiek dan reguliere bedrijventerreinen. Vanwege het bijzondere karakter wordt voor campussen een specifieke ramingsmethodiek gehanteerd. Campussen hebben immers een specifieke, wetenschappelijke doelgroep met een internationaal zoekgebied. Het werkmilieu campus wordt echter wel onderscheiden, omdat het terugkomt in het aanbod. Binnen de methodiek van dit onderzoek wordt de vraag naar het werkmilieu campus niet specifiek geraamd. Er vindt dus geen toedeling plaats van de totale ruimtevraag naar het werkmilieu campus.

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

17

3

Ruimtebehoefte op bedrijventerreinen

3.1

Inleiding In dit hoofdstuk worden de resultaten van de prognose van de ruimtebehoefte op bedrijventerreinen in de provincie Gelderland gepresenteerd. De geraamde ruimtevraag voor de periode 2019-2030 wordt, net als de doorkijk naar 2050, per regio besproken. De geprognosticeerde ruimtevraag voor de periode 2019-2030 wordt vervolgens onderverdeeld naar werkmilieus. Daarnaast zijn per regio de mogelijke beleidsmatige consequenties van de nieuwe vraagraming inzichtelijk gemaakt. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de totale ruimtebehoefte van de provincie Gelderland.

3.2

De autonome ruimtebehoefte in de Achterhoek

3.2.1 Beschrijving Achterhoek De Achterhoek bestaat uit de gemeentes Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJselstreek en Winterswijk. De Achterhoek herbergt in totaal 97.760 arbeidsplaatsen. De meeste arbeidsplaatsen in de Achterhoek zijn te vinden in de sectoren industrie, de gezondheidsen welzijnszorg en detailhandel. Slimme maakindustrie (smart industry) is een sterk aanwezige sector in de Achterhoek. De Achterhoek heeft een netto bedrijventerreinvoorraad van circa 1.400 hectare waarvan ongeveer 1.260 hectare uitgegeven is13. In Figuur 1 is de historische uitgifte in de regio vanaf het jaar 2000 weergeven. Dit geeft een beeld van de conjuncturele golven op de bedrijventerreinenmarkt. Figuur 1 Historische uitgifte in de Achterhoek 2000-2018 40

Jaarlijkse uitgifte (ha)

35 30 25 20 15 10 5 0 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

3.2.2 Geldende regionale afspraken Achterhoek De vigerende regionale afspraken aangaande het bedrijventerreinenbeleid in de Achterhoek zijn vastgesteld in het RPB Achterhoek 2011, dat is gebaseerd op prognoses op basis van het TMscenario14.

13 14

IBIS Gelderland, juni 2019 STEC Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) Regio Achterhoek 2011

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

19

Aan het RPB 2011 ligt een vraagraming ten grondslag voor de periode 2009-2023. De geraamde autonome vraag bedraagt 108 hectare. Inclusief verplaatsings- en vervangingsvraag en beleidsopgaven is gerekend met een totale vraag van 184,4 hectare naar bedrijventerreinen tot 2023. Dit stond tegenover een totaal aanbod aan harde en zachte plannen van 261,7 hectare, waarmee een overaanbod geconstateerd werd. Om dit tegen te gaan, zijn vooral maatregelen geadviseerd aangaande de zachte plannen. Naar aanleiding daarvan zijn de zachte plannen gefaseerd en deels in geringere omvang in ontwikkeling gebracht. Voor de harde plannen waren niet of nauwelijks mogelijkheden voor temporisering. Daarnaast is afgesproken dat nieuwe bedrijventerreinen zowel kwantitatief als kwalitatief afgestemd worden op de vraag. Op het moment van schrijven van deze rapportage ligt een nieuw RPW ter vaststelling bij de gemeenten en Provincie. De vraagraming die ten grondslag ligt aan dit RPW is reeds gebaseerd op de nieuwe WLO2-scenario’s en komt overeen met de prognose die in dit onderzoek gepresenteerd wordt.

3.2.3 Ruimtevraag Achterhoek 2019 – 2030 met een doorkijk naar 2050 De vraagraming voor het RPB 2011 is gebaseerd op het TM-scenario waar steeds uitgegaan werd dat er na 2025 geen sprake zou zijn van een uitbreidingsvraag. Ter vergelijking met de nieuwe prognoses is oorspronkelijke raming volgens het TM-scenario opgenomen. Figuur 2 Vraagraming Achterhoek 1900 1800 1700

Ruimtevraag (ha)

1600 1500 1400 1300

1259

1200 1100 1000 900 2006

2010

2015

2019

Historisch cumulatief

2025

2030

TM-scenario

2035

2040

Scenario Laag

2045

2050

Scenario Hoog

Uit Figuur 2 blijkt dat de prognoses voor zowel scenario Hoog als scenario Laag een hogere ruimtevraag laten zien dan de prognose uit het RPB 2011. In scenario Laag bedraagt de ruimtevraag in de periode 2019-2030 98 hectare. In scenario Hoog is dit 231 hectare. Dit is gemiddeld 9 tot 20 hectare per jaar. Voor de periode 2030-2050 bedraagt de ruimtevraag 175 tot 287 hectare. In de periode vanaf 2030 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse ruimtevraag dus 9 tot 14 hectare. In Tabel 1 is de geprognosticeerde ruimtevraag per vijf jaar weergeven. Tabel 1 Ruimtebehoefte naar WLO-Scenario per 5 jaar Achterhoek

20

Achterhoek

2019-2025

2025-2030

2030-2035

2035-2040

2040-2045

2045-2050

WLO-scenario Laag

56

42

50

34

42

39

WLO-scenario Hoog

125

106

105

77

58

48

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

3.2.4 Werkmilieus Achterhoek In deze paragraaf zoomen we voor zowel scenario Hoog als scenario Laag in op de werkmilieus. In beide scenario’s is de ruimtevraag voor het klassiek-gemengd werkmilieu het grootst. Tevens is er een aanzienlijke ruimtebehoefte voor het logistieke en (maak)industriële werkmilieu (zie Figuur 3). Figuur 3 Ruimtebehoefte naar werkmilieu 2019-2030 Achterhoek

250,00

Hoogwaardig/ Kantoren

200,00

Agrifood Logistiek

150,00 Industrieel 100,00

50,00

Klassiek - gemengd

Scenario Laag 2019-2030 Klassiek - gemengd

Industrieel

Scenario Hoog 2019 - 2030 Logistiek

Agrifood

Hoogwaardig/ Kantoren

In het RPW Achterhoek 2019-2023 dat op dit moment ter besluitvorming voorligt, is ook het aanbod reeds geanalyseerd op basis van werkmilieus. De vraag-aanbodconfrontatie is in dat onderzoek uitgevoerd op niveau van de werkmilieus.

3.2.5 Mogelijke beleidsmatige consequenties Achterhoek De autonome ruimtebehoefte waar het beleid in het vigerende RPB 2011 op is gebaseerd, is geraamd op 108 hectare15. Dit stond tegenover een aanbod van 261,7 hectare in harde en zachte plannen, waarmee een overaanbod geconstateerd werd. De ramingen uit de WLO2-scenario’s vallen beide hoger uit dan de raming in het RPB 2011. De raming naar de autonome ruimtebehoefte uit WLO-scenario Laag is 98 hectare en de raming uit WLO-scenario Hoog is 231 hectare. Omdat de vigerende regionale afspraken dateren uit 2011, adviseren wij om het, nog niet vastgestelde, RPW uit 2019 te volgen waarin vraag en aanbod kwalitatief zijn verdiept naar werkmilieus op basis van ramingen volgens de WLO2-scenario’s.

15

STEC Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB) Regio Achterhoek 2011

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

21

3.3

De autonome ruimtebehoefte in de regio Arnhem-Nijmegen

3.3.1 Beschrijving Arnhem-Nijmegen De regio Arnhem-Nijmegen is met 17 gemeenten qua aantal de grootste van de wgr-regio’s. De gemeenten zijn Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Montferland, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen en Zevenaar. De regio heeft een netto bedrijventerreinvoorraad van ruim 2.700 hectare, waarvan 2.460 hectare is uitgegeven16. Verder zijn er in totaal ruim 267.000 arbeidsplaatsen in de regio. In Figuur 4 is de historische uitgifte in de regio vanaf het jaar 2000 weergeven. Dit geeft een beeld van de conjuncturele golven op de bedrijventerreinenmarkt. Figuur 4 Historische uitgifte in de regio Arnhem-Nijmegen 2000-2018 70

Jaarlijkse uitgifte (ha)

60 50 40 30 20 10 0 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

3.3.2 Geldende regionale afspraken Arnhem-Nijmegen Het huidige Regionaal Programma Werklocaties is vastgesteld op 15 september 2017 17. Destijds is een overaanbod geconstateerd op bedrijventerreinen, kantoren- en PDV-locaties. Een overaanbod zorgt ervoor dat nieuwe initiatieven, die beter aansluiten bij de nieuwste ontwikkelingen op de markt, geen kans maken. Voor de bedrijventerreinen werd een vraag van 219 hectare (incl. 12 hectare vervangingsvraag) verwacht, terwijl het uitgeefbaar aanbod op dat moment 367 hectare bedroeg. Dat betekent dat een overprogrammering van 148 hectare is geconstateerd, wat heeft geleid tot een schrapopgave voor verschillende bedrijventerreinen in de regio. Om evenwicht te creëren tussen vraag een aanbod is een voorzienbaarheidsprocedure ingesteld. Deze procedure moet er uiteindelijk voor zorgen dat dat nieuwe economische ontwikkelingen op de juiste locaties in de regio en met maximaal rendement voor werkgelegenheid ontwikkeld worden. Een belangrijk onderdeel van de afspraken in de regio is het bieden van ruimte voor de uitbreiding van lokale bedrijvigheid. Het streven van het huidige RPW is binnen een realistisch tijdsbestek toe te werken naar een economisch evenwicht van vraag en aanbod. Een belangrijk uitgangspunt binnen de regionale afspraken is monitoring, waardoor economische marktontwikkelingen nauwkeurig gevolgd en benut kunnen worden.

Hiermee wordt tevens de kans dat de uitgifte van gronden hoger ligt dan verwacht, zoals de praktijk dankzij economisch herstel heeft uitgewezen, opgevangen. Vanuit deze doelstellingen is voorgesteld dat gemeenten en private partijen tot 2020 de gelegenheid krijgen voor de uitgifte van bedrijventerreinen. Verder is voor een aantal locaties ‘voorzienbaarheid’ gecreëerd. Deze voorzienbaarheid gaat in per 1 juli 2019. Gemeenten en private 16 17

22

IBIS Gelderland, juni 2019 RPW Arnhem-Nijmegen 2017-2021

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

partijen hebben tot 1 januari 2021 de tijd om deze locaties in ontwikkeling te nemen. Na deze periode wordt de bestemming van de locatie of gewijzigd, of geschrapt als deze niet is uitgegeven. Dit moet ertoe leiden dat het evenwicht tussen vraag en aanbod weer wordt hersteld.

3.3.3 Ruimtevraag regio Arnhem-Nijmegen 2019 – 2030 met een doorkijk naar 2050 De vraagraming voor het RPW 2017 is gebaseerd op het TM-scenario, waar steeds werd uitgegaan dat er na 2025 geen sprake zou zijn van een uitbreidingsvraag. Ter vergelijking met de nieuwe prognoses is oorspronkelijke raming volgens het TM-scenario opgenomen.

Ruimtevraag (ha)

Figuur 5 Vraagraming regio Arnhem-Nijmegen 3400 3300 3200 3100 3000 2900 2800 2700 2600 2500 2400 2430 2300 2200 2100 2000 2006 2010 2015 2019

Historisch cumulatief

2025

2030

TM-scenario

2035

2040

Scenario Laag

2045

2050

Scenario Hoog

Uit Figuur 5 blijkt inderdaad dat het TM-scenario na 2025 een afname van de ruimtevraag voorziet, terwijl de ruimtevraag in scenario Hoog en Laag in meer of mindere mate blijft groeien. De raming waarop de afspraken in het RPW 2017 zijn gebaseerd komen niet geheel overeen met het TMscenario. In vergelijking met de raming uit het RPW blijkt dat de prognose voor scenario Hoog een hogere ruimtevraag laat zien dan de prognose uit het RPW 2017, terwijl de prognose voor scenario Laag vergelijkbaar is. Na 2030 zwakt de uitbreidingsvraag in scenario Laag af tot onder de vraagraming uit het huidige RPW. Scenario Hoog laat een blijvende groei zien. In scenario Laag bedraagt de ruimtevraag in de periode 2019 – 2030 213 hectare. In scenario Hoog is dit 369 hectare. Dit is gemiddeld 19 tot 33,5 hectare per jaar. Voor de periode 2030 – 2050 bedraagt de ruimtevraag 107 tot 485 hectare. In de periode vanaf 2030 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse ruimtevraag dus 5,5 tot 24 hectare. In Tabel 2 is de geprognosticeerde ruimtevraag per vijf jaar weergeven. Tabel 2: Ruimtebehoefte naar WLO-Scenario per 5 jaar Arnhem Nijmegen Arnhem-Nijmegen

2019-2025

2025-2030

2030-2035

2035-2040

2040-2045

2045-2050

WLO-scenario Laag

116

97

40

30

24

13

WLO-scenario Hoog

209

160

174

132

100

79

3.3.4 Werkmilieus Arnhem-Nijmegen In deze paragraaf zoomen we voor zowel scenario Hoog als scenario Laag in op de werkmilieus. In beide scenario’s is de ruimtevraag voor het klassiek-gemengd werkmilieu en logistiek het grootst. Tevens is er een aanzienlijke ruimtebehoefte voor agrifood en, in het scenario Hoog, voor het werkmilieu (maak)industrie (zie Figuur 3). De in verhouding opvallend hogere ruimtevraag in het (maak)industrieel werkmilieu valt te verklaren door snelle technologische ontwikkelingen (smart

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

23

industry) en meer vraag naar producten. Daarin speelt tevens de hogere demografische groei en woningbouwbehoefte mee, wat bijvoorbeeld zorgt voor meer ruimtevraag vanuit de bouwsector. Figuur 6 Ruimtebehoefte naar werkmilieu 2019-2030 Arnhem-Nijmegen

400 350

Industrieel

300

Agrifood

250 Klassiek Gemengd

200 150 100

Logistiek

50 Scenario Laag 2019 -2030 Logistiek Klassiek - gemengd

weer

Scenario Hoog 2019 -2030 Industrieel Hoogwaardig/Kantoren

Om een goed beeld te krijgen van wat deze indeling in werkmilieus betekent voor de balans tussen vraag en aanbod in de regio, is ook aan de aanbodzijde een kwalitatieve verdieping naar werkmilieus nodig.

3.3.5 Beleidsmatige consequenties Arnhem-Nijmegen In het huidige RPW is met een vraag van 219 hectare (incl. 12 hectare vervangingsvraag) voor de periode 2015-2025 en een aanbod van 367 hectare een overprogrammering van 147 hectare geconstateerd18. Dit heeft ertoe geleid dat er een voorzienbaarheidsprocedure is ingesteld voor verschillende bedrijventerreinen in de regio. Dit betekent dat gemeenten en private partijen tot en met 2020 de tijd hebben om deze locaties in ontwikkeling te nemen. Na deze periode wordt de bestemming van de locatie, mits deze niet is uitgegeven, gewijzigd of geschrapt. Ter vergelijking: de autonome ruimtevraag in de nieuwe vraagraming bedraagt 213-369 hectare tot 2030. In scenario Hoog ligt de gemiddelde jaarlijkse ruimtevraag in de periode 2019-2030 circa 10 hectare hoger dan in het RPW. De gemiddelde jaarlijkse ruimtevraag in scenario Laag is vergelijkbaar met het RPW.

3.4

De autonome ruimtebehoefte in de Foodvalley

3.4.1 Beschrijving Foodvalley De regio Foodvalley bestaat uit de gemeenten Barneveld, Ede, Nijkerk, Scherpenzeel, Wageningen in de provincie Gelderland en Renswoude, Rhenen en Veenendaal in de provincie Utrecht. In deze regio zijn in totaal 163.410 arbeidsplaatsen. De grootste sectoren in de regio zijn agri en foodgerelateerd. Verder bestaat de netto bedrijventerreinenvoorraad uit 1.060 hectare waarvan ruim 930 hectare al is uitgegeven19. In Figuur 7 is de historische uitgifte in de regio vanaf het jaar 2000 weergeven. Dit geeft een beeld van de conjuncturele golven op de bedrijventerreinenmarkt. De uitgifte in de gemeenten Renswoude, Rhenen en Veenendaal (Utrecht) is hierin niet opgenomen.

18 19

24

RPW Arnhem-Nijmegen 2017 IBIS Gelderland, juni 2019

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

Figuur 7 Historische uitgifte in de Foodvalley 2000-2018 45 40

Jaarlijkse uitgifte (ha)

35 30 25 20 15 10 5 0 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

3.4.2 Geldende regionale afspraken Foodvalley In het huidige RPW, dat geldt van 2017 tot en met 2020 en een doorkijk geeft tot 2025, is de totale uitbreidingsvraag opgebouwd uit drie elementen20. Allereerst is de autonome uitbreidingsvraag voor de periode 2016-2025 op basis van het TM-scenario geraamd op 74 hectare. Vervolgens is vastgesteld dat er geen concrete vervangingsvraag was in de regio. Wel is vanuit de ambities en concurrentiepositie van de regio Foodvalley extra ruimtevraag opgenomen in het RPW. Door de gebleken potentie van het concept Foodvalley is besloten voor de periode van het RPW een additionele ruimtevraag van minimaal 40 hectare op te nemen. Hiermee bedraagt de totale ruimtevraag in het RPW 2017 114 hectare. Voor deze vraag is bepaald hoe die ongeveer verdeeld moest worden. Dit resulteerde in 74 hectare voor logistiek en handel, 25 hectare voor dienstverlening en 15 hectare voor industrie en bouw. Hiertegenover staat een uitgeefbaar aanbod van 134,2 hectare en 51,6 hectare in zachte plannen. Daarmee werd een overaanbod geconstateerd van 20 hectare. De regio verwacht echter dat beleidsimpulsen zullen zorgen voor een hogere vraag en voorzien dat het beschikbare aanbod voor kennisintensieve doelgroepen snel onvoldoende zal zijn.

Door te streven naar optimale benutting van het potentieel van de regio, wil de Foodvalley inspelen op deze uitbreidingsvraag en het daaraan gekoppelde aanbod. De regio wil hier gehoor aan geven door ervoor te zorgen dat het aanbod op bedrijventerreinen voldoende gedifferentieerd en marktconform is en door rekening te houden met de vestigingseisen van de doelgroepen. Bovendien moet de vraag van lokale bedrijven zoveel en zo goed mogelijk gefaciliteerd worden op lokale bedrijventerreinen. Om de regionale ambities te realiseren, zet de regio in op de versterking van de regionale marketing & acquisitie-inspanningen. Hiervoor acht de regio het noodzakelijk dat het aanbod aansluit op de vraag van potentiële ruimtevragers.

3.4.3 Ruimtevraag Foodvaley 2019 – 2030 met een doorkijk naar 2050 De vraagraming voor het RPW 2017 is gebaseerd op het TM-scenario, waar er steeds van werd uitgegaan dat er na 2025 geen sprake zou zijn van een uitbreidingsvraag. Ter vergelijking met de nieuwe prognoses is oorspronkelijke raming volgens het TM-scenario opgenomen.

20

RPW FoodValley 2017

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

25

Figuur 8 Vraagraming Foodvalley 1500 1400

Ruimtevraag (ha)

1300 1200 1100

932

1000 900 800 700 2006

2010

2015

2019

Historisch cumulatief

2025

2030

TM-scenario

2035

2040

Scenario Laag

2045

2050

Scenario Hoog

Uit Figuur 8 blijkt dat de prognoses voor zowel scenario Hoog als scenario Laag een hogere ruimtevraag laten zien dan de prognose volgens het TM-scenario. In scenario Laag bedraagt de ruimtevraag in de periode 2019 – 2030 141 hectare. In scenario Hoog is dit 199 hectare. Dit is gemiddeld 13 tot 18 hectare per jaar. Voor de periode 2030 – 2050 bedraagt de ruimtevraag 224 tot 297 hectare. In de periode vanaf 2030 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse ruimtevraag dus 11 tot 14 hectare. In Tabel 3 is de geprognosticeerde ruimtevraag per vijf jaar weergeven. Tabel 3 Ruimtebehoefte naar WLO-Scenario per 5 jaar Foodvalley Foodvalley

2019-2025

2025-2030

2030-2035

2035-2040

2040-2045

2045-2050

WLO-scenario Laag

74

67

65

58

53

48

WLO-scenario Hoog

108

91

96

78

66

57

3.4.4 Werkmilieus Foodvalley In deze paragraaf zoomen we voor zowel scenario Hoog als scenario Laag in op de werkmilieus. In de regio wordt vooral ruimtebehoefte verwacht vanuit logistiek, agrifood en het klassiek-gemengd werkmilieu. De in verhouding opvallend hoge ruimtevraag in het (maak)industrieel werkmilieu valt te verklaren door snelle technologische ontwikkelingen (smart industry) en vraag naar producten. Daarin speelt tevens de hogere demografische groei en woningbehoefte mee, wat bijvoorbeeld zorgt voor meer ruimtevraag vanuit de bouwsector.

26

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

Figuur 9 Ruimtebehoefte naar werkmilieu 2019-2030 Foodvalley

250 Hoogwaardig/ Kantoren

200

Industrieel 150

Logistiek

100

Agrifood

50 Klassiek - gemengd 0 Scenario Laag 2019 -2030 Klassiek - gemengd

Agrifood

Scenario Hoog 2019 -2030 Logistiek

Industrieel

Hoogwaardig/ Kantoren

In het RPW 2017 is het aanbod van bedrijventerreinen opgesplitst in een aantal categorieën, zodat er beter op de vragen vanuit potentiële ruimtevragers ingespeeld kan worden. Een soortgelijke verdieping van het aanbod is nodig om de vraag-aanbodconfrontatie op werkmilieuniveau te kunnen maken. Aan de hand daarvan wordt duidelijk hoe vraag en aanbod zich daadwerkelijk tot elkaar verhouden.

3.4.5 Beleidsmatige consequenties Foodvalley In het huidige RPW is een autonome uitbreidingsvraag opgenomen van 74 hectare met een additionele beleidsimpuls van minimaal 40 hectare21. Hiertegenover staat een aanbod van 134,2 hectare. Om hierop in te spelen wil de regio gaan inzetten op het beter aan laten sluiten van de soorten bedrijventerreinen op de vragen van de potentiele ruimtevragers. De raming op basis van de WLO2-scenario’s bedraagt 141-199 hectare. In scenario Laag is de ruimtevraag daarmee iets hoger dan het uitgeefbaar aanbod van circa 130 hectare. In scenario Hoog overstijgt de ruimtevraag het aanbod. Een kwalitatieve verdieping van het aanbod naar werkmilieus kan ervoor zorgen dat de Foodvalley beter invulling kan geven aan haar ambitie om in te zetten op het beter aan laten sluiten van het aanbod bij de wensen van de ruimtevrager.

3.5

De autonome ruimtebehoefte in Noord Veluwe

3.5.1 Beschrijving Noord Veluwe De regio Noord Veluwe, bestaande uit de gemeenten Elburg, Ermelo, Harderwijk, Hattem, Heerde, Nunspeet, Oldebroek en Putten. De regio heeft in totaal 70.640 arbeidsplaatsen en de sector zorg is de grootste sector. De netto voorraad bedrijventerreinen bedraagt 740 hectare, waarvan een kleine 620 hectare reeds is uitgegeven22. In Figuur 10 is de historische uitgifte in de regio vanaf het jaar 2000 weergeven. Dit geeft een beeld van de conjuncturele golven op de bedrijventerreinenmarkt.

21 22

RPW FoodValley 2017 IBIS Gelderland, juni 2019

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

27

Figuur 10 Historische uitgifte in de regio Noord Veluwe 2000-2018 25

Jaarlijkse uitgifte (ha)

20

15

10

5

0 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018

3.5.2 Geldende regionale afspraken Noord Veluwe De vigerende regionale afspraken aangaande het bedrijventerreinenbeleid in Noord Veluwe zijn vastgesteld in het RPB 2011, gebaseerd op prognoses op basis van het TM-scenario23. Op moment van schrijven ligt een nieuw Regionaal Programma Werklocaties ter besluitvorming bij de regiogemeenten. In het huidige Regionaal Programma Bedrijventerreinen van Noord Veluwe is bepaald dat de focus moet liggen op het concept Care Valley Veluwe. Binnen dit concept is het streven dat zorg, zorgzaamheid, duurzaamheid, toerisme, wellness, natuur en landschap, evenals innovatie en productie ten behoeve van de ‘zorg in de brede zin’ een meer centrale positie in nemen. In het RPB 2011 is de autonome uitbreidingsbehoefte op basis van het TM-scenario geraamd op 80 hectare voor de periode 2010-2020. De totale ruimtebehoefte bestaat daarnaast uit een additionele beleidsimpuls in het kader van biobased economy en vervangingsvraag en bedraagt 142 hectare. Het aanbod is in het RPB 2011 vastgesteld op 182 hectare, met daarnaast 43 hectare aan zachte plannen. Na 2020 werd vanuit de langetermijnprognose van de provincie verwacht dat de behoefte na 2020 nog met 20 hectare stijgt en vervolgens, conform het TM-scenario, vanaf 2025 een daling inzet. Al bij al is in het RPB 2011 een overaanbod geconstateerd.

Naar aanleiding daarvan hebben de regiogemeente afgesproken ruimtevraag allereerst te faciliteren door herstructurering van de bestaande voorraad. Dus als er sprake is van nieuwe behoefte aan bedrijfsruimte moet er eerst onderzocht worden of de bestaande (verouderdere) bedrijventerreinvoorraad weer aantrekkelijk gemaakt kan worden. Indien dit niet mogelijk blijkt, is de volgende stap om bestaande terreinen intensiever te gebruiken. Pas daarna komt uitbreiding van de voorraad met een nieuw terrein in aanmerking. Om overaanbod tegen te gaan is voor de zachte plannen een stoplichtmodel opgesteld, waar een aantal plannen onder categorie groen vallen (worden uitgevoerd met medewerking van de provincie), er geen plannen onder categorie oranje vallen en er een aantal plannen onder categorie rood vallen, wat betekent dat er geen medewerking verleend wordt aan de doorontwikkeling.

23

28

RPB Noord Veluwe 2011

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

3.5.3 Ruimtevraag Noord-Veluwe 2019 – 2030 met een doorkijk naar 2050 De vraagraming voor het RPB 2011 is gebaseerd op het TM-scenario waar steeds uitgegaan werd dat er na 2025 geen sprake zou zijn van een uitbreidingsvraag. Ter vergelijking met de nieuwe prognoses is oorspronkelijke raming volgens het TM-scenario opgenomen. Figuur 11 Vraagraming Noord Veluwe 900 850

Ruimtevraag (ha)

800 750 700 650 600

615

550 500 2006

2010

2015

2019

Historisch cumulatief

2025

2030

TM-scenario

2035

2040

Scenario Laag

2045

2050

Scenario Hoog

Uit Figuur 11 blijkt dat de prognoses voor scenario Hoog een hogere ruimtevraag laten zien dan het TM-scenario, waarop het RPB 2011 is gebaseerd. De autonome ruimtevraag uit het RPB 2011 ligt na 2019 lager dan scenario Hoog en Laag. In scenario Laag bedraagt de ruimtevraag in de periode 2019 – 2030 50 hectare. In scenario Hoog is dit 115 hectare. Dit is gemiddeld 4,5 tot 10,5 hectare per jaar. Voor de periode 2030 – 2050 bedraagt de ruimtevraag 77 tot 165 hectare. In de periode vanaf 2030 bedraagt de gemiddelde jaarlijkse ruimtevraag dus 4 tot 8 hectare. In Tabel 4 is de geprognosticeerde ruimtevraag per vijf jaar weergeven. Tabel 4 Ruimtebehoefte naar WLO-Scenario per 5 jaar Noord Veluwe Noord Veluwe

2019-2025

2025-2030

2030-2035

2035-2040

2040-2045

2045-2050

WLO-scenario Laag

27

23

24

20

17

16

WLO-scenario Hoog

63

52

60

44

34

27

3.5.4 Werkmilieus Noord Veluwe In deze paragraaf zoomen we voor zowel scenario Hoog als scenario Laag in op de werkmilieus. Wat als eerst in het oog springt is het verschil in ruimtebehoefte tussen beide WLO2-scenario’s. In beide scenario’s is de ruimtevraag voor het klassiek-gemengd werkmilieu en logistiek het grootst. In scenario Hoog is ook vanuit agrifood, het (maak)industrieel en het maritiem werkmilieu is sprake van een substantiële ruimtevraag (zie Figuur 12).

Langjarige prognose ruimtevraag bedrijventerreinen provincie Gelderland

29

Figuur 12 Ruimtebehoefte naar werkmilieu 2019-2030 Noord Veluwe

120 Maritiem 100

Industrieel

80

Agrifood

60

Logistiek

40 Klassiek - gemengd

20 Scenario Laag 2019 -2030 Klassiek - gemengd

Logistiek

Scenario Hoog 2019 -2030 Agrifood

Industrieel

Maritiem

Om een goed beeld te krijgen van wat deze indeling in werkmilieus betekent voor de balans tussen vraag en aanbod in de regio, is ook aan de aanbodzijde een kwalitatieve verdieping naar werkmilieus nodig. 3.5.5 Beleidsmatige consequenties Noord Veluwe Op basis van de WLO2-scenario’s is voor de periode 2019-2030 voor scenario Laag een autonome ruimtevraag van 50 hectare geraamd en voor scenario Hoog 115 hectare. Als wordt uitgegaan van het aanbod uit het RPB 2011 kan het beleid omtrent de stoplichtenconstructie aangehouden worden. Het beleid en aanbod in het huidige RPB is echter gedateerd en opgesteld voor de periode 2011-2020. Het is daarom logischer de nieuwe vraagraming mee te nemen in de besluitvorming omtrent het nog vast te stellen RPW uit 2019. Waarin de laatste aanbodcijfers zijn meegenomen.

3.6

De autonome ruimtebehoefte in Rivierenland

3.6.1 Beschrijving Rivierenland De regio Rivierenland bestaat uit de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. In deze regio zijn in totaal 96.310 arbeidsplaatsen en volgens het huidige RPW zijn agrifood en logistiek de grootste sectoren. De netto bedrijventerreinenvoorraad bedraagt ruim 1.550 hectare, waarvan 1.425 hectare reeds is uitgegeven24. In Figuur 13 is de historische uitgifte in de regio vanaf het jaar 2000 weergeven. Dit geeft een beeld van de conjuncturele golven op de bedrijventerreinenmarkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=67254ee3-1580-491b-b599-6bfc9ecfb4c7