10.1 Nota Activerings- en afschrijvingsbeleid Duiven 2017 - 17int00474
Tekst van het document
Nota activerings- en afschrijvingsbeleid
1
Inhoudsopgave 1. Inleiding
4
1.1 Aanleiding 4 1.2 Doelstelling 4 1.3 Begrippen 4 1.4 Opbouw van de nota (leeswijzer) 2. Samenvatting van de voorstellen 3. Activabeleid 3.1 Activeren
5
6
9 9
3.2 Indeling vaste activa
9
3.2.1 Activeren van immateriële vaste activa 10 3.2.2 Activeren van materiële vaste activa
11
3.2.3 Activeren van financiële vaste activa
14
3.3 Indeling vaste activa
15
3.3.1 Niet activeerbare kosten 15 3.3.2 Kosten van onderhoud
15
3.3.3 Bijkomende kosten
17
3.3.4 Kosten van grond 17 3.3 Desinvesteren 4.
17
Waarderingsgrondslagen 18 4.1 Indeling waarderingsgrondslagen
18
4.2 Waarderingsgrondslagen18 5. Afschrijvingsbeleid
20
5.1 Afschrijven 20 5.2 Afschrijvingslasten
20
5.2.1 Afschrijvingsbasis 21 5.2.2 Afschrijvingsmethode
21
5.2.3 Afschrijvingstermijn
22
5.3 Overige aandachtspunten afschrijven 23 5.3.1 Gronden
23
5.3.2 Moment van afschrijven 23 5.3.3 Extra afschrijven 24 5.3.4 Componentenbenadering 24 5.4 Rente 24 6.
Gemeentelijk kader 25 6.1 Investeren
25 2
6.1.1 Aanvragen van investeringen
25
6.1.2 Besluiten over investeringen
26
6.1.3 Uitvoeren van investeringen
26
6.1.4. Afronden en evalueren van investeringen
27
6.1.5 Bevoegdheden bij investeringen 27 7 Slotbepalingen
27
7.1 Intrekken oude nota en overgangsrecht
27
7.2 Inwerkingtreding en citeertitel 28 Bijlage 1: Begrippenlijst
29
Bijlage 2: Afschrijvingstermijnen
32
3
1. Inleiding Hierbij bieden wij u de nota Activering en afschrijvingsbeleid (2017) voor de gemeente Duiven aan. Deze nota komt voort uit de Gemeentewet artikel 212. Dit artikel schrijft voor dat de raad een verordening vaststelt met daarin de uitgangspunten voor het financiële beleid voor de gemeente Duiven. Hierin worden (algemene) regels voor activering, waardering en afschrijving van activa opgenomen. 1.1 Aanleiding De financiële beheersverordening is het kader voor het financiële beleid van de gemeente Duiven. In de verordening wordt verwezen naar onderhavige nota. Het beleid op dit terrein is voor het laatst door de raad vastgesteld in 2004. Deze uitgangspunten, kaders en regels worden geactualiseerd. Enerzijds om de financiële kaders te verbeteren c.q. aan te passen aan nieuwe behoeften en inzichten. En, anderzijds de huidige financiële kaders uitvoerig te toetsen en waar noodzakelijk aan te passen aan de aangepaste financiële wet- en regelgeving (zoals het wijzigingsbesluit BBV, welke begin 2016 werd gepubliceerd). 1.2 Doelstelling Voor het realiseren van vastgestelde beleidsdoelen zijn vaak investeringen nodig. Van een investering, ook wel vaste activa genoemd, is sprake als het gaat om een qua omvang wat grotere uitgaven (uitgaven vanaf € 10.000), waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt.
De voorliggende nota is een instrument dat zorgt voor het eenduidig behandelen van gemeentelijke investeringen en kapitaallasten. Voor zowel het bestuur als de ambtelijke organisatie is het van belang om een transparant en adequaat ‘activerings- en afschrijvingsbeleid’ op basis van objectieve grondslagen vast te stellen. Een transparant en adequaat beleid vormt één van de pijlers voor het bepalen van de financiële positie en het financiële vermogen van de gemeente. Ook vervult deze nota een ondersteunende rol bij de producten van de planning & control cyclus. De nota draagt dan ook bij aan het ‘in control’ zijn van de gemeente. Bij het formuleren van de beleidsdoelstellingen voor de activering, waardering en afschrijving van investeringen (activa) is het uitgangspunt gehanteerd, dat voorzien wordt in: Duidelijke en consistente regelgeving voor de beleidsvorming; Het bevorderen van inzicht in de vermogenspositie van de gemeente; Het geven van inzicht in de lasten van investeringen in de exploitatie van de gemeente; Het beperken van continuïteitsrisico’s van het voorzieningenniveau van de gemeente. 1.3 Begrippen
4
Eenduidige definities zijn belangrijk bij toepassing van (uitvoerings)kaders. In bijlage 1 zijn daarom de definities opgenomen van de begrippen die horen bij activeren, waarderen en afschrijven. 1.4 Opbouw van de nota (leeswijzer) De opbouw van de nota is in overeenstemming met de levensloop van een actief. Van een voornemen tot investeren (krediet) tot het weer buiten gebruik stellen van het geïnvesteerde (actief). In deze nota worden respectievelijk het investeren, het waarderen en het afschrijven behandeld. In deze nota worden de uitgangspunten weergegeven in omkaderde tekstvlakken. Deze uitgangspunten worden in hoofdstuk 3 tot en met 5 toegelicht. Een samenvatting van de uitgangspunten is opgenomen in hoofdstuk 2. Het nieuwe beleid is van toepassing op de nieuwe investeringen (2017) en de nog niet gestarte investeringen oudere jaren. Voor de bestaande activa of reeds in (jaar 2016) gestarte investeringen blijft het oude activabeleid van kracht. Als bijlage is toegevoegd een overzicht van de afschrijvingstermijnen.
5
2. Samenvatting van de voorstellen Uitgangspunt 1: De minimumwaarde van een investering die wij willen activeren bedraagt € 10.000. Uitgangspunt 2: De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen komen ten laste van de exploitatie en het saldo van (dis)agio worden lineair afgeschreven gedurende de periode gelijk aan de looptijd van de betreffende geldlening. Uitgangspunt 3: Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven. Uitgangspunt 4: Als uitgangspunt worden de bijdragen in activa van derden indien voldaan aan de voorwaarden conform artikel 61 BBV geactiveerd. Uitgangspunt 5: Bruteringsreserves vallen vrij in overeenstemming met de afschrijvingstermijn van de desbetreffende investering. Uitgangspunt 6: Bij investeringen wordt de bijdragen van derden in mindering gebracht op de investering. Uitgangspunt 7: Voor in erfpacht uitgegeven gronden wordt de uitgifteprijs van de eerste uitgifte als verkrijgingsprijs gehanteerd. Uitzondering: bij gronden in eeuwigdurende erfpacht hanteren we de registratiewaarde. Uitgangspunt 8: De investeringen met economisch en maatschappelijk nut worden altijd geactiveerd. Uitgangspunt 9: De kosten van (groot) onderhoud zijn niet levensduur verlengend en mogen niet worden geactiveerd.
Voorzieningen die worden gevormd om de (groot) onderhoudslasten van een kapitaalgoed over een aantal jaren te egaliseren, kunnen alleen worden ingesteld en gevoed op basis van een beheerplan van het desbetreffende kapitaalgoed. Dit beheerplan dient periodiek te worden geactualiseerd. Uitgangspunt 10: Compensabele of verrekenbare BTW is niet toe te rekenen aan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en wordt niet geactiveerd. Kostprijsverhogende BTW wordt wel geactiveerd.
6
Uitgangspunt 11: De geactiveerde vaste activa wordt in principe afgeschreven tot nihil. De restwaarde wordt alleen gehanteerd bij een actief, daar waar een budgethouder een reële inschatting kan geven. Uitgangspunt 12: Voor afschrijvingen wordt de lineaire afschrijvingsmethode gehanteerd. In bijzondere gevallen kan in het afzonderlijk raadsvoorstel hiervan worden afgeweken. Uitgangspunt 13: In het kader van het voorzichtigheidsprincipe, de opvattingen in het maatschappelijk verkeer en het BBV wordt de economische gebruiksduur gehanteerd. Uitgangspunt 14: De afschrijvingstermijnen die gehanteerd worden zijn opgenomen in bijlage 2. Uitgangspunt 15: In incidentele gevallen is afwijking van de afschrijvingstermijnen zoals beschreven in bijlage 2 van deze notitie mogelijk, mits gemotiveerd. Uitgangspunt 16: Het College stelt de te hanteren afschrijvingstermijn vast voor activa die niet in bijlage 2 is opgenomen. Uitgangspunt 17: Bij investeringen met een economisch nut wordt de grondprijs afgesplitst, voor zover deze opgenomen is in de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, en wordt deze afzonderlijk geactiveerd.
Uitgangspunt 18: De afschrijvingstermijnen kunnen in principe alleen via de Nota Kaders Begroting worden gewijzigd. Uitgangspunt 19: Gemeente Duiven start met afschrijven overeenkomstig de derde keuze: de afschrijvingen starten per 1 januari volgende op het jaar van in gebruik name. Uitgangspunt 20: De componentenmethode wordt alleen toegepast bij investeringen als er wezenlijke verschillen zijn in afschrijvingstermijnen én het een substantieel deel van de investeringen betreft. Uitgangspunt 21: Voor de rentetoerekening hanteren we het omslagpercentage. Uitgangspunt 22: De rentetoerekening vindt plaats op basis van de boekwaarde op 1 januari.
7
Uitgangspunt 23: Om de kosten van investeringen transparant en beheersbaar te maken wordt in dit hoofdstuk een werkwijze gepresenteerd. Investeringsaanvragen worden opgenomen in een (meerjarig) Investeringsprogramma dat met de Programmabegroting aan de raad wordt voorgelegd. Vervolgens maakt de raad bij het vaststellen van de Programmabegroting de integrale afweging.
8
3. Activabeleid 3.1 Activeren De raad stelt kredieten ter beschikking voor het doen van investeringen (artikel 5 Financiële beheersverordening 2017). Na aanschaf of oplevering wordt de waarde van de investering op de balans (staat van activa) geactiveerd onder de post vaste activa. Afschrijving heeft alleen betrekking op deze post. Voor de gemeentelijke boekhouding is het ‘gemodificeerd stelsel van baten en lasten’ van toepassing. Hierbij worden de uitgaven en inkomsten toegerekend aan de jaren waar ze betrekking op hebben. Uitgaven voor zaken met een meerjarig gebruiksnut (bijvoorbeeld een gebouw) worden geactiveerd op de balans. De (afschrijving)lasten worden vervolgens verdeeld over de jaren waarin het gebouw gebruikt kan worden. Hierdoor wordt het inzicht in de jaarlijkse kosten van producten binnen een taakveld vergroot. Om vele administratieve handelingen te voorkomen en de inzichtelijkheid van de investeringsstaat te vergroten dient aan een aantal criteria te worden voldaan. De beperking vloeit onder andere voort uit wettelijke voorschriften. 1. Het actief moet over een periode van meer jaren gebruikt kunnen worden. Daarbij wordt een minimale grens van drie jaar gehanteerd. Het zijn bezittingen die de gemeente gebruikt voor de bedrijfsvoering, dus niet om te verkopen. 2. De minimumwaarde van een investering bedraagt € 10.000.
Uitgaven met een lager bedrag worden ten laste van de exploitatie geraamd en verantwoord. De reden voor een minimaal bedrag is puur uit oogpunt van efficiency. Een uitzondering op deze regel vormen aankopen welke als losstaand actief weliswaar de ondergrens niet overstijgen, maar wel in grotere aantallen worden aangeschaft en daarmee wel de ondergrens overstijgen. Denk daarbij aan computers en meubilair. Voor de aankoop van gronden en terreinen wordt eveneens afgeweken van het minimale bedrag. Alle gronden en terreinen worden geactiveerd. Uitgangspunt 1: De minimumwaarde van een investering die wij willen activeren bedraagt € 10.000. 3. Verbruiksgoederen kunnen niet worden geactiveerd. 4. Wanneer bestellingen verzameld plaatsvinden (bijvoorbeeld meubilair) zal het totaalbedrag bepalend zijn voor het al dan niet activeren. 3.2 Indeling vaste activa Zoals hiervoor vermeld worden investeringen verantwoord op de balans onder de post vaste activa. Vaste activa zijn, conform artikel 33 BBV, onder te verdelen in: Immateriële vaste activa; Materiële vaste activa; Financiële vaste activa.
9
Activa worden op de balans gewaardeerd tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs (artikel 63, lid 1 BBV). In de vervaardigingsprijs kan een redelijk deel van de indirecte kosten worden opgenomen. In de volgende paragrafen worden de categorieën nader toegelicht en vermeld hoe hiermee wordt omgegaan. 3.2.1 Activeren van immateriële vaste activa Immateriële vaste activa zijn uitgaven waar geen tastbare gemeentelijke bezittingen tegenover staan. Op de balans worden onder immateriële vaste activa afzonderlijk opgenomen (artikel 34 BBV): a. Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en dis-agio; b. Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; c. Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Beide kostensoorten (opgenomen onder a. en b.) mogen worden geactiveerd. Voor kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen geldt een maximale afschrijvingsduur van de looptijd van de lening. Kosten van onderzoek en ontwikkeling (voor een bepaald actief) moeten in maximaal 5 jaar worden afgeschreven en er moet zijn voldaan aan de voorwaarden in artikel 60 van het BBV, te weten: er bestaat een voornemen het actief te gebruiken of te verkopen; de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast; het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren; de uitgaven die toe te rekenen zijn aan het actief kunnen betrouwbaar worden vastgesteld. Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen komen ten laste van de exploitatie en het saldo van (dis)agio worden lineair afgeschreven gedurende de periode die gelijk is aan de looptijd van de betreffende lening. Voorgesteld wordt het huidige beleid te handhaven. Op dit moment zijn onder de immateriële vaste activa alleen kosten van onderzoek en ontwikkeling bij de gemeente Duiven opgenomen. Deze worden in 5 jaar afgeschreven. Voorgesteld wordt het huidig uitgangpunt van afschrijven van deze kosten in 5 jaar iets aan te scherpen naar maximaal 5 jaar.
Om die reden worden de volgende twee uitgangspunten voorgesteld Uitgangspunt 2: De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen komen ten laste van de exploitatie en het saldo van (dis)agio worden lineair afgeschreven gedurende de periode gelijk aan de looptijd van de betreffende geldlening. Uitgangspunt 3: Kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in maximaal 5 jaar afgeschreven. De bijdragen aan activa in eigendom van derden (bijvoorbeeld subsidiëring van een clubgebouw van een vereniging) worden in het BBV ook aangemerkt als immateriële 10
vaste activa. Indien men deze bijdragen aan derden wil activeren, dan moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden (artikel 61 BBV). a. er is sprake van een investering door een derde; b. deze investering draagt bij aan de publieke taak van de gemeente; c. de derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een wijze zoals overeengekomen; d. de bijdrage kan worden teruggevorderd indien de derde in gebreken blijft of de gemeente kan anders recht doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Belangrijk criterium voor activeren is het economisch eigendom: de derde partij krijgt van de gemeente middelen om de investering te realiseren. De afspraken hierover worden vastgelegd in een overeenkomst. De derde partij voert de investering uit en heeft daarmee het juridisch eigendom. De bijdragen in activa in eigendom van derden worden gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdrage minus de afschrijvingen. Voorbeelden van activa in eigendom van derden zijn de bekostiging van de eerste inrichting (meubilair) in het primair onderwijs en een investeringsbijdrage voor een clubhuis. De volgende overwegingen spelen een rol bij het bepalen of activeren gewenst is. De gemeente zelf ondervindt geen baten van de investering en beschikt economisch niet over het actief.
Hierdoor draagt het activeren van deze bijdragen niet bij aan het juiste inzicht in de vermogenspositie van de gemeente. Echter, het activeren zorgt ervoor dat grote verschuivingen in de baten en lasten van de gemeente worden voorkomen bij omvangrijke investeringsbedragen. Uitgangspunt 4: Als uitgangspunt worden de bijdragen in activa van derden indien voldaan aan de voorwaarden conform artikel 61 BBV geactiveerd. 3.2.2 Activeren van materiële vaste activa Materiële vaste activa zijn fysiek aanwezige activa. Deze activa zijn onder te verdelen in investeringen met economisch nut, investeringen met een economisch nut waarvoor voorbeeld ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven en investeringen met een maatschappelijk nut. Volgens artikel 351 van het BBV bestaan er twee soorten materiële vaste activa:
1
Artikel 35 BBV 1. In de balans worden onder de materiële vaste activa afzonderlijk opgenomen: a. investeringen met een economisch nut; b. investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; c. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. 2. Van de materiële vaste activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven.
11
1. investeringen met een economisch nut: Investeringen hebben economisch nut indien deze verhandelbaar zijn (er een markt voor is) en/of indien ze kunnen bijdragen aan het generen van middelen. 2. investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven: Investeringen met economisch nut die worden gedaan ter bestrijding van de kosten riolering, afvalverwerking en begraafrechten (heffingen). 3. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut: Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut generen geen middelen maar vervullen wel duidelijk een publieke taak. Het betreft investeringen in bijvoorbeeld wegen, water en groenvoorzieningen. Deze driedeling heeft consequenties voor de vraag of de investeringen geactiveerd moeten worden. Onderstaand wordt dit nader toegelicht. Investeringen met economisch nut Dit zijn de investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid middelen te verwerven en/ of verhandelbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in gebouwen, vervoermiddelen, installaties, automatisering en ook investeringen in afvalstoffenverzameling en riolering. Het gaat nadrukkelijk om de mogelijkheid middelen te verwerven.
De gemeente kan er zelf voor kiezen om ergens geen of geen kostendekkend tarief te rekenen, maar die keuze is niet van invloed op de vraag of het actief economisch nut heeft en moet worden geactiveerd. Eenzelfde redenering geldt voor de verhandelbaarheid. Deze investeringen moeten volgens artikel 59 lid 12 van het BBV worden geactiveerd. Een uitzondering wordt gemaakt voor: 1. kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde, zoals een schilderij van een beroemd kunstenaar. Deze worden niet geactiveerd. 2. de kosten van eerste aanleg bij uitbreidingsinvesteringen in het rioolstelsel, die volledig gedekt worden uit de verkregen grondprijzen van een grondexploitatie. Met ingang van 2014 is een voorschrift (staatsblad van 25 juni 2013) van kracht waarbij de activa behorende bij riolering en afvalverwerking apart gelabeld moeten worden in de categorie activa met “Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven”. Indien in de heffingen bijdragen zijn begrepen voor toekomstige vervangingsinvesteringen komen deze gelden, in een vervangingsvoorziening. Op de balans moeten deze voorzieningen in de toekomst onder een aparte categorie worden opnemen. Artikel 62 lid 1 BBV bepaalt dat we investeringen met een economisch nut moeten activeren volgens de zogenaamde bruto methode.
Dit betekent dat deze investeringen geactiveerd worden voor het bedrag van de investering. (Bestemmings-)reserves mogen niet in mindering worden gebracht op de 2
Artikel 59 1. Alle investeringen worden geactiveerd. 2. In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde niet geactiveerd.
12
investeringswaarde. lndien de gemeente voor de dekking van kapitaallasten van een investering met een economisch nut een reserve opgebouwd heeft, worden deze reserve gebruikt om de jaarlijkse kapitaallasten af te dekken. Dit soort reserves zijn bruteringsreserves. De Commissie BBV geeft in haar notitie “verkrijging/vervaardiging en onderhoud van kapitaalgoederen” de aanbeveling om deze bruteringsreserves in overeenstemming met de afschrijvingsparameters van de bijbehorende investering via de resultaatbestemming periodiek vrij te laten vallen als dekking van de kapitaallasten. Op investeringen met een economisch nut mag niet 'extra' worden afgeschreven. Deze dienen afgeschreven te worden op grond van de verwachte toekomstige gebruiksduur. Uitgangspunt 5: Bruteringsreserves vallen vrij in overeenstemming met de afschrijvingstermijn van de desbetreffende investering. Ingevolge het 2e lid van artikel 62 BBV mogen bijdragen van derden met een directe relatie met een actief op de waardering daarvan in mindering worden gebracht. Het betreft hier bijvoorbeeld rijks- en provinciale bijdragen, bijdragen van personen etc. Uitgangspunt 6: Bij investeringen wordt de bijdragen van derden in mindering gebracht op de investering. Software De commissie BBV heeft in de notitie Software vastgesteld dat software valt onder de materiële vaste activa als een investering met economisch nut.
Dit geldt ook voor de gebruiksrechten op software die ineens in rekening worden gebracht. Implementatiekosten kunnen in de vorm van bijkomende kosten als onderdeel van de verkrijgingsprijs worden gezien en daardoor worden geactiveerd. Opleidingskosten voor het gebruik van de software zijn niet nodig om het actief gebruiksklaar te krijgen en kunnen dan ook niet worden geactiveerd. Erfpacht Van de materiële vaste activa wordt op de balans aangegeven welke activa in erfpacht3 zijn uitgegeven. Waardering vindt plaats tegen verkrijgingsprijs zijnde de uitgifteprijs van eerste uitgifte. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde. Is echter sprake van gronden in eeuwigdurende erfpacht dan dient waardering plaats te vinden tegen registratiewaarde. Dit omdat het economische eigendom niet meer bij de erfverpachter berust. Uitgangspunt 7: Voor in erfpacht uitgegeven gronden wordt de uitgifteprijs van de eerste uitgifte als verkrijgingsprijs gehanteerd. Uitzondering: bij gronden in eeuwigdurende erfpacht hanteren we de registratiewaarde.
3
Artikel 63 lid 4 bevat bepalingen voor in erfpacht uitgegeven gronden.
13
Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut Met ingang van 2017 is in het artikel 59 van het BBV bepaald dat ook investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut geactiveerd dienen te worden. Voor 2017 was er een keuze om wel of niet te activeren. In artikel 62 lid 3 van het BBV staat dat bij investeringen reserves in mindering gebracht kunnen worden. Een vermindering van een investering met een reserve kan niet rechtstreeks plaatsvinden. De vermindering dient in dat geval plaats te vinden door middel van extra afschrijving en een bijdrage uit de reserve. Uitgangspunt 8: De investeringen met economisch en maatschappelijk nut worden altijd geactiveerd. Om deze investeringen (betreft maatschappelijke investeringen in openbare ruimte) zo kort mogelijk op de balans te houden zijn versnelde afschrijvingen toegestaan (artikel 64 lid 4 BBV). Naast het wettelijk kader heeft de commissie BBV in de Notitie verkrijging/vervaardiging en onderhoud kapitaalgoederen een uitwerking gemaakt van de regelgeving rondom investeringen. In deze notitie geeft de commissie drie categorieën waarin de investeringen in materiële vaste activa kunnen worden onderverdeeld. De commissie verbindt geen consequenties aan de categorie waarbinnen de investering valt: de categorieën geven uitsluitend een afbakening van het begrip investering in drie classificaties.
De notitie verkrijging, vervaardiging en onderhoud kapitaalgoederen vermeld dat deze twee soorten investeringen kunnen worden onderverdeeld naar de volgende drie classificaties, te weten: 1. Nieuwe- of uitbreidingsinvesteringen: Dit zijn investeringen ten behoeve van de ontwikkeling van nieuwe activiteiten of uitbreiding van de huidige activiteiten. Bijvoorbeeld: een nieuw schoolgebouw, de reconstructie van een weg, een nieuw soort hulpverleningsvoertuig, enzovoorts. 2. Vervangingsinvesteringen: Dit zijn investeringen ten behoeve van de vervanging van een oud (bestaand) actief als gevolg van economische veroudering of slijtage. Bijvoorbeeld: het vervangen van een blusvoertuig, het vervangen van computers, het vervangen van een lift, enzovoorts. 3. Levensduur verlengende investeringen: Dit zijn investeringen die worden gepleegd ten behoeve van een bestaand actief en expliciet leiden tot een substantiële levensduurverlenging van het betreffend actief. Bijvoorbeeld: het renoveren van een gebouw, het impregneren van een kademuur, enzovoorts. Het gaat hier dus niet om (groot)onderhoud. Onderhoud is niet levensduur verlengend, maar dient om het actief gedurende zijn levensduur in goede staat te houden. 3.2.3 Activeren van financiële vaste activa Onder de financiële vaste activa worden volgens artikel 36 BBV afzonderlijk opgenomen: a. kapitaalverstrekkingen aan:
14
1. deelnemingen; 2. gemeenschappelijke regelingen; 3. overige verbonden partijen; b. leningen aan: 1. openbare lichamen; 2. woningbouwcorporaties; 3. deelnemingen; 4. overige verbonden partijen; c. overige langlopende leningen; d. uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rente typische looptijd van één jaar of langer; e. uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rente typische looptijd van één jaar of langer; f. overige uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer. Kapitaalverstrekkingen en leningen worden gewaardeerd tegen nominale waarde onder aftrek van eventuele aflossingen. De aandelen (onderdeel van kapitaalverstrekkingen) worden conform artikel 63 lid 1 van het BBV gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Verstrekte leningen en vorderingen waarderen we tegen nominale waarde. Dit betekent dat we het totaalbedrag van een verstrekte lening opnemen zonder bijkomende kosten (zoals bijvoorbeeld een vergoeding voor afsluitkosten). Eventuele voorzieningen wegens oninbaarheid wordt verrekend met de boekwaarde van leningen en vorderingen (artikel 63 lid 8). Deelnemingen worden in afwijking hiervan gewaardeerd tegen marktwaarde als deze duurzaam lager is dan de verkrijgingsprijs (artikel 65 lid 2 BBV). 3.3 Indeling vaste activa In de vorige paragraaf is een beeld gegeven van het soort investeringen.
Er is globaal aangegeven wanneer deze al dan niet worden geactiveerd. Een nadere precisering van specifieke uitgaven komt in deze paragrafen aan de orde. 3.3.1 Niet activeerbare kosten In de toelichting op de BBV is een aantal posten expliciet vermeld waarvan het niet is toegestaan om deze te activeren: Tekorten; Bestemmingsplannen; Hertaxatie WOZ; Programma stedelijke vernieuwingen; Bodemsanering; Kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde. 3.3.2 Kosten van onderhoud Onderhoud is het uitvoeren van preventieve dan wel correctieve maatregelen om een object in goede staat te houden of te brengen. Onderhoud is erop gericht het kapitaalgoed, gedurende de gehele levensduur, in goede staat te houden. Omdat 15
kosten van onderhoud niet levensduur verlengend4 zijn, mogen zij niet worden geactiveerd. Onderhoud kan worden onderscheiden in klein onderhoud en groot onderhoud. Klein onderhoud wordt uitgevoerd op een klein gedeelte van het object. Het gaat om periodieke kosten die noodzakelijk zijn om het object blijvend naar behoren te laten functioneren of haar representativiteit te laten behouden. Voorbeelden hiervan zijn het reinigen van rioolstelsels en het periodiek onderhoud van hydraulische of elektrische installaties. Deze kosten worden niet geactiveerd maar in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht. Activering van onderhoud (groot, regulier en achterstallig) is niet toegestaan. Onder groot onderhoud wordt onderhoud verstaan van ingrijpende aard dat op een groot deel van het object wordt uitgevoerd en dat na een langere gebruiksperiode moet worden verricht. Voorbeelden zijn het vernieuwen van de bitumen laag van het dak van een gebouw en het vervangen van pompen van een rioolstelsel. Ook deze kosten worden in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie gebracht. Of de kosten worden in het jaar van uitvoering ten laste van een vooraf gevormde voorziening gebracht (artikel 44, eerste lid onder c BBV).
Kosten van groot onderhoud kunnen alleen ten laste van een gevormde voorziening worden gebracht op voorwaarde dat er een recent beheerplan van het betreffende kapitaalgoed is. Als er geen beheerplan is, kunnen de kosten van groot onderhoud wel door vrijval via resultaatbestemming vanuit een daartoe gevormd reserve worden gedekt. Kosten van het wegwerken van achterstallig onderhoud dienen ook ineens ten laste van de exploitatie te worden gebracht. Pas als kosten van onderhoud met betrekking tot renovaties levensduur verlengend of waarde verhogend zijn, kunnen deze uitgaven worden geactiveerd. Daarnaast is groot onderhoud: onderhoud wat met een zekere regelmaat terugkeert maar geen levensduur verlengend effect heeft. Deze kosten horen daarom in de exploitatie thuis. Wel is het mogelijk door middel van een reserve of een voorziening vooraf dekking te regelen voor het groot onderhoud. In geval van een voorziening moet er wel een actueel beheerplan aanwezig zijn. Met een actueel beheerplan wordt, naast technische en beleidsmatige aansluiting, bedoeld dat het plan ook financieel moet aansluiten met de stand van de bijbehorende onderhoudsvoorziening per 31 december van enig jaar. Regulier onderhoud en wegwerken van achterstallig onderhoud hebben geen levensduur verlengend effect. Deze kosten horen in de exploitatie thuis.
4
Levensduur verlengende investeringen zijn investeringen ten behoeve van een bestaand actief die expliciet leiden tot een substantiële levensduurverlenging van het betreffende actief. Uitsluitend in die gevallen mag geactiveerd worden. Voorbeelden zijn: het renoveren van een gebouw, levensduur verlengend onderhoud aan wegen. Het gaat hier dus niet om (groot) onderhoud.
16
Uitgangspunt 9: De kosten van (groot) onderhoud zijn niet levensduur verlengend en mogen niet worden geactiveerd. Voorzieningen die worden gevormd om de (groot) onderhoudslasten van een kapitaalgoed over een aantal jaren te egaliseren, kunnen alleen worden ingesteld en gevoed op basis van een beheerplan van het desbetreffende kapitaalgoed. Dit beheerplan dient periodiek te worden geactualiseerd. 3.3.3 Bijkomende kosten Bij een investering kunnen additionele uitgaven behoren zoals opleidingskosten, implementatiekosten, interne uren, rentekosten, onderzoekskosten en ontwikkelkosten. In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat wanneer deze uitgaven onlosmakelijk verbonden zijn met de betreffende investering deze geactiveerd moeten worden en op dezelfde wijze worden afgeschreven als de onderliggende investering. Activa worden op de balans gepresenteerd (geactiveerd) tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Bij de vervaardigingsprijs gaat het dan om aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreek aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. 3.3.4 Kosten van grond Gronden en terreinen worden altijd, als materiële vaste activa, geactiveerd. Een investering met een economisch nut binnen een grondexploitatie wordt na oplevering overgeheveld naar de balans.
Gronden en terreinen hebben, behoudens agrarische bestemmingen, geen beperkte gebruiksduur. Dat is de reden dat er niet op wordt afgeschreven. Kosten die verband houden met de bewerking van grond zoals sloopkosten en kosten van het (periodiek) baggeren van watergangen worden niet geactiveerd. De kosten van ondergrond die samenhangen met investeringen worden tot de kosten van de investeringen gerekend, door de onlosmakelijke verbondenheid van de investering met de ondergrond. In het geval van investeringen met een economisch nut wordt de ondergrond niet in de berekening van de afschrijving betrokken, omdat er geen sprake is van een duurzame waardevermindering. De kosten van ondergrond die samenhangen met investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut worden wel in die berekening betrokken. 3.3 Desinvesteren De restwaarde van een actief is gelijk aan de verkoopprijs of de inruilwaarde op het moment dat de afschrijvingstermijn van dit actief is verstreken. De verkoopopbrengst zal in eerste instantie worden aangewend als dekking voor het volledig afschrijven van de restant boekwaarde van het actief. De verkoopopbrengst van een actief minus de boekwaarde van dit actief wordt de boekwinst of het boekverlies genoemd.
17
Op het moment van afstoten moet de winst of het verlies in de exploitatie worden verantwoord als incidenteel voordeel of nadeel. De boekwinst of het boekverlies mag in geen geval worden verrekend met de aanschaf- of verkrijgingsprijs van het nieuwe actief. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld moet worden afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling. 4. Waarderingsgrondslagen 4.1 Indeling waarderingsgrondslagen De waarderingsgrondslagen zijn de basis voor het bepalen van de waarde van uitgaven op de balans. Met de waarderingsgrondslagen worden de financiële consequenties voor de exploitatie (rente en afschrijving) berekend. Conform de BBV worden activa gewaardeerd op basis van: de verkrijgingsprijs bestaat uit de inkoopprijs en de bijkomende kosten; de vervaardigingsprijs bestaat uit de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs mogen verder worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend (in dat geval dient de toelichting te vermelden dat deze rente is geactiveerd). 4.2 Waarderingsgrondslagen Om de juiste financiële consequenties voor de exploitatie te bepalen worden onderstaande waarderingsgrondslagen toegepast.
BTW Hoewel niet concreet in het BBV benoemd onder de bepalingen omtrent de te hanteren waarderingsgrondslag, mag de BTW op activa niet geactiveerd worden wanneer deze compensabel of verrekenbaar is. Dit is overeenkomstig bestuurlijke afspraken tussen het Rijk en de VNG en in lijn met artikel 2 van het BBV op basis waarvan de compensabele BTW niet als last mag worden beschouwd. Uitgangspunt 10: Compensabele of verrekenbare BTW is niet toe te rekenen aan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs en wordt niet geactiveerd. Kostprijsverhogende BTW wordt wel geactiveerd. Directe en indirecte kosten Op basis van de BBV is het toegestaan om naast de aanschafkosten van grond- en hulpstoffen ook overige directe kosten (zoals loonkosten) en indirecte kosten (zoals overhead en rentelasten) in de vervaardigingsprijs op te nemen. Het toerekenen van deze kosten aan investeringen benadert de economische werkelijkheid beter en doet meer recht aan het principe de burger betaalt voor de voorzieningen waar hij gebruik van (kan) maken.
18
Toerekening rentelasten aan activa De hoofdregel is dat er geen rente tijdens vervaardiging van een actief wordt geactiveerd (dus niet opnemen in de kostprijs). De rentelasten worden toegerekend naar de producten op basis van de boekwaarde per 1 januari 2018, ongeacht of het actief wel of niet gereed is. Voor 2017 blijft de bestaande systematiek (zijnde het maandelijks berekenen van de rentelast) van toepassing. De uitzondering op de hoofdregel heeft betrekking op de uitgaven in de bouwgrondexploitatie. Deze investeringen hebben een langlopend karakter, niet zelden meer dan 2 jaren. Om de kosten van het kapitaalbeslag in de kostprijs op te nemen wordt over het tijdvak van vervaardiging aan het complex rente toegerekend. De rentelast over de boekwaarde per 1 januari van het jaar wordt toegevoegd aan de activa op de balans. Restwaarden De restwaarde is de waarde van een actief aan het eind van de gebruikstermijn. Een restwaarde leidt tot een lagere (totaal-) afschrijving. Indien de restwaarde niet of moeilijk is in te schatten wordt op grond van het voorzichtigheidsprincipe uitgegaan van een restwaarde van nihil. Herwaarderen Herwaardering van materiële vaste activa met economisch nut vindt uitsluitend plaats als het actief duurzaam in waarde vermindert of uit bedrijf wordt genomen.
Er kan geen sprake zijn van duurzame waardevermindering bij vastgoed dat een maatschappelijke functie vervult en daardoor duurzaam wordt geëxploiteerd. Bij vastgoed met een bedrijfseconomische functie kan wel sprake zijn van een duurzame waardevermindering als de directe opbrengstwaarde, bijvoorbeeld aangetoond door middel van een taxatie, lager is dan de boekwaarde. Een extra afschrijving is dan ook noodzakelijk. Als de bestemming van het actief verandert (afstoting) dan wordt de actuele waarde van de nieuwe bestemming slechts in de toelichting op de balans opgenomen. Deze waarde kan namelijk met het oog op de nieuwe bestemming relevant zijn. Boekwinsten en –verliezen De restwaarde van een actief is gelijk aan de verkoopprijs of de inruilwaarde op het moment dat de afschrijvingstermijn van dit actief is verstreken. De verkoopopbrengst zal in eerste instantie worden aangewend als dekking voor het volledig afschrijven van de restant boekwaarde van het actief. De verkoopopbrengst van een actief minus de boekwaarde van dit actief wordt de boekwinst of het boekverlies genoemd. Op het moment van afstoten moet de winst of het verlies in de exploitatie worden verantwoord. De boekwinst of het boekverlies mag in geen geval worden verrekend met de aanschaf- of verkrijgingsprijs van het nieuwe actief.
Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld moet worden afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling. Kosten voor afsluiten geldleningen De kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.
19
Duurzame waardeverminderingen De verwachte duurzame waardeverminderingen van vaste activa moeten onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking worden genomen in het jaar van ontstaan van deze waardevermindering. Duurzame waardevermindering kan zich o.a. voordoen bij wijziging in de gebruiksduur van activa, buitengebruikstelling en aantasting van het vermogen van deelnemingen. Gronden in erfpacht In erfpacht uitgegeven gronden worden gewaardeerd tegen de eerste uitgifteprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden tegen registratiewaarde gewaardeerd, omdat het economische eigendom niet meer bij de erfverpachter berust. Voorraden De onderhanden werken grondexploitatie zijn opgenomen tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de opbrengst wegens verkopen. Indien de boekwaarde de marktwaarde van de grond overschrijdt wordt gekozen voor het treffen van een verliesvoorziening. Deze wordt verantwoord als een waarde correctie naar analogie van de voorziening voor dubieuze debiteuren. De overige voorraden worden gewaardeerd tegen historische kostprijs. Indien de marktwaarde duurzaam lager is dan wordt tegen deze lagere marktwaarde gewaardeerd. Deelnemingen Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs.
Indien de marktwaarde duurzaam lager is dan wordt tegen deze lagere marktwaarde gewaardeerd. Vorderingen Vorderingen worden tegen nominale waarde onder aftrek van de voorziening voor oninbaarheid gewaardeerd. Liquide middelen Liquide middelen worden tegen nominale waarde gewaardeerd.
5. Afschrijvingsbeleid 5.1 Afschrijven In de vorige hoofdstukken is aangegeven wanneer uitgaven worden geactiveerd en tegen welke waarde dit moet gebeuren. In dit hoofdstuk komen de afschrijvingslasten die voortvloeien uit de geactiveerde investeringen aan bod. 5.2 Afschrijvingslasten Afschrijving is het in de administratie tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een goed dat als een investering is geactiveerd. De afschrijving komt ten laste van de jaarlijkse exploitatie; op deze manier wordt ook het meerjarig nut van de investering zichtbaar gemaakt. Het BBV schrijft het stelsel van
20
baten en lasten voor. Dit houdt in dat baten en lasten worden opgenomen in het jaar waaraan ze kunnen worden toegerekend, ook al hebben ze in dat jaar niet tot daadwerkelijke uitgaven of ontvangsten geleid. Op deze manier vindt er een matching plaats van de lasten versus de baten die hier tegenover staan. Afschrijvingen vormen een onderdeel van de lasten waar geen uitgaven tegenover staan. De hoogte van de jaarlijkse afschrijvingslasten wordt bepaald door: de afschrijvingsbasis; de afschrijvingsmethode; de afschrijvingstermijn; de ingangsdatum van het afschrijven. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de bovengenoemde aspecten. 5.2.1 Afschrijvingsbasis Onder de afschrijvingsbasis wordt verstaan het bedrag waarop wordt afgeschreven. In artikel 63 lid 1 van de BBV is bepaald dat de verkrijgings- of vervaardigingsprijs als waarderingsgrondslag voor activa moet worden toegepast. Deze verkrijgings- of vervaardigingsprijs, eventueel minus de restwaarde en de bijdrage van derden, vormt daarmee ook de belangrijkste basis voor het afschrijven op vaste activa. De verkrijgingsprijs van de materiële vaste activa omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs bestaat uit de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
De bijbehorende waarderingsgrondslagen zijn in hoofdstuk 4. Waarderingsgrondslagen uitgewerkt. Uitgangspunt 11: De geactiveerde vaste activa wordt in principe afgeschreven tot nihil. De restwaarde wordt alleen gehanteerd bij een actief, daar waar een budgethouder een reële inschatting kan geven. 5.2.2 Afschrijvingsmethode Gemeenten zijn vrij om de wijze van afschrijving te bepalen. De afschrijvingsmethode is medebepalend voor de afschrijvingscomponent van de kapitaallasten. We onderscheiden de volgende meest gebruikte methoden: De lineaire afschrijvingsmethode De afschrijvingslasten blijven gedurende de afschrijvingstermijn jaarlijks gelijk. De rentelasten nemen jaarlijks af. Het bedrag aan kapitaallasten laat een dalend verloop zien. De annuïtaire afschrijvingsmethode
21
Het totale bedrag aan afschrijving en rente blijft gedurende de hele gebruiksduur jaarlijks gelijk. Naar gelang het afschrijvingsbestanddeel van de annuïteit stijgt, daalt het rentebestanddeel. Uitgangspunt 12: Voor afschrijvingen wordt de lineaire afschrijvingsmethode gehanteerd. In bijzondere gevallen kan in het afzonderlijk raadsvoorstel hiervan worden afgeweken.
5.2.3 Afschrijvingstermijn Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De afschrijvingstermijn dient zo goed mogelijk aan te sluiten op de feitelijke gebruiksduur. Bij de waardedaling moet rekening worden gehouden met de technische en economische gebruiksduur. De technische gebruiksduur is de periode dat een actief technisch in staat is om te worden gebruikt. De economische gebruiksduur is de periode waarbij naar schatting de totale kosten van gebruik van het actief het laagste zijn (kapitaallasten en onderhoudskosten). In de loop der tijd worden de onderhoudskosten dermate hoog dat vervanging van het actief goedkoper is dan doorgaan met het bestaande actief. Het actief kan dan technisch gezien nog bruikbaar zijn. Ook kunnen (technologische) ontwikkelingen er voor zorgen dat ‘alternatieve activa’ lagere lasten met zich meebrengen, waardoor vervanging wenselijk is. Uitgangspunt 13: In het kader van het voorzichtigheidsprincipe, de opvattingen in het maatschappelijk verkeer en het BBV wordt de economische gebruiksduur gehanteerd. Uitgangspunt 14: De afschrijvingstermijnen die gehanteerd worden zijn opgenomen in bijlage 2. Uitgangspunt 15: In incidentele gevallen is afwijking van de afschrijvingstermijnen zoals beschreven in bijlage 2 van deze notitie mogelijk, mits gemotiveerd.
Uitgangspunt 16: Het College stelt de te hanteren afschrijvingstermijn vast voor activa die niet in bijlage 2 is opgenomen. Uitgangspunt 17: Bij investeringen met een economisch nut wordt de grondprijs afgesplitst, voor zover deze opgenomen is in de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, en wordt deze afzonderlijk geactiveerd.
22
Voor het bepalen van de afschrijvingstermijn wordt de afschrijvingstabel gehanteerd die is opgenomen in bijlage 25. De tabel is niet limitatief en kan desgewenst aangevuld worden met nieuwe soorten activa en de bijbehorende afschrijvingstermijnen. Uitgangspunt 18: De afschrijvingstermijnen kunnen in principe alleen via de Nota Kaders Begroting worden gewijzigd. Er kunnen zich omstandigheden voordoen die dwingen tot afwijkingen van de te voeren afschrijvingsbeleid. Dit kan bij: projectfinanciering met een specifieke object gebonden financieringsconstructie, veelal in combinatie met een specifieke rente; dit is alleen toegestaan na een expliciet raadsbesluit; het synchroon laten verlopen van kapitaallasten met dekkingsmiddelen, rijksvoorschriften en/of ter voorkoming van schoksgewijze tariefsverhogingen, bijvoorbeeld huur en andere tarieven; extra-afschrijvingen door bijzondere waardeverminderingen, waardoor de lopende afschrijvingen aangepast worden aan de eerder gestelde regels voor de berekeningen. Indien het voornemen bestaat om af te wijken van de uitgangspunten en richtlijnen (termijnen en methode van afschrijving) wordt dit voorgelegd aan het college en vervolgens aan de raad. Uiteraard blijft dan de mogelijkheid aanwezig dat de raad de besluitvorming van het college alsnog terugdraait om haar moverende redenen.
5.3 Overige aandachtspunten afschrijven Hieronder worden enkele aandachtspunten weergegeven die betrekking hebben op het afschrijven van activa. 5.3.1 Gronden Onder de duurzame productiemiddelen wordt in de bedrijfseconomie aan grond een bijzondere plaats toegekend. Gronden en terreinen hebben namelijk een onbeperkte gebruiksduur. Grond is niet aan slijtage onderhevig en ondergaat dus geen waardevermindering. Om deze reden wordt er op gronden en terreinen niet afgeschreven. 5.3.2 Moment van afschrijven Afschrijven hangt samen met de ingebruikname van het actief. Zolang een actief nog in de fase is van onderhanden investeringsproject wordt er niet op afgeschreven.
5
Voor geactiveerde investeringen in de openbare ruimte met een meerjarig maatschappelijk nut betreft het maximale termijnen; voor geactiveerde investeringen met een economisch nut adviestermijnen. Bij deze investeringen moet namelijk uitgegaan worden van economische levensduur. Dit betekent dat als de economische levensduur hoger of lager is dan in de bijlage opgenomen termijn afgeweken moet worden van de adviestermijn.
23
De Commissie BBV doet de aanbeveling om in de financiële verordening (of een nadere uitwerking daarvan) op grond van artikel 212 van de Gemeentewet op te nemen wanneer met afschrijven van een nieuw kapitaalgoed wordt begonnen. Mogelijke keuzes daarbij zijn: 1. óf in het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt en vanaf het moment dat het door de gemeente in gebruik kan worden genomen; 2. óf medio het begrotingsjaar waarin het gereed komt/verworven wordt; 3. óf in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het gereed komt/verworven wordt. Uitgangspunt 19: Gemeente Duiven start met afschrijven overeenkomstig de derde keuze: de afschrijvingen starten per 1 januari volgende op het jaar van in gebruik name. 5.3.3 Extra afschrijven Afschrijven dient in principe altijd resultaatonafhankelijk te gebeuren. De enige uitzondering waarbij resultaatafhankelijk extra afschrijven wel is toegestaan is voor activa in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut, indien de raad daartoe besluit. De verwachte duurzame waardeverminderingen van vaste activa moeten onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking worden genomen in het jaar van ontstaan. Duurzame waardevermindering kan zich o.a. voordoen bij wijziging in de gebruiksduur van activa, buitengebruikstelling en aantasting van het vermogen van deelnemingen.
5.3.4 Componentenbenadering Bij investeringen met een economisch nut is het mogelijk om de componentenbenadering toe te passen. De benadering houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief afzonderlijk worden afgeschreven op basis van het individuele waarde verloop van die delen. De opdeling wordt gemaakt omdat de economische gebruiksduur per samenstellend deel kan verschillen. Gekozen wordt voor de componentenbenadering als de componenten eenduidig vast te stellen zijn. Uitgangspunt 20: De componentenmethode wordt alleen toegepast bij investeringen als er wezenlijke verschillen zijn in afschrijvingstermijnen én het een substantieel deel van de investeringen betreft. 5.4 Rente Aan alle geactiveerde kapitaaluitgaven wordt rente toegerekend. Dit zijn de lasten die voortkomen uit de financiering van de investering. Voor de toerekening van de rentelasten aan investeringen geeft de wet een tweetal mogelijkheden, te weten;
24
1. 2.
een vooraf bepaald vast percentage; een omslagpercentage.
Gemeente Duiven hanteert een omslagpercentage. Het omslagpercentage wordt jaarlijks bij het opstellen van de begroting opnieuw berekend. De rentetoerekening vindt plaats op basis van de waarde van de op 1 januari van een jaar gedane werkelijke uitgaven/investeringen. Het eerste jaar wordt bij nieuwe investeringen uitgegaan van een halfjaar rentetoerekening. Uitgangspunt 21: Voor de rentetoerekening hanteren we het omslagpercentage, tenzij anders bepaald. Uitgangspunt 22: De rentetoerekening vindt plaats op basis van de boekwaarde op 1 januari. 6. Gemeentelijk kader Het gemeentelijk kader voor investeringen beslaat zowel de regels uit de financiële verordening alsmede deze nota. 6.1 Investeren Wat betekent investeren eigenlijk? Investeren is het verwerven of produceren van vermogensobjecten of het doen van uitgaven ten behoeve van een goed of ter bereiking van een doel waaraan meerjarig, tenminste drie jaar, een nut kan worden onttrokken/gebruikt. Het produceren van een goed neemt over het algemeen meer tijd in beslag dan een jaar. De uitgaven kenmerken zich doordat waarde ontstaat waar de gemeente meer jaren profijt van heeft. Dit, in tegenstelling tot uitgaven die verantwoord worden als exploitatielasten waarvan het profijt eenmalig en kortdurend (minder dan drie jaar) is. In de praktijk wordt eveneens het begrip ‘krediet’ gebruikt.
In de regel wordt hiermee gedoeld op een besluit van de raad waarin een machtiging aan het college van burgmeester en wethouders is opgenomen, om tot een bepaald maximumbedrag uitgaven te doen ten behoeve van het realiseren van een in het besluit omschreven investeringsproject. Het verschil met het boekhoudkundige begrip ‘investering’ ligt vooral hierin dat de investering de uiteindelijke waarde(vermeerdering) voor de gemeente weergeeft. Indien een bijdrage van een derde van toepassing is, is de (investering)waarde het verschil tussen de investeringsuitgaven en deze bijdrage. Het krediet is bruto, namelijk het totaal van de geraamde investeringsuitgaven. Uitgangspunt 23: Om de kosten van investeringen transparant en beheersbaar te maken wordt in dit hoofdstuk een werkwijze gepresenteerd. Investeringsaanvragen worden opgenomen in een (meerjarig) Investeringsprogramma dat met de Programmabegroting aan de raad wordt voorgelegd. Vervolgens maakt de raad bij het vaststellen van de Programmabegroting de integrale afweging. 6.1.1 Aanvragen van investeringen
25
In het raadsvoorstel zelf en andere correspondentie wordt als omvang voor het investeringskrediet het bruto bedrag inclusief niet verrekenbare btw genoemd. Een investeringskrediet mag uitsluitend worden ingezet voor het doel waarvoor het krediet door de raad is verleend. Voorbereidingskrediet Een goede voorbereiding is de kritische succesfactor voor elk project. Daarom wordt bij grote investeringen eerst een separaat voorbereidingskrediet gevraagd zodat er voldoende mogelijkheid is om de benodigde onderzoeken voor beantwoording van de vragen te (laten) verrichten. Elk besteed uur in de voorbereidingsfase behoort bij het krediet. Subsidie(s) Bij de investeringsaanvraag wordt direct onderzocht in hoeverre er aanspraak gemaakt kan worden op subsidies. Subsidies die specifiek voor een bepaalde investering worden verstrekt mogen immers direct ten laste van de investering worden gebracht. Een afschrift van de beschikking wordt dan ook direct bij ontvangst doorgestuurd naar de administratie. Liquiditeitsplanning De liquiditeitsplanning maakt onderdeel uit van een investeringskredietaanvraag. De liquiditeitsplanning geeft aan in welke maand de administratie grote uitgaven en ontvangsten kan verwachten. Wijzigingen in bedragen (omvang) of moment worden direct doorgegeven aan de administratie.
Onderhoud Om de kosten voor het toekomstig beheer en onderhoud, al voordat de investering plaatsvindt, in beeld te brengen moet er in de ontwerpfase worden nagedacht over: a. de wijze waarop het ontwerp wordt beheerd; b. aan wie het ontwerp bij oplevering wordt overgedragen en c. welke kosten met het beheer en onderhoud gemoeid zijn. 6.1.2 Besluiten over investeringen Uitgangspunt is dat ingediende investeringsaanvragen zo veel mogelijk integraal tegen de beschikbare financiële middelen worden afgewogen. Zowel vervangingsinvesteringen als nieuwe investeringen worden in het investeringsprogramma opgenomen. Uitzondering zijn investeringen van grondexploitaties (gesloten systeem). Het investeringsprogramma geeft ook inzicht in de lasten van investeringen over de komende vier jaar. Na vaststelling van de begroting mogen de investeringen worden uitgevoerd, tenzij de raad een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. 6.1.3 Uitvoeren van investeringen Eenmaal beschikbaar gestelde kredieten worden zo snel mogelijk aangewend en afgesloten. Bij het opmaken van de jaarrekening wordt de stand van zaken van
26
lopende investeringen gerapporteerd. In het laatste geval worden ook de restantbedragen van de lopende investeringsprojecten vastgesteld en overgeheveld naar het nieuwe jaar. Als de investering in de toekomst wel weer plaats zou vinden, moet deze opnieuw in het investeringsprogramma worden aangemeld. Bij (dreigende) overschrijdingen van vastgestelde investeringskredieten wordt de raad, conform de financiële verordening, in de eerstvolgende rapportage geïnformeerd om de overschrijdingen te laten autoriseren. Restantkrediet Restantkredieten voor investeringen die in een volgend jaar (na de geplande realisatiedatum) nog moeten worden ingezet, blijven gehandhaafd en vervallen niet bij de jaarrekening. Er is ook geen maximum voor het aantal keren dat restantkredieten mogen worden overgeheveld. Er geldt wel een kader dat het college de raad hierover wel bij de jaarbescheiden informeert door een toelichting te geven van alle restantkredieten die voor de 2de maal of meer worden overgeheveld en/of waarbij de uitvoering van werkzaamheden nog niet is gestart. 6.1.4. Afronden en evalueren van investeringen Organisatie-eenheden bespoedigen de financiële afwikkeling van de oplevering zodat de werkelijke uitgaven bij activering als uitgangspunt dienen. De uitkomsten worden meegenomen bij de tussentijdse rapportage(s) en bij de jaarrekening.
6.1.5 Bevoegdheden bij investeringen Welke bevoegdheden hebben de raad en het college van burgemeester en wethouders als het gaat om regels voor activering, waardering en afschrijving van activa? De raad autoriseert investeringen en stelt een meerjarenbegroting((s)wijziging) vast. Het college van burgemeester en wethouders laat de investeringen uitvoeren. Zij doet dat binnen de geldende wettelijke regels en binnen het toegekende krediet. Het college van burgemeester en wethouders legt bij de jaarstukken verantwoording af aan de raad over de realisatie van de voorgenomen investeringen. De rol van het college is sturing op de investeringen met als doel dat niet wordt afgeweken van de met de raad gemaakte afspraken. Bij het overschrijden van de einddatum wordt het college dan ook geïnformeerd. Het schuiven tussen afzonderlijke investeringskredieten is niet toegestaan. Met de raad is immers een afspraak gemaakt over inzet van bepaalde middelen voor een vastgesteld doel binnen een afgesproken termijn. Ook gerealiseerde aanbestedingsvoordelen worden niet voor andere investeringsprojecten ingezet. 7 Slotbepalingen 7.1 Intrekken oude nota en overgangsrecht
27
De nota waarderen en afschrijven gemeente Duiven d.d. 1 november 2004 wordt ingetrokken per 1 januari 2017. Deze nota blijft van toepassing op de jaarrekening en het jaarverslag 2016. 7.2 Inwerkingtreding en citeertitel Deze nota treedt in werking op 1 januari 2017. Deze nota wordt aangehaald als: Nota activerings- en afschrijvingsbeleid Duiven 2017.
28
Bijlage 1: Begrippenlijst Activa Het geheel van bezittingen van de gemeente wordt op de debetzijde van de balans weergegeven. Gemeentelijke activa zijn in het verleden gepleegde investeringen waarover de gemeente de beschikkingsmacht heeft. Een individueel kapitaalgoed kan worden aangeduid als (vast) actief of activum. De bezittingen van de gemeente. Deze worden ingedeeld in 1. vlottende activa bestaande uit de afzonderlijk opgenomen voorraden, uitzettingen met een rente typische looptijd korter dan één jaar, de liquide middelen en de overlopende activa. 2. vaste activa bestaande uit de immateriële, de materiële en de financiële vaste activa. immateriële vaste activa: Kapitaaluitgaven waar geen bezittingen tegenover staan. In de balans wordt afzonderlijk opgenomen: de kosten verbonden van het sluiten van geldleningen en disagio; de kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; bijdragen aan activa in eigendom van derden. materiele vaste activa: Kapitaaluitgaven waar tegenover een actief staat met een nuttigheidsduur van meerdere jaren. In de balans wordt afzonderlijk opgenomen: Investeringen met een economisch nut; Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
Van de materiële vast activa wordt aangegeven welke in erfpacht zijn uitgegeven. financiële vaste activa: Kapitaaluitgaven die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen. Hieronder vallen: kapitaalverstrekkingen aan: deelnemingen; gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen; de leningen aan: openbare lichamen; woningcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen; overige langlopende leningen; uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rente typische looptijd van één jaar of langer; uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rente typische looptijd van één jaar of langer; overige uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer. Activeren: Het opnemen van investeringen (c.q. uitgaven) op de balans. De jaarlijkse kosten worden in de toekomst ten laste van de exploitatie gebracht, dit zijn de kapitaallasten. Afschrijven: Afschrijven is het boekhoudkundig laten zien dat de waarde van activa in de loop van de tijd afneemt. Deze waarde afname wordt veroorzaakt door technische slijtage en/of economische veroudering. Het afschrijvingsbedrag hangt af van de gebruiksduur en restwaarde van de investering. De gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de jaarlijkse afschrijvingslasten.
29
Boekwaarde: De financiële waarde waartegen een activum, op een bepaald moment, op de balans staat en die bestaat uit de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs minus de gedane afschrijvingen. Desinvesteren: Het afstoten en/of verkopen van een vast actief. Desinvesteringen: De verkoop of de waardevermindering van een investering. Investeren: Uitgaven die verbonden zijn aan het verwerven van activa die langer dan een jaar meegaan (vaste activa). Dit zijn meestal kapitaalgoederen zoals wegen, riolering, groen en gebouwen. Het (gebruiks-) nut is aanwezig gedurende meerdere jaren. Investeringen: Een uitgave van enige omvang, waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Investeringen met economisch nut: Activa die verhandelbaar zijn in het economisch verkeer of die kunnen bijdragen aan het genereren van middelen bijvoorbeeld via retributies, heffingen en prijzen. Met ingang van 2014 is een voorschrift (staatsblad van 25 juni 2013) van kracht waarbij de activa behorende bij riolering, afvalverwerking en begraafrechten apart gelabeld moeten worden in de categorie Investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven. Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut: Activa die geen mogelijkheid hebben middelen te genereren maar wel duidelijk een publieke taak vervullen zoals wegen, groenvoorziening, bruggen e.d.