CConstaterende datDuiven
Koppel je AI →
Document · PDF

04. 201726840-Motivering en Regels – omgevingsplanwijziging Sportpark Horsterstraat

Raadsavond 26 mei 2026, gemeente DuivenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling omgevingsplanwijziging 'Sportpark Horsterstraat'18.202 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er is een actuele behoefte om de huidige functies te behouden. Op de locatie van het huidige sportpark worden woningen gebouwd, dat is in bestaand stedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied is geen geschikte nieuwe locatie voor het sportpark. Daarom wordt aansluitend aan stedelijk gebied en aan een bestaand sportpark het nieuwe sportpark gerealiseerd. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

27

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals (rijks) monumenten of andere waardevolle objecten zoals landschapselementen die behoudenswaardig zijn aanwezig.

Archeologie In het tijdelijke deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde middelmatige archeologie verwachting' en 'Waarde - Lage archeologie verwachting'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen grondwerkzaamheden mogelijk maken groter dan 5.000 m², resp. 10.000 m² en dieper dan 0,5 m onder maaiveld. Omdat deze grenswaarde met dit plan wordt overschreden is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 12. Hieruit volgt dat het nodig is een verkennnend booronderzoek uit te voeren. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan is een beschermingsregeling opgenomen, deze blijft van toepassing. Op het moment dat de omgevingsvergunning aangevraagd wordt zal daaraan getoetst worden. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.

Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en faunaactiviteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:  er soorten aanwezig zijn; en  welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 13. Vervolgens is in een oplegnotitie opgesteld waarin is beoordeeld of voldaan kan worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zie bijlage 14. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen. Soortenbescherming Er is onderzoek uitgevoerd naar aanwezige soorten in het gebied. Op basis hiervan wordt vermoed dat enkele beschermde soorten aanwezig kunnen zijn in het gebied. Hiertoe is dan nader onderzoek nodig. Als dit vermoeden bevestigd wordt -de soort(en) is/zijn inderdaad aanwezig- zijn daar vergunningstrajecten bij nodig welke alsdan doorlopen zullen worden.

Waar compenserende maatregelen dan nodig zijn worden die

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

29

toegepast. Deels zal dat ín het plangebied kunnen, bijvoorbeeld door het behouden van bomen met bepaalde nesten, en deels zal dat (als dat nodig is) er buiten moeten. Zo kan de boom waarin een steenuilenkast aanwezig is eenvoudig behouden blijven. Er is geen reden aan te nemen dat e.e.a. geen doorgang zou kunnen vinden. Wat betreft het beperken van lichthinder, er wordt daarmee rekening gehouden in de aanleg- en gebruiksfase. Uitstraling van licht naar bomen en water moet voorkomen worden. Om de verstoring voor in de directe omgeving foeragerende vleermuizen tot een minimum te beperken in de gebruiksfase worden maatregelen genomen. Ook dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kan worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken. Gebiedsbescherming/Natura 2000 Zogenoemde Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken (minder stikstofgevoelig) ligt in dit geval op minder dan 1 kilometer en het Natura 2000-gebied De Veluwe (stikstofgevoelig) op circa 3 kilometer.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening / ETFAL (evenwichtige toedeling van functies aan locaties) wordt bij een wijziging van het omgevingsplan nagegaan of voldoende aannemelijk is dat geen sprake is van significante effecten op Natura 2000-gebieden. Voor andere aspecten dan stikstof (zoals ruimtebeslag, verstoring door geluid, verdroging of andere effecten) geldt dat, gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied en de aard van de ontwikkeling, negatieve effecten in ieder geval op voorhand zijn uit te sluiten. Voor het aspect stikstof geldt het volgende. Omdat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling sprake is van een tijdelijke stikstofemissies (vanwege bouwwerkzaamheden) en permanente stikstofemissies vanwege het verkeer, kan de beoogde ontwikkeling mogelijk extra stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstofgevoelige natuur in beschermde gebieden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 15) voor de totale woningbouwontwikkeling van Westervoort Noord en de nieuwe locatie van de sportvelden. Daaruit blijkt het volgende. In de bestaande situatie is ook sprake van stikstofemissies, met name vanwege de aanwending van mest (dierlijke mest en kunstmest) op agrarische gronden. Deze emissies vervallen met de beoogde ontwikkeling.

De stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden (de Rijntakken, de Veluwe en de verder weg gelegen gebieden) is in de bestaande situatie groter dan in de nieuwe situatie. De beoogde ontwikkeling leidt per saldo (met interne saldering) tot een afname van de stikstofdepositie. Dit geldt zowel voor het totaal van de ontwikkeling Westervoort Noord (deelgebieden A, B, C, D en E), als voor de deelgebieden ABCE en voor het deelgebied D afzonderlijk. Zie de tabel hierna.

30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Voor het voorliggend plan zijn er dus geen belemmeringen vanuit stikstof. Daarmee is er geen sprake van negatieve effecten op Natura 2000-gebied. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. Planspecifiek Er is een quickscan uitgevoerd, kijkend naar de verkeerskundige aspecten van de ontwikkeling. Zie hiervoor bijlage 16. Hieruit blijkt dat de verkeersaantrekkende werking door voorliggend plan (planologisch) toeneemt met 555 tot 825 verkeersbewegingen per dag. De piek hiervan zal voornamelijk in het weekend op wedstrijddagen liggen. Het plangebied wordt ontsloten via De Smidse.

Deze heeft voldoende capaciteit voor de extra verkeersbewegingen, mede doordat de piekbelasting niet tijdens werktijden op werkdagen verwacht wordt, waarop er meer verkeer is op deze straat, maar juist buiten die drukke perioden. Als gevolg van het initiatief ontstaat er een vraag naar parkeervoorzieningen in het plangebied. Er is een parkeerbehoefte van 134 parkeerplaatsen, gebaseerd op de parkeernormen behorende bij de functies op het sportpark. Zie hiervoor navolgende tabel en ook Bijlage 16. Hierbij is in eerste instantie geen rekening gehouden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. In het ontwerp is voldoende ruimte ingetekend voor het invullen van deze parkeerbehoefte.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

31

Uitgangspunten parkeerbehoefte (bron: Roelofs)

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten. De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering. Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas blijkt dat het plangebied met haar huidige inrichting niet zeer gevoelig is voor wateroverlast.

Eventuele wateroverlast wordt voorkomen door aan de randen van het park groen te plaatsen, met aan 3 zijden ruimte voor waterberging. Droogte De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte neemt op veel plaatsen toe. Ter hoogte van het plangebied is dat een lage kans. De kans op een natuurbrand bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie. Hitte In zijn algemeenheid neemt het aantal tropische dagen in Nederland toe en zullen er langere periodes van hitte optreden. Door de beperkte hoeveelheid bebouwing in het plangebied is er veel minder kans op hittestress dan in stedelijke gebieden, die juist veel bebouwing hebben.

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Overstroming Het plangebied ligt op redelijke afstand van de Neder-Rijn en de IJssel. De kans op overstroming is middelgroot; 1/30-1/300 per jaar. Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

33

Hoofdstuk 6

Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 4. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 5. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De Memorie van toelichting licht dit verder toe: Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving.

Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen. Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen.

Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn. In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4. Planspecifiek Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er vrijwel geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Hoewel enkele gedeelten van een aantal sportvelden binnen de 50 meter-zone van gewasbeschermingsmiddelen vallen, is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, daar de kans op blootstelling gering is, aangezien de velden niet doorlopend gebruikt worden, de activiteiten plaatsvinden buiten de reguliere spuitmomenten en er een beplantingsstrook van 40 meter breed tussen de sportvelden en de agrarische functie ligt.

Er wordt dus voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen (“veilige en

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

gezonde fysieke leefomgeving“ en “een goede omgevingskwaliteit”) dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

35

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2

Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:  Preambule;  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Functieregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3

Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22<letter>] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22<letter>] van het omgevingsplan Duiven. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorrangsregel (artikel 1a) In de regels staat ook de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven. Er is een voorrangsregel opgenomen waarin staat dat het bouw- en gebruiksrecht van dit plan op deze locatie voorgaat op het bouw- en gebruiksrecht zoals dat in de geldende bestemmingsplannen staat. In dit geval vervalt de bestemming Agrarisch en wordt deze vervangen door bestemmingen Groen, Sport, Tuin en Wonen – 1 met bijbehorende gebruik- en bouwregels. Overige regels en daarbij behorende aanduidingen en dubbelbestemmingen blijven gelden op basis van de geldende bestemmingsplannen. Zo blijven bijvoorbeeld de regels over archeologie uit het Parapluplan archeologie en afwijkingsregels Duiven gelden, evenals regels behorende bij de dubbelbestemming Leiding – Gas uit het bestemmingsplan Buitengebied 2013.

7.4

Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:  Groen, voor de oostelijke strook met groenvoorzieningen en water.

36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

 

Sport, ten behoeve van het nieuwe sportpark. Hierbinnen is ook het parkeerterrein en de groene inrichting toegestaan. In het bouwvlak geldt een voorschriftengebied. Padelbanen zijn alleen toegestaan ter plaatse van een aanduiding. Tuin, voor een kleine zone naast het woonperceel Horsterstraat 2 Wonen - 1, voor een kleine zone naast het woonperceel Horsterstraat 2.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

37

Hoofdstuk 8

Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie, kostenverhaal en vooroverleg. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1

Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden Planspecifiek Voor dit plan heeft een participatietraject plaatsgevonden. In bijlage 17 is daarvan het verslag te vinden.

8.2

Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Planspecifiek Voor dit plan en de woningbouwontwikkeling op de huidige locatie van de sportvelden heeft de gemeenteraad een grondexploitatie vastgesteld waarbinnen de gehele ontwikkeling financieel mogelijk wordt gemaakt.

8.3

Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de relevante belanghebbende instanties. De provincie is bekend met het plan. Ook het Waterschap is op de hoogte van het plan.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlagen bij de motivering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

39

Bijlage 1

40

Inrichtingsschets

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 2

Quickscan water

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

41

Bijlage 3

42

Quickscan activiteiten en milieuzonering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

43

Bijlage 5

44

Verkennend en afperkend bodemonderzoek

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 6

Memo luchtkwaliteit

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

45

Bijlage 7

46

Memo spuitzones

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 8

Geuronderzoek

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

47

Bijlage 9

48

Akoestisch onderzoek sportpark

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 10

Memo omgevingsveiligheid

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

49

Bijlage 11

50

M.e.r.-beoordelingsnotitie

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 12

Bureauonderzoek archeologie

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

51

Bijlage 13

52

Verkennend ecologisch onderzoek

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 14

ETFAL-analyse flora en fauna

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

53

Bijlage 15

54

Stikstofonderzoek

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 16

Verkeerskundige quickscan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

55

Bijlage 17

56

Participatieverslag

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Bijlage 18

Advies Odra EV

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

57

Bijlage 19

58

Advies Veiligheids- en gezondheidsregio

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22b]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Duiven. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22b] van het omgevingsplan van de gemeente Duiven. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22b.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '[22b]' gelezen worden.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

59

60

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Hoofdstuk 1 Artikel 1 a.

b. c.

Inleidende regels Toepassingsbereik

In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' en 'Reparatieplan Buitengebied 2013', artikel 3 'Agrarisch' met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in het derde lid de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Sportpark Horsterstraat waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0226.OPSPRTCMPLX-VS01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2

Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk. Aanvullend daarop gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk de volgende begripsbepalingen: 2.1 Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 2.2 Aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 2.3 Aan huis verbonden beroep een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in een (gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend uitsluitend door de gebruik(st)er, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 2.4 Aan huis verbonden bedrijf een bedrijf dat in een (gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, uitsluitend door de gebruik(st)er van de woning, en

dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingplichtig is; 2.5 Afhankelijke woonruimte een onzelfstandige, permanent vanuit de woning toegankelijke, woonruimte in een deel van een woning, waarin een gedeelte van de huishouding is gehuisvest uit een oogpunt van mantelzorg, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 2.6 Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

61

2.7 Bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen; 2.8 Bedrijfsvloeroppervlak de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een (dienstverlenend) bedrijf of instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 2.9 Bestaand bij bouwwerken: een legaal bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; bij gebruik: het gebruik dat op het moment van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologische regime; 2.10 Functiegrens de grens van een functievlak; 2.11 Functievlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie; 2.12 Bijbehorende bouwwerken uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 2.13 Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een

bouwwerk; 2.14 Bouwgrens de grens van een bouwvlak; 2.15 Bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder, met dien verstande dat volieresystemen niet als meerdere bouwlagen worden beschouwd; 2.16 Bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 2.17 Bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel; 2.18 Bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

62

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

2.19 Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 2.20 Buitenschoolse opvang professionele kinderopvang voor schoolgaande kinderen buiten schooltijden, waarbij geen bedgebied aanwezig is. 2.21 Dagrecreatie activiteiten gericht op ontspanning in de vrije tijd zoals sport en spel, natuurbeleving, amusement en uitstapjes, die uitsluitend plaatsvinden binnen een tijdsbestek van een dag, zonder overnachting en waartoe tevens kleinschalige horeca-activiteiten worden gerekend; 2.22 Detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, dit met uitzondering van internetverkoop; 2.23 Dienstverlening het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden, met of zonder rechtstreeks contact met het publiek; 2.24 Eerste bouwlaag de bouwlaag op de begane grond; 2.25 Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 2.26 Gebruiken gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik

geven; 2.27 Gebruiksoppervlak de oppervlakte die mag worden gebruikt ten behoeve van (een) nader in de regels omschreven functie(s); indien binnen een gebouw meerdere bouwlagen worden gebruikt ten behoeve van die functie(s), dan wordt deze oppervlakte berekend door de oppervlaktes van de verschillende bouwlagen op te tellen; 2.28 Hoofdactiviteit Een functie waarvoor het hoofdgebouw als zodanig mag worden gebruikt; 2.29 Hoofdgebouw gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die door het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

63

2.30 Horeca een bedrijf waar hoofdzakelijk dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 2.31 Internetverkoop het bedrijfsmatig te koop aanbieden, zonder enige fysieke vorm van uitstalling ten verkoop, het verkopen en/ of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, zonder dat deze goederen op locatie bezichtigd of afgehaald kunnen worden; 2.32 Kampeermiddel tenten, tentwagens, kampeerauto's of toercaravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 2.33 Kas een gebouw waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander licht doorlatend materiaal ten behoeve van het kweken van vruchten, bloemen en/of planten; 2.34 Kleinschalig kampeerterrein het houden van een kampeerterrein voor een beperkt aantal, met dien verstande dat buiten de periode van 15 maart

tot en met 31 oktober geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn; 2.35 Lichte horeca activiteiten waar overdag kleine etenswaren en niet of licht alcoholische dranken worden verstrekt, zoals theehuisjes, ijssalons, croissanterieën en naar de aard daarmee gelijk te stellen activiteiten; 2.36 Maatschappelijke voorzieningen culturele, educatieve, medische, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en lichte horeca ten dienste van deze voorzieningen; 2.37 Mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 2.38 Nevenactiviteiten één of meerderde activiteiten ondergeschikt aan de hoofdactiviteit in zowel (gezamenlijke) omvang (oppervlakte) als de effecten op het woon- en leefklimaat; 2.39 Onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 m boven het peil is gelegen;

64

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

2.40 Overig bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 2.41 Paardenbak een in de open lucht gelegen al dan niet omheind terrein, eventueel voorzien van lichtmasten, dat is ingericht of kennelijk is ingericht voor het uitsluitend of in hoofdzaak gebruiken ten behoeve van het berijden van paarden; 2.42 Pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 2.43 Peil  voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;  voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het (afgewerkte) terrein ter hoogte van die hoofdtoegang;  indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabij gelegen punt waar het water grenst aan het vaste land; 2.44 Permanente bewoning bewoning door een persoon of door groepen van personen van een voor recreatieve bewoning bedoelde ruimte/gebouw als hoofdverblijf c.q.

vaste woon- of verblijfplaats; 2.45 Stacaravan een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen; 2.46 Uitvoeren uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven; 2.47 Verblijfsobject de kleinste binnen één of meer panden gelegen en voor woondoeleinden geschikte eenheid van gebruik die ontsloten wordt via een eigen afsluitbare toegang vanaf de openbare weg, een erf of een gedeelde verkeersruimte, onderwerp kan zijn van goederenrechtelijke rechtshandelingen en in functioneel opzicht zelfstandig is. Eén verblijfsobject is gelijk aan één woning; 2.48 Voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw; gebouwen welke met meer dan één zijde naar de weg gekeerd zijn hebben meerdere voorgevels; 2.49 Vrijstaand een woning in een afzonderlijk gebouw, niet verbonden aan andere woningen. In een woning met de aanduiding 'vrijstaand' is maximaal 1 verblijfsobject met woonfunctie toegestaan;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

65

2.50 Woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Een woning is gelijk aan een verblijfsobject; 2.51 Zeer kwetsbaar gebouw gebouw als bedoeld in Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage VI, onder E; 2.52 Zolder ruimte(n) in een gebouw die geheel is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten: 3.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 3.2 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 3.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q.

de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 3.4 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 3.5 de horizontale diepte van een gebouw de diepte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de gevel waaraan wordt gebouwd; 3.6 ondergeschikte bouwdelen Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

66

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

Hoofdstuk 2 Artikel 4

Functieregels Groen

4.1 Functieomschrijving Een als 'Groen' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. groenvoorzieningen, bermen en beplanting; b. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen; c. extensief recreatief medegebruik; d. kunstuitingen; e. wandel-, fiets-, en voetpaden, recreatie-, speel- en nutsvoorzieningen; met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen, waterberging en waterlopen. 4.1.1 Voorwaardelijke verplichting groene bufferzone f. Het gebruik van de gronden en bouwwerken binnen het plangebied is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - bufferzone' een groene bufferzone is aangelegd overeenkomstig het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 1. g. De aangelegde beplanting dient duurzaam in stand te worden gehouden.

4.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 4.2.1 Gebouwen Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. 4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 3 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.

Artikel 5

Sport

5.1 Functieomschrijving Een als 'Sport' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. sportterreinen, sportieve en recreatieve doeleinden en daarbij behorende voorzieningen, waaronder mede begrepen ondergeschikte lichte horeca (kantines) en ondergeschikte detailhandel, met dien verstande dat: 1. padelbanen enkel zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - padel' 2. maximaal 5 padelbanen zijn toegestaan; b. ondergeschikte buitenschoolse opvang uitsluitend in het bouwvlak; c. maatschappelijke voorzieningen; met bijbehorende gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, wegen en (fiets-)paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

67

5.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 5.2.1 Gebouwen a. Voor het bouwen van gebouwen binnen het bouwvlak gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 meter. b. Voor het bouwen van gebouwen buiten het bouwvlak gelden de volgende regels: 1. dug-outs zijn toegestaan met dien verstande dat:  het maximale oppervlakte per gebouwtje niet meer bedraagt dan 5 m2;  de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 m;  het gebouwtje maximaal uit 3 wanden bestaat. 2. naast dug-outs zijn maximaal vijf gebouwen toegestaan buiten het bouwvlak met dien verstande dat:  het maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 25 m2;  de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 m;  de afstand tot de perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;  zeer kwetsbare gebouwen niet zijn toegestaan. 5.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van lichtmasten en ballenvangers bedraagt maximaal 15,5 m; b. de bouwhoogte van speelvoorzienigen bedraagt maximaal 5 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 6 m.

5.2.3 Voorschriftengebied Bij het bouwen van zeer kwetsbare gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – brandvoorschriftengebied buisleidingen' dient te worden voldaan aan de regels conform artikel 4.91 t/m 4.95 Besluit bouwwerken leefomgeving, vanwege de ligging in brandaandachtsgebied van de ondergrondse hogedruk aardgasleidingen A-663, A-507 en A-505. 5.3 Specifieke functieregels Het is in ieder geval verboden gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van sporten die veel omgevingslawaai tot gevolg hebben, zoals (model)vliegsport en motorcross. 5.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit padelbanen 5.4.1 Algemeen Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat meer dan het maximumaantal van 5 padelbanen worden gerealiseerd. 5.4.2 Beoordelingsregels De vergunning van artikel 5.4.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de padelbanen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - padel' worden gerealiseerd; b. is aangetoond dat de padelbanen niet zorgen voor dermate hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten dat een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat.

Artikel 6

Tuin

6.1 Functieomschrijving Een als 'Tuin' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

68

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

6.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 6.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. Uitsluitend uitbouwen in de vorm van erkers bij de hoofdgebouwen van de op de aangrenzende gronden gelegen woningen mogen worden gebouwd, mits: 1. de horizontale diepte maximaal 1,5 m bedraagt; 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 m bedraagt; 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen een gevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; 4. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 m. 6.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximal 1 m; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 m; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 3 meter; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 meter.

6.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit bijbehorende bouwwerken 6.3.1 Algemeen Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat bijbehorende bouwwerken behorend bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen worden gebouwd. 6.3.2 Beoordelingsregels De vergunning van artikel 6.3.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het bepaalde in artikel 7.2.2 onder b met betrekking tot de oppervlakte is van toepassing; b. de goothoogte bedraagt maximaal 3 meter dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter; c. de bouwhoogte bedraagt maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 1 meter, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 m mag bedragen en maximaal 6 meter. d. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden worden niet onevenredig geschaad; e. het straat- en bebouwingsbeeld worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 7

Wonen - 1

7.1 Functieomschrijving Een als 'Wonen - 1' aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. het bestaande aantal woningen ter plaatse van de aanduidingen: b. aan huis verbonden beroepen; c. mantelzorg; d. de bestaande paardenbakken; e. lichtmasten rond een legaal bestaande paardenbak zijn toegestaan, met dien verstande dat: 1. de afstand van de lichtmasten tot gronden met de bestemming Natuur minimaal 100 meter bedraagt;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

69

f.

g.

2. per paardenbak maximaal 4 lichtmasten zijn toegestaan het houden van een kleinschalig kampeerterrein, met dien verstande dat: 1. maximaal 10 kampeermiddelen met bijbehorende sanitaire voorzieningen per hoofdgebouw zijn toegestaan; 2. alleen binnen de periode van 15 maart tot 31 oktober kampeermiddelen op het terrein aanwezig mogen zijn; 3. stacaravans niet zijn toegestaan. 4. een kleinschalig kampeerterrein uitsluitend wordt toegestaan indien de bestemming Wonen -1 niet grenst aan de bestemming Natuur; bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.

7.2 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwwerken 7.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. goothoogte is maximaal 6 meter; b. bouwhoogte is maximaal 9 meter; c. oppervlakte is maximaal 175 m2 voor vrijstaande woningen dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt dan 175 m2. 7.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. gebouwd vanaf 3 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw, met dien verstande, dat bijbehorende bouwwerken in de vorm van erkers tot vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gebouwd, mits: 1. de horizontale diepte maximaal 1,5 meter bedraagt; 2. de diepte van de overblijvende, niet met gebouwen bebouwde gronden minimaal 2,5 meter bedraagt; 3. voor zover de erker wordt gebouwd tegen de voorgevel van het hoofdgebouw de breedte maximaal 2/3 van de breedte van die gevel bedraagt; 4. de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter; b. gezamenlijke oppervlakte per hoofdgebouw maximaal: 1. 75 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt dan 75 m2; 2. als de bouwmogelijkheden voor het hoofdgebouw o.g.v.

artikel 7.2.1, sub c niet volledig zijn benut, mogen deze worden gebruikt voor de realisatie van bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de onder artikel 7.2.2, sub b, onder 1 genoemde oppervlaktenorm; c. goothoogte maximaal 3 meter dan wel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter; d. bouwhoogte maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw verminderd met 1 meter, waarbij geldt dat de bouwhoogte in ieder geval 3 meter mag bedragen en maximaal 6 meter. 7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 1 meter; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 2 meter; c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen bedraagt maximaal 3 meter;

70

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

d. e. f.

de bouwhoogte van terreinafscheidingen rond een legaal bestaande paardenbak bedraagt maximaal 1,75 meter; de bouwhoogte van lichtmasten bij legaal bestaande paardenbakken bedraagt maximaal 6 meter; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 meter.

7.2.4 Kleinschalig kampeerterrein Voor het bouwen van sanitaire voorzieningen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein gelden de volgende regels: a. het gezamenlijke oppervlak is per kampeerterrein maximaal 50 m2; b. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter. 7.3 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit kleinschalige terrasvoorziening 7.3.1 Algemeen Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat een kleinschalige terrasvoorziening met lichte horeca wordt toegestaan. 7.3.2 Beoordelingsregels De vergunning van artikel 7.3.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. opgericht binnen en direct nabij de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing; b. de oppervlakte maximaal 50% van het bebouwde oppervlak met een absoluut maximum van 100 m2 mag bedragen; c. maximaal 50 m2 aan buitenruimte mag worden gerealiseerd; d. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; e. er wordt voorzien in een gebiedseigen landschappelijke inpassing; f. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; g. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden.

7.4 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit nevenactiviteiten 7.4.1 Algemeen Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat een aan de woonfunctie ondergeschikte nevenactiviteit wordt uitgeoefend. 7.4.2 Beoordelingsregels De vergunning van artikel 7.4.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. uitsluitend de volgende nevenactiviteiten kunnen worden toegelaten: 1. stalling van caravans, kampeerauto's en daarmee gelijk te stellen recreatieve vervoermiddelen; 2. langdurige opslag van goederen met uitzondering van opslag van gevaarlijke stoffen, ontplofbare stoffen, bestrijdingsmiddelen, afvalstoffen en stoffen die geurhinder kunnen veroorzaken; 3. kleinschalige recreatieve/toeristische activiteiten die gericht zijn op de stalling en verhuur van vervoersmiddelen ten behoeve van recreatie medegebruik gericht op de beleving van agrarische activiteiten of natuur- en landschapswaarden, zoals een paardenstalling of fiets-, kano-, paarden- en huifkarrenverhuur; 4. kleinschalige extensieve dagrecreatieve activiteiten gericht op de beleving van agrarische activiteiten, natuur- en landschapswaarden, kunst en cultuur, zoals cursusruimte voor ambachten, galerie/ potterie, binnenspeeltuin of museum voor oude werktuigen; 5.

kleinschalige binnenactiviteiten die gericht zijn op de uitoefening van persoonlijke/dierlijke verzorging, zoals een kapper, pedicure, schoonheidsspecialist of hondentrimmer;

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Sportpark Horsterstraat

71

6.

b. c. d.

e. f. g. h. i. j. k.

dagopvang voor ouderen/kinderen/gehandicapten van maximaal 15 personen waarbij ook buitenactiviteiten zijn toegestaan gericht op de beleving van agrarische bezigheden; 7. recreatief verblijf in de vorm van een beperkte groeps- of pensionaccommodatie (maximaal 15 personen), zoals boerenkamers of een trekkershut; tenzij in sub a anders is aangegeven kunnen de nevenactiviteiten uitsluitend worden toegestaan in aanwezige gebouwen, uitgezonderd kassen, waarbij (vervangende) nieuwbouw niet is toegestaan; voorts mag de bedrijfsvloeroppervlakte van de nevenactiviteiten maximaal 350 m2 bedragen; in afwijking van het bepaalde in sub c geldt een maximale maat van 60 m2 indien het nevenactiviteiten betreft in de vorm van kleinschalige binnenactiviteiten die gericht zijn op de uitoefening van persoonlijke/dierlijke verzorging; de belangen van in de omgeving gelegen functies worden niet onevenredig geschaad; er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het (leef)milieu en het landschap in de omgeving; er treedt geen onevenredige verkeersaantrekkende werking op; parkeren wordt op eigen terrein gerealiseerd; buitenopslag is niet toegestaan; detailhandel, met uitzondering van ter plaatse vervaardigde producten, is niet toegestaan; er dient te worden voorzien in een gebiedseigen landschappelijke inpassing.

7.5 Beoordelingsregels binnenplanse omgevingsplanactiviteit paardenbakken 7.5.1 Algemeen Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning verlenen en daarmee toestaan dat gronden worden ingericht en gebruikt voor een paardenbak. 7.5.2 Beoordelingsregels De vergunning van artikel 7.5.1 kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de oppervlakte bedraagt maximaal 800m²; b. per woning mag maximaal één paardenbak worden gerealiseerd; c. de paardenbak wordt niet gesitueerd op gronden voorzien van de bestemming Waarde-Landschap; d. rondom de paardenbak mogen maximaal 4 lichtmasten worden gerealiseerd, met dien verstande dat: 1. de afstand van de lichtmasten tot gronden met de bestemming Natuur minimaal 100 meter bedraagt; 2. de bouwhoogte maximaal 6 meter bedraagt; 3. de bouwhoogte van terreinafscheidingen rondom de paardenbak maximaal 1,75 meter bedraagt; e. de belangen van gebruikers dan wel eigenaren van aangrenzende gronden worden niet onevenredig geschaad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duiven&id=cacf9c66-42c5-4eb6-b10e-6748831faf25