CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg _ Ploegschaar, Biddinghuizen_ontwerp_december_2023_gewijzigd_november_2024 (1).pdf

Raadsvergadering 27 februari 2025, gemeente DrontenBij agendapunt: 8: AKKOORD Raadsvoorstel Ontwerpverklaring van geen bedenking Ploegschaar Biddinghuizen12.912 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van adequate bluswatervoorzieningen (conform het Bouwbesluit) door de brandweer worden bestreden. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische en/of brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een toxisch scenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Bij een scenario, waarbij brandbare stoffen (kunnen) vrijkomen, is het advies om te vluchten van de risicobron af, maar ook schuilen in een gebouw biedt in eerste instantie voldoende bescherming voor personen in het plangebied. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om relevante adviezen tijdig op te volgen. 4.4.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.5

Flora en fauna

4.5.1

Inleiding

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming

32

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen.

Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden. 4.5.2

Onderzoek

Flora en fauna Er zijn in het plangebied door het regelmatig maaien geen beschermde plant- en diersoorten te verwachten, tevens is deze agrarische grond voorheen altijd gebruikt voor de teelt van onder andere uien, wortels en aardappelen waardoor het terrein meerdere malen per jaar werd bewerkt met machines en diverse bestrijdingsmiddelen. Wel geldt de algemene zorgplicht en worden negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Voor zover nu bekend vonden er geen activiteiten plaats aan watergangen en/of oevers. Mochten er wel activiteiten gaan plaatsvinden, dan wordt door de initiatiefnemer een ecoloog ingeschakeld om te bepalen of er tegenstrijdigheden zijn met de Wet natuurbescherming en indien noodzakelijk hoe hier mee om te gaan. Natura 2000 In de nabijheid van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden en beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtst nabij gelegen Natura 2000 'Veluwe Randmeren' ligt op ruim 5 km ten oosten van het plangebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen het concreet begrensde NNN. De dichtstbijzijnde gronden van het NNN liggen op circa 500 meter van het plangebied. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteit is lokaal en de activiteit heeft geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied.

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking heeft, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van enige aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Houtopstanden Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming. Overtreding op dit onderdeel Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.5.3

Conclusie

33

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen Het aspect flora en fauna is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.6

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

4.6.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van:  de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;  het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;  wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:  wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;  wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;  wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone:  wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;  wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art.

41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele

34

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.6.2

Onderzoek

Bedrijven zijn geen geluidgevoelige functies, waardoor er geen akoestisch onderzoek noodzakelijk is. Gezien de ligging, midden op het bedrijventerrein zal er geen sprake zijn van geluidhinder voor de woningen op het bedrijventerrein en/of nabij de randen van het bedrijventerrein (zie ook 4.8). 4.6.3

Conclusie

Het aspect geluid is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Inleiding

De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 van 40 ìg/m3 aangepast. Het tijdstip waarop aan de normen voor PM10 moet worden voldaan is uitgesteld tot 11 juni 2011. Het tijdstip waarop aan de normen voor NO2 moet worden voldaan is voor Nederland 1 januari 2015. Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdrage” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof.

Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 ìg/m 3 (3% van 40 ìg/m3) een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project die NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als:  de ontwikkeling is opgenomen in het NSL;  de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project;  de gestelde grenswaarden van bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;  projectsaldering wordt toegepast. 4.7.2 Onderzoek In het kader van de luchtkwaliteit is ten behoeve van wijzigingsplan 'Uitbreiding bedrijventerrein Oldebroekerweg Biddinghuizen (9062)' door Aveco de Bondt een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het wijzigingsplan 'Uitbreiding bedrijventerrein Oldebroekerweg Biddinghuizen (9062)' is te bekijken op www.ruimtelijkeplannen.nl. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de realisatie van het bedrijventerrein Oldebroekerweg "niet in betekenende mate" zal bijdragen aan de luchtkwaliteit. Uit de berekening komt naar voren dat de luchtkwaliteit, ten aanzien van de kritische parameters fijn stof en stikstofdioxide, ruimschoots onder de gestelde grenswaarden uit de Wet Milieubeheer blijven. Verdere toetsing aan de luchtkwaliteitseisen is dan ook niet aan de orde.

De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen plannen. Er is op basis van de uitkomsten geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. 4.7.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

35

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1

Algemeen

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald.

Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale

36

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen situatie mogelijk zijn. 4.8.2

Situatie plangebied

Volgens het geldende wijzigingsplan 'Uitbreiding bedrijventerrein Oldebroekerweg Biddinghuizen (9062)', zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3 toegestaan. Aangezien hier sprake is van een gemengd gebied geldt voor milieucategorie 3.2 een richtafstand van 50 meter. Binnen 50 meter afstand van het bedrijf bevinden zich geen woningen en/of andere geluidgevoelige functies. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. 4.8.3

Conclusie

Dit aspect is geen belemmering voor de realisering van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen is bouwen met duurzaamheid als doel. Zowel in de ontwerpfase, de bouwfase en de gebruiksfase. Een duurzaam gebouw moet volgens de Nederlandse rijksoverheid idealiter:  energie besparen;  (schaarse) materialen besparen;  water besparen;  een gezond binnenmilieu hebben;  weinig hinder opleveren wat betreft licht, geluid en dergelijke;  niet tot vervuiling leiden, zoals bijvoorbeeld CO2-uitstoot;  uit materialen bestaan die men kan hergebruiken. Duurzaam bouwen is meer dan energiebesparing Duurzaam bouwen betekent dat gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: gebruik van duurzame materialen die rekening houden het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Voor gebouwontwerpen kunnen van te voren bepaald worden welk ambitieniveau gewenst is. De te nemen maatregelen kunnen door de gemeente of ontwikkelaar zelf worden gekozen om een bepaald niveau te bereiken. Hierna volgen enkele specificaties die betrekking hebben op duurzaamheid.

Wettelijk: Bouwbesluit 2013 De wettelijke eisen bij nieuwbouw staan in het bouwbesluit. Bij de omgevingsaanvraag wordt aangetoond dat hieraan wordt voldaan. Kansen duurzaam bouwen  Materiaalgebruik.  Pas FSC hout toe in de kozijnen of inlands hout uit duurzaam beheerde bossen.  Kijk naar soort isolatie. Afval  Denk na over de opstelplaats van de containers en de loopafstand ernaar toe. Water  Denk aan waterbesparende voorzieningen. Gezondheid  Denk goed na over het ventilatiesysteem dat bijdraagt aan een goed afgesteld gezond binnenklimaat.

37

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

4.10

Verkeer en parkeren

4.10.1 Algemeen Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen.

4.10.2 Onderzoek Verkeer In het kader van het geldende wijzigingsplan is het aspect verkeer al meegenomen. Het is niet de verwachting dat de verkeersintensiteiten door het bedrijf (KANON) dat zich hier gaat vestigen zal toenemen. Voor de omliggende wegen is dit plan dan ook geen enkele belemmering.

Parkeren Voor het parkeren moet worden uitgegaan van de 'Nota parkeernormen Dronten 2016'. Het plangebied valt onder 'Overige kernen'. Hiervoor geldt volgens de parkeernota voor de hoofdfunctie werken, navolgende tabel.

De berekening voor de parkeerplaatsen wordt: Functie

m2

Norm

Aantral benodigde parkeerplaatsen

kantoor (zonder balie functie)

2.780

2,6/100 m2

72,3

bedrijf arbeidsextensief / bezoekers extensief 6.720 (bv loods)

1,1/100 m2

73,9

Totaal afgerond

147

In totaal zijn er 147 parkeerplaatsen nodig volgens de Nota Parkeernormen Dronten 2016. Afbeelding 4.2 geeft weer dat er in ieder geval 134 parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd Indien blijkt dat dit onvoldoende is kunnen er nog 84 extra parkeerplaatsen worden aangelegd waardoor het totaal dan uitkomt op 216 parkeerplaatsen. De toekomstige gebruiker (KANON) heeft aangegeven dat er 85-90 personen werkzaam zijn op kantoor en 12 personen in de fabriek. Dronten rekent vervolgens met 5% ten behoeve van bezoekers,

38

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen wat neerkomt op (90 + 12)*x 1,05 = 113 personen. Hierbij opgemerkt dat niet alle personen met de auto komen zijn de 134 parkeerplaatsen ruim voldoende.

Afbeelding 4.2: Overzicht parkeerplaatsen

4.10.3 Conclusie Verkeer en parkeren is geen belemmering voor de realisatie van het plan.

39

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

4.11

Kabels en leidingen

4.11.1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.11.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In het plangebied bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen . Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden.

Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd. 4.11.3 Conclusie In en nabij het plangebied van dit plan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.

4.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in: 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.). Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het plan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde die in onderdeel D is opgenomen, wordt overschreden. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Deze wijziging impliceert dat

40

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen vanaf die datum een toets uitgevoerd moet worden of belangrijke nadelige milieugevolgen in verband met een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. (milieueffectrapportage)-beoordeling gehanteerd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarde blijven (en daarmee dus niet m.e.r.-plichtig zijn). De voorgenomen ontwikkeling maakt de bouw van een bedrijf mogelijk. Deze ontwikkeling valt onder de categorie D11.2 ´de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen´. Een stedelijk ontwikkelingsproject valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:  een oppervlakte van 100 hectare of meer,  een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of  een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De bouw van het bedrijf valt onder deze drempel en is daarmee niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders) beslist of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten of dat een m.e.r. moet worden opgesteld.

Omdat er bij voorliggend plan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht wordt een vormvrije m.e.r. toegepast. Het belang van de vormvrije m.e.r. is dat al in een vroeg stadium wordt beoordeeld of het plan of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. In de vormvrije m.e.r. dient het navolgende te worden beschreven:  de kenmerken van de activiteit;  de plaats waar de activiteit plaatsvindt;  de samenhang met andere activiteiten ter plaatse (cumulatie);  de kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Conclusie m.e.r -beoordeling voor het plangebied Het gaat hier om de bouw van een bedrijf gelegen in een stedelijke omgeving. Het plangebied ligt op ruim 5 km afstand van de dichtstbijgelegen Natura 2000 gebied 'Veluwerandmeren'. Uit Hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing blijkt voldoende dat er vanuit deze zeer kleinschalige ontwikkeling geen sprake is van concrete nadelige milieugevolgen waardoor er geen uitgebreide m.e.r. beoordeling is vereist. Voor de vormvrije m.e.r. beoordeling is voor dit plan gebruik gemaakt van alle onderzoeken die ten grondslag liggen aan dit plan en de daaruit voortvloeiende conclusies. De conclusies uit deze onderzoeken sluiten nadelige milieugevolgen voor de volksgezondheid als gevolg van dit plan uit.

Deze onderzoeken worden samen met dit hoofdstuk uit deze toelichting beschouwd als de zogenaamde aanmeldnotitie op basis waarvan het college heeft besloten dat er geen M.E.R.-procedure doorlopen hoeft te worden. Dit ontwikkeling brengt geen (significant) negatieve effecten met zich mee waardoor er een milieueffectrapportage opgesteld hoeft te worden.

41

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

42

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

Hoofdstuk 5 5.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedure voor het verlenen van een omgevingsvergunning is door de wetgever geregeld. De procedure die vooraf gaat aan het nemen van een besluit op de ingediende aanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure nu er sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo, waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, of onder c, van de Wabo. Dit betekent onder meer dat er eerste een ontwerp-besluit ter inzage wordt gelegd voordat er een definitief besluit wordt genomen.

5.2

Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het project is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze waarop gemeentelijke kosten op het plan worden verhaald (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De financiële haalbaarheid is niet in het geding. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Voor dit project geldt dat sprake is van een omgevingsvergunning waarmee een bedrijfshal met kantoorgebouw wordt mogelijk gemaakt. De gemeente heeft hiervoor met de aanvrager een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin onder andere ook het aspect planschade is geregeld.

Het vaststellen van een grondexploitatieplan is daarom niet noodzakelijk. Door middel van de grondexploitatieregeling beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, bijvoorbeeld voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor de ruimtelijke procedure. Dit project maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan geen bouwplannen mogelijk waarop de grondexploitatieregeling van toepassing is.

43

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

44

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

Hoofdstuk 6 6.1

Afweging en conclusie

Aanleiding

Deze ruimtelijke onderbouwing dient ter afweging voor het verlenen van een omgevingsvergunning ex artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 van de Wabo, waarmee de realisatie van het bedrijf mogelijk wordt gemaakt.

6.2

Afweging

Op grond van het geldende bestemmingsplan is het niet toegestaan om het bedrijf te realiseren omdat er ter plaatse de gebruiks- en bouwmogelijkheden hiervoor ontbreken. Het project is niet strijdig met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel rijks- als provinciaal en gemeentelijk niveau en veroorzaakt geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving. In de beoogde situatie is ook sprake van een verantwoorde milieusituatie.

6.3

Conclusie

Het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

45

Ruimtelijke onderbouwing Stoppelploeg / Ploegschaar, Biddinghuizen

.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/1139/documents/19089