f1b05e51-0c9f-4d84-babd-86106b1bdc56.pdf
Tekst van het document
De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. 4.7.2
Wet- en regelgeving en beleid
De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21 ste eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw(WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21ste eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën)
38
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het gebiedseigen water wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving.
Tot slot heeft de gemeente een watertaak om waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, deel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en water robuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisicos (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.
Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat lange termijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 4.7.3
Watertoets
Via www.dewatertoets.nl is de digitale watertoets doorlopen voor beide deelgebieden, zie Bijlage 6 (Watertoets - Deelgebied Stobbenweg) en Bijlage 7 (Watertoets - Deelgebied Spijkweg) bij deze toelichting. De uitkomst van deze toets is dat dit project onder de categorie "normale watertoetsprocedure" valt, omdat het plan waterhuishouding bezien voor het waterschap van belang is. In overleg met de adviseur ruimtelijke plannen van het waterschap (d.d. 7 januari 2020) zijn de aandachtspunten naar voren gekomen voor dit project: compensatie door verhardingen en bebouwing; omgang van afvalwater; realisatie waterpartijen nabij Bremerbergdijk in deelgebied Spijkweg in kader van veiligheid van de primaire waterkering. Deze aandachtspunten worden verder uitgewerkt en opgenomen in de waterparagraaf. Aangevuld met de genoemde uitgangspunten uit de uitgangspuntennotities (zie Bijlage 6 (Watertoets - Deelgebied Stobbenweg) en Bijlage 7 (Watertoets - Deelgebied Spijkweg) bij deze toelichting) en vooroverlegreactie d.d. 4 mei 2020.
39
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
4.7.4
Beschrijving watersysteem
In deze paragraaf komen de relevante wateraspecten, streefbeelden en uitgangspunten van de beleidsthema's Voldoende water, Schoon water en Veiligheid aan bod in relatie tot het onderhavige project. Veiligheid / waterkering Het streefbeeld van het waterschap ten aanzien van dit thema is als volgt. Het buitenwater is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. Waterkeringen beschermen Flevoland tegen deze bedreiging. Het waterschap wil de veiligheid ook in de toekomst blijven waarborgen. Door te werken aan veilige, robuuste en duurzame waterkeringen anticipeert het waterschap op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. Het uitgangspunt van het waterschap voor een plangebied dat gelegen is nabij de waterkering is als volgt. Om de veiligheid met primaire keringen te waarborgen wordt bij ruimtelijke planvorming rekening gehouden met waterhuishoudkundige eisen voor de korte en lange termijn. Dit conform het besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (ministerie I&M; 2012). Ten behoeve van de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen geldt een beperking voor handelingen op of in de nabijheid van de waterkering. Daarvoor zijn een kering en zijn omgeving in zones opgedeeld. Dit betreffen de kern-, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen.
In sommige gevallen worden gebouwen, windmolens, kabels en leidingen en beplanting toch toegestaan. Voor nader bepaalde handelingen wordt dan ontheffing verleend op het verbod met een watervergunning. Per zone zijn hier voorwaarden voor geformuleerd. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Meer informatie over de in beginsel toegestane activiteiten en voorwaarden staat in de Keur. Het gehele plangebied ligt binnendijks. Deelgebied Spijkweg ligt nabij een primaire waterkering: de Bremerbergdijk. Ten behoeve van de veiligheid, beheerbaarheid en de benodigde ruimte voor toekomstige ontwikkelingen geldt een beperking voor handelingen op of in de nabijheid van de waterkering. Daarvoor zijn de dijk en zijn omgeving in zones opgedeeld. Dit betreffen de kern, binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones van de waterkeringen. Het plangebied van het deelgebied Spijkweg grenst aan een dijksloot, die deel uitmaakt van de kernzone. Met het oog op de veiligheid van de waterkering mag het peil van de dijksloot niet verhoogd worden. De dijksloot blijft intact en vindt geen verandering aan plaats, zoals geen verbinding met dijksloot. Verder is in dit gehele deelgebied geen sprake van peilverhogingen.
Een deel van de nieuwe inrichting van deelgebied Spijkweg ligt binnen de zones: binnen-, tussen- en buitenbeschermingszone van de waterkering. De zones met een bouwbeperking zijn de kern-, binnen- en tussenbeschermingszones. In onderhavig plan is geen sprake van bouwactiviteiten binnen deze zones. Voor de inrichting van het gebied gaan wel andere werkzaamheden plaatsvinden, zoals ontgravingen en ophogingen. Binnen de binnenbeschermingszone is een watervergunning op basis van het Keur nodig voor in ieder geval: ontgravingen, ophogingen en aanbrengen dan wel verwijderen van opgaande (hout)beplantingen. Binnen de tussen- en buitenbeschermingszone is een watervergunning nodig voor ontgravingen en/of ophogingen. Buiten deze zones mag zonder watervergunning niet dieper worden gegraven dan de huidige slootdiepte. Ondieper mag wel, mits er geen risico op opbarsten bestaat. De gronden waarop de binnenbeschermingszone (en tussenbeschermingszone) ligt hebben de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - dijk 1'. De gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - dijk 2' ligt op de gronden waarop de buitenbeschermingszone van toepassing is. Voldoende water Wateroverlast Het waterschap streeft naar robuuste watersystemen. Waarbij het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, op orde is. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.
Het plangebied bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied voor wateroverlast 2050. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt,
40
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Binnen het bestemmingsplan neemt het verhard oppervlak toe. Dit vindt gespreid plaats over de deelgebieden. Indien deze toename groter of gelijk is aan 2.500 m2 dan is compensatie noodzakelijk. Berging ter compensatie voor een netto toename in verharding dient in hetzelfde peilvak boven de waterlijn/het streefpeil te worden aangelegd. De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water. Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit twee deelgebieden. Deze gebieden liggen ruim zes km uit elkaar en er gelden verschillende peilvakken. Dit verschil in peilvak betekent verschillende bergingsnormen door toename van verhard oppervlak. Deelgebied Stobbenweg ligt in peilvakken: OR17 en OR20. Peilvak OR17 is van toepassing op de percelen oostelijk van de Stobbenweg en de percelen deel uitmakend van dit plan ten westen van de Stobbenweg vallen in OR20. Deelgebied Spijkweg ligt in peilvak OR25.
Onderstaande tabel geeft weer hoeveel oppervlak gecompenseerd moet worden per peilvak. Peilvak
Bergingsnorm
Toename verhard oppervlakte Compensatie oppervlakte (inclusief halfverharding)
OR17
5%
ca. 1.694 m2
85 m2
OR20
5,5%
ca. 1.625 m2
89 m2
4%
ca. 6.090 m2
244 m2
OR25
Bij de ontwikkeling bij het perceel Spijkweg 9 (peilvak OR25) vindt toename aan verharding plaats (ca 6.090 m2 ). De compensatie hiervan gebeurt door het aanleggen van watergangen ten noorden, zuiden en oosten van de uitbreiding van het perceel Spijkweg 9. De watergangen worden aangelegd in overleg met Waterschap Zuiderzeeland. In het peilvak OR17 vindt de ontwikkeling van de percelen IB en IIC (oostelijk van Stobbenweg) plaats. De volgende onderdelen van de ontwikkeling leiden tot toename van (half) verhard oppervlak: een betonfietspad, voetpaden uitgevoerd met gestabiliseerd gras op een ondergrond van menggranulaat en worteldoek en een paar picknickbanken op een betonplaat. Ook de ontwikkelingen op de percelen IIB, IIIE, VA, VB en IVA in het peilvak OR20 (westelijk van Stobbenweg) leiden tot toename van (half) verhard oppervlak door onder meer trekkershutten, toiletgebouw, eventuele beheerschuur, half verharde parkeerplaats en paden/wegen. Beide peilvakken OR17 en OR20 wateren af naar het noorden via onder meer de Oudebostocht daarom moet de toename aan verharding in deze peilvakken cumulatief worden opgeteld. Hierdoor komt de toename aan verhard oppervlak boven de 2.500 m2 uit. Dit betekent compensatie van ca. 174 m2 . Dit wordt gerealiseerd in en/of nabij deze twee peilvakken.
Goed functionerend watersysteem Waterschap Zuiderzeeland streeft ernaar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Met het oog op de uiteindelijke overname van het beheer en onderhoud van nieuw (stedelijk) water is het nodig dat het waterschap betrokken wordt bij de uitwerking van een plangebied naar een definitief ontwerp van het watersysteem. Dit definitieve ontwerp behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname uiteindelijk mogelijk te maken.
41
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
Onderdeel van de plannen is dat er duikers komen. Hier staat tegenover dat op andere plaatsen in het plangebied bestaande duikers verdwijnen. Verder komt er een vaste fietsbrug over de Abbertocht tussen perceel IB en Abbertbos. Op deze manier blijft er sprake van aaneengesloten waterelementen. De duikers (en eventueel ander soortige overkluizingen) in watergangen hebben een zo kort mogelijke lengte (in ieder geval korter dan vijftig meter). Dit in verband om opstuwing van water zoveel mogelijk te voorkomen. Verder is bij de inrichting rekening gehouden met onderhoudsstroken. Watergangen moeten goed bereikbaar zijn voor onderhoud. Uitgangspunt is dat onderhoud vanaf de oever plaatsvindt. Waarbij geldt dat wanneer een watergang smaller is dan 24 meter, dan zal in principe rijdend onderhoud mogelijk moeten worden gemaakt. Een watergang dient te zijn voorzien van een goed bereikbare obstakelvrije werkstrook van minimaal vijf meter breed: één zijde van een watergang met breedte tot en met acht meter, gemeten van insteek tot insteek; aan weerszijden van een watergang met een breedte vanaf negen meter, gemeten van insteek tot insteek. Bij een talud van minimaal 1:6 of flauwer is geen aparte onderhoudsstrook nodig. Met name het deelgebied Spijkweg is gelegen in een gebied met een substantieel risico op opbarsten van de grond.
Voordat wordt overgegaan tot het ontgraven van de grond adviseert het waterschap om gericht onderzoek te doen naar het opbarstrisico ter plaatse. Opbarsten of (bijna) aansnijden van het pleistocene zandpakket dient voorkomen te worden vanwege de kans op instabiliteit van de bodem, grondwater van slechte kwaliteit of inzijging. Bij de inrichting van de verschillende deelgebieden worden veranderingen aan het waterbeheer gedaan: watergangen en/of natuurvriendelijke oevers gegraven, mogelijk drainage gedicht (indien nog aanwezig) bij graven waterpartijen in deelgebied Spijkweg en gedeelten van maaiveld zullen worden afgegraven om het projectgebied om te vormen tot een nat moerasachtig gebied met een afwisseling van open water, moeraszones, kruidenrijk grasland en een deel vochtig bos (deelgebied Spijkweg). Veranderingen aan het waterbeheer kunnen een effect hebben op de grondwaterstanden binnen en buiten het projectgebied. Om deze omgevingseffecten van de vernatting te kunnen monitoren en vastleggen, dient de nul situatie van het grondwaterpeil te worden vastgelegd, zodat eventuele (ongewenste) effecten naar de omgeving kunnen worden gedefinieerd. Deze informatie is tevens benodigd voor de aanvraag van de watervergunning(en). De waterpartij in het deelgebied Spijkweg wordt niet gevoed met oppervlaktewater, er komt geen overstort.
Op deze manier wordt het water in de plas vastgehouden. Dit draagt bij aan het voorkomen van overlast op de omgeving. Verder vindt er geen verandering van het waterpeil plaats. Anticiperen op watertekort Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Uitgangspunt hierbij is dat het waterschap in het hele beheergebied nastreeft dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken. Een watersysteem dient zo ontworpen te zijn dat het niet afhankelijk is van de aanvoer van water. De te graven waterpartij in deelgebied Spijkweg wordt niet gevoed met oppervlaktewater. Het vult zich met kwel en regenwater. Schoon water Goede structuurdiversiteit Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.
Uitgangspunt bij de inrichting van het watersysteem is het streven naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Het plangebied wordt grotendeels omgevormd van agrarisch naar een natuurfunctie. Onderdeel van deze
42
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
omvorming is ook dat veel kavelsloten ingericht worden met natuurvriendelijke oevers. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Het streefbeeld van het waterschap is dat het grond- en oppervlaktewater leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden biedt voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten hierbij zijn dat in het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Voor waterhuishoudkundige werken zijn alleen milieuvriendelijke en niet-uitlogende materialen toegestaan. Lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken zijn vergunningplichtig. Goed omgaan met afvalwater Het streefbeeld van het waterschap voor dit thema is als volgt. Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen.
Voor bestaand gebied wordt gestreefd naar het afkoppelen van niet-vervuild verhard oppervlak van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde rioolstelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. De vuilwaterafvoer van de te realiseren toiletgebouwen bij Stobbenweg 6 worden aangesloten op de bestaande opslagput. Deze wordt geleegd door een bedrijf die het afvoert naar de zuivering. Op het perceel vindt verder natuurlijke afstroming plaats. Ter plaatse van de ontwikkeling Spijkweg 9 worden boten en machines op de spuitplaats afgespoten. Het vervuil water wordt afgevoerd via het bestaande systeem op het erf. Met bouwen van botenschuur vijf jaar geleden is de spuitplaats aangelegd. Het vervuilde water wordt via slib opvang en een olie/benzine afscheider geloosd op riool. Het opgevangen vervuilde water uit de afscheider wordt periodiek door specialistisch bedrijf geleegd, afgevoerd en geïnspecteerd. Het afvalwater vanaf de toiletten op de boten wordt op de jachthavens afgevoerd.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
Kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het resterende deel gaat over naar de Omgevingswet en is nu via overgangsrecht nog in werking. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Archeologie De gemeente Dronten heeft vastgesteld archeologiebeleid. Die beleidskaart is vertaald naar het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied D4000' voor het deelgebied Stobbenweg, en naar het vigerende bestemmingsplan 'Randmeerzone (8060)' voor het deelgebied Spijkweg. In het deelgebied Stobbenweg liggen de percelen IB en IIB geheel binnen een zone met dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4'.
Binnen een dergelijke zone zijn ingrepen dieper dan 40 cm -mv, met een oppervlakte groter dan 1,7 hectare onderzoeksplichtig. De percelen VA en IIIC liggen aan de noordzijde binnen 'Waarde – Archeologie 4', en aan de zuidzijde binnen zone 'Waarde – Archeologie 3'. Voor deze zone geldt dat ingrepen dieper dan 40 cm -mv, met een oppervlakte groter dan 500 m2 onderzoeksplichtig zijn.
43
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
Perceel IIIE en IVA liggen geheel binnen zone 'Waarde – Archeologie 3'; perceel VB vrijwel geheel in 'Waarde – Archeologie 3', met alleen aan de zuidoostzijde nog een klein gedeelte binnen 'Waarde – Archeologie 4'. In het deelgebied Spijkweg liggen beide percelen volgens het vigerende bestemmingsplan 'Randmeerzone (8060)' in een zone met dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4'. Ook hier geldt dat ingrepen dieper dan 40 cm -mv, met een oppervlakte groter dan 1,7 hectare onderzoeksplichtig zijn. Op basis van de geplande omvang en diepte van de ingrepen zijn beide deelgebieden onderzoeksplichtig. Om die reden is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 8 (Archeologisch onderzoek) bijgevoegd.
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert het onderzoeksbureau om indien de volgende vrijstellingsgrenzen worden overschreden, een vervolgonderzoek door middel van verkennende boringen uit te voeren (met inachtneming van een buffer van 0,5 meter boven de verwachte relevante archeologische laag): Deelgebied Stobbenweg: Binnen de percelen IB en IIB vervolgonderzoek bij ingrepen groter dan 1,7 ha en dieper dan 1,5 m -mv binnen gebieden met een middelhoge verwachting; Binnen de percelen VA en IIIC vervolgonderzoek bij ingrepen groter dan 1,7 hectare binnen gebieden met een middelhoge verwachting en ingrepen groter dan 500 m2 voor gebieden met een hoge verwachting; mits indien deze ingrepen de grens overschrijden van 1 m -mv voor perceel VA en 1,5 m -mv voor perceel IIIC; Binnen perceel IIIE vervolgonderzoek bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 1 m -mv voor gebieden met een hoge verwachting; Binnen perceel IVA vervolgonderzoek bij ingrepen groter dan 500 m2 vanaf het maaiveld voor gebieden met een hoge verwachting; Binnen perceel VB vervolgonderzoek bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan het maaiveld voor gebieden met een hoge verwachting, en ingrepen groter dan 1,7 ha en dieper dan het maaiveld voor gebieden met een middelhoge verwachting.
Deelgebied Spijkweg: Binnen de percelen Spijkweg 9 en het Bos- en natuurperceel (SBB) vervolgonderzoek bij ingrepen groter dan 1,7 ha vanaf het maaiveld binnen gebieden met een middelhoge verwachting. Geadviseerd wordt om indien de bovenstaande vrijstellingsgrenzen worden overschreden, een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen, met een verspringend grid met een dichtheid van circa zes boringen per hectare. Dit onderzoek dient dan met name om het onderliggende reliëf en mate van intactheid van de top van het dekzand in kaart te brengen. Op basis van deze uitgangspunten, betekent dit als volgt: Deelgebied Stobbenweg: Percelen IB en IIB: geen vervolgonderzoek. Per'celen VA en IIIC: geen vervolgonderzoek. Perceel IIIE: geen vervolgonderzoek. Perceel IVA: vervolgonderzoek op de locatie waar bos zal worden aangeplant. Perceel VB: vervolgonderzoek op de locatie natuurvriendelijke oever, en de locatie waar bos zal worden aangeplant. Deelgebied Spijkweg: Perceel Spijkweg 9: geen vervolgonderzoek. Bos- en natuurperceel (SBB): vervolgonderzoek op de locaties van de aanleg van kavelsloten en waterpartijen en de aanplant van bos. Verder dient rekening gehouden met de vondst van scheeps- of vliegtuigwrakken binnen het plangebied.
44
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
Geadviseerd wordt om een Protocol Toevalsvondsten op te stellen, waarbij de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen uiteen worden gezet in geval bij de civiele werkzaamheden een scheeps- of vliegtuigwrak (of een andersoortige archeologische vondst) wordt aangetroffen. Op deze manier kunnen de civiele werkzaamheden met zo min mogelijk risico op stagnatie en bijkomende kosten worden uitgevoerd. In bovenstaand advies is in overweging genomen dat bij de aanplant van bos mogelijk schade kan optreden aan eventueel in de ondergrond aanwezige scheepswrakken. De gebruikelijke prospectietechniek van boringen kan echter geen uitsluitsel geven over eventuele scheepswrakken in de ondergrond. Omdat er ook geen meldingen zijn van bekende wrakken in of in de omgeving van het plangebied, wordt geadviseerd een Protocol Toevalsvondsten op te stellen, in geval er bijvoorbeeld bij het uitgraven van plantgaten een toevalsvondst wordt gedaan. Tot slot wordt opgemerkt dat het verrichte onderzoek, dat is opgenomen als Bijlage 8 (Archeologisch onderzoek) bij deze toelichting, als basis kan dienen voor aanvragen van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van de inrichtingswerkzaamheden waarbij de grond geroerd wordt. Cultuurhistorie In het plangebied zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische elementen die behouden dienen te worden aanwezig.
4.9
Verkeer en parkeren
Deze ontwikkeling zal in een minimaal extra aantal verkeersbewegingen voorzien. De ontsluitende wegen kunnen deze extra verkeersdruk goed aan. Parkeergelegenheid wordt op eigen terrein gerealiseerd. Een uitzondering hierop vormt een eventuele parkeergelegenheid voor de beheerschuur. Voor het parkeren kunnen bezoekers van het nieuwe natuurgebied en informatiepunt in de beheerschuur gebruikmaken van het reeds bestaande ca. vijfhonderd meter zuidelijker gelegen grote parkeerplaats aan de Stobbenweg. Vanaf de Stobbenweg is voor motorvoertuigen is er geen vrije doorgang naar de beheerschuur. Dit wordt belemmerd door een toegangshek (met vrije doorgang voor voetgangers).
4.10 Kabels en leidingen In het plangebied liggen geen hoogspanningslijnen. Wel wordt een klein deel van het plangebied geraakt door een hogedrukaardgasleiding. Deze leiding komt in paragraaf 4.5 (Externe veiligheid) aan bod. Ten slotte ligt in het deelgebied Spijkweg een gemeentelijk persleiding tussen de Bremerbergdijk en de Spijkweg, zie rode lijn op onderstaande afbeelding.
Afbeelding 22: Gemeentelijke persleiding.
4.11 Aanmeldnotitie M.e.r. M.e.r.-plicht De vraag of sprake is van een m.e.r.-plicht omvat twee subvragen: Is het project kaderstellend voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige-activiteiten? De realisatie van natuurwaarden betreft een activiteit uit de D-lijst van het Besluit mer (D9 Een landinrichtingsproject
45
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.), maar blijft wat betreft oppervlak onder de drempelwaarde: gevallen waarin de ontwikkeling betrekking heeft op een project groter dan 125 hectare. Dit betekent dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd dient te worden; Kan het project leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een nabijgelegen Natura 2000-gebied? Wanneer dit niet op voorhand kan worden uitgesloten dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en geldt daarmee ook een m.e.r.-plicht. Deze vraag staat los van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In onderstaand schema is het bovenstaande nogmaals schematisch weergegeven.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Uit het voorgaande blijkt dat voor dit project een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden doorlopen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Een m.e.r.-beoordeling betekent dat er géén MER wordt opgesteld, tenzij er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Het uitgangspunt is dus: 'Nee, tenzij....' De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). Bijlage III noemt drie hoofdthema's: 1. 2. 3.
de kenmerken van de activiteit (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); de plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).
Dit bestemmingsplan voorziet in de functieverandering van agrarisch naar natuur al dan niet met recreatieve functies. De kenmerken van de activiteit, zoals genoemd onder punt 1, zijn reeds behandeld in Hoofdstuk 2. De plaats van de activiteit en de kenmerken van het potentiële effect worden in deze paragraaf behandeld. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de gevoelige
46
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
gebieden, in dit geval Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur), Natura 2000 en landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Het plangebied is in de huidige situatie voor het merendeel in gebruik als agrarische grond. Ter hoogte van Spijkweg 9 staat bos. Door de komst van dit initiatief is sprake van een wijziging van het bestaande grondgebruik. Het genoemde onder het tweede aandachtsstreepje is in dit geval niet aan de orde. De nieuwe inrichting van het gebied heeft geen effect op natuurlijke hulpbronnen, zoals mineralen, ertsen, fossiele brandstoffen. Wat betreft het genoemde onder het derde aandachtsstreepje ligt het plangebied voor het grootste deel niet in het NNN of een Natura 2000-gebied. Ter hoogte van Spijkweg 9 ligt een klein deel van het plangebied in NNN (Spijkbos). Voor het grootste deel van het plangebied is duidelijk dat met de voorgenomen werkzaamheden geen negatieve effecten worden verwacht op de waarden en kenmerken van de NNN. Wel zal zo nodig een melding in het kader van stikstof worden ingediend. Voor meer informatie wordt verwezen naar de onderstaande tabel.
Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële effecten van het project wordt voor zover relevant gekeken naar: het bereik van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de autonome ontwikkelingen. De mogelijke milieueffecten worden indien aan de orde aan de hand van de verschillende relevante thema's beschreven. Voor de voorliggende m.e.r.-beoordeling zijn autonome ontwikkelingen niet bekend. De referentiesituatie is dan ook overeenkomstig de bestaande situatie. Vanwege de aard van de ingreep wordt nader aandacht besteed aan de potentiële (milieu)effecten die kunnen optreden op water, bodem, archeologie, geluid, verkeer, luchtkwaliteit, externe veiligheid en natuur in onderstaande tabel. In die tabel is per milieuaspect aangegeven welke invloed het initiatief heeft. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar voorgaande paragrafen. Aspect
Invloed functieverandering
Water
Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling wordt voldoende ruimte gereserveerd voor watercompensatie en retentie. Zodoende is geen sprake van belangrijke nadelige effecten voor het aspect water. Zie hiervoor paragraaf 4.7 (Water).
Bodem
Ten behoeve van de ontwikkeling is geen nader onderzoek naar de bodem noodzakelijk.
Archeologie
Op basis van de geplande omvang en diepte van de ingrepen zijn beide deelgebieden onderzoeksplichtig. Om die reden is archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 8 (Archeologisch onderzoek) bijgevoegd. Zodoende is geen sprake van belangrijke nadelige effecten voor het aspect archeologie.
Geluid
Het initiatief betreft geen realisatie van een geluidgevoelige functie. Een akoestisch onderzoek kan achterwege blijven.
Verkeer
Er is een minimale toename in verkeer te verwachten. Parkeren wordt op een goede manier opgelost op eigen terrein.
Luchtkwaliteit
De ruimtelijke ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Externe veiligheid
Er zijn risicocontouren op of nabij het plangebied. Deze vormen geen belemmering voor deze ontwikkeling.
47
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
Natuur - Flora en fauna
Voor het merendeel van het plangebied spelen geen (significant) negatieve effecten voor soorten- en gebiedsbescherming. Uit het nadere onderzoek voor vleermuis komt naar voren dat door uitvoering van de plannen één balts-/paarverblijfplaats van Gewone dwergvleermuis verloren zal gaan. Voorafgaand aan de kap van de bomen dient daarom een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verkregen bij het bevoegd gezag (provincie Flevoland).
Natuur - beschermde gebieden Uit het effectonderzoek NNN komt naar voren dat door het onttrekken van het plangebied aan het NNN, de wezenlijke waarden van NNN-gebied Het Spijk niet zullen worden aangetast. Compensatie van het te kappen bos en tevens NNN-gebied vindt aansluitend ten noorden van het bestaande bosgebied Het Spijk plaats. Verder is geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming met het oog op stikstof nodig, blijkt uit de stikstofberekening. Zodoende is geen sprake van belangrijke nadelige effecten voor het aspect ecologie wat betreft beschermde gebieden. Conclusie Uitgangspunt is dat de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen zal hebben en dat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving. Op basis van het bovenstaande hoeft naar het oordeel van het bevoegd gezag voor dit project geen m.e.r.(beoordelings)procedure te worden doorlopen. Voor zover sprake kan zijn van negatieve effecten op het milieu, worden voldoende waarborgen opgenomen in het bestemmingsplan om dit te voorkomen.
48
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
Hoofdstuk 5
Juridische toelichting
In voorgaande hoofdstukken zijn de uitgangspunten voor de ruimtelijke situatie in het plangebied aangegeven. Deze uitgangspunten zijn getoetst aan de milieu- en omgevingsaspecten en het beleid. In dit hoofdstuk worden de bestemmingen en de bijbehorende regels beschreven.
5.1
Uitgangspunt
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) 2012, waar de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) deel van uit maakt. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare manier zijn opgebouwd en op dezelfde manier worden verbeeld. De SVBP is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsbepalingen van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Het Bro bepaalt dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting. Deze toelichting heeft echter geen juridische status, maar is wel belangrijk als het gaat om de onderbouwing van hetgeen dat in het bestemmingsplan is geregeld en om de uitleg daarvan.
5.2
Bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de bestemmingen die in dit plan voorkomen. Net als in de planregels zijn de bestemmingen op alfabetische volgorde geplaatst. 5.2.1
Agrarisch
Een deel van de gronden gelegen aan Spijkweg 9 zijn bestemd als Agrarisch. De gronden zijn bestemd voor het agrarisch grondgebruik. Op de gronden die op de verbeelding zijn aangeduid als 'rijbak' mag een paardenbak worden gebouwd. De voorzijde van het erf is aangeduid als 'groen'. Ter plaatse van deze aanduiding dient een erfsingelbeplanting te zijn aangelegd en in stand worden gehouden. 5.2.2
Bedrijf
Het perceel aan Spijkweg 9 is bestemd als Bedrijf. Deze gronden zijn bestemd voor een hoveniersbedrijf, botenonderhoud, -opslag, -stalling en -afhaal met ondergeschikte detailhandel en handelsbemiddeling en agrarische activiteiten. Ook is ondergeschikte opslag en stalling van niet-agrarische producten toegestaan. Binnen de bestemming bedraagt de maximale oppervlakte van bedrijfsgebouwen en overkappingen 4.500 m2 . De afstand van alle bebouwing tot de naar de weg gekeerde grenzen moet 15 meter zijn. Verder geldt dat gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen het opgenomen bouwvlak zijn toegestaan. Tot slot bevat de bestemming 'Bedrijf' ook een voorwaardelijke verplichting. Deze voorwaardelijke verplichting (lid 4.4.2) luidt: "De ingebruikneming van de in het inrichtingsplan (Bijlage 2 bij deze regels) weergegeven driehoek met de letters A en D of het grijze vak met de aanduiding B is uitsluitend toegestaan indien binnen drie jaar na ingebruikneming van die gronden een 6,00 m brede erfsingelbeplanting wordt aangelegd ter plaatse van de gronden aangeduid met 'E. Houtsingel' conform het inrichtingsplan in Bijlage 2 (Inrichtingsplan 'Spijkweg 9') bij deze regels. Deze erfsingel dient vervolgens in stand te worden gehouden." Dit bestemmingsplan maakt op een tweetal locaties de bestemming 'Bedrijf' nieuw mogelijk.
Het betreft de locaties die in het inrichtingsplan (dat als Bijlage 2 bij deze regels is gevoegd) zijn aangeduid met de letters A en D of het grijze vlak met de aanduiding B. Voor die locaties geldt dat deze gronden pas mogen worden
49
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
gebruikt indien erfsingelbeplanting is aangelegd. Deze erfsingelbeplanting is op een specifieke plek beoogt: daar waar in het inrichtingsplan (dat als Bijlage 2 bij deze regels is gevoegd) een houtwal is voorzien. Deze houtwal is in het inrichtingsplan voorzien van de aanduiding 'E. Houtsingel'. Op die locatie moet 6,00 meter brede erfsingelbeplanting worden aangelegd. Deze beplanting moet binnen drie jaar worden aangelegd en vervolgens ook in stand worden gehouden, ook na die drie jaar. 5.2.3
Bos
Het zuidelijke perceel aan Spijkweg krijgt de bestemming Bos. De gronden zijn primair bestemd voor bosbouw en voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden. Dagrecreatief en educatief medegebruik van de bossen wordt binnen deze bestemming toegestaan. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, toegestaan. 5.2.4
Natuur
De agrarische gronden behorende bij deelnemers van Stobbenweg 6, 8 en 18 die worden ingezet voor natuur worden bestemd als Natuur. Ook de erfuitbreiding bij Stobbenweg 6 (perceel IIB) wordt bestemd als Natuur, evenals de twee kavels ten westen van de boslob (percelen IVA en VB) aan de Stobbenweg. Daarnaast worden de noordelijke twee percelen van het plangebied aan de Spijkweg bestemd als Natuur. Het primaire doel binnen de bestemming is het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden van de verschillende gebieden. Verblijfsrecreatie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' op het perceel IIB bij de Stobbenweg 6. Om te verzekeren dat de percelen worden ingericht conform de beheertypenkaarten zijn daarvoor in de specifieke gebruiksregels voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Ook is er een aanduiding 'specifieke vorm van natuur - landschapskunstwerk' opgenomen ten behoeve van de realisatie van een landschapskunstwerk. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van een toiletgebouw en trekkershutten ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie'. Door middel van een binnenplanse afwijking is nog een uitzondering voor bebouwing opgenomen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - beheerschuur inclusief bijenstal".
Deze beheerschuur inclusief bijenstal is bedoeld voor beperkte ruimte voor opslag handgereedschap, instructieruimte voor groepen, workshops en educatie en informatiepunt voor het gebied. Binnen de bestemming is een op het natuur- en landschapsbeheer afgestemd ondergeschikt agrarisch gebruik toegestaan. Om te voorkomen dat de waarden van de natuurgebieden worden verstoord, is een aantal activiteiten gebonden aan een omgevingsvergunning en is een aantal gebruiksverboden opgenomen. De buitenzijde van het erf (vergroting) bij Stobbenweg 6 (perceel IIB) is aangeduid als 'groen'. Ter plaatse van deze aanduiding dient een erfsingelbeplanting te zijn aangelegd en in stand worden gehouden. 5.2.5
Leiding - Gas
Deze bestemming ligt in het noordelijke deel van het plangebied bij de Stobbenweg. De op de verbeelding voor ‘Leiding - Gas’ aangewezen gronden zijn, naast de basisbestemmingen, voor het op de verbeelding aangegeven aantal meters aan weerszijden van de as van de op de verbeelding aangegeven strook, tevens bestemd voor een hoofdgastransportleiding. Binnen een zone van vijf meter ter weerszijden van de as van de leidingen mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen (bebouwingsvrije en/of veiligheidszone). Voor het uitvoeren van werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen is een omgevingsvergunning noodzakelijk.
50
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
5.2.6
Archeologische dubbelbestemmingen
Een groot deel van het plangebied heeft een archeologische dubbelbestemming. Voor deze gronden geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud en de bescherming van mogelijk te verwachten archeologische waarden. Afhankelijk van de oppervlakte van bouwwerken moet een archeologisch rapport worden overgelegd alvorens de omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend. Daarnaast geldt voor een aantal werken een vergunningplicht. Tot slot wordt opgemerkt dat het verrichte onderzoek, dat is opgenomen als Bijlage 8 (Archeologisch onderzoek) bij deze toelichting, als basis kan dienen voor aanvragen van omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van de inrichtingswerkzaamheden waarbij de grond geroerd wordt.
5.3
Algemene regels
Het bestemmingsplan omvat algemene regels, te weten een anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels. De anti-dubbeltelbepaling houdt in dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, dan blijft die grond bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. De algemene bouwregels geven regels over het overschrijden van de bouwgrenzen. Onder de algemene gebruiksregels wordt strijdig gebruik vastgelegd. In de algemene aanduidingsregels zijn regels opgenomen voor gronden gelegen ter plaatse van de aanduidingen 'geluidzone - weg' en 'vrijwaringszone - dijk'. De algemene afwijkingsregels geven aan op welke manier met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden.
5.4
Overgangs- en slotregels
In het bestemmingsplan zijn overgangs- en slotregels opgenomen. Het overgangsrecht is gericht op bouwwerken die ooit met een bouwvergunning, melding of een omgevingsvergunning zijn gebouwd, of een gebruik dat ooit is toegestaan, maar dat nu, vanwege een bestemmings- of beleidswijziging onder het overgangsrecht zijn gebracht. Ook tientallen jaren aanwezige bouwwerken, die niet met een vergunning zijn gebouwd, of langdurig aanwezig gebruikt worden met het overgangsrecht beschermd. Het overgangsrecht is er op gericht dat deze bouwwerken uiteindelijk zullen verdwijnen of het gebruik ervan wordt beëindigd, zodat de situatie in overeenstemming geraakt met de gegeven bestemming. In beginsel mogen de bouwwerken slechts in ondergeschikte mate gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is niet mogelijk om hiermee geheel of in stappen tot een nieuw bouwwerk te komen.
51
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
52
Nieuwe Natuur Oostkant Dronten (D5001)
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Op basis van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is er een grondslag voor het vaststellen van een exploitatieplan of het anderszins verhalen van kosten van de grondexploitatie. De gemeente Dronten is met de provincie Flevoland en Staatbosbeheer realisatieovereenkomst aangegaan waarin onder andere het kostenverhaal voor de aankoop en de realisatie van natuurgronden is geregeld. De gronden die nodig zijn voor de realisatie van de nieuwe natuur worden via de provincie Flevoland aan de betreffende partijen geleverd. Voor de inrichting van de percelen zijn middelen gereserveerd. Op basis van de uitwerking van technische ontwerpen met kostenramingen worden met de deelnemers uitvoeringsovereenkomsten afgesloten waarin wordt vastgelegd op welke wijze de nieuwe natuur wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg en inspraak voorontwerpbestemmingsplan Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Het plan is toegezonden aan de voor dit plan relevante vooroverlegpartners van de gemeente Dronten. Tevens is het voorontwerpbestemmingsplan voor de duur van zes weken voor inspraak ter inzage gelegd. Naar aanleiding daarvan is een reactienota opgesteld. Deze is als Bijlage 9 (Nota inspraak en vooroverleg bp NNOD (D5001) - Versie oktober 2020) bij deze toelichting bijgevoegd. Uit de reactie zijn een aantal wijzigingen voortgekomen. Ook zijn er een aantal ambtshalve wijzigen doorgevoerd. De betreffende wijzigingen staan in hoofdstuk 4 van de reactienota samengevat. Ontwerpbestemmingsplan Conform de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp van het bestemmingsplan gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Ingediende zienswijzen op het ontwerp zijn door de gemeente beoordeeld. De gemeente heeft naar aanleiding hiervan een nota zienswijze opgesteld, deze is opgenomen als Bijlage 10 (Nota zienswijzen - Versie januari 2021) bij deze toelichting.
Naar aanleiding van de zienswijzen zijn in de toelichting enkele zaken verduidelijkt, de planregels aangepast met het oog op de hoogte en plaatsing van een hekwerk (deelgebied Spijkweg) en is het aanduidingsvlak voor de beheerschuur verkleind. Daarnaast leidde nog enkele ambtshalve aanpassingen tot wijziging. Het plan is op basis van deze wijzigingen gewijzigd vastgesteld.
53