db3606f0-2510-44ed-bff4-b6d1a2069b86.pdf
Tekst van het document
Quick Scan Landschappelijke kwaliteit Oostelijk Flevoland
September 2022
Inleiding
5
De vormgeving van Oostelijk Flevoland De Wieringermeerpolder De Noordoostpolder Oostelijk Flevoland Het landschappelijke resultaat Kavels en ontsluiting De erven en hun bebouwing Erfbeplanting en windsingels De huidige situatie
6 6 7 9 11 13 16 18 19
Kwaliteit van de polder op hoofdlijnen De contouren van de polder en de kwaliteit van de randmeren Een fijnmazig netwerk van wegen, tochten, vaarten en kavels Groene eilanden in een zee van ruimte Fruitteeltgebieden als inrichtingselement Natuurontwikkeling van het eerste uur
23 25 27 29 31 33
Kwaliteiten per deelgebied Zuidzijde Dronten Wegen, tochten, vaarten en kavels Fruitteeltgebieden Groene eilanden in een zee van ruimte Overige landschappelijke opmerkingen Oostzijde Dronten Wegen, tochten, vaarten en kavels Fruitteeltgebieden Groene eilanden in een zee van ruimte Overige landschappelijke opmerkingen Noordzijde Dronten Wegen, tochten, vaarten en kavels Fruitteeltgebieden Groene eilanden in een zee van ruimte Overige landschappelijke opmerkingen
35 37 37 37 37 37 39 39 39 39 39 41 41 41 41 41
Noordzijde Swifterbant Wegen, tochten, vaarten en kavels Groene eilanden in een zee van ruimte Overige landschappelijke opmerkingen Noordzijde Swifterbant - Ketelmeer Wegen, tochten, vaarten en kavels Groene eilanden in een zee van ruimte De Randmeren als aantrekkelijke grens tussen oud en nieuw Natuurontwikkeling van het eerste uur Overige landschappelijke opmerkingen Westzijde Reve- en Abbertbos Wegen, tochten, vaarten en kavels Groene eilanden in een zee van ruimte Overige landschappelijke opmerkingen Roggebotsluis Wegen, tochten, vaarten en kavels Groene eilanden in een zee van ruimte De Randmeren als aantrekkelijke grens tussen oud en nieuw Overige landschappelijke opmerkingen Noordzijde Biddinghuizen Wegen, tochten, vaarten en kavels Groene eilanden in een zee van ruimte Overige landschappelijke opmerkingen Veluwemeer Wegen, tochten, vaarten en kavels Groene eilanden in een zee van ruimte De Randmeren als aantrekkelijke grens tussen oud en nieuw Natuurontwikkeling van het eerste uur Overige landschappelijke opmerkingen
43 43 43 43 45 45 45 45 45 45 47 47 47 47 49 49 49 49 49 51 51 51 51 53 53 53 53 53 53
Bijlagen Sortiment erfbeplantingen
55 56
Bronnen
58
Colofon
59
Zoekgebieden
Inleiding We beginnen deze ‘landschappelijke quick-scan’ met een korte beschrijving van de polders die Oostelijk Flevoland voor gingen. Daarmee kunnen we het ontwerp van Oostelijk Flevoland beter duiden. Dat doen we op verschillende schaalniveau’s. We gaan in op de landschapsstructuur en zoomen via de kavels en de ontsluiting verder in op de erven, hun bebouwing en de beplanting. De uitgebreide beplantingslijst die men hanteerde is als bijlage opgenomen.
Je gaat het pas zien als je het doorhebt’ is een veel gebruikte uitdrukking, geïntroduceerd door Johan Cruyff. Een uitdrukking die zeker ook van toepassing is op de polder. Want voor velen is de polder ‘het landschap van de grote maten’. Een landschap dat dermate robuust is dat we er eigenlijk alles kunnen oplossen wat we op het oude land moeilijk denken te kunnen oplossen. Er is ruimte voor de grootste windturbines die op land geplaatst worden. Grote datacentra lijken moeiteloos in dit landschap te passen. Voor de woningbouwopgave is er ruimte genoeg.
Het tweede deel gaat in op de landschappelijke kwaliteiten die we in de gemeente Dronten vinden. Vervolgens is per zoekgebied voor woningbouw aangegeven met welke kwaliteiten men in het betreffende zoekgebied rekening moet houden. We geven niet aan of kwaliteiten behouden moeten blijven of hoe er mee omgegaan kan worden. We willen de gemeente slechts wijzen op de kwaliteiten en geven, indien mogelijk, aan hoe er in de oorspronkelijke plannen mee om werd gegaan. Hoe we er in deze tijd mee om willen gaan is aan de gemeente en aan de ontwerpers van de stedenbouwkundige plannen.
Maar je gaat het pas zien als je het doorhebt. Het landschap van de Flevopolders is tot stand gekomen na wikken en wegen, na eindeloos discussiëren, na talloze inrichtingsschetsen. Een leeg canvas dat gevuld moest worden. Waar een maatschappij ontwikkeld moest worden en dat binnen enkele jaren moest functioneren als het oude land, dat voor deze ontwikkeling honderden jaren de tijd had. Waar wij nu ruimte zien voor grote distributiecentra, hadden de ontwerpers van het eerste uur moeite met het inpassen van een voor die tijd zeer grote ligboxenstal. ‘Het ontwerpen van de ligboxenstallen, die van 1968 op de weidebedrijven zijn gebouwd, is in de beginperiode een min of meer problematische aangelegenheid geweest. De ontwerpers vonden het toen moeilijk de grootschalige gebouwen een bevredigende vorm te geven.’ (boerderijen in de ijsselmeerpolders, intern rapport; Rijkswaterstaat directie Flevoland; 1988 – 37 cdb) De ontwerpers van het oorspronkelijke plan, zich zeer wel bewust van de maat en schaal van het landschap, ondervonden dus al problemen met het inpassen van een stal die naar, huidige maatstaven, ‘middelgroot’ is. Dat zegt iets over de zorgvuldigheid waarmee dit landschap ontworpen is. Iedere ingreep moet, ook hier, goed overdacht worden.
Om daar bij te helpen hebben wij geprobeerd de ontwerpgedachten bij het landschap van Oostelijk Flevoland, van de grote lijn tot het boerenerf, bij elkaar te brengen in deze beknopte biografie. Allicht zijn we zaken vergeten of zijn er andere inzichten. Laat deze rapportage dus een hulp zijn bij het vinden van de kwaliteiten van dit landschap. Maar blijf vooral ook zelf nieuwsgierig naar het ‘waarom’ van soms schijnbaar willekeurige structuren en schijnbaar toevallig geplaatste landschapselementen. Vaak zit er een gedachte achter.
5
Oostelijk Flevoland kan eigenlijk niet los gezien worden van de Wieringermeer en de Noordoostpolder. Wat betreft inrichting borduren de polders op elkaar voort. Telkens past de inrichting zich echter aan aan de nieuwste inzichten en de eisen en wensen ten tijde van de droogval. Belangrijk bij de landschapsontwikkeling in de polders is, naast veranderingen in de landbouwwereld, een toenemend besef van de waarde van natuur en biodiversiteit en nieuwe inzichten in sociologische, maatschappelijke en recreatieve aspecten. Natuurbeschermers zagen al in het begin van de 20e eeuw het belang van het behoud van waardevolle natuurgebieden en cultuurlandschappen. Ze voorzagen het ontstaan van een ‘cultuursteppe’ door bevolkingsgroei, toename van verkeer, intensivering in de landbouw en ontginning van woeste gronden door werkverschaffingsprojecten. Naast het behoud van bestaande natuurgebieden en cultuurlandschappen, waarvan men zelfs een inventarisatie maakte, richtte men zich ook op de ontwikkeling van nieuwe natuurgebieden en daarmee het ontwikkelen van ‘nieuwe schoonheid’. Dit speelde niet alleen in het ‘nieuwe land’, maar ook in het ‘oude land’. Het Amsterdamse Bos is hiervan een voorbeeld. Inspirator was Jac. P. Thijsse, die zich zorgen maakte over het groen rond de stad.
Toen men echter begon met de uitvoering van het uitgebreide plan om de Zuiderzee af te sluiten en (grote) delen hiervan in te polderen was er vanuit de hoek van de natuurbeschermers niet of nauwelijks kritiek. Waarschijnlijk kwam dat door het besef dat de toekomstige polders, met daarin volop ruimte voor nieuw landbouwareaal, van groot economisch belang waren. Bovendien raasde er in 1916 een zware storm over Nederland die de noodzaak voor een fatsoenlijke kustverdediging van de Zuiderzeekust duidelijk maakte. De Wieringermeerpolder In 1930 viel de Wieringermeer droog, nadat in 1927 met de aanleg van de polder was begonnen. Hoewel de hoofdreden voor de aanleg van de polder lag in de grote behoefte aan landbouwgrond, vond men de technische aspecten van de afsluiting net zo belangrijk, zo niet belangrijker dan de uiteindelijke inrichting. Er was maar beperkt aandacht voor wonen, werken, verkeer en ontspanning in de toekomstige polder. Van geïntegreerde plannen, waar al deze aspecten onderdeel van zouden kunnen zijn, Plan-Lely, 1891
6
De vormgeving van oostelijk Flevoland was nauwelijks sprake. De Directie van de Wieringermeer, verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de nieuwe polders waarvan de Wieringermeer de eerste was, wees de gedachte dat een deel van de grond een andere functie dan landbouw zou krijgen van de hand.
had weinig terecht was gekomen. De polder begon gevaarlijk te lijken op de ‘cultuursteppe’ waarvoor men in het begin van de 20e eeuw zo bang was. Aan het einde van de Tweede wereldoorlog werd de dijk van de Wieringermeerpolder met explosieven opgeblazen, waarna de polder vol liep. Toen de polder na de oorlog opnieuw droog viel zagen natuurbeschermers daarin een kans om de bij de aanleg aangegeven wensen alsnog te verwezenlijken. De verwachting was immers dat de polder geheel opnieuw moest worden ingericht. Men vroeg een gesprek aan met de verantwoordelijken en legde de landschappelijke wensen van de natuurbeschermers voor. In het bijzonder hoopte men op een betere ligging van de bossen ten opzichte van de woonkernen. Al snel bleek echter dat de civieltechnische infrastructuur van de polder, tot de drainage aan toe, grotendeels in tact was gebleven. Men kon de polder reconstrueren naar de oorspronkelijke staat. De funderingen van boerderijen konden zelfs hergebruikt worden om de boerderijen volgens de oorspronkelijke bouwtekeningen te herbouwen. Opnieuw werden de wensen van de natuurbeschermers dus niet ingewilligd.
De landbouwkundigen ontwikkelden op basis van het waterbouwkundige stramien een rationeel ingericht productiegebied met het hoogste rendement, een monofunctioneel landschap waarvan elke vierkante meter ten dienste stond van het agrarische grootbedrijf (Hemel, Z.; Het landschap van de IJsselmeerpolders, planning, inrichting en vormgeving, 1994). Veel leidende figuren binnen de Directie van de Wieringermeer hadden een Wageningse, landbouwkundige achtergrond. Hun beeld van het ideale platteland konden zij in de Wieringermeer verwezenlijken. Ten aanzien van de te bouwen boerderijen gold dat men hier moest komen tot een nieuw type boerderij. Boerderijen in verschillende streken van ons land werden voornamelijk volgens streekeigen tradities gebouwd en konden, ook bij gelijke bedrijfsgroottes, sterk van elkaar verschillen. Uiteindelijk zijn er in de Wieringermeer boerderijtypen ontstaan met een geheel eigen, karakteristieke stijl. Voor de bouw van deze boerderijen zijn diverse nieuwe materialen, werkmethoden en constructies ontwikkeld die later ook elders zijn toegepast. Vanuit natuurbeschermingszijde was er geen kritiek op de aanleg van de polder. Men vroeg wel aandacht voor natuur en landschap in de toekomstige polder. Er werd gevraagd om natuuren ontspanningsruimte en royale dorps-, erf- en wegbeplanting.
Rond 1940 constateerde men echter dat van de wensen die men bij de aanleg ten aanzien van natuur en landschap
De Noordoostpolder Bij de inrichting van de Noordoostpolder was er meer aandacht voor zaken die niet meteen een landbouwkundig belang hadden, hoewel landbouw nog steeds het belangrijkste aspect was. Bij de aanleg van dorpen ging men uit van één centraal dorp, Emmeloord, dat een verzorgende functie voor de hele polder had.
Structuurplan IJsselmeerpolders, 1961
Verkavelingsplan Wieringermeerpolder, 1929
7
In een schil hier omheen werden tien satellietdorpen gesticht. Deze opzet volgt de theorie van de centrale plaatsen van de Duitse geograaf Walter Christaller. De verschillende plaatsen liggen op fietsafstand van elkaar. Dit moest contacten tussen inwoners uit verschillende dorpen ten goede komen, maar maakte het voor landarbeiders ook mogelijk om in het dorp te wonen in plaats van in een dienstwoning op het erf. Urk, voor de inpoldering een eiland, bleef bij de inrichting van de polder buiten beschouwing en werd zo veel mogelijk buiten de planvorming gehouden. Emmeloord lag, als centrale plaats, op het kruispunt van wegen tussen Kampen en Lemmer en tussen Urk en Vollenhove met een afsplitsing naar Blokzijl en een drietal kanalen.
en ook in het noordwesten van de polder was de bodem zo geschikt voor landbouw dat hier niet aan beplanting met bos gedacht kon worden. Men besloot dus om ook het assenkruis van wegen zwaar in de beplanting te zetten, waarmee het open middengebied gecompartimenteerd werd. Verdere verfijning werd verkregen door het aanplanten van ‘dorpsbossen’ rondom de woonkernen en singels rondom de boerderijen. Voor het noordwestelijke deel van de Noordoostpolder bedacht men een windschermzone van noord naar zuid van ongeveer vijf kilometer lang en anderhalve kilometer breed. Haaks daarop zou de weg van Emmeloord naar Espel zwaar beplant worden. Zo zou ook dit deel van de polder gecompartimenteerd worden zonder dat het ten koste zou gaan van waardevolle landbouwgrond.
Bij de inrichting van de Noordoostpolder realiseerde men zich dat in een nieuw, leeg landschap met deze afmetingen de ruimte maat, schaal en richting moest krijgen. De kans die men in de Wieringermeerpolder na de oorlog niet kreeg, probeerde men nu in de Noordoostpolder wel te pakken.
Hoewel de Duitsers tijdens de oorlog geen toestemming gaven voor de uitgifte van bedrijven, zagen ze wel de meerwaarde van de polder voor de voedselproductie. Er kwam dus wel toestemming voor de ontwikkeling van een aantal bedrijven voor de ontginning en exploitatie van de polder. Men koos ervoor om hier boerderijen te ontwikkelen die later in pacht uitgegeven zouden kunnen worden en maakte gebruik van de ontwerpen van de grotere boerderijtypen in de Wieringermeer. Omdat de ontginning van de Noordoostpolder in het oosten begon, zijn deze boerderijen, de zogenaamde ontginningsboerderijen, daar te vinden.
Met betrekking tot de boerderijen speelde de tijd waarin de Noordoostpolder droog viel een grote rol. Kort na de oorlog was er een grote schaarste aan bouwmaterialen. Bovendien was men overal in het land bezig met de wederopbouw na de oorlog, waardoor de arbeidskrachten schaars waren. Arbeiders werkten bovendien liever in hun eigen omgeving, waar voldoende werk was, dan dat ze naar de grote, lege en net droge polder kwamen om te werken. Tot slot speelde nog mee dat men in zag dat het werk steeds meer gemechaniseerd zou worden. Men zag met name de opkomst van maaidorsmachines en tractoren.
De voormalige eilanden Urk en Schokland, de dijken, te ontwikkelen dorpen, reeksen boerderijen en lijnvormige elementen als wegen, vaarten en tochten achtte men niet krachtig genoeg om de enorme ruimte van de nieuwe polder klein te krijgen. Men besloot daarom om op voor de landbouw ongeschikte gronden bos aan te planten. Aanplant van bos op voor de landbouw wel geschikte gronden was nog een brug te ver. Zo ontstonden een viertal boscomplexen van formaat langs de randen van de polder en enkele kleinere bosaccenten, bijvoorbeeld op plaatsen waar kwel op trad. Het middendeel van de polder bleef daarmee echter nog ongedeeld en open
Na de oorlog ging men op zoek naar goedkope materialen en goedkope manieren om de boerderijen te kunnen bouwen. Men maakte hierbij gebruik van de kennis die in de Wieringermeer met seriematige bouw was opgedaan. Voor de grotere bedrijven, groter dan 24 hectare, kwam men tot de conclusie dat montagebouw met
Verkavelinsplan Noordostpolder, Cornelis van Eesteren, 1948
8
betonnen wandelementen, houten spanten en pasklare overige onderdelen mogelijk was. De firma Schokbeton werd geselecteerd om de betonnen wandelementen te produceren. Omdat gekozen werd voor een montagebouwsysteem kwam de woning los van de schuur te staan. In tegenstelling tot de schuren werden voor de woning wel traditionele bouwmaterialen gebruikt. Voor de kleinere bedrijven achtte men een scheiding van woning en schuur, ook uit architectonisch oogpunt, niet gewenst. Bovendien was de toepassing van montagebouw voor de kleine bedrijven financieel niet haalbaar.
opgevat. Daarbij was er aandacht voor zowel agrarische productieruimte als een aantrekkelijke woon- en werkomgeving. Reeds in de jaren zestig van de vorige eeuw waren de grote lijnen van het te realiseren landschapsbeeld vastgelegd. Daarna volgden de, soms door deskundigen zwaarbevochten uitwerkingen. De beplantingen in Oostelijk Flevoland brengen, veel nadrukkelijker dan in de vorige polders, de eenheid van het gebied tot uiting. Onder andere doordat het areaal agrarische productiegrond zoveel mogelijk open is gehouden en de hoofdstructuur van de polder, bestaande uit kanalen en hoofdwegen en de polderranden met beplantingen werden geaccentueerd.
Men ging er van uit dat de maaidorser in de polder vaker en meer gebruikt zou gaan worden. De opslag voor gewas, de ‘tasruimte’, kon dus kleiner worden dan bij de boerderijen in de Wieringermeer. Bovendien werd er in het bouwplan rekening gehouden met een stalling voor de tractor naast ruimte voor één of meerdere paarden.
Dudok, als stedenbouwkundige betrokken bij de Zuiderzeewerken, formuleerde reeds in 1940 de wens om bosgordels aan te leggen in het nieuwe land. Het idee van de bosgordels was geïnspireerd op Amerikaanse Parkways, hoofdverkeerswegen die door bosstroken werden begeleid. Deze bosstroken konden ‘de illusie van eindeloosheid wekken zodat de mensch er zich in verliezen kan’. Dudok streefde hiermee naar een synthese tussen de ‘rationele ingenieursarbeid’ en ‘bredere humane overwegingen’ waarin de schoonheidsdrang aan de dag treedt. ‘Een land van deze geweldige omvang mag niet een te eenzijdig agrarisch polderkarakter dragen. Hier moeten veelzijdige en harmonische landschappelijke kwaliteiten worden gewekt.’ Voor de kwaliteiten achtte Dudok een goede groendistributie cruciaal: ‘Het conflict tussen het grillige beloop der bestaande kust en de strakke bedijking ter overzijde wordt verzacht door het Boschsilhouet.’
Rondom de erven werden windsingels aangeplant. Anders dan hun naam doet vermoeden hadden deze singels niet alleen tot doel om luwte te creëren. De ontwerpers van de polder zetten deze singels ook bewust in om de polder maat en schaal te geven en om de erven op te laten gaan in het landschap. Oostelijk Flevoland De polder die volgde op de Noordoostpolder was Oostelijk Flevoland. Aanvankelijk was dit een op zichzelf staande polder. Pas later werd Zuidelijk Flevoland er tegenaan gelegd. Een uitbreiding die overigens van begin af aan gepland was. Ten opzichte van de vorige polder ging het hier niet langer alleen maar om het realiseren van landbouwgrond. Veel meer werd de polder als een multifunctioneel landschap Schokbetonnen schuur, 1949 (Foto J. Potuyt, collectie RIJP)
Bosgordels van Dudok, 1943
9
In de publicatie ‘De opbouw van het landschap der Zuiderzeepolders’ werd omschreven hoe, met het scheppen van een nieuwe provincie, een landschap met een eigen karakter kon worden opgebouwd. Door de centrale ligging en uitgestrektheid van de polder zou een volwaardige en karakteristieke provincie van Nederland moeten ontstaan. Daarvoor zou aan de landschappelijke en stedenbouwkundige belangen evenveel aandacht moeten worden geschonken als aan de waterbouwkundige en agrarische belangen. Technische volmaaktheid zou dus gepaard mogen gaan aan esthetische tekortkomingen. Er moest een synthese van nut en schoonheid tot stand komen.
(minimaal 16 meter, maximaal 30 meter) als bijzonder bevredigend aangemerkt. Wat betreft de beplanting van wegen werd een pleidooi gehouden voor voldoende variatie. Tenslotte werd gewezen op de toenemende behoefte aan rijwiel- en wandelpaden vooral voor de recreanten. Het water in de polder wilde men niet alleen benutten voor scheepvaart en waterbeheersing, maar ook voor recreatieve doeleinden. Er werd aangedrongen op vergroting van wateroppervlakten nabij dorpen, minder steile taluds langs watergangen en wegen, afwisselende beplanting langs de waterlopen en het aanbrengen van faciliteiten voor zwemmers en andere watersporters.
Er werd een speciale ‘Werkgroep voor het landschap van de Zuiderzeepolders’ opgericht. Deze werkgroep zag in bos het machtigste middel voor de landschappelijke opbouw van het nieuwe land. En in tegenstelling tot de eerdere polders zou het bos zich niet mogen beperken tot de slechtste gronden in de polder. Voortbordurend op de ideeën van Dudok werd er gedacht aan een systeem van bosgordels om zo de eindeloosheid van de polders visueel te breken en plaatselijk tot een kleiner, menselijker schaal terug te brengen. De bosstroken zouden, naast houtproductie en windbreking, ook andere functies kunnen vervullen. Zo werd het belang voor de natuur benoemd. Ook zouden de nieuwe bossen moeten voorzien in de nationale recreatiebehoefte. Daarbij werd met name gedacht aan inwoners van bosarme streken in Noord-Holland.
Ten aanzien van de verkaveling gaf de werkgroep de inrichters in overweging niet uit te gaan van één maar meerdere standaardtypen. Deze typen zouden gekoppeld moeten worden aan de grondsoort en bedrijfsvorm. Ook zette de werkroep vraagtekens bij de rechtlijnigheid van de infrastructuur in de polder: ‘Ten aanzien van de rechtlijnigheid der wegen zouden wij willen opmerken dat wij geenszins de monumentaliteit van de strakke lijn en het plechtige ritme van de steeds terugkerende kavels willen verwerpen als een basis waarop een prachtig landschap kan ontstaan. Wij geloven echter, dat deze monumentaliteit tot eentonigheid wordt, wanneer zij zich over al te grote gebieden uitstrekt en wanneer het menselijke element der afwisseling daaraan vreemd is. Zeker in grote lijnen zal het daarom wenselijk zijn om de strakke rechtlijnigheid te sublimeren tot een fraaie gebroken of gebogen lijn.’
Overigens was niet iedereen het eens met de gedachte om ook op landbouwkundig geschikte gronden bos aan te planten. Bijhouwer, een bekende landschapsarchitect die ook betrokken was bij de inrichting van de Wieringermeerpolder en de Noordoostpolder, was niet zo bang dat de nieuwe polder de menselijke maat en schaal zou overstijgen. In ieder geval achtte hij het niet noodzakelijk om grootschalig bos aan te planten: de voorgestelde bosgordels noemde hij ‘irrationeel’ en voortgekomen uit ‘vormwil’. Hij zag meer in de herhaling van coulissen, die konden ontstaan door wegbeplantingen en beplantingen van boerenerven. Overigens had de werkgroep ook aandacht voor de natte en droge infrastructuur. Ten aanzien van de groenvoorziening langs de wegen werd de nadruk gelegd op een voldoende breed wegprofiel. Hierbij werden de profielen van de Wieringermeer
Landschapsplan Staatsbosbeheer, 1960
10
Wat betreft de dorpen werd een lans gebroken voor een geleidelijke overgang van dorp naar open land door enkele boerderijen op te nemen in de rand van de dorpsbebouwing. Veel aandacht zou er moeten worden besteed aan recreatie in de vorm van wandelbosjes, sportvelden, schooltuinen en plantsoenen. De dorpsbeplanting diende te passen bij het karakter van het dorp en zou moeten bijdragen aan het silhouet van de nederzetting. Overigens had Bijhouwer een soortgelijke gedachtegang waar het ging over boerderijen nabij de dorpen. Door kleinere landbouwbedrijven rondom de dorpen te concentreren kon daar, volgens hem, een fijner wegennetwerk, een kleinschaliger verkaveling en een forsere beplanting ter versterking hiervan tot stand komen. Voor de randmeren werd vanuit recreatief oogpunt gepleit voor de aanleg van voorlanden voor de dijken en het opspuiten van eilandjes. ‘Maar bovenal zou men polder en randmeer en oude land tot een landschappelijk fraai geheel moeten verenigen. Het landschappelijke resultaat Het landschap in Oostelijk Flevoland ziet er uiteindelijk toch anders uit. Het idee van de brede bosgordels is goeddeels verlaten, mede door toedoen van Staatsbosbeheer. Deze dienst publiceerde in 1961 een nota over de achtergronden van het polderlandschap.
Hierin is opgetekend dat het bij landschapsvorming gaat om het ‘gestalte geven aan een evenwichtige levensgemeenschap, een ‘biotoop’, waarin het geestelijk en stoffelijk welzijn van de dominante mens, in gezonde verhouding staat tot zijn milieu. Het is duidelijk dat een bezinning op de
Goedgekeurd verkavelingsplan, 1956
Landschap als organisatie, 1961
11
voorwaarden en prognose van dit milieu, essentieel is bij de inrichting van een nieuwe polder. Zulk een bezinning is het doel in deze nota.’ (Van Eesteren – archief, in: Hemel, Z., Het landschap van de IJsselmeerpolders, 1994). Op basis van de menselijke invloed op een zuiver natuurlandschap (natuurlandschap – rijk cultuurlandschap – modern cultuurlandschap – rein cultuurlandschap), de ligging van de nieuwe polder ten opzichte van plantengeografische districten, de ligging ten opzichte van trekvogelroutes en de ‘mogelijkheden tot volwaardige landschapsopbouw’ komt men tot een nieuwe inrichting en opbouw van het polderlandschap. Hierin onderkent men de waarde van forse boscomplexen, maar ziet men ook het belang van wateren weidevogelreservaten. Verder claimt men, op basis van de plantengeografische districten, een passende beplanting van erven, dorpsbossen en fruitteeltgebieden. In het polderlandschap wordt zo al vroeg gedaan aan ‘natuurbouw’. Een voorbeeld hiervan is de vogelrustplaats Kamperhoek, een oorspronkelijk zanddepot. Daarna is het ecologisch reservaat Ellerslenk tot stand gekomen aan de Bremerbergdijk. Aan het einde van de jaren zestig kwamen de Kievitslanden tot stand met als doel om broedgelegenheid voor weidevogels te scheppen. Nabij het Larserbos werd het heggenlandschap van de Wildwallen ingericht.
Doel was onder meer het bewaren van het typische karakter van een aantal Nederlandse heggen en het onderzoek naar toepassingsmogelijkheden elders in de polder. Het Harderbroek is in 1973 aangelegd op een voormalig zanddepot. Dit kan gezien worden als een proeftuin voor de Oostvaardersplassen. De Burchtkamp had tot doel broed- en voedselmogelijkheden te scheppen voor verschillende soorten Kiekendieven. Tot slot is Natuurpark Lelystad aangelegd. Doel van het park is de instandhouding van een parkachtig landschap waarin dieren in een zo natuurlijk mogelijke omgeving worden ondergebracht met educatief, recreatief en natuurwetenschappelijk oogmerk. In tegenstelling tot de kleinschalige opbouw van de Noordoostpolder wordt het uiteindelijke landschap in Oostelijk Flevoland bepaald door een aantal krachtig aangezette hoofdlijnen. Deze hoofdlijnen worden gevormd door de bosstrook langs de Randmeren en de laanbeplanting langs de hoofdwegen. Deze monumentale lanen, met een wegprofiel van 25 meter, kaderen ruimten in die variëren van drie tot zes kilometer. Daarmee wordt het ruimte-ideaal dat de ontwerpers voor de nieuwe Groenplan behorende bij het verkavelingsplan, 1956
12
polders voor ogen stond in Oostelijk Flevoland het dichtst benaderd. Dit ideaal is door Piet Kelder als volgt verwoord: ‘vanuit de beschutting van een laan uitkijken over een weidse ruimte, die toch meetbaar is door de bosrand aan de horizon’. De boerenerven liggen niet langs de hoofdwegen, maar consequent in clusters langs de onbeplante polderwegen. Door de erven in een aantal gevallen ook schuin tegenover elkaar te plaatsen, ontstaat een veel ruimer, luchtiger beeld dan in de Noordoostpolder. De erven zijn van verre zichtbaar, als groene eilanden in het lege land.
Kavels en ontsluiting Meer dan in de eerdere polders concentreerde men zich in Oostelijk Flevoland in eerste instantie op de grote structuren: de ligging van de dorpen, de ligging van primaire, secundaire en tertiaire wegen en de geleding door middel van bos, singels, fruitteeltbedrijven en wegbeplantingen. Landbouw was belangrijk, maar voerde niet de boventoon. Bij de Wieringermeer ging men nog uit van de aan- en afvoer van producten via weg en water: alle kavels waren aan de voorzijde ontsloten op de weg, terwijl de achterzijde altijd aan een bevaarbare tocht grensde. Als experiment werden ook enkele alternatieve, zogenaamde ‘Mansholtkavels’ ingericht. Deze kavels waren zelfs aan drie zijden ontsloten via water. In Oostelijk Flevoland heeft men het principe van ontsluiting over water losgelaten, aangezien dit een minder hoge vlucht nam dan aanvankelijk gedacht. Wel moest men het aanvankelijke verkavelingsplan een aantal keren aanpassen vanwege de razendsnelle ontwikkelingen in de landbouw die invloed hadden op de inrichting. Zo was er door de toenemende mechanisatie een wens voor grotere kavels dan in de Wieringermeer en de Noordoostpolder. Als uitgangspunt nam men kavels van
Het landschapsconcept van Oostelijk Flevoland blijkt een grote mate van flexibiliteit te hebben, doordat het landschappelijk raamwerk is losgekoppeld van het landbouwkundig gebruik: cascoplanning avant la lettre. De beplantingssingels rond de erven vormen de enige overlap met het agrarisch gebruik.
Zonering van de polder door fruitteeltgebieden (midden) , dorpsbossen en boscomplexen (oost en west)
13
wegenstelsel en de aanvaardbare afstand tussen kernen onderling en de grootte van het verzorgingsgebied van een kern. Omdat het stelsel van polderwegen nauw samenhing met de dorpen, betekende een vermindering van het aantal dorpen een aanpassing van het totaalplan. In dit totaalplan werden een aantal primaire wegen ontwikkeld die de nieuwe polder met de omgeving verbonden en die pasten in het nationale wegenstelsel. Een stelsel van secundaire wegen zorgde voor verbindingen tussen de belangrijkste kernen en de randgebieden. De hoofdverkeersverbindingen werden altijd om het dorpsgebied heen geleid, ze liepen er nooit doorheen. Landbouwbedrijven liggen alleen incidenteel langs de hoofdontsluitingswegen. Onderling zijn de polderdorpen verbonden met een tertiair wegenstelsel, terwijl een netwerk van polderwegen de verbinding vormt tussen de boerderijen en de dorpen. In fruitteeltgebieden zijn nog extra wegen aangelegd om de kavels te verdelen en ten behoeve van de ontsluiting van de fruitteeltbedrijven.
30 hectare: 300 x 1000 meter. De bedrijfsgroottes zijn op deze kavel aangepast: een halve, een hele of een veelvoud van 30 hectare. De toenemende mechanisatie had als effect dat er minder arbeidskrachten nodig waren in de landbouw. Daarmee kon dus ook het aantal te ontwikkelen dorpen worden teruggebracht van 10 in de eerste plannen naar 6 in de uiteindelijke plannen. Uiteindelijk zijn vier woonkernen gerealiseerd. Tot slot gingen de ontwikkelingen in de mobiliteit sneller dan verwacht. De fiets werd vervangen door de bromfiets en het gebruik van de auto nam veel sneller toe dan men aanvankelijk verwachtte. Dit alles had effect op het te ontwikkelen Landschaps- en recreatieplan, RIJP 1967
Eerste ontwerp voor Dronten, 1959
14
Totstandkoming van Oostelijk Flevoland Er is door de Dienst der Zuiderzeewerken een groot aantal verschillende wegprofielen, inclusief beplantingen, uitgewerkt. De wegbeplanting varieert van een dubbele bomenrij aan weerszijden van de weg, een vierdubbele rij aan één zijde tot een enkele rij met blokhaag. Het lijkt echter niet zodanig strak georganiseerd dat ieder type weg een standaardprofiel mee kreeg. Een tertiaire weg zal men echter niet snel beplant hebben met dubbele bomenrijen. Eerder lijkt men zich aan te hebben gepast aan de grotere lijnen die men had ontworpen. Zo lijkt de verbindingsweg tussen Lelystad en Dronten, die langs een bosgordel liep, maar aan één zijde te zijn voorzien van een dubbele rij laanbomen. De Biddingringweg daarentegen was tussen Dronten en Biddinghuizen wel voorzien van een dubbele rij laanbomen aan weerszijden van de weg. Voorbij Biddinghuizen lijkt dit, tussen de weg en de Hogevaart, over te gaan in één enkele bomenrij tussen weg en Vaart om vervolgens weer over te gaan naar een dubbele bomenrij, maar alleen aan de zuidzijde van de weg.
wegenstructuur. Hierin waren een ‘Rijksweg 10’ en een Rijksweg 10A’ opgenomen die vanaf Amsterdam, via de (nooit aangelegde) Markermeerpolder en Lelystad naar Friesland (RW 10) en Overijssel (RW 10A) zouden moeten lopen. De RW 10A liep daarbij van Lelystad, langs de noordzijde van Dronten naar het oude land. De weg is nooit aangelegd, maar het tracé was wel vast fors in de beplanting gezet en is daarmee nog goed herkenbaar in de polderstructuur. Tegenwoordig is de Flevospoorlijn voor een deel aan dit tracé gekoppeld, terwijl het tracé zelf een recreatieve fietsverbinding is van Dronten naar het Abbertbos.
De Rietweg aan de zuidzijde van Dronten is in dit opzicht een bijzondere weg. In de huidige situatie is dit een polderweg, een wegtype dat over het algemeen niet beplant is. Toch is de Rietweg voorzien van een dubbele rij abelen. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat de Rietweg eigenlijk de verbinding zou vormen tussen Dronten en het niet gerealiseerde dorp Larsen (op de locatie van het Larserbos). Larsen kwam te vervallen en daarmee hoefde deze weg geen primaire weg te zijn. De beplanting die er langs gedacht was had echter een belangrijke rol in het verdelen van de grote, open ruimte tussen Lelystad, Dronten, Biddinghuizen en het Larserbos (Larsen). De Rietweg heeft daarom waarschijnlijk toch zijn wegbeplanting behouden.
In de jaren ’90 van de vorige eeuw is er door landschapsarchitect Kees Hund een wegbeplantingsplan gemaakt voor heel Flevoland, inclusief de Noordoostpolder. Een deel van de oorspronkelijke beplanting was toen al aan vervanging toe, andere aanpassingen waren nodig vanwege andere inzichten en aanpassingen aan de infrastructuur. Op sommige punten wijken de plannen en de visie van Hund af van de plannen en visie zoals oorspronkelijk bedacht. De Gooise en Biddingringweg en de Larserweg krijgen, als belangrijke wegen van bovenregionaal belang, een stevige laanbeplanting mee van meerdere rijen populieren respectievelijk lindes.
Als onderdeel van het Rijkswegenplan 1958 werd nagedacht over de bovenregionale Biddinghuizen, Van der Wal 1961
Swifterbant, 1960
15
Structuurplan wegbeplanting door Kees Hund, 1995
Daarnaast heeft Hund speciale aandacht voor wegen die een verbinding vormen met het oude land en die dus, komend vanaf dat oude land, een entree tot de polder zijn. Wegbeplanting langs deze wegen moet de landschappelijke situatie ter plaatse weerspiegelen. Zo is het voorstel om de Hanzeweg, waar deze weg door het bos loopt, een zo smal mogelijk profiel te geven waarbij bomen met wisselende plantafstanden het boskarakter versterken. De Elburgerweg is deels beplant en deels onbeplant.
Voor de bedrijfsgebouwen borduurde men voort op de ervaring die inmiddels in twee polders was opgedaan. Er was echter een belangrijk verschil in de uitgangspunten: deze polder was de eerste polder waar het paard niet meer als trekdier werd gebruikt. Alles draaide nu om de machines met hun zelflossende wagens. Gemengde bedrijven werden te arbeidsintensief, waardoor er een duidelijker onderscheid tussen akkerbouw, veeteelt en fruitteelt ontstond. Op veeteeltbedrijven werden de modernste stallen gebouwd: ligboxenstallen. Hooi werd hier bovendien vervangen door kuilvoer, dat vroeg om sleufsilo’s of torensilo’s. Bij akkerbouwbedrijven verdween de tasruimte voor ongedorst graan. Dat werd immers met maaidorsers op het land gedorst en meteen voor verdere verwerking afgevoerd. Daarentegen deed de aardappelopslag zijn intrede, waardoor behoefte ontstond aan aardappelbewaarplaatsen. Zoals er in de Noordoostpolder enkele boerderijen van het ‘Wieringermeertype’ werden gebouwd voor de ontginning van de polder, bouwde men in Oostelijk Flevoland enkele schuren van het ‘Noordoostpolder-type’ voor de ontginning. Deze schuren, herkenbaar als de ‘3e generatie’, werden voorzien van een ruimte om aardappels op te slaan en stonden vaak in groepjes van twee bij elkaar. Bij één van de schuren stond een woning voor de bedrijfsleider van het in ontginning genomen gebied.
Omdat de ontginning vanuit het oosten begon, vinden we deze boerderijen aan de oostzijde van de polder.
Zo zijn alle wegen onder de loep genomen en voorzien van een plan. Nooit is één principe toegepast voor alle wegen van hetzelfde type.
De erven en hun bebouwing De erven in Oostelijk Flevoland zijn in vergelijking met de Noordoostpolder en de Wieringermeerpolder relatief groot. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat men er bij de inrichting van alle polders van uitging dat de oppervlakte van het erf 2 tot 3 procent van de totale bedrijfsoppervlakte mocht bedragen. Omdat de gemiddelde bedrijfsgrootte in Oostelijk Flevoland groter is, zijn de erven hier dus ook ruimer bemeten. Hierdoor ontstaat nu de paradox dat kleinere bedrijven, die een lagere opbrengst uit de landbouw halen en daardoor eerder geneigd zijn tot nevenactiviteiten, daarvoor op het erf de minste ruimte hebben om hier ruimte aan te bieden.
Hierna begon men met de ontwikkeling van ‘gebiedseigen’ bebouwing. Systeembouw bleef hierbij het uitgangspunt. Maar het Rijk had minder geld uit te geven, terwijl men er vanuit ging dat de bedrijfsgebouwen ten opzichte van de Noordoostpolder groter zouden worden. Tijdens een studieperiode werden verschillende mogelijkheden tegen het licht
Noordoostpolderschuren van Schokbeton
Schuurtype PG ook wel ministersschuur op het terrein van Aeres Farms
16
gehouden. Het ging daarbij over het wel of niet opnemen van ruimte voor de aardappelbewaring en enige tasruimte voor andere oogstproducten. Maar ook het buiten stallen van werktuigen werd overdacht. De Dienst der Domeinen bracht zelfs een goedkoper ontwerp voor de bebouwing in, dat in feite niet meer was dan een werktuigenberging. Vasthoudendheid van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders heeft er echter toe geleid dat er toch een drietal varianten voor verschillende bedrijfsgroottes aan het ministerie werden voorgelegd. Men hechtte
asbestcementplaten. Bij eerdere schuren was het dak nog uitgevoerd in rode pannen. De dakhelling was 15 graden, later werd dit in een nieuw type weer verhoogd naar 25 graden. Men streefde naar één schuur per erf. Dit is echter niet gelukt. Ontwikkelingen in de landbouw en wensen van de individuele boeren maakten dat op veel erven, op kosten van de pachter, extra schuren zijn gebouwd. Voor gemengde bedrijven ontwierp men in eerste instantie een combinatie van een akkerbouwschuur met daarbinnen ruimte voor een Hollandse grupstal. Later plaatste men het veegedeelte achter het hoofdgebouw, zodat in het hoofdgebouw meer ruimte ontstond voor de opslag van oogst en een melkkamer met melkkoeltank. Oostelijk Flevoland was de eerste polder waarin bedrijven werden uitgegeven die alleen grasland hadden. Voor deze weidebedrijven werd een ligboxenstal ontworpen met een centrale voergang en een ingebouwde melkstal. Gedurende een aantal jaren werden de ligboxenstallen, uit kostenoogpunt, uitgevoerd in hout. Later werden de melkstal buiten het hoofdgebouw geplaatst. In sommige gevallen stond de woning los van de stal. Op veel erven zijn woning en ligboxenstal echter met elkaar verbonden met een ‘tussenlid’. Tot slot zijn er nog de fruitteeltbedrijven en de ‘bijzondere landbouwbedrijven’, waarvoor bedrijfsgebouwen en woningen werden gebouwd.
Voor de fruitbedrijven ging het vaak om eenvoudige bebouwing met een plat dak of zadeldak, bedoeld als werkruimte en materiaalopslag. Fruittelers hebben daar zelf in sommige gevallen fruitbewaarschuren aan toegevoegd.
er namelijk aan dat de nieuwe polder, net als de andere polders, met volwaardige gebouwen werd ingericht. Om bouwkosten te besparen besloot men dat de pachter verantwoordelijk werd voor de inrichting van de aardappelbewaring. Bovendien mochten de voorgestelde schuren wel gebouwd worden, maar met 20% minder oppervlak. Dit leidde tot een schuur die we nu aanduiden als ‘PG’ en die, vanwege het formaat, ook wel werd aangeduid als ‘ministerschuurtje’. In totaal zijn er 20 van deze schuren gerealiseerd. Hoewel de schuren klein zijn waren maximale aanpassingsmogelijkheden aan veranderende omstandigheden uitgangspunt voor het ontwerp. Een aantal jaren later werd een nieuw type akkerbouwschuur ontwikkeld, type Tf. Toenemende bedrijfsgrootte, hoger percentage van aardappelen en de wens om de bouwkosten te verlagen waren aanleiding. Dit laatste gebeurde door betonblokken voor de wanden toe te passen, terwijl dak en topgevels bedekt waren met
Op de pachtbedrijven was de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders verantwoordelijk voor zowel woning als schuren. Voor de woning koos men vaak voor het type ‘bungalow’. De schuren werden, grofweg, zoals hierboven beschreven vormgegeven. Bij bedrijven die in erfpacht werden uitgegeven waren de erfpachters zelf verantwoordelijk voor de bouw van woning en schuren. Dit is de reden waarom er in Oostelijk Flevoland meer differentiatie in de bebouwing aanwezig is dan in de eerdere polders.
Schuur type PG voor een akkerbouwbedrijf van 45 ha.
17
daarmee te vervallen, maar nog steeds moest de bomenrij in dat geval twee zijden van het erf omsluiten.
Erfbeplanting en windsingels In de grotere ontwerpgedachte bij de polderinrichting was er een belangrijke rol weggelegd voor de erfbeplanting. Naast de boscomplexen en wegbeplantingen had de beplanting rondom de bebouwing tot doel om de open ruimte verder te nuanceren. De erven vormden ‘groene eilanden’ in een zee van ruimte. Omdat de boomgaarden in fruitgebieden baat hadden bij voldoende windbeschutting en ze beschermd moesten worden tegen inwaaiende gewasbeschermingsmiddelen werden ze omgeven door elzensingels. Dit leverde een verdicht coulisselandschap op. Vanwege de kleinschaligheid die zo ontstond gebruikte men de fruitgebieden ook als ontwerpmiddel, waarbij het in sommige schetsplannen zelfs werd ingezet om boscomplexen te vervangen.
Met deze uitgangspunten ging een ontwerper aan de slag. Op basis van het erfontwerp, waarop bebouwing, verharding en erfsloten werden weergegeven, werd een eerste schets opgesteld. Die werd vervolgens op locatie met de (erf)pachters besproken en zo nodig aangepast aan hun wensen. De singel werd ook aangepast op de gewenste functie. Zo hadden singels die een windkerende functie hadden een dichte onderbegroeiing en hield men een afstand van ongeveer 4x de hoogte van de singel aan als afstand tot bebouwing. Bij veeteeltbedrijven zocht men vaak ruimte voor een kalverweide binnen de singel. Veeboeren wilden vanaf het erf vaak zicht houden op de weides. Een dichte singel was in dat geval niet wenselijk.
Op het niveau van het individuele erf bleek de uitwerking echter maatwerk. Er waren enkele algemene richtlijnen: het erf moest minimaal aan twee zijden worden omgeven door een singel van 3 of vier rijen breed. Men hield een plantafstand van 1 of 1,5 meter aan, waarmee de breedte van de singel dus op 3 tot 6 meter uit komt. Men kon echter ook kiezen uit één enkele rij laanbomen. De standaardbreedte kwam
Fruitteeltbedrijven kenmerken zich, als enig erftype, niet door een singel. Vanwege de aanwezigheid van fruitbomen en de windhagen rondom speelden de erven hier vermoedelijk een minder grote rol in het landschappelijke geheel. Erven die horen bij fruitteeltbedrijven kenmerken zich vaak door één of meerdere solitairen of boomgroepen op het erf. De soortenkeuze voor de aan te planten singel werd bepaald in overleg met de bewoners en bestaat meestal uit een tweetal hoofdhoutsoorten (bijvoorbeeld eik, esdoorn en es), aangevuld met een aantal vulhoutsoorten (bijvoorbeeld populier en wilg) en een niet al te groot sortiment struikvormers (bijvoorbeeld sleedoorn, veldesdoorn en vlier). Soms kozen bewoners voor bomen langs de oprit, waarbij linde en eik favoriet waren. Als solitair bij de entree werd vaak een paardenkastanje gekozen, in of bij de siertuin vaak soorten als walnoot en tamme kastanje. Sortiment Voor de beplanting hanteerde men een rijk sortiment. Vanzelfsprekend werden niet alle soorten in een singel toegepast, maar koos men enkele soorten. Opvallend is dat er veel, naar huidige maatstaven, bijzondere soorten zijn opgenomen in de lijst. Soorten als appelbes, alpenbes, gele ribes en berijpte wilg tref je tegenwoordig niet vaak meer als erfbeplanting, als je ze al aantreft.
Het gebruik van deze niet-inheemse beplantingen benadrukt nog eens hoe men de polder ook zag als ruimte om te experimenteren.
Agrarische erven aan de Oldebroekerweg, gezien vanuit Biddinghuizen
18
ecologisch weinig waardevolle hagen van leylandcipressen. Inmiddels zijn er ook steeds meer fruitteeltbedrijven die stoppen, terwijl akkerbouwbedrijven en soms ook veehouderijen behoefte hebben aan schaalvergroting en extra grond. Gevolg is dat de boomgaarden verdwijnen en worden vervangen door akkerbouwgewassen of gras. Tegelijk met de boomgaard verdwijnen echter meestal ook de windsingels. Het kleinschalige landschap, bewust gecreëerd, staat hierdoor onder druk en wordt steeds vaker vervangen door de grootschaligheid die we ook elders in de polder aantreffen.
Behalve een lijst met soorten die gebruikt konden worden als erfbeplanting, was er ook een lijst met soorten die men niet aan mocht planten in de polder. Waarom soorten als larix en Berberis niet aangeplant mochten worden is niet duidelijk. Mogelijk hebben deze soorten een negatieve invloed op de te telen gewassen, was men bang dat de soort ging woekeren (bijvoorbeeld de Amerikaanse vogelkers) of waren er andere redenen. In de bijlage is een uitgebreide lijst opgenomen van soorten die men in de singels toe kon passen. Ook zijn enkele, in die tijd, verboden soorten opgenomen.
De uitbreiding van de kernen heeft, met name rondom Dronten, geleid tot aanpassingen in de infrastructuur. Zo was de Dronterweg oorspronkelijk één doorgaande lijn van Lelystad naar Elburg, tussen Dronten en Lelystad gekoppeld aan een bosgordel. Met de uitbreiding van Dronten naar het zuiden is deze weg, zoals in de oorspronkelijke plannen ook altijd de gedachte was, eveneens verplaatst. Nu is de Dronterweg gekoppeld aan de Palingtocht. De oorspronkelijke loop van deze weg is niet langer herkenbaar in de bebouwingsstructuur. Aan de noordzijde heeft men de Dronterringweg naar het noorden verschoven,
De huidige situatie Sinds de inrichting van Oostelijk-Flevoland, nu ongeveer 60 jaar geleden, is er veel veranderd. Vanzelfsprekend heeft dat geleid tot ingrepen in het zorgvuldig ontworpen polderlandschap. Dat is een ‘natuurlijk’ proces. Ook het ‘oude’ land is aan voortdurende verandering onderhevig – dat blijkt wel als je de kaart van 1900 met het huidige kaartbeeld vergelijkt. Soms gaat het om nieuwe elementen die we op een manier toe willen voegen die recht doen aan de polder. Denk daarbij bijvoorbeeld aan windturbines of datacentra. Soms zijn het bestaande inrichtingselementen die aangepast moeten worden aan de eisen van deze tijd, zoals infrastructuur. En waar men bij de inrichtingsplannen van de polder het aantal dorpen nog terugbracht naar 6, zouden de 4 extra dorpen die destijds in de planning zaten in de huidige tijd meer dan welkom zijn. Toch is de samenhang die in de oorspronkelijke plannen zat soms verloren gegaan. Soms lijden ook de landschappelijke uitgangspunten en kwaliteiten onder de ontwikkelingen. Zo was er bij iedere kern ruimte voor groen, een ‘dorpsbos’, waar inwoners konden wandelen en recreëren. Maar terwijl bijvoorbeeld Dronten momenteel groter is dan van tevoren werd ingeschat, is het bijbehorende groen, het Wisentbos, niet mee gegroeid met deze ontwikkelingen. In het landschapsplan waren bewust fruitteeltgebieden opgenomen.
De met singels omgeven boomgaarden zouden het landschap een kleinere maat moeten geven en zorgden voor een coulissewerking. Hiermee zou, in de nabijheid van de dorpen, een aantrekkelijk landschap ontstaan dat kon dienen als uitloopgebied. In de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn echter steeds meer windsingels, over het algemeen bestaande uit inheemse soorten als els, veldesdoorn en hondsroos, vervangen door eentonige,
Fruitteeltbedrijf Damen aan de Knooplaan
19
waarbij de oorspronkelijke Dronterringweg behouden is gebleven. Hier liggen nu dus twee wegen op korte afstand van elkaar. De entree naar de dorpskern is hierdoor wat onduidelijk geworden, aangezien de nieuwe Dronterringweg geen directe verbinding met het centrum meer heeft.
Dronterringweg, een parallelle wegenstructuur is ontstaan. Aan de zuidzijde van Biddinghuizen is de Bremerbergweg enigszins aangepast ten behoeve van een beperkte uitbreiding van de kern. De nieuwe weg is buiten de bebouwing gelegd, het oorspronkelijke tracé is nauwelijks nog herkenbaar. In enkele gevallen hebben aanpassingen aan de infrastructuur geleid tot het (deels) verwijderen af aanpassen van de wegbeplanting. Dat hoeft niet problematisch te zijn, maar kan wel afbreuk doen aan de karakteristieken van het polderlandschap.
Oorspronkelijk was de Dronterringweg een hoofdverbindingsweg met Swifterbant en de Noordoostpolder. Met de komst van de spoorlijn tussen Lelystad en Zwolle heeft men hier echter een nieuwe hoofdroute aan toegevoegd die, evenwijdig aan de spoorlijn, naar Lelystad loopt. Deze nieuwe verbinding loopt nabij Dronten diagonaal door de verkaveling. De ontstane ruimte wordt benut voor de ontwikkeling van een bedrijventerrein. Nabij Biddinghuizen is de hoofdwegenstructuur ook enigszins aangepast. Aan de noordwestzijde is de Biddingringweg opgewaardeerd waardoor, net als bij de
Erven zijn belangrijke elementen in de polder. De consequente aanplant van singels rondom de bebouwing en de, over het algemeen, clustering van meerdere erven bij elkaar maakt dat er ‘groene eilanden’ in een zee van ruimte ontstaan. Precies wat men voor ogen had bij het opstellen van het landschapsplan. Op de erven zelf zijn het vooral de geprefabriceerde schuren die karakteristiek zijn voor Oostelijk Flevoland.
Historische kaart 1950
Historische kaart 1960
20
De woningen zijn over het algemeen minder karakteristiek, met een uitzondering van de woningen met platte daken in combinatie met schuren met platte daken in fruitteeltgebieden. De schuren werden destijds zo gebouwd dat flexibel gebruik mogelijk was. Dat heeft erin geresulteerd dat veel van de oorspronkelijke schuren nog bestaan, hoewel ze (nog) niet zijn aangewezen als monument. Wel is op nagenoeg ieder erf dat nog landbouwkundig in gebruik is het aantal schuren uitgebreid. In sommige gevallen hebben de erfsingels hieronder geleden: ze zijn opgeruimd om plaats te bieden aan deze erfuitbreiding. Ook zijn de singels een deel van hun functie verloren. Tegenwoordig is de behoefte aan een ‘geriefhoutbosje’ voor brandhout, opbindstokken voor de (moes)tuin of stelen voor gereedschap niet meer zo groot. Met alleen nog een esthetische functie vindt niet iedere eigenaar het behoud van de singel de moeite waard. Landschapsbeheer Flevoland zet zich in voor de aanleg en het herstel van erfsingels.
Ze geeft daar subsidie voor, maar geeft ook voorlichting over de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden van de singels. Het landschapsbeeld dat de ontwerpers voor ogen hadden blijft hiermee grotendeels in stand.
Historische kaart 1965
Historische kaart 1974
21
22
Kwaliteit van de polder op hoofdlijnen Binnen de gemeente Dronten is een flink deel van de oorspronkelijke ideeën en plannen nog herkenbaar. Vaak zelfs vormen ze de kernkwaliteiten van de gemeente. Kernkwaliteiten die nu en dan onder druk staan, maar nog wel staan. Soms dienen de kwaliteiten versterkt te worden om recht te doen aan de oorspronkelijke opzet, soms is er behoefte aan een nieuwe, hedendaagse invulling om ook in de toekomst de kwaliteiten te kunnen waarborgen.
23
Zorgvuldig geplande dijkenring De polderomtrek van Oostelijk Flevoland is een samenhangend dijktracé waarbij aan elke zijde verschillende criteria de uiteindelijke vormgeving hebben bepaald. Op vrijwel de gehele dijkring, inclusief de Knardijk, is aanvankelijk een ontsluitingsweg aangelegd. De ligging van de noordelijke dijk langs het Ketelmeer is bepaald door de hydrologische eisen die de afvoer van de IJssel stelt. Ter plaatse van de Ketelbrug is het estuarium echter geknepen, om zo een verkeersverbinding middels een brug tussen Oostelijk Flevoland en de Noordoostpolder mogelijk te maken. De zuidelijke begrenzing wordt gevormd door de Knardijk. De ligging hiervan is bepaald door de aanwezigheid van een ondiepte in de voormalige Zuiderzee: de Knar. Deze pleistocene afzetting vormde een goed fundament voor een stabiele dijk. De westzijde van de polder ligt in het hart van de beoogde Zuiderzeewerken. Een centrale vaarverbinding vormt de doorgang voor schepen tussen Oostelijk Flevoland en de Markerwaard. Lelystad heeft als centrum hiervan een prominente plek gekregen aan het water door een vooruitgeschoven ligging, en de aldus ontstane baai aan het open IJsselmeer. De oostelijke dijk, langs het Veluwemeer is ingegeven door de hydrologische situatie.
De breedte van de randmeren vormt een afspiegeling van de kweldruk van het Veluwemassief: waar de kweldruk hoog is zijn de randmeren breder en vice versa. De Randmeren moeten de negatieve effecten van een drainerende werking van de diepe polder op het oude land voorkomen. De Randmeren vormen een aantrekkelijk recreatief gebied tussen het oude land en de nieuwe polder. Ten behoeve van de recreatievaart en de natuurwaarde zijn in de Randmeren reeds bij inpoldering diverse eilanden gepland en is de harde, stenige oever die aan de polderzijde dreigde te ontstaan verzacht door de aanleg van vooroevers. Hierdoor is een zachte, natuurlijke overgang ontstaan van de polder naar de Randmeren. Binnen- en buitendijks zijn verschillende (dag)recreatieterreinen en kwel-gevoede natuurgebieden gepland. Inmiddels heeft deze zone langs de dijk zich verder ontwikkeld en zijn aantrekkelijke stranden, vakantieparken en bijbehorende faciliteiten ontstaan. De weidsheid van het watervlak, het nagenoeg ontbreken van bebouwing en de aanwezigheid van eilanden, die het geheel diepte geven, tegen een achtergrond van de uit het water oprijzende Veluwe zijn een belangrijke kwaliteit.
25
Haarvaten van de polder worden gevormd door vaarten, tochten en sloten We zien in de gemeente Dronten een fijnmazig netwerk van tochten en vaarten. Het stelsel verdeelt de aanvankelijk ongevormde vlakte binnen de bedijking in kavels. De kavels vormen de elementen waaruit de polder is opgebouwd. De hoge en lage vaart verdelen de polder in twee peilvakken. De vaarten voeren naar de gemalen. De 1e afdeling wordt bemalen in Harderwijk en in Ketelhaven, de 2e afdeling wordt eveneens in Ketelhaven en in Lelystad bemalen. De ligging van de gemalen bepaalt, met de scheepvaartseisen, de ligging van de hoofdvaarten. De vaarwegen zijn zodanig verdeeld dat de gehele polder wordt bediend, waarbij het bij uitzondering voorkomt dat een boerderij meer dan 5-6 km van een losplaats is verwijderd. Niet aan de vaarten gelegen dorpen worden door tochten benaderd. De standaard kavels vormen de bouwstenen van de polder. De standaardmaat is 300x1000 meter. Elke kavel is aan de voorzijde ontsloten via een weg en grenst aan de achterzijde aan een tocht. De onregelmatigheid van de vorm van de polder en netwerk van vaarten en wegen heeft ertoe geleid vele van de kavels schuin zijn afgesneden. Snijlijnen en leemtes in de verkaveling zijn vaak ingezet voor de realisatie van bosstroken.
27
Elke weg vervult een een eigen betekenis in de compositie van de polder De wegenstructuur kent van oorsprong een strikte hiërarchie. Allereerst vormen de primaire wegen de aanvulling van het net van wegen van het Rijkswegenplan. Hiermee is Lelystad verbonden aan het (oude) land: Amsterdam, Kampen en Emmeloord. De secundaire wegen vormden de verbindingen tussen de B-kernen onderling en van deze met de centra van een hogere orde voor zover de primaire wegen daarin niet voorzien. De tertiaire wegen vormen de verbindingen tussen de dorpen onderling en van de dorpen met de B- en C-kernen. Veelal doen deze tertiaire wegen ook dienst als verzamelwegen in de dorpsgebieden. De polderwegen met de aangrenzende boerderijen komen op de tertiaire wegen uit, welke zo de entrees vormen waarmee de polderbewoners de bebouwde kom bereiken. Kenmerkend aan de doorgaande wegen is dat ze de dorpskernen, ook nu nog, nooit doorsnijden. Tot slot is de in het Rijkswegenplan opgenomen Rijksweg 10A nooit gerealiseerd. Tegenwoordig ligt het tracé, deels voorzien van een beplantingsstructuur, als herkenbare lijn in het landschap. Het vormt de voortzetting van de bosgordel tussen Lelystad en Dronten.
29
De kernen vormen groene eilanden in een zee van ruimte De woonkernen in de polder zijn zorgvuldig over de beschikbare ruimte gespreid. Lelystad vormde als C-kern het hart van de IJsselmeerpolders. De ligging van B-kern Dronten werd bepaald door de eis dat deze aan de primaire weg van Lelystad naar Zwolle zou moeten liggen, als wel aan de vaart van Lelystad naar Ketelhaven. De ligging was daarmee vrijwel bepaald. Verder moest de gemeente Dronten verschillende kleinere dorpsgebieden kunnen herbergen: de uiteindelijke A-kernen Swifterbant en Biddinghuizen. Het geplande dorp Larsen is in een laat stadium komen te vervallen. De drie dorpen zijn, met het dorp Larsen in gedachten, gelijkmatig over de polder verspreid. Hierbij is er naar gestreefd de dorpsgebieden op een heldere, natuurlijke manier te begrenzen: de bossen aan de oostflank, de natuurgebieden en de dijken. Alle dorpen liggen vrij in de open polderruimte. Om de ligging te accentueren zijn de dorpen voorzien van een ‘groene schil’ van bos. Deze ‘dorpsbossen’ waren afgestemd op de grootte van de woonkern en boden de inwoners ruimte om te recreëren. Ook boden ze beschutting in het open landschap. De geplande hoofdwegen verbinden de kernen en kennen een forse wegbeplanting. Zij begrenzen aldus doelbewust de ruimte van de polderruimtes. De wegen vormen de grens bij de gratie waarvan de open ruimtes ertussen kunnen bestaan.
Omgekeerd zijn het de belangrijkste lijnen vanaf waar men, onder een groen baldakijn, die open polderruimte kan ervaren. Aldus is er een samenhangend groen netwerk ontstaan van dorpsbossen en polderwegen. Langs de polderwegen liggen de boerenerven. Deze zijn doorgaans geclusterd en altijd omgeven door een forse beplantingssingel. Hierdoor ontstaan groene eilanden in een zee van ruimte, die door de verkregen perspectiefwerking diepte krijgt. Deze zorgvuldig gearticuleerde polderruimtes zijn kenmerkend voor de Oostelijke Flevopolder en kunnen niet gezien worden als ‘leegtes’. Tot slot kun de door je oogharen de restanten van drie ‘bosgordels’ zien in de vorm van enkele smalle bosstroken: langs de Larservaart vanuit Lelystad. Langs de Lage Vaart tussen Lelystad en Dronten en verder via de Hanzetocht. En tot slot een strook langs de Noordertocht met belendende bosjes richting Swifterbant. ‘Groene eilanden in een zee van ruimte’ vanaf de Ketelmeerdijk (beeld: google) 31
Fruitteeltgebieden bedacht als kleinschalig landschap rond de kernen Bij de inrichting van de polder had men forse boscomplexen en bosgordels voor ogen. De ruimtelijke massa van het bos moest de enorme polderruimte verder geleden en bijdragen aan de oriëntatie van de dorpen in de polder. Ook moesten deze bossen een bijdrage leveren aan de benodigde recreatieruimte. Niet alleen voor de polderbewoner maar ook voor de inwoners van bos-arme gebieden daarbuiten, zoals Amsterdam en Noord-Holland. Voor het eerst in de inpolderingsgeschiedenis zouden goede landbouwgronden voor de aanplant van bos in aanmerking komen. In de vele discussies rond de inrichting is de grootschalige aanplant van bos op landbouwgrond steeds verder teruggelopen. In plaats daarvan, en in aanvulling daarop, heeft men door hagen omgeven fruitteeltgebieden ingezet om toch een deel van de effecten van de gewenste boscomplexen te verwezenlijk. In de oorspronkelijke plannen beoogden ze een zonering aan te brengen in het hart van de polder. De fruitteeltgebieden dragen zodoende bij aan een kleinschalig landschap en daarmee een aantrekkelijk uitloopgebied voor de bewoners van Dronten. Doordat de vraag naar fruitteeltbedrijven tegenviel is de zone zoals bedacht kleinschaliger gebleven dan aanvankelijk voorzien.
In die zin is de vervanging van bos door fruitbomen en windsingels maar een beperkt succesvol concept gebleken.
33
Compositie van dijken, natuur en recreatie tussen oud en nieuw land In Oostelijk Flevoland werd natuurontwikkeling bij inpoldering voor het eerst bewust gestuurd. Veel van deze oorspronkelijke natuurgebieden, die zijn ontwikkeld in het kader van de visie die Staatsbosbeheer op de inrichting van de polder presenteerde, liggen in de gemeente Dronten. In de eerste plaats maakt het stelsel van Randmeren onderdeel uit van het Natura2000 netwerk. Vrijwel de gehele gemeente wordt hierdoor aan de oostzijde begrenst. Daar langs ligt de uitgestrekte gordel van randmeerbossen op kalkrijke zandgronden en vroegere zandbanken van de Zuiderzee. De gehele strook staat onder invloed van kwelwater. Vanwege de zandige ondergrond waren deze gronden niet goed geschikt om uit te geven voor landbouwkundig gebruik. Daarnaast zijn er interessante natuurgebieden ontstaat door de toepassing van natuurbouw: het met civieltechnische middelen realiseren van ecosystemen. Door middel van het creëren van gunstige omstandigheden werd een aantal nieuwe natuurgebieden gerealiseerd. Voorbeelden van natuurbouw in Flevoland zijn Vogelrustplaats Kamperhoek en ecologisch reservaat Ellerslenk. De Kievitslanden werden ingericht om broedgelegenheid te verschaffen aan weidevogels. In nabijheid van het Larserbos werden de Wildwallen gerealiseerd.