daf15897-7193-4bf7-a450-a5af119ce91b.pdf
Tekst van het document
Uit deze berekening blijkt dat de 55dB geluidsbelastingcontour voor een heel klein deel het plangebied doorsnijdt, indien sprake is van gestapelde woningen. In de planregeling is geborgd dat gestapelde woningen ter plaatse niet zijn toegestaan. Vliegverkeer Swifterbant ligt buiten de 48 dB Lden zone. De door de World Health Organization (WHO) geadviseerde 45dB zone ligt tegen Swifterbant aan. Dat betekent dus dat Swifterbant voldoet qua geluid voor een leefbare omgeving, volgens de WHO standaard. Er liggen geen bouwbeperkingen in Swifterbant (zoals beperkingen qua bouwhoogte) als gevolg van de luchthaven. Windturbines Windplan Blauw Voor de toekomstige windturbines van Windplan Blauw aan de westzijde van het plangebied is in het kader van het MER en de omgevingsvergunning een geluidsonderzoek uitgevoerd op woningniveau. Voor elke bestaande woning in de omgeving is de geluidsbelasting op de gevel getoetst (in een worst-case scenario). Hieruit bleek dat mitigerende maatregelen nodig waren voor bestaande woningen buiten de kern van Swifterbant. Uit het geluidsonderzoek bleek dat voor Swifterbant Zuid zowel met als zonder mitigerende
32
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
maatregelen wordt voldaan aan de geluidsnorm van 47 dB Lden. Dit wordt weergegeven in onderstaande kaart.
Bron: Rijksinpassingsplan Windplan Blauw, geluidsonderzoek Witteveen+Bos Conclusie Aan de hand van uitgevoerd akoestisch onderzoek kan gesteld worden dat het plan op enkele punten niet voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Daarom is parallel aan de procedure van het ontwerpbestemmingsplan een hogere grenswaarde procedure gevoerd. Het ontwerpbesluit Hogere grenswaarden heeft vanaf 29 oktober 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Op het ontwerpbesluit zijn geen zienswijzen ingediend.
4.6
Water
4.6.1
Inleiding
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval
33
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. 4.6.2
Bestemming van waterfuncties
In het bestemmingsplan wordt een aantal waterfuncties expliciet bestemd. De aan te leggen hoofdwatergangen (wadisysteem) zijn aangeduid als watergang op de verbeelding. Tevens is het binnen de regels mogelijk gemaakt dat waterfuncties zijn toegestaan binnen de bestemmingen 'groen', 'woongebied' en 'verkeer'. 4.6.3
Vigerend beleid
Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Nationaal waterplan De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het Rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan.
Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes.
Integraal waterbeheer: het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; afwenteling voorkomen: het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteits- en waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken; ruimte en water verbinden: bij de aanpak van wateropgaven en de
34
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied. Het doel is dat de scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of elkaar versterken. Met deze aanpak is het vaak mogelijk het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 /jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Omgevingsplan Flevoland Wat betreft het beleidskader bevat het Omgevingsplan Flevoland (2006) het provinciale beleidskader met een functietoekenning aan het grond- en oppervlaktewater. Het proces van de watertoets vindt plaats in overleg met het waterschap Zuiderzeeland. Het waterschap hanteert zogenaamde 'streefbeelden' rond drie waterthema's: 'Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water'. Beleid waterschap Zuiderzeeland Waterbeheerplan 2016 – 2021 Het beleid van het Waterschap Zuiderzeeland staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Het waterbeheerplan beschrijft hoe het waterschap nu en in de toekomst blijft zorgen voor waterveiligheid en voor voldoende en schoon water.
In het plan staan de doelen die het waterschap zich daartoe stelt en de maatregelen die het waterschap de komende 6 jaar gaat nemen om die doelen te realiseren. Het plan maakt duidelijk wat inwoners, overheden en belangenorganisaties van het waterschap mogen verwachten en vormt daarmee het contract met de samenleving. De Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland heeft op 27 oktober 2015 het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Daarnaast is de Keur
35
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
van het Waterschap Zuiderzeeland een belangrijk regel stellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Waterkader Om aan te geven wat er voor het waterbeheer in, maar ook ná het watertoetsproces belangrijk is, heeft Waterschap Zuiderzeeland dit Waterkader opgesteld. Het Waterkader geeft richting en houvast voor waterzaken binnen ruimtelijke plannen. Samen met De Uitbeelding1 is het bedoeld als gids en inspiratie voor het verbond tussen water en ruimte. In dit 'Waterkader' - bedoeld voor medewerkers van de Flevolandse overheden en andere initiatiefnemers van ruimtelijke plannen – geeft Waterschap Zuiderzeeland een overzicht van de waterprocedures en waterbelangen bij ruimtelijke planprocessen. De “digitale watertoets” is daar een belangrijk instrument bij geworden. Dit Waterkader gaat verder dan de watertoets, ook worden handreikingen gedaan voor de inrichtings- en ontwerpfase van het watersysteem. Het waterschap geeft streefbeelden, uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen voor de thema's veiligheid, voldoende water en schoon water. In de ruimtelijke plannen, voor zowel het stedelijk als het landelijk gebied, wil het waterschap deze door laten werken. De randvoorwaarden zijn gebaseerd op bestaand beleid en ambities van Waterschap Zuiderzeeland en regelgeving op nationaal en regionaal niveau.
De realisatie van een robuust watersysteem is hierbij het doel. 4.6.4
Watertoetsproces
Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Digitale watertoets Het Waterschap Zuiderzeeland is tijdens de fase van de Ruimtelijke Hoofdstructuur en op 17 november 2020 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is. In bijlage 9 is het resultaat van de digitale watertoets opgenomen.
Watertoets In 2020 en 2021 heeft nader overleg en afstemming met het waterschap plaats gevonden over de uitkomsten van de (water)bodemsamenstelling en uitwerking van de normen. Dit heeft onder andere geleid tot de omzetting van watergangen naar wadi's. Op basis daarvan zijn een concept waterhuishoudkundig plan en maatwerkberekeningen opgesteld. Hieronder is op basis van de thema's zoals benoemd in de uitgangspuntennotitie van de digitale watertoets een beeld geschetst van de relevante waterhuishoudkundige aspecten binnen het plangebied. 4.6.4.1 Thema Veiligheid Het plangebied ligt niet buitendijks en ligt niet in een beschermingszone van een overige waterkering. Situatie projectgebied thema Veiligheid Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
36
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
4.6.4.2 Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Met de planontwikkeling wordt netto geen verhard oppervlak in stedelijk gebied toegevoegd of is de toename van het verhard oppervlak minder dan 750 m² en daarmee is geen is compensatie noodzakelijk. Randvoorwaarde(n) wateroverlast Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met circa 15.000 m² toe. Als deze toename groter of gelijk is aan 2.500 m² dan is compensatie noodzakelijk. Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,0% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd.
De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil. Bij aanleg van natuurvriendelijke oevers is een reductie op de compensatieverplichting mogelijk. Deze reductie is afhankelijk van de extra berging die wordt gecreëerd door de toepassing van flauwe taluds (1:4 of flauwer). Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij het projectgebied compensatie gezocht. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. Bij de aanleg van oppervlakkige berging in de vorm van infiltratiebermen of wadi's is de bergingsnorm niet toepasbaar.
Met behulp van een maatwerkberekening moet worden aangetoond dat de alternatieve berging bij maatgevende gebeurtenissen voldoende compensatie biedt. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft ernaar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimumaantal duikers
37
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Met het oog op de uiteindelijke overname van het beheer en onderhoud van nieuw (stedelijk) water is het nodig dat het waterschap betrokken wordt bij de uitwerking van een plangebied naar een definitief ontwerp van het watersysteem. Dit definitieve ontwerp behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname uiteindelijk mogelijk te maken. Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Uitgangspunten In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken. Randvoorwaarde(n) Nieuwe watersystemen worden dusdanig ingericht dat ze zelfvoorzienend zijn.
Uitbreiding van wateraanvoer bij de huidige functies is niet wenselijk. De afweging van wateraanvoer vindt plaats op basis van robuustheid, effectiviteit en efficiency. Hierbij geldt als uitgangspunt dat herverdeling van water binnen de polder de voorkeur heeft boven wateraanvoer van buiten de polder. 4.6.4.3 Situatie projectgebied thema Voldoende Water Wateroverlast Door de aanleg van de woonwijk Swifterbant-Zuid neemt het verharde oppervlak toe ten opzichte van de huidige situatie. Hierdoor wordt neerslag versneld afgevoerd naar het oppervlaktewater / wadi's. Om peilstijgingen te voorkomen is het van belang dat er in het gebied voldoende waterberging gecreëerd wordt. De hydrologische situatie mag door de ontwikkeling niet in negatieve zin veranderen. De vereiste compensatie (waterberging) moet gerealiseerd zijn voordat wordt gestart met de aanleg van verharding (o.a. wegen, paden en funderingen). Peil scheidende voorzieningen zullen dan ook gerealiseerd worden voordat het overige watersysteem wordt aangelegd. Ten behoeve van de ontwikkeling wordt een hydrologische modelstudie opgesteld als onderdeel van een waterhuishoudkundig plan. Het waterschap is betrokken bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan. Het definitieve rapport behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname van het watersysteem uiteindelijk mogelijk te maken.
In het plangebied wordt een stelsel van wadi's aangelegd in plaats van watergangen. Uit het aanvullend grondonderzoek (zie bijlage 18) volgt dat de slappe grondlagen minder als veen maar meer typisch kleilagen zijn met een (hoog) organisch gehalte. Tevens volgt uit het onderzoek dat de hoogteligging van het pleistoceen waarschijnlijk toch minder sterk varieert dan uit het archeologisch booronderzoek volgt. De geplande ontgraving van (brede) watergangen tot mv-3m is niet mogelijk zonder dat opbarsten optreedt. In combinatie met de gewenste diepte voor voldoende waterkwaliteit blijken wadi's de beste oplossing voor de waterberging en afvoer. De wadi's zullen een minimale breedte hebben van 5 meter, maar in het overgrote deel van het plan zijn deze breder en varieert deze maat vanwege de vloeiende vormen. De taluds van de wadi's zijn 1 op 3 of flauwer. De dimensionering van de wadi wordt nader uitgewerkt in het huishoudkundige plan op basis van het Waterkader van de normen van het waterschap Zuiderzeeland. Ook wordt rekening gehouden met de
38
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
uitgangspunten van het waterschap zoals die vermeld staan in het rapport van de Ruimtelijke Hoofdstructuur. Het stedenbouwkundige plan van januari 2022 is doorgerekend in het concept waterhuishoudkundige plan en voldoet aan de waterbergingsnorm. Water wordt zoveel mogelijk geborgen op de percelen en waar mogelijk wordt een zichtbare oppervlakkige afvoer van hemelwater nagestreefd. Over het onderhoud van de wadi's worden nadere afspraken gemaakt tussen het waterschap en de gemeente en vastgelegd in een beheerplan. Voor bebouwing met kruipruimte is een relatief grote ontwateringsdiepte noodzakelijk. Deze zal in het plangebied, bij gelijkblijvende maaiveldhoogte, niet of moeilijk te realiseren zijn. Er wordt daarom ontraden bebouwing in het plangebied te realiseren met een kruipruimte. 4.6.4.4 Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunten Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit.
Randvoorwaarde(n) nieuw oppervlaktewater Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijk ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoonhouden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon hemelwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Als hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig.
Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet-uitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen niet-oxydeerbaar zijn. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen.
39
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
Uitgangspunt(en) Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Voor bestaand gebied wordt gestreefd naar het afkoppelen van niet-vervuild verhard oppervlak van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde rioolstelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd alvorens het tot afstroming komt op het oppervlaktewatersysteem. 4.6.4.5 Situatie projectgebied Thema Schoon water Goede oppervlaktewaterkwaliteit Het afstromend hemelwater van wegen met een intensiteit van > 1000 vervoerbewegingen per etmaal en van parkeerplaatsen met > 50 parkeervakken, wordt door het waterschap als verontreinigd beschouwd. Verontreinigd hemelwater dient voordat het, oppervlakkig of via een gesloten leidingstelsel tot afstroming komt op het watersysteem, te worden gereinigd. In de nieuw aan te leggen woonwijk Swifterbant Zuid is sprake van wegen met meer dan 1.000 voertuigbewegingen per dag.
Naast deze wegen en/of parkeerplaatsen met > 50 parkeervakken zal een wadi of een zuiveringsberm worden aangelegd, zodat het afstromende water wordt gezuiverd voordat het in het watersysteem terecht komt. Verontreinigingen bijvoorbeeld door het wassen van auto's op straat en chemische onkruidbestrijding kunnen ook via de verharding in het water terecht komen en dienen voorkomen te worden. Derhalve wordt geadviseerd het niet toe te staan auto's in de wijk te laten wassen en de bestrijding van onkruid op verharding uitsluitend volgens de wettelijke gebruiksvoorschriften en wettelijk verplichte Duurzaam Onkruid Beheer (DOB)- methode uit te voeren, waardoor minder bestrijdingsmiddel afstroomt naar oppervlaktewater. Het waterschap Zuiderzeeland adviseert de gemeente Dronten om in Swifterbant-Zuid alternatieve methoden, zonder chemische middelen zoals machinaal vegen/borstelen en heet water in te zetten om onkruid te bestrijden. Daarom verdient het de aanbeveling om naast deze zogenaamde bronmaatregelen tevens maatregelen te nemen om te voorkomen dat verontreinigingen afkomstig van chemische onkruidbestrijding en het wassen van auto's, via de verharding in het water/ wadi's kunnen belanden.
Ten einde de kwaliteit van het afstromende hemelwater te verbeteren zal moeten worden voorkomen dat verontreinigingen afkomstig van bouwactiviteiten zoals zware metalen of zwavelhoudende verbindingen in het water/wadi's terecht komen. Het is van belang in de bouw duurzame, niet-uitlogende materialen toe te passen, het gebruik van uitlogende bouwmaterialen is niet toegestaan. Dit is ook het geval bij de aanleg van waterhuishoudkundige kunstwerken: deze materialen moeten milieuvriendelijk, niet-uitlogend en gecertificeerd zijn. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat deze niet oxydeerbaar zijn. Bij werkzaamheden waarbij materialen van elders opnieuw worden ingezet is het eveneens belangrijk te voorkomen dat vervuilende materialen worden toegepast. Materiaal dat wordt hergebruikt, moet daarom worden gecontroleerd op de aanwezigheid verontreinigende stoffen zoals zware metalen, zwavelhoudende verbindingen en PAK's. Ten behoeve van de ontwikkeling is een waterkwaliteitsrapportage opgesteld als onderdeel/bijlage van het waterhuishoudkundigplan Swifterbant-Zuid zie bijlage 19. Het waterschap is betrokken bij het opstellen van het waterhuishoudkundig plan en de waterkwaliteitsrapportage. Het definitieve rapport behoeft de ambtelijke goedkeuring van het waterschap om overname van het watersysteem uiteindelijk mogelijk te maken.
Goed omgaan met afvalwater Het rioolwater zal via een gescheiden stelsel worden afgevoerd naar de zuivering. Waar mogelijk wordt in Swifterbant-Zuid een oppervlakkige afvoer van hemelwater nagestreefd waarmee het hemelwater vanwege de goede kwaliteit wordt benut om het oppervlaktewater te voeden. Uit onderzoeken is gebleken dat foutieve aansluitingen (DWA op HWA) een substantiële bijdrage leveren aan slechte oppervlaktewaterkwaliteit. Om oppervlakkige afvoer te realiseren zouden de straten in de wijken, en
40
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
daarmee het maaiveld, bij voorkeur onder een verhang van ca. 3 promille richting open water aangelegd moeten worden. Dit heeft consequenties en vergt daarmee een ontwerpinspanning van de stedenbouwers en de ontwerpers van de openbare ruimte. Over een afstand van 200 m, betekent 3 promille verhang een verval van 60 cm over het maaiveld. Door de lange afstanden tussen de waterpartijen biedt het stedenbouwkundig ontwerp en de daarbij horende waterstructuur niet veel kansen om het afstromende hemelwater op grote schaal bovengronds te laten afstromen.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden beoordeeld of bedrijven in de omgeving van een beoogde ontwikkeling worden belemmerd door de ontwikkeling en of ter plaatse van gevoelige functies, zoals woningen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij om interne en externe werking. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, editie 2009). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Wanneer het plangebied en omgeving getypeerd kunnen worden als 'gemengd gebied' bedragen de hindercontouren minder. De VNG-publicatie omschrijft een gemengd gebied als: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven.’ Analyse Het plan voorziet in het realiseren van woningen.
Met het realiseren van woningen wordt een milieugevoelige bestemming mogelijk gemaakt. Het plan mag er enerzijds niet toe leiden dat reeds aanwezige bedrijven of inrichtingen worden beperkt door het voorziene plan. Anderzijds mag de voorziene milieugevoelige woonbestemming geen hinder ondervinden van bestaande bedrijven of instellingen. Op basis van een analyse van de bestaande situatie blijkt dat zich in de directe omgeving van het plangebied voornamelijk agrarische bedrijven bevinden. Op circa 30 meter bevinden zich een aantal paardenweides. Adres
Soort bedrijf
milieucategori Activiteitenbeslu bijzonderheden e it van toepassing?
Biddingweg 11
akkerbouw
2
Ja
alleen meldingsplichtig (type B)
Biddingweg 13
akkerbouw en vleeskalveren
2
ja
alleen meldingsplichtig (type B)
Bisonweg 4
akkerbouw
2
ja
alleen meldingsplichtig (type B)
Bisonweg 6
akkerbouw
2
ja
alleen meldingsplichtig (type B)
2
ja
alleen meldingsplichtig (type B)
Bisonweg 8 en 10 gemengd agrarisch: pluimvee en akkerbouw Bisonweg 11
akkerbouw
Bisonweg 8 en 10 Ten zuidwesten van de woningbouwlocatie is een pluimveehouderij aan de Biddingweg 8/10 gelegen. De
41
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
Wet geurhinder en veehouderij kent normen voor de geurbelasting en afstandsnormen tussen veehouderijen en geurgevoelig objecten. Uit de berekeningen (zie bijlage 10) blijkt dat de geurbelasting in termen van milieukwaliteit als "goed" tot "zeer goed" moet worden beschouwd. Uit de berekeningen blijkt verder dat er geen overschrijding plaatsvindt van de norm van 2 ouE/m3. Dit houdt in dat er uit oogpunt van geurhinder geen bezwaar bestaat tegen de realisatie van de woningbouw op de voorgenomen locatie. Biddingweg 11 Op de locatie Biddingweg 11 is een akkerbouwbedrijf gevestigd. Op de bedrijfsactiviteiten zijn de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit van toepassing. Het bestemmingsplan mag er niet toe leiden dat de inrichting niet meer kan voldoen aan het Activiteitenbesluit. Ook het omgekeerde is het geval: wanneer de inrichting voldoet aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit, mag worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit akoestisch onderzoek (bijlage 11) komt naar voren dat de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie niet voldoet aan de geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Om deze overschrijding terug te brengen, moet het bronvermogen van de op het bedrijfsperceel aanwezige grondwaterpomp worden teruggebracht tot ten hoogste 102 dB(A).
Bij de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het toekomstige woongebied, dient te worden uitgegaan van de situatie dat de inrichting voldoet aan de normen uit het Activiteitenbesluit. Uit het genoemde akoestische onderzoek volgt dat ook in dat geval geluidreducerende maatregelen noodzakelijk zijn. Deze bestaan uit afschermende fysieke maatregelen tussen de Biddingweg en Swifterbant Zuid, in combinatie met het opleggen van de voorwaarde van dove gevels in het deel van het plangebied dat in de directe invloedsfeer van het bedrijf ligt. In het bestemmingsplan is zowel in het één als het ander voorzien. De mate waarin deze voorzieningen aan de orde moeten zijn, is afhankelijk van het opleggen van maatwerkvoorschriften aan de inrichting door het bevoegd gezag. Deze mogen er niet toe leiden dat de bedrijfsvoering wordt belemmerd. Biddingweg 13 Op de locatie aan de Biddingweg 13 worden kalveren gehouden. Uit geurberekeningen (zie bijlage 10) blijkt dat een deel van het plangebied in een zone ligt, waar op basis van geurnormering geen geurgevoelige objecten mogen worden gebouwd. De voorgrondbelasting van de kalverstallen op deze locatie komt bij ongeveer 60 woningen boven de 2 oue. In aanvullend geuronderzoek (zie bijlage 12) is een mogelijke oplossing voor het verlagen van de geurbelasting van Biddingweg 13 onderzocht.
Om de geurbelasting te reduceren is onderzocht wat het effect is van een nieuwe bovenbouw over de 2 bestaande stallen heen met afzuigventilators ter plaatse van de achtergevel. Uit de gemaakte berekening blijkt dat met een nieuwe bovenbouw voor de kalverstallen voldaan kan worden aan de geldende geurnormen voor het plan Swifterbant Zuid. Voor de nieuwe bovenbouw geldt de onderstaande randvoorwaarde/uitgangspunt: - emissiepunt ter plaatse van de achtergevel middels ventilatoren met een uittreesnelheid van minimaal 4,92 m/s. Uit het onderzoek blijkt dat de onderzochte situatie ruim voldoet aan de minimale afstandsnormen. Hiernaast neemt de geurbelasting dusdanig af dat er geen sprake is van een overbelaste geursituatie in de beoogde situatie. De geurbelasting neemt in de beoogde situatie af ten opzichte van de vigerende situatie tot onder de maximale norm. Met de eigenaar van Biddingweg 13 zijn afspraken gemaakt middels een vaststellingsovereenkomst om de nieuwbouw te realiseren. Overige bedrijven Voor de overige bedrijven, zoals opgenomen in bovenstaande tabel gelden maximale richtafstanden van 30 m (milieucategorie 2) en liggen daarmee niet over het plangebied. Paardenweides Aan de noordoostzijde van het plangebied zijn paardenweides gelegen. Op grond van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering kan voor paardenweides aansluiting worden gevonden bij de activiteit
42
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
'Kinderboerderijen', waarvoor een richtafstand geldt van 30 m. Een minimale afstand van 30 m van de nieuwe woonbebouwing (bouwvlak) tot de grens van de paardenweides is opgenomen op de verbeelding. Windplan Blauw Ten westen van de wijk Swifterbant Zuid wordt een onderdeel van Windplan Blauw ontwikkeld. In het kader van dat plan is onderzoek gedaan naar het optreden van slagschaduw als gevolg van de toekomstige windturbines. In het onderzoek is gekeken naar de duur van slagschaduw op gevoelige objecten, zoals woningen en zijn relevante contouren van de duur van slagschaduw per jaar op kaart gezet. Hiermee is inzichtelijk gemaakt wat de te verwachten slagschaduw is in de omgeving van de windturbines. In de figuur hieronder zijn twee contouren weergegeven: het aantal gevoelige objecten dat meer dan 5 uur en 40 minuten per jaar slagschaduw ondervindt, deze norm is opgenomen in de Activiteitenregeling (de oranje contour); Het aantal gevoelige objecten dat meer dan 15 uur per jaar slagschaduw ondervindt (de zwarte contour).
Bron: Rijksinpassingsplan Windplan Blauw, slagschaduwonderzoek Witteveen+Bos De Raad van State heeft op 30 juni 2021 uitgesproken dat de Activiteitenregeling niet meer mag worden toegepast bij de aanleg van windturbineparken totdat een MER is gemaakt. Onherroepelijke omgevingsvergunningen blijven echter geldig. De rijkswetgever werkt aan reparatie van de Activiteitenregeling. Voor dit bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op basis van het aspect van de slagschaduwhinder. In dat kader wordt de Activiteitenregeling als norm gehanteerd. Dit betekent dat de duur van de slagschaduw niet meer dan 5 uur en 40 minuten per jaar mag zijn. Uit het onderzoek kan worden afgeleid dat aan deze norm niet volledig wordt voldaan. Aldus is sprake van slagschaduwhinder op een deel van de woningen die strikt genomen noopt tot een stilstandvoorziening. Of ook daadwerkelijk sprake zal zijn van slagschaduwhinder is afhankelijk van de specifieke omstandigheden,
43
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
zoals die na realisatie van het stedenbouwkundig plan zullen optreden. Tot de factoren die bepalend zijn voor het beperken van de overlast, behoren de (steden)bouwkundige opzet van de woonwijk, maar ook de slagschaduwafschermende werking van de bosstrook aan de westzijde van het plangebied. Daarover wordt het volgende opgemerkt. De wijk is zodanig opgezet dat een aantal woningen ten opzichte van elkaar voorkomt dat slagschaduwhinder optreedt. Verder kan hoog opgaande boombeplanting de slagschaduwhinder verminderen, enerzijds door het blokkerende effect van de beplanting, anderzijds door de verstrooiing die het gebladerte veroorzaakt. Gelet daarop wordt in het bestemmingplan voorzien in juridische borging van de bestaande bosstrook aan de westzijde van het plangebied door aan deze gronden nadrukkelijk de functie van 'slagschaduwafscherming' toe te kennen. De effectiviteit van de bosstrook wordt versterkt door het feit dat de maximale overschrijding van de slagschaduwnorm voornamelijk plaatsvindt van half augustus tot half september wanneer de bomen nog volop in het blad zitten. Tenslotte is van belang dat de woningen nog moeten worden gebouwd en er dus in het kader van de bouw rekening kan worden gehouden met het treffen van afdoende bouwkundige voorzieningen om ongewenste slagschaduw tegen te gaan.
Gelet hierop, mag worden aangenomen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. De effecten van de slagschaduw van de windturbines zullen desondanks worden gemonitord. Mocht de overlast zodanig zijn dat het woongenot op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, dan zal de gemeente in contact treden met de exploitant van het windpark, teneinde een toereikende stilstandvoorziening tot stand te brengen. Het ligt voor de hand dat de ophanden zijnde reparatie van de Activiteitenregeling ook zal voorzien in herleving van de bepaling op grond waarvan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften op kan leggen aan de exploitant. Tezijnertijd kan worden beoordeeld of deze mogelijkheid moet worden ingezet om de stilstandvoorziening tot stand te brengen, uiteraard op voorwaarde dat de bedrijfsvoering niet wordt belemmerd.
4.8
Externe veiligheid
Kader Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.
44
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
Analyse In het kader van onderliggende ontwikkeling is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied een gasleiding is gelegen die enige invloed op de uitvoerbaarheid van het plan heeft en de spoorweg.
Risicokaart met ligging plangebied Spoorweg Het plangebied ligt op circa 250 m van de spoorweg Zwolle-Amsterdam. Over deze spoorweg mogen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De spoorlijn is opgenomen in het Basisnet Spoor. In bijlage 2 van de Regeling Basisnet zijn de risicoplafonds weergegeven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Uit de bijlage blijkt dat ter hoogte van het plangebied het plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van de spoorlijn op het midden van het spoor ligt. Hiermee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het plan. Het groepsrisicoplafond 10-8 ligt op een afstand van 142 m en valt niet over het plangebied van voorliggend bestemmingsplan. Gasleiding Het plangebied wordt doorkruist door aardgastransportleiding A-655. Het betreft een hogedruk aardgasleiding (80 Bar) in beheer bij de Gasunie. De belemmeringenstrook bedraagt 5 meter aan weerszijde van de leiding gemeten vanuit het hart van de leiding. De wijziging van het gebied in een woongebied zal een toename van de personendichtheid met zich meebrengen. Inzicht in de externe veiligheidsrisico’s is daarom nodig. Berekeningen zijn daartoe uitgevoerd, zie bijlage 13. Plaatsgebonden risico De berekeningen voor de aardgasleiding W-655 hebben niet geleid tot een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar.
Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het plan.
45
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
Groepsrisico Het groepsrisico is berekend voor zowel de huidige als de toekomstige situatie. Door de realisatie van de woonwijk neemt het groepsrisico toe, maar blijft het kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In een beperkte verantwoording van het groepsrisico hoeven slechts vier zaken aan de orde te komen, namelijk: a. De personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleidingen. b. De hoogte van het groepsrisico. c. De bestrijdbaarheid. d. De zelfredzaamheid. Een nadere beschouwing van risico reducerende maatregelen en ruimtelijke alternatieven met een lager groepsrisico is in dat geval niet nodig. Verantwoording groepsrisico De personendichtheid en hoogte van het groepsrisico zijn reeds betrokken en weergegeven in het onderzoek, zie bijlage 13. Een beschouwing van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn op advies van de Veiligheidsregio onderstaand weergegeven, gebaseerd op basis van informatie van www.scenarioboekev.nl/hoge-druk-aardgasleiding-fakkelbrand/). Vanwege (graaf)werkzaamheden kan een breuk ontstaan in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn warmtestraling en rook. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan.
Zelfredzaamheid Centraal staat de vraag of zelfredding mogelijk is gezien het effectscenario. De effectiviteit van de zelfredzaamheid hangt met name af van de urgentie, het effect (moeten maatregelen worden overwogen?) en de haalbaarheid (is er voldoende tijd, middelen etc. voor maatregelen?). De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. Bij een ongeval met een brandbaar gas komt het neer op zo snel mogelijk op veilige afstand verwijderd raken van de plaats van de dreigende explosie. Voor het scenario fakkelbrand is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moe-ten zijn. Dit is nabij het plangebied het geval. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest in de nabijheid van de hogedruk aardgasleiding. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Bestrijdbaarheid Voor het scenario fakkelbrand bij de buisleiding is de bestrijdbaarheid slecht.
Bij een incident met een buisleiding kan de fakkelbrand alleen worden bestreden door de toevoer dicht te draaien. Hiervoor dient contact opgenomen te worden met de leidingbeheerder en dit kost veel tijd. De brandweer kan tot de leiding is afgesloten niet handelend optreden. Bestuurlijke verantwoording Op basis van de mogelijke effecten, het feit dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied van de risicobron laag is, en ervan uitgaande dat de voorgeschreven ruimtelijke en niet-ruimtelijke maatregelen worden getroffen, acht de gemeente de toename van het groepsrisico te verantwoorden. Bij verdere uitwerking van de plannen worden te nemen maatregelen om de kans op een incident te verkleinen, de effecten te beperken, de zelfredzaamheid te bevorderen en het bevorderen van de hulpverlening verder uitgewerkt, waarbij de Veiligheidsregio nadrukkelijk wordt betrokken. Conclusie Er zijn geen belemmeringen geconstateerd voor de ruimtelijke ontwikkeling vanwege de aanwezigheid van
46
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
risicovolle inrichtingen, transportassen en buisleidingen.
4.9
Luchtkwaliteit
Kader Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstof (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL; een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Analyse Het plan betreft de realisatie van maximaal 700 woningen.
Het betreft hier een plan categorie 3A.2 overeenkomstig bijlage 3A van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (milieukwaliteitseisen). Per ontsluitingsweg worden minder dan 1.500 woningen en/of minder dan 100.000 m2 bvo kantoor gerealiseerd. Volgens bijlage 3B van de Regeling draagt het plan hierdoor ‘niet in betekenende mate’ bij. Er hoeft daarom niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof PM10/PM2,5. Conclusie Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is op basis van het aspect ‘luchtkwaliteit’ uitvoerbaar.
4.10 Verkeer De auto-ontsluiting van Swifterbant-Zuid verloopt vanaf de omringende wegen Bisonweg en Biddingweg. De wegen worden binnen de bebouwde kom gebracht en het snelheidsregiem terug gebracht naar 50 km/u. Zie bijlage 1. In Swifterbant-Zuid gaat een verkeersregiem van 30 km/u gelden. In de wijk en in aansluiting daarop wordt voorzien in een goede structuur van fiets- en voetpaden, verkeers- en sociaalveilig en zodanig dat dit uitdaagt om te bewegen en de fiets naar het centrum te pakken. Voor fietsers en voetgangers worden twee ‘doorsteken’ als verbindingen tussen paardenweides (10m breed) opgenomen (op de erfgrens tussen twee paardenweides). De oppervlakte die er aan beide zijden vanaf gaat wordt aan de zuidzijde van de paardenweides gecompenseerd. Verkeer De conclusies en adviezen uit het verkeersadvies (bijlage 1) zijn: Biddingweg binnen bebouwde kom, met afwaardering naar 50 km/u. Een 50 km/uur regime biedt in het kader van de Wet geluidhinder de mogelijkheid om de woningen meer op de Biddingweg te oriënteren. Veilige verbinding maken met het Swifterpark d.m.v. 3e ontsluiting. Herinrichting van het vrij liggende fietspad langs Biddingweg (in 2 richtingen) en doortrekking daarvan naar de Dronterringweg.
47
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
4.11 Mer-beoordeling Beleidskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel. In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. 2. 3.
De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
Vormvrije m.e.r-beoordeling Het besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang van het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
48
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
De oppervlakte van de voorgenomen activiteit blijft onder de drempelwaarden van 100 hectare en het bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m². De voorgenomen activiteit voorziet niet in het bouwen van 2.000 of meer woningen. Conclusie De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu en daarom hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld. Als bijlage 14 van deze toelichting is een aanmeldnotitie MER opgenomen. In artikel 7.16 Wm is beschreven waar een aanmeldnotitie aan moet voldoen. In de aanmeldnotitie worden de voorgenomen activiteiten en de waarschijnlijke gevolgen van de activiteit voor het milieu beschreven.
49
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
50
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
Hoofdstuk 5 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid 5.1
Algemeen
Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij maatschappelijke uitvoerbaarheid gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een ruimtelijk plan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Locatievaststelling Op 24 juni 2018 heeft de gemeenteraad besloten om in Swifterbant de locatie "Swifterbant-Zuid" tot woningbouwlocatie te ontwikkelen, waarin ruimte is voor 600 tot 800 woningen. Dit besluit is genomen, nadat de gemeenteraad in april 2018 voorkeursrecht op grond van de Wet Voorkeursrecht Gemeenten op de locatie heeft gevestigd. De keuze om te komen tot een nieuwe woningbouwlocatie is tot stand gekomen door middel van een intensief inwonersparticipatie proces door de werkgroep ‘Swifterbant Groeit’. Deze lijn is bij de uitwerking van de Ruimtelijke Hoofdstructuur voor het plangebied verder doorgezet door het ontwerpteam Swifterbant-Zuid. Ruimtelijke Hoofdstructuur Gezien het uitgebreide participatietraject is ervoor gekozen om de Ruimtelijke Hoofdstructuur ook als kader te laten dienen voor het bestemmingsplan. De Ruimtelijke Hoofdstructuur geeft richting aan de inhoudelijke keuzes voor de gebiedsontwikkeling en legt de basis voor de uitwerking in het ontwerpbestemmingsplan. Feitelijk vervangt de Ruimtelijke Hoofdstructuur dan het voorontwerp bestemmingsplan. De Ruimtelijke Hoofdstructuur heeft ter inzage gelegen in het kader van inspraak en vooroverleg, zie bijlage 15. De Ruimtelijke Hoofdstructuur is daarnaast voorgelegd aan de overlegpartners, zoals provincie en waterschap. De resultaten hiervan zijn waar nodig verwerkt in dit bestemmingsplan.
5.3
Economische uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. Centrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. De bouw van een of meerdere hoofdgebouwen is in het betreffende artikel van het Bro opgenomen. Een exploitatieplan dient tegelijkertijd met een bestemmingsplan te worden vastgesteld. In de Wro is tevens opgenomen, dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet een expliciet besluit worden genomen dat het niet noodzakelijk is om een exploitatieplan vast te stellen.
51
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)
De beoogde ontwikkeling is een initiatief van de gemeente. Indien niet op voorhand met de grondeigenaar een overeenkomst wordt gesloten; wordt er tevens een exploitatieplan opgesteld. Daarin worden gedetailleerdere eisen opgenomen voor onder andere: de inrichting; de realiseringsaspecten van het gebied; fasering; het bouwrijp maken; de aanleg van nutsvoorzieningen; de inrichting van de openbare ruimte. Onderzoek uitvoerbaarheid Conform artikel 3.1.6 f van het Besluit ruimtelijke ordening heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het bouwprogramma is verwerkt in een summier exploitatieoverzicht, zie de Ruimtelijke Hoofdstructuur. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het gaat om een financieel zelfstandig uitvoerbaar plan. Gebleken is dat het plan economisch uitvoerbaar is.
52
Swifterbant - Woningbouwlocatie Swifterbant-Zuid (D1004)