CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

cc33bbb6-c4ee-4624-b0aa-942cfd5ff156.pdf

Raadsvergadering 22 september 2022, gemeente DrontenBij agendapunt: 9: ALLEEN STEMMING Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ en beleidsregel ‘Uitbreiding bedrijfserven met veehouderij’19.444 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bedrijven die voldoen aan de criteria van de MDV tonen betrouwbaar d.m.v. onafhankelijke certificering aan dat zij voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van overheidsregelingen. De beleidsregel richt zich op de erfvergrotingen tot en met een erfoppervlakte van 2,5 ha binnen het in het nieuwe bestemmingsplan veehouderijen aangegeven zoekgebied uitbreiding. De beleidsregel komt zo in de plaats van flexibiliteitsbepalingen in het bestemmingsplan. Maar zoals aangegeven zijn die op grond van de stikstofproblematiek lastig in het bestemmingsplan op te nemen. Hierbij geldt 2,5 ha als bruto maat. De ruimte voor bebouwing zal geringer zijn vanwege de inrichtingsprincipes, zoals de eis dat tussen de grens van de bedrijfskavel en de bebouwing 10 meter moet zitten (aan de niet naar de weg gekeerde grenzen) en de landschappelijke inpassing, die ook binnen de 2,5 ha moet worden gerealiseerd. Een grotere oppervlakte dan 2,5 ha. wordt niet uitgesloten. Hiervoor blijft het Beleidskader Erfvergroting >2,5 - 3,5 ha’ (januari 2015) van toepassing, met dien verstande dat dan bij veehouderijen ook voldaan moet worden aan onderstaande voorwaarden. Met andere woorden wanneer sprake is van een aanvraag voor het vergroten van het 2

erf voor een veehouderij waarbij de omvang van het zoekgebied (2,5 ha) wordt gepasseerd, zijn zowel de voorwaarden uit het beleidskader ‘Erfvergroting > 2,5 – 3,5 ha’ als de voorwaarden uit onderhavige beleidsregel ‘Uitbreiding bedrijfserven met veehouderij’ van toepassing.

3. Voorwaarden voor uitbreiding van de veehouderijen (tot 2,5 ha) Om mee te kunnen werken aan de uitbreiding van een veehouderijbedrijf ten opzichte van de mogelijkheden in het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ gelden de volgende voorwaarden. Daarbij moet aan alle voorwaarden worden voldaan. In een onderbouwing bij de aanvraag omgevingsvergunning moet dit worden onderbouwd. In bijlage 2 hebben we de eisen aan de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. In de volgende paragraaf worden de voorwaarden nader toegelicht. 1.

Uitbreiding vindt plaats binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - zoekgebied', zoals aangegeven binnen het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’.

2.

Uitbreiding van bestaande veehouderijbedrijven is mogelijk indien het gaat om een duurzame vorm van veehouderij. Daarvan is sprake als: -

voldaan wordt aan de Maatlat duurzame veehouderij of diens opvolger, of

-

het een innovatieve, duurzame vorm van veehouderij betreft, die (nog) niet in de Maatlat is opgenomen, maar daar wel goed in zou passen.

3.

Aangetoond moet worden dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten in omliggende Natura 2000gebieden.

4.

Uitbreiding van een veehouderijbedrijf vindt in beginsel plaats op de eigen locatie. Hiervan kan worden afgeweken in de volgende gevallen: -

situaties waarbij een bedrijfskavel wordt benut door een bestaand veehouderijbedrijf als tweede locatie, of

-

situaties waarbij een bedrijfskavel wordt benut waar in het verleden wel sprake was van een veehouderijbedrijf als hoofd- of neventak, of

-

situaties waarbij een veehouderij uit de gemeente Dronten een vervangende locatie zoekt in verband met bijvoorbeeld een woningbouwontwikkeling of om te verplaatsen op grotere afstand van Natura 2000-gebieden. In dat geval moet wel gegarandeerd zijn dat op de vrijkomende locatie niet opnieuw een veehouderij zich kan vestigen.

Ook het opstarten van een neventak veehouderij op erven waar er nu nog geen sprake is van veehouderij is niet mogelijk. Hiervoor geldt als uitzondering een neventak veehouderij bij een akkerbouwbedrijf, als dit nodig is om grondstoffen of reststromen uit de verschillende sectoren te benutten in het kader van een omslag naar kringlooplandbouw. 5.

Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Door middel van een landschappelijk inpassingsplan wordt aangetoond dat de bebouwing aan de niet naar de weg gekeerde zijden wordt omgeven door een erfsingelbeplanting met een breedte van ten minste 6,00 m of een kavelbeplanting ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt’, met de volgende uitgangspunten: -

Gebruik maken van inheemse boomsoorten;

-

er sprake is van een kruid-, struik- en boomlaag;

-

bij aangrenzende percelen, waarbij de erfsingelbeplanting naast elkaar ligt, de gezamenlijke breedte van de erfsingelbeplantingen ten minste 6,00 m dient te bedragen, waarbij aan weerszijde van de kavelsloot de breedte van de erfsingelbeplantingen ten minste 3,00 m dient te bedragen; 3

Indien de situatie op het betreffende erf dit wenselijk of noodzakelijk maakt vanwege een doelmatige bedrijfsvoering, kan worden voorzien in afwijkende erfbeplanting of kavelbeplanting, mits er maar sprake blijft van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; Bij de landschappelijke inpassing dient tevens een bijdrage worden geleverd aan de versterking van de biodiversiteit. 6.

Verantwoord moet worden op welke wijze is overwogen of bijdragen mogelijk zijn aan de energietransitie en de klimaatadaptatie.

7.

Verantwoord moet worden op welke manier overleg met de omliggende functies en bedrijven heeft plaatsgevonden.

8.

Het bouwplan moet voldoen aan de bouwregels van de bestemming Agrarisch uit het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’, tenzij de eisen van MDV om andere maatvoeringen vragen.

4. Toelichting op de voorwaarden voor uitbreiding v an de veehouderijen Ad 1: De beleidsregel richt zich op de mogelijkheid om uit te breiden binnen het erf van 2,5 ha, zoals aangegeven in het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’. Ad 2: Zoals onder punt 3 al is onderbouwd, willen we recht doen aan de diversiteit aan bedrijfsconcepten in de veehouderij en vooral kwalitatief sturen op verduurzaming van de sector. Dat kan goed met toepassing van de Maatlat duurzame veehouderij (MDV). Een Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stal is een veestal met een lagere milieubelasting, met maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij. Een MDVstal voldoet aan strenge duurzaamheidseisen op de thema’s: ammoniakemissie, bedrijf & omgeving, diergezondheid, dierenwelzijn, fijn stof, brandveiligheid en klimaat. MDV is ontwikkeld voor de diercategorieën pluimvee (eenden, leghennen, vleeskalkoenen, vleeskuikens), konijnen, melkgeiten, melkvee, varkens, vleeskalveren en vleesvee. Voor deze veestallen zijn er maatregelen voor de volgende thema's: −

Ammoniakemissie: Stallen dienen voorzien te zijn van een ammoniakemissiereducerend systeem dat de emissie meer reduceert dan wettelijk verplicht wordt gesteld in Besluit Huisvesting.

−

Bedrijf & omgeving: Dit thema is uitgewerkt in vier onderwerpen. Landschap is daarvan het belangrijkste. De andere zijn omgevingsgerichtheid, verstoring (geur, geluid, licht) en water.

−

Brandveiligheid: Bij dit thema zijn de maatregelen gebaseerd op: o preventie dat stalbrand ontstaat o het bestrijden van een stalbrand o de impact van een ontstane brand beperken

−

Dierenwelzijn: In de stallen dienen maatregelen te zijn getroffen om het welzijn te verbeteren, bij de puntenwaardering voor de maatregelen is uitgegaan van de meerwaarde voor het dier.

−

Diergezondheid: Bij dit thema zijn de maatregelen gebaseerd op drie uitgangspunten: preventie dat ziekten het bedrijf binnenkomen, verhinderen dat een ziekte zich binnen het bedrijf verspreidt en het verbeteren van de weerstand van het dier in de stal.

4

−

Klimaat: De maatregelen dragen bij om CO2-uitstoot terug te dringen via energiebesparing en opwekking van duurzame energie ten behoeve van het eigen gebruik. Daarnaast zijn er maatregelen opgenomen die de uitstoot van broeikasgassen (methaan, lachgas) uit de stal verminderen. Het betreft maatregelen die uitgevoerd kunnen worden bij drijfmestsystemen.

−

Fijnstof: De maatregelen zijn gericht op de emissiereductie van fijnstof naar het milieu en het verminderen van fijnstof in de dierverblijven.

−

Mest en Mineralen (niveau A): Betreft het sluiten van mineralenkringlopen.

−

Biodiversiteit (niveau A): Dit thema is gericht op het behoud van blijvend grasland.

In de MDV zijn veel typen veehouderijen verwerkt, maar deze is niet uitputtend. Bovendien duurt het enige tijd voordat een nieuw staltype is opgenomen in MDV. Daarom is een uitzondering in de voorwaarden opgenomen, zodat innovatieve staltypen of een stal voor een diersoort dat (nog) niet is opgenomen in MDV ook binnen de voorwaarden past. MDV wordt beheerd door het onafhankelijke duurzaamheidsplatform SMK. SMK werkt al meer dan 25 jaar voor het bedrijfsleven aan het verduurzamen van producten en bedrijfsvoering. SMK doet dat samen met een uitgebreid netwerk van overheden, producenten, brancheorganisaties (zoals LTO), maatschappelijke organisaties, retailers, adviesbureaus, wetenschap en ketenpartijen. De drie SMK Colleges van Deskundigen stellen objectieve criteria vast voor duurzamere productie en bedrijfsvoering. Veestallen die in aanmerking willen komen voor het certificaat Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) worden door onafhankelijke certificatie-instellingen gecontroleerd op basis van het MDV-certificatieschema. Op die manier wordt MDV up to date gehouden. Voor meer informatie over MDV: https://www.maatlatduurzameveehouderij.nl/31/home.html Bij het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning dient initiatiefnemer een afschrift van het ontwerpcertificaat voor het stalontwerp te overleggen c.q. dat gebruik wordt gemaakt van een reeds gecertificeerde stal.

In geval van een ontwerpcertificaat wordt bij omgevingsvergunning als voorwaarde gesteld, dat na oplevering (na maximaal 2 jaar) de definitieve certificering wordt aangeleverd. Bouwen in meer bouwlagen We hebben overwogen om ook de eis te stellen aan stallen dat niet gebouwd mag worden met meerdere vloeren waar dieren worden gehouden. Dit om ‘varkensflats’ en dergelijke te voorkomen. We hebben daar niet voor gekozen, omdat de eis van MDV voldoende waarborgt dat het om een duurzame stal gaat. Binnen MDV zijn overigens niet of nauwelijks dergelijke stallen met meer bouwlagen gecertificeerd. Ad 3: De belangrijkste aanleiding voor het opstellen van deze beleidsregel is, dat de uitbreidingsmogelijkheden niet in het bestemmingsplan meegenomen kunnen worden vanwege de effecten op het gebied van stikstof. Daarbij is van belang dat op bestemmingsplanniveau dan het principe geldt van ‘maximale planologische mogelijkheden’. Ofwel: je moet de stikstofeffecten van alle mogelijkheden in het bestemmingsplan bij elkaar optellen. En dan is er geen uitvoerbaar bestemmingsplan te maken.

5

Op individuele basis zijn de mogelijkheden er wel om te zorgen dat er geen negatieve effecten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden. Dat kan door technische maatregelen, maar ook door externe saldering. Die zekerheid dat er geen negatieve effecten zijn op omliggende Natura 2000-gebieden kan worden verkregen door aan te tonen dat de ontwikkeling past binnen een geldende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming of van een positieve weigering op grond van deze wet of door voorafgaand aan de (omgevings)vergunningaanvraag eerst een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming te verkrijgen. Om die reden is deze voorwaarde in de beleidsregel opgenomen. Ad 4 Voor deze voorwaarde is overwogen dat de verwachting is dat het aantal agrarische bedrijven (en dus ook veehouderijen) in de komende jaren zal afnemen, bijvoorbeeld vanwege de stikstofproblematiek. In dat licht is de kans op nieuwvestiging gering. En mocht er wel behoefte ontstaan, dan bieden vrijkomende erven waarschijnlijk voldoende mogelijkheden. Er zijn een aantal uitzonderingen geformuleerd, waarbij er eigenlijk geen sprake is van nieuwvestiging maar van verplaatsing, uitbreiding van een bestaand bedrijf op een andere locatie of herstart. Ad 5 De voorwaarde voor landschappelijke inpassing geldt ook voor erfvergrotingen bij andere agrarische bedrijven in het bestemmingsplan ‘Buitengebied (D4000)’.

De regeling is daarmee vergelijkbaar. Voor een goede ontwikkeling van de erfsingelbeplanting, dient de minimale breedte 6,00 m te zijn en voorzien van een kruid-, struik- en boomlaag van inheemse soorten met gevarieerd assortiment (minimaal vijf soorten). Voor een doelmatige bedrijfsvoering, zoals voor ventilerende staltypen of vrije uitloopkippen, kan worden afgeweken van dit uitgangspunt. Door middel van bijvoorbeeld slimme soortenkeuze voor de landschappelijke inpassing kan erfsingelbeplanting ook bijdragen aan de biodiversiteit. Het gaat bij de landschappelijke inpassing dus niet alleen om het zicht op het erf, maar ook om bij te dragen aan de soortenrijkdom. Indien dit van meet af aan mee wordt ontworpen hoeft het niet kostbaarder te zijn. Het gaat om het nadenken of ook een bijdrage geleverd kan worden aan het versterken van de biodiversiteit. Ad 6 In de geest van de Omgevingswet zijn de voorwaarden 6 en 7 ingevuld. Daarbij is de gedachte dat bij een ontwikkeling ook nagedacht moet worden over het meekoppelen van opgaven bij een ontwikkeling. De energietransitie en de klimaatadaptatie zijn opgaven waaraan de komende jaren (verder) gewerkt moet worden. Daar waar er kansen liggen om daaraan bijdragen willen we deze benutten. Daarom hebben we deze expliciet benoemd. Overigens is in de Maatlat duurzame veehouderij ook het thema ‘Klimaat’ opgenomen.

Daarin gaat het om energiebesparing en gebruik van duurzame energie. Indien een initiatiefnemer daarvan gebruik maakt via de Maatlat wordt daar voor wat betreft energietransitie al aan voldaan. Ook ten behoeve van klimaatadaptatie kunnen kleine bijdragen eenvoudig worden ingepast in de inrichting van het vergrote erf. Bijvoorbeeld verharding dat water goed laat inzijgen of een groen dak met begroeiing. Ad 7 Mede in het licht van de Omgevingswet vinden we het belangrijk dat bij de planontwikkeling van een uitbreiding van een veehouderij waar mogelijk rekening wordt gehouden met de mening van omwonenden. Het gaat er niet 6

om dat er overeenstemming is met de buren, maar wel dat is kennisgenomen van de mening van omwonenden en is overwogen of eventuele wensen zijn in te passen in de ontwikkeling. Ad 8 Qua bouwmogelijkheden (bouwhoogtes, afstand tot erfgrens e.d.) moet vanzelfsprekend aangesloten worden bij de bouwregels uit het bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’. Mocht het noodzakelijk zijn om afwijkende maten te hanteren om een duurzame stal te kunnen bouwen, dan is dat bespreekbaar.

7

BIJLAGE 1 Gewijzigde

inzichten

t.o.v.

het

projectplan

‘Reparatie

bestemmingsplan

buitengebied’ Vanwege de ontwikkelingen in de stikstofproblematiek en de laatste ontwikkelingen in de jurisprudentie zijn de planuitgangspunten uit het projectplan in de eerste helft van 2020 tegen het licht gehouden. Deze planuitgangspunten uit het projectplan zijn samengevat de volgende: 1.

Bestemmen van de agrarische bedrijfskavels ten behoeve van bestaande veehouderijbedrijven;

2.

De agrarische bedrijfskavels (erven) worden voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfskavel’. Deze agrarische bedrijven mogen zowel veehouderijbedrijven als akkerbouwbedrijven zijn of een combinatie daarvan;

3.

Het omliggende zoekgebied wordt bestemd als agrarisch (onbebouwd) met de mogelijkheid voor uitbreiding van de agrarische bedrijfskavel (erf) tot maximaal 2,5 ha (aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – zoekgebied’);

4.

Uitbreiding van een agrarische bedrijfskavel (erf) tot maximaal 3,5 ha blijft maatwerk en wordt niet in het bestemmingsplan geregeld. Dit blijft uitsluitend via een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure mogelijk;

5.

De mogelijkheid voor intensief veehouderijbedrijf blijft conform de huidige regeling tot maximaal 3.500 m² aan bebouwing met een afwijkingsmogelijkheid tot 4.000 m² aan bebouwing;

6.

Onderzocht wordt in hoeverre en/of op welke manier het beleidsuitgangspunt: 7.000 m² aan bebouwing voor intensieve veehouderij meegenomen kan worden;

7.

Er wordt een regeling opgenomen die de ammoniakemissie / stikstofdepositie reguleert;

8.

Er worden voorwaarden gesteld aan het landschappelijk inpassingsplan conform de voorwaarden uit het bestemmingsplan “Buitengebied (D4000)” (erfsingelbeplanting met een breedte van ten minste 6,00 m (akkerweidegebied) / kavelbeplanting (fruitteeltgebied).

Onderzocht is op welke wijze de gemeente Dronten een soepele en minder kostbare procedure kan aanbieden ten behoeve van de erfvergroting van veehouderijbedrijven rekening houdend met de stikstofproblematiek. De conclusie is dat de jurisprudentie het de gemeente erg lastig maakt om de gewenste versoepeling door middel van een bestemmingsplan voor elkaar te krijgen. De kern van het probleem zit in het voorstel uit het projectplan om een afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan op te nemen voor uitbreidingen van veehouderijen, onder voorwaarde van een nog te verlenen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. De rechter zegt dat je dit dan moet hebben onderzocht in een Passende beoordeling (en MER) op het moment van vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan. Daarmee zouden oneindig veel mogelijkheden onderzocht moeten worden. Dat is bijna onmogelijk en ook zeer kostbaar. Daarmee zijn de uitgangspunten 3, 5 en 6 voor uitbreiding van een veehouderij of een veehouderijgedeelte van een gemengd bedrijf daarom binnen het bestemmingsplan lastig in te vullen. Op basis hiervan is besloten om twee sporen te bewandelen: 1.

een bestemmingsplan veehouderijen op te stellen waarin wordt uitgegaan van de huidige ammoniakemissies. Dit biedt ruimte voor interne saldering binnen een veehouderij en uitbreiding van akkerbouwtakken bij gemengde bedrijven of opslagloodsen e.d. In het bestemmingsplan worden de bedrijfskavels en de zoekgebieden voor uitbreiding vastgelegd tot erven van in totaal 2,5 ha. 8

2.

De uitbreidingen van de veehouderijen (anders dan met interne saldering) binnen de zoekgebieden, zoals vastgelegd in het nieuwe bestemmingsplan, worden mogelijk gemaakt met een toetsingskader in een beleidsregel gekoppeld aan een omgevingsvergunning (uitgebreide procedure). In de beleidsregels worden de voorwaarden als toetsingskader vastgelegd.

9

BIJLAGE 2 Eisen ruimtelijke onderbouwing In een ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag omgevingsvergunning moet worden onderbouwd dat aan de voorwaarden uit paragraaf 3 van deze beleidsregel wordt voldaan. Daarmee is het verzoek dan beleidsmatig voldoende onderbouwd. Daarnaast

moeten

daarin

enkele

omgevingsaspecten

worden

behandeld,

die

bij

elke

aanvraag

omgevingsvergunning (uitgebreide procedure) horen: −

Bodem: is er sprake van schone grond om op te bouwen?

−

Wat zijn de gevolgen voor omliggende functies op het gebied van geurhinder en luchtkwaliteit? Beide onderwerpen zijn vooral een onderwerp bij uitbreiding van een veehouderij met kippen of varkens. Maar ook bij een melkveehouderij dient de minimale afstand van 25 m op grond van de Wet geurhinder en veehouderij in acht te worden genomen. Luchtkwaliteit is van belang omdat dergelijke veehouderijen een belangrijke bron van fijnstof (PM10) zijn. Dit speelt met name een rol bij uitbreiding van een veehouderij met kippen.

−

Om de bouw van een veestal te kunnen realiseren, kan het wenselijk zijn om kavelsloten te verleggen of te dempen. Tevens zal er sprake zijn van toename van het verharde oppervlak. Om te beoordelen welke gevolgen dit heeft voor het watersysteem, kan eenvoudig de digitale watertoets worden doorlopen via www.dewatertoets.nl.

−

Voldoet de aanvraag aan de Wet natuurbescherming, met name t.a.v. de beschermde soorten. Desgewenst kan Flevolandschap hierbij ondersteunen.

−

Hoe verhoudt het bouwplan zich tot de archeologische bestemmingen? In de meeste gevallen heeft het zoekgebied op het erf de bestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Dat wil zeggen dat in deze zones sprake is van een gematigde archeologische verwachting. Pas bij ingrepen vanaf 1,7 ha (en dieper dan 0,40 m onder het maaiveld) is archeologisch onderzoek nodig.

−

Vormvrije m.e.r.-beoordeling: is er sprake van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Deze conclusie kan eenvoudig op basis van de hierboven genoemde punten worden getrokken.

10

bestemmingsplan Reparatie veehouderijen (D4100)

Bijlage 2 Nota vooroverleg en inspraak

19

Nota vooroverleg en inspraak Bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ Versie 23 november 2021

1

nota vooroverleg en inspraak

2

nota vooroverleg en inspraak

Inhoud 1.

Inleiding .......................................................................................................................................... 5

2.

Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro ...................................................................................................... 6

3.

Inspraak.......................................................................................................................................... 8

4.

Samenvatting voorgestelde aanpassingen op basis van de ingediende reacties ............ 22

5.

Ambtshalve aanpassingen ........................................................................................................ 23

Bijlage 1. Publicatie Bijlage 2. Reacties

3

nota vooroverleg en inspraak

4

nota vooroverleg en inspraak

1. Inleiding Voor u ligt de Nota vooroverleg en inspraak voor het voorontwerp bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’. Dit bestemmingsplan lag in de periode van 18 maart tot en met 14 april 2021 ter inzage voor een ieder. Daarnaast zijn enkele vooroverlegpartners uitgenodigd om deel te nemen aan het vooroverleg. In deze reactienota wordt ingegaan op de reacties die ontvangen zijn. Het bestemmingsplan wordt waar nodig aangepast naar aanleiding van de opmerkingen die in deze nota gemaakt zijn. De nota zelf wordt als bijlage bij de toelichting opgenomen bij het bestemmingsplan, welke vervolgens als ontwerp bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. In het navolgende worden de ontvangen reacties samengevat en voorzien van gemeentelijk beantwoording.

5

nota vooroverleg en inspraak

2. Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro In het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), zijn de provincie Flevoland en het waterschap Zuiderzeeland betrokken geweest bij de voorbereiding van het bestemmingsplan. Het concept is aan hen voorgelegd. In dat kader hebben beide instanties onderstaande reactie gegeven. Beide instanties hebben niet meer gereageerd op het voorontwerp bestemmingsplan. 1 1.1

Provincie Flevoland te Lelystad Beleidsregel: Er zitten in de huidige stikstofomstandigheden nog veel (juridische) onduidelijkheden, bijvoorbeeld ten aanzien van de aanstaande stikstofwet als ook op handen zijnde of komende jurisprudentie. Een clausule hiervoor in de Beleidsregel zou uitkomst kunnen bieden. a. Onder de voorwaarden wordt gesteld dan de Maatlat duurzame veehouderij niet

van toepassing is op een vergroting van een bestaande stal. Naar de mening van de provincie moet de Maatlat ook op stalvergrotingen van toepassing zijn. b. Vestiging van een nieuwe veehouderij wordt uitgesloten. Eén van de oplossingsrichtingen voor het stikstofprobleem dat de provincie momenteel onderzoekt, is het verplaatsen van veehouderijbedrijven vanaf de Veluwe naar Flevoland. Vanuit provinciaal belang zou het dan niet handig zijn wanneer Dronten een ban zet op bedrijfsverplaatsingen naar hun gemeente. c. De provincie is blij met de regels over erfsingelbeplanting o.a. wat betreft volledigheid (kruid-, struik- en boomlang), inheemse boomsoorten en bijdrage aan versterken biodiversiteit. Een voorlopig rapport van de WUR heeft uitgewezen dat windsingels rondom veehouderijbedrijven significant bijdragen aan het terugdringen van deposities in Natura 2000-gebieden, maar daarbij was sprake van bredere erfsingels. Het zou een goede geste zijn om bij erfuitbreidingen bredere windsingels rondom veehouderijbedrijven verplicht te stellen. Commentaar: a. De beleidsregel is hierop aangepast. Als uitbreiding van de stal niet past binnen de

bedrijfskavel (dat past al in het bestemmingsplan, waardoor de beleidsregel dan niet van toepassing is), dan dient de uitbreiding van de stal in het zoekgebied ook te voldoen aan de Maatlat. b. Het gemeentelijk beleid blijft dat we geen nieuwvestiging van veehouderijen wensen. In geval van bijzondere omstandigheden op basis van het provinciale stikstofbeleid kan dat worden heroverwogen. Maar gelet op de provinciale belangen ligt dan het opstellen van een provinciaal inpassingsplan of projectbesluit eerder voor de hand. c. De regels voor erfsingels sluiten nu aan bij de regels voor de akkerbouwbedrijven. Die gelijkheid wensen wij te handhaven. 1.2

Voorkomen moet worden dat gemeentelijke en provinciale beleidsregels elkaar gaan frustreren. Het is dan ook goed om de een goede afstemming te blijven houden.

Commentaar: Vanzelfsprekend blijven we regelmatig afstemming zoeken met de provincie. 6

nota vooroverleg en inspraak

2 2.1

Waterschap Zuiderzeeland te Lelystad Bij uitbreidingen en/of bouwen binnen het zoekgebied kunnen waterschapsbelangen een rol spelen en derhalve vindt het waterschap het zinvol om in voorliggend bestemmingsplan daar aandacht aan te geven door bijvoorbeeld het opnemen van een korte waterparagraaf, mede vanwege de gedateerde waterparagraaf in Bestemmingsplan buitengebied Dronten

Commentaar: Mede op verzoek van het Waterschap is in het voorontwerp een waterparagraaf toegevoegd. 2.2

Tevens ziet het waterschap graag een verwijzing naar de digitale watertoets.

Commentaar: Deze verwijzing is opgenomen in de toelichting. 2.3

Het Waterschap doet een tekstvoorstel voor een verwijzing naar het Waterkader en De Uitbeelding.

Commentaar: De strekking van dit tekstvoorstel is overgenomen en opgenomen in de toelichting in paragraaf 4.6. 2.4 Het Waterschap doet een voorstel voor het opnemen van een verwijzing in de toelichting naar ‘beleid Inzake maaischouw, herprofilering en dempen van sloten’ Commentaar: Dit tekstvoorstel is overgenomen en opgenomen in de toelichting in paragraaf 4.6.

7

nota vooroverleg en inspraak

3. Inspraak Tijdens de inspraakperiode zijn er 14 inspraakreacties ingediend. In een later stadium is er nog een inspraakreactie ontvangen. In bijlage 2 treft u de ontvangen reacties aan. Hieronder is een samenvatting gegeven van de ontvangen inspraakreacties met daaronder de gemeentelijke beantwoording bij ‘commentaar’.

1.1

Inspraakreactie 1 Voorstel van indiener om ‘Regel 1.22 Bestaande stikstofdepositie’. Te vervangen door het onderstaande regel: Regel 1.22 Toegestane stikstofdepositie de stikstofdepositie ten gevolge van het beweiden en bemesten en het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren in de omvang: " zoals op het tijdstip van vaststelling van dit bestemmingsplan is toegestaan overeenkomstig: a. een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 respectievelijk artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt, zoals opgenomen in Bijlage 1 Overzicht veehouderijen met een toestemming Wet natuurbescherming, voor zover het daarin is opgenomen in de kolom Nb vergunning en zonder een *, dan wel b. (indien geen sprake is van een onherroepelijke vergunning als onder a bedoeld) de bestaande stikstofdepositie ten gevolge van het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren in de omvang zoals feitelijk aanwezig en planologisch legaal in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan." zoals op een later tijdstip is toegestaan overeenkomstig: c.

een onherroepelijke, edoch thans nog te verlenen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. Toelichting: Er is nog veel gaande op het gebied van vergunningverlening in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Er kan in de toekomst ook sprake zijn van thans nog te vergunnen, maar indien vergund dus ook een toegestane toename van de stikstofdepositie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan externe saldering, het toepassen van de hardheidsclausule en/of andere bijzondere omstandigheden. Door de opname van lid c. worden ook deze toekomstige (dus thans nog niet vergunde) toenames, die echter wel na vergunningverlening dus wel zijn toegestaan binnen de kaders van de Wet natuurbescherming (Wnb), ook planologisch mogelijk gemaakt. Omdat deze toenames separaat worden beoordeeld en vergund, hoeven deze toenames daardoor dus niet binnen de kaders van het bestemmingsplan worden beschouwd.

8

nota vooroverleg en inspraak

Commentaar: Volgens de Wet natuurbescherming (Wnb) mag een bestemmingsplan niet leiden tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Daarom zijn hiervoor specifieke regels in de agrarische bestemming opgenomen. Het bestemmingsplan moet namelijk uitsluiten dat de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden toeneemt. Daarbij heeft de jurisprudentie in de afgelopen jaren duidelijk gemaakt dat een regeling waarbij de maximale ammoniakdepositie per veehouderij wordt vastgelegd door de Raad van State aanvaardbaar wordt geacht. Hiertoe zijn de betreffende regeling ‘strijdig gebruik stikstof’ in het bestemmingsplan opgenomen, waarbij de maximale toegestane ammoniakdepositie is vastgelegd. Deze mag niet toenemen ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Over de formulering en de peildatum daarvan is inmiddels veel jurisprudentie verschenen. De meest duidelijke uitspraak betreft de uitspraak van de Raad van State van 1 juni 2016 met betrekking tot het bestemmingsplan "Buitengebied 2014" van de gemeente Weststellingwerf; 201501041/1/R4. Daaruit kan worden afgeleid: a. voor bestaand t.a.v. ammoniakemissie dient de gemeente uit te gaan van het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

Deze peildatum heeft te maken met de formulering in de Wet natuurbescherming, waarin is aangegeven dat het bestuursorgaan (in dit geval de gemeenteraad) bij het nemen van het besluit tot vaststellen van het plan de zekerheid moet hebben dat als gevolg van het plan geen aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden zal optreden. b. Geldende vergunningen of toestemmingen op grond van de Wet natuurbescherming (bijv. meldingen PAS) ten tijde van de vaststelling mogen als ‘bestaand’ worden gezien. Daarvoor is immers vastgesteld dat deze niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. De zekerheid, die onder a) is benoemd, kan de gemeenteraad bij de vaststelling alleen geven over de op dat moment al verleende vergunningen of toestemmingen. Met eventueel in de toekomst nog te verlenen vergunningen mag geen rekening worden gehouden. Immers de raad weet niet welke dat zijn. Het voorgestelde onderdeel c. van de regeling is daarmee in strijd. Hoewel we begrip hebben voor de gevraagde aanpassing, maakt de jurisprudentie het ons niet mogelijk om deze inspraakreactie te honoreren. 1.2

Verder stelt indiener voor om regel 3.5.2 als volgt aan te passen (aanpassingen onderstreept) Artikel 3 Agrarisch Regel 3.5.2 Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het beweiden en bemesten en het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren waarbij er sprake is van een vergunningplichtige toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf, en waarbij de ondernemer niet beschikt over een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming. Toelichting: Door de toevoeging van het woord vergunningplichtige wordt voorkomen dat geringe toenames die niet vergunningplichtig zijn, planologisch toch niet zijn toegestaan, terwijl deze toename in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) dus wel zijn toegestaan.

9

nota vooroverleg en inspraak

En door de toevoeging van het laatste deel wordt voorkomen, dat als er in de toekomst wel een Wnb-vergunning wordt verkregen voor een toename van de stikstofdepositie, deze toename alsnog strijdig is met het bestemmingsplan. Commentaar: Doordat de omliggende Natura 2000-gebieden al overbelast zijn voor wat betreft stikstof, zal elke toename van de depositie, hoe gering ook, meteen significant zijn. En daarmee in strijd met de Wet natuurbescherming. Daarom wordt de reactie niet overgenomen. En als een ondernemer kan aantonen dat de depositie niet toeneemt (bijv. via interne saldering), is een dergelijke situatie niet in strijd met art. 3.5.2. En de uitspraak Logtse Baan heeft duidelijk gemaakt dat er in zo’n geval ook geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. En als er wel sprake is van een toename van de depositie zal er altijd sprake zijn van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. 1.3

Beleidsregel uitbreiding bedrijfserven met veehouderij Indiener stelt voor om de onderstaande voorwaarde nr. 3, vermeld op pagina 3 van deze beleidsregel: 3. Aangetoond moet worden dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten in omliggende Natura 2000-gebieden. Indien de ondernemer beschikt over een rechtsgeldige vergunning op grond van de Wet natuurbescherming dan is deze zekerheid verkregen. Te vervangen door onderstaande voorwaarde: 3. Aangetoond moet worden dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten in omliggende Natura 2000-gebieden. Indien de ondernemer beschikt over: − een rechtsgeldige vergunning op grond van de Wet natuurbescherming; − een door de gemeente Dronten of provincie Flevoland goedgekeurde Aeriusberekening, waaruit blijkt dat er bij de erfuitbreiding geen sprake is van een vergunningplicht; dan is deze zekerheid verkregen. Toelichting: Door de Logtsebaan-uitspraak, zijn flink wat zaken thans niet meer vergunningplichtig.

Commentaar: Zie het commentaar bij 1.2. Als er geen sprake is van een vergunningplicht, dan zal er geen sprake zijn van een toename van de depositie en is dit op basis van art. 3.5.2 al toegestaan. Het bestemmingsplan biedt deze mogelijkheid al en daarom is het aanpassen van de beleidsregel daarvoor overbodig.

10

nota vooroverleg en inspraak

2.1

Inspraakreactie 2 Indiener vindt het vermelde onder artikel 1.22 bestaande stikstofdepositie, lid b: " (indien geen sprake is van een onherroepelijke vergunning als onder a bedoeld) de bestaande stikstofdepositie ten gevolge van het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren in de omvang zoals feitelijk aanwezig en planologisch legaal in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan." te onduidelijk en dringt erop aan om de situatie zoals genoemd in de ‘Melding Activiteitenbesluit’ te hanteren als bestaande situatie.

Commentaar: Zie het commentaar bij 1.1. met aanvullend: Hoe feitelijk aanwezig wordt beoordeeld, is uitgelegd in de toelichting (zie hoofdstuk 2). Dat wordt gebaseerd op: • omgevingsvergunningen (onderdeel milieu) en meldingen op grond van het Activiteitenbesluit; • recente milieucontroles van de omgevingsdienst; • de fiscale jaarrekening van de ondernemer; • de meest recente gegevens die de ondernemer heeft ingediend bij het CBS voor de landbouwtelling. Volgens jurisprudentie gaat het om de daadwerkelijk aanwezige situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Als uit recente milieucontroles blijkt dat de situatie overeenkomt met de milieutoestemming, dan wordt daar gebruik van gemaakt. Als dat onvoldoende zeker is, dan wordt de ondernemer gevraagd om het te onderbouwen aan de hand van de onderste twee punten.

3.1

Inspraakreactie 3 Indiener verzoekt om artikel 1 lid 1.22 te wijzigen en bij de bestaande stikstofdepositie uit te gaan van de milieuvergunde situatie. Verder verzoek ik u om het betreffende artikel duidelijker te maken. Toelichting Dit bestemmingsplan geeft enerzijds ruimte aan veehouderijen, anderzijds wordt de ruimte beperkt door de stikstofregels in dit plan. De stikstofdepositie mag niet toenemen ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie. Door de definitie van de bestaande stikstofdepositie worden daarmee de veehouderijmogelijkheden beperkt op de locaties van cliënt. In paragraaf 1.22 van artikel 1 wordt de definitie van de bestaande stikstofdepositie gegeven: a. De bestaande Wnb vergunning met de bijbehorende depositie. Reactie hierop: 1. Hier ontbreekt de omgevingsvergunning met een VVGB (verklaring van geen

11

nota vooroverleg en inspraak

bedenkingen). Deze moet hierbij nog toegevoegd worden. b. Als er geen Wnb vergunning is, dan geldt de depositie ten gevolge van het gebruik “in de omvang zoals feitelijk aanwezig en planologisch legaal in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan” Reactie hierop: 2. Het is niet duidelijk wat ‘feitelijk aanwezig’ is. Daarom hier vermelden: “dat wat feitelijk aanwezig is waarmee bedoeld wordt waar de milieutoestemming (vergunning of melding) voor is” 3. Het is niet duidelijk wat bedoeld wordt met “in de periode van 1 jaar voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan”. Daarom hier vermelden: “op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan” Commentaar: 1. Dit is een terecht punt en wordt aangepast. De omgevingsvergunning met VVGB wordt opgenomen in artikel 1.22, onderdeel a. 2. Hoe feitelijk aanwezig wordt beoordeeld, is uitgelegd in de toelichting (zie hoofdstuk 2). Dat wordt gebaseerd op: • omgevingsvergunningen (onderdeel milieu) en meldingen op grond van het Activiteitenbesluit; • recente milieucontroles van de omgevingsdienst; • de fiscale jaarrekening van de ondernemer; • de meest recente gegevens die de ondernemer heeft ingediend bij het CBS voor de landbouwtelling. Volgens jurisprudentie gaat het om de daadwerkelijk aanwezige situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan.

Als uit recente milieucontroles blijkt dat de situatie overeenkomt met de milieutoestemming, dan wordt daar gebruik van gemaakt. Als dat onvoldoende zeker is, dan wordt de ondernemer gevraagd om het te onderbouwen aan de hand van de onderste twee punten. 3. Volgens jurisprudentie gaat het om de daadwerkelijk aanwezige situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Alleen betreft het dan een momentopname op 1 dag. De jurisprudentie laat toe dat je dat op een ruime manier mag beoordelen. De feitelijke situatie wordt dus ‘in redelijkheid’ vastgesteld wat de veebezetting meestal was in een periode van 1 jaar voor de vaststelling.

4.1

12

Inspraakreactie 4 Artikel 3.5.2 van de planregels De opname van deze planregel is begrijpelijk en in lijn met de huidige opzet van bestemmingsplannen. Het houdt in dat als een bedrijf wil uitbreiden qua gebouwen en/of aantallen dieren dit binnen het bestaande ammoniakdepositieplafond moet blijven. Dus door toepassing van emissiebeperkende technieken op de bestaande gebouwen kunnen er nieuwe dierenverblijven gerealiseerd worden. Dat is bekend als “intern salderen". Deze planregel is opgenomen vanwege de Wet natuurbescherming, waarvan de uiteindelijke bevoegdheid bij Gedeputeerde Staten van Flevoland ligt. In provincie Flevoland is het vanaf het najaar 2020 ook mogelijk om extern te salderen. nota vooroverleg en inspraak

Een veehouder kan dan stikstof van een andere veehouder verwerven en daarmee depositieneutraal uitbreiden. De stikstof die hij aankoopt wordt bovendien 30% afgeroomd, waardoor er feitelijk een aanzienlijk afname van stikstofdepositie zal zijn. Het voorontwerp bestemmingsplan kent geen flexibiliteitsbepaling daarvoor. Voor een werkbaar bestemmingsplan is het aanbevelenswaardig om onder artikel 3.6(.2) een afwijkingsbevoegdheid op te nemen dat afgeweken kan worden van artikel 3.5.2 op voorwaarde dat (bijvoorbeeld) via een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is geborgd dat de uitbreiding van het bedrijf geen toename van stikstofdepositie tot gevolg heeft. Op het moment dat een dergelijke flexibiliteitsbepaling ontbreekt moet er namelijk na een kostbare aankoop van stikstof ook nog eens kostbare en tijdrovende partiële herziening van het bestemmingsplan plaatsvinden, wat ongewenst wordt geacht voor zowel de veehouders als ook voor wat betreft de druk op de ambtelijke organisatie en het bestuur. Commentaar: Zie het commentaar onder 1.1. Aanvullend: uit jurisprudentie blijkt dat het niet mogelijk is om een flexibiliteitsbepaling op te nemen die als voorwaarde heeft een in de toekomst nog te verlenen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming.

Dat zou betekenen dat je bij de voorbereiding van het bestemmingsplan onderzoek moet doen naar alle mogelijk te verlenen vergunningen. Dat is ondoenlijk. Om die reden is een dergelijke flexibiliteitsbepaling niet binnen het bestemmingsplan opgenomen, maar is gekozen voor een alternatieve flexibiliteitsbepaling buiten het bestemmingplan om, namelijk via de beleidsregel. Hiertoe kan dan een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Indien de gemeenteraad bereid is om daarvoor een algemene verklaring van geen bedenkingen af te geven, dan is deze procedure een kortere procedure dan een partiële herziening van het bestemmingsplan. 4.2

Afstand bedrijfswoning tot grens bedrijfskavel In artikel 3.2.1 sub e wordt voorgeschreven dat de afstand van bedrijfswoningen tot de naar de weg gekeerde grens/grenzen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel' ten minste 15,00 meter moet bedragen. Anders dan bij artikel 3.2.1 sub h wordt in dit artikel niet afgesloten met de zinssnede: “tenzij het bestaande bebouwing betreft die op een kleinere afstand is gelegen, in welk geval de bestaande afstand als minimum geld". Indiener trof enkele percelen waarbij de woning dichterbij de grens van de bedrijfskavel stond dan 15 meter. Dit kan voor lange kostbare procedures zorgen als die woningen opnieuw opgebouwd moeten worden. Om dat te ondervangen is het aan te bevelen om dezelfde “tenzij" voor deze planregel op te nemen als bij 3.2.1 sub h.

Commentaar: Dit is een terecht punt. Hieraan wordt tegemoet gekomen door aan artikel bij 3.2.1 sub h toe te voegen: “tenzij het bestaande bebouwing betreft die op een kleinere afstand is gelegen, in welk geval de bestaande afstand als minimum geldt”.

13

nota vooroverleg en inspraak

4.3

Toepassing afwijkingsbevoegdheid bouwen in zoekgebied In artikel 3.2.1 sub c van de planregels wordt voorgeschreven dat de gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen de grenzen van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel' mogen worden gebouwd. Artikel 3.2.1 sub h voegt daaraan toe dat er binnen 10 meter van de grens van het bedrijfskavel niet gebouwd mag worden. Artikel 3.4 sub b geeft de mogelijkheid om buiten het bouwvlak, in het zoekgebied te bouwen. Dat artikel lijkt niet goed te verwijzen. Er zou ook een verwijzing naar 3.2.1 sub h. moeten worden opgenomen, zodat ook kan worden afgeweken van de 10 m.

Commentaar: Deze opmerking is terecht. De regels worden hierop aangepast door in artikel 3.4, sub b toe te voegen: lid 3.2.1 sub h. 4.4 Oudebosweg 32 te Dronten Archeologie 3 Op dit perceel rust de dubbelbestemming “archeologie 3". In artikel 8 staan de bepalingen genoemd van welke gelden voor de dubbelbestemming. Hier wordt gesproken over 'specifieke vorm van waarde - archeologie Swifterbantgebied", het lijkt alsof deze archeologische waarde (dubbelbestemming) per abuis op deze locatie is geland, want het ligt op grote afstand van het veel noordelijker gelegen Swifterbant. Voor Oudebosweg 32 is in 2009 een archeologisch onderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat er geen archeologische waarden te verwachten zijn. Commentaar: De archeologische bestemming is ten onrechte opgenomen binnen de bedrijfskavel. Voor het zoekgebied blijft deze wel gelden. De archeologische bestemming wordt verwijderd uit de bedrijfskavel. Geconstateerd is dat de archeologische bestemming ook op andere bedrijfskavels voorkwam. Deze worden ook verwijderd. 4.5 Oudebosweg 15 te Dronten Afstand zuidelijke bedrijfskavel grens tot rand bedrijfskavel Aan de zuidzijde van het perceel is de afstand tussen de gevel van de stal en de bedrijfskavel ongeveer 8 meter. Op grond van artikel 3.2.1 sub h van de planregels wordt aangegeven dat die afstand minimaal 10 meter dient te bedragen.

Tenzij het bestaande bebouwing betreft, dan geldt de kortere afstand. Bij een uitbreiding van de bestaande vleeskalverenstal in oostelijke richting zou dat niet mogelijk zijn. Verzocht wordt om het bedrijfskavel aan de zuidzijde zo te wijzigen dat er minimaal 10 meter tussen de zijgevel van de vleeskalverenstal en de rand van de bedrijfskavel ontstaat.

14

nota vooroverleg en inspraak

Commentaar: Hieraan wordt tegemoet gekomen. De aanduiding ‘bedrijfskavel’ wordt aan de zuidzijde iets vergroot en op de kadastrale grens gelegd. Daarmee bedraagt de afstand tussen de stal en de grens van de bedrijfskavel wel 10 m en is er mogelijkheid voor het vergroten van de stal. Tevens is de aanduiding ‘bedrijfskavel’ aangepast om recht te doen aan het uitgangspunt van rechthoekige erven. 4.6

Olsterpad 7 te Dronten Vorm bedrijfskavel / zoekgebied Aan de zuidwestzijde van het perceel is de afstand tussen de gevel van de stal en de bedrijfskavel krap 6 meter. Op grond van artikel 3.2.1 sub h van de planregels wordt aangegeven dat die afstand minimaal 10 meter dient te bedragen. Tenzij het bestaande bebouwing betreft, dan geldt de kortere afstand. Als inspreker een nieuwe stal in het verlengde wil bouwen van de bestaande stal dan is het onlogisch om de stal te laten verspringen. Dat is stedenbouwkundig ongewenst. Daarom is het wenselijk om het bedrijfskavel en zoekgebied aan die zijde te vergroten. Inspreker acht het echter wenselijk om aan de zuidwestzijde van het perceel meer bedrijfskavel / zoekgebied te hebben. Op een afbeelding in de inspraakreactie zijn de kadastrale grenzen weergegeven, cliënt is eigenaar van kadastraal perceel 1758, de rest van de gronden zijn pacht. Derhalve zou hij zoveel mogelijk bedrijfskavel op dat perceel willen hebben omdat het de verwachting is dat juist daar agrarische bedrijfshulpgebouwen gerealiseerd worden het verzoek is dan ook het bedrijfskavel en zoekgebied als zodanig te vervormen. Ontbreken Wnb vergunning in bijlage 1 Voor Olsterpad 7 is op 9 mei 2018 een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming afgegeven door Gedeputeerde Staten van Flevoland met kenmerk 2205523.

Deze vergunning is niet opgenomen in bijlage 1 van de planregels. Het verzoek van inspreker is om deze alsnog te vermelden.

Commentaar: Vorm bedrijfskavel: Hieraan wordt gedeeltelijk tegemoet gekomen door de bedrijfskavel aan zuidwestelijke zijde te verruimen van 8 m naar 10 m vanaf de zuidwestelijke gevel van de stal. Het zoekgebied komt in het verlengde van de bedrijfskavel van de weg gezien, rekening houdend met hetgeen eerder genoemd wordt over het aanpassen van de bedrijfskavel aan de zuidwestelijke zijde. Op deze manier blijft sprake van een rechthoekig erf, waarbij de diepte vanaf de weg langer is dan de breedte, zoals gebruikelijk binnen de gemeente. Wnb-vergunning: De betreffende vergunning is verleend met gebruikmaking van het PAS en de Passende beoordeling die daartoe ter onderbouwing is gemaakt. Dit programma is, als gevolg van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, sinds mei 2019 buiten werking gesteld. Daarmee geldt deze vergunning vooralsnog niet meer. We zullen de betreffende vergunning in bijlage 1 opnemen, met de kanttekening dat dat deze niet geldend is (vergelijkbaar met de PAS meldingen).

15

nota vooroverleg en inspraak

4.7

Rietweg 30 te Biddinghuizen Dakhelling versus serrestal Inspreker heeft met vergunning een serrestal staan. In artikel 3.2.1 sub m wordt aangegeven dat de minimale dakhelling 15 graden en de maximale dakhelling 60 graden moet bedragen. In de wijze van meten, artikel 2.1 van de planregels, beschrijft dat de dakhelling wordt gemeten “langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak". De vraag is echter hoe dat uitpakt voor het type stal dat cliënten hebben, aangezien er geen sprake is van een dak met recht zijden maar sprake is van bollende lijnen.

Commentaar: Het uitgangspunt voor bebouwing is met een kap met dakhelling. Om afwijkende vormen toe te staan binnen de omkleding van een erfsingelbeplanting wordt binnen het bouwschema dit mogelijk gemaakt. Zie ** ** op de gronden die niet zijn voorzien van de aanduiding 'fruitteelt' is deze regeling niet van toepassing, zodat op deze gronden ook afwijkende vormen van bedrijfsgebouwen, zoals boogstallen, zijn toegestaan, met dien verstande dat een plat dak niet is toegestaan; 4.8

Rietweg 48 te Biddinghuizen Onjuiste Wnb vergunning in bijlage 1 Voor Rietweg 48 wordt genoemd dat er in bijlage 1 van de planregels een Nbvergunning én een PAS melding zou zijn. De vergunning waar naar gerefereerd wordt van 22 augustus 2014- betreft een geweigerde vergunning. Aangezien het bestaand recht, conform artikel 1.22 van de planregels, gebaseerd wordt op de in bijlage 1 genoemde vergunning zou dit tot verwarring kunnen leiden, immers er is in die vergunning geen stikstof vergund, dus zou er altijd sprake zijn van een toename. De PAS-melding die genoemd wordt is wel de juiste. Inspreker zit, zoals vele andere veehouders in Flevoland, in het legalisatietraject. Het verzoek is dus om de genoemde Nb-vergunning uit de bijlage 1 te halen en de PAS melding te laten staan.

Commentaar: Hieraan wordt tegemoet gekomen. De betreffende Nb vergunning wordt verwijderd uit bijlage 1 van de planregels. 4.9 Harderringweg 19 te Biddinghuizen Harderringweg 29 te Biddinghuizen wordt niet genoemd in bijlage 1 van de planregels. Voor dit perceel is op 23 oktober 2015 een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming afgegeven door GS van Gelderland met zaaknummer 2015009287. Gelieve deze alsnog op te nemen in bijlage 1. Commentaar: Hieraan wordt tegemoet gekomen. De betreffende Nb vergunning wordt opgenomen in bijlage 1 van de planregels.

16

nota vooroverleg en inspraak

5.1

Inspraakreactie 5 Inspreker verzoekt om voor de Roggebotweg 24 in bijlage 1 van de regels de laatst vergunde natuurvergunning op te nemen. Voor de Roggebotweg 24 is op 5 februari 2015 een natuurvergunning afgegeven door de provincie Overijssel. Echter op 20 februari 2015 is door de provincie Gelderland ook een Natuurbeschermingswetvergunning afgegeven. Omdat deze vergunning later verleend is, moet deze opgenomen worden in de bijlage 1 “Overzicht veehouderijen met een toestemming Wet Natuurbescherming”.

Commentaar: Hieraan wordt tegemoet gekomen. De laatst verleende vergunning wordt in de bijlage 1 van de planregels opgenomen.

6.1

Inspraakreactie 6 Inspreker beschikt overeen onherroepelijke Natuurbeschermingswetvergunning van 20 oktober 2015. Indiener verzoekt om de bijgevoegde Natuurbeschermingswetvergunning ook op te nemen in bijlage 1 bij de regels van het bestemmingsplan.

Commentaar: Hieraan wordt tegemoet gekomen. De vergunning d.d. 20 oktober 2015 met kenmerk 2015006859 wordt toegevoegd aan bijlage 1 van de planregels.

7.1

Inspraakreactie 7 In bijlage 1 van de planregels zijn de vergunningen en PAS-meldingen in het kader van de Wet natuurbescherming opgenomen. Uit controle blijkt dat de geregistreerde PAS-melding voor de Roggebotweg 28 te Dronten niet is opgenomen. Het bedrijf beschikt over een geregistreerde PAS melding met kenmerk 13ApKhZMVz en datum 1 juli 2015. De geregistreerde PAS-melding is als bijlage 1 opgenomen. Indiener verzoekt om de geregistreerde PAS-melding op te nemen in bijlage 1 van de planregels.

Commentaar: Omdat de vergunning rechtsgeldig is en de PAS-melding nog gelegaliseerd moet worden, is ervoor gekozen om de vergunning te vermelden. Er is geen bezwaar om de PAS-melding daar aan toe te voegen. De betreffende PAS-melding wordt opgenomen in bijlage 1 van de planregels.

17

nota vooroverleg en inspraak

8.1

Inspraakreactie 8 In het betreffende voorontwerp bestemmingsplan heeft de bedrijfskavel (erf) Elandweg 46 te Swifterbant een aanduiding ‘akkerbouw. Dat is onjuist. Er is namelijk sprake van een gemengd bedrijf: akkerbouw en vee (vleesvee: koeien). Voor het houden van het vee staat ook een ronde stal op de bedrijfskavel (erf). Verzoek is de aanduiding ‘akkerbouw’ te verwijderen van de bedrijfskavel (erf) op de verbeelding van het betreffende bestemmingsplan, zodat het recht doet aan de bestaande situatie. Voor het vee is voor 10 jaar geleden een Hinderwet vergunning aangevraagd. Daarna is het met een omgevingsvergunning onderdeel milieu geregeld.

Commentaar: Hieraan wordt tegemoet gekomen. De aanduiding ‘akkerbouw’ wordt verwijderd.

9.1

Inspraakreactie 9 Verzocht wordt om op de locatie Elandweg 55 de functieaanduiding ‘akkerbouw’ te schrappen om zo ook de bestaande schapenhouderij te kunnen voortzetten. Hier is al vele jaren sprake van een schapenhouderij.

Commentaar: Hieraan wordt tegemoet gekomen. De aanduiding ‘akkerbouw’ wordt verwijderd. 9.2

Verzocht wordt om op de locatie Biddingweg 13 de functieaanduiding ‘akkerbouw’ te schrappen om zo ook de bestaande vleesveehouderij te kunnen voortzetten. En tevens om op de locatie Biddingweg 13 de volgende functieaanduidingen toe te voegen: • specifieke vorm van agrarisch – boerderijwinkel • specifieke vorm van agrarisch – theeschenkerij • specifieke vorm van agrarisch – educatieruimte Situatie Biddingweg 13 Onze cliënt heeft op Biddingweg 13 al vele jaren een vleeskalverenhouderij. Sinds 1968 is er hier onafgebroken vee gehouden. Op 25 maart 2021 is voor het bedrijf nog een nieuwe omgevingsvergunning verleend voor vleeskalveren en overig vleesvee. De vergunning heeft kenmerk 2020-1503. Daarnaast is in de vergunning van 25 maart ook toestemming verleend voor een boerderijwinkel, een educatief centrum en een theeschenkerij. Ik verzoek u deze aanduidingen mee te nemen in het bestemmingsplan. De ingediende reactie op de inventarisatie van het concept bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ van 15 januari 2021 is niet correct opgenomen in het voorliggende voorontwerp bestemmingsplan, daarom deze inspraakreactie.

Commentaar: 18

nota vooroverleg en inspraak

Het klopt dat de informatie vanuit de inventarisatie in dit geval niet goed is verwerkt in het bestemmingsplan. Echter met het oog op het proces dat gaande is voor het project Swifterbant-Zuid wordt het erf Biddingweg 13 uit het plangebied van onderhavig bestemmingsplan ‘Reparatie veehouderijen (D4100)’ verwijderd. Dit geeft de processen van beide projecten ruimte. Uit de omgevingsanalyse van Swifterbant-Zuid blijkt dat Biddingweg 13 impact heeft op plangebied Swifterbant-Zuid. Vanuit het project Swifterbant-Zuid is men hierover in overleg met de betrokken partij Biddingweg 13. Te zijner tijd zal voor dit perceel een actuele regeling moeten worden opgesteld.

Inspraakreactie 10 10.1 Verzocht wordt om het zoekgebied voor de mogelijke uitbreiding van het erf aan te passen. De bedoeling is om tussen de bedrijfskavel en de weg een stuk zoekgebied toe te voegen in ruil voor een stuk zoekgebied aan de noordzijde. Commentaar: Hieraan wordt niet tegemoet gekomen. In de planmatige opzet van de polder bepaalt de bedrijfswoning altijd het beeld vanaf de weg. Die beeldkwaliteit willen we behouden. 10.2 Daarnaast wordt verzocht om in de toekomst de optie openhouden om een zorgboerderij te gaan beginnen. Gevraagd wordt daarom om de aanduiding ‘zorgboerderij’ alvast toe te voegen. Commentaar: Het bestemmingsplan bevat al een mogelijkheid om een dergelijke zorgtak toe te staan. In artikel 3.6 onder a staat dat o.a. een woonzorgboerderij of kinderdagverblijf als tweede tak of deeltijdfunctie onder voorwaarden mogelijk is. Hiertoe kunt u te zijner tijd een omgevingsvergunning aanvragen, waarbij u dient aan te geven hoe u aan de gestelde voorwaarden voldoet.

Inspraakreactie 11 11.1 De inspraakreactie heeft betrekking op de locatie Visvijverweg 32 te Swifterbant. Dit betreft een melkrundveehouderij bedrijf met een voormalige agrarische bedrijfswoning. Verzocht wordt om op die locatie de aanduiding “plattelandswoning” op te nemen. Toelichting Bij de inventarisatie is verzocht om de aanduiding ‘Melkveehouderij voormalige agrarische bedrijfswoning’ op de bijbehorende bedrijfswoning voor de locatie Visvijverweg 32 te Swifterbant te wijzigen naar ‘Melkveehouderij Plattelandswoning’. Dit is niet gehonoreerd. Er is helemaal geen plattelandswoning aangegeven. De bedrijfswoning op de Visvijverweg 32 wordt echter bewoond door derden. Verzocht wordt om alsnog de functieaanduiding ‘Melkveehouderij Plattelandswoning’ op te nemen. Deze aanduiding veroorzaakt geen belemmeringen in de agrarische bedrijfsvoering en de woning kan legaal bewoond worden door derden. Deze aanduiding sluit aan bij de landelijke wetgeving. 19

nota vooroverleg en inspraak

Commentaar: In het kader van de aanleg van windturbines is het inpassingsplan Windplan Blauw opgesteld. In dat kader is de betreffende woning aangewezen als ‘bedrijfswoning windturbinepark’. Daarmee is de woning verbonden aan het windturbinepark en niet meer aan de melkveehouderij. Door middel van het opnemen van de specifieke aanduiding ‘bedrijfswoning windturbinepark’ op de verbeelding van het inpassingsplan, is de functie van woning behorende bij het windpark in planologische zin zeker gesteld en hoeft de betreffende woning niet als geluidsgevoelig object in de zin van het Activiteitenbesluit te worden aangemerkt. De woning kan dan ook niet als plattelandswoning worden aangemerkt. Om ook zeker te stellen dat er geen nieuwe bedrijfswoning bij de melkveehouderij kan worden gebouwd, worden de regels in artikel 3.2.1. onder d. aangevuld.

Inspraakreactie 12 12.1 Inspreker vraagt om op het bedrijf aan de Olsterweg 1 te Dronten toestemming te geven om een zorgtak erbij te gaan houden. Dit is zeer waarschijnlijk in de vorm van een kinderdagverblijf en/of ouderenzorg. Kan dit meegenomen worden in het nieuwe bestemmingsplan? Commentaar: Op basis van het bestemmingsplan ‘Dronten - Olsterweg 1 (D4015)’, zoals vastgesteld op 20 juni 2019, was al een kinderdagverblijf toegestaan. Dit wordt in de planregels van het reparatieplan overgenomen in artikel 3.1. Aanvullend bevat het bestemmingsplan een mogelijkheid om een andere zorgtak toe te staan. In artikel 3.6 onder a staat dat o.a. een woonzorgboerderij of kinderdagverblijf als tweede tak of deeltijdfunctie onder voorwaarden mogelijk is. Hiertoe kunt u een omgevingsvergunning aanvragen, waarbij u dient aan te geven hoe u aan de gestelde voorwaarden voldoet. 12.2 Daarnaast vraagt inspreker toestemming om een tweede bedrijfswoning te bouwen. Het bedrijf krijgt een bovengemiddelde omvang, omdat ze zijn begonnen met een vleeskuikentak naast de bestaande melkveehouderij. Omdat het bedrijf een meermansbedrijf is qua omvang en er door de verschillende takken permanent toezicht noodzakelijk is.

Kan dit meegenomen worden in het nieuwe bestemmingsplan? Commentaar: Net als in het bestemmingplan voor het overige gedeelte van het buitengebied (D4000) is alsnog een wijzigingsbevoegdheid voor het onder voorwaarden kunnen mogelijk maken van een 2e bedrijfswoning in de planregels opgenomen. Zie artikel 3.8, onder a.

20

nota vooroverleg en inspraak

Inspraakreactie 13 13.1 Het gaat over het erf aan de Oudebosweg 27. Dit erf staat ingetekend als akkerbouw locatie. We willen aangegeven dat we in 2007 de locatie aan de Oudebosweg erbij gekregen hebben als vervanging van een deel van ons bedrijf aan de Reveweg. Dat bedrijf is destijds uitgegeven als gemengd bedrijf. Veehouderij en akkerbouw. Ons bedrijf is nog steeds een bedrijf met veehouderij en akkerbouw. De locatie aan de Oudebosweg is dus ook veehouderij locatie. Er is destijds gesproken over de bestemming van locatie Oudebosweg, dat zou in nieuw bestemmingsplan geregeld kunnen worden. Graag zien we dus een aanpassing in het nieuwe bestemmingsplan. En wel zo dat de locatie aan de Oudebosweg 27 ook als veehouderij bestemd wordt. Er vinden activiteiten plaats ten dienste van de veehouderij. Opslag mest, beweiden van vee, teelt van gras en mais. Commentaar: De aanduiding als veehouderij is bedoeld voor de erven waar daadwerkelijk vee wordt gehouden. In dit geval wordt het vee gehouden aan de Reveweg. De vergunningen voor vee zijn ook aan dit adres gekoppeld. De aanduiding ‘akkerbouw’ betekent ook niet dat er ter plaatse geen activiteiten ten dienste van de veehouderij aan de Reveweg mogen plaatsvinden. Om deze redenen wordt het verzoek niet gehonoreerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/1003/documents/1948