CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

c831ea40-70dd-4e25-bb24-d805604b2d8f.pdf

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente DrontenBij agendapunt: 7.a: AKKOORD Raadsvoorstel Bestemmingsplan ‘’Dronten – Roggebotweg 22 (D4020)"27.837 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BESTEMMINGSPLAN DRONTEN ROGGEBOTWEG 22 (D4020)

ORDITO.NL

DRONTEN ROGGEBOTWEG 22 (D4020)

Planstatus

Vastgesteld

Datum

28 - 11 - 2023

Plan identificatie

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Auteur(s)

Ordito

Ordito b.v.

E

info@ordito.nl

Postbus 94

T

0161 801 022

5126 ZH

I

www.ordito.nl

Gilze

KVK

54811554

TOELICHTING

1.

Inleiding

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Bij het plan behorende stukken Leeswijzer

2.

Planbeschrijving

2.1 2.2

Bestaande situatie Toekomstige situatie

3.

Beleidskader

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

4.

Randvoorwaarden

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodemkwaliteit Externe veiligheid Geluid Geurhinder Luchtkwaliteit Natuurwetgeving Water

5.

Juridische regelgeving

5.1 5.2

Systematiek van de regels Beschrijving van de bestemmingen

6.

Uitvoerbaarheid

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bijlagen: 1. Digitale watertoets 2. Participatie verslag

2 2 3 4 4 5 5 7 9 10 14 15 16 16 17 17 18 19 21 26 27 28 28

|2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de wens om bij landgoed “Wildrijck” aan de Roggebotweg 22 te Dronten, het bestemmingsvlak ‘Wonen – Landgoed’ aan te passen ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Het nieuwe landhuis is op een verhoging gebouwd. De initiatiefnemer wil de zonnepanelen graag aanleggen op het talud aan de achterzijde van het landhuis, zodat de zonnepanelen uit het zicht liggen en daarnaast een optimale opbrengst genereren vanwege de ligging op het zuiden. Op basis van het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Dronten (D4000)” kent de beoogde locatie van de zonnepanelen de enkelbestemming ‘Bos’ en de dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie 3’. Het aanleggen van zonnepanelen binnen de bestemming ‘Bos’ is niet mogelijk. Om de aanleg van de zonnepanelen mogelijk te maken, dient de bestemming ter plaatse gewijzigd te worden in de bestemming ‘Wonen- Landgoed’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’. Ter compensatie wordt binnen de bestemming ‘Wonen-Landgoed’, 330 m2 gewijzigd in de bestemming ‘Bos’. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling juridisch planologisch mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Roggebotweg 22 in het buitengebied van de gemeente Dronten, ten westen van de kern Kampen en ten noordoosten van de kern Dronten. Aan de noord- en oostzijde grenst het plangebied aan het Roggebotzand. Aan de zuidoostzijde ligt een veehouderij en aan de zuid- en westzijde bevindt zich akkerland. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Dronten, sectie C, perceelnummer (ged.) 1173 en heeft een oppervlakte van circa 9.804 m2.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|3

Roggebotzand

Kampen

Dronten

Ligging en begrenzing plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Buitengebied Dronten Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied Dronten” (D4000), vastgesteld op 5 oktober 2016. Op basis van dit bestemmingsplan kent het perceel voor een groot gedeelte de enkelbestemming ‘Wonen – Landgoed’ met (deels) de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding– bebouwing’. De locatie voor de zonnepanelen kent de enkelbestemming ‘Bos’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan "Buitengebied Dronten"

Wonen – Landgoed NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|4 De voor ‘Wonen – Landgoed’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een woonhuis, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een woonhuis met daaraan ondergeschikt: wegen, woonstraten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Voor het bouwen van bouwwerken geldt dat de gezamenlijke inhoud van de bouwwerken ten minste 1.400 m3 en ten hoogste 3.000 m3 mag bedragen en dat bouwwerken uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bebouwing’ worden gebouwd. Bos De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bosbouw, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het bosgebied, het dagrecreatief medegebruik en het educatief medegebruik met daaraan ondergeschikt: wegen en paden, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, sloten, vijvers, en daarmee gelijk te stellen wateren met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van mogelijk te verwachten hoge archeologische waarden van de gronden.

1.4

Bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen:

1.5

•

Verbeelding: op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de planregels opgenomen juridische regeling.

•

Planregels: in de planregels is het gebruik van binnen het plangebied aangegeven gronden, opstallen en ander gebruik van gronden juridisch geregeld. Per bestemming is aangegeven wat er binnen de bestemmingen mogelijk en/of toegestaan is.

•

Toelichting: in de toelichting zijn de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken opgenomen.

Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt allereerst ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarna de beoogde toekomstige situatie wordt weergegeven. Een beschrijving van het relevante beleidskader op Rijks-, provinciaal en gemeentelijke niveau staat in hoofdstuk 3. Vervolgens komen in hoofdstuk 4 de milieukundige randvoorwaarden en onderzoeken aan de orde. De juridisch opzet van het plan staat in hoofdstuk 5. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in hoofdstuk 6 beschreven.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|5

2.

PLANBESCHRIJVING

2.1

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de Roggebotweg 22 te Dronten, in de gelijknamige gemeente Dronten, en heeft een oppervlakte van circa 9.804 m2. In het plangebied bevindt zich een landhuis, gelegen op een verhoging, behorend bij het omliggend landgoed “Het Wildrijck”. Het betreft een nieuw landgoed. Een groot gedeelte van het bos/natuur moet nog worden aangelegd/aangeplant. Vanaf de oostelijk gelegen Roggebotweg loopt een lange oprit naar het landhuis. Het landhuis heeft een footprint van circa 450 m2 en is onder architectuur gebouwd. Het landhuis heeft een schilddak met aan alle zijden dakramen. In onderstaande afbeelding is de bestaande situatie weergegeven.

Woning, 450 m2

Bestaande situatie

2.2

Toekomstige situatie

Het planvoornemen is om aan de zuidzijde van het plangebied circa 330 m2 van de aangrenzende bestemming ‘Bos’ en de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 3’ te bestemmen als ‘Wonen – Landgoed’ en ‘Waarde- Archeologie 3’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Ter compensatie wordt aan de noordzijde van het plangebied circa 330 m 2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’, bestemd als ‘Bos’. Het nieuwe onder architectuur gebouwde landhuis is vanwege duurzaamheid niet aangesloten op aardgas en wordt daarom volledig verwarmd met een warmtepomp. Om de warmtepomp duurzaam te kunnen gebruiken en de gehele woning te kunnen voorzien van stroom, is een oppervlakte van circa 100 m2 aan zonnepanelen benodigd.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|6 Het schilddak heeft vanwege zijn architectonische vorm en de hoeveelheid aan dakramen een beperkte ruimte voor zonnepanelen. De zonnepanelen zouden verspreid op het dak komen met als nadeel dat een optimale opbrengst, passend bij de grootte van de woning, niet haalbaar is. Tevens zijn zonnepanelen op het landhuis architectonisch niet wenselijk. Het landhuis ligt op een verhoging. De gewenste locatie voor de zonnepanelen is op een talud van deze verhoging. Het beoogde talud bevindt zich aan de achterzijde van het landhuis aan de zuidzijde van het plangebied. Deze locatie heeft het voordeel dat het voldoende ruimte biedt voor 100 m2 aan zonnepanelen en dat de zonnepanelen hier uit het zicht liggen. Daarnaast wordt er vanwege de ligging op het zuiden, een optimale opbrengst aan duurzame stroom opgewekt. Hiermee komen de zonnepanelen buiten de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ te liggen, maar in de bestemming ‘Bos’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 3‘ (zie onderstaande afbeelding). Binnen de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ zijn wel zonnepanelen toegestaan. Het planvoornemen is om een vlak van circa 330 m2 bij de bestemming ‘Wonen-Landgoed’ te trekken met behoud van de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’. Ter compensatie wordt aan de noordzijde van het plangebied circa 330 m2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’, bestemd als ‘Bos’.

Strook 330 m2 bestemmen naar ‘Bos’

Locatie zonnepanelen

Situatie zonnepanelen

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|7

3.

BELEIDSKADER

3.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel opgenomen in deze nieuwe visie. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Conclusie Door het nationale karakter van de NOVI en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft het voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationale karakter. Met onderhavig planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening stelt het Rijk een aantal regels die zijn bedoeld om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden.

Conclusie Door het nationale karakter van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft dit voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationaal juridisch kader. Het Barro bevat geen voor het plan relevante bepalingen.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|8 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)/ Ladder duurzame verstedelijking Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) -de Ladder voor duurzame verstedelijking- geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Per 1 juli 2017 is de nieuwe ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden. Toetsing ladder voor duurzame verstedelijking Een aantal aspecten zijn van belang om te bepalen of en hoe de ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of de ontwikkeling ‘nieuw’ is. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1, lid 1 sub i van de Bro gedefinieerd als: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.

In de ‘overzichtenuitspraak van de Raad van State is gedetailleerd uiteengezet wanneer een stedelijke ontwikkeling vervolgens als ‘nieuw’ is aan te merken en aldus sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit de uitspraak volgt dat een voorziene ontwikkeling voldoende ‘substantieel’ moet zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te classificeren. Om te bepalen of een voorziene ontwikkeling voldoende ‘substantieel’ is, wordt in onderlinge samenhang bezien of sprake is van een substantiële toename van het ruimtebeslag en/of een substantiële functiewijziging. Uit de rechtspraak volgt dat voor de realisatie van een nieuw gebouw met een bruto vloeroppervlak kleiner dan 500 m2 er in beginsel geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Voor bestaande gebouwen kan naar de toename in bruto vloeroppervlakte ten opzichte van de bestaande bruto vloeroppervlakte worden gekeken. Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van circa 330 m2 bestemming ‘Bos’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Ter compensatie wordt circa 330 m2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’, bestemd als ‘Bos’.

Aangezien er geen uitbreiding van bebouwing plaatsvindt, wordt de ontwikkeling niet gezien als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, welke ladderplichtig is. Verdere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het planvoornemen past binnen het Rijksbeleid.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|9

3.2

Provinciaal beleid

Omgevingsvisie FlevolandStraks De Omgevingsvisie FlevolandStraks, vastgesteld op 8 november 2017, geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities Flevoland heeft voor de toekomst. Er zijn drie kernopgaven: •

Het verhaal van Flevoland (fysieke omgeving,

•

Krachtige samenleving (sociaal-economische omgeving),

•

Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).

Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is, zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. Wat betreft de opgave ‘Ruimte voor Initiatief’ gaat het erom dat Flevoland ruimte biedt voor ondernemingen en mensen die hun ideaal willen realiseren. De begintijd van de bepalende overheid en de maakbare samenleving is voorbij. Iedereen die wil bijdragen aan de toekomst van Flevoland is van harte uitgenodigd. De provincie zet de stap van “nee, tenzij” naar “ja, mits”. Door deze opstelling zijn er meer mogelijkheden voor initiatieven van inwoners en bedrijven. Flevoland biedt in 2030 en verder ruimte voor duurzame ontwikkelingen met oog voor fysieke, sociale en economische aspecten. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven: •

Duurzame energie;

•

Regionale kracht;

•

Circulaire economie;

•

Landbouw: meerdere smaken.

Wat betreft de eerste opgave (duurzame energie) heeft de provincie als ambitie om in 2030 en verder bekent te staan als de provincie die draait op duurzame energie. Er wordt zo min mogelijk energie gebruikt en wekken zelf of in de omgeving energie op. In Flevoland zijn hoofdzakelijk energie neutrale en energie producerende woningen en bedrijven. Tevens is de provincie op weg om in 2050 geen fossiel gas meer te gebruiken in de Flevolandse huizen en bedrijven. Al doende zijn er duizenden nieuwe banen ontstaan en staat Flevoland bekent om zijn energiekennis. Toetsing Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van circa 330 m2 bestemming ‘Bos’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Door het aanleggen van zonnepanelen voorziet de locatie op kleine schaal in groene stroom, waardoor de woning zelfvoorzienend is en (bijna) energieneutraal is. Onderhavig planvoornemen is in lijn met de Omgevingsvisie FlevolandStraks. NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|10 Omgevingsverordening Flevoland De Omgevingsverordening is vastgesteld door Provinciale Staten op 27 februari 2019 en omvat grotendeels alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving en sluit aan op, en ondersteund, hetgeen dat in de omgevingsvisie wordt beschreven. De verordening stelt directe en indirecte aanwijzingen. Zonne-energie Vanaf inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon mag een bestemmingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare van het landelijk gebied in de provincie Flevoland. Voor de realisatie van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie wordt uitsluitend een omgevingsvergunning voor een bepaalde aaneengesloten gebruiksperiode verleend, die maximaal 25 jaar bedraagt. Na het verstrijken van de gebruiksperiode van 25 jaar wordt de grondgebonden opstelling voor zonne-energie verwijderd. In de navolgende paragraaf staat de Structuurvisie Zon beschreven. Structuurvisie Zon De Structuurvisie Zon is vastgesteld door Provinciale Staten op 18 juli 2018 en betreft het beleidskader ten behoeve van het opwekken van grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied. Met de Structuurvisie Zon biedt de provincie ruimte aan gemeenten om in het landelijke gebied van de provincie zonneparken te realiseren. Voor het vormgeven van het gemeentelijk beleid zijn 6 bouwstenen benoemd.

Deze hebben betrekking op het integraal benaderen van de opgave voor zonne-energie, zowel vanuit ruimtelijk, maatschappelijk als economisch perspectief. Maar ook op het inpassen van een zonnepark in de omgeving. Denk aan aansluiting op netwerken en infrastructuur, passendheid in het landschap en aan draagvlak en betrokkenheid. Om tijdig in te spelen op technologische ontwikkelingen is het gewenst dat bij zonneparken wordt gewerkt met tijdelijke vergunningen. Toetsing Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van circa 330 m2 bestemming ‘Bos’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Doordat het zonnepanelen voor eigen gebruik betreft, is de Structuurvisie Zon niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. Conclusie Het planvoornemen past binnen het provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Dronten 2030 De gemeenteraad heeft op 29 november 2012 de Structuurvisie Dronten 2030 vastgesteld. De structuurvisie is een ruimtelijke ontwikkelingsvisie. De visie beschrijft de bestaande en gewenste waarden, beschrijft de kwaliteiten en kijkt daarbij vooruit naar 2030. De structuurvisie heeft als doel de verschillende belangen, bijvoorbeeld tussen landschap, kernen en gemeenschap zorgvuldig af te wegen en hieruit een integrale richting te bepalen voor de periode tot 2030.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|11

Uitsnede Structuurvisie Dronten 2030

Het plangebied ligt in het gebied aangeduid als ‘agrarisch gebied’. Voor het agrarisch gebied zijn geen specifieke ambities of opgaven. Eén van de onderwerpen in de visie is duurzaamheid. De gemeente geeft aan dat ze willen inzetten op windenergie. Op de structuurvisiekaart zijn ook een aantal locaties aangeduid als ‘zoekgebied voor windenergie’. Naast windenergie, wordt er ook ingezet op het opwekken van andere vormen van duurzame energie. Daartoe zal de gemeente Dronten aansluiten bij de provinciale initiatieven op het gebied van duurzaamheid en energie. Toetsing De gemeente geeft in haar structuurvisie aan dat bestaande en nieuwe woningen kunnen worden voorzien van zonnepanelen. Het landhuis is vanwege duurzaamheid niet aangesloten op aardgas en wordt volledig verwarmd met een warmtepomp. Om de warmtepomp duurzaam te kunnen gebruiken en de woning van stroom te voorzien, is er een oppervlakte van circa 100 m2 aan zonnepanelen benodigd om stroom op te wekken. Het schilddak heeft vanwege zijn architectonische vorm en de hoeveelheid aan dakramen een beperkte ruimte voor zonnepanelen. De zonnepanelen zouden verspreid op het dak komen met als nadeel dat een optimale opbrengst, passend bij de grootte van de woning, niet haalbaar is. Tevens zijn zonnepanelen op het landhuis architectonisch niet wenselijk.

Met onderhavig planvoornemen worden de zonnepanelen daarom niet op de woning geplaatst maar op een talud, gelegen aan de achterzijde van de woning. Het voordeel van deze locatie is dat deze voldoende ruimte biedt om 100 m2 aan zonnepanelen te plaatsen. Daarnaast liggen de zonnepanelen uit het zicht en wordt er vanwege de ligging op het zuiden, een optimale opbrengst aan duurzame stroom opgewekt. Gesteld kan worden dat onderhavig planvoornemen in lijn is met de Structuurvisie Dronten 2030. NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|12 Beleidsvisie Zon Dronten heeft hoge ambities voor haar klimaat- en duurzaamheidsbeleid. Wat betreft duurzame energieopwekking heeft windenergie al voor een groot deel aan haar energietransitie-doelstellingen bijgedragen. De doelstelling van het klimaatbeleid van de rijksoverheid is klimaatneutraliteit te bewerkstelligen is in de gemeente Dronten om die reden primair gericht op CO2 besparing. Alhoewel de gemeente dus geen concrete ‘opgave’ heeft als het gaat om zonne-energie, is om meerdere redenen een zorgvuldig afgewogen anticiperend en sturende visie op grondgebonden zonne-energie in het buitengebied wenselijk. Deze Beleidsvisie Zon voorziet daarin. Visie op zonne-energie Voor het zonnebeleid van de gemeente Dronten zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: •

Prioriteit bij ‘zon op dak’

•

Vergroot de biodiversiteit

•

Het landschap is leidend

•

Bundel en combineer waar mogelijk

•

Maak slim gebruik van het elektriciteitsnetwerk

•

Zuinig omgaan met landbouwgronden

De gemeente Dronten heeft de zonneladder opgesteld. De zonneladder is een hulpmiddel om de ruimtelijke prioritering aan te geven ie de gemeente Dronten hanteert ten aanzien van het opwekken van zonne-energie. De zonneladder brengt hiërarchie aan in het beoordelen van de geschiktheid van initiatieven en locaties. initiatieven en locaties op een hogere treden komen pas in beeld wanneer de mogelijkheden op de lagere treden in voldoende mate zijn benut.

Toetsing Met onderhavig planvoornemen worden zonnepanelen voor eigen gebruik mogelijk gemaakt op het talud gelegen aan de achterzijde van woning. De zonnepanelen beslaan een oppervlakte van circa 100 m2 en zijn daarmee niet aan te merken als een zonnepark. Met een plaatsing van de zonnepanelen op het talud aan de achterzijde van de woning wordt een optimale opbrengst aan duurzame energie gegenereerd en liggen de zonnepanelen uit het zicht, waardoor de omgeving niet wordt aangetast.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|13 De gemeente geeft in de Beleidsvisie Zon aan dat ze meer prioriteit hebben bij zonnepanelen op het dak en aan gevels van gebouwen. De woning in het plangebied wordt vanwege duurzaamheid volledig verwarmd met een warmtepomp. Vanwege duurzaam gebruik van de warmtepomp is circa 100 m2 nodig aan zonnepanelen. Het dak van de woning in het plangebied is vanwege zijn vorm en hoeveelheid aan ramen hiervoor minder geschikt.

Conclusie Het planvoornemen past binnen het gemeentelijk beleid.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|14

4.

RANDVOORWAARDEN

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Archeologie Gemeentelijk beleid Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem is door de gemeente Dronten de archeologische beleidskaart opgesteld.

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Dronten

Volgens de archeologische beleidskaart ligt het plangebied in archeologisch waardevol gebied 3. De beleidsdoelstelling voor archeologisch waardevol gebied 3 is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudens waardige archeologische waarden. Archeologisch vooronderzoek is echter alleen nodig in geval van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen. De vrijstellingscriteria die gelden voor categorie 3 gebieden, zijn: •

Oppervlakte plangebied tot 500 m2;

•

Diepte bodemingreep zoals aangegeven op de beleidskaart: 40 cm.

Met het planvoornemen vinden geen bodemingrepen plaats die de gestelde onderzoeksgrens overschrijden. Derhalve wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|15 Cultuurhistorie beleid provincie Flevoland In de provincie Flevoland dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen, te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Flevoland

Toetsing Cultuurhistorische Waardenkaart Op de CHW is af te lezen dat in de omgeving van het plangebied geen Rijks of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn waar voorliggend planvoornemen een negatief effect op heeft. Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|16 Onderzoek Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van 330 m2 bestemming ‘Bos’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Ter compensatie wordt 330 m2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’ omgezet naar de bestemming ‘Bos’. Met het planvoornemen wordt de woning niet verplaatst en wordt geen milieugevoelig/ milieubelastend object mogelijk gemaakt. Derhalve kan gesteld worden dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.3

Bodemkwaliteit

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een bodemonderzoek te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van een bepaalde (bestemmings)wijziging. Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. Onderzoek Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van de bestemming ‘Bos’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ en dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie 3’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Ter compensatie wordt 330 m2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’ omgezet naar de bestemming ‘Bos’. Omdat er (bijna) geen bodemingrepen plaatsvinden en er geen milieugevoelig object wordt mogelijk gemaakt, wordt een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor) inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen. NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|17 Onderzoek Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van circa 330 m2 bestemming ‘Bos’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Ter compensatie wordt 330 m2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’ omgezet naar de bestemming ‘Bos’. Met onderhavig planvoornemen wordt geen nieuwe verblijfslocatie voor personen mogelijk gemaakt. Derhalve wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5

Geluid

Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveau als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij het vaststellen van geluidbelasting voor geluidsgevoelige functies zoals ‘wonen’ dient op grond van de Wgh iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of voor de weg een maximum snelheidsregime geldt van 30 km/ uur. Op basis van de Wro is het noodzakelijk om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er moet voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Onderzoek Met onderhavig planvoornemen worden geen geluidgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.6

Geurhinder

In het kader van de ruimtelijke procedure dient enerzijds nagegaan te worden of er ter plaatse van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (milieu hygiënische toets) en anderzijds of het planvoornemen leidt tot een belemmering van vergunden rechten van bedrijven in de omgeving. Voor veehouderijen is het geurbeleid vastgesteld in de op 1 januari 2007 inwerking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag maken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Daarbij wordt onderscheidt gemaakt tussen de ligging binnen en buiten de bebouwde kom. NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|18 De Wgv bevat afstandsnormen die in acht moeten worden genomen. In artikel 3 van de wet zijn de ten hoogste toegestane geurbelastingen bepaald. Locatie geurgevoelig object

Ten hoogste toegestane geurbelasting

Concentratiegebied, binnen bebouwde kom

3,0 OUe/ m3

Concentratiegebied, buiten bebouwde kom

14,0 OUe/ m3

Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom

2,0 OUe/ m3

Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

8,0 OUe/ m3

Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom tenminste 100 meter dient te zijn. Wanneer het geurgevoelig object buitende bebouwde kom is gelegen dient deze afstand minimaal 50 meter te zijn. Onderzoek Met onderhavig planvoornemen wordt geen geurgevoelig object mogelijk gemaakt. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit in het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Fijn stof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m3

Fijn stof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

20 µg/m3

Daarnaast voorziet de Wet luchtkwaliteit in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het ‘Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)’. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|19 Onderzoek Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van circa 330 m2 bestemming ‘Bos’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ ten behoeve van de aanleg van zonnepanelen voor eigen gebruik. Ter compensatie wordt 330 m2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’ omgezet naar de bestemming ‘Bos’. Met onderhavig planvoornemen worden geen milieugevoelige objecten mogelijk gemaakt. Tevens blijven het aantal verkeersbewegingen gelijk. Derhalve kan worden gesteld dat door onderhavig planvoornemen de luchtkwaliteit ter plaatse niet verslechterd. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.8

Natuurwetgeving

Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen en nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd.

In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 ha natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europese Ecologische Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren Met de Wet natuurbescherming is de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn);

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|20 2.

3.

Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Onderzoek Natura 2000-gebieden De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn circa 2,2 kilometer tot het ‘Ketelmeer & Vossemeer’ en circa 3,2 kilometer tot de ‘Veluwerandmeren’. Beide Natura 2000-gebieden hebben niet te maken met overbelasting door stikstof. Andere Natura 2000gebieden zijn op een afstand van meer dan 13 kilometer. Gezien de relatief grote afstand van het plangebied, het gebruik van tussenliggende gebieden en de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op circa 2,2 kilometer afstand tot gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied bevindt zicht op voldoende afstand van het NNN. De voorgestane werkzaamheden en inrichtingen zullen geen negatieve effecten op de NNN hebben.

Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemene voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Flevoland een algemene vrijstelling geldt in geval van een ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden geplaatst. Algemeen voorkomende vogels: Verwijderen van vegetatie en slopen van bebouwing buiten het broedseizoen In de opgaande vegetaties en in de bebouwing komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen omgevingscheck nodig is. Doden en vernielen van broedvogels/dieren/jongen kan worden voorkomen door het kappen van bomen buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|21 periode 15 maart – 15 juli). Door naleving van deze aangepaste werkwijze worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijk wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijk beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterprogramma Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Dit document geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het belangrijkste uitgangspunt is het werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet.

Het Nationaal Waterprogramma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en -beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: •

Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte;

•

Beheersbaar programma voor de waterkeringen;

•

Doelmatig beheer van de waterketen;

•

Werkzaamheden slim combineren;

•

Het waterschapsbestuur.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|22 Watervisie en Waterbeheerprogramma 2022-2027 De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. (Ook verduurzaamt het waterschap haar bedrijfsvoering door bv. het verminderen van de CO2-uitstoot en het energiegebruik en het bevorderen van de biodiversiteit op de dijken en rond de watergangen, gemalen en zuiveringen.) Daarnaast is de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De Keur wordt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervangen door de waterschapsverordening.

Watertoets Sinds 1 november 2013 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. Onderhavig planvoornemen betreft het omzetten van de bestemming ‘Bos’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ naar de bestemming ‘Wonen – Landgoed’ en dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ ten behoeve van de aanleg van 100 m2 zonnepanelen voor eigen gebruik. Ter compensatie wordt 330 m2 van de bestemming ‘Wonen-Landgoed’ omgezet naar de bestemming ‘Bos’. In onderhavige situatie worden de zonnepanelen als verharding gezien. Voor de ontwikkeling geldt de korte procedure in het kader van de watertoets. Thema Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire waterkering. Voor het onderdeel primaire waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema voldoende water Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.

Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het plangebied ligt in landelijk gebied. Er wordt 100 m2 aan zonnepanelen geplaatst op een talud gelegen aan de achterzijde van de woning. Binnen het plangebied is sprake van een geringe toename in verhard oppervlak (minder dan 750 m² in stedelijk gebied of minder dan 2.500 m² in landelijk gebied). Daarom is geen compensatie noodzakelijk voor dit plan. Goed functionerend watersysteem NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|23 Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. •

Nabij watergang Ten oosten langs het plangebied loopt een sloot (genaamd B9). Het plangebied bevindt zich buiten tien meter afstand van een bestaande watergang.

Uitsnede Legger Waterschap Zuiderzeeland

De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Thema Schoon Water Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|24 Goede oppervlaktewaterkwaliteit Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.

Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. •

Milieuvriendelijke bouwmaterialen Bij de bouwwerkzaamheden zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen. Er wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC.

Goed omgaan met afvalwater Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. De lozingssituatie blijft ongewijzigd: Door de ontwikkeling wijzigt de hoeveelheid afvalwater en hemelwater niet. Ook de samenstelling van de bestaande lozingen wijzigt niet. • Hemelwater In onderstaande tabel is voor de huidige en toekomstige situatie de oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt bij het maximale planologische gebruik van de locatie. Bruto (verharde) oppervlakte

Huidige situatie (m2)

Toekomstige situatie (m2)

Totaal oppervlakte plangebied

9.804

9.804

Bebouwing

450

450

Verharding perceel

1.250

1.350

Totaal verhard oppervlakte

1.700

1.800

Totaal onverhard oppervlakte

8.104

8.004

Toename verhard oppervlakte

100 m2

Op basis van het beleid van het waterschap dient bij een toename van het verhard oppervlak van 2.500 m2 of meer in het landelijk gebied compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan. Het verhard oppervlak neemt met 100 m2 toe, een compenserende maatregel op basis van het beleid van het waterschap en de gemeente is daarmee niet noodzakelijk. • Afvalwater De bebouwing blijft aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|25

Wateradvies De uitwerking van het voorliggende plan in deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg aan het waterschap Zuiderzeeland toegezonden. De digitale watertoets is toegevoegd in de bijlagen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|26

5.

JURIDISCHE REGELGEVING

Dit hoofdstuk gaat in op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste ontwikkeling.

5.1

Systematiek van de regels

Bij het opstellen van de planregels en de verbeelding is uitgegaan van de richtlijnen ‘Standaard voor Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012)’. De SVBP 2012 omvat verplichtingen en aanbevelingen ten aanzien van de vormgeving en indeling van de planregels en de verbeelding. De planregels zijn opgebouwd uit vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. De regels zijn als volgt ingedeeld: Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten. Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemming(en). Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet: •

Bestemmingsomschrijving;

•

Bouwregels voor gebouwen;

•

Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen;

•

Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

•

Eventuele nadere eisen;

•

Eventuele afwijkingen van de bouwregels;

•

Eventuele specifieke gebruiksregels;

•

Eventuele afwijking van de gebruiksregels.

In dit hoofdstuk worden de bestemmingen van de gronden als eerste beschreven, gevolgd door de eventuele dubbelbestemmingen voor leidingen, waarden en waterstaatsdoelen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: •

Anti-dubbelteregel;

•

Algemene bouwregels;

•

Algemene gebruiksregels;

•

Algemene afwijkingsregels;

•

Algemene wijzigingsregels;

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|27 •

Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven staan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en het opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven;

•

Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.

5.2

Beschrijving van de bestemmingen

Artikel 3 Bos De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor bosbouw, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het bosgebied. Daarnaast zijn deze gronden bestemd voor het dagrecreatief medegebruik en het educatief medegebruik met daaraan ondergeschikt: wegen en paden, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, sloten, vijvers, en daarmee gelijk te stellen water met de daarbij behorende: bouwwerken, geen gebouwen en geen overkapping zijnde. Artikel 4 Wonen - Landgoed De voor ‘Wonen – Landgoed’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een woonhuis, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een woonhuis, met daaraan ondergeschikt: wegen, woonstraten en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en water met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. De gezamenlijke inhoud van bouwwerken zal ten minste 1.400 m3 en ten hoogste 3.000 m3 bedragen en bouwwerken mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bebouwing’ worden gebouwd, met uitzondering van zonnepanelen. Voor zonnepanelen geldt een maximale oppervlakte van 100 m2.

Artikel 5 Waarde – Archeologie 3 De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van mogelijk te verwachten hoge archeologische waarden van de gronden.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

|28

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een particulier initiatief en bevinden zich op particulier terrein. Er wordt een overeenkomst opgesteld tussen de initiatiefnemer en de gemeente ten behoeve van de kosten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform de Wro te worden opgesteld.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie De initiatiefnemers hebben het planvoornemen mondeling kenbaar gemaakt aan de directe buren. De buren zijn positief over het planvoornemen om zonnepanelen te plaatsen en te verduurzamen. Het participatie verslag is toegevoegd aan de bijlagen. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp-bestemmingsplan voorgelegd aan de vooroverleg partners: de Provincie Flevoland en het waterschap ZuiderzeeLand. Ontwerp Na de instemming van het college van burgemeester en wethouders op het ontwerpbestemmingsplan is het ontwerp 6 weken ter inzage gelegd in de periode van 3 augustus t/m wo 13 september 2023. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Vaststelling Na vaststelling wordt het plan, samen met het besluit tot vaststelling hiervan, opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen dit besluit beroep aantekenen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de raad van State. Tevens kan beroep worden ingesteld tegen eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

NL.IMRO.0303.D4020-VA01

Dronten-Roggebotweg 22 (D4020)

BIJLAGE 1: DIGITALE WATERTOETS

Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 12-10-2022 11:26

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .

VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.

korte procedure

2.

Advies geen primaire waterkeringen

3.

Advies kwelwaterkwaliteit

4.

Advies waters ys teem

5.

Advies geen regionale waterkeringen

6.

Advies geen overige kering

7.

Advies wateroverlas t toename verharding zonder compens atie

OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE

12-10-2022

P agina 1 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

12-10-2022

P agina 2 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.

Gaat het om een ruimtelijk plan dat uits luitend een functiewijziging van bes taande bebouwing inhoudt? nee

2.

Is er s prake van een uitbreiding of wijziging van de lozing(en)? nee

3.

Primaire waterkering kernzone nee

4.

Primaire waterkering binnenbes chermings zone nee

5.

Primaire waterkering tus s enbes chermings zone nee

6.

Primaire waterkering buitenbes chermings zone nee

7.

Buitendijks gebied kernzone nee

8.

Buitendijks gebied dubbelregime nee

9.

Buitendijks gebied bes chermd nee

10.

Kernzone overige kering nee

11.

Bes chermings zone overige kering nee

12-10-2022

P agina 3 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 12.

Aandachts gebieden wateroverlas t en onvoldoende drooglegging 2050 nee

13.

Neemt het verhard oppervlak in s tedelijk gebied toe? nee

14.

Neemt het verhard oppervlak in landelijk gebied toe? ja

15.

Betreft het een nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied groter dan 2500 m² of in s tedelijk gebied groter dan 750m²? nee

16.

Is er s prake van afs tromend regenwater van een oppervlak van 50 of meer parkeerplaats en en/of een weg met meer dan 1000 voertuigbewegingen per dag? nee

17.

Wordt er nieuw open water aangelegd? (bijv. ter compens atie toename verharding) nee

18.

Kwelkwaliteit s lecht ja

19.

Worden kuns twerken zoals bijvoorbeeld duikers of bruggen aangelegd? nee

20.

Is er binnen het plangebied s prake van de toelating, aanwezigheid of aanleg van drijvende woningen/woonboten? nee

21.

Worden in het plan maatregelen getroffen waardoor het waterpeil verandert met 10 cm of meer? nee

22.

Wordt er in het plangebied mogelijk gebruik gemaakt van bodemenergie, ook wel warmte koude ops lag (WKO) genoemd? nee

12-10-2022

P agina 4 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 23.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/1020/documents/2371