CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Dronter Energie Opslag Olsterpad (560946).pdf

Raadsvergadering 25 april 2024, gemeente DrontenBij agendapunt: 11: Raadsvoorstel Vaststelling Dronten – Dronter Energie opslag Olsterpad41.855 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op basis van de geluidberekeningen voor het conservatieve scenario blijkt, op basis van de aangeleverde geluidgegevens van de transformatoren, omvormers en batterij-units, dat het mogelijk is om in een representatieve bedrijfssituatie aan 50 dB Letmaal te kunnen voldoen. Daarbij is gerekend met 200 MW elektrisch vermogen en een opslagcapaciteit van 1600 MWh. Het gehele terrein is daarbij ingevuld met geluidbronnen. Afhankelijk van het definitieve ontwerp en keuze van onderdelen is het mogelijk dat er bijvoorbeeld minder vermogen en opslagcapaciteit gerealiseerd wordt en/of dat slechts een deel van het terrein ingevuld wordt. Wanneer het uiteindelijke ontwerp bekend is, kan deze opnieuw worden doorgerekend en worden getoetst. Het energieopslagsysteem dient rechtstreeks aan het Activiteitenbesluit te voldoen.

Figuur 4.2 Geluidcontouren representatieve bedrijfssituatie met (blauw) en zonder (rood) tonaal geluid [bron: Pondera Consult]

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

In de planregels van het bestemmingsplan wordt opgenomen dat geluidgezoneerde inrichting niet is toegestaan. Dit om te waarborgen dat een energieopslagsysteem niet uitgroeit tot een inrichting die in belangrijke mate geluidhinder kan veroorzaken, zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht (Bor) en Wet geluidhinder (Wg). Voor dergelijke inrichtingen geldt een ander toetsingskader dan voor voorliggend plan is gehanteerd. In de praktijk betekent dit dat het maximaal gelijktijdig in te schakelen transformatorvermogen in de open lucht niet meer dan 200 MVA kan zijn. Cumulatieve geluidbelasting Op basis van geluidonderzoeken die eerder door Pondera zijn uitgevoerd is de cumulatieve geluidbelasting in de referentiesituatie (enkel transformatorstation en Windplan Groen) gecumuleerd met de geluidbelasting van de representatieve bedrijfssituatie inclusief tonaliteitstoeslag van DEO (zoals weergegeven in Tabel 4.4) In Tabel 4.5 is de cumulatieve geluidbelasting van de referentiesituatie weergegeven. In Tabel 4.6 is de cumulatieve geluidbelasting van de situatie na realisatie van DEO weergegeven. In de cumulatieve berekening zijn enkel relevante geluidsbronnen meegenomen, namelijk het transformatorstation GDG en de windturbine van Windplan Groen. Andere geluidsbronnen hebben

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018) geen significante bijdrage aan de cumulatieve geluidbelasting en zijn daarom niet meegenomen.

Tabel 4.5 Cumulatieve geluidbelasting referentiesituatie [dB]

Tabel 4.6 Cumulatieve geluidbelasting na realisatie DEO [dB]

De cumulatieve geluidbelasting neemt ter plaatse van de nabijgelegen gevoelige objecten toe met 1-2 dB Lcum. Een dergelijke toename is niet hoorbaar voor het menselijk oor. Aan de hand van de methode Miedema is de akoestische kwaliteit van de omgeving ten gevolge van de cumulatieve effecten bepaald en kan de leefomgeving objectief worden beoordeeld. De methode Miedema wordt nader toegelicht in Kader 4.1.

Kader 4.1 Toelichting en voorbeeld methode Miedema

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

In Tabel 4.6 is de cumulatieve geluidsbelasting weergegeven na realisatie van het energieopslagsysteem. De uiteindelijke geluidsbelasting betreft maximaal 55 Lcum. De Miedema methode geeft aan dat de kwaliteit van de akoestische omgeving tot 50dB Lden goed is, tot 55dB Lden redelijk en tot 60dB Lden matig. De kwaliteit van de akoestische omgeving na de realisatie van het energieopslagsysteem is ter plaatse van nabijgelegen woningen 'redelijk' tot 'matig'. Een redelijke geluidbelasting is zonder meer ruimtelijke aanvaardbaar. Op drie toetspunten is de geluidbelasting matig. Hierbij is van belang dat in deze berekeningen straffactoren zijn opgenomen vanwege het tonale karakter van het geluid en de nacht- en avondtoeslag. De daadwerkelijke geluidbelasting ligt dan ook lager en een geluidbelasting van 55 dB zal in werkelijkheid niet gehaald worden. De geluidbelasting van het energieopslagsysteem is in combinatie met het geluid van andere bronnen uit de omgeving dan ook ruimtelijk aanvaardbaar.

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

4.2.3

Conclusie

In de planregels is opgenomen dat een energieopslagsysteem dat op de projectlocatie wordt gerealiseerd geen geluidzoneringsplichtige inrichting mag zijn. Op basis van geluidberekeningen voor het conservatieve scenario voor het energieopslagsysteem blijkt dat het mogelijk is om in een representatieve bedrijfssituatie aan 50 dB Letmaal te kunnen voldoen. Er is voor het aspect geluid derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening. Bij het plan zijn meerdere initiatiefnemers betrokken, waardoor sprake kan zijn van meerdere inrichtingen. In het kader van de goede ruimtelijke ordening wordt om die reden de norm van 50 dB Letmaal cumulatief toegepast. Dit houdt in dat het gehele energieopslagsysteem (alle inrichtingen gezamenlijk) binnen de norm van 50 dB Letmaal moet blijven. Naleving van de cumulatieve geluidsnorm van alle initiatiefnemers wordt geborgd in de vergunningen.

4.3

Natuur

4.3.1

Toetsingskader

Wanneer er wordt gesproken over natuurbescherming dient er onderscheid te worden gemaakt tussen gebiedsbescherming, soortenbescherming en de bescherming van houtopstanden. Deze bescherming is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor de realisatie van het plan is het niet nodig om bomen te kappen. Bescherming van houtopstanden wordt dus niet nader beschouwd. Gebiedsbescherming Natura 2000 Met het onderdeel gebiedsbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren. Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Het NNN kent ook geen externe werking, een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Soortenbescherming Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018) Habitatrichtlijn en beschermingsregime "andere soorten". Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of het leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. 4.3.2

Onderzoek

Gebiedsbescherming Er is onderzoek gedaan naar de effecten van de aanleg van civiele werken voor Windplan Groen op natuurwaarden. De aanlegwerkzaamheden voor het transformatorstation, dat één perceel zuidelijker is gelegen dan het energieopslagsysteem, zijn in dit onderzoek meegenomen. De te verwachten werkzaamheden voor de aanleg van het energieopslagsysteem zijn van vergelijkbare aard, waardoor de uitkomsten van het onderzoek ten aanzien van gebiedsbescherming ook bruikbaar zijn voor onderhavig plan. Het onderzoeksgebied voor het onderdeel ecologie is in een aantal gevallen ruimer genomen dan het projectgebied. Dit verschilt per effecttype en per diersoort. Voor mobiele soorten met een grote actieradius, zoals vogels, beslaat het onderzoeksgebied een groot deel van Flevoland. Er grenzen geen Natura 2000-gebieden aan de projectlocatie. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de Veluwerandmeren, welke op ongeveer 5 km afstand van het plangebied ligt. Dit gebied betreft een niet stikstofgevoelig gebied. Fysieke aantasting en andere directe effecten ten gevolge van de civiele werkzaamheden zijn dan ook niet aan de orde. In de natuurtoets is tevens beoordeeld of er sprake is van externe effecten op Natura 2000-gebieden. Voor zowel broedvogels als niet-broedvogels is beargumenteerd dat significant negatieve effecten zijn uitgesloten.

De beoogde werkzaamheden hebben geen effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende vogels. Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Het NNN kent ook geen externe werking, een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof In het kader van de gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming is er een AERIUS-berekening (Bijlage 3) uitgevoerd. Het EOS wordt in verschillende fases gerealiseerd. De berekening is gebaseerd op de realisatie van maximaal 3 hectare van het EOS per jaar. Met behulp van de Aerius-Calculator, versie 2023.1 (de meest actuele versie), is de stikstofdepositie berekend voor de bouwfase van het EOS. Voor deze berekeningen is de bouw van het energieopslagsysteem opgedeeld in 2 fasen. Per fase is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de berekeningen volgt dat er gedurende geen van beide fasen stikstofdepositie plaatsvindt bij stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De uitkomst hiervan is toegevoegd als bijlage.

Op basis hiervan is het project uitvoerbaar en is er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Om de gefaseerde bouw van het EOS te borgen is een specifieke gebruiksregel opgenomen. Soortenbescherming Er is een quick scan uitgevoerd om te bepalen of de beoogde werkzaamheden een overtreding van de Wnb als gevolg hebben. De resultaten met betrekking tot soortenbescherming worden hieronder besproken. De volledige quick scan is opgenomen als Bijlage 2. Het plangebied betreft een gebied bestaande uit akkers welke intensief gebruikt worden. Er zijn in het plangebied geen sloten aanwezig. Op dit moment is het plangebied geen geschikt leefgebied voor wilde flora en fauna soorten. Dit komt doordat er geen geschikte habitats in en nabij het plangebied aanwezig zijn. De mogelijkheid bestaat dat er passerende veldmuizen of gewone padden het plangebied

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018) doorkruisen. Voor deze soorten geldt de wettelijke zorgplicht uit artikel 1.11 Wnb. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg moet dragen voor de in het wild levende dieren en planten. Ook wanneer er geen beschermde soorten voorkomen geldt de zorgplicht. Uit literatuuronderzoek (NDFF 2022) zijn er geen beschermde soorten naar boven gekomen in de omgeving van het plangebied. Daardoor kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden een overtreding van het Wnb als gevolg hebben. In de periode wanneer het terrein niet meer als agrarisch wordt gebruikt en het energieopslagsysteem nog niet is gerealiseerd, bestaat de kans dat broedvogels, zoals de kievit, scholekster, kleine plevier, veldleeuwerik of graspieper in het gebied gaan broeden. Nesten van deze vogelsoorten zijn in de broedperiode (tussen maart en augustus) beschermd. Deze nesten mogen niet worden verwijderd. Om te voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden zijn in de quick-scan (Bijlage 2) een aantal mogelijke mitigerende maatregelen voorgesteld. Zo kunnen onder andere de werkzaamheden waar nodig door een ecologisch deskundige worden begeleid. Daarnaast dienen de werkzaamheden in een bepaalde volgorde (van binnen naar buiten) te worden uitgevoerd, zodat eventueel aanwezige soorten de mogelijkheid krijgen om het plangebied te verlaten.

Tevens is het van belang dat de mogelijk aanwezige soorten zo min mogelijk worden gestoord. Dit kan door zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande wegen en paden en enkel verlichting aan te hebben wanneer dit noodzakelijk is. Met betrekking tot broedvogels wordt het aangeraden om de werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Wanneer dit niet mogelijk is dient het plangebied ongeschikt te worden gemaakt en gehouden voor broedvogels om zich te vestigen. Dit kan door structureel onderhoud, zoals het kort houden van vegetatie. Wanneer de voorgestelde mitigerende maatregelen in acht worden genomen om te voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden, zijn negatieve effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde soorten uitgesloten. 4.3.3

Conclusie

Vanuit het aspect natuur is het project uitvoerbaar en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Er is ook geen ontheffing of vergunning op grond van Wnb noodzakelijk.

4.4

Archeologie en cultuurhistorie

4.4.1

Toetsingskader

Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 de Monumentenwet 1988 heeft vervangen, vormt het kader voor de bescherming van het cultureel erfgoed. Onder cultuurhistorie worden aanwezige archeologische waarden verstaan, maar ook overige cultuurhistorische waarden zoals historisch landschap, beschermende stads- en dorpsgezichten en monumenten. 4.4.2

Onderzoek

Archeologie Effecten op archeologische waarden zijn gerelateerd aan grondroerende werkzaamheden. Deze vinden plaats in de aanlegfase. Grondroerende werkzaamheden worden uitgevoerd voor de aanleg van de funderingen van bouwwerken, kabels, onderhoudswegen en paden. Ter plekke van het plangebied geldt een archeologische verwachtingswaarde 'Waarde - Archeologie 4' uit het bestemmingsplan "Buitengebied Dronten (D4000)". Op grond van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek en een omgevingsvergunning nodig voor aanlegwerkzaamheden in de bodem met een oppervlakte van minimaal 1,7 hectare en een diepte van meer dan 0,4 meter. Gezien de omvang van het plangebied en daarmee de omvang van de energieopslag zal er waarschijnlijk archeologisch onderzoek uitgevoerd

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018) moeten worden. Omdat de concrete inrichting van het energieopslagsysteem nog niet bekend is wordt er voor dit bestemmingsplan gekozen om nog geen onderzoek uit te voeren en de dubbelbestemming 'Archeologie - Waarde 4' over te nemen. Eventuele aanwezige archeologische waarden zijn zo beschermd. Indien de drempel van 1,7 hectare daadwerkelijk wordt overschreden bij de planontwikkeling van het energieopslagsysteem wordt voor de vergunningverlening archeologisch onderzoek uitgevoerd. Archeologisch onderzoek ten behoeve van Windplan Groen Ten behoeve van Windplan Groen en het bijbehorende transformatorstation is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit betreft een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) en Verkennend en karterend booronderzoek. Het rapport is toegevoegd in Bijlage 5. Het plangebied voor het transformatorstation is onderdeel van het deelrapport Windpark Hoge Vaart Zuid (bijlage 5 van het rapport, vanaf pagina 130), aangezien dit terrein is gelegen in de directe nabijheid van windturbineposities HVZ 1.6 en HVZ 1.7 van dit windpark. Voor het Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) is ter hoogte van het voorgenomen transformatorstation van Windplan Groen en het onderstation van TenneT en Liander een linie met boringen uitgevoerd, zie Figuur 4.3. Het betreft boorpunten 126 tot en met 133.

Ook ten noorden en westen van het plangebied voor DEO zijn diverse boringen gezet. Op deze boorpunten ligt boven het dekzand overwegend een pakket venige, of door laagjes detritusveen onderbroken klei met daar bovenop het pakket door zandlaagjes onderbroken klei van de Almere-afzettingen. Slechts zeer plaatselijk is detritusveen aangetroffen. In situ gevormd hoogveen ontbreekt volledig. Sporen van podzolvorming zijn evenmin aangetroffen. De resultaten van het verkennend booronderzoek geven derhalve geen aanleiding tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek. Evenmin zijn hier tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden van Windplan Groen rekening zou moeten worden gehouden. Het uitgevoerde onderzoek van Windplan Groen geeft geen aanleiding om archeologische waarden te verwachten ter plekke van het plangebied voor DEO. De onderzoeksverplichting op basis van de dubbelbestemming blijft echter wel bestaan.

Figuur 4.3 Boorlocatie archeologisch onderzoek en locatie DEO (blauwe cirkel) [bron: ArcheoPro]

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

Nader archeologisch onderzoek kan worden uitgevoerd als duidelijk is waar grondroerende werkzaamheden verwacht worden, als een ontwerp is gemaakt voor de inrichting van het energieopslagsysteem. Cultuurhistorie Er zijn in en rondom het plangebied geen cultuurhistorische waarden zoals historisch landschap, beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten aanwezig. 4.4.3

Conclusie

Ter bescherming van eventuele archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Het plan heeft daardoor geen negatief effect op archeologische en overige cultuurhistorische waarden. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.5

(Externe) veiligheid

4.5.1

Toetsingskader

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bedoeld om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen, of een gevaarlijke inrichting, te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico). Hieronder wordt ingegaan op de effecten van een energieopslagproject met behulp van lithium-ion batterijmodules. Dit is op dit moment namelijk de gangbare techniek om opgewekte energie op te slaan. Hoewel lithium-ion energiedragers geen groot risico vormen bij juist gebruik, zijn er risico's aan

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018) verbonden. Zo kan volgens de Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers (2020) (hierna: de circulaire) door oververhitting een felle, lastig te bestrijden brand ontstaan en er kunnen giftige stoffen vrijkomen. In de circulaire heeft het Rijk, vooruitlopend op regelgeving, adviezen en maatregelen opgenomen om de veiligheid in de omgeving van de toepassingen van de lithium-ion energiedragers te verhogen. De adviezen zijn tevens gericht aan het bevoegd gezag dat te maken heeft met de beoordeling van externe veiligheidsrisico's in verband met het gebruik van een EOS met lithium-ion energiedragers. Aan degenen die de energiedragers opslaan, een EOS beheren en aan andere actoren in de keten, zoals de importeurs of producenten, wordt geadviseerd kennis te nemen van de inhoud van deze circulaire en de voor hen relevante maatregelen te treffen in overleg met het bevoegd gezag. De circulaire heeft geen bindend karakter en kan daarom niet meer dan richtinggevend zijn. Het gestelde in de circulaire is niet afdwingbaar. 4.5.2

Onderzoek

Vanuit het Bevi zijn er voor een energieopslagsysteem geen effecten en normen op het gebied van externe veiligheid waaraan getoetst moet worden. Nader onderzoek op basis van het Bevi is dan ook niet nodig. Op basis van de onderzoeksresultaten voor bedrijven en milieuzonering (paragraaf 4.1) is er in dit geval geen aanleiding om nader onderzoek te doen voor het aspect externe veiligheid, aangezien de dichtsbijzijnde woning ten opzichte van het energieopslagsysteem in dit geval op een afstand van 310 meter ligt. Het ligt ook meer voor de hand om zo nodig vanuit de bedrijfsvoering een risicoinventarisatie uit te voeren voor de aanvraag omgevingsvergunning bouw. Er is dan meer bekend over de inrichting, type energiedrager en veiligheidsmaatregelen. Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers Het is nog niet bekend welke materialen er worden toegepast bij het energieopslagsysteem. Dat is afhankelijk van de leverancier. In het geval er lithium-ion batterijen worden gebruikt is de 'Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers (2020)' van toepassing.

De volgende (brand)veiligheidsmaatregelen worden in de circulaire benoemd voor een EOS: modulaire indeling en incidentbescherming; klimaatbeheersing; bliksemafleiding; aanrijdbeveiliging; branddetectie-/meldsystemen en particuliere alarmsystemen; bij ontbreken modulaire indeling: - gecertificeerd koel-/blussysteem; - eventueel stortkoppeling/overloopvoorziening. bij water als koel-/ blusmiddel: bluswatervoorzieningen; bij inpandige opstelling: eventueel rookgasafvoer. Bovenstaande maatregelen worden nog verwerkt in het ontwerp van het energieopslagsysteem. In de volgende fase, voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning 'bouwen', zal een uitgangspuntendocument (brand)beveiliging wordt opgesteld. In dit document zal beschreven worden op welke manier (bron)maatregelen ter beperking van risico's, welke zijn opgenomen in de circulaire (onderdeel 6 en 7), verwerkt worden in het project en daarmee het ontwerp van het energieopslagsysteem. Het uitgangspuntendocument (brand)beveiliging zal gezamenlijk met de ontwerptekeningen van het systeem en bijbehorende bouwwerken ingediend worden bij de aanvraag omgevingsvergunning 'bouwen'. Adviezen of maatregelen uit de circulaire kunnen door het bevoegd gezag worden omgezet in voorschriften in de omgevingsvergunning.

Gebruikelijke veiligheidsmaatregelen die leveranciers voor het energieopslagsysteem aanbieden zijn: veiligheidssystemen op het gebied van branddetectie en -bestrijding, zoals gaslek detectiesystemen; Battery Management System (BMS): dit is de operationele software die de toestand en werking van de batterij en systemen controleert. Het BMS detecteert en controleert de operationele condities (temperatuur, vochtigheid, energieniveaus, etc.); ondersteunende systemen ten behoeve van temperatuurregeling (verwarmings- en koelingssytemen), ventilatie en verlichting.

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

Naast veiligheidsmaatregelen wordt in de circulaire ook gesproken over de ruimtelijke positionering van een EOS. Ten aanzien van de locatiekeuze voor een EOS wordt in de circulaire geadviseerd de nabijheid van bevolkingsconcentraties te vermijden en naarmate dit minder mogelijk is een strikter veiligheidsregime aan te houden. Het vestigen van een grootschalige EOS in een woonwijk is volgens de circulaire een afweging van risico versus bijdrage aan de energietransitie. Gelet op de minimaal toegestane afstand (+- 310 meter) van het voorgenomen energieopslagsysteem tot (beperkt) kwetsbare objecten en de afwezigheid van een woonwijk in de directe omgeving van het systeem, wordt geconcludeerd dat de locatie voldoet aan de richtlijnen uit de circulaire. Nabij het plangebied van het EOS is een windturbine van Windplan Groen gelegen. Het EOS bevindt zich voor een minimaal gedeelte in het bestemde overdraaigebied van de windturbine en daarmee in de PR 10-5 risicocontour van de windturbine. In dit kleine gebied is echter geen beperkt kwetsbaar object voorzien. Het EOS bevindt zich gedeeltelijk in de PR 10-6 risicocontour van de windturbine. Binnen deze contour mogen zich geen kwetsbare objecten bevinden. Het EOS is geen kwetsbaar object, omdat het niet valt onder een van de categorieën, zoals genoemd in het Bevi.

De locatie van het EOS ten opzichte van de windturbine van Windplan Groen vormt dan ook geen belemmering. 4.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect (externe) veiligheid is er geen belemmering voor de ontwikkeling van het energieopslagsysteem. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.6

Waterhuishouding

4.6.1

Toetsingskader

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dat geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig.

Voor de ontwikkeling van de Dronter Energie Opslag (DEO) is in het kader van de watertoets de normale procedure van toepassing. Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m.

de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigen water' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Nationaal Water Programma Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (vastgesteld 18 maart 2022) bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening.

In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en -beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico's, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Waterbeheerprogramma Waterschap Zuiderzeeland Het projectgebied ligt in het beheergebied van Waterschap Zuiderzeeland. Het algemeen bestuur van Zuiderzeeland heeft het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 vastgesteld waarin lange termijn doelen (zichtjaar 2100), korte termijn doelen (2022-2027) en maatregelen van het waterschap weergegeven zijn. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de waterveiligheid, schoon en voldoende water en het thema water en ruimte. Het gaat hierbij om reguliere werkzaamheden van waterschappen, waaronder peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater. 4.6.2

Onderzoek

Watertoets Ten behoeve van onderhavig plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat van de initiële digitale watertoets is opgenomen in Bijlage 6. Vervolgens heeft in het kader van voorliggende waterparagraaf overleg plaatsgevonden tussen de initiatiefnemers en het waterschap over de raakvlakken van het project met belangen van het waterschap. Aandachtspunten en verbetervoorstellen zijn verwerkt in het plan en daarmee voorliggende waterparagraaf. Na het indienen van de digitale watertoets is er bijvoorbeeld nog ruimte voor waterberging toegevoegd. In het vervolg van deze paragraaf worden de uitkomsten en aandachtspunten vanuit de watertoets en het vooroverleg met het waterschap

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018) nader toegelicht. Thema waterveiligheid In de directe nabijheid van het energieopslagsysteem bevinden zich geen primaire-, regionale- en lokale waterkeringen. Ook ligt het plangebied niet in een beschermingszone van een kering. De realisatie van het energieopslagsysteem heeft geen invloed op waterkeringen. Voor dit onderdeel zijn geen uitgangspunten of aandachtspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema voldoende water Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunten wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken.

Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Het plangebied ligt in landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto toe. Deze toename is groter of gelijk aan 2.500 m². Hiervoor is compensatie noodzakelijk. Toetsing Het terrein voor het energieopslagsysteem heeft een oppervlakte van 6 hectare (60.000 m2 ). Het terrein wordt voor een groot deel verhard als gevolg van de te realiseren bouwwerken, gebouwen en (gesloten) terrein- en wegverhardingen. Voor de toets aan de grens van 2.500 m2 wordt aangenomen dat 70% van de 6 hectare volledig wordt gebruikt voor de plaatsing van bouwwerken, gebouwen en (gesloten) terreinen wegverhardingen. Voor de overige inrichting van het terrein zal naar verwachting gekozen worden voor groenvoorzieningen en een open verharding, zoals bijvoorbeeld kiezelstenen of grasbeton.

De toename van het totaal aan verhard oppervlak is naar schatting, maximaal 4,2 hectare (worst-case). Aangenomen wordt dat er meer dan 2.500 m2 aan verharding wordt toegevoegd in het landelijk gebied: compensatie voor de toename van de verharding is daarom noddakelijk. Door de toename van het verhard oppervlak zal een versnelde afvoer van het hemelwater plaatsvinden, waarvoor gecompenseerd moet worden. Het plangebied is gelegen in het peilgebied ZOF Hoge Vaart 2004. Voor dit gebied geldt op dit moment een bergingsnorm van 6% van toegevoegd verhard oppervlakte aan waterberging in oppervlaktewater of per 100 m2 verhard oppervlakte aan waterberging in wadi's en/of infiltratievoorzieningen. Uitgaande van het worst-case scenario, een oppervlakte aan gesloten verharding/bebouwing van 42.000 m2, zal er 2.520 m2 (0,25 hectare) of 4.830 m3 aan waterbergend vermogen gerealiseerd moeten worden. Ongeacht de gekozen variant van watercompensatie is er voldoende ruimte om deze opgave binnen het plangebied van 6 hectare uit te voeren. In de planregels is opgenomen dat het binnen de bestemming 'Bedrijf - Energieopslag' is toegestaan om waterberging in de vorm van open water, wadi's en/of infiltratievoorzieningen te realiseren voor de uitvoering van de watercompensatie opgave.

De planregel ten aanzien van landschappelijke inpassing (zie artikel 4.3.1) draagt bij aan het realiseren van voldoende waterberging in het plangebied. De lozingsroutes voor afstromend hemelwater richting bergings- en/of infiltratievoorzieningen worden in

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018) het kader van de aanvraag watervergunning uitgewerkt, op basis van het nog op te stellen ontwerp en indeling van het EOS. Er is sprake van een ruimtelijk uitvoerbaar plan. Thema grondwater Door Tauw is binnen het plangebied onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het grondwater. Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater maximaal licht verontreinigd is met barium, molybdeen en/of naftaleen. Verhoogde gehalten aan zware metalen in het freatisch grondwater is een verschijnsel dat op tal van onverdachte locaties in Nederland voorkomt, zonder dat er sprake is van een verontreinigingsbron. De verhoogde gehalten kunnen veroorzaakt worden door wisselende milieuomstandigheden, verhoogde depositie uit de lucht en bodemprocessen. Aangezien in de grond geen verhoogde gehalten met zware metalen zijn gemeten, zijn de in het grondwater gemeten gehalten niet vanaf het maaiveld in de bodem gekomen. Daarom wordt aangenomen dat de verhoogde gehalten in het grondwater zijn veroorzaakt door natuurlijke (bodem) processen. Van een verontreinigde situatie is daarom geen sprake. Het is op dit moment nog niet bekend of er grondwateronttrekking gaat plaatsvinden. In het geval dat er meer dan 1 m3 per uur aan grondwater wordt onttrokken dient een melding te worden gedaan bij Waterschap Zuiderzeeland.

In het geval er meer dan 100.000 m3 per maand wordt onttrokken of in het geval de onttrekking langer duurt dan 6 maanden, dient een watervergunning worden aangevraagd. Thema schoon water Uitgangspunten schoon water In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Goede oppervlakte waterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Onderdeel van het energieopslagsysteem is zijn olie-gekoelde transformatoren. Regenwater dat in de vloeistofdichte opvangvoorziening van de transformatoren valt wordt afgevoerd naar open water, via een olie-waterafscheider. Bij een olielekkage zijn er detectievoorzieningen om deze afvoer direct te stoppen. Aanvullend wordt een controlevoorziening aangebracht, zodanig dat het hemelwater in de opvangvoorziening kan worden bemonsterd. Verder komen er bij het energieopslagsysteem geen milieubelastende stoffen vrij die in het oppervlaktewater terecht kunnen komen. Ook is geen sprake van significant risico's als gevolg van uitlogende stoffen in het kader van bodembescherming.

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het is op dit moment niet duidelijk of er toiletten worden gerealiseerd in de meet- en schakelgebouwen. Omdat er geen riool in de directe nabijheid is zal voor huishoudelijk afvalwater gebruik worden gemaakt van een IBA-systeem (Individuele Behandeling van Afvalwater) of het opvangen van afvalwater in tanks, voor periodieke verwerking. In onderhavige situatie is het werken met een IBA systeem waarschijnlijk niet werkbaar. Het waterschap adviseert in die situaties om huishoudelijk afvalwater af te voeren naar een zuiveringslocatie.

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

4.6.3

Conclusie

Er zijn in het plangebied geen verontreinigingen aanwezig in het grondwater. Tevens zijn er geen primaire-, regionale- en lokale waterkeringen in de directe nabijheid van het energieopslagsysteem. Vanwege de verharding die aangebracht gaat worden zal er versnelde afvoer van hemelwater plaatsvinden. Compensatie is noodzakelijk en hiervoor dient een watervergunning aangevraagd te worden bij Waterschap Zuiderzeeland. Er blijft voldoende onbebouwde ruimte vrij in het plangebied voor watercompensatie, waardoor het plan uitvoerbaar is voor het aspect waterhuishouding. Er is voor het aspect waterhuishouding sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.7

Elektrische en magnetische velden

4.7.1

Toetsingskader

Elektrische, magnetische en elektromagnetische velden komen overal voor. Bekende natuurlijke vormen zijn Uv-straling (zon), infrarode straling (warme voorwerpen) en zichtbaar licht. Elektromagnetische velden (EMV) zijn ook aanwezig bij het gebruik van huishoudelijke elektrische apparaten, zoals de magnetron en de stofzuiger, en bij het transport van elektriciteit over lange afstanden (via hoogspanningsverbindingen). De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt. Ook rondom een hoogspanningsstation kunnen magnetische velden voorkomen. De veldsterkte neemt zeer snel af: bij een afstand van ongeveer 10 meter rond een station (uitgezonderd ter plaatse van hoogspanningsmasten voor bovengrondse verbindingen) is het magneetveldzone veelal niet meer meetbaar. Een energieopslagsysteem kent grotendeels vergelijkbare componenten als een transformatorstation waardoor dit ook wordt geacht op te gaan voor het energieopslagsysteem. Voorzorgbeleid Voor bovengrondse hoogspanningslijnen heeft het Ministerie van VROM in 2005 (nader verduidelijkt in 2008) een voorzorgbeleid geformuleerd op basis van de advieswaarde 0,4 microtesla (mT).

De Rijksoverheid adviseerde toen om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 mT. Uit wetenschappelijk onderzoek komen namelijk aanwijzingen dat kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen, mogelijk meer kans hebben om leukemie te krijgen. Het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) ondersteunt sinds 2005 de uitvoering van het beleidsadvies met een Handreiking voor het berekenen van de magneetveldzone, een netkaart met indicatieve magneetveldzones en onderzoek. Het geformuleerde voorzorgsbeleid was niet van toepassing op ondergrondse kabelverbindingen en hoogspanningsstations. In april 2018 heeft de Gezondheidsraad een advies uitgebracht aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over hoogspanningslijnen en kanker bij kinderen. De Gezondheidsraad adviseert het bestaande beleid voor bovengrondse hoogspanningslijnen voort te zetten. Daarnaast geeft de Gezondheidsraad de staatssecretaris in overweging het beleid uit te breiden naar andere bronnen van langdurige blootstelling aan magneetvelden in het elektriciteitsnetwerk zoals ondergrondse kabels en transformatorhuisjes.

Inmiddels heeft de Gezondheidsraad tevens een verband gelegd tussen leukemie bij volwassenen en hoogspanningslijnen. Om die reden wil men het voorzorgsbeleid ook van toepassing laten verklaren op ondergrondse verbindingen en stations. Er wordt ook een gedeeltelijk verband gelegd tussen de neurologische ziektes ALS en Alzheimer bij beroepsgroepen met aanzienlijk hogere blootstellingen aan magnetische velden dan in de woonomgeving. Er wordt geen verband gezien met de neurologische ziektes MS en Parkinson. Men wil niet uitsluiten dat er een oorzakelijk verband kan zijn bij hoogspanningslijnen en neurologische ziektes.

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

4.7.2

Onderzoek

Uit recente projecten is gebleken dat bij ondergrondse hoogspanningsverbindingen op een afstand van in ieder geval meer dan 15 meter (horizontaal of verticaal) geen sprake meer is van overschrijding van de waarde van 0,4 microtesla. Op basis van de resultaten van de beoordeling bij bijvoorbeeld rijksinpassingsplan "Transformatorstation Oostzaan" en rijksinpassingsplan "Station Vijfhuizen" blijkt dat de afstand waarop de 0,4 mT is gelegen, tot maximaal enkele tientallen meters van de bron reikt. De afstand van bovengrondse en ondergrondse elektrische systemen van het energieopslagsysteem tot het dichtstbij gelegen gevoelige object (woning) is minimaal circa 310 meter. Gezien deze grote afstand kan er met zekerheid geconcludeerd worden dat er geen overschrijding van de 0,4 mT ter hoogte van gevoelige objecten optreden. 4.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect elektromagnetische straling is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

4.8

Bodemkwaliteit

4.8.1

Toetsingskader

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient het bevoegd gezag onderzoek te verrichten naar de bestaande toestand van de bodemkwaliteit en deze te toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. 4.8.2

Onderzoek

In het kader van de ontwikkeling van DEO is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Tauw B.V. Het doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het onderzoek is als Bijlage 9 toegevoegd bij deze toelichting. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond geen verontreinigingen zijn vastgesteld. Het grondwater is maximaal, licht verontreinigd met barium, molybdeen en/of naftaleen. De gehaltes van de bovenvermelde parameters zijn dermate laag en vormen geen aanleiding tot nader onderzoek en vormen tevens geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Transformatoren Transformatoren hebben oliehoudende onderdelen en kunnen daardoor van invloed zijn op de bodemkwaliteit in geval van calamiteiten. Op de uitvoering van het station is de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming van toepassing waarmee verzekerd wordt dat sprake is van een aanvaardbaar bodemrisico. Het bodemrisico bestaat uit het lekken van olie uit de installatie. De transformatoren zijn een gesloten installatie. Onder de transformatoren zullen vloeistofkerende betonnen opvangbakken aanwezig zijn. De bakken hebben voldoende capaciteit om de transformatorolie uit de installatie die erboven opgesteld staat plus 10% op te vangen in geval van lekkage.

Voor het lozen van hemelwater vanuit deze vloeistofkerende voorzieningen wordt een oliesensor en oliescheider toegepast. 4.8.3

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde onderzoek ter plekke van het plangebied is het niet aannemelijk dat er vervuilde grond op de locatie aanwezig is. Er is derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect bodemkwaliteit.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Toetsingskader

Op 15 november 2007 is een wettelijk stelsel voor luchtkwaliteitseisen van kracht geworden. De hoofdlijnen van deze regelgeving zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer.

Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien deze voldoet aan één van deze voorwaarden: er geen sprake is van feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project 'in niet betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie (toestemming) heeft verleend. Van een verslechtering van de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet: woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen; infrastructuur: minimaal 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie); kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen. 4.9.2

Onderzoek

Onderhavig plan maakt een ontwikkeling mogelijk dat niet onder één van bovenstaande categorieën onder te brengen is en het is ook geen project dat beschreven staat in het NSL. Er hoeft daarom ook niet nader op het aspect luchtkwaliteit te worden ingegaan. 4.9.3

Conclusie

De luchtkwaliteit zal door de ontwikkeling niet 'in betekenende mate' verslechteren. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect luchtkwaliteit.

4.10

Niet-gesprongen explosieven

4.10.1 Toetsingskader In de bodem kunnen niet gesprongen explosieven (NGE) aanwezig zijn die een risico vormen voor de veiligheid van het personeel dat werkzaamheden voor realisatie van het windturbinepark uitvoert. Daarnaast kan de openbare veiligheid in het geding komen. De aanwezigheid van explosieven is een ruimtelijk relevant criterium voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.10.2 Onderzoek Voor het plangebied van Windplan Groen en bijbehorend transformatorstation is door IDDS Explosieven B.V. een vooronderzoek uitgevoerd naar NGE (Bijlage 7). Het doel van dit vooronderzoek is het vaststellen of er in de geraadpleegde bronnen indicaties zijn waaruit blijkt dat het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog betrokken is geweest bij oorlogshandelingen waardoor er mogelijk explosieven in het plangebied zijn achtergebleven. Indien er indicaties zijn, dan wordt een gebied als verdacht aangewezen. Uit het onderzoek blijkt dat een deel van de huidige Flevopolder minstens sinds november 1942 onderdeel was van een door de Duitse strijdkrachten ingesteld schietoefenterrein voor geschut. In het gebied zijn veel explosieven geruimd sinds de drooglegging van de polder in 1957. De tot in de jaren '70 geruimde explosieven werden genoteerd per kavelnummer en de MORA's werden (en worden nog steeds) genoteerd op een adres of straat.

Aan de hand van deze data is voor het gehele plangebied van Windplan Groen geanalyseerd welke gebieden verdacht zijn op het aantreffen van geschutmunitie en welke niet. De grens van de verdachte gebieden is bepaald aan de hand van de gebieden waarin veel munitieruimingen zijn gedaan. In het plangebied voor het energieopslagsysteem en de directe omgeving zijn weinig tot geen munitievondsten bekend. Het plangebied is derhalve als niet verdacht aangemerkt. In onverdachte gebieden kunnen de voorgenomen werkzaamheden plaatsvinden zonder dat hiervoor verdere stappen in de opsporing van explosieven noodzakelijk zijn. De uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.

46

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

Figuur 4.5 Plangebied DEO (groene cirkel) ten opzichte van verdachte gebieden (oranje) [bron: IDDS Explosieven B.V.]

Toelichting (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

In dit hoofdstuk worden de juridische regels en aspecten van het bestemmingsplan behandeld. Als eerste zal de opzet van het bestemmingsplan worden toegelicht. Vervolgens wordt een artikelsgewijze toelichting op de regels gegeven.

5.1

Opzet bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), welke gelden sinds 1 juli 2008. Naast deze toelichting bestaat het bestemmingsplan uit planregels en een verbeelding. Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP) Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP bevat standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog.

5.2

Artikelsgewijze toelichting

5.2.1

Inleidende regels

In het eerste hoofdstuk van de regels zijn de inleidende regels opgenomen. Deze regels bestaan uit de definities van begrippen in Artikel 1 en de wijze waarop gemeten wordt in Artikel 2. 5.2.2

Bestemmingsregels

In het tweede hoofdstuk van de regels zijn de bestemmingsregels opgenomen. Het bestemmingsplan kent de volgende drie bestemmingen: Enkelbestemming 'Agrarisch', enkelbestemming 'Bedrijf Energieopslag' en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Tevens kent het bestemmingsplan de functieaanduiding 'agrarisch' en de gebiedsaanduiding 'overige zone - EOS infrastructuur'. Vanuit het inpassingsplan van Windplan Groen worden de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie', 'overige zone - windpark infrastructuur 1', 'overige zone - windpark infrastructuur 2', 'overige zone – overdraai' en 'specifieke bouwaanduiding - 1b' overgenomen. Enkelbestemming 'Agrarisch' De enkelbestemming 'Agrarisch' ligt ter plaatse van het perceel dat in het plangebied is meegenomen om de infrastructuur voor de energieopslag en het windpark mogelijk te maken. Het gaat hier om de aanleg van (ondergrondse) leidingen, toegangswegen en dergelijke. De bestemming is afgestemd op de voor dit perceel relevante regels uit het bestemmingsplan Buitengebied Dronten (D2004). Enkelbestemming 'Bedrijf - Energieopslag' De gronden waarop het energieopslagsysteem zich bevindt zijn bestemd met de enkelbestemming 'Bedrijf - Energieopslag'. Op gronden met deze bestemming is een energieopslagsysteem, niet zijnde een geluidzoneringsplichtige inrichting, toegestaan inclusief bijbehorende voorzieningen.

Binnen het bestemmingsvlak mogen ook gebouwen en bouwwerken worden gerealiseerd met een maximaal bebouwingspercentage van 70% zodat er ruimte overblijft voor landschappelijke inpassing en waterberging. De bouwregeling biedt flexibiliteit voor de realisatie van verschillende energieopslagsystemen (zoals beschreven in paragraaf 2.2). Functieaanduiding 'agrarisch' De functieaanduiding 'agrarisch' is opgenomen om het bestaande agrarische gebruik mogelijk te houden op de aangewezen gronden, zodat de grondeigenaar de grond agrarisch kan blijven gebruiken zo lang deze nog niet in gebruik is genomen voor het energieopslagsysteem. Aangesloten is op de vergelijkbare regeling in het inpassingsplan "Windplan Groen". Gebiedsaanduiding 'overige zone - EOS infrastructuur'

48

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

De gebiedsaanduiding 'overige zone - EOS infrastructuur' is opgenomen om op het stuk grond, tussen het energieopslagsysteem en het transformatorstation van Windplan Groen, kabels en leidingen en een toegangsweg mogelijk te maken, specifiek bedoeld voor de energieopslag. Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inrichting In de gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing. Het energieopslagsysteem, of een gedeelte er van mag pas in gebruik worden genomen en gehouden als er invulling is gegeven aan het landschappelijk inpassingsplan. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' is overgenomen uit het bestemmingsplan Buitengebied Dronten en dient ter bescherming van eventuele in de bodem aanwezige archeologische waarden. In de bestemmingsregels is een vergunningplicht opgenomen voor bepaalde bouwwerken en werken en werkzaamheden, waarmee wordt geregeld dat archeologisch onderzoek verplicht is onder de in de planregels opgenomen voorwaarden en afhankelijk van het archeologisch onderzoek eventuele maatregelen moeten worden getroffen ter bescherming van aanwezige archeologische waarden. 5.2.3

Algemene regels

In het derde hoofdstuk van de regels zijn de algemene regels opgenomen. In Artikel 6 is de Anti-dubbeltelregeling opgenomen. Het Bro stelt de verplichting de Anti-dubbeltelregeling over te nemen in bestemmingsplannen. Deze standaardbepaling zorgt ervoor dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan, waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, buiten beschouwing blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen. In Artikel 7 van de planregels staan de aanduidingen, welke over worden genomen uit het inpassingsplan Windplan Groen. 5.2.4

Overgangs- en slotregels

In het vierde hoofdstuk zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In Artikel 8 is het Overgangsrecht opgenomen. Deze regels zijn voorgeschreven in het Bro. Met deze regels worden de bestaande rechten op de gronden beschermd. In Artikel 9 is de Slotregel opgenomen. Hier wordt de titel van het bestemmingsplan genoemd. De titel waarmee het bestemmingsplan wordt aangemerkt is "Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)".

Toelichting (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Dronten - Dronter Energie Opslag Olsterpad (D4018)

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Financieel-economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal Krachtens de Wet ruimtelijke ordening (Wro), waarin in afdeling 6.4 bepalingen zijn opgenomen betreffende de grondexploitatie, geldt de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kostenverhaal verplicht in geval van: de bouw van één of meer woningen en/of andere hoofdgebouwen; uitbreidingen van een gebouw van ten minste 1.000 m2 of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren dan voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren bij ingebruikname voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte ten minste 1.500 m2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een energieopslagsysteem en de daarbij behorende voorzieningen waaronder een inkoop-/schakelgebouw en mogelijk (een) gebouw(en) voor batterijopslag. De gebouwen zijn toegankelijk voor onderhoud. Aangezien hiermee wel sprake is van de bouw van een hoofdgebouw zoals bedoeld in artikel 6.2.1.

sub b van het Besluit ruimtelijke ordening, is kostenverhaal verplicht. In het kostenverhaal wordt voorzien middels een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemers en de gemeente Dronten, waarin onder andere voorzien wordt in planschade en indien nodig afspraken over landschappelijke inpassing. Vastgelegd wordt dat initiatiefnemers eventuele planschade aan de provincie vergoeden wanneer planschade wordt vastgesteld. De anterieure overeenkomst is door initiatiefnemers en gemeente ondertekend. Planschade Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan planschade ontstaan. De Wro voorziet in een regeling voor vergoeding van planschade. Op basis van artikel 6.1 Wro wordt aan degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van de wijziging, herziening of afwijking van het bestemmingsplan, tegemoetgekomen, wanneer de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet anderszins is verzekerd. Eventuele planschadekosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Financiële uitvoerbaarheid De ontwikkelkosten worden door de initiatiefnemers zelf gedragen. Voor de investering in de realisatie van het energieopslagsysteem zal naast eigen vermogen ook vreemd vermogen worden ingelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/39/documents/208