78706e55-d8e5-4b27-bba7-9afa8fc805cf.pdf
Tekst van het document
Voor de boerenzwaluw is geen vervolgonderzoek nodig hiervoor kan een mitigatieplan worden opgesteld, om vervolgens een ontheffing aan te vragen. Voor de mogelijk aanwezige licht beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Het voornemen levert derhalve geen strijdigheid op met betrekking tot beschermde soorten. Een ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet benodigd voor de wijziging in het bestemmingplan. Ook voor de sloop van de aanwezige loods is geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Voor de realisatie van de geplande bebouwing is een ontheffing voor boerenzwaluw nodig, en afhankelijk van de gegevens uit het vervolgonderzoek een ontheffing voor vleermuizen en/of huismussen. ` Vervolgstappen • Voor de wijziging in het bestemmingsplan is geen vergunning of ontheffing in het kader van Wet natuurbescherming nodig. • Voor de sloop van de opslagloods is geen vergunning of ontheffing in het kader van Wet natuurbescherming nodig. • Er is een vervolg onderzoek nodig naar de aanwezigheid van vleermuizen en huismussen in het huidig houten gebouw op de locatie. • Mitigatie voor de aanwezige boerenzwaluw nesten is vereist. • Nieuwbouw buiten het broedseizoen om wordt sterk aangeraden.
19/21
Bijlage 1 Bronnen
- Alterra, Dobben, H.F. van (2012): 'Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000' Alterra-rapport 2397; - Greve, M.S.E en H. Miedema (2011): “Wezenlijke kenmerken en waarden EHS Gemeente Dronten” A&W rapport 1359 - Krijgsveld, K.L., R.R. Smits & J. van der Winden (2008): 'Verstoringsgevoeligheid van vogels - Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie'. Bureau Waardenburg bv, Culemborg. - Provincie Flevoland (2016): “Verordening van Provinciale Staten van de provincie Flevoland houdende regels voor de uitvoering van de wet natuurbescherming Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Flevoland 2016” - Rijkswaterstaat (2016): ‘Natura 2000 ontwerpbeheerplan IJsselmeergebied 2016 – 2021 Veluwerandmeren’ - www.calculator.aerius.nl/calculator/ - www.sovon.nl - www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ - www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicator - www.waarneming.nl
20/21
Bijlage 2
21/21
Quickscan Adviesbureau JM ecologie
Biddinghuizen Strandgaperweg 2-4 QuickScan
JM ecologie, 2021
QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming Rapportnummer R21.019 Status 1.0 (definitief) Datum 09-02-2021 Opdrachtgever RHO adviseurs Druifstreek 72-C 8911 LH Leeuwarden Auteur Willem Oevering Controle Remco Ploeg Voorpagina Foto van het te slopen golfplaten gebouw. Te citeren als Oevering, W., 2021. QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4; Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming. JMe-rapport R21.019 JM ecologie, Gorredijk.
JM ecologie Wetterwille 9 8401 GB Gorredijk
Copyright © 2021 JM ecologie
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................................................................. 2 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 2 Globale ligging .................................................................................................................................................... 2 Structuur natuurwetgeving in Nederland ........................................................................................................... 3 Scope van de QuickScan ..................................................................................................................................... 6 Werkwijze ........................................................................................................................................................... 6
2
Beschrijving locatie en ingreep ........................................................................................................................... 7 Locatie ................................................................................................................................................................. 7 Globale ligging ............................................................................................. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Ingreep .............................................................................................................................................................. 10
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie (soortenbescherming) .........................................................................11 Vogels................................................................................................................................................................ 11 Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................................................... 13 Amfibieën .......................................................................................................................................................... 13 Insecten............................................................................................................................................................. 14 Overige fauna .................................................................................................................................................... 14 Vaatplanten ...................................................................................................................................................... 14
4
Effecten en gevolgen ..........................................................................................................................................15 Overzicht beschermde soorten......................................................................................................................... 15 Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna ........................................................... 16
5
Mitigerende maatregelen ..................................................................................................................................17 Jaarrond beschermde broedvogels; mitigatie en nader onderzoek ................................................................. 17 Algemene broedvogels; mitigatie ..................................................................................................................... 18 Vleermuizen; nader onderzoek......................................................................................................................... 19
6
Conclusie............................................................................................................................................................20
Geraadpleegde bronnen ............................................................................................................................................21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
1
Inleiding Aanleiding De opdrachtgever, RHO Adviseurs, is voornemens om de bebouwing op het perceel aan de Strandgaperweg 2-4 te Biddinghuizen, gemeente Dronten, Provincie Flevoland, te slopen om vervolgens maximaal 650 m2 aan nieuwbouw te realiseren. Na de sloop vindt er herbouw plaats op de noordoostzijde van het perceel. Daarnaast worden mogelijk enkele jonge beuken gekapt. Om eventuele strijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) op te sporen, is door JM ecologie een QuickScan uitgevoerd op de locatie.
Globale ligging Het plangebied is gelegen aan de Strandgaperweg, welke voornamelijk in bosachtig gebied ligt. Het bosperceel aan de noordzijde van het plangebied is vrij recentelijk gekapt en bestaat voornamelijk uit jonge opslag. Ten zuiden van het plangebied ligt, op circa 20 meter afstand, de N306. Achter een bosperceel ligt aan de zuidoostzijde een bungalowpark, met daarachter Natura 2000-gebied het Veluwemeer. Ten oosten van het plangebied ligt, achter een aantal bospercelen, een festivalterrein met daarachter een pretpark. De ruimere omgeving van het plangebied bestaat verder voornamelijk uit intensief beheerd agrarisch grasland. De globale ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1. Globale ligging van het plangebied in Flevoland, aangegeven met een rode stip. (Bron achtergrond: Esri)
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 2 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Afbeelding 1.2. Globale ligging van het plangebied in Flevoland, aangegeven met een rode stip. (Bron achtergrond: Esri)
Structuur natuurwetgeving in Nederland De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wet natuurbescherming, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Dit betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Na de decentralisatie (2017) zijn enkele provincies andere namen gaan voeren voor de NNN. In de provincie Flevoland wordt wel de naam NNN gebruikt. Decentralisatie Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de provincies. Het Rijk behoud echter het bevoegd gezag en de verantwoordelijkheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals bijvoorbeeld hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij en bijvoorbeeld activiteiten Koninklijk Huis. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in categorieën.
Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de volgende categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 3 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
De meeste provincies en het Rijk hanteren de voorheen geldende “Lijst met jaarrond beschermde nesten 2012” in de Wet natuurbescherming. Flevoland heeft ervoor gekozen om een eigen “lijst met jaarrond beschermde nesten” op te stellen. Bij voorliggende toetsing is deze nieuwe lijst gehanteerd. In deze lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5a en 5b). Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen. Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal aangewezen vogelsoorten, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 4 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren en opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren.
Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het projectvoornemen een of enkele gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 5 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Scope van de QuickScan Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande bestemmingswijziging, eventuele strijdigheden met de Wet natuurbescherming (Wnb) in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. In tegenstelling tot een Natuurtoets wordt bij een QuickScan niet ingegaan op raakvlakken met de gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN) en is de bureaustudie beperkt. Het perceel ligt (deels) in NNN gebied, mogelijk dient er contact met de provincie opgenomen te worden met betrekking tot de NNN. Tevens ligt het gebied op relatief korte afstand van Natura 2000. Waarschijnlijk zijn de meeste effecten van de werkzaamheden uit te sluiten, maar mogelijk is er sprake van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Een initiatiefnemer is, vanuit de natuurwetgeving, bij ruimtelijke ingrepen (maar ook maatregelen en activiteiten) verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur is onvoorspelbaar. Het veldbezoek beschrijft een momentopname.
Indien de periode tussen veldbezoek en de invoer van de geplande verandering in het bestemmingsbesluit meerdere jaren wordt, dient overwogen te worden een herhaald veldbezoek te laten uitvoeren, hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de QuickScan wordt herzien.
Werkwijze Bureaustudie Voorafgaand aan het veldbezoek wordt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door het raadplegen van online- en fysieke atlassen en databases, zoals bijvoorbeeld de NDFF. Het doel van de bureaustudie is het inschatten van de ligging van het projectgebied, de aanwezige habitattypes en de bekende beschermde soorten, alsmede het verkrijgen van inzicht in de kans dat beschermde soorten in een projectgebied aanwezig kunnen zijn. Veldbezoek Het veldbezoek is afgelegd door ecoloog Willem Oevering van JM ecologie op 2 februari 2021. Het bezoek is uitgevoerd van 10:00 tot 11:00 uur, bij -1⁰C en 1Bft, op een regenachtige, bewolkte dag. Het doel van het veldbezoek is het inschatten van de aanwezige habitattypes en het verkrijgen van inzicht in het plangebied. Maatregel(en) en effecten De derde stap is de beschrijving van de geplande maatregel en de omstandigheden (planning, methode) waarin deze uitgevoerd gaat worden. Tezamen met het veldbezoek en de bureaustudie kunnen hieruit eventuele strijdigheden van de plannen met de betreffende natuurwetgeving opgespoord worden, en kunnen eventuele kennishiaten benoemd worden. Hieraan worden conclusies verbonden en hieruit zal duidelijkheid ontstaan over de eventuele noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, met als doel de wijziging conform de huidige Wet natuurbescherming te laten plaatvinden.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 6 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
2
Beschrijving locatie en ingreep Locatie Het plangebied is gelegen aan de Strandgaperweg, welke voornamelijk in bosachtig gebied ligt. Het bosperceel aan de noordzijde van het plangebied is vrij recentelijk gekapt en bestaat voornamelijk uit jonge opslag. Ten zuiden van het plangebied ligt, op circa 20 meter afstand, de N306. Achter een bosperceel ligt aan de zuidoostzijde een bungalowpark, met daarachter Natura 2000-gebied het Veluwemeer. Ten oosten van het plangebied ligt, achter een aantal bospercelen, een festivalterrein met daarachter een pretpark. De ruimere omgeving van het plangebied bestaat verder voornamelijk uit intensief beheerd agrarisch grasland (afbeelding 2.1).
Afbeelding 2.1. Begrenzing van het plangebied (rood omlijnd). (Bron achtergrond: Esri)
Het plangebied bestaat voornamelijk uit grasachtige begroeiing met enkele aangeplante jonge beuken (afbeelding 2.2). In de zuidwest zijde van het perceel staat een houten gebouw welke voornamelijk als kantoorruimte gebruikt wordt. Het houten gebouw heeft aan de zuidzijde een overkapping (afbeelding 2.3 t/m 2.5). Op de noordoostzijde staat een, van stalen profielplaten gebouwde, opslagruimte met aan de westzijde een rij jonge beuken (afbeelding 2.6 en 2.7). In het verlengde van de opslagruime liggen een onverharde weg en een fietspad. De weg maakt een verbinding tussen de opslagplaats en de strandgaperweg, het fietspad is een verbinding met een netwerk van fietspaden door de bospercelen. Aan de westzijde van de onverharde weg staat een aangeplante bomenrij (afbeelding 2.8). Op de noordzijde van het perceel is een verruigd gedeelte met opgaande begroeiing (afbeelding 2.9). Ten westen hiervan is een zitplaats gecreëerd door middel van enkele houten bankjes, half omringd door een grondwal (afbeelding 2.10). Rondom het perceel liggen enkele watergangen met deels overjarig riet (afbeelding 2.11 t/m 2.13).
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 7 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Afbeelding 2.2. Overzichtsfoto perceel.
Afbeelding 2.3. Houten bebouwing, achterkant.
Afbeelding 2.4. Situatiefoto houten bebouwing.
Afbeelding 2.5. Detailfoto overkapping.
Afbeelding 2.6. Voorzijde opslagplaats.
Afbeelding 2.7. Achterzijde opslagplaats met ervoor de aanplant van jonge beuken.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 8 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Afbeelding 2.8. Onverharde weg en fietspad.
Afbeelding 2.9. Ruigtestruweel aan noordzijde perceel.
Afbeelding 2.10. Zitgedeelte omringd door grondwal.
Afbeelding 2.11.Watergang aan de westzijde van het plangebied.
Afbeelding 2.12. Watergang aan de noordzijde van het plangebied.
Afbeelding 2.13. Watergang aan de zuidzijde van het plangebied.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 9 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Ingreep De bestaande bebouwing op het perceel wordt geamoveerd. Na het amoveren van de aanwezige bebouwing wordt, in de noordoostzijde van het perceel, nieuwbouw gecreëerd. De nieuwbouw zal de huidige kantoor- en opslagfunctie van de bestaande bouw overnemen. Tijdens de bouw zullen de jonge beuken welke rondom het noordoostelijke gebouw staan gekapt worden. Er wordt niet gewerkt aan watergangen. De planning van de werkzaamheden is ten tijde van het schrijven van deze rapportage nog niet bekend.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 10 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
3
Resultaten veldbezoek en bureaustudie (soortenbescherming) Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.
Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 11 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste Flevolandse lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Deze soorten zijn: boerenzwaluw, bosuil, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ransuil, roek, slechtvalk, steenuil en torenvalk. Daarnaast zijn van 23 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5a of 5b van de lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Deze soorten zijn: blauwe reiger, boomvalk, buizerd, draaihals, groene specht, grote bonte specht, havik, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, middelste bonte specht, oehoe, oeverzwaluw, ooievaar, raaf, rode wouw, sperwer, spreeuw, tapuit, wespendief, zeearend, zwarte specht en zwarte wouw. Indien sprake is van een ecologisch zwaar wegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’. Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is gezocht naar jaarrond beschermde nesten in en binnen de verstoringszone van het plangebied.
In de bomen binnen de verstoringszone is één potentieel jaarrond beschermd boomnest aangetroffen. Daarnaast is het mogelijk dat er huismussen nestelen in de overkapping aan het bestaande houten gebouw. Daarnaast zijn vier boerenzwaluwnesten gevonden onder deze overkapping. Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2. Algemene broedvogels In en op de panden, de bomen, de struiken en de waterkanten kunnen diverse algemene broedvogels als kauw, spreeuw en wilde eend, tot broeden komen tijdens het vogelbroedseizoen. Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 11 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.
Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven Het houten gebouw aan de zuidwestkant van het perceel is goed toegankelijk voor vleermuizen. Vleermuizen kunnen onder het dak komen en kunnen het gehele dak als verblijfplaats gebruiken. Mogelijk is er ook ruimte aanwezig in de muren van het pand.
Het pand is geschikt als verblijfplaats voor diverse gebouwbewonende vleermuizen, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis. Mogelijk gebruiken één of meerdere van deze soorten het pand als kraamverblijf, zomerverblijf of paarverblijf. Daarnaast is het mogelijk dat de holte in één van de bomen in een bosperceel ten oosten van het plangebied geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Consequenties van de ingreep op vleermuisverblijfplaatsen staan beschreven in paragraaf 4.2. Vliegroutes Er zijn geen duidelijke lijnvormige elementen aanwezig binnen het plangebied die dienst kunnen doen als essentiële vliegrouteondersteuning. Foerageergebied Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied. In de omgeving van het plangebied is voldoende minstens even geschikt foerageergebied aanwezig, waardoor het plangebied niet als essentieel foerageergebied wordt aangemerkt.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 12 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Overige zoogdieren Er zijn in de omgeving van het plangebied diverse beschermde zoogdieren bekend, te weten de bever, boommarter, otter en wezel. Daarnaast is het mogelijk dat er bunzing of hermelijn in de omgeving van het plangebied voorkomt. Verder zijn enkele algemene en in Flevoland vrijgestelde soorten, als egel, veldmuis, haas, vos en ree bekend uit de omgeving. Naast deze soorten worden, gezien het habitattype en de bekende verspreiding, geen andere beschermde zoogdiersoorten verwacht in de omgeving van het plangebied. Bever De bever leeft op plaatsen waar bos en open water aan elkaar grenzen. De bever heeft een voorkeur voor groot open water zoals meren, rivieren en beken maar ook moerassen met op de oevers broekbossen met boomsoorten als wilg en els voldoen. De waterdiepte moet minimaal 50 centimeter zijn (Zoogdiervereniging, z.d.). Dergelijk habitat is niet aanwezig binnen de verstoringszone van het plangebied. Aanwezigheid van de bever binnen de verstoringszone van het plangebied is daarom uitgesloten. Boommarter De boommarter is een sterk boomgebonden martersoort welke rust- en verblijfplaatsen in holtes in bomen heeft. Het plangebied bevat geen geschikte potentiële verblijfplaatsen en is, door zijn open karakter, op zijn best suboptimaal foerageergebied in een groot bosgebied.
In de bospercelen in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen ook geen geschikte verblijfplaatsen aangetroffen voor boommarters. Aanwezigheid van verblijfplaatsen of essentieel leefgebied in het plangebied is daarom uitgesloten. Otter De otter is een sterk watergebonden zoogdier welke voornamelijk op vis foerageert. De soort heeft zijn verblijfplaatsen in sterk begroeide oevers, maar ook in kunstmatige holtes. De watergang rondom het perceel is zeer ondiep en ongeschikt als foerageergebied voor de otter. Aangezien de watergangen niet geschikt zijn voor de otter en de aanwezige oevers in het plangebied niet geschikt zijn voor verblijfplaatsen van de otter, is de aanwezigheid van de otter in het plangebied uitgesloten. Kleine marterachtigen De wezel is bekend uit de omgeving van het plangebied. Daarnaast is het plangebied ook deels geschikt voor hermelijn en bunzing. Deze kleine marterachtigen houden zich voornamelijk op in ruigtestroken en plekken met veel reliëf. De ruigtes aan de noordzijde en de bosranden romdon het plangebied zijn geschikt voor kleine marterachtigen als bunzing, wezel en hermelijn. De hermelijn is vaak een soort van vochtigere gebieden, waar de wezel vaker voorkomt in de drogere gebieden. Dit is echter meer een voorkeur, waarbij de grenzen niet hard zijn. Daarom is er gekozen om beide soorten mee te nemen in deze QuickScan.
Consequenties van de ingreep op kleine marterachtigen staan beschreven in paragraaf 4.2.
Amfibieën Er zijn in de omgeving van Biddinghuizen diverse algemene amfibieën aanwezig, zoals kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Voor al deze soorten geldt in de provincie Flevoland echter een vrijstelling op de verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen. Soorten met een beschermde status worden, gezien het habitattype en de bekende verspreiding van deze soorten, niet verwacht in de omgeving van het plangebied.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 13 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Insecten Er is in de omgeving van het plangebied een beschermde insectensoort bekend, te weten de grote weerschijnvlinder. De grote weerschijnvlinder is een opvallende vlinder welke voortplant op zonnige plaatsen aan de bosrand. De waardplant van de grote weerschijnvlinder is de (bos)wilg. Tijdens het veldbezoek zijn enkele geschikte boswilgen aan de rand van het plangebied aangetroffen. Consequenties van de ingreep op de grote weerschijnvlinder staan beschreven in paragraaf 4.2.
Overige fauna Overige beschermde diersoorten, zoals reptielen, vissen, kreeftachtigen en weekdieren zijn niet bekend in de wijde omgeving van Biddinghuizen en worden ook niet verwacht op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreidingsgegevens.
Vaatplanten De in Nederland beschermde vaatplanten stellen specifieke eisen aan hun groeiplaats, of komen slechts beperkt voor in Nederland. De meeste soorten groeien op voedselarme bodems en zijn niet te verwachten op stikstofrijke of bemeste bodems zoals landbouwgronden en de meeste wegbermen. Andere beschermde soorten groeien slechts in een specifieke biogeografische regio in Nederland, zoals in het rivierengebied of in het heuvelland van Zuid Limburg. Gezien de aanwezige habitats binnen het plangebied in combinatie met de bekende huidige verspreiding van beschermde plantensoorten, kan uitgesloten worden dat deze soorten aanwezig zijn binnen het plangebied.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 14 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
4
Effecten en gevolgen Overzicht beschermde soorten In dit hoofdstuk wordt de geplande ingreep getoetst aan de aanwezige of verwachte beschermde soorten (zie hoofdstuk 3) binnen het plangebied, en de te verwachten risico’s voor deze soorten, bij uitvoer van de geplande werkzaamheden. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die de vaste verblijfplaatsen in stand houdt. Voor soorten die niet genoemd worden vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of Wnb artikel 3.10 geldt de algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Zelfs bij negatieve effecten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ditzelfde geldt voor soorten van Wnb artikel 3.10, waarvoor een Provinciale vrijstelling is uitgegeven. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, maar ze worden hieronder, ondanks eventueel voorkomen en eventueel te verwachten negatieve effecten, niet meegenomen. Soortgroep Jaarrond beschermde broedvogels
Soort(en)
Bescherming
Aanwezig
Diverse soorten
3.1
Mogelijk
Algemene broedvogels Diverse soorten
3.1
Mogelijk in broedseizoen
Vleermuizen
Diverse gebouw- en boombewonende soorten
3.5
Mogelijk
Overige zoogdieren
Kleine marterachtigen
3.10
Mogelijk
Insecten
Grote weerschijnvlinder
3.10
Mogelijk
Tabel 4.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor het effect van de maatregel bepaald moet worden. 3.1 = vogelrichtlijn, 3.5 = habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermde soorten.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 15 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna Jaarrond beschermde broedvogels Het boomnest aan de zuidoostzijde van het plangebied ligt binnen de verstoringszone van het plangebied. De potentiële huismusnesten en de boerenzwaluwnesten in het bestaande houten gebouw worden verwijderd bij het amoveren van dit pand. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.1 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Algemene broedvogels In het plangebied en binnen de verstoringszone hiervan kunnen meerdere algemene broedvogels tot broeden komen. Wanneer werkzaamheden in de buurt van in gebruik zijnde nesten worden uitgevoerd, heeft dit mogelijk een verstorende werking op de broedende vogels. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.2 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Vleermuizen In het te amoveren houten gebouw en de holte in de boom in het bosperceel bevinden zich mogelijk kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen van één of meerdere soorten vleermuizen. De boom met potentieel geschikte holte wordt niet gekapt en tevens wordt de directe omgeving van deze boom niet aangetast.
Aangezien de boom midden in het bosperceel staat zal er geen verstoring van de werkzaamheden optreden bij deze potentiële verblijfplaats. Wel hebben de geplande werkzaamheden tot gevolg dat eventueel aanwezige verblijfplaatsen in het pand verdwijnen. Dit is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.3 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Kleine marterachtigen De randen van het plangebied, de oeverzones en de ruigtestrook aan de noordzijde van het plangebied bevatten mogelijk verblijfplaatsen van kleine marterachtigen. Aangezien de werkzaamheden zich niet uitstrekken tot deze ruigtestroken worden er geen potentiële verblijfplaatsen vernield en zijn de effecten van de sloop en bouw tijdelijk van aard. Verstoring van kleine marterachtigen tijdens de kwetsbare periode (15 maart-1 september) is echter in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden zonder dat de in paragraaf 5.2 genoemde vervolgstappen in acht worden genomen. Grote weerschijnvlinder Het is mogelijk dat de grote weerschijnvlinder tot voortplanten komt in de boswilgen aan de rand van het plangebied.
Aangezien de vlinders op relatief grote hoogte in de boomtoppen leven en de werkzaamheden de boswilgen niet aantasten zijn er geen negatieve effecten van de werkzaamheden op de grote weerschijnvlinder. Aangezien er geen boswilgen aan de rand van het bosperceel gekapt worden zijn negatieve effecten op de grote weerschijnvlinder uitgesloten.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 16 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
5
Mitigerende maatregelen In dit hoofdstuk worden de vervolgmaatregelen beschreven voor de soorten waarvan in hoofdstuk 4 is bepaald dat deze mogelijk een effect bemerken van de geplande ingreep. Deze vervolgmaatregel kan bestaan uit het uitvoeren van nader onderzoek om de aanwezigheid te bevestigen of uit te sluiten. Maar de vervolgmaatregel kan ook aangeven dat er een aanvraag voor een ontheffing op de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming benodigd is. Er kan ook een lijst met mitigerende maatregelen staan aangegeven, waarbij de ingreep uitgevoerd kan worden zonder een ontheffing. Indien de ingreep zonder enig nader onderzoek, mitigatie of ontheffingsaanvraag uitgevoerd kan worden, wordt dat in dit hoofdstuk vermeld. Soortgroep
Soort(en)
Bescherming
Aanwezig
Vervolgactie
Jaarrond beschermde broedvogels
Boerenzwaluwnesten, 3.1 boomnest en huismus
Boerenzwaluwnesten, potentieel jaarrond beschermd boomnest Nader onderzoek en en mogelijk mitigatie huismusnesten in het houten gebouw.
Algemene broedvogels
Diverse soorten
3.1
Mogelijk in broedseizoen
Mitigatie
Vleermuizen
Diverse gebouw- en boombewonende soorten
3.5
Mogelijk
Nader onderzoek
Tabel 5.1. Soort(groep)en van de Wet natuurbescherming waarvoor een vervolgactie benodigd is.
Jaarrond beschermde broedvogels; mitigatie, nader onderzoek en ontheffingsaanvraag Jaarrond beschermde vogelnesten: mitigatie De boom met het potentieel jaarrond beschermde boomnest wordt niet gekapt. Verwijderen van dit nest is dus niet aan de orde. Echter tijdens het broeden is er ook een wettelijk verbod op verstoring volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels op het nest broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Aangezien het hier een jaarrond beschermd nest betreft is er geen mogelijkheid tot voorkomen van broedgevallen op het nest. Het is wel mogelijk om nader onderzoek te doen naar het gebruik van het nest. Mocht hieruit blijken dat het nest geen jaarrond beschermde status heeft, dan kan alsnog overgegaan worden tot het voor het vogelbroedseizoen verwijderen of het verstoren van het nest.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 17 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Jaarrond beschermde vogelnesten: nader onderzoek In de daken van de gebouwen binnen het plangebied bevinden zich mogelijk jaarrond beschermde vogelnesten van huismus. Het verwijderen, ontoegankelijk of ongeschikt maken van deze potentiële nestplaatsen is in strijd met de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Daarom moet, voordat de werkzaamheden van start kunnen gaan, eerst nader onderzoek worden uitgevoerd om de aanwezigheid van nestplaatsen te bevestigen dan wel uit te sluiten. Het nader onderzoek naar huismus bestaat uit minstens 2 veldbezoeken die overdag worden afgelegd in de periode van 1 april tot 15 mei met een tussenpose van minstens 10 dagen tussen de veldbezoeken. Een bezoek heeft een lengte van een half uur. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat er geen nesten van huismus aanwezig zijn, is er geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van jaarrond beschermde vogelnesten of verblijfplaatsen. Indien er echter nesten worden aangetroffen, dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie. Om deze ontheffing te verkrijgen, moeten er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve nestgelegenheden in de omgeving.
Jaarrond beschermde vogelnesten: ontheffingsaanvraag Er dient een ontheffing aangevraagd te worden voor het verwijderen van de vier boerenzwaluwnesten.
Algemene broedvogels; mitigatie Alle inheemse broedvogels zijn tijdens het broeden wettelijk beschermd volgens de Vogelrichtlijn. Als er ten tijde van de beoogde start van de werkzaamheden vogels in, of binnen de verstoringszone van het plangebied broeden, kunnen de werkzaamheden ter plaatse geen doorgang vinden totdat de jongen zijn uitgevlogen. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren en verjagen van broedende vogels. Het verdient daarom de aanbeveling om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een wettelijk vastgestelde periode voor het broedseizoen bestaat niet, bepalend is of broedgevallen aanwezig zijn. Indicatieve datumgrenzen zijn 15 maart tot 15 juli, maar er bestaan, afhankelijk van het weer en de vogelsoort, vele uitzonderingen op deze regel. Indien de werkzaamheden starten vóór het begin van het broedseizoen: Broedgevallen binnen het plan- en verstoringsgebied van de werkzaamheden moeten voorkomen worden. Het ongeschikt maken kan preventief gedaan worden door ruim voor het vogelbroedseizoen het gebied te ontdoen van geschikte nestgelegenheden. Dit kan op verschillende manieren.
Door het plaatsen van (fluit)linten in het grasland kunnen weidevogels en andere grondbroeders buiten het plangebied gehouden worden; Door het dichtmaken van holtes en kieren in het hele gebouw kunnen holtebroeders zoals kauw niet tot broeden komen. Dit mag niet gebeuren voordat uitgesloten is dat vleermuizen, huismussen en boerenzwaluwen het pand bewonen; Door het kort maaien en houden van oevervegetatie wordt voorkomen dat watervogels tot broeden komen. Tevens dient de kap van de beuken uitgevoerd te worden buiten het vogelbroedseizoen. Het functioneren van de preventieve maatregelen dient gecontroleerd te worden door een deskundig ecoloog vanaf de plaatsing totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Indien de werkzaamheden starten te midden van het broedseizoen: Het plan- en verstoringsgebied dient eerst door een ter zake kundig ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedvogels; Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plan- of verstoringsgebied, worden door de ter zake kundige ecoloog specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt (een deel van) het plangebied niet vrijgegeven en dienen de
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 18 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
werkzaamheden uitgesteld te worden tot alle nesten, vanuit eigen beweging van de vogels, niet meer in gebruik zijn.
Vleermuizen; nader onderzoek Het plangebied dient mogelijk als kraam-, zomer- of paarverblijfplaats voor vleermuizen in de vorm van het te amoveren houten pand. Het verwijderen, ontoegankelijk maken of verstoren van dergelijke verblijfplaatsen is een overtreding van de verbodsartikelen in de Wet natuurbescherming. Er dient doormiddel van nader onderzoek te worden uitgezocht of vleermuizen daadwerkelijk verblijven in het plangebied en hoe ze gebruik maken van het plangebied. Daarop kan beoordeeld worden of de effecten van de geplande werkzaamheden een ontheffing noodzakelijk maken op deze verbodsartikelen. Het nader onderzoek naar kraam-, zomer- en paarverblijven van gebouwbewonende vleermuizen bestaat uit vijf veldbezoeken. Drie van deze bezoeken moeten plaatsvinden tussen 15 mei en 15 juli, met tussenposes van minstens 20 dagen tussen de bezoeken. Minstens één van de drie bezoeken moet ’s ochtends voor zonsopkomst worden uitgevoerd, de overige bezoeken worden ’s avonds na zonsondergang uitgevoerd. In het najaar, tussen 15 augustus en 1 oktober, moeten nog twee bezoeken van 2,5 uur worden uitgevoerd, één na zonsondergang en één rond middernacht. Tussen deze bezoeken moet minstens 20 dagen zitten. De bezoeken mogen alleen uitgevoerd worden als de weersomstandigheden binnen de grenzen van het vleermuisprotocol vallen.
Indien uit het nader onderzoek naar vleermuizen blijkt dat het pand niet gebruikt wordt als verblijfplaats door vleermuizen, dan is er geen belemmering meer vanuit de Wet natuurbescherming voor wat betreft de bescherming van vleermuisverblijfplaatsen. Indien er echter verblijfplaatsen van één of meerdere soorten worden aangetroffen, dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie. Om deze ontheffing te verkrijgen, moeten er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen in de omgeving.
Kleine marterachtigen; mitigatie Om verstoring van kleine marterachtigen met als gevolg een aantasting van het functioneren van een vaste verblijfplaats, te voorkomen, dient buiten de kwetsbare kraamperiode van kleine marterachtigen gewerkt te worden. Voor kleine marterachtigen geld de periode van 15 maart tot 1 september als kwetsbare periode. Indien toch in deze periode gewerkt moet worden, dient geen licht gevoerd te worden of de gebruikte lichten dienen afgeschermd te worden van mogelijke verblijfplaatsen.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 19 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
6
Conclusie De opdrachtgever, RHO Adviseurs, is voornemens om de bebouwing op het perceel aan de Strandgaperweg 2-4 te Biddinghuizen, gemeente Dronten, Provincie Flevoland te amoveren om vervolgens maximaal 650 m2 aan nieuwbouw te realiseren. Daarnaast worden mogelijk enkele jonge beuken gekapt. Om eventuele strijdigheden van de beoogde werkzaamheden en de toekomstige situatie met de Wet natuurbescherming (Wnb) op te sporen, is door JM ecologie een QuickScan uitgevoerd op de locatie. Uit de QuickScan is gebleken dat de werkzaamheden niet zonder meer plaats kunnen vinden. Er dient eerst nader onderzoek uitgevoerd te worden naar huismusnesten en vleermuisverblijfplaatsen. De mitigerende maatregelen ten aanzien van algemene broedvogels en kleine marterachtigen dienen zeker in acht worden genomen. Daarnaast dient er eerst een ontheffing op de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd bij de Provincie voor de boerenzwaluwnesten alsmede mogelijk voor verblijfplaatsen van vleermuizen en huismusnesten, als nader onderzoek de aanwezigheid van deze soorten aantoont. Om een ontheffing voor de werkzaamheden te verkrijgen, moeten er mitigerende maatregelen worden genomen door bijvoorbeeld het aanbieden van alternatieve nestgelegenheden en/of verblijfplaatsen in de omgeving.
Gorredijk, februari 2021 JM ecologie
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 20 van 21
RHO Adviseurs QuickScan Biddinghuizen, Strandgaperweg 2-4
Geraadpleegde bronnen
BIJ12, 2017. Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming. Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2017. Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus NDFF Nationale Databank Flora en Fauna. Geraadpleegd 3 februari 2021. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. SOVON, Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden. Vleermuisprotocol 2013, 2017 en 2020, Netwerk Groene Bureaus (NGB). Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (red), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, Raymond C.M. & Jeroen J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. RAVON, Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS-Nederland, Leiden. FLORON 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse flora. Stichting FLORON, Nijmegen.
Datum: 10 februari 2021 rapport: R21.019, versie 1.0
blad 21 van 21
92/133
Bijlage 4
93/133
Stikstofmemo
MEMO Van
:
M.A. Bulthuis
Project
:
Biddinghuizen – Strandgaperweg 2-4
Opdrachtgever :
MOJO
Datum
:
29-01-2021
Aan
:
--
CC
:
--
Betreft
:
berekening stikstofdepositie
1.
Inleiding
In opdracht van VET is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en exploitatiefase van een nieuw bedrijfsgebouw aan de Strandgaperweg 2-4 in Biddinghuizen, waarbij rekening is gehouden met verkeersbewegingen en de inzet van diesel aangedreven materieel. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. In het kader van het bestemmingsplan Biddinghuizen – Strandgaperweg 2-4 is het voorliggende onderzoek uitgevoerd. Binnen het bestemmingsplan Biddinghuizen – Strandgaperweg 2-4 bevindt zich een bedrijfsgebouw aan de Strandgaperweg 4a. Ook bevindt zich op hetzelfde terrein een loods. Het bedrijfsgebouw kan echter niet meer worden gebruikt aangezien het niet meer voldoet aan de bouwveiligheidseisen. Om deze reden wordt er een nieuw bedrijfsgebouw ontwikkeld met een oppervlakte van 400 m 2. Het nieuwe bedrijfsgebouw moet op de huidige locatie van de loods komen. Het bedrijfsgebouw bevat enkele kantoorruimten, een werkplaats, een kantine en een vergaderruimte. Na de ontwikkeling van het bedrijfsgebouw zal het gebouw in gebruik worden genomen door Staatsbosbeheer, Stichting Veteraan en Thuisfront en MOJO.
Het huidige bedrijfsgebouw dat niet aan de bouwveiligheidseisen voldoet dient in de toekomst te verdwijnen op het terrein. 2.
AERIUS-Calculator en uitgangspunten
2.1
AERIUS, release 15 oktober 2020
Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 15 oktober 2020) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Het plangebied ligt in de nabijheid van Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. 2.2
Exploitatiefase
Voor het project wordt uitgegaan van een gasloos bedrijfsgebouw. Er is derhalve geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen het gebouw.
20201991
blz. 1
Op basis van een bedrijfsgebouw van 400 m2 bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 40 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Het aantal verkeersbewegingen van zware en middelzware voertuigen bedraagt 10% van het aantal lichte verkeersbewegingen. Dit komt neer op 4 verkeersbewegingen van zware en middelzware voertuigen per etmaal. Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 317), zie tabel 1. Voor wat betreft de lengte van de rijroute is uitgegaan van een route vanaf het plangebied naar de aansluiting met de Bremerbergweg (N708). Tabel 1: Verkeersgeneratie exploitatiefase Type
Aantal m2 bvo
Kencijfer CROW per m2 bvo
Verkeersgeneratie per etmaal
400
0,1
40
Bedrijf/arbeidsintensief/bezoekersextensief 2.3
Sloop- en aanlegfase
Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de sloop- en aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Voor het dieselgebruik is uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Het aantal verkeersbewegingen in de sloopen aanlegfase bedraagt nooit meer dan het aantal in de exploitatiefase, maar is wel afzonderlijk opgenomen in de berekening. De volgende uitgangspunten voor de aanlegfase zijn gehanteerd: 1. Voor de sloop- en aanlegfase wordt uitgegaan van 80 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan- en afvoer van materiaal en machines. Voor het vervoer van personeel zijn er 4 verkeersbewegingen per etmaal. 2. Voor de sloop van het huidige bedrijfsgebouw en de loods wordt gedurende drie 8-urige werkdagen (24 uur) materieel ingezet met een verbruik van 20L per uur (Stage IV, 130-300). Dit komt neer op 480L voor de sloop van het bedrijfsgebouw en de loods. Het materieel draait gedurende de sloopfase 8 uur stationair. 3. Het aantal uren dat het materieel stationair draait gedurende de aanlegfase bedraagt 30% van de gehele inzetduur van het dieselmaterieel en is per machine gespecificeerd in tabel 2. Tabel 2: uitgangspunten berekening dieselverbruik aanlegfase Machine Type Vermogen Uren Stationaire in kW draaiuren Heimachine
Rupskraan compact Betonpomp
Kraan
Grote hoogwerker Kleine graafmachine Totaal
20201991
STAGE klasse IV bouwjaar 2014, 130-300 kW STAGE klasse IV bouwjaar 2015, 75-130 kW STAGE klasse IV bouwjaar 2014, 130-300 kW STAGE klasse IV bouwjaar 2014, 300-560 kW Stage klasse bouwjaar 2015 IV 56-75 kW, Stage IIIA 18-37 kW, Bouwjaar 2007 Cat K.
225
13
4
Dieselverbruik per uur in Liters 10
Dieselverbruik totaal in Liters
129
17
5
14
238
265
4
-
17,5
70
330
26
8
12
312
55
60
18
10
600
30
9
3
4,3
39
130
1.259
blz. 2
Omdat de machines verspreid over het bouwterrein worden ingezet is de emissie ingevoerd als vlakbron in het plangebied. 3.
Resultaat en conclusie
In het bijgevoegde PDF-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. De sloop, aanlegen exploitatiefase zijn in dezelfde berekening meegenomen. De sloop, aanleg- en exploitatiefase zullen elk nog in hetzelfde jaar plaatsvinden. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Figuur 1:
20201991
Broninvoer AERIUS-calculator met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden
blz. 3
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RyPFmSYGnFX5 (29 januari 2021) pagina 1/6
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Rho Adviseurs
Strandgaperweg 2-4, - Biddinghuizen
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Biddinghuizen - Strandgaperweg RyPFmSYGnFX5 2-4
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
29 januari 2021, 15:50
2021
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
30,38 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Aanleg- en exploitatiefase
Situatie 1
RyPFmSYGnFX5 (29 januari 2021) pagina 2/6
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Resultaten
Bron Sector
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
Bron 1 Aanlegfase Machines Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
< 1 kg/j
10,10 kg/j
Bron 2 Aanlegfase Verkeer Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
1,02 kg/j
Bron 3 Exploitatiefase Verkeer Wegverkeer | Buitenwegen
< 1 kg/j
19,26 kg/j
RyPFmSYGnFX5 (29 januari 2021) pagina 3/6
Resultaten
Emissie (per bron)
Bron 1 Aanlegfase Machines 178916, 493220 10,10 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx NH3
Voertuig
Omschrijving
Brandstof verbruik (l/j)
Stationair bedrijf (uren/j)
Cilinder Stof inhoud (l)
Emissie
STAGE IV, 130 <= Heimachine kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)
130
4
10,8 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Rupskraan Compact
238
5
5,1 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)
Betonpomp
70
0
5,1 NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 300 <= Kraan kW < 560, bouwjaar 2014 (Diesel)
312
8
21,5 NOx NH3
2,51 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 56 <= kW < 75, bouwjaar 2015 (Diesel)
Grote hoogwerker
600
18
3,3 NOx NH3
2,31 kg/j < 1 kg/j
STAGE IIIa, 18 <= kW < 37, bouwjaar 2007 (Diesel)
Kleine graafmachine
39
3
1,4 NOx NH3
1,01 kg/j < 1 kg/j
480
8
10,8 NOx NH3
2,29 kg/j < 1 kg/j
STAGE IV, 130 <= Sloopfase kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel)
Resultaten
Situatie 1
RyPFmSYGnFX5 (29 januari 2021) pagina 4/6