78706e55-d8e5-4b27-bba7-9afa8fc805cf.pdf
Tekst van het document
Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). 6.2.1 Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een ontwikkeling van de gemeente. De initiatiefnemers hebben aangetoond dat het plan financieel haalbaar is. 6.2.2 Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd.
33/133
Wanneer een bestemmingsplan een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan mogelijk maakt en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient op basis van artikel 6.12 van de Wro (tegelijkertijd met de vaststelling van een bestemmingsplan) een exploitatieplan te worden vastgesteld. Bij onderhavige ontwikkeling is er sprake van de bouw van andere gebouwen. Er is daarmee sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Bro. In beginsel is daarom wel verplicht om een exploitatieplan vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. De grondexploitatie is in dit geval niet van toepassing, omdat er ten opzichte van de mogelijkheden in het bestemmingsplan geen nieuwe hoofdgebouwen worden gerealiseerd. Wel wordt in een aparte overeenkomst planschade afwenteling geregeld.
34/133
Bijlagen bij de toelichting
35/133
36/133
Bijlage 1
37/133
Watertoets
datum 29-1-2021 dossiercode 20210129-37-25412 Geachte heer/mevrouw Jan - Jacob Posthumus, U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Uitgangspuntennotitie met standaard waterparagraaf Hierbij ontvangt u de uitgangspuntennotitie voor de korte procedure van de watertoets. Deze notitie is automatisch gegenereerd op basis van de door u gegeven antwoorden en het ingetekende plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige beleidsthema's, streefbeelden en de belangrijkste bijbehorende uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Zuiderzeeland die u kunt gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Dit document bestaat uit drie delen: 1. Vooroverleg en andere waterbeheerder 2. De standaard waterparagraaf De standaard waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling. 3. Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen Na de standaard waterparagraaf volgt een onderdeel met overige relevante ontwerprichtlijnen.
De ontwerprichtlijnen in het laatste deel zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Ook kan het zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (06) 1132 4178 (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl _________________________________________________________________________ Deel 1: Vooroverleg en andere waterbeheerder Positief wateradvies en geen vooroverleg Waterschap Zuiderzeeland geeft op basis van de door u gegeven antwoorden een positief wateradvies met daarbij een algemene opmerking die betrekking heeft op het bestemmen van waterbelangen. Wij willen u verzoeken de waterbelangen (o.a. waterlichamen, waterkeringen en rioolwaterzuiveringen) die eventueel aanwezig zijn binnen het plangebied op een juiste manier te bestemmen of te reguleren. Het team waterprocedures van het waterschap kan op uw verzoek daarover adviseren.
In verband met het beperkte waterschapsbelang achten wij het niet nodig om, aanvullend op dit wateradvies, in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening vooroverleg te voeren over het ruimtelijk plan dat betrekking heeft op deze ontwikkeling cq. dit plangebied. Indien de wateraspecten in het ruimtelijk plan goed bestemd of gereguleerd worden dan zien wij het ontwerp ruimtelijk plan met vertrouwen tegemoet. In verband met een eventueel benodigde watervergunning kan vooroverleg overigens wel nodig zijn. _______________________________________________________________________________________________ Deel2 Standaard waterparagraaf korte procedure
<De standaard waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling.> Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding.
Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. Thema Veiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast.
Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Binnen het plangebied bedraagt de toename van het verharde oppervlak circa 100 m2. Door de geringe toename van het verharde oppervlak (minder dan 750 m2 in stedelijke gebied of minder dan 2.500 m2 in landelijk gebied) is geen compensatie noodzakelijk voor dit plangebied. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken.
De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. <Aanvullen: Hier worden alle aanpassingen in het watersysteem aangegeven en wordt aangegeven hoe de waterhuishoudkundige zaken bestemd worden. Bijvoorbeeld de aanleg van watergangen, infiltratievoorzieningen. Daarnaast worden hier ook de dimensies van het watersysteem aangegeven of randvoorwaarden voor de aanleg hiervan (voor zover ruimtelijk relevant). Bijvoorbeeld de dieptes van watergangen bij streefpeil, de profielen en randvoorwaarden waaraan het watersysteem zal voldoen.> Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de
nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig.
Lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) zijn vergunningplichtig. Lozingen op kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen worden verboden door het waterschap. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt(en) Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Randvoorwaarde(n) Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel.
Onder schoon hemelwater wordt verstaan: ● Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; ● Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; ● Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; ● Hemelwater van onverhard terrein; ● Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen).
___________________________________________________________________________________ Deel 3: Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen In dit deel van de uitgangspuntennotitie vindt u aanvullende informatie en relevante ontwerprichtlijnen. Deze zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. Het kan zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Thema Voldoende Water Wateroverlast Hemelwater dat op grondgebonden zonnepanelen terechtkomt kan grotendeels rechtstreeks onder de panelen infiltreren in de bodem. Bij extreme neerslag kan na verloop van tijd - een verhoogd risico bestaan op oppervlakkige afvoer over het maaiveld. De zonnepanelen concentreren de neerslag aan de onderzijde van de panelen (druiplijn). Door deze neerslagconcentratie kan de bodem dichtslaan (verslempen) waardoor geulvorming ontstaat en daarmee oppervlakkige afvoer van hemelwater. Een en ander is afhankelijk van de samenstelling van de
bodem en de lokale omstandigheden (bijvoorbeeld verhang in het bodemoppervlak). Mocht deze oppervlakkige afvoer het oppervlaktewatersysteem bereiken dan is sprake van afwentelen: versnelde afvoer van neerslag naar het watersysteem. Als deze situatie zich in de toekomst voordoet dan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen om het afwentelen ongedaan te maken. Overige aandachtspunten zijn kabels en leidingen in relatie tot watergangen. In het geval dat de grondgebonden zonnepanelen worden geplaatst in een wateraanvoergebied geldt dat het beoogde grondgebruik (zonnepanelen) geen water vraagt. Het huidige of toekomstige beleid met betrekking tot wateraanvoer en waterbeschikbaarheid heeft geen betrekking op het beoogde grondgebruik. Mocht in de toekomst het grondgebruik weer worden aangepast naar een agrarische of andere functie met een watervraag, dan zal de mogelijkheid daartoe getoetst worden aan het dan geldende beleid. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een indicatief risico op opbarsten van de bodem. . Anticiperen op watertekort Ontwerprichtlijnen wateraanvoer Ontwerprichtlijnen grondwateronttrekkingen Provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland zijn samen verantwoordelijk voor de regulering van grondwateronttrekkingen ten behoeve van een goed beheer van het grondwater.
De provincie is verantwoordelijk voor onttrekkingen en infiltraties ten behoeve van warmte-koude-opslag, openbare drinkwaterwinning en voor industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Het waterschap is verantwoordelijk voor de overige grondwateronttrekkingen. Deze grondwateronttrekkingen moeten gemeld worden bij het waterschap. In de Keur van Waterschap Zuiderzeeland zijn de criteria opgenomen waarmee wordt bepaald of een aanvraag voor een grondwateronttrekking als melding of vergunning wordt afgehandeld. Voor een melding gelden algemene regels en kan maatwerk worden gesteld, voor een vergunning is een individuele beoordeling van de onttrekking noodzakelijk. Het waterschap kijkt onder andere naar effecten van de onttrekking op verontreinigingen in de omgeving, verzakking, bodemdaling of gevolgen voor de natuur. Als ten behoeve van de planontwikkeling een bronnering nodig is waarbij het grondwater wordt weggepompt voor een bodemsanering of om werkzaamheden in de bodem onder de grondwaterstand te kunnen uitvoeren dan moet dit gemeld worden en in bepaalde gevallen is een vergunning nodig. Hiervoor kunt u zich wenden tot het team Waterprocedures van Waterschap Zuiderzeeland ( waterprocedures@zuiderzeeland.nl) of via het Omgevingsloket (www.olo.nl) een aanvraag indienen. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag.
Als bij deze planontwikkeling permanent grondwater zal worden onttrokken ten behoeve van bijvoorbeeld beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen is hiervoor een melding of vergunning nodig. Deze kunt u aanvragen bij het waterschap of via het omgevingsloket. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Ontwerprichtlijnen nieuw oppervlaktewater Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijk ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Compensatie voor verslechtering van ecologische omstandigheden en/of van waterkwaliteit is maatwerk en vindt altijd plaats in overleg met het waterschap. Bij compensatie van delen van KRW-waterlichamen moeten binnen hetzelfde waterlichaam die trajecten gekozen worden die qua abiotiek en biotiek vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke kenmerken van het te compenseren KRW-water. Voor niet-KRW-wateren kan compensatie, in sommige gevallen buiten hetzelfde watersysteem uitgevoerd worden. ___________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld.
Indien er binnen het plan wordt afgeweken van bovengenoemde uitgangspunten, wordt u vriendelijke verzocht contact op te nemen met Waterschap Zuiderzeeland via via e-mail watertoets@zuiderzeeland.nlof per telefoon op telefoonnummer 0320 274911. Ook is het mogelijk de digitale watertoets opnieuw te doorlopen. www.dewatertoets.nl
42/133
Bijlage 2
43/133
Wateradvies
DA TUM
BEH AN DE LD DOOR
23 juli 2021
I. Gorlee DI R ECT NUMM ER
06-46 91 99 07
Gemeente Dronten mevr. E. Tichelaar Postbus 100 8250 AC DRONTEN
ONDE RWE RP
Geachte mevrouw Tichelaar,
wateradvies vooroverleg bestemmingsplan Strandgaperweg 2-4 te Biddinghuizen
Op 15 juli 2021 ontvingen wij uw verzoek om advies in het kader van vooroverleg. U wilt advies over het bestemmingsplan voor Strandgaperweg 2-4 te Biddinghuizen aan de Strandgaperweg 2-4 te Biddinghuizen. In deze brief geven wij ons advies in het kader van de watertoets.
ONS Z AA KNUMM ER
Algemeen Vastgoedmaatschap Evenementen Terrein en Staatsbosbeheer willen het perceel herontwikkelen en het gebruik uitbreiden met dagrecreatie, kamperen en parkeren. De ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt met het voorliggende bestemmingsplan. In het kader van de watertoets is de korte procedure van toepassing.
WPAD-00522 REG IS TR AT I ENUMM ER
WPAD-2091002100-13 BIJ L AG EN
UW BR I EF V AN
15 juli 2021 UW KEN ME RK
-
Positief wateradvies na aanpassing De gewenste ontwikkeling heeft beperkte gevolgen voor de waterhuishouding en waterstaatswerken. De beleidsthema’s Voldoende water en Schoon water zijn van toepassing. De waterparagraaf dient de relevante streefbeelden, uitgangspunten en randvoorwaarden te beschrijven, aangevuld met een concrete uitwerking van de gevolgen voor de waterhuishouding. Wij vragen de waterparagraaf teksten nog op een aantal punten aan te vullen of te wijzigen.
VERZ ON DEN
Algemeen Toevoegen en bij ‘Proces’ aanpassen: Op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling is de korte procedure van toepassing voor de watertoets. Voldoende water Wateroverlast Volgens onze informatie is voor het deel van de bestaande verhardingen (bebouwing, erfverharding), die sinds 2013 zijn aangelegd, nog niet gecompenseerd. De verhardingen die niet worden gesloopt worden daarom betrokken bij de bepaling van de netto toename in verharding. Wij verwachten desondanks dat geen compensatieopgave bestaat. Daarom is de korte procedure van toepassing. De tekst heeft evenwel aanvulling nodig: Toevoegen: ‘De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de
AD RES WA TE RS CH AP SH UIS
Postbus 229 – 8200 AE Lelystad Lindelaan 20 – 8224 KT Lelystad www.zuiderzeeland.nl
T (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl
nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een plangebied sinds begin 2013.’ Aanpassen en aanvullen met een nadere toelichting en kwantificering van de netto toename in verharding. In de waterparagraaf staat dat de toename in verharding 100 m² bedraagt. Elders in de toelichting wordt echter gesproken over maximaal 650 m² aan nieuwe bebouwing. Onduidelijk is ook hoeveel nieuwe erfverharding is voorzien bij de bebouwing.
Goed functionerend watersysteem Uit de plannen leiden wij af dat geen wijzigingen aan het watersysteem worden uitgevoerd. Ter volledigheid zien wij dit graag vermeld onder Goed functionerend watersysteem. Schoon water Goed omgaan met afvalwater Bij het onderdeel Schoon water lijkt alleen de afvalwatersituatie te zijn beschreven tijdens het Lowlands evenementen van MOJO, omdat alleen over tijdelijke voorzieningen wordt gesproken. Graag de lozingssituatie van de permanente bebouwing voor gebruik door Staatsbosbeheer en bij dagrecreatie nader toelichten: Opnemen dat in de nabijheid van de ontwikkeling momenteel geen openbaar rioolsysteem aanwezig is en dat het ligt in een gebied met kwetsbaar oppervlaktewater. Opnemen: lozingsroute (en eventueel behandeling) van huishoudelijk en overig afvalwater (horeca, etc.) dat ontstaat in de nieuwe permanente bebouwing bij gebruik door MOJO, Staatsbosbeheer en Stichting Veteraan en Thuisfront. Aanvullen met de lozingsroute en eventuele behandeling van (vervuild) hemelwater dat op verharde oppervlakken valt. Toelichting over type verharding van de tijdelijke parkeerplaatsen, lozingsroute van dit afstromend hemelwater en vermelden van het aantal parkeerplaatsen. Vervolg voor initiatiefnemer Bij voornemen tot lokale lozing vragen wij om in overleg te gaan met het waterschap.
In de uitgevoerde digitale watertoets is aangegeven dat het aantal vervuilingseenheden onder de 9 ve ligt. Wij hebben onvoldoende gegevens om te beoordelen of dit juist is. Als een lokale zuivering wordt gerealiseerd is het van belang om advies te vragen aan de leverancier van de zuivering ten aanzien van grootte en type zuivering. Bij lozing in het kwetsbare oppervlaktewater ter plaatse geldt het volgende: Op grond van het gebiedsgerichte IBA-beleid en de beleidsregel ‘Directe lozingen van afvalwater van huishoudelijke aard in het buitengebied’ stelt het waterschap strengere lozingseisen in afwijking van landelijke wet- en regelgeving. Een verdergaande zuiveringsvoorziening is nodig, een IBA klasse III.
ONS K ENME RK
WPAD-2091002100-13
2/3
Vragen Voor vragen kunt u contact opnemen met mevrouw I. Gorlee. Vermeld hierbij ons zaaknummer: WPAD-00522. Het telefoonnummer is 06-46 91 99 07 en het e-mailadres is watertoets@zuiderzeeland.nl. Hoogachtend, het college van Dijkgraaf en Heemraden, namens dit college, de adviseur Waterprocedures,
mevrouw ing. I. Gorlee.
ONS K ENME RK
WPAD-2091002100-13
3/3
Bijlage 3
47/133
Natuurtoets
NATUURTOETS BIDDINGHUIZEN STRANDGAPERWEG 2-4 gemeente Dronten 10 februari 2021
1/21
2/21
DATUM KENMERK
10 februari 2021
PROJECT PROJECTLEIDER
Werkkantoor Staatsbosbeheer ir. H.G. van der Aa
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
VET 20201991
AUTEUR STATUS
R.C.H. van Marrewijk MSc Concept
INHOUD 1.
2.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
4 5 5
Aanleiding Doel natuurtoets Leeswijzer
Toetsingskader
6
2.1
6 6
Wet natuurbescherming 2.1.1 Gebiedsbescherming
Natura 2000-gebieden Wettelijk kader
2.2
3.
4.
5.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) 2.1.2 Soortenbescherming 2.1.3 Provinciale vrijstellingen
8 8 9
Ecologische hoofdstructuur/ Natuurnetwerk 2.2.1 Algemeen 2.2.2 Externe werking
9 9 10
Uitgangsituatie
11
3.1 3.2 3.3
11 12 13
Natura 2000 Natuurnetwerk / EHS Beschermde soorten
Effecten
14
4.1 4.2
Inleiding Verstoring 4.2.1 Geluid 4.2.2 Licht
14 14 14 16
4.3
Vermesting en verzuring 4.3.1 Exploitatiefase 4.3.2 Sloop- en aanlegfase 4.3.3 Resultaat en conclusie
17 17 17 18
4.4
Cumulatie
18
Conclusies
Bijlage 1 20 Bijlage 2 21
3/21
6 6
19
1. INLEIDING
1.1
Aanleiding
Aan de strandgapertocht in de gemeente Dronten wordt een wijziging van het bestemmingsplan gerealiseerd. Het gaat hier om een nieuwe werkkantoor voor Staatsbosbeheer in combinatie met maatschappelijke activiteiten en de opslag van festival materiaal. Het voorlopig ontwerp is weergegeven in figuur 1.1. Figuur 1.1 voorlopig ontwerp werkkantoor en opslag
Binnen het plangebied wordt het gebouw aan de noordzijde gerealiseerd(figuur 1.2). Hiervoor wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Figuur 1.2 bouwlocatie op Strandgaperweg 2-4
De beoogde locatie ligt op circa 1,5 km van het Natura 2000-gebied Veluwerandmeren, aan alle kanten direct grenzend aan Natuurnetwerk Nederland gebied (NNN, figuur 1.3). Op enige afstand liggen nog twee natuurgebieden die eveneens deel uitmaken van het Natuurnetwerk. Figuur 1.3 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000. Figuur 1.2 geeft een beeld van de locatie.
4/21
Figuur 1.3 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natura 2000 (geelgroen) en NNN (donkergroen)
1.2
Doel natuurtoets
De voorliggende natuurtoets beschrijft de effecten van de aanleg van werkkantoor op Natura 2000, het provinciale Natuurnetwerk /EHS en op beschermde soorten. Ten aanzien van de effecten op Natura 2000 kan deze natuurtoets worden beschouwd als een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het toetsingskader voor deze natuurtoets beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op uitgangssituatie en de actuele natuurwaarden op de beoogde locaties. In hoofdstuk 4 vindt een inhoudelijke beschrijving van de ecologische effecten plaats en worden deze effecten beoordeeld in het licht van de verschillende toetsingskaders van rijk en provincie. Hoofdstuk 5 beschrijft vervolgens de conclusies van deze natuurtoets.
5/21
2. TOETSINGSKADER
2.1
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. 2.1.1 Gebiedsbescherming In Nederland hebben diverse natuurgebieden een beschermde status onder de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) . Daarbij zijn twee soorten beschermingen te onderscheiden: Natura 2000-gebieden; Bijzondere nationale natuurgebieden.
Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Voor Nederland gaat het om ruim 160 gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Nationaal Natuurnetwerk. In het aanwijzingsbesluit staat welke doelen Nederland nastreeft voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld welke planten en dieren bescherming verdienen. Vervolgens komt er in nauw overleg met betrokken partijen een beheerplan, waarin onder andere staat beschreven welke maatregelen nodig zijn om de doelen te behalen. Bijzondere nationale natuurgebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buiten de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen wanneer deze zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of onderwerp zijn van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied.
Wettelijk kader De Wnb - verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; - vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; - legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen. - De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen.
6/21
-
-
Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft.
In artikel 2.,7, eerste lid, van de Wnb is de habitattoets voor het vaststellen van een bestemmingsplan neergelegd. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wnb luidt als volgt: Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Artikel 2.8 van de Wnb luidt als volgt: 1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project. 3.
Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. 4. In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 5. Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege: a.
argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. 6. Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door de Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan de Minister. 7. Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan, onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.
7/21
8. Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden. Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden.1) Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd. Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt.2) In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een bestemmingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.
Wat is significant? Het begrip significant speelt een sleutelrol bij het beoordelen van de vergunbaarheid van een ingreep in het kader van de Wet natuurbescherming. In de factsheet nr. 25: “‘Significantie’ bij beoordeling van gevolgen voor Natura 2000-gebieden” geeft de Commissie voor de Milieueffectrapportage aan op welke wijze het begrip significantie moet worden geïnterpreteerd bij een dergelijke toetsing. De beoordeling of een effect al dan niet significant is, wordt benaderd vanuit de instandhoudingsdoelstellingen. Deze zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden. Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen en voor soorten. Voor habitattypen gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte en/of behoud of verbetering van de kwaliteit. Voor soorten gaat het om behoud of uitbreiding van de oppervlakte van het leefgebied, behoud of verbetering van de kwaliteit van het leefgebied en behoud of uitbreiding van de populatieomvang. Als uit de Passende beoordeling blijkt dat een instandhoudingsdoel door het project of plan (mogelijk) niet gehaald wordt, wordt het effect als significant beschouwd.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het ‘nee, tenzij’ principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden (zie ook par 2.2). 2.1.2 Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk
1) Art. 2.8, tweede lid, van de Wnb. 2) ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421.
8/21
verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd. 2.1.3 Provinciale vrijstellingen Bosmuis en veldmuis worden gezien als schadesoorten; het doden van beide soorten is gedurende het gehele jaar en in de gehele provincie toegestaan. Daarnaast geldt in Flevoland een algemene vrijstelling voor onder meer ruimtelijke ingrepen voor de volgende soorten: bosmuis, bunzing , egel, haas, hermelijn, konijn, ree, vos, wezel, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en middelste groene kikker.
2.2
Ecologische hoofdstructuur/ Natuurnetwerk
2.2.1 Algemeen Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. De rechtstreekse werking van de EHS vindt plaats door de toetsing van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van bestemmingsplannen aan het EHS-beleid. Hoewel inmiddels wordt gesproken van NNN luidt titel 2.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ‘Ecologische hoofdstructuur’. Het Rijk heeft het algemene EHS-beleid in het Barro vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 Barro moeten provincies bij provinciale verordening (in dit geval een Structuurvisie) de EHS-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de EHS aan. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Op grond van artikel 2.10.4 Barro geldt er een algemeen beschermingsregime voor EHS-gebieden.
Dit algemene regime bestaat eruit dat er geen toestemming mag worden verleend aan activiteiten die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of tot een significante vermindering van de oppervlakte van of samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien (1) er sprake is van een groot openbaar belang, (2) er geen reële alternatieven zijn en (3) de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Of en in welke mate een ingreep van invloed is op het functioneren van de EHS wordt bepaald door het effect op de vastgelegde wezenlijke kenmerken en waarden voor het betreffende deel van de EHS. Een definitie voor wezenlijke kenmerken en waarden is te vinden in de Nota Ruimte (2004, p.114): “de wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen van het gebied. Het gaat daarbij om: de bij het gebied behorende natuurdoelen en – kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde”. Het Natuurnetwerk valt buitendijks samen met Natura 2000.
Zoals figuur 2.1 laat zien ligt het plangebied te midden van de NNN. Echter maakt het geen onderdeel uit van de NNN.
9/21
Figuur 2.1 Ligging plangebied (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk (donkergroen)
2.2.2 Externe werking De externe werking vindt zijn grondslag in de Habitatrichtlijn en de Wet natuurbescherming en vloeit onmiddellijk voort uit de verplichting tot het behouden of brengen in een 'gunstige staat van instandhouding' van het habitattype of een soort. De EHS kent geen externe werking. De Minister van LNV heeft in 2008 in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat ingrepen buiten de EHS niet hoeven te worden beoordeeld op hun effecten voor de wezenlijke kenmerken en waarden binnen de EHS (TK 29576, nummer 12 en 52). Deze brief vloeide voort uit de Nota Ruimte. Hoewel landelijk er geen externe werking van de Ecologische Hoofdstructuur van toepassing is, heeft de Provincie Flevoland het volgende opgenomen in de ‘Verordening voor de fysieke leefomgeving 2012’: ‘Een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden kan ook het gevolg zijn van planologische ontwikkelingen in de nabijheid van de aangewezen gebieden. Om deze mogelijkheid niet impliciet te laten optreden, zal in voorkomende gevallen ook ontwikkelingen nabij de EHS moeten worden getoetst op mogelijke effecten. Deze worden zoals gebruikelijk betrokken bij de integrale ruimtelijke belangenafweging. Wat als nabij moet worden aangemerkt is niet gebonden aan een vaste maat, maar situatieafhankelijk.
Zowel type en omvang van de ontwikkeling als de specifieke kenmerken en waarden in die nabijheid spelen daarbij een rol. Wanneer in redelijkheid valt te voorzien dat zich significante effecten kunnen voordoen moet dit worden betrokken bij de ruimtelijke afweging.’ Als gevolg hiervan dienen de gevolgen van het voornemen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS / NNN bepaald te worden.
10/21
3. UITGANGSITUATIE
3.1
Natura 2000
De instandhoudingsdoelen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwerandmeren zijn weergegeven in onderstaande tabel: Tabel 3.1 Instandhoudingsdoelen Veluwerandmeren Doelst. Opp.vl.
Doelst. Kwal.
Kranswierwateren Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
=
=
=
=
Ruigten en zomen- moerasspirea Ruigten en zomen- harig wilgenroosje
=
=
=
=
Habitattypen H3140 H3150 H6430A H6430B
Doelst. Pop.
Draagkracht aantal vogels
Draagkracht aantal paren
Habitatsoorten H1149
Kleine modderkruiper
=
=
=
H1163
Rivierdonderpad
= (<)
=
=
H1318
Meervleermuis
=
=
=
Broedvogels A021
Roerdomp
>
>
5
A298
Grote karekiet
>
>
40
Niet-broedvogels A005
Fuut
=
=
400
A017
Aalscholver
=
=
420
A027
Grote Zilverreiger
=
=
40
A034
Lepelaar
=
=
3
A037
Kleine Zwaan
=
=
120
A050
Smient
=
=
3500
A051
Krakeend
=
=
280
A054
Pijlstaart
=
=
140
A056
Slobeend
=
=
50
A058
Krooneend
=
=
30
A059
Tafeleend
= (<)
=
6600
A061
Kuifeend
= (<)
=
5700
A067
Brilduiker
=
=
220
A068
Nonnetje
=
=
60
A070
Grote Zaagbek
=
=
50
A125
Meerkoet
=
=
11000
11/21
Verklaring symbolen Doelstellingen = behoud > Verbetering/uitbreiding = (<)achteruitgang ten gunste van ander habitattype of soort toegestaan
3.2
Natuurnetwerk / EHS
De Ecologische Hoofdstructuur heet met de invoering van de nieuwe Wet natuurbescherming per 1 januari 2017 het Natuurnetwerk Nederland vervangen. De relevante provinciale ruimtelijke beleidsregels uit 2013 spreken overigens over de EHS. Het Natuurnetwerk valt buitendijks aan de oostzijde samen met Natura 2000. Zoals figuur 2.1 laat zien ligt het plangebied direct grenst aan het NNN. De effecten zijn zowel op de NNN als op het Natura 2000 gebied mogelijk in de aanlegfase en de gebruiksfase. Effecten zullen zich voornamelijk concentreren op mogelijke verstoring binnen de NNN gebieden, met het Natura 2000 gebied op 1.5 km afstand. Vanwege de beoogde (hei)werkzaamheden worden verstoringseffecten in de aanlegfase niet uitgesloten. Binnen de huidige planning zal de periode van werkzaamheden buiten het broedseizoen vallen en daarmee wordt verstoring beperkt tot een minimaal en zeer tijdelijk effect. Bremerberg bos3 4 De bodemverschillen in combinatie met een sterk variërende invloed van kwel maakt dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het Spijk-Bremerberg worden gevormd door natuurwaarden die gekoppeld zijn aan verschillende ecosystemen. Het Bremerbergbos bestaat vooral uit zware zavel en klei op een ondergrond van Pleistoceen zand. Het bos bestaat vrijwel geheel uit loofhout, voornamelijk populieren en kent aan de randmeerzijde een sterke kwelinvloed.
Enerzijds betreft dit natuurwaarden die gekoppeld zijn aan structuurrijk bos op zowel zandgrond als zavel (bosvogels, vleermuizen en overige zoogdieren, mossen, paddenstoelen, varens). Het gebied vormt een kern gebied voor bosvogels met ongeveer 71 soorten broedvogels. Hier komen bosvogels voor als wespendief, havik en boomklever. Recent zijn mogelijke sporen van de otter gevonden. In de bosgebieden die het plangebied omringen is een bostypen aanwezig: N16.02 Vochtig bos met productie Het bosreservaat Bremerberg is vanaf 1964 aangeplant en bestaat voornamelijk uit loofhout. Het heeft door een ‘nietsdoenbeheer’ een natuurlijk ogend uiterlijk met veel (half)omgevallen bomen, staand en liggend door hout, open plekken met ruigtekruiden, opslag en struikgewas zoals meidoorn, sleedoorn, vlier, haagbeuk, es en esdoorn. Op enkele plaatsen is de zeer zeldzame Zachte naaldvaren gevonden.
Doelsoorten Broedvogels: dodaars, graspieper, huiszwaluw, kneu, spotvogel, buizerd, havik, wespendief, ijsvogel, boomklever, zeearend Zoogdieren: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis eekhoorn, das, boommarter, waterspitsmuis (pot.), bunzing, wezel, hermelijn, otter Reptielen: ringslang (pot.) Vissen: kleine modderkruiper (pot.), winde (pot.), paling (pot.) Libellen: vroege glazenmaker, glassnijder, gevlekte witsnuitlibel (pot.), weidebeekjuffer, bandheidelibel (pot.) Planten: rietorchis, parnassia, blauw walstro, geelhartje Paddenstoelen: papegaaizwammetje, slijmerige spijkerzwam
3
https://nnn.flevoland.nl/
4 Natuurbeheerplan flevoland
12/21
3.3
Beschermde soorten
Binnen het plangebied zijn na uitvoering van de quickscan door JM ecologie(bijlage 1) verschillende mogelijkheden voor jaarrond beschermde soorten aangetroffen. Hiernaar zal verder onderzoek nodig zijn. Voor vleermuizen is een algemeen vervolgonderzoek nodig naar verblijfplaatsen en welke functie deze dienen in het plan gebied. Hiernaast zijn er mogelijkheden voor jaarrond beschermde gebouwbroedende vogels (huismussen en boerenzwaluw) Hiervoor zijn vervolgstappen nodig in de vorm van vleermuis- en broedvogel onderzoek. Mitigatie gaat zeer waarschijnlijk nodig zijn. Binnen de locatie zijn hier voldoende opties voor. Voor de boerenzwaluw kan meteen een ontheffingaanvraag worden gedaan. Hiervan zijn vier verblijfplaatsen gevonden en deze zullen dan ook moeten worden gemitigeerd. Tabel 3.2 aangetroffen beschermde soorten in het plangebied. Bescherming van soorten: 3.1 = Vogelrichtlijn, 3.5 = Habitatrichtlijn, 3.10 = nationaal beschermde soorten Soortgroep Soort(en) Bescherming Aanwezig Vervolgactie Jaarrond beschermde broedvogels
Boerenzwaluwnesten, boomnest en huismus
3.1
Boerenzwaluwnesten, potentieel jaarrond beschermd boomnest en mogelijk huismusnesten in het houten gebouw
Nader onderzoek en mitigatie
Algemene broedvogels
Diverse soorten
3.1
Mogelijk in broedseizoen
Mitigatie
Vleermuizen
Diverse gebouw- en boombewonende soorten
3.5
Mogelijk
Nader onderzoek
13/21
4.
4.1
EFFECTEN
Inleiding
De beoogde ontwikkeling vindt buiten Natura 2000 en NNN gebied plaats. Op voorhand kan daarom worden geconcludeerd dat het plan niet zal leiden tot areaalverlies of versnippering binnen beschermde gebieden. Hiernaast gaat het om een functie verandering waarbij de locatie minder intensief gebruikt gaat worden. Verstoring door het dagelijks gebruik van het terrein zal hierdoor afnemen. Verstoring in de aanlegfase zal mogelijk optreden als gevolg van heiwerkzaamheden, verlichting of beweging (optische verstoring). Daarnaast is vermesting en verzuring als gevolg van extra stikstofdepositie door extra verkeersemissies in de aanlegfase niet op voorhand uitgesloten. Deze potentiële effecten worden daarom hieronder nader uitgewerkt.
4.2
Verstoring
4.2.1
Geluid
Algemeen Vogels zijn in het algemeen gevoelig voor verstoring door geluid. De mate van gevoeligheid hangt onder andere af van het geluidsniveau, de duur van de verstoring, de periode en het tijdstip waarin verstoring plaatsvindt, de locatie en de gevoeligheid van de soort zelf. De verstoringgevoeligheid van vogels hangt verder af van andere factoren, zoals de voedselbeschikbaarheid, de grootte van de groep en de mate van gewenning aan de verstoring. Verstoring door geluid kan ertoe leiden dat vogels onvoldoende mogelijkheid hebben om te foerageren, onvoldoende op hun broedsel en jongen kunnen passen, stressreacties krijgen zoals een verhoogde hartslag en uiteindelijk dat ze uitwijken naar andere leefgebieden. Aanlegfase Voor vogels van open landschappen (Veluwemeer) geldt een verstoringsdrempel van 47 dB(A). Voor bosvogels in het Bremerbergbos is deze verstoringsdrempel 42 dB(A) (bron: Reijnen, 1992). In tabel 5.1 is de grote van deze contouren aangegeven voor verschillende bouwwerkzaamheden. Tabel 4.1 Ligging 42 en 47 dB(A)-contour van verschillende bouwwerkzaamheden Activiteit Afstand 42 Afstand 47 dB(A)-contour dB(A)-contour (m) (m) Heien betonpalen
1615
1089
Geluidarm aggregaat
122
70
Geluidarme pomp (elektrisch)
84
48
Compressor
221
128
Ontgraven met 1 graafmachine
291
171
12 vrachtwagens. per uur (24 bewegin-
25
14
gen)
(bron: www.AV-consulting.nl)
14/21
Maatgevend voor de mate van verstoring is het heien van betonpalen. De maximale 47 dB(A)-contour die hiermee samenhangt is weergegeven in figuur 4.1. Als indicatie van de mogelijke effecten binnen de bouwperiode. Figuur 4.1 Ligging 42 en 47 dB(A)-verstoringscontourvogels a.g.v. heiwerkzaamheden (rode cirkel)
42 dB(A) 47 dB(A)
Veluwemeer
Uit bovenstaande figuur blijkt dat de 42db(A) contouren deels overlappen met Natura 2000 en de 47db(A) contouren zowel het Natuurnetwerk als het Natura 2000 gebied overlapt. Binnen het Natura 2000 gebied wordt de grens van 47db(A) niet overschreden. Hiermee is verstoring door geluid op de soorten binnen het Natura 2000 gebied uitgesloten. Verstoring binnen het NNN gebied is echter mogelijk. Uitvoering van de heiwerkzaamheden in de broedperiode kan in theorie leiden tot verstoring van de NNN-doelsoorten. Door de werkzaamheden, met name heien in zijn geheel buiten de broedperiode(15 maart tot 15 juli) te plannen, bij voorkeur in augustus, wordt dit geheel voorkomen. De enige soort die hier bij hei werkzaamheden in augustus last kan ondervinden is de wespendief. De soort is aanwezig binnen het 42 dB(A)-invloedsgebied van de heiwerkzaamheden zoals weergegeven in figuur 4.2 (bron: www.waarneming.nl).
15/21
Figuur 4.2 waargenomen wespendieven tussen 2010-01-23 en 2021-01-22
In de aanlegfase is verder sprake van een tijdelijke toename van de verkeersintensiteit op de N306 van maximaal 40 mvt/etm op aangrenzend langs het plangebied. Ten opzichte van de huidige verkeersintensiteit van enkele duizenden mvt/etm is dit een toename van enkele procenten. Uit de praktijk van vele akoestische berekeningen blijkt dat een verkeerstoename tot 25% niet leidt tot een toename van 1,5 dB of hoger, onafhankelijk van de hoogte van de verkeersintensiteit (bron: Rho Adviseurs). Een toename kleiner dan 1,5 dB is niet hoorbaar voor het menselijk oor en evenmin voor het gehoor van vogels dat aanzienlijk slechter is dan dat van mensen (bron: Alterra-rapport 1482). De verkeerstoename te midden van de NNN op de N306 leidt dus tot een geluidstoename van (veel) minder dan 1 dB(A) en is derhalve verwaarloosbaar (onhoorbaar) klein. 4.2.2
Licht
Aangezien de bouwperiode onzeker is, is voor beiden periode beschreven hoe verstoring door licht kan worden vermeden. Zomerbouw Bij het gebruik van kunstlicht in de vorm van bouwlampen is verstoring van lichtgevoelige vleermuizen (waaronder de kwalificerende soort meervleermuis) mogelijk. Door de bouw in de zomer uit te voeren is het mogelijk om werkzaamheden volledig in daglicht uit te voeren, hiermee kunnen effecten op deze soortgroep geheel kan worden uitgesloten. Lichtvervuiling door kunstlicht is in het Natura 2000 gebied uitgesloten door de blokkerende werking van het NNN bosgebied. Winterbouw In de winterperiode kan het effect van verlichting op vleermuizen worden voorkomen door alleen verlichting toe te passen daar waar dit nodig is, verlichting te gebruiken met een strakke afsnijding hiermee strooilicht voorkomende en verlichting met een minimale lichtsterkte en minimale hoeveelheid licht in het blauwlichtspectrum gebruiken (rode of amber verlichting). Dit speelt voornamelijk in de periode tussen september tot begin november met relatief warm weer, maar ook een vroege zonsondergang. In deze periode zijn vleermuizen nog actief en is er mogelijk verstoring van het gedrag. Na november
16/21
zijn de meeste soorten in de winterverblijfplaatsen, waardoor ze minder gevoelig zijn voor lichtverstoring (er vanuit gaande dat er geen winterverblijfplaatsen aanwezig zijn op de locatie). Gebruiksfase Binnen het nieuwe bestemmingsplan is geen permanente buitenverlichting (straatlantaarns) toegestaan, hierdoor is ook verstoring in de gebruiksfase uitgesloten. Deze is op het moment ook niet aanwezig. Zeer tijdelijke verstoring buiten de kwetsbare periode van vleermuizen zal een verblijfplaats niet ongeschikt maken. Het aanwezig zijn van een kampvuur, een enkele overnachting of het vervoeren van festivalmateriaal in de avond of nacht zal bij een goede planning en de juiste maatregelen geen verstoring vormen voor vleermuizen in het gebied.
4.3
Vermesting en verzuring
Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 15 oktober 2020) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Het plangebied ligt in de nabijheid van Natura 2000-gebied Veluwerandmeren. 4.3.1 Exploitatiefase Voor het project wordt uitgegaan van een gasloos bedrijfsgebouw. Er is derhalve geen emissie vanwege het verstoken van aardgas binnen het gebouw. Op basis van een bedrijfsgebouw van 400 m2 bedraagt het aantal verkeersbewegingen ten hoogste 40 per etmaal (lichte motorvoertuigen). Het aantal verkeersbewegingen van zware en middelzware voertuigen bedraagt 10% van het aantal lichte verkeersbewegingen. Dit komt neer op 4 verkeersbewegingen van zware en middelzware voertuigen per etmaal. Dit is berekend op basis van CROW-kentallen (publicatie 317), zie tabel 1. Voor wat betreft de lengte van de rijroute is uitgegaan van een route vanaf het plangebied naar de aansluiting met de Bremerbergweg (N708). Tabel 1: Verkeersgeneratie exploitatiefase Type
Aantal m2 bvo
Kencijfer CROW per m2 bvo
Verkeersgeneratie per etmaal
Bedrijf/arbeidsintensief/bezoekersextensief
400
0.1
40
4.3.2 Sloop- en aanlegfase Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de sloop- en aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Voor het dieselgebruik is uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Het aantal verkeersbewegingen in de sloopen aanlegfase bedraagt nooit meer dan het aantal in de exploitatiefase, maar is wel afzonderlijk opgenomen in de berekening. De volgende uitgangspunten voor de aanlegfase zijn gehanteerd: 1.
Voor de sloop- en aanlegfase wordt uitgegaan van 80 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan- en afvoer van materiaal en machines. Voor het vervoer van personeel zijn er 4 verkeersbewegingen per etmaal.
2.
Voor de sloop van het huidige bedrijfsgebouw en de loods wordt gedurende drie 8-urige werkdagen (24 uur) materieel ingezet met een verbruik van 20L per uur (Stage IV, 130-300). Dit komt neer op 480L voor de sloop van het bedrijfsgebouw en de loods. Het materieel draait gedurende de sloopfase 8 uur stationair.
17/21
3.
Het aantal uren dat het materieel stationair draait gedurende de aanlegfase bedraagt 30% van de gehele inzetduur van het dieselmaterieel en is per machine gespecificeerd in tabel 2.
Tabel 2: uitgangspunten berekening dieselverbruik aanlegfase Machine Type VerUren mogen in kW
Stationaire draaiuren
Dieselverbruik per uur in Liters
Dieselverbruik totaal in Liters
Heimachine
Rupskraan compact Betonpomp
Kraan
Grote hoogwerker Kleine graafmachine
STAGE klasse IV bouwjaar 2014, 130-300 kW STAGE klasse IV bouwjaar 2015, 75-130 kW STAGE klasse IV bouwjaar 2014, 130-300 kW STAGE klasse IV bouwjaar 2014, 300-560 kW Stage klasse IV bouwjaar 2015 56-75 kW Stage IIIA, Bouwjaar 2007 18-37kW, Cat K
Totaal
225
13
4
10
130
129
17
5
14
238
265
4
-
17,5
70
330
26
8
12
312
55
60
18
10
600
30
9
3
4,3
39
1.259
Omdat de machines verspreid over het bouwterrein worden ingezet is de emissie ingevoerd als vlakbron in het plangebied. 4.3.3 Resultaat en conclusie In het bijgevoegde PDF-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. De sloop, aanleg- en exploitatiefase zijn in dezelfde berekening meegenomen. De sloop, aanleg- en exploitatiefase zullen elk nog in hetzelfde jaar plaatsvinden.
4.4
Cumulatie
Omdat de aanlegwerkzaamheden in de nazomer of winter plaatsvinden en de meest relevante activiteit qua verstoring niet reikt tot aan het Natura 2000-gebied (heien), is de verstoring van vogels op het Veluwemeer uit te sluiten. Derhalve behoeft ook geen cumulatietoets te worden uitgevoerd.
18/21
5. CONCLUSIES De bouw van het beoogde werkkantoor is getoetst aan de Wet natuurbescherming en het NNN-beleid van de provincie Flevoland. Effecten als gevolg van areaalverlies, verdroging, vermesting, verzuring, versnippering zijn afwezig vanwege de kleine ingreep in relatie tot de afstand tot Natura 2000 gebied. Doordat de heiwerkzaamheden buiten het broedseizoen(bij voorkeur na augustus, in elk geval buiten de perioden 15 maart tot 15 juli) plaatsvinden, zullen er geen vogels in de verstoringsgevoelige broedperiode zitten. Vanwege het ontbreken van effecten op Natura 2000 behoeft dan ook geen cumulatietoets te worden uitgevoerd. Ook binnen het NNN gebied wordt door het broedseizoen te ontwijken het effect van geluid als niet significant beschouwt. Uit een uitgevoerde quickscan op basis van een verkennend veldonderzoek is vast komen te staan dat het plangebied ruimte biedt voor vaste rust-, verblijfs- of voortplantingsplaatsen dan wel primaire foerageergebieden van zwaar beschermde soorten. In het houten gebouw op de locatie zijn verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk. In hetzelfde gebouw zijn er mogelijkheden van vaste verblijfplaatsen van de huismus en zijn vier nesten van de boerenzwaluw aangetroffen. Voor vleermuizen en huismus is een vervolgonderzoek nodig, echter is er pas een effect op de soort als het gebouw wordt aangetast.