CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

3e1a678e-8563-4409-bdd9-56084d96f1d1.pdf

Raadsvergadering 16 september 2021, gemeente DrontenBij agendapunt: 5: Afdoening van ingekomen stukken aan de raad27.633 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

5.

Drijvende bebouwing In het plan is 3 ha toegevoegd voor drijvende bebouwing. De wijze waarop dit ingepast zal worden in het Barro - waarvoor een aanvraag bij de stukken is gevoegd - gaat de ontheffingsmogelijkheid van de minister te buiten omdat ha zullen worden ingezet van een verafgelegen gemeente. De bepalingen over de drijvende bebouwing (artikel 6.2) lijken tegenstrijdig omdat enerzijds gebouwen worden verboden en anderzijds worden toegelaten. Onduidelijk is of de bepalingen van artikel 6.2.2 over scheepslift, dokken en steigers cumulatief bedoeld zijn. Deze aanvullende bebouwing op of in het water vergroot nog eens de negatieve effecten op het landschep.

6.

Bevoegdheden Het afgeven van omgevingsvergunningen laat de provincie over aan de gemeenten. Op zich kan dat terecht zijn, ware het niet, dat het plan gelegen is binnen drie gemeenten, namelijk Urk, Dronten en Noordoostpolder. Er is niet voorzien in een bepaling in het plan, dat ervoor zorgt, dat die drie gemeenten de omgevingsvergunningen op elkaar afstemmen. Zonder die afstemming dreigt het gevaar, dat de omgevingsvergunningen afgegeven door de verschillende gemeenten in zijn totaliteit binnen het plan een rommelig geheel zullen veroorzaken. Terzijde wordt opgemerkt, dat in figuur 1.2 op bladzijde 12 van de toelichting de gemeentegrenzen niet correct zijn weergegeven, doordat die grenzen in de bestemming water niet zijn doorgetrokken.

Hoogachtend, namens de IJsselmeervereniging,

Auke Wouda penningmeester

www.ijsselmeervereniging.nl - info@ijsselmeervereniging.nl - IBAN:NL57RAB00138365164 - KvK 40624019

XJsselmeervereniging Jachthavenstraat 24 8603 CJ SNEEK

<7

BRIEF NL R AANGETEKENDE NL Frankenng betaald €9,05 21 gr

166199

D PostNL 21-04-2021 16:41

NL

www.ijsselmeervereniging.nl

8200AB 55

3SRPKS564708444

z-''•r

I

i

!

ZL-02 Lzl-1012 Posfcus 55 8200AB Naam: PROMNCIE FLEVCLAND Adres: VISM<ENDDREEF 1. 8232PH LELYSTAD

MIX Envtiop* from rmpontlblo aourcot

FSC FSC* C019249

w

F2 Beantwoording zienswijze IJsselmeervereniging en advies Commissie m.e.r. ten aanzien van Stikstof

Notitie Onderwerp: Reactie op toetsingsadvies Commissie MER en zienswijze IJsselmeervereniging passende beoordeling stikstofdepositie MSNF Projectnummer: 369579 Referentienummer: SWNL0276738 Datum: 12-05-2021

1

Reactie toetsingsadvies Commissie MER

1.1 Het toetsingsadvies stikstofdepositie De Commissie voor de Milieueffectrapportage heeft op 26 april 2021 een toetsingsadvies uitgebracht over het milieueffectrapport Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland Toetsingsadvies. De commissie gaat daarin op drie punten in op stikstofdepositie: uitgangspunten, beoordeling van het effect van extra stikstofdepositie en cumulatie Port of Urk. De laatste twee punten gaan over de Passende Beoordeling Stikstofdepositie MSNF (Sweco, 4 december 2020, referentienummer: SWNL0269835). Hieronder volgt op deze punten een reactie. 1.2 Beoordeling van het effect van extra stikstofdepositie De Commissie stelt dat een verwijzing naar een geringe hoeveelheid additionele depositie en naar onzekerheidsmarges niet volstaat voor zover habitattypen en leefgebieden van soorten (mede) door verzuring en vermesting in een zeer slechte staat verkeren. Voorbeelden daarvan zijn: · Veenmosrietlanden in de Wieden en Weerribben; · Oude eikenbossen (habitattype H9190) op de Veluwe, · Het leefgebied van de tapuit en de draaihals Deze voorbeelden onderstrepen volgens de Commissie dat elke toename – hoe gering ook – in samenhang met alle andere bronnen, een risico kan vormen voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Ook kleine toenames kunnen daarom volgens de Commissie de natuurdoelen in beschermde natuurgebieden verder buiten bereik brengen, al dan niet in combinatie met alle andere stikstofbronnen. De verwijzing naar geringe hoeveelheden en onzekerheidsmarges is volgens de Commissie een onvoldoende onderbouwing van de conclusie dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden is uitgesloten. Reactie Sweco: Onze ecologen hebben een gebiedsspecifieke passende beoordeling uitgevoerd waarbij ze alle relevante kenmerken hebben afgewogen. Het gaat daarbij onder meer om: de totale stikstofdepositie van alle bronnen tezamen, de KDW, de (trends in) oppervlakte en kwaliteit, andere drukfactoren (zoals verdroging) en knelpunten en de instandhoudingsdoelstellingen. Na alles beschouwd te hebben, zijn de ecologen tot de conclusie gekomen dat zich in de Natura 2000-gebieden geen omstandigheden voordoen die maken dat de zeer geringe extra depositie door MSNF een vergrassende en/of andere verzurende of vermestende werking kan hebben dat een relevante invloed kan hebben op de kwaliteit van de habitattypen en het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Onze ecologen zijn ervaren in het uitvoeren van passende beoordelingen en goed geïnformeerd over het wetenschappelijke onderzoek naar effecten van stikstof in de bodem en vanuit atmosferische depositie.

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Kars Hüsken Junior adviseur ecologie M +31 6 53 35 28 58 1 (20)

Behalve op gebiedsspecifieke informatie uit de Natura 2000-beheerplannen, de gebiedsanalyses en de aanwijzingsbesluiten, hebben zij zich gebaseerd op resultaten van wetenschappelijk onderzoek (zie hoofdstuk 3 van de passende beoordeling). Op grond van al deze informatie konden zij voor alle habitattypen en soorten significante gevolgen met zekerheid uitsluiten. Uit het cumulatieonderzoek blijkt bovendien dat MSNF ook in combinatie met andere plannen en projecten geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. De conclusie is daarom dat MSNF de Natura 2000-doelen niet aantast. Met de voorbeelden illustreert de commissie dat te veel stikstofdepositie een probleem kan zijn voor oppervlakte en kwaliteit van stikstofgevoelige habitattypen en daarmee de instandhoudingsdoelstellingen in de weg kan staan. Onze ecologen volgen het betoog van de Commissie dat stikstofdepositie een probleem vormt voor Oude Eikenbossen in de Veluwe, veenmosrietlanden in De Wieden en Weerribben. Zo zijn er meer voorbeelden bekend waarbij te hoge stikstofdepositie forse natuurschade veroorzaakt. Niet ter discussie staat dat de atmosferische depositie moet dalen voor de langdurige instandhouding van stikstofgevoelige habitats. Daarvoor is een stevig beleid nodig voor reductie van stikstofemissies en gebiedsgerichte aanpak, zoals voorgesteld door de Commissie Remkes.

Projecten tegenhouden die enkele honderdsten van molen extra depositie veroorzaken lost dit probleem niet op. Uit het toetsingsadvies van de Commissie blijkt niet hoe de zeer geringe extra depositie (0,01-maximaal 0,02) effect kan hebben op oppervlakte of kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden in de beoordeelde Natura 2000-gebieden. Er is geen wetenschappelijk bewijs dat dergelijke geringe hoeveelheden een effect zouden kunnen hebben. Uit de passende beoordeling blijkt dat voor de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen 0,01 mol N/ha/jr meer of minder geen verschil maakt. Vanwege het grote aantal te beoordelen instandhoudingsdoelstellingen is de beoordeling per habitattype/leefgebied van soorten beknopt gehouden in de passende beoordeling. Om te illustreren hoe de beoordeling heeft plaatsgevonden, hebben we de beoordeling van de drie door de Commissie genoemde voorbeelden hieronder uitgeschreven. Passende beoordeling veenmosrietlanden in De Wieden en Weerribben H7140B – Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Beschrijving van het habitat Het habitattype Overgangs- en trilvenen betreft soortenrijke veenbegroeiingen van betrekkelijk voedselarme tot matig voedselrijke omstandigheden. De plantengemeenschappen van de overgangs- en trilvenen vormen ontwikkelingsstadia in de verlanding die begint in het open water van sloten, plassen en petgaten.

In Nederland komen ze vooral voor in het laagveengebied. Verder kunnen overgangs- en trilvenen ook ontstaan in veenvormende systemen in de middenlopen van beekdalen, op de overgangen van de hogere (pleistocene) zandgronden naar laagveen en in zeekleilandschappen. Verzuring die door toenemende regenwaterinvloed aan de oppervlakte begint, is een natuurlijk proces in laagveensystemen. Daarbij wordt de vegetatiemat heel geleidelijk dikker en eenvormiger en gaan trilvenen (H7140A) over in veenmosrietland (H7140B) of vochtige heiden (H4010B). Het subtype H7140B betreft veenmosrietlanden. Dit subtype ontwikkelt zich middels verdere stabilisering van de veenlaag. Kenmerkend is een gesloten moslaag met dominantie van veenmossoorten, een varenrijke kruidlaag en een ijle rietlaag (Natura 2000-profielendocument).

2 (20)

Ecologische vereisten van het habitat Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H7140B op basis van het Natura 2000-profielendocument.

Figuur 1.1

De abiotische randvoorwaarden van H7140B, afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van standplaats: optimaal (groen), suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt.

Berekende toename aan stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied De Wieden Op 100% (442 ha) van het aanwezig areaal met H7140B binnen de begrenzing van het gebied De Wieden vindt een tijdelijke projectgebonden toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een projectgebonden stikstofeffect, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief het projecteffect. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximaal projecteffect van 0,02 mol N/ha/jaar (zie figuur 1.2).

3 (20)

Figuur 1.2

De locatie in het Natura 2000-gebied De Wieden met het maximale relevante projecteffect op Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) (H7140B).

Berekende toename aan stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Weerribben Op 100% (288 ha) van het aanwezig areaal met H7140B binnen de Weerribben vindt een tijdelijke projectgebonden toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een projectgebonden stikstofeffect, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief het projecteffect. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximaal projecteffect van 0,02 mol N/ha/jaar (zie figuur 1.3).

4 (20)

Figuur 1.3

De locatie in het Natura 2000-gebied de Weerribben met het maximale relevante projecteffect op Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) (H7140B).

Effectbeoordeling projectgebonden toename stikstofdepositie De Wieden en Weerribben Het habitattype H7140B heeft in zowel De Wieden als De Weerribben een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Ondanks een overschrijding van de KDW is de kwaliteit van de veenmosrietlanden binnen zowel de Wieden als de Weerribben lokaal goed ontwikkeld en kent het areaal in de Weerribben een positieve trend in oppervlak (Gebiedsanalyse, 2017b). Een goede waterkwaliteit is een randvoorwaarde voor de levensduur van jonge, soortenrijke stadia van het veenmosrietland. Als de P-beschikbaarheid toeneemt, kunnen snelgroeiende veenmossen met een hoge verzuringscapaciteit toenemen (Gebiedsanalyse, 2017b). Dit leidt ook tot de vorming van dikke pakketten met gewoon veenmos, met als gevolg de ontwikkeling van soortenarmere vormen van het veenmosrietland. Verzurende effecten door stikstofdepositie kunnen optreden vanaf 714 mol N/ha/jr (van Dobben et al., 2012). Deze effecten zullen minder optreden in (natte) jonge stadia die nog onder invloed staan van gebufferd grond- en/of oppervlaktewater. Een afname van de typische soorten door onder andere stikstofdepositie leidt niet direct tot het verdwijnen van het vegetatietype, maar wel tot een afname van kwaliteit.

Bij een bedekking van meer dan 50% met de N-minnende haarmossen wordt de vegetatie als een matig ontwikkelde vorm van H7140B Veenmosrietland beschouwd. Verzuring van het habitattype kan toenemen als door verdroging de invloed van basenrijk grondwater afneemt, waardoor de buffering verdwijnt (Gebiedsanalyse, 2017b). Voor de veenmosrietlanden binnen zowel de Wieden als de Weerribben is het belangrijkste knelpunt op de langere termijn de ‘veroudering’ als gevolg van voortgaande verlanding en de afnemende invloed van het oppervlaktewater.

5 (20)

Stikstof vormt niet het grootste knelpunt voor de instandhouding van dit habitattype, dat is de veroudering en afnemende invloed van het oppervlaktewater. De vochttoestand en de laagste grondwaterstand zijn veel bepalender voor de kwaliteit van het habitattype dan de voedselrijkdom en zuurgraad. Het habitattype komt immers voor binnen een relatieve brede ecologische amplitude van matig voedselarm tot matig voedselrijk (en zelfs tot zeer voedselrijk) en van matig zuur tot zuur. De vochttoestand moet permanent nat blijven en het grondwater (gekoppeld aan oppervlaktewater) mag nauwelijks wegzakken. Daarbij is de relevante projectgebonden toename dermate beperkt, dat dit in deze situatie zeker geen aantoonbare ecologische effecten zal hebben op de kwaliteit van het beïnvloedde areaal met H7140B. De depositietoename door MSNF is bovendien dermate gering dat deze volledig wegvalt binnen de natuurlijke fluctuatie (minimaal 10%), onzekerheidsmarge in depositieberekeningen en de KDW (orde grootte van een 1 Kg, zijnde circa 70 mol N/ha/jr). Voor de beoogde depositiedaling is een toename van maximaal 0,02 mol N/ha/jr dan ook verwaarloosbaar. De realisatie en ingebruikname van MSNF staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit) gehaald kunnen worden.

Significant negatieve gevolgen door de projectgebonden toename aan stikstofdepositie kunnen daarom worden uitgesloten. Passende beoordeling Oude eikenbossen (habitattype H9190) op de Veluwe H9190 – Oude eikenbossen Beschrijving van het habitat Het habitattype Oude eikenbossen betreft eiken-berkenbossen op leemarme zandbodems, waarvan de boomlaag en/of de bosgroeiplaats oud is. Het habitattype komt voor op kalkarme, zeer voedselarme, vochtige tot droge zandgronden, vaak met een duidelijk podzolprofiel (mineraal arm bodemprofiel). In de boomlaag van Oude eikenbossen domineren zomereik (Quercus robur) en ruwe berk (Betula pendula). In de ijle struiklaag vallen vooral wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia), sporkehout (Rhamnus frangula) en ratelpopulier (Populus tremula) op. De Oude eikenbossen zijn in het algemeen ontstaan in het heide- en stuifzandlandschap en hebben nu vaak de vorm van strubbenbossen. Het habitattype is beperkt tot het Noordwest-Europese laagland en komt in Nederland op vrij ruime schaal voor. Ecologische vereisten van het habitat Het onderstaande overzicht bevat de abiotische randvoorwaarden van het habitattype H9190 op basis van het Natura 2000-profielendocument.

Figuur 1.4

De abiotische randvoorwaarden van H9190. afkomstig van het Natura 2000profielendocument. Kleuren indiceren de geschiktheid van de standplaats: optimaal (groen), suboptimaal (oranje) en ongeschikt (blanco). Met de toevoegingen -a en -b wordt aangegeven dat de betreffende standplaatsconditie respectievelijk alleen in de boven- of ondergrond optreedt.

6 (20)

Berekende toename aan stikstofdepositie Op 7,5% (129 ha) van het aanwezig areaal met H9190 vindt een tijdelijke projectgebonden toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een projectgebonden stikstofeffect, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief het projecteffect. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximaal projecteffect van 0,01 mol N/ha/jaar (zie figuur 1.5).

Figuur 1.5

De locatie in het Natura 2000-gebied Veluwe met het maximale relevante projecteffect op Oude eikenbossen (H9190).

Effectbeoordeling projectgebonden toename stikstofdepositie Het habitattype H9190 heeft in het Natura 2000-gebied de Veluwe een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Hoewel het oppervlakteaandeel voor H9190 op zich gunstig is, is het belangrijk om de ruimtelijke samenhang te verbeteren. Daarbij heeft het habitattype een matig tot slechte kwaliteit. Versnippering, verbossing, beheer en een overmaat aan stikstofdepositie vormen de hoofdzakelijke knelpunten voor H9190 binnen de Veluwe. Voor een goede staat van dit habitattype is een aaneengesloten oppervlak van minimaal 25 ha noodzakelijk (Beheerplan, 2018). Wat betreft het beheer, kunnen bosbouwkundige dunningen het effect van stikstofdepositie versterken en leiden tot verruiging en tot een uniforme bosstructuur. Daarbij is H9190 zeer gevoelig voor overbegrazing (Gebiedsanalyse, 2017a). Zoals de meeste bostypen in Nederland, zijn ook op de Veluwe aanwezige arealen aan oude eikenbossen (H9190, circa 1.780 ha) van nature stikstofgelimiteerd. De vitaliteit van de bomen neemt plaatselijk sterk af en natuurlijke verjonging ontbreekt (Beheerplan, 2018).

7 (20)

Een verhoogde instroom van stikstof zorgt onder andere voor een verhoogde productie van het oude eikenbosecosysteem (zowel bomen als ondergroei). Hierdoor nemen typische soorten vaatplanten af in bedekking. Vermesting heeft een direct effect op aanwezige korstmossen en levert voor de korstmosrijke locaties van dit bostype een probleem op. Daarnaast heeft stikstof een versterkend effect op de verzuring van de bodem. De dominante en veelal enige boomsoort van dit bostype (Zomereik) heeft een hoge zuurtolerantie. Verzuring leidt echter ook tot versnelde uitspoeling van basen en daarmee tot vermindering van de vitaliteit van de bomen. Door afnemende vitaliteit worden de Oude eikenbossen vaak hol en vallen er soms flinke gaten. Hierdoor kan de gemiddelde kroonbedekking afnemen tot onder de 60% (Beheerplan, 2018). In het systeem van H9190 treedt echter van nature accumulatie van strooisel en verzuring van de bodem op, doordat de zomereik een slecht verteerbaar blad heeft. Dit zorgt voor een van nature zure bodem wat tevens een van de abiotische randvoorwaarden is van het habitattype. De relevante projectgebonden toename is dermate beperkt (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar), dat het dit in deze situatie zeker geen aantoonbare ecologische effecten zal hebben op de kwaliteit van het beïnvloedde areaal met H9190.

De depositietoename door MSNF valt bovendien op een beperkt oppervlak van het aanwezige areaal aan H9190 in de Veluwe (7,5% van het oppervlak) en is dermate gering dat deze volledig wegvalt binnen de natuurlijke fluctuatie (minimaal 10%), onzekerheidsmarge in depositieberekeningen en de KDW (orde grootte van een 1 Kg, zijnde circa 70 mol N/ha/jr). Voor de beoogde depositiedaling is een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr dan ook verwaarloosbaar. De realisatie en ingebruikname van MSNF staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) gehaald kunnen worden. Significant negatieve gevolgen door de projectgebonden toename aan stikstofdepositie kunnen daarom worden uitgesloten. Passende beoordeling tapuit en draaihals op de Veluwe Beschrijving van de draaihals De draaihals is een onopvallende kleine spechtachtige vogel die in het verleden bekend stond om zijn rigoureuze aanpak bij het veroveren van een nestkast. Tegenwoordig nestelt de draaihals meer in boomholten dan in nestkasten. De draaihals is een soort van open bos met zandige bodems en leeft vaak in de nabijheid van heideterreinen. Zijn voedsel bestaat uit mieren en mierenpoppen. De Nederlandse broedvogels zijn trekvogels en overwinteren in Afrika.

De staat van instandhouding van de draaihals in de Europese Unie is volgens ‘Bird Life’ ongunstig en in Nederland zelfs zeer ongunstig (Natura 2000-profielendocument). Echter heeft de draaihals populatie in Nederland de afgelopen 12 jaar een sterk positieve ontwikkeling ondervonden, ondanks de overbelasting van het leefgebied door stikstofdepositie (Meetnet broedvogels). Binnen de Veluwe maakt de draaihals gebruik van de leefgebieden L4030, Lg13 en Lg14. Het gebied vormt tezamen met de heidevelden in Drenthe een belangrijk deel van het leefgebied van de soort in Nederland, Beschrijving van de tapuit De tapuit is een broedvogel van insectenrijke schaars begroeide terreinen met enige uitzichtpunten. Bij voorkeur wordt er in holen gebroed. De Nederlandse populatie overwintert in Afrika bezuiden de Sahara. De tapuit is een zeer wijdverspreide broedvogel in het Palaearctisch en Nearctisch gebied. Het is een broedvogel met een ruime verspreiding in vrijwel geheel Europa (Natura 2000-profielendocument). Binnen Nederland kent de tapuit gezien de afgelopen 12 jaar geen significante aantalsveranderingen (Meetnet broedvogels). Binnen de Veluwe maakt de tapuit gebruik van de leefgebieden L4030 en Lg09.

8 (20)

Berekende toename aan stikstofdepositie op het leefgebied L4030 Op 14,7% (370 ha) van het aanwezig areaal met L4030 binnen de Veluwe vindt een tijdelijke projectgebonden toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een projectgebonden stikstofeffect, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief het projecteffect. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximaal projecteffect van 0,01 mol N/ha/jaar (zie figuur 1.6).

Figuur 1.6

De locatie in het Natura 2000-gebied de Veluwe met het maximale relevante projecteffect op het leefgebied Droge heiden (L4030).

Berekende toename aan stikstofdepositie op het leefgebied Lg09 Op 2,1% (24 ha) van het aanwezig areaal met Lg09 binnen de Veluwe vindt een tijdelijke projectgebonden toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een projectgebonden stikstofeffect, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief het projecteffect. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximaal projecteffect van 0,01 mol N/ha/jaar (zie figuur 1.7).

9 (20)

Figuur 1.7

De locatie in het Natura 2000-gebied de Veluwe met het maximale relevante projecteffect op het leefgebied Droog struisgrasland (Lg09).

Berekende toename aan stikstofdepositie op het leefgebied Lg13 Op 26% (6.818 ha) van het aanwezig areaal met Lg13 binnen de Veluwe vindt een tijdelijke projectgebonden toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een projectgebonden stikstofeffect ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie, inclusief het projecteffect. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximaal projecteffect van 0,01 mol N/ha/jaar (zie figuur 1.8).

10 (20)

Figuur 1.8

De locatie in het Natura 2000-gebied de Veluwe met het maximale relevante projecteffect op het leefgebied Bos van arme zandgronden (Lg13).

Berekende toename aan stikstofdepositie op het leefgebied Lg14 Op 47% (13.624 ha) van het aanwezig areaal met Lg14 binnen de Veluwe vindt een tijdelijke projectgebonden toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een projectgebonden stikstofeffect ondervindt 99,5% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie, inclusief het projecteffect. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximaal projecteffect van 0,01 mol N/ha/jaar (zie figuur 1.9).

11 (20)

Figuur 1.9

De locatie in het Natura 2000-gebied de Veluwe met het maximale relevante projecteffect op het leefgebied Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (Lg14).

Effectbeoordeling draaihals De instandhoudingsdoelstelling voor de draaihals is uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied ten behoeve van (her)vestiging populatie. De draaihals maakt binnen het Natura 2000-gebied de Veluwe gebruik van droge heiden (L4030), bos van arme zandgronden (Lg13) en eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (Lg14). Door een te hoge stikstofdepositie nemen in deze gebieden snelgroeiende en stikstofminnende soorten (vooral grassen) toe en verdwijnen typische soorten, voornamelijk als gevolg van eutrofiëring en bodemverzuring. Van draaihalzen is bekend dat ze leefgebieden verkiezen, waarbij het aandeel open grond wel op 60% kan liggen. Door het overwoekeren van stikstofminnende vegetatiesoorten verdwijnen deze open vlakken. Hiernaast verandert ook de bodemchemie en het microklimaat, waardoor de samenstelling en aanwezigheid van mierenfauna, de belangrijkste voedingsbron voor de draaihals, verandert. Naast de leefgebieden Lg13 en Lg14 komt de draaihals ook voor in de habitattypen H2310, H2320, H2330, H4030, L4030 en H9190. Er broeden momenteel ongeveer 42 broedparen (Sovon), hetgeen aangeeft dat kwaliteit en oppervlakte van het leefgebied voldoet aan de instandhoudingsdoelstelling, namelijk (her)vestiging.

Gezien deze positieve recente aantalsontwikkeling op de Veluwe, ondanks een hoge stikstofdepositie in het gebied en gezien de geringe projectgebonden toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op relevante hexagonen, zal het MSNF met zekerheid geen ecologisch effect hebben voor de kwaliteit van het leefgebied en instandhouding van de broedpopulatie van de draaihals. De depositietoename door MSNF is bovendien dermate gering dat deze volledig wegvalt binnen de natuurlijke fluctuatie (minimaal 10%), onzekerheidsmarge in depositieberekeningen en de KDW (orde grootte van een 1 Kg, zijnde circa 70 mol N/ha/jaar).

12 (20)

Voor de beoogde depositiedaling is een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar dan ook verwaarloosbaar. Geconcludeerd kan worden dat MSNF met zekerheid geen significant negatieve gevolgen zal hebben voor de uitbreidingsdoelstellingen van de draaihals binnen het Natura 2000-gebied de Veluwe. Effectbeoordeling tapuit De instandhoudingsdoelstelling voor de tapuit is uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met voldoende draagkracht voor ten minste 100 broedparen. Een overmaat aan stikstofdepositie op het leefgebied van de tapuit kan leiden tot vergrassing en daardoor een minder geschikt broedgebied. De tapuit broedt in het Natura 2000-gebied de Veluwe in open landschappen met een afwisseling van open, zandige plekken en korte vegetaties. Landelijk kent de tapuit een stabiele trend gezien de afgelopen 12 jaar (Meetnet broedvogels). Op basis van de meest recente gegevens bevindt zich slechts één tapuit broedpaar in het Natura 2000-gebied de Veluwe (Sovon), waarmee het ver onder de instandhoudingsdoelstelling van 100 broedparen zit. Op basis van de gebiedsanalyse bestaat het totale leefgebied van de tapuit slechts voor 6% uit droog struisgrasland (Lg09). Het leefgebied van de tapuit betreft voornamelijk droge heiden (L4030, 58% van het totale leefgebied). Daarnaast kan de tapuit ook gebruik maken van de habitattypen H2310, H2320, H2330 en H6230.

Binnen het leefgebied van de tapuit is elk habitattype stikstofgevoelig en wordt de KDW overschreden. Dit biedt een negatief toekomstbeeld voor de tapuit binnen de Veluwe. Het territorium van een broedkoppel omhelst een gebied van 1,2 tot 16 ha en is afhankelijk van de kwaliteit van het broedgebied. De projectgebonden stikstofdepositie vindt plaats op een versnipperd stuk leefgebied in het noordelijke deel van het Natura 2000-gebied de Veluwe. Deze versnipperde arealen zijn in theorie te klein om een broedhabitat te kunnen vormen voor de tapuit. De tapuit heeft daarnaast een bijzondere voorkeur voor konijnenholen als broedgelegenheid. De afname van de konijnenpopulatie door diverse ziekten is dan ook waarschijnlijk mede oorzaak van de afname van de tapuit (Beheerplan, 2018). Voor konijn en tapuit is daarbij het ontbreken van verstoring (loslopende honden) een belangrijke voorwaarde voor herstel. Het herstel van de konijnenpopulatie en terugdringing van verstoring zijn de belangrijkste factoren om de tapuit weer op een gewenst niveau te krijgen (Beheerplan, 2018). De projectgebonden toename aan stikstofdepositie op relevante hexagonen is daarbij dermate gering (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar), dat MSNF met zekerheid geen ecologisch effect hebben voor de kwaliteit van het leefgebied en uitbreiding van de broedpopulatie van de tapuit.

De depositietoename door MSNF is bovendien dermate gering dat deze volledig wegvalt binnen de natuurlijke fluctuatie (minimaal 10%), onzekerheidsmarge in depositieberekeningen en de KDW (orde grootte van een 1 Kg, zijnde circa 70 mol N/ha/jaar). Voor de beoogde depositiedaling is een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar dan ook verwaarloosbaar. Geconcludeerd kan worden dat MSNF met zekerheid geen significant negatieve gevolgen zal hebben voor de uitbreidingsdoelstellingen van de tapuit binnen het Natura 2000-gebied de Veluwe. Kwantificeren areaalverlies Uit de passende beoordeling en bovenstaande voorbeelden blijkt dat MSNF geen ecologisch effect heeft op de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden. Langdurige achteruitgang van de kwaliteit van habitattypen zou er op termijn voor kunnen zorgen dat de soortensamenstelling dusdanig is veranderd dat habitattypen niet meer kwalificeren. Dan zou sprake zijn van oppervlakteverlies. Aangezien kwaliteitsverlies is uitgesloten, is daarmee ook oppervlakteverlies uitgesloten.

13 (20)

Er is echter een methode (Goderie en Vertegaal, 2020) om een theoretisch oppervlakteverlies te kwantificeren. Deze methode wordt normaliter alleen toegepast om een compensatieopgave te berekenen. Om te illustreren om welk oppervlakteverlies theoretisch aan de orde zou zijn, hebben we dit hieronder uitgewerkt. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk oppervlakteverlies op het volledige areaal met een overschrijding van de KDW duurt jaren en speelt zich af in 10-20 jaar (Goderie & Vertegaal, 2020). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype. Om deze reden zijn er vier gevoeligheidsklassen gedefinieerd op basis van de KDW per habitattype: uiterst gevoelig, zeer gevoelig, gevoelig en matig gevoelig (Tabel 1.1). Tabel 1.1

Klassenindeling stikstofgevoelige habitats, inclusief de tijdsduur tot uiting van effecten van een overmaat aan stikstofdepositie (Goderie & Vertegaal, 2020)

Gevoeligheidsklasse

KDW (mol N/ha/jaar)

Tijdsduur tot volledig berekend oppervlakte verlies

Uiterst gevoelig Zeer gevoelig Gevoelig Matig gevoelig

<1000 1000-1500 1500-2000 >2000

10 jaar 12,5 jaar 15 jaar 20 jaar

Figuur 1.10 geeft de werking van het areaalverlies als gevolg van kwaliteitsverlies schematisch weer. Volgens de grafiek leidt een toename van de depositie vanaf het niveau van de KDW tot het niveau van de eerste bovengrens1, na verloop van het bijbehorende tijdsbestek uit Tabel 1.1, tot een achteruitgang van 90% van het beïnvloedde oppervlak van het betreffende habitat. Een kleinere toename in de depositie (Δ N-bijdrage) leidt tot een kleinere afname (Δ%) van het areaal van een habitat.

1

De bovengrenzen bestaan uit twee componenten: De habitat specifieke ‘bovengrenswaarde’ (BGW) waarbij - na een bepaalde tijdsduur - 95% van het totaaleffect (verloren gaan van het areaal van een habitattype of leefgebied) optreedt en de generieke ’absolute bovengrenswaarde’ (ABGW), van 4000 mol N/ha/jaar, waarbij 100% van het areaal verdwenen is.

14 (20)

Figuur 1.10

Voorbeeldbepaling procentuele afname in areaal als gevolg van kwaliteitsverlies tegen verschillende achtergronddepositie waarden (Goderie & Vertegaal, 2020).

Voor de effecten van kwaliteit- en oppervlakteverlies voor perioden korter dan de in Tabel 1.1 weergegeven tijdsindicatie per gevoeligheidsklasse, wordt een evenredig minder groot effect berekend. Ter illustratie: bij een bepaalde overschrijding van de KDW van een habitat verdwijnt na 10 jaar 20% van het areaal als gevolg van kwaliteitsverlies. Eenzelfde overschrijding, op hetzelfde habitat, gedurende één jaar resulteert in dit geval in een areaal verlies van 2% als gevolg van kwaliteitsverlies (1/10e van 20%). Om te illustreren hoe deze benadering zich uit met betrekking tot het effect van MSNF, hebben we de beoordeling van de door de Commissie genoemde habitattypen op de volgende pagina uitgewerkt. De bovenste tabel weergeeft de gebiedsspecifieke informatie per habitattype. De tweede (blauwe) tabel weergeeft het areaalverlies zonder het projecteffect van MSNF. De derde (gele) tabel weergeeft het areaalverlies met het projecteffect van MSNF. De derde (groene) tabel weergeeft het uiteindelijke verschil in areaalverlies tussen een situatie met en zonder MSNF. Conclusie uit de berekening blijkt dat het oppervlakteverlies verwaarloosbaar klein (maximaal 1,5 m2) is, ruimschoots onder de minimale karteerbare eenheid (1 are) van habitattypen.

Dit bevestigt de eerdere conclusie dat de toename aan stikstofdepositie door MSNF verwaarloosbaar klein is en de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelen zeker niet in de weg staat. Significante gevolgen voor de habitattypen en soorten, is daarom ook op basis van deze rekenmethodiek uitgesloten.

15 (20)

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Kars Hüsken Junior adviseur ecologie M +31 6 53 35 28 58 16 (20)

1.3 Cumulatie met Port of Urk Het valt de Commissie op dat een zestal relevante plannen in en rond het IJsselmeer wel in het MER zijn genoemd, maar niet in de Passende beoordeling. Dit geldt ook voor het bedrijventerrein Port of Urk. Reactie Sweco Conform de Wet natuurbescherming, dient beoordeeld te worden of een project zelfstandig of in combinatie met andere plannen of projecten tot significante effecten kan leiden op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied. In de praktijk (en de rechtspraak) ontstaan vaak discussies over de reikwijdte van de cumulatietoets. In eerdere uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dan ook verduidelijkt om welke ontwikkelingen het gaat. Een voorbeeld is de zaak ‘ABRvS 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1312’. Hieruit blijkt dat bij de cumulatietoets slechts rekening gehouden moet worden met andere projecten waarvoor een vergunning reeds is verleend, maar nog niet (of slechts ten dele) ten uitvoer is gelegd. Projecten waarvoor een vergunning is vereist maar nog niet is verleend, worden beschouwd alsnog te ‘onzeker’ en hoeven in de cumulatietoets niet meegenomen te worden. Ditzelfde geldt voor projecten die reeds zijn uitgevoerd; waarbij de gedachte geldt dat de gevolgen van die activiteiten reeds in de huidige situatie zijn verdisconteerd.

Voor de vraag of een project in de beoordeling moet worden betrokken, is dus zowel van belang in welke fase van het besluitvormings- en uitvoeringsproces het project zich bevindt (vergunning verleend + niet/ten dele uitgevoerd) als de mogelijke effecten die ervan uit gaan (zie ook ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2848). Ten tijde van het opstellen van de passende beoordeling stikstofdepositie bevond Port of Urk zich in dezelfde fase van het besluitvormingsproces als MSNF. Bovendien heeft Port of Urk volgens het MER per saldo geen toename van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitattypen/leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden, en kan daardoor ook niet cumuleren met MSNF. Om bovenstaande redenen is Port of Urk terecht niet meegenomen in de cumulatietoets stikstofdepositie voor MSNF. Bovendien is er in cumulatie sprake van een permanente daling in stikstofdepositie van 2 tot 4 mol N/ha/jaar (afhankelijk van het Natura 2000-gebied). Het al dan niet meenemen van het bedrijventerrein Port of Urk zal geen verandering teweegbrengen aan de conclusie dat er een toekomstige verbetering optreedt ten aanzien van de hoeveelheid stikstofdepositie.

Significante gevolgen van de zeer geringe toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,02 mol N/ha/jaar) door MSNF voor de instandhoudingsdoelstellingen van de beïnvloedde habitattypen zijn daarom ook in combinatie met andere plannen en projecten uitgesloten.

17 (20)

2

Zienswijze IJsselmeervereniging

De IJsselmeervereniging heeft een zienswijze ontwerp Provinciaal Inpassingsplan Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland (MSNF II) gestuurd aan PS van Flevoland (ontvangen 22 april 2021). De vereniging gaat op één aspect van de Passende beoordeling stikstofdepositie in (2 alinea onder 3 natuur): “Ook bij de stikstofemissie is geen rekening gehouden met de effecten van andere plannen en projecten. Zo zal de bouwfase van Windpark Blauw overlappen met de realisatie van de haven. De drie fases, aanleg, bouw en gebruik, van het project zij geïsoleerd beschouwd, terwijl in het plan overlap tussen deze fases niet is uitgesloten. Bovendien leidt voor zwaar overbelast habitat iedere – ook al is het een kleine – toename van de depositie tot een verdere verslechtering.” Reactie Sweco Ten tijde van het verlenen van de vergunning in 2018 voor fase 1 van windpark Blauw is er in 2018 een vergunning verleend. De conclusie aldaar luidde: “Uit de AERIUS berekening die is uitgevoerd door Bureau Waardenburg volgt dat de depositie als gevolg van de aanleg van het Windplan Blauw in geen van de Natura 2000gebieden 0,05 mol/ha/jaar of meer zal bedragen. Er vindt dan ook geen overschrijding plaats van de drempelwaarde 0,05 mol N/ha/jaar.

Er is geen melding nodig in het kader van de PAS.” Ondertussen bevindt windpark Blauw zich in fase 5, het realiseren van het kabeltracé voor Windplan Blauw ter hoogte van de Rijksweg A6 te Lelystad. Voor deze ontwikkeling zijn nergens in de online documentatie resultaten te vinden van stikstofberekeningen. Tevens wordt er in de vergunningaanvraag van 2 oktober 2020 niet gesproken over een toename aan stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen activiteiten. Om bovenstaande redenen is aangenomen dat fase 5 van windpark Blauw niet resulteert in een toename aan stikstofdepositie, en daarmee ook niet kan cumuleren met MSNF. Bovendien is de vergunning voor fase 5 van windpark Blauw 31 maart 2021 vastgesteld. Ten tijde van het opstellen van de passende beoordeling stikstofdepositie voor MSNF, bevond fase 5 van windpark Blauw zich in dezelfde fase van het besluitvormingsproces als MSNF. In het kader van het bovenstaande is windpark Blauw terecht niet meegenomen in de cumulatietoets stikstofdepositie voor MSNF. Bovendien is er in cumulatie sprake van een permanente daling in stikstofdepositie van 2 tot 4 mol N/ha/jaar (afhankelijk van het Natura 2000-gebied).

Het al dan niet meenemen van een tijdelijke toename van de aanleg van windpark Blauw zal geen verandering teweeg brengen aan de conclusie dat er een toekomstige verbetering optreedt ten aanzien van de hoeveelheid stikstofdepositie. Significante gevolgen van de zeer geringe toename aan stikstofdepositie (maximaal 0,02 mol N/ha/jaar) door MSNF voor de instandhoudingsdoelstellingen van de beïnvloedde habitattypen zijn daarom ook in combinatie met andere plannen en projecten uitgesloten.

18 (20)

Referenties Beheerplan. (2018). Beheerplan Natura 2000 Veluwe. In P. Gelderland. Gebiedsanalyse. (2017a). Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) - De Veluwe. In (versie 31 oktober 2017 ed.). Gebiedsanalyse. (2017b). Natura 2000 Gebiedsanalyse voor de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) De Wieden en Weerribben, versie 31 oktober 2017. Goderie, R., & Vertegaal, K. (2020). Achtergrondnotitie actualiseren StikstofEffectvoorspellingsModel (SEM 3.1). In: Royal HaskoningDHV. van Dobben, H. F., Bobbink, R., Bal, D., & van Hinsberg, A. (2012). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000.

19 (20)

Verantwoording Titel

Reactie op toetsingsadvies Commissie MER en zienswijze IJsselmeervereniging passende beoordeling stikstofdepositie MSNF

Projectnummer

369579

Referentienummer

SWNL0276738

Revisie

D01

Datum

12-05-2021

Auteur

Kars Hüsken, Maarten Mouissie

E-mailadres

kars.husken@sweco.nl maarten.mouissie@sweco.nl

Gecontroleerd door

Rene van Dijk

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

Paraaf goedgekeurd Klik of tik om tekst i n te voeren.

20 (20)

F3 Toetsingsadvies Commissie m.e.r.

Maritieme servicehaven Noordelijk Flevoland Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 26 april 2021 / projectnummer: 3459

Advies over het MER in het kort De provincie Flevoland wil bij Urk een nieuwe haven realiseren en heeft hiervoor een provinciaal inpassingsplan (PIP) opgesteld.1 De beoogde Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland (MSNF) omvat een haventerrein van circa 10 hectare en een aanlegkade. Deze komen tussen de bestaande dijk en een nieuw aan te leggen golfbreker te liggen. Vanaf de bestaande vaarroute langs Urk wordt een toegangsgeul aangelegd. De haven biedt ruimte voor maritieme en industriële bedrijvigheid in aanvulling op de bestaande haven van Urk. Voor het besluit over het PIP is een milieueffectrapport (MER)2 opgesteld. De provincie heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER. Het PIP en het MER actualiseren de in 2017 vastgestelde versies.3 De Raad van State heeft het vorige PIP in december 2019 vernietigd omdat negatieve gevolgen voor Natura 2000gebieden als gevolg van stikstofneerslag niet uitgesloten konden worden. Het besluitvormingstraject wordt daarom opnieuw doorlopen.

Wat blijkt uit het MER? Om bij Urk een nieuwe haven te realiseren zijn drie mogelijke locaties onderzocht. Er is gekozen voor de meest zuidelijke locatie omdat binnen de hindercontour van de voorgestelde locatie een beperkt aantal woningen ligt. Ook is deze locatie goed te ontsluiten voor verkeer. Vervolgens zijn twee inrichtingsalternatieven onderzocht. De alternatieven onderscheiden zich alleen in effecten op bestaande landschappelijke waarden. Het alternatief met een U-vormige kade sluit minder goed aan op bestaande landschappelijke structuren dan de inrichting met een L-vormige kade. De haven en de vaargeul liggen in Natura 2000-gebied. Dat leidt tot ruimtebeslag en verstoring van deze beschermde natuur in het IJsselmeer. Omdat het plangebied zelf geen bijzondere natuurwaarde heeft blijven deze effecten beperkt. Effecten van extra stikstofdepositie op het IJsselmeer en andere beschermde natuurgebieden zijn - volgens het MER - verwaarloosbaar. Omdat tijdens het opstellen van het MER de besluitvorming over het naastliggende bedrijventerrein Port of Urk heeft plaatsgevonden, is per milieuaspect de situatie met en zonder Port of Urk beschouwd. Dit laat de cumulatieve effecten van beide projecten zien.

Wat is het advies van de Commissie? Het MER heeft op een goed leesbare manier de informatie uit het MER van 2017 geactualiseerd en aangevuld. Daarbij is duidelijk aangegeven welke informatie is overgenomen en welke informatie is toegevoegd. De locatiekeuze voor de haven is bijvoorbeeld opnieuw onderbouwd.

1

AnteaGroup, 2021. Inpassingsplan Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland 2021. Omdat de haven het gemeentelijk belang overstijgt stelt de provincie een inpassingsplan op.

2

AnteaGroup, 2021. Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland 2021 Milieueffectrapport.

3

Zie ook eerdere adviezen van de Commissie: https://commissiemer.nl/adviezen/3115.

-1-

De aanleg en het gebruik van de haven leveren een bijdrage aan de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden. De conclusie dat deze extra stikstofneerslag de natuur niet negatief beïnvloedt, vindt de Commissie onvoldoende onderbouwd. De extra depositie door de aanleg en het gebruik van de haven is weliswaar heel gering, maar de kwaliteit van veel natuurgebieden staat door een langdurig hoge stikstofdepositie al ernstig onder druk. Ook kleine toenames kunnen daarom de natuurdoelen in beschermde natuurgebieden verder buiten bereik brengen, al dan niet in combinatie met alle andere stikstofbronnen. De Commissie signaleert dat op dit punt nog informatie ontbreekt in het MER en dat deze informatie essentieel is voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de besluitvorming over de MSNF. De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over de MSNF. Verder beveelt de Commissie aan om voor een aantal onderwerpen informatie verder uit te werken in voorbereiding op de realisatie van de haven. Het gaat dan om de omgang met prehistorisch landschap in de diepe bodem, het oplossen van het verkeersknelpunt op de Domineesweg richting de A6 en het concreet maken van duurzaamheidsambities. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.

Afbeelding 1 Globale ligging van de haven ten zuiden van Urk met de mogelijke ontsluitingsroutes (rode lijn) en vaargeulen (blauwe arcering) (bron: MER) Aanleiding MER De gemeenten Urk en Noordoostpolder willen bij Urk een nieuwe buitendijkse haven aanleggen. Een consortium van zeven maritieme bedrijven, Flevo Port, is met beide gemeenten en de provincie Flevoland een proces gestart voor de realisatie van de Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland. Om de haven te kunnen realiseren wordt een provinciaal inpassingsplan opgesteld. Voor het besluit over het PIP moet een project-MER opgesteld worden vanwege de beoogde aanleg van de haven voor schepen van meer dan 1350 ton (categorie C4). Een plan-MER is vereist vanwege de ontgronding om de vaargeul aan te leggen (categorie D29,2) en omdat een passende beoordeling nodig is. Daarom is besloten een gecombineerd plan-/project-MER op te stellen.

-2-

Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland zijn initiatiefnemer voor het PIP. Provinciale Staten van deze provincie zijn het bevoegd gezag. Voortraject In juli 2017 heeft Provinciale Staten van Flevoland een eerdere versie van het PIP vastgesteld, inclusief een daarbij horend MER. In een beroepsprocedure is dit besluit in december 2019 vernietigd vanwege de rechtsgevolgen van de zogenaamde PAS-uitspraak4. De provincie heeft vervolgens besloten om het PIP en het MER te actualiseren en opnieuw in procedure te brengen. Hiervoor is ook de notitie reikwijdte en detailniveau geactualiseerd. De Commissie heeft in 2020 geadviseerd over de inhoud van het MER.5 Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de provincie Flevoland - besluit over de Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3549 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de provincie Flevoland. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.

Stikstofdepositie De gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn beschreven in twee Passende beoordelingen waarvan zich er één specifiek richt op de gevolgen van stikstofdepositie.6 In deze paragraaf gaat de Commissie nader in op de gevolgen van stikstofdepositie. De overige gevolgen op beschermde natuurwaarden acht ze correct omschreven.

Uitgangspunten Allereerst zijn de uitgangspunten in de aanleg- en gebruiksfase beschreven op grond waarvan de additionele stikstofdepositie door de MSNF in AERIUS-calculator is berekend.

4

Uitspraak van de Raad van State op 19 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603).

5

Commissie m.e.r., 9 juli 2020. Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland. Advies over reikwijdte en detailniveau van het

milieueffectrapport. 6

Bijlage 8 bij het MER. Passende beoordeling stikstofdepositie Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland (MSNF) op Natura

2000-gebieden. Sweco, 23 februari 2021.

-3-

Het valt de Commissie op dat voor de aanlegfase is aangenomen dat alle werktuigen in stageklasse IV en alle vrachtwagens in Euroklasse 6 vallen7. Deze klassen leiden tot relatief weinig uitstoot. Het is echter niet duidelijk hoe dit uitgangspunt is vertaald naar de regels van het PIP of anderszins is geborgd.

Beoordeling van het effect van extra stikstofdepositie Uit de berekeningen blijkt dat zowel de aanleg- als de gebruiksfase in 24 Natura 2000gebieden leidt tot een toename van 0,01 tot 0,02 mol N/ha/jaar. De gevolgen hiervan zijn per Natura 2000-gebied ‘passend’ beoordeeld. Eerst is de huidige kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten beschreven. Vervolgens is nagegaan of additionele stikstofdepositie het halen van de instandhoudingsdoelstellingen in de weg kan staan. In het MER wordt geconcludeerd dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van alle Natura 2000gebieden is uitgesloten omdat: de maximale bijdrage van 0,01 of 0,02 mol N/ha/jaar dermate beperkt is dat dit met

•

wetenschappelijke zekerheid geen verruigende en/of andere verzurende of vermestende werking zou hebben; én de meteorologische afwijking rondom de huidige gemiddelde achtergronddepositie

•

ruimschoots binnen onzekerheidsmarge valt. De Commissie volgt dit betoog niet. De verzurende en vermestende werking als gevolg van stikstofdepositie wordt immers door een groot aantal bronnen veroorzaakt zonder dat de effecten naar de bron herleid kunnen worden. De overbelaste situatie is daarmee een gegeven. Een verwijzing naar een geringe hoeveelheid additionele depositie en naar onzekerheidsmarges kan niet volstaan voor zover habitattypen en leefgebieden van soorten (mede) door verzuring en vermesting in een zeer slechte staat verkeren. Voorbeelden daarvan zijn: •

Veenmosrietlanden in de Wieden en Weerribben kennen een overwegend matige overbelasting, waarbij er over een relatief klein areaal een sterke overbelasting is. In 2030 zal sprake blijven van een matige overbelasting, waarbij het areaal met een sterke overschrijding van meer dan tweemaal de KDW8 beperkt is afgenomen. Stikstofdepositie blijft voor dit habitattype dan een belangrijk knelpunt.9

•

Oude eikenbossen (habitattype H9190) op de Veluwe, die door langjarig te hoge stikstofdepositie ernstig verzuurd zijn en waarbij er weinig of geen beheerinstrumenten beschikbaar zijn om onomkeerbare schade door stikstofdepositie, al dan niet in combinatie met andere drukfactoren zoals verdroging, te voorkomen.

•

Het leefgebied van de tapuit en de draaihals is stikstofgevoelig waarbij de KDW langjarig wordt overschreden. Dit biedt een negatief toekomstbeeld voor de tapuit. De draaihals is uiterst gevoelig voor stikstofdepositie wat duurzame hervestiging in de weg kan staan.10

Deze voorbeelden onderstrepen dat elke toename – hoe gering ook – in samenhang met alle andere bronnen, een risico kan vormen voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ook kleine toenames kunnen daarom de natuurdoelen in beschermde natuurgebieden verder buiten bereik brengen, al dan niet in combinatie met alle 7

Stageklassen zijn emissienormen voor mobiele werktuigen en zijn afhankelijk van bouwjaar en vermogen; Euroklassen zijn emissienormen voor voertuigen.

8

Kritische Depositie Waarde.

9

Gebiedsanalyses Provincie Overijssel 2017.

10

Nijssen M., Versluijs R., van den Bremer L. & Sierdsema H. 2019. Soortenherstelprogramma beheerplan Natura 2000 Veluwe: Ecologisch profiel en analyse knelpunten vogelsoorten. Sovon-rapport 2019/76. Stichting Bargerveen & Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen.

-4-

andere stikstofbronnen. De verwijzing naar geringe hoeveelheden en onzekerheidsmarges is een onvoldoende onderbouwing van de conclusie dat aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden is uitgesloten.

Cumulatie met Port of Urk De Passende beoordeling voor stikstofdepositie bevat een lijst van projecten waarmee cumulatie op kan treden.11 Deze lijst is gebaseerd op verleende vergunningen. Het MER noemt in de paragraaf over cumulatie een zestal relevante plannen in en rond het IJsselmeer. Wat opvalt is dat geen van deze plannen genoemd wordt in de Passende beoordeling. Dit geldt ook voor het bedrijventerrein Port of Urk.12 Dit toekomstige bedrijventerrein ligt direct naast de MSNF en gaat de komende jaren gerealiseerd worden.

Samenvattend De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER in een Passende beoordeling, voorafgaand aan besluitvorming, te laten zien dat de aanleg en het gebruik van de MSNF afzonderlijk en in cumulatie (waaronder Port of Urk) niet leiden tot negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, door: •

te onderbouwen dat (per saldo) geen toename van stikstofdepositie plaats vindt op daarvoor gevoelige Natura 2000-gebieden; of

•

te onderbouwen dat de zeer geringe toename het halen van de instandhoudingsdoelstellingen niet in de weg staat.

Het is essentieel dat duidelijk is hoe de uitgangspunten voor de stikstofberekeningen doorwerken in de regels van het PIP of anderszins zijn geborgd.

Archeologie Voorkom onvoorziene aantasting van prehistorisch landschap De archeologische onderzoeken laten zien dat in de diepe ondergrond gave prehistorische landschappen aanwezig zijn. Het achtergrondrapport gaat er van uit dat een maximale verdieping van de waterbodem met 2,5 meter niet leidt tot aantasting.13 Echter, wanneer bij de aanleg van de haven toch werkzaamheden plaatsvinden die een diepte bereiken van 6 meter beneden NAP, kan dit archeologisch waardevolle landschap wel aangetast worden. Denk bijvoorbeeld aan het aanbrengen van dam- of diepwanden of andere funderingspalen voor de kade zelf of bebouwing op de kade. Het MER gaat niet in op dergelijke werkzaamheden die tot eventuele aantasting kunnen leiden. Daardoor ontbreekt ook wat dit betekent voor eventueel vervolgonderzoek en maatregelen. Zo gaat het PIP niet in op de wijze van aanleg in relatie tot bescherming van het diepliggende archeologische landschap. De Commissie beveelt daarom aan ervoor te zorgen dat passend onderzoek plaats vindt bij werkzaamheden die tot roering van de diepe bodem kunnen leiden. Omdat het om een onderwaterlocatie gaat, kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) advies worden ingewonnen over wat bij het te realiseren technisch ontwerp als passend kan worden beschouwd. Laat ook zien hoe tijdens de uitvoering wordt gehandeld bij eventuele 11

Tabel 28.1 in Bijlage 8 bij het MER.

12

Het bestemmingsplan Port of Urk is op 18 februari 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van Urk. Op 1 april 2021 is het besluit gepubliceerd (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2021-100804.html).

13

Zie paragraaf 5.1 van Bijlage 8 Archeologisch bureauonderzoek bij het MER.

-5-

archeologische (toevals-)vondsten. Suggesties hoe met (toevals)vondsten om te gaan zijn te vinden op de website van de RCE.14

Archeologisch onderzoek vaargeulen bij vervolgbesluiten Ter plaatse van de toekomstige haven zijn mogelijke archeologische resten in de waterbodem, denk aan scheepswrakken, in een zogenaamde ‘opwaterfase’ van het archeologisch onderzoek in kaart gebracht. Een dergelijk opwater-onderzoek op de locaties van de beoogde vaargeulen is echter niet opgenomen in het MER. Rijkswaterstaat geeft in haar reactie op de NRD aan dat voor de aanleg van de vaargeul naar de toekomstige haven nog vervolgbesluiten nodig zijn, zoals een ontgrondingsvergunning.15 De planregels in het PIP vereisen in dat kader dat daarbij de juiste onderzoeken en afwegingen plaats gaan vinden. Oftewel: ondanks dat de informatie in het MER zelf erg summier is, is de bescherming van archeologische waarden in de besluitvorming voldoende geborgd.

Verkeer en infrastructuur Capaciteit Domineesweg naar A6 mogelijk knelpunt Uit het verkeersonderzoek16 blijkt dat de toename als gevolg van de MSNF van de verkeersbelasting beperkt is tot 1% op de Domineesweg richting de A6 in het jaar 2031. Het onderzoek laat zien dat de wegvakken en kruispunten in Urk (ten westen van de Karel Doormanweg) het verkeersaanbod steeds goed en veilig kunnen verwerken. Het MER gaat ook in op de capaciteit van de Domineesweg vanaf Urk tot aan de A6 (ten oosten van de Karel Doormanweg). De Domineesweg is een gebiedsontsluitingsweg met vrijliggende fietspaden. De provincie stelt de capaciteit van deze weg op 20.000 mvt/etmaal17, maar bij aanwezigheid van landbouwverkeer op de hoofdrijbaan acht zij vanuit veiligheidsoverwegingen de aanvaardbare capaciteit 12.000 mvt/etmaal. Uit het verkeersonderzoek blijkt dat reeds in de referentiesituatie en in de drie planscenario’s de wegbelasting op dit deel van de Domineesweg de norm van 12.000 mvt/etmaal aanzienlijk overschrijdt. Dit kan tot verkeersonveiligheid leiden. Het MER gaat hier nu niet op in, en ook niet op de gevolgen hiervan voor de doorstroming van de MSNF in samenhang met de nabijgelegen ontwikkelingen Zeeheldenwijk en Port of Urk.

In het scenario waarin alle plannen in de directe omgeving (MSNF, de woonwijk Zeeheldenwijk en bedrijventerrein Port of Urk) gerealiseerd gaan worden is de verkeersgroei op de Domineesweg naar de A6 immers veel groter. Het MER benoemt wel dat de gemeente Urk en de provincie Flevoland al mogelijke oplossingen voor dit huidige verkeersknelpunt laten onderzoeken. Er is een verkenning uitgevoerd naar een nieuwe ontsluitingsweg of randweg voor Urk, maar hier zijn nog geen concrete afspraken over gemaakt.12 Om deze reden is hier in de modellen nog geen rekening mee gehouden.18 De Commissie beveelt daarom aan om te laten zien hoe een dergelijke randweg kan bijdragen aan het oplossen van de verwachte verkeersknelpunten en wat dit betekent voor de

14

https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/archeologische-vondsten-melden/toevalsvondsten.

15

Zie bladzijde 4 van Bijlage 26 bij de Toelichting op het PIP Nota van beantwoording NRD en NvU.

16

Bijlage 20 Verkeersonderzoek bij het MER.

17

Motorvoertuigen per etmaal.

18

Zie hoofdstuk 8 in Bijlage 20 bij het MER.

-6-

(cumulatieve) effecten van de haven. Dit kan bijvoorbeeld met een gevoeligheidsanalyse. Met een dergelijke analyse komen mogelijke knelpunten tijdig in beeld zodat daarmee in de uitwerking van de plannen voor de haven en voor een eventuele randweg rekening kan worden gehouden.

Aansluiting op Domineesweg nabij Westwal Voor het kruispunt dat de MSNF ontsluit op Domineesweg nabij de Westwal is nog geen kruispunttype bepaald. De toelichting in het PIP geeft aan dat een voorrangskruispunt niet de voorkeur verdient in verband met de verkeersveiligheid. Het MER geeft geen antwoord op de vraag is of het mogelijk is om de ontsluitingsweg voor de MSNF te combineren met het huidige T-kruispunt Domineesweg – Westwal, bijvoorbeeld via een kort stuk parallelweg naar een rotondeoplossing. Op deze manier is het niet nodig om een extra kruispunt aan te leggen. De Commissie beveelt aan om bij verdere uitwerking van het PIP te onderzoeken hoe de aansluiting op de Domineesweg het beste vorm kan krijgen. Denk daarbij aan: •

in hoeverre ontsluiting van de MSNF te combineren is met het bestaande kruispunt Domineesweg-Westwal en of hier bijvoorbeeld een rotonde mogelijk is; en

•

wat de mogelijkheden zijn voor het opheffen van de verschillende in- en uitritten op de Domineesweg ten westen en oosten van de Westwal om tot een eenduidig verkeersbeeld op de Domineesweg te komen.

Vergelijk vervolgens de voor- en nadelen van de verschillende ontsluitingsmogelijkheden zodat tot een onderbouwde keuze gekomen kan worden.

Duurzaamheid Invulling van ambities Het aspect duurzaamheid krijgt weinig aandacht in het MER. Het MER beperkt zich tot de bijdrage van de haven aan de (duurzame) werkgelegenheid in de regio. Daarnaast worden suggesties gedaan over een meer duurzame aanleg, inrichting en gebruik. De uiteindelijk invulling hiervan wordt overgelaten aan de markt waarbij de provincie zich beperkt tot een stimulerende of faciliterende rol.19 De positieve score (groen) in het MER is daardoor met onzekerheden omgeven. Ook het PIP beperkt zich tot optionele mogelijkheden en bevat geen expliciete maatregelen voor duurzaamheid in de planregels.20 Wel is bij elke functie een wijzigingsbevoegdheid voor (onder andere) duurzaamheid opgenomen. De Commissie beveelt aan om de duurzaamheidambities voorafgaand aan de realisatie van de haven verder uit werken. Ga daarbij ook in op afspraken of doelen die uit landelijk, regionaal of gemeentelijk beleid volgen en een plek moeten krijgen, zoals de Duurzaamheidsvisie Urk 2030 en de Regionale Energiestrategie voor Flevoland. Door de ambities tijdig concreet te maken kan hier bij de voorbereiding van de realisatie al rekening mee gehouden worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/990/documents/14676