20230927 Bestemmingsplan Biddinghuizen - Spijkweg 51_ontwerp_1_Optimized (477979).pdf
Tekst van het document
De bouw of uitbreiding van geluidsgevoelige gebouwen, dan wel functiewijziging van een niet-geluidsgevoelig gebouw in een geluidgevoelig gebouw, zal binnen de geluidszone alleen kunnen worden toegepast als er akoestisch gezien geen ongunstiger situatie optreedt. b. Indien een nu niet zoneplichtige weg alsnog zoneplichtig wordt in de zin van de Wet geluidhinder of indien bij het aan- of verleggen van wegen dit noodzakelijk is, zal een gebiedsaanduiding "geluidzone - weg" moeten worden gegeven. c. Als verkeersontwikkelingen op wegen binnen de planperiode aanleiding geven tot wijzigingen, zodanig dat de geluidbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook 50 dB(A) of meer bedraagt, dan zal langs de betreffende weg(en) eveneens een gebiedsaanduiding "geluidzone - weg" worden gelegd. d. Als verkeersontwikkelingen op wegen binnen de planperiode aanleiding geven tot vermindering van de verkeersintensiteit, kan de gebiedsaanduiding "geluidzone - weg" ook (gedeeltelijk) worden verwijderd. 1.7 Wegen a. Een omgevingsvergunning voor het toestaan van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de basisbestemming zal alleen kunnen worden verleend indien dit geen onevenredige afbreuk doet aan de bescherming van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen weg. b. Ten behoeve van de aanleg of het verleggen, verbreden of versmallen c.q.
opheffen van wegen, kan middels een hiervoor opgenomen wijzigingsbevoegdheid een nieuwe gebiedsaanduiding “vrijwaringszone - weg” worden aangegeven dan wel worden verwijderd. c. Voorts kan, als uitvloeisel van een verandering in de klassering van de betreffende weg in de Provinciale Wegenverordening, de geluidszone middels de hiervoor opgenomen wijzigingsbevoegdheid worden verbreed of versmald. Ook met verleggingen, of andere veranderingen kan rekening worden gehouden. d. Bij het schrappen van de betreffende weg uit de Wegenverordening zal de wijzigingsbevoegdheid om de geluidszone te verwijderen kunnen worden toegepast. 1.8 Vrijwaringszone dijken
a. Het afwijken met een omgevingsvergunning voor het toestaan van bouwwerken ten behoeve van de basisbestemming, zal alleen kunnen worden toegestaan als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering. b. Ten behoeve van de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering, alsmede na het onherroepelijk worden van de definitieve vrijwaringszone, kan een nieuwe gebiedsaanduiding "vrijwaringszone – dijk" worden aangegeven dan wel kan de bestaande gebiedsaanduiding “vrijwaringszone - dijk” worden verwijderd. 1.9 Archeologische waarden Als door aanvullend historisch onderzoek hogere dan wel lagere archeologische waarden van terreinen naar voren komen, dan kan de dubbelbestemming "Waarde – Archeologie nummer X" voor de betreffende gronden en gebouwen worden aangebracht, dan wel gewijzigd in een andere bestemming ”Waarde – Archeologie nummer X”. 1.10 Algemene toetsingscriteria •
•
•
•
•
•
Rangorde: ondergeschikte doeleinden mogen geen ernstige afbreuk doen aan bovengeschikte doeleinden. Onder- en nevengeschikte doeleinden mogen geen onevenredige afbreuk aan elkaar doen. Bebouwingsbeeld: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient gestreefd te worden naar het in stand houden c.q. tot stand brengen van een, in stedenbouwkundig en landschappelijk opzicht, samenhangend bebouwingsbeeld. Bij afwijking van de maatvoeringseisen zal hierop worden gelet. Voorts moet in zijn algemeenheid verstening van het buitengebied zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit geldt met name in relatie tot toegevoegde functies. Woonsituatie: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het in stand houden c.q. garanderen van een redelijke lichttoetreding en een redelijk uitzicht, alsmede de aanwezigheid van voldoende privacy. Verkeersveiligheid: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het in stand houden c.q. tot stand brengen van een verkeersveilige situatie.
- Sociale veiligheid: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient voorkomen te worden dat een ruimtelijke situatie ontstaat die onoverzichtelijk, onherkenbaar en niet sociaal controleerbaar is. Milieusituatie: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient bij de situering en omvang van milieubelastende functies erop te worden gelet dat de mogelijke uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt. Openbare nutsleidingen: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met
•
•
•
een doelmatig en veilig functioneren van nutsleidingen. Dit dient, waar nodig, te resulteren in het aanhouden van het bouwvrije afstand en met name voor hoofdtransportleidingen. Gebruiksmogelijkheden: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de gebruiksmogelijkheden binnen andere bestemmingen, indien deze daardoor kunnen worden beïnvloed. Landschappelijke waarden: ten aanzien van de plaats en afmetingen van bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het in stand houden c.q. het tot stand brengen van de landschappelijke waarden van het buitengebied. Natuurlijke waarden: ten aanzien van de plaats en afmetingen van bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het in stand houden c.q. het tot stand brengen van de natuurlijke waarden van het buitengebied. Cultuurhistorische waarden: ten aanzien van de plaats en afmetingen van bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het in stand houden c.q. het herstel van de cultuurhistorische c.q. archeologische en cultuurhistorische waarden van het buitengebied.
Bijlage 2 Aanvullend ecologisch onderzoek
Bestemmingsplan Biddinghuizen - Spijkw eg 51 Pagina 33 van 157
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg In het kader van de Wet Natuurbescherming - soortenbescherming
Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier
november 2022 rapportnummer: 221658
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg Beknopt overzicht van de inventarisatiegegevens in het kader van de Wet Natuurbescherming – soortenbescherming
In opdracht van: Vitens N.V Postbus 1205 8001 BE ZWOLLE Contactpersoon: Dhr. P. Berends Uitgevoerd door: Ecologisch Adviesbureau Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Onderzoeksgroepen: Onderzoeksmethodiek:
Vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en steenuil Auditieve (batdetector Pettersson D240x, D500x, batlogger M en Anabat Walkabout), geluidsnabootsing en visuele inspectie. Nachtkijker Pulsar Helion XP50 Pro.
Auteur: B. Voerman Collegiale toetsing: K. Weiland Veldwerk: R. Papendorp, K. Weiland, F. Kouters en B. Voerman Datum:
November 2022
Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Foto voorzijde: PB Bremerberg met de twee te slopen filtergebouwen. Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie.
2
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
INHOUD 1. AANLEIDING EN DOEL ................................................................................... 4 2. INVENTARISATIEOPZET ................................................................................. 5 2.1 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................. 5 2.2 Doel onderzoek .......................................................................................................... 6 2.3 Volledigheid inventarisatie ............................................................................................ 7 3. ONDERZOEKSRESULTATEN .............................................................................. 9 3.1 Steenuilonderzoek ...................................................................................................... 9 3.2 Eekhoorn en kleine marterachtigen ................................................................................. 10 3.3 Vleermuizen............................................................................................................. 12 4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING ..................................... 15 4.1 Algemeen ................................................................................................................
16 4.2 Ingreep................................................................................................................... 16 4.3 Effecten en toetsing Wet Natuurbescherming ..................................................................... 17 4.3.1 Vogels .............................................................................................................. 17 4.3.2 Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 17 4.3.3 Vleermuizen ....................................................................................................... 17 5. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ....................................................................... 19 LITERATUUR .............................................................................................. 20
BIJLAGEN ................................................................................................. 21 BIJLAGE 1: VERSPREIDINGSKAART VLEERMUIZEN ......................................................... 22 BIJLAGE 2: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .......................................... 22
3
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
1. AANLEIDING EN DOEL Vitens is voornemens verschillende gebouwen te slopen op productiebedrijf (PB) Bremerberg aan de Spijkweg 5 in Biddinghuizen. Zo zullen er 2 forse filtergebouwen worden vervangen en een voormalig drinkwaterreservoir en 3 garageboxen worden gesloopt. Daarnaast zal de bestaande streng met winputten worden uitgebreid door het boren van enkele nieuwe winputten tussen de bestaande putten. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, dat is opgenomen in de Wet Natuurbescherming, is in december 2021 een quickscan natuuronderzoek op de locatie uitgevoerd voor het in kaart brengen van mogelijke effecten op flora en fauna1. Middels dit onderzoek is een indruk verkregen van de mogelijke waarden van het gebied voor flora en fauna. Uit de onderzoeksgegevens bleek dat er met betrekking tot vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en vogels categorie 1-4 te weinig gedetailleerde gegevens voorhanden waren om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen welke gevolgen de voorgenomen ontwikkelingen hebben op voornoemde soorten en soortroepen. Hierdoor is nader onderzoek uitgevoerd naar de functie van het gebied en de aanwezige gebouwen binnen het Productiebedrijf voor deze soorten. Om de functie van het gebied voor vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en vogels categorie 1-4 in kaart te kunnen brengen, is nader onderzoek uitgevoerd in de periode maart tot oktober 2022.
Hierbij zijn verspreid over het zomerhalfjaar verschillende inventarisaties uitgevoerd door deskundigen op het gebied van de te inventariseren soorten. Onderliggend rapport is opgesteld als addendum bij de opgestelde quickscanrapport. Voor algemene beschrijvingen en afwegingen van overige soortgroepen wordt naar de betreffende quickscanrapportage verwezen. Tijdens het aanvullend ecologische onderzoek in 2022, is als doel gesteld de volgende vragen te kunnen beantwoorden: Welke (beschermde) soorten maken gebruik van de locatie; Welke functie heeft het gebied voor betreffende soorten; Wordt bij de uitvoer van de ingrepen de Wet Natuurbescherming overtreden. Deze rapportage beschrijft de bevindingen van het aanvullend ecologische onderzoek.
1 Kouters, F. 2021. Toetsing Wet Natuurbescherming - Sloop en nieuwbouw PB Bremerberg. Rapportnummer: 211460
VS2. Ecochore Natuurtechniek. Ecochore Natuurtechniek
4
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
2. INVENTARISATIEOPZET Tijdens verschillende bezoeken in 2022 is het plangebied geïnventariseerd op vogels categorie 1-4, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. De toegepaste onderzoeksmethoden worden in dit hoofdstuk nader toegelicht. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van de (mogelijk) aanwezige soorten (zie Tabel 1). Gezien de grootte van het plangebied en de onderzoeksinspanning wordt verwacht dat er geen soorten en essentiële functies zijn gemist. bezoekdata
starttijd
weersgesteldheid
hoofdonderzoek
01-03-2022
16:00
bewolking 4/8, windkracht 1 Bft ZO, 8 ºC
vleermuizen – winterverblijf
20-04-2022
20:30
bewolking 0/8, windkracht 2 Bft NO, 14 ºC
steenuil
21-04-2022
09:00
bewolking 0/8, windkracht 2 Bft NO, 10 ºC
steenuil kastcontrole
29-05-2022
21:45
bewolking 6/8, windkracht 1 Bft NW, 14 ºC
steenuil
22-06-2022
22:00
bewolking 0/8, windkracht 1 Bft NO, 25 ºC
21-04-2022
09:00
bewolking 0/8, windkracht 2 Bft NO, 10 ºC
22-06-2022
22:00
bewolking 0/8, windkracht 1 Bft NO, 25 ºC
23-08-2022
23:00
bewolking 4/8, windkracht 1 Bft ZW, 28 ºC
29-05-2022
21:45
bewolking 6/8, windkracht 1 Bft NW, 14 ºC
22-06-2022
22:00
bewolking 0/8, windkracht 1 Bft NO, 25 ºC
23-06-2022
hele nacht
bewolking 4/8, windkracht 2 Bft NO-ZO, 20-13 ºC
23-08-2022
23:00
bewolking 4/8, windkracht 1 Bft ZW, 22-15 ºC
15-09-2022
20:15
bewolking 8/8, droog, windkracht 1 NW, 18-13 ºC
25-09-2022
20:00
bewolking 4/8, droog, windkracht 1 NW, 16-12 ºC
steenuil grondgebonden zoogdieren en horsten Cameravallen geplaatst Cameravallen opgehaald vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – kraam/zomer vleermuizen – balts en massazwerm vleermuizen – balts en massazwerm vleermuizen – balts
Tabel 1. Bezoekdata en weersgesteldheid. Het veldwerk is uitgevoerd door: K. Weiland, R. Papendorp, F. Kouters en B. Voerman.
2.1 Onderzoeksmethodiek Iedere dier- en plantengroep behoeft een eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soorten of groepen. Hieronder wordt de onderzoeksmethode van de onderzochte groepen beschreven zoals uitgevoerd in het plangebied dat is weergegeven in figuur 1. Vogels categorie 1-4 Het onderzoek naar vogels categorie 1-4, was voornamelijk gericht op het in kaart brengen van een mogelijk territorium van steenuil. Daarnaast zijn de te kappen houtopstanden en de houtopstanden in de directe omgeving van de werkzaamheden, gecontroleerd op aanwezige nestlocaties van de overige categorie 2-4 soorten. Het onderzoek naar steenuilen (categorie 1 soort) is uitgevoerd middels enkele gerichte bezoeken aangevuld met waarnemingen tijdens de onderzoeksmomenten naar vleermuizen. Hierbij is voornamelijk gezocht naar territoriale dieren (territoriumkartering), nestindicerend gedrag en sporen als nesten, braakballen, veren en uitwerpselen. Door deze methode, onderbouwd met de verkregen verspreidingsinformatie en literatuuronderzoek, kan worden gesteld dat een goed beeld van deze soort in het plangebied is verkregen. Ecochore Natuurtechniek
5
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
De territoriumkartering is uitgevoerd door op verschillende momenten middels geluidsnabootsing in de directe omgeving te zoeken naar territoriale steenuilen. Hierbij is geluid (territoriaal-balts) gebruikt waarvan de ervaring is dat steenuilen hier goed op reageren. Aanvullend is de nestkast gecontroleerd op sporen van gebruik door steenuil. Tijdens alle onderzoeksmomenten is gezocht naar sporen of aanwijzingen van deze soort binnen het plangebied. Grondgebonden zoogdieren Voor dit onderzoek lag de nadruk op de soorten eekhoorn en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). Voor deze soorten is gericht gezocht naar sporen als prenten, uitwerpselen, geur, latrines, prooiresten, boomnesten ed. Aanvullend is gebruik gemaakt van cameravallen en struikrover© om de aan- of afwezigheid van kleine marterachtigen in kaart te brengen. De wildcamera’s zijn op verschillende plekken aangebracht waarbij het doel was om passerende dieren vast te leggen. Bij de struikrover’s© is gebruikgemaakt van een lokmiddel (sardientjes in visolie). De opnameapparatuur heeft 2 maanden onafgebroken in het plangebied gelegen. Tijdens tussentijds vleermuisonderzoek zijn de batterijen en SD kaarten verwisseld. Vleermuizen Voor het in kaart brengen van vleermuizen is zowel visueel als auditief geïnventariseerd.
Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x, D500x, Batlogger M en Anabat Walkabout) is de echolocatie, die vleermuizen uitzenden, voor ons hoorbaar gemaakt. Wanneer op basis van frequentie, klank en ritme niet met 100% zekerheid de soort bepaald kon worden, is een opname gemaakt. Door middel van de computerprogramma’s Batsound, Batexplorer en Kaleidoscoop, is een nadere analyse uitgevoerd. Door de dieren ook zoveel mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en is het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld. Dit onderzoek is specifiek gericht op het in kaart brengen van verblijfplaatsen, soortsamenstelling en gebiedsgebruik. De voorzomerbezoeken zijn uitgevoerd voor het in kaart brengen van eventuele kraam- en zomerverblijven. Hiervoor zijn zowel enkele avondbezoeken als een ochtend- en nachtbezoek uitgevoerd. Tijdens de nazomerronden lag de nadruk op het in kaart brengen van balts- en paarlocaties en indicaties voor winterverblijven. Op 1 maart is samen met de terreinbeheerder van Vitens Dhr. J. Hop, een gericht dagbezoek uitgevoerd naar mogelijk winterslapende vleermuizen in het te slopen drinkwaterreservoir In de nacht van 22-23 juni is het onderzoek de gehele nacht uitgevoerd. Hierbij is vanaf zonsondergang tot zonsopkomt in het gebied onderzoek uitgevoerd.
Het ochtendbezoek is uitgevoerd vanaf enkele uren voor zonsopkomst tot zonsopkomst. De avondbezoeken in het voorjaar zijn gestart ruim voor zonsondergang tot enkele uren hierna. De bezoeken in augustus en september zijn in de nachtelijke uren uitgevoerd. Op 23 augustus is vanaf 23:00 uur tot zonsopkomst gepost. Het bezoek op 12 september is vanaf zonsondergang tot 02:00 uur uitgevoerd. Beide bezoeken waren gericht op het in kaart brengen van middernachtzwermactiviteit, baltsende dieren en afgestemd op meervleermuis. Het onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd door 2-3 vleermuisonderzoekers per onderzoeksmoment. De gebruikte methoden zijn gebaseerd op het vleermuisprotocol 2021 zoals opgesteld door het Netwerk Groene Bureau, Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging.
2.2 Doel onderzoek In het onderzoek is beoordeeld of populaties van de onderzochte soorten binnen het PB aanwezig zijn. Daarbij is gericht gezocht naar de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen binnen de te ontwikkelen gebiedsdelen. Aan de hand van deze bevindingen is bepaald welke consequenties de werkzaamheden hebben of kunnen hebben op de feitelijke verblijfplaatsen en het duurzaam voortbestaan van de lokale populaties en individuen. Voor vleermuizen en vogels geldt een uitgebreide toetsing indien vaste verblijfplaatsen, rustlocaties en broedlocaties worden aangetast. Deze toetsing wordt gehanteerd bij aanvragen voor ontheffingen of omgevingsvergunningen. Door het uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende vragen worden beantwoord.
Ecochore Natuurtechniek
6
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
Beoordelingskader: In welke mate wordt de functionaliteit van de vaste voortplantingsplaats en rusten / of verblijfplaats aangetast door de voorgenomen activiteiten? Is er een wettelijk belang? Eén van de volgende belangen moet gelden voor vogels: o bescherming van flora en fauna (b) o veiligheid van het luchtverkeer (c) o volksgezondheid of openbare veiligheid (d) Eén van de volgende belangen moet gelden voor vleermuizen: o in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; o ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; o in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; o voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of o om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een
beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; Is er een andere bevredigende oplossing voor de volgende zaken: o de locatie o de inrichting op de locatie o de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Komt de gunstige staat van instandhouding van de landelijke populatie niet in gevaar? Deze onderzoeksvragen zijn opgesteld door het voormalige ministerie van EL&I en beschreven in de soortenstandaarden van betreffende soorten. Sinds juli 2017 zijn de soortenstandaarden vervangen door kennisdocumenten per diersoort. In deze kennisdocumenten is eveneens de onderzoeksinspanning geformuleerd om gefundeerde uitspraken te kunnen doen omtrent aan- of afwezigheid en functionaliteit van het gebied voor betreffende soorten. Het uitgevoerde onderzoek is op deze kennisdocumenten, in combinatie met de broedvogelmonitoringshandleiding van SOVON en het vleermuisprotocol 2021, gebaseerd. De huidige kennisdocumenten zijn vrij via internet verkrijgbaar via https://www.bij12.nl/. In de tabel 1 zijn de specificaties van de onderzoeksmomenten weergegeven. Tijdens alle onderzoekmomenten is gezocht naar aanwijzingen van alle te onderzoeken beschermde soorten. In tabel 1 is in de laatste kolom weergegeven welke soortgroep als basis van de betreffende onderzoeksronde diende.
2.3 Volledigheid inventarisatie Het onderzoek is in de basis volgens de genoemde protocollen uitgevoerd. Een inventarisatie blijft echter uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet zijn waargenomen, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet Natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht, zie kader bijlage 2) van de Wet Natuurbescherming. Wat betreft het (voor)onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Wel moet hierbij worden opgemerkt dat de houdbaarheid van verspreidingsgegevens aan een maximale periode zijn gebonden. Voor de verspreidingsgegevens van licht Ecochore Natuurtechniek
7
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
beschermde soorten, of het juist ontbreken hiervan, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd, zoals de meeste gegevens in het quickscanrapport. Voor zwaar/Europees beschermde soorten als vleermuizen en vogels geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te gebruiken bij ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch verandert waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld.
Figuur 1. Ligging onderzoeksgebied. Bron: Google Earth.
Inzet: Globale begrenzing plangebied Te slopen gebouwen Te rooien houtopstand met te slopen voormalige drinkwaterkelder Ecochore Natuurtechniek
8
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het onderzoek beschreven. De verspreidingskaart van de aangetroffen soorten is opgenomen in bijlage 1 tenzij bij de tekst opgenomen. In het volgende hoofdstuk (4) worden de wettelijke consequenties en aanbevelingen beschreven.
3.1 Steenuilonderzoek en vogelnesten categorie 2-4 In de houtopstand op de te slopen kelder, is tijdens het quickscan onderzoek een steenuilkast vastgesteld. Daarnaast vormt het plangebied door de kleinschaligheid met struwelen, houtopstanden, grasvelden en waterpartijen een potentieel geschikt leefgebied voor deze soort. Hierdoor is naar deze soort nader onderzoek uitgevoerd. In de gebouwen zijn nauwelijks geschikte broedmogelijkheden voorhanden. Met name de twee grote te slopen filtergebouwen hebben geen geschikte openingen die toegang kunnen geven tot een mogelijke broedlocatie. Met behulp van geluidsnabootsing is in de omgeving gezocht naar territoriale steenuilen. Hierbij is op verschillende plekken tot een ruime afstand vanaf de planlocatie, het geluid afgespeeld waarna geruime tijd is gewacht om eventuele respons te horen. De directe omgeving is grotendeels te bebost om als geschikt leefgebied te functioneren. Hierdoor is het verspreidingsonderzoek met name nabij het PB uitgevoerd. Er is bewust niet direct binnen het plangebied middels geluid onderzocht om mogelijke verstoring te voorkomen. De telpunten zijn zoveel mogelijk gekozen op enige afstand van potentieel geschikte nestlocaties, bijvoorbeeld de omgeving van het strandpaviljoen – zie figuur 2. Tijdens het onderzoek met geluidsnabootsing, zijn in de omgeving geen territoriale steenuilen gehoord.
Binnen het plangebied is eveneens geen steenuil vastgesteld. Ook tijdens vleermuisonderzoek zijn geen waarnemingen van steenuilen verricht. Daarnaast zijn binnen het plangebied eveneens geen sporen van deze soort gevonden. Naar aanleiding van deze bevindingen is besloten een gerichte kastcontrole uit te voeren. De voorkant van de kast ontbrak waardoor het een open pijp betrof. In de kast zijn nestsporen aangetroffen van duiven bestaande uit duivenmest en takmateriaal – zie foto 1. Er zijn geen sporen van steenuilen aangetroffen. Gezien het nestmateriaal, de aanwezige sporen en het geheel ontbreken van waarnemingen gedurende het (vleermuis)onderzoek, is vastgesteld dat de kast in gebruik is geweest door vermoedelijk holenduif. Hierdoor kan gebruik door steenuil met zekerheid worden uitgesloten.
Figuur 2: Tellocaties steenuilen. - telpunt met geluidsnabootsing - locatie steenuilkast Ecochore Natuurtechniek
9
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
Foto 1: Steenuilkast met sporen van holenduif.
Vogelnesten categorie 2-4 Voor deze soorten is op 1 maart en 24 april in de te kappen houtopstanden en in houtopstanden nabij geplande werkzaamheden, gericht gezocht naar boomnesten. Tijdens deze bezoekmomenten waren de bomen niet of nauwelijks in blad waardoor de kronen goed overzichtelijk waren. Er zijn hierbij geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 2-4) aangetroffen.
3.2 Eekhoorn en kleine marterachtigen Eekhoorn Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor eekhoorn. Hierdoor is op 1 maart en 24 april in de te kappen houtopstanden en in houtopstanden nabij geplande werkzaamheden, gericht gezocht naar boomnesten van deze soort. Tijdens deze bezoeken waren de bomen niet of nauwelijks in blad waardoor de kronen goed overzichtelijk waren. Er zijn geen eekhoornnesten vastgesteld. Tijdens overige onderzoeken zijn eveneens geen eekhoorns waargenomen. Desondanks kunnen in de omringende bossen en houtopstanden eekhoorns aanwezig zijn waardoor deze binnen het PB foeragerend zijn aan te treffen. Het plangebied blijft echter geheel functioneren als foerageergebied. Kleine marterachtigen Binnen het plangebied is gericht gezocht naar sporen en activiteit van marterachtigen, in het bijzonder wezel, hermelijn en bunzing. Ook tijdens de inventarisaties naar vleermuizen is aandacht besteed aan deze soorten. Dit onderzoek was met name gericht op de ontwikkelingen binnen de houtopstand op de aanwezige kelder. Doordat dit deel gerooid zal worden, is hier aantasting van mogelijke verblijfplaatsen niet uit te sluiten. De overige verspreid aanwezige camera’s zijn aanvullend geplaatst om aanwezigheid binnen het plangebied te kunnen vaststellen – zie figuur 3 en foto’s 2 en 3.
Op de verschillende opgestelde camera’s en struikrover’s© zijn geen opnamen van marterachtigen vastgelegd. Het struweel op de kelder (zie foto 5) is vrij dicht en niet op alle delen goed doordringbaar. Er is gericht gezocht naar sporen die kunnen duiden op aanwezigheid van Ecochore Natuurtechniek
10
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
marterachtigen. Deze zijn niet gevonden. Ook tijdens overige onderzoeksmomenten zijn geen waarnemingen van kleine marterachtigen verricht. Op een cameraval, geplaatst door Vitens (R. van Assema), is in 2021 een mannetje steenmarter binnen het PB vastgesteld. Deze soort is in 2022 niet aangetroffen. Ook zijn geen verblijfplaatsen of sporen vastgesteld.
Figuur 3: Locatie opgestelde lifetraps. - locatie cameraval - locatie struikrover©
Foto 2: Een van de geplaatste struikrovers©.
Foto 3: Een van de geplaatste cameravallen.
Overige vastgestelde soorten op lifetraps Op de lifetraps zijn verschillende diersoorten vastgelegd. Dit betreft de soorten: Vos Bosmuis Egel Ree Huiskat – verwilderde kat Grote bonte specht Merel Witte kwikstaart Spreeuw Zanglijster Ecochore Natuurtechniek
11
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
Foto 4: Een van de vele nachtopnamen van een foeragerende vos.
Foto 5: Te rooien houtopstand op de voormalige drinkwaterkelder
3.3 Vleermuizen Gezien de ecochore2 van het plangebied en de ecologie van verschillende soorten vleermuizen, kon worden aangenomen dat het plangebied een onderdeel vormt in het leefgebied van verschillende soorten. Binnen het plangebied vormen met name de gebouwen potentieel geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen. Bomen met voor vleermuizen geschikte holten zijn binnen de te kappen hoputopstand nauwelijks aanwezig. In de omringende houtopstanden zijn welk enkele licht ingerotte takwonden aanwezig. Voor diep ingerotte takwonden als geschikte vleermuisverblijven zijn de opstanden veelal te jong. Hierdoor lag de nadruk van het onderzoek op het in kaart van verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten en de functies van het PB van alle soorten. Door de ligging grenzend aan het Veluwerandmeer was het onderzoek eveneens afgestemd op mogelijke aanwezigheid van ruige dwergvleermuis en meervleermuis. Gedurende het onderzoek zijn 6 soorten vleermuizen aangetroffen: Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Meervleermuis (Myotis dascyneme) Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Hieronder worden de resultaten per soort en per functie behandeld. In bijlage 1 is een verspreidingskaart weergegeven met daarop de waargenomen vleermuizen en gebiedsfuncties.
Vleermuiskelder Op 1 maart is de te slopen oude drinkwaterkelder onderzocht op mogelijk aanwezige vleermuizen. Hoewel de kelder toegankelijk is gemaakt voor vleermuizen door een gat in de deur – zie foto 6, zijn geen vleermuizen of sporen hiervan in de kelder aangetroffen. In de opening was eveneens spinrag aanwezig wat recent gebruik door vleermuizen kon uitsluiten. De hangmogelijkheden voor vleermuizen waren echter ook nauwelijks aanwezig. De kelder is geheel glad afgewerkt en droog waardoor voor vleermuizen geen geschikte kieren en mogelijkheden voorhanden zijn - zie foto 7. Er zijn dan ook geen vleermuizen aangetroffen.
2 Een ecochore is een ruimtelijk begrensde ecologische eenheid, gekenmerkt door een inwendige heterogeniteit in
een halfnatuurlijk of cultuurlandschap. Een ecochore bestaat uit een verzameling ecotopen; bijvoorbeeld de verschillende aan elkaar grenzende ecotopen op en rond een erf of binnen een specifiek landschaptype. Samen vormen deze ecotopen een gevarieerd landschap. Ecochore Natuurtechniek
12
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
Een deel van het ondergrondse bouwwerk is wel in gebruik als reinwaterkelder. Deze kelder is echter geheel dicht met slechts 1 toegangsdeksel – zie foto 8. Dit deksel is hermetisch afgesloten waardoor overwinterende vleermuizen niet in dit deel kunnen komen. Voor zover mogelijk is dit deel wel geïnspecteerd. Er zijn echter geen vleermuizen aangetroffen.
Foto 6: Ingang naar de kelder. Foto 7: binnenzijde voormalige dinkwaterkelder. Alle wanden zijn zeer glad met zeer weinig wegkruipmogelijkheden. Alles was goed overzichtelijk.
Foto 8: Enige toegang tot nog het waterhoudende deel van de kelder. Dit deksel sluit hermetisch af.
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Deze soort is tijdens alle bezoeken binnen en rondom het plangebied aangetroffen. De soort is vrij windgevoelig waardoor foeragerende en ‘op route’ zijnde dieren afhankelijk zijn van geleidende elementen als houtopstanden en gebouwen. Tijdens de avondbezoeken worden de eerste dieren circa 15 minuten na zonsondergang waargenomen. Van verschillende dieren is vastgesteld dat deze afkomstig zijn vanaf het noordoosten via de open zone langs de winputtenstreng – zie foto 9. Ook wordt door verschillende individuen gefoerageerd boven de spoelvijvers. Het aantal getelde vanaf het noordoosten binnenkomende gewone dwergvleermuizen betrof op 22 juni minimaal 8 dieren. Gezien de ligging van een vrij uitgestrekt bos en het ontbreken van bebouwing op korte afstand is de herkomst onduidelijk. De op-route zijnde dieren zijn tot een groot deel langs het winputtenstreng herleid. Een verblijfplaats moet echter verder naar het oosten worden gezocht. Lange tijd wordt door de dieren gefoerageerd binnen het Pb. De meeste dieren verlaten echter het plangebied na enige tijd. Gedurende de avonden en de nacht zijn slechts enkele waarnemingen van deze soort gedaan. Bij de ochtendtelling zijn slechts 2 dieren op-route richting het oosten vastgesteld; beide zonder specifieke binding met het plangebied. Ecochore Natuurtechniek
13
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
Tijdens de avondronden zijn bij de gebouwen geen uitvliegende dieren vastgesteld. Ook zijn geen zwermende en inkruipende dieren tijdens de nacht of de ochtenduren vastgesteld. Gezien het bovenstaande kunnen zomerverblijven en kraamverblijven worden uitgesloten.
Foto 9: winputtenstreng als vliegroute van gewone dwergvleermuis
Tijdens de nazomerronden, zijn twee intensief baltsend mannetjes gewone dwergvleermuis binnen het plangebied waargenomen. Doordat gewone dwergvleermuizen baltsvluchten uitvoeren en daardoor in een vrij ruime omgeving kunnen worden aangetroffen, zijn met behulp van een nachtcamera de baltsvluchten zo goed mogelijk is kaart gebracht. Een van de baltsvluchten was nabij een van de filtergebouwen. Met name op 23 augustus is hier vastgesteld dat een baltsend mannetje een andere gewone dwergvleermuis, vermoedelijk een vrouwtje, naar de muur lokte door hier regelmatig tegenaan te vliegen, nabij de dakrand. Hierdoor kan deze plek als paarverblijf worden aangemerkt. Een ander territorium werd ingenomen rondom het gebouw van de spoelwaterverwerking bij de spoelvijvers. Hier werd urenlang rondom het gebouw gebaltst. Een exacte paarlocatie is ondanks intensief posten niet vastgesteld. In de nazomer is meermalen rond middernacht gepost om eventuele activiteit van middernachtzwermen vast te kunnen stellen. Dit gedrag is niet vastgesteld. Ondanks de potentiële geschiktheid kan een massawinterverblijf worden uitgesloten. Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Deze soort is in de voorzomer alleen in de nacht van 22-23 juni vastgesteld. Rond 01:00 uur was een individu enige tijd foeragerend aanwezig.
Er zijn geen waarnemingen gedaan van uitvliegende of zwermende dieren waardoor een zomerverblijf niet aanwezig is. Tijdens de najaarsronden is de soort wel intensief waargenomen. Hierbij zijn op twee locaties intensief baltsende mannetjes vastgesteld. Op 1 van deze locaties is de soort invliegend waargenomen – zie foto 10. Hier werd ook lange tijd gebaltst. Later in de nacht is een stationair baltsend mannetje aan de andere zijde van het gebouw waargenomen. Ook hier werd lange tijd gebaltst. Hoewel het mogelijk is dat het hetzelfde mannetje betreft, is het wel zeker dat er twee verschillende balts-/paarlocaties aanwezig zijn. Laatvlieger (Eptesicus serotinus) Deze soort is slechts éénmaal in de nacht van 22-23 juni binnen het PB vastgesteld. Het betrof een waarneming van een kort foeragerend individu. Tijdens het onderzoek is geen enkele binding met een van de gebouwen vastgesteld. Doordat de soort slechts eenmaal is vastgesteld en niet op de stationaire batloggers nabij de gebouwen is opgenomen, kan een verblijfplaats binnen het PB worden uitgesloten.
Ecochore Natuurtechniek
14
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Deze soort is meermalen boven het PB gehoord. Alle waarnemingen betroffen overvliegende dieren zonder binding met het plangebied. Foerageergedrag is binnen het PB niet vastgesteld. Een verblijfplaats van deze voornamelijk boombewonende soort is in een van de gebouwen of de te kappen houtopstand uitgesloten. Meervleermuis (Myotis dasycneme) Vanaf het plangebied zijn enkele waarnemingen gedaan van foeragerende meervleermuizen. De waargenomen dieren waren op enige afstand langs de zuidrand van het plangebied en hadden daardoor geen binding met het PB. Het onderzoek is voor een groot deel uitgevoerd conform de voorschriften in het vleermuisprotocol voor het in kaart brengen van meervleermuis. Ondanks deze extra inspanning is deze soort niet in relatie tot het plangebied vastgesteld. In de gebouwen kan een verblijfplaats worden uitgesloten. Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Van deze soort is 1 opname gemaakt in het zuidoostelijke deel langs de bosrand. De soort is hier ruim 2,5 uur na zonsondergang waargenomen. Tijdens overige bezoeken is de soort hier niet meer gehoord. Een verblijf in de gebouwen of in de te rooien houtopstand is uitgesloten.
Foto 10. Inkruipend mannetje ruige dwergvleermuis in baltslocatie.
10A-B-C aanvliegend mannetje ruige dwergvleermuis net voor inkruipen in verblijfplaats. Ecochore Natuurtechniek
15
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
4. TOETSING SOORTENBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING 4.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn.
De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 2.
4.2 Ingreep Vitens is voornemens op PB Bremerberg diverse werkzaamheden uit te voeren. Hieronder zijn de voornaamste werkzaamheden opgenomen – zie voor ligging van de elementen figuur 1. Sloop oude filtergebouwen Sloop van de spoelwaterverwerking Saneren van infiltratievijvers (uitbaggeren van het ijzerslib) Sloop oud drinkwaterreservoir (huidige vleermuiskelder) Sloop 3 garageboxen Herinrichting van het gebied Nieuwbouw van zuiveringsgebouwen en spoelwaterverwerking Kappen van houtopstand ten behoeve van nieuwbouw Realisatie van 8 nieuwe winputten verspreid over het gehele terrein Voor de sloop van het oude drinkwaterreservoir, huidige vleermuiskelder, dient de houtopstand te worden gerooid. Daarnaast kan het mogelijk zijn dat voor de sloop van de gebouwen of bereikbaarheid voor het boren van putten een enkele boom gerooid moet worden. De werkzaamheden zullen niet plaatsvinden in de andere houtopstanden. De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ontwikkeling en Ingrepen. Op deze definitie is de afweging in het kader van de Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 4) gebaseerd. Ecochore Natuurtechniek
16
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
4.3 Effecten en toetsing Wet Natuurbescherming In het kader van de Wet Natuurbescherming is getoetst aan verschillende artikelen. Met name de onderstaande artikelen zijn hierbij van toepassing. Artikel 3.1 lid 2 van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Artikel 3.5 lid 4 van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van soorten van de Europese Habitatrichtlijn. Artikel 3.10 lid 1b van de Wet Natuurbescherming, verbiedt onder andere het vernietigen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van nationaal beschermde soorten. Gezien het bovenstaande en de voorgenomen maatregelen, lag de nadruk van het onderzoek op het in kaart brengen van mogelijk aanwezige nesten van vogels (categorie 14-soorten) en vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren en vleermuizen.
4.3.1 Vogels Er zijn binnen het onderzochte gebied geen nestlocaties van categorie 2-4 vogelsoorten vastgesteld waardoor geen nadere maatregelen ten aanzien van deze soorten noodzakelijk zijn. De steenuilkast is niet in gebruik door een steenuil. Ook in de gebouwen of andere plekken binnen het PB is geen nestlocatie van deze soort aanwezig waardoor geen nadere maatregelen noodzakelijk zijn.
4.3.2 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen of sporen van grondgebonden zoogdieren verricht. Hoewel het gebied en de ruime omgeving geschikt is voor deze soorten, is het door het ontbreken van waarnemingen niet aannemelijk dat er een verblijfplaats binnen de te kappen houtopstand en directe omgeving aanwezig is. Hierdoor zijn geen nadere maatregelen of ontheffing noodzakelijk. Het plangebied zal wel blijven functioneren voor eventueel foeragerende dieren.
4.3.3 Vleermuizen Tijdens het uitgevoerde vleermuisonderzoek zijn 6 vleermuissoorten binnen en rondom het PB waargenomen. Van 2 soorten zijn vaste verblijfplaatsen in een van de filtergebouwen en in het gebouw van de spoelwaterverwerking vastgesteld. Het betreft verblijven van: Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
– 2 paarlocaties – 2 paarlocaties
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd waardoor het verwijderen of aantasten niet zonder ontheffing van de Wet Natuurbescherming is toegestaan. Bij mogelijke aantasting van een verblijfplaats is het eveneens noodzakelijk om gerichte maatregelen te treffen om vermindering in het aanbod aan verblijfplaatsen te voorkomen en de aanwezige populatie vleermuizen te behouden. Dit geldt zowel tijdens de werkzaamheden als in de nieuwe situatie. Hierdoor is het van belang de juiste mitigerende en compenserende maatregelen te treffen. Door de voorgenomen sloop van de gebouwen zullen de 4 verblijfplaatsen verdwijnen. Hierdoor is het aanvragen van een ontheffing van de Wet Natuurbescherming, gecombineerd met het treffen van compenserende en mitigerende maatregelen, noodzakelijk. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Ecochore Natuurtechniek
17
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
NB: in een van de twee filtergebouwen zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Doordat de bouw van beide gebouwen echter overeenkomstig is, is het niet ondenkbaar dat de aangetroffen dieren kunnen wisselen tussen beide gebouwen. Hierdoor dient het slopen van de beide filtergebouwen als één handeling te worden beschouwd. Hierdoor zijn de maatregelen zoals deze zullen voortvloeien uit de te verlenen ontheffing op beide gebouwen van toepassing. Dit betreft met name de methode van slopen ten aanzien van mogelijk aanwezige vleermuizen. Voor compenserende en mitigerende maatregelen moet worden gedacht aan het aanbrengen van tijdelijke en permanente nieuwe verblijfplaatsen in de directe omgeving of mogelijk in de nieuw te bouwen zuiveringsgebouwen en spoelwaterverwerking. Voor de overige vleermuissoorten is het plangebied in meer of minder mate van belang. Gezien de ruime omgeving rondom het PB met bossen, water, paden en lanen, zal het gebied niet als essentieel zijn aan te merken. Daarbij kan worden opgemerkt dat de functies om te foerageren en als vlieggeleiding behouden zullen blijven. Hierdoor zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk. Wel is het van belang met het aanbrengen en gebruik van verlichting rekening te houden met vleermuizen en overige nachtactieve dieren. Dit geldt zowel voor het gebruik van bouwverlichting als het toepassen van verlichting in de nieuwe situatie.
Ecochore Natuurtechniek
18
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
5. CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN Dit addendum is geschreven als aanvulling op een quickscanonderzoek zoals in de inleiding is aangegeven. Tijdens het aanvullende onderzoek is onderzoek verricht naar de functie van het plangebied voor steenuil, categorie 2-4 vogelsoorten, kleine marterachtigen, eekhoorn en vleermuizen. Steenuil en categorie 2-4 vogelsoorten Van deze soorten zijn geen nestlocaties binnen het plangebied aanwezig. Hierdoor zijn geen ontheffing of nadere maatregelen noodzakelijk. Kleine marterachtigen en eekhoorn Van deze soorten zijn geen vaste verblijdplaatsen binnen de te ontwikkelen gebiedsdelen aanwezig. Hierdoor zijn geen ontheffing of nadere maatregelen noodzakelijk. Vleermuizen In een van de filtergebouwen en in de spoelwaterverwerkingsgebouw zijn verblijfplaatsen van gewone en ruige dwergvleermuis vastgesteld. Voor beide soorten dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd en moeten compenserende en mitigerende maatregelen worden getroffen. In totaal betreft het 4 verschillende balts/paarlocaties Volledigheid onderzoek Op de planlocatie zijn enkele natuuronderzoeken uitgevoerd. Samen geven deze onderzoeken een goed en volledig beeld van de aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten.
Aan de hand van de bevindingen van de onderzoeken, de samenstelling van de aangetroffen soorten en de onderzoeksinspanningen, kan worden gesteld dat er geen strikt beschermde soorten met een essentiële binding met de planlocatie zijn gemist. Hierdoor kan het natuuronderzoek ten aanzien van steenuil, kleine marterachtigen, eekhoorn en vleermuizen als volledig worden beschouwd. Gezien de bevindingen van het uitvoerde ecologisch onderzoek is voor een deel van de werkzaamheden een ontheffing noodzakelijk voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. De overige maatregelen kunnen zonder ontheffing worden uitgevoerd. Sloop oude filtergebouwen Sloop van de spoelwaterverwerking Saneren van infiltratievijvers Sloop oud drinkwaterreservoir Sloop 3 garageboxen Herinrichting van het gebied Nieuwbouw van zuiveringsgebouwen en spoelwaterverwerking Kappen van houtopstand ten behoeve van nieuwbouw Realisatie van 8 nieuwe winputten
Ecochore Natuurtechniek
ontheffing noodzakelijk ontheffing noodzakelijk geen ontheffing noodzakelijk geen ontheffing noodzakelijk geen ontheffing noodzakelijk geen ontheffing noodzakelijk geen ontheffing noodzakelijk geen ontheffing noodzakelijk geen ontheffing noodzakelijk
19
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
LITERATUUR Broekhuizen, S. (et al.). 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. K.N.N.V. Uitgeverij, Utrecht. Dienst Regelingen. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Heusden, W.R.M., S.J. Vreugdenhil. 2006. Handreiking Flora- en faunawet. Voor werkzaamheden en activiteiten in het kader van bestendig gebruik, bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Dienst Landelijk Gebied, Utrecht. Ministerie van LNV., 2005 (herzien 2009). Buiten aan het Werk. Houd tijdig rekening met beschermde planten en dieren! Brochure. http://www.minlnv.nl/portal/page?_pageid=116,1640321&_dad=portal&_schema=PORTAL &p_file_id=14765 (08-11-2010)]. Kouters, F. 2021. Toetsing Wet Natuurbescherming - Sloop en nieuwbouw PB Bremerberg. Rapportnummer: 211460 VS2. Ecochore Natuurtechniek. Sachteleben, J. & O. von Helversen, 2006. Songflight behaviour and mating system of the pipistrelle bat (pipistrellus pipistrellus) in an urban habitat. In: Acta Chiropterologica, 8(2): 391-401.
Internet www.vleermuizenindestad.nl www.vleermuis.net www.zoogdiervereniging.nl www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soortenontheffingen-wet-natuurbescherming/ www.flevoland.nl www.verspreidingskaart.nl www.ndff.nl www.rvo.nl – gedragscode voor drinkwaterbedrijven
Ecochore Natuurtechniek
20
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2:
Verspreidingskaart vleermuizen Toelichting Wet Natuurbescherming
Ecochore Natuurtechniek
21
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
BIJLAGE 1: VERSPREIDINGSKAART VLEERMUIZEN
Figuur 4. Verspreidingskaart waargenomen beschermde soorten. Het rode kader betreft het onderzochte plangebied. Legenda: - gewone dwergvleermuis - ruige dwergvleermuis - laatvlieger - rosse vleermuis - meervleermuis - gewone grootoorvleermuis
Stippen Pijlen/lijn Ster Bliksemschicht Stippellijn
- vleermuizen - losse waarnemingen (indicatief; de stippen geven een indruk van de dichtheid en verspreiding – (samenvatting van alle bezoeken) - foerageeractiviteit en vliegroutes. - zomerverblijfplaats – werfroepend mannetje - baltsvlucht
Ecochore Natuurtechniek
22
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg
BIJLAGE 2: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming.
Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.1 Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10 § 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. § 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3.
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ecochore Natuurtechniek
23
Addendum: Aanvullend ecologisch onderzoek Productiebedrijf Bremerberg Artikel 3.8 – lid 5 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 2. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 3.
Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 4. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.