17a722d4-1e4d-4e2c-a555-5053986656fa.pdf
Tekst van het document
Er zijn tijdens het onderzoek uitsluitend vogelsoorten in het plangebied vastgesteld, waarvan het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Om te voorkomen dat (jonge)vogels gedood worden of bezette nesten verstoord, beschadigd of vernield worden, dient de uitvoering van de voorgenomen activiteiten afgestemd te worden op de voortplanting van vogels. Omdat het enige tijd zal duren voordat de bebouwing gesloopt zal gaan worden, is geadviseerd de bebouwing in 2022 te onderzoeken op nestplaatsen van huismussen. Voor de meeste beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten,geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Omdat deze vrijstelling niet geldt voor wezel en hermelijn, wordt geadviseerd direct een ontheffing aan te vragen voor het doden en beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet (opzettelijk) gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten voor beschermde dieren niet af.
Vervolgens is nader onderzoek uitgevoerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen, nestplaatsen van huismussen en andere gebruiksfuncties van huismussen. Ook is gekeken naar steenmarters en egels tijdens het veldwerk. Het onderzoek is als bijlage 5 toegevoegd. Uit het uitgevoerde onderzoek is niet gebleken dat vleermuizen een verblijfplaats bezetten in de te slopen bebouwing. Wel nestelt één paar huismussen in de nok van één van de te slopen stallen. Er zijn geen steenmarters of egels in het plangebied waargenomen. Voor het verstoren en vernielen van rust- en verblijfsplaatsen van de huismus, de wezel en de hermelijn is om voorgaande redenen een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd die op 4 oktober 2022 is verleend. Ter uitvoering van de maatregelen is een activiteiten- en beheersplan opgesteld.
35/583
Concluderend kan daarom worden gesteld dat in het plan rekening is gehouden met alle vereisten op grond van de Wet natuurbescherming en dat het plan voor wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar is onder de genoemde voorwaarden en maatregelen. Conclusie Concluderend kan worden gesteld dat ecologie geen beperkingen geeft aan de ontwikkeling vanuit dit bestemmingsplan.
4.2
Archeologie
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. De gemeente Dronten heeft een eigen archeologisch beleidsadvieskaart opgesteld. Op de kaart is per gebied aangegeven bij welke ingrepen archeologisch onderzoek nodig is. Volgens het archeologiebeleid van de gemeente Dronten ligt het zuidelijk deel van plangebied in een archeologisch waardevol gebied 4. Op 3 juli 2008 is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Synthegra Rapport P0503090). Dit onderzoek is aan het bestemmingsplan toegevoegd als bijlage 6. De conclusie uit dit onderzoek is, dat op grond van de resultaten van het onderzoek voor het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht.
Geadviseerd wordt om een verkennend booronderzoek uit te laten voeren. 11 september 2008 is dan ook een verkennend booronderzoek uitgevoerd (Synthegra Rapport S083278). Dit onderzoek is aan het bestemmingsplan toegevoegd als bijlage 7. De conclusie van dit onderzoek is dat in het plangebied geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Het niveau, waarop archeologische resten uit de periode laatpaleolithicum tot en met neolithicum werden verwacht, de top van het dekzand en de basis van het Hollandveen, is binnen het plangebied verspoeld door de Zuiderzee. Hierdoor zijn eventueel in het plangebied aanwezige archeologische resten verdwenen. Binnen het plangebied worden geen archeologische resten verwacht. De voorgenomen ontwikkeling van het gebied vormt daarom geen bedreiging voor archeologische waarden binnen het plangebied. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt er voor het plangebied geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen dan geldt een meldingsplicht bij het bevoegd gezag, de gemeente Dronten.
Gezien het feit dat er geen vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht, is het ook niet meer noodzakelijk om de dubbelbestemming waarde archeologie in dit bestemmingsplan over te nemen.
36/583
4.3
Water
Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening. Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden door de verankering in het Besluit ruimtelijke ordening. Het plangebied ligt in het beheersgebied van waterschap Zuiderzeeland. Deze 'waterparagraaf' gaat in op relevante waterhuishoudkundige aspecten. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen. Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden.
De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren; schoonhouden, scheiden en zuiveren. Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd.
De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.
37/583
Op grond van onder meer de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. Op eigen terrein zijn bewoner en bedrijven primair zelf verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het gebiedseigen water wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro).
Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingsrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.
Proces van de watertoets De ontwikkeling wordt via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap, in dit geval het waterschap Zuiderzeeland. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Bij de inhoudelijke beoordeling is gebleken dat in het kader van de watertoets sprake is van de normale procedure. Vanwege de specifieke aard van het plan is een nauwere betrokkenheid van het waterschap noodzakelijk. Hierna worden per aspect de effecten van het plan op de waterhuishouding behandeld. Dit bestemmingsplan wordt overlegd met het waterschap. Het waterschap zal in het kader van het vooroverleg, een wateradvies sturen. Deze wordt in deze paragraaf verwerkt. De relevante voorwaarden voor het plan zijn in de uitkomst van de watertoets onder 7 streefbeelden gerangschikt op basis van 3 waterthema's: Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. In het toetsresultaat
38/583
zijn de belangrijkste voorwaarden met betrekking tot deze thema's weergegeven. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies op het gebied van deze 3 thema's met betrekking tot dit plan uiteengezet. Thema Veiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema Voldoende water Wateroverlast Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak sinds begin 2013.' De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten.
Voor projecten geldt het principe 'waterneutraal bouwen' als uitgangspunt. Dit wil zeggen dat, wanneer het verhard oppervlak toeneemt, compenserende maatregelen worden genomen om piekafvoeren op te vangen. Het plangebied is gelegen in het stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling toe. Als deze toename groter of gelijk is aan 750 m2 dan is compensatie noodzakelijk. De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,0% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. Bij de aanleg van oppervlakkige berging in de vorm van infiltratiebermen of wadi's is de bergingsnorm niet toepasbaar. Met behulp van een maatwerkberekening moet worden aangetoond dat de alternatieve berging bij maatgevende gebeurtenissen voldoende compensatie biedt. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. In de huidige situatie bedraagt de verharding (gebouwen plus verharding op het erf) 9.199 m2. In de toekomstige situatie is sprake van een toename aan verharding. Deze is in ieder geval meer dan 750 m2. Omdat de toename groter is dan 750 m2 is compensatie noodzakelijk. Voor de ontwikkeling wordt een waterhuishoudkundig plan gemaakt.
Hierin wordt ook rekening gehouden met watercompenserende maatregelen. Over de exacte uitwerking en omvang hiervan vindt nadere afstemming plaats met het waterschap en gemeente. Uiteindelijk wordt hiervoor een watervergunning aangevraagd bij het waterschap.
39/583
Voor projecten geldt het principe 'waterneutraal bouwen' als uitgangspunt. Dat wil zeggen dat, wanneer het verhard oppervlak toeneemt, compenserende maatregelen worden genomen om de piekafvoeren op te vangen. Dit kan door het vasthouden of bergen van het water door de aanleg van een waterberging of een infiltratievoorziening. Goed functionerend watersysteem Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Het waterschap hecht groot belang aan een goed functionerend watersysteem. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) verslechtert door het project niet. Ook het streefpeil blijft ongewijzigd. Het project heeft geen nadelige gevolgen voor (grond)water in de omgeving. Schoon water Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar de realisatie van een ecologisch gezond watersysteem. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.
In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoonhouden, scheiden, zuiveren'. Er worden bij eventuele bouwwerkzaamheden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt. Bij de inrichting van nieuwe terreinen wordt ten aanzien van onkruidbestrijding wordt het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen zoveel mogelijk voorkomen. Er wordt zoveel mogelijk gebruikt gemaakt van maatregelen in de vorm van heet water, branden en beperkt borstelen. Afvalwater In de nabijheid van het perceel bevindt zich op dit moment geen openbaar rioolstelsel. Voor de afvoer van afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. In het op te stellen waterhuishoudkundig plan wordt hier nader op ingegaan. Hemelwater In tegenstelling tot huishoudelijk of bedrijfsafvalwater is het niet nodig om schoon hemelwater naar een centrale waterzuivering af te voeren. Het regenwater afkomstig van schone oppervlakken kan worden geïnfiltreerd of direct afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; Hemelwater van onverhard terrein.
40/583
Schoon hemelwater wordt in de grond geïnfiltreerd. In het op te stellen waterhuishoudkundig plan wordt hier nader op ingegaan. Wateradvies Het waterschap Zuiderzeeland wordt in het kader van het overleg op het voorontwerpbestemmingsplan gevraagd om op de plannen te reageren. Eventuele opmerkingen worden ter zijner tijd verwerkt in de waterparagraaf.
4.4
Cultuurhistorie
De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn. De gemeente wil niet dat de vroegste geschiedenis van Dronten volledig uit het straatbeeld verdwijnt. Daarom worden de waardevolle monumenten en ruimtelijke structuren in de gemeente beschermd. Enkele hoofdstructuren en/of belangrijke objecten in de kernen zijn in dit onderzoek opgenomen als 'cultuurhistorisch waardevolle en beeldbepalende structuur' In het geldende bestemmingsplan Woongebieden Gemeente Dronten (D1000) zijn deze gebieden beschermd met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie 1 of 2'. In het plangebied zijn de bedoelde structuren niet aanwezig. Daarom is deze dubbelbestemming ook niet van toepassing. De Zuid, welke in het bestemmingsplan als cultuurhistorisch waardevol is aangewezen, blijft met dit plan ongewijzigd.
Met het stedenbouwkundig ontwerp wordt de stedenbouwkundige, cultuurhistorisch waardevolle structuur niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie geeft geen belemmeringen voor de gewenste ontwikkeling.
4.5
Milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals bijvoorbeeld woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en (nieuwe) milieugevoelige functies in voldoende mate mee te nemen, wordt in deze rapportage gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Voor de richtafstanden wordt onderscheidt gemaakt tussen rustige
41/583
woongebieden/rustige buitengebieden en gemengde gebieden. In het plangebied kan vanwege de ligging nabij hoofdinfrastructuur en niet-woonfuncties in de omgeving de classificering 'gemengd gebied' worden toegekend waardoor conform de VNG-methodiek één stap terug kan worden gedaan voor het aanhouden van de richtafstanden die horen bij de genoemde categorieën. In de nabijheid van het plangebied komen geen functies voor, waaruit hinder voor de woonfunctie zou kunnen ontstaan. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een paardenweide. Qua milieuzonering kan hiervoor aansluiting worden gezocht bij een kinderboerderij uit milieucategorie 2. De grens van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt meer dan 50 meter. Aan de richtafstand wordt dus voldaan. Verder bevindt zich aan de zuidkant een maatschappelijke functie in de vorm van een bijenvereniging. Ook hiervoor geldt een afstand van 30 meter. De grens van de inrichting tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt meer dan 50 meter. Aan de richtafstand wordt dus voldaan. De derde relevante functie is een (LPG-)tankstation met een milieucategorie 3.1. De minimale afstand tot de woonwijk dient hiervoor 50 meter te bedragen. Aangezien de afstand tot het plangebied meer dan 200 meter bedraagt, vormt dit bedrijf geen belemmering. Dit geldt ook voor de externe veiligheidsaspecten die in paragraaf 4.9 zijn gemotiveerd.
Ten aanzien van de milieuzonering voor de omliggende bedrijven gelden er ook geen belemmeringen.
4.6
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan en het nemen van een beslissing omtrent een omgevingsvergunningaanvraag dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie is een bodemonderzoek uitgezet. Dit onderzoek is aan het bestemmingsplan toegevoegd als bijlage 8. In de bodem en in de puin- en asfalthoudende bodemlaag is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In de bovengrond zijn lokaal licht verhoogde gehalten aan PAK en minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De aangetoonde gehalten vormen geen aanleiding tot nader onderzoek. In de puin- en asfalthoudende bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK, en een matig verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. Het aangetoonde gehalte aan minerale olie in MM-05 overschrijdt de tussenwaarde. Op basis van het oliechromatogram is dit te relateren aan de aanwezigheid van de PAK-verbindingen, veroorzaakt door de bijmengingen aan asfalt. Dit monster is derhalve niet uitgesplitst.
Op basis van de analyseresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan, milieutechnisch gezien, geen bezwaren voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De zandige toplaag met puin- en asfaltbijmengingen ter plaatse van de parkeerplaatsen is op basis van de aangetoonde gehalten aan PAK en minerale olie mogelijk niet of beperkt herbruikbaar. Geadviseerd wordt om de bodemlaag te zeven voordat deze grond wordt hergebruikt en/of afgevoerd.
42/583
Verder wordt geadviseerd om bij ontwikkeling van de locatie te werken met een gesloten grondbalans. Indien grond vrijkomt en van de locatie wordt afgevoerd is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing (Bbk). De aangetoonde verhogingen in de vaste bodem kunnen, bij toetsing aan het Bbk, beperkingen opleveren ten aanzien van het (her-)gebruik elders. Af te voeren grond dient eventueel AP-04 te worden ingekeurd, voor de bepaling van de definitieve afzetmogelijkheden. Tevens dient men rekening te houden met het vrijkomen van puin- en asfalthoudende grond. Met de aanbevelingen uit het rapport zal bij de ontwikkeling van de locatie rekening worden gehouden. Om die reden kan worden geconcludeerd dat vanuit de bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn te verwachten voor de beoogde ontwikkeling, onder voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de in het rapport opgenomen adviezen.
4.7
Geluid
Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. De woningen zijn nieuwe geluidsgevoelige objecten om die reden is dan ook een akoestisch onderzoek voor onder andere dit plangebied nodig. In bijlage 10 en 11 is het akoestisch onderzoek bijgevoegd. De weg De Zuid (50 km/uur) dient in het kader van de Wgh te worden onderzocht. Ten gevolge van wegverkeer op De Zuid is de geluidbelasting op een aantal woningen en appartementen hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 51 dB. De voorkeurgrenswaarde wordt op de oostgevel overschreden bij de woningen aan het oostzijde van het plan die aan de Zuid staan. Daarnaast vinden er overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde plaats op de oost- en zuidgevel van de twee appartementengebouwen aan de zuidzijde van het plangebied, zie figuur 4.1. Wel wordt voldaan aan de maximale ontheffingsgrenswaarde van 63 dB voor stedelijk gebied. Bron- en overdrachtsmaatregelen worden hier als niet mogelijk en wenselijk geacht.
Voor deze woningen en appartementen dienen hogere waarden te worden aangevraagd mogelijk in combinatie met een onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels. Een dergelijk onderzoek zal, indien nodig, in een separaat onderzoek worden uitgevoerd. Hierbij dient gerekend te worden met het geluidsniveau exclusief aftrek artikel 110g Wgh. Bij de overige woningen en appartementen kan wel worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van wegverkeer op De Zuid.
43/583
Figuur 4.1 Ligging rekenpunten plan voormalige Flevomanege te Dronten De realisatie van het bouwplan heeft akoestisch gezien niet of nauwelijks effect op de bestaande omliggende bebouwing. bestaande woningen. Om dit inzichtelijk te maken is er een rekenmodel opgesteld inclusief en exclusief bebouwing binnen het nieuwbouwplan. Vervolgens zijn er rekenpunten gelegd op de bestaande woningen aan de overzijde van De Zuid. Het betreft hier woningen aan de Majoraan. Uit de rekenresultaten blijkt dat door het realiseren van het bouwplan de geluidbelasting op de bestaande woningen ten oosten van De Zuid met ten hoogste afgerond 0,4 dB zal toenemen. Een dergelijke zeer beperkte toename is niet hoorbaar. Om het effect van het nieuwe verkeer op de bestaande woningen aan de Concourslaan te onderzoeken is een aanvulling gedaan op het geluidsonderzoek voor de beoogde ontwikkeling, zie bijlage 11. Voor de 66 woningen die via deze route worden ontsloten kan volgens opgave een kencijfer van 6,8 vervoersbewegingen worden aangehouden. Dit deel van het plan genereert dan in totaal 449 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Uit dit onderzoek blijkt dat voor de woning aan de Concourslaan de geluidsniveaus 38,5 dB (begane grond) en 39,8 dB (verdieping).
Met een maximale geluidsbelasting van 40 dB op de verdieping van de woning kan gesteld worden dat het geluid van de nieuwe ontsluitingsweg op woningen aan de Concourslaan ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft. De afstand tussen de weg en de woningen van tenminste 30 meter is voldoende om geen hinder als gevolg van verkeersgeluid te veroorzaken. Hiermee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Luchtkwaliteit
In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing:
44/583
woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die minder dan 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3. Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan Uit de grootschalige concentratie en depositiekaart Nederland blijkt dat in het plangebied in 2025 geen overschrijding van de normen plaatsvinden. De stikstofdioxide-concentratie (NO2) lager is dan 10 µg/m3 (norm 40 µg/m3) en de fijnstof-concentratie tussen 10-20 µg/m3 (norm 40 µg/m3). Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 141 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk Conclusie Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
4.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan In het plangebied komen geen risicovolle inrichtingen en transportroutes voor. In het plangebied zijn ook geen gasleidingen aanwezig. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Wel ligt op een afstand van meer dan 200 meter ten zuidwesten van het plangebied aan de Zuid 41 een LPG-tankstation met een vergunde doorzet van 1.000 m3 per jaar. De afstand tot de grens invloedsgebied verantwoording groepsrisico is 150 meter. Het plangebied ligt hier buiten. De dichtstbijzijnde hogedruk gasleiding is de leiding A-570-01-KR-028 van de N.V. Nederlandse Gasunie BV langs de Elburgerweg met een diameter van 12,75 inch en een maximale werkdruk van 66,2 bar. De plaatsgebonden risicocontour bedraagt nul meter.
Gezien de afstand van circa 1.200 meter tot het plangebied behoeft het groepsrisico niet te worden verantwoord. De dichtstbijzijnde transportroute voor gevaarlijke stoffen betreft de N309. Gezien de afstand van meer dan 220 meter tot het plangebied behoeft het groepsrisico hiervan niet te worden verantwoord. Conclusie In het plangebied is - ook in de toekomstige situatie - sprake van een verantwoorde veilige situatie. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
45/583
4.10 Kabels en leidingen In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleveren voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Toetsing en uitgangspunten voor het bestemmingsplan In het plangebied liggen geen kabels en leidingen die een belemmering vormen voor dit bestemmingsplan. Wel zal onderhavig bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg aan de leidingbeheerder worden toegestuurd. Conclusie Ten aanzien van het aspect kabels en leidingen zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
4.11 Vormvrije mer-beoordeling Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Toetsing In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 141 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent
46/583
wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Hiervoor wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld, die wordt opgenomen als bijlage 12. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Door het college van B&W is op basis van de aanmeldingsnotitie vastgesteld dat geen MER nodig is.
47/583
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische regeling
Algemeen
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
5.2
Toelichting op de regels
In deze paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen zoals deze op de verbeelding en in de regels zijn opgenomen, beschreven. Groen Het stedelijk groen heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. Verkeer - Verblijf De ontsluitingswegen in het plangebied hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijf' gekregen. Ook groenvoorzieningen en water worden in deze bestemming meegenomen. In de regels is een algemene afwijkingsmogelijkheid opgenomen indien het beloop van de weg toch niet geheel binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijf' mogelijk is. Zie hiervoor artikel 10 lid b. Wonen De grondgebonden woningen in het plangebied hebben de bestemming Wonen gekregen. De woningen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden, waarbij de maximale goot -en bouwhoogte op de verbeelding is weergeven. In artikel 9 lid 9.2 is een afwijking opgenomen om het totaal aantal woningen te verhogen naar 150 woningen. Wonen - Woongebouw De bestemming 'Wonen - Woongebouw' is van toepassing op de woongebouwen in het gebied. Het betreft de gebouwen in meerdere bouwlagen met meerdere woningen/appartementen. De woongebouwen dienen binnen het aangegeven bouwvlak gerealiseerd te worden. De bouwhoogte is als zodanig op de verbeelding aangegeven.
48/583
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan doorloopt een uitgebreide procedure. Tijdens deze procedure zijn er verschillende momenten waarop burgers en belanghebbenden hun mening op het plan kenbaar kunnen maken. Hieronder volgt een nadere toelichting. Voorbereidingsfase In het kader van het maken van het plan is gesproken met de direct omwonenden en andere belanghebbende over het voornemen. Gemeente Dronten en ontwikkelaar hebben voor het participatietraject aansluiting gezocht bij de participatieladder van de nieuwe Omgevingswet. Vanuit de participatieladder zijn burgers op verschillende manieren betrokken bij de invulling van het plan, op diverse niveaus (informeren, consulteren en coproduceren) en via verschillende kanalen, waarbij naast mail, brieven en krantberichten het platform van de gemeente Dronten (www.dronten.ikpraatmee.nl) een belangrijk medium is geweest om belanghebbenden te bereiken. Via digitale bijeenkomsten, offline bijeenkomsten en overleggen met specifieke belanghebbenden zijn burgers betrokken bij de vormgeving van het plan. Terugkoppeling van uitkomsten van bijeenkomsten verliep via e-mail en het gemeentelijke platform. Op www.uniekwonendronten.nl staat een woonwensenenquête die inmiddels door meer dan 700 (toekomstige) bewoners is ingevuld. Een uitgebreide uitwerking van het participatieproces is opgenomen als bijlage 13.
De resultaten van het participatieproces zijn meegenomen in het voorliggende voorontwerp-bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan heeft in de periode van 17 maart 2022 tot en met 27 april 2022 ter inzage gelegen voor een ieder. Ook zijn de vooroverlegpartners uitgenodigd om deel te nemen aan het vooroverleg. In een aparte reactienota (zie bijlage 14) wordt ingegaan op de reacties die ontvangen zijn. Het bestemmingsplan is aangepast naar aanleiding van de opmerkingen die in deze nota gemaakt zijn. In de nota zijn de ontvangen reacties samengevat en voorzien van gemeentelijke beantwoording. Ontwerpfase Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen formele bestemmingsplanprocedure. In dat kader heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 7 juli tot en met 17 augustus 2022 ter inzage gelegen. Tijdens de periode van terinzagelegging was een ieder in de gelegenheid een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar te maken. Er is één zienswijze ingediend. Vaststellingsfase Het bestemmingsplan is vastgesteld met inachtneming van het standpunt op de ingekomen zienswijze (zie bijlage 15). De zienswijze is deels gegrond verklaard, hetgeen geleid heeft tot aanpassing van de bouwhoogte bij een aantal woonblokken.
49/583
Ook zijn er - mede ook naar aanleiding van de zienswijze - een aantal ambtshalve aanpassingen doorgevoerd op de verbeelding (zie hoofdstuk 3 van bijlage 15) die hebben geleid tot een gewijzigde vaststelling. Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het initiatief betreft de bouw van maximaal 141 woningen in Dronten. De woningen worden tegen marktconforme prijzen aangeboden. In hoofdstuk 3 is aangetoond dat hier behoefte aan is. Voor de uitgifte wordt gerekend met een verkoopprijs welke passend is bij de markt voor Dronten en vergelijkbaar is met ontwikkelingen in omliggende gemeenten. Grondexploitatie De grondexploitatieregeling uit de Wro is van toepassing op dit bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van woongebouwen en grondgebonden woningen. Dit zijn bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatieregeling bepaalt dat de gemeente in beginsel samen met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als de kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten. De betrokken partijen hebben een exploitatieovereenkomst gesloten, waarin onder andere de verdeling van kosten is verzekerd. Hierin zijn ook afspraken gemaakt ten aanzien van eventuele planschade. Eventuele planschade is afgewenteld op de initiatiefnemer.
Van de verplichting tot het opstellen van een grondexploitatieplan kan daarom worden afgezien.
50/583
Bijlagen toelichting
51/583
52/583
Bijlage 1
53/583
Uitgangspunten gemeente
Richtlijnen Bijlage 1 bij Besluit No. B21.001486
Richtlijnen wonen: •
Realiseer een kwalitatief goed plan dat uitgaat van maximaal 150 woningen.
•
Realiseer verschillende woningtypen t.b.v. verschillende doelgroepen.
•
Gelet op de locatie (op circa 400 meter afstand van winkelcentrum Zuid) richt het programma zich voor een belangrijk deel op de doelgroep 55+. Ontwikkel voor deze doelgroep zowel appartementen als grondgebonden woningen. Grondgebonden woningen t.b.v. de doelgroep 55+ zijn zgn. nultredewoningen (woon-, slaap- en badkamer zijn bereikbaar zonder trap).
•
Onderzoek de mogelijkheid om ten behoeve van de doelgroep 55+ grondgebonden woningen te ontwikkelen in de vorm van een ‘hofje’ met gemeenschappelijke voorzieningen. Dit kunnen zowel gerijde of geschakelde woningen zijn als andere woningtypen.
•
Voorzie de nultredewoningen van parkeerplaatsen zo dicht mogelijk bij de woningen, danwel op eigen terrein.
•
Realiseer een beperkt aandeel koop/huurappartementen omdat enkele doelgroepen hier om vragen.
•
Realiseer een beperkt aandeel grote vrijstaande woningen; deze zijn al veel in de omliggende buurten aanwezig.
•
Realiseer ook woningen voor kleine huishouden en starters; onderzoek daarbij de mogelijkheid tot het ontwikkelen van boven- en benedenwoningen als onderdeel van rijenwoningen.
•
Alle woningen (met uitzondering van de starterswoningen) voldoen aan het basispakket Woonkeur
•
Schenk bij de inrichting van de openbare ruimte extra aandacht aan toegankelijkheid.
•
Voor de totale ontwikkeling geldt onderstaand programma:
Woningtype
Aandeel
Appartementen
15 - 25 %
• (55+) koop / huur vrije sector Grondgebonden woningen
75 - 85 %
• Koop vrijstaand (gezinshuishoudens regulier) • Koop tweekap (gezinshuishoudens regulier) • Koop grondgebonden 55+ (een Knarrenhof of een variant hierop kan hiervan onderdeel uitmaken) • Koop rijwoningen (gezinshuishoudens groot/klein en/of starters)
Richtlijnen herontwikkeling Flevomanege Dronten
1
Richtlijnen stedenbouwkundige structuur: •
Houdt gemiddeld een bouwhoogte van maximaal 3 bouwlagen aan, met enkele uitzonderingen.
•
Houdt in zone A maximaal 2 bouwlagen aan, dat wil zeggen 1 laag met kap of 2 met dakrand.
•
Houdt in zone B maximaal 3 bouwlagen aan, dat betekent 2 lagen met kap of 3 met dakrand.
•
Plaats eventuele bijzondere woonvormen in zone C1 en C2. Deze mogen incidenteel maximaal 4 bouwlagen hoog worden, dat wil zeggen 3 bouwlagen met kap of 4 bouwlagen met dakrand.
•
Geeft zone C1 een relatie met het historische karakter van het agrarische verleden.
•
Indien een zone volledig uitgevoerd wordt met de optie bouwlaag met dakrand dan mogen dit maximaal twee zones van de zones A, B, C1 en C2 zijn.
•
Ken de noordelijke zone kenmerken van het historische karakter van het agrarische verleden toe. Denk aan typologie en uitstraling die past bij het karakter van het oorspronkelijke erf. Of een orthogonale opzet van het ensemble van gebouwen - dus parallel aan of loodrecht op het bestaande erf.
•
Handhaaf de bestaande oorspronkelijke schuur indien kan worden herbestemd. Als dit niet mogelijk is gebruik dan de contouren en het volume voor een nieuwe invulling op de gemarkeerde plek.
•
Voorkom dat achterkanten op de openbare ruimte zijn gericht tenzij ze begrensd worden met een stevige groenzone.
•
Handhaaf de groene identiteit van de plek, beleefbaar vanaf De Zuid.
•
Richt de bebouwing met de voorgevel op de oorspronkelijke verloop van De Zuid (in afb. 13 weergegeven
De
Lipi
ter
Lan
zza
cas
ner
terd
reef
De
Winkelcentrum Dronten Zuid
Con
cou r
slaa
n
Zui d
De
Rui
De
Zui
d
Pim
per
nel
N Stedenbouwkundige uitgangspunten
Richtlijnen herontwikkeling Flevomanege Dronten
2
met pijlen). •
Geef de zuidzijde - waar de weilanden zitten - een open groen karkater. Denk hierbij aan zicht op een groenstructuur of aan een luchtige verkaveling.
•
Houd het thema van de manege beleefbaar, in hoofdlijnen en details (bijvoorbeeld bij opzet van bebouwingsclusters, bij markering op afvoergoten, bij eventuele speelobjecten of kunstwerken in groenzones).
•
Zorg voor duurzame energetische maatregelen, bijvoorbeeld zelfstandig energie opwekken.
•
Laat de uitstraling langs De Zuid - in de bocht - een zichtbare relatie aangaan met het zuidelijker gelegen bos.
Richtlijnen infrastructuur en parkeren:
• •
Creëer bij voorkeur één hoofdtoegang en een tweede secundaire toegang voor noodverkeer. Plaats de benodigde toegang(en) op één van de drie denkbare mogelijke toegangen tot het plangebied. Zie daarvoor opties 1, 2 en 3.
•
Hanteer de Nota parkeernorm 2016 voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen.
•
Houdt rekening met de doelgroep bij de afmeting van de parkeerplaatsen, bijvoorbeeld ruime parkeerplaatsen voor senioren.
•
Pas wegen in met een profiel voor de snelheid van 30 km/h.
•
Hergebruik de bestaande aanwezige betonklinkers uit het noordelijke deelgebied.
•
Pas uitsluitend noodzakelijke verharding toe.
De
Lipi
ter
zza
Op Con cou rsla
an
tie
Op
tie
De
Zui
d
3
Zui d
ner Winkelcentrum Dronten Zuid
De
De
Rui
1
Optie 2
Pim
per
nel
N Infra uitgangspunten
Richtlijnen herontwikkeling Flevomanege Dronten
3
•
Verharding is waterdoorlatend waar mogelijk.
•
Voer de parkeerplaatsen bij voorkeur uit in halfverharding of groen met bodemversteviging.
•
Leg een wandelroute over het terrein aan.
Richtlijnen water: •
Vergelijk het verhard oppervlak van de huidige en nieuwe situatie en compenseer deze met 5% van het toegevoegd verhard oppervlak voor waterberging.
•
Houd regenwater vast in het plangebied door middel van wadi’s, groene gevels, groen blauwe daken (zie Subsidieregeling groene daken en gevels) , watergangen, verbeterde ondergrond met passerende verharding of andere mogelijke infiltreerbare voorzieningen of mogelijkheden om water te bergen en vertraagd af te voeren.
•
Combineer wadi’s of watergangen met (openbare) groenstructuren en speelplekken.
•
Toon met een stresstest (T=100+10%) aan dat er geen wateroverlast situaties ontstaan en dat de omliggende openbare ruimte het overtollig water voldoende kan bergen.
•
Toon met een stresstest aan dat er geen hittestress ontstaat.
•
Sluit uitsluitend aan op de bermsloot langs de Zuid, als deze verbreed en verdiept wordt. Wijzig dit in relatie met het aanwezig groen.
•
Pas geen uitlogende bouwmaterialen toe. Regenwater van daken is schoon indien deze niet met uitlogende stoffen in aanraking komen. Dus geen dakgoten, daken en schanskorven van zink, verzinkt staal en koper.
•
Niet schoon regenwater mag alleen met gebruik van een zuiverende voorziening geloosd worden op het
De
Lipi
ter
Lan
zza
cas
ner
terd
reef
De
Winkelcentrum Dronten Zuid
Con
cou r
slaa
n
Zui d
De
Rui
De
Zui
d
Pim
per
nel
N Water uitgangspunten
Richtlijnen herontwikkeling Flevomanege Dronten
4
oppervlaktewater. Als zuiverende voorziening mag geen lamellenfilter of een voorziening die energie kost worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan een bodempassage. •
Sluit vuilwater bij voorkeur aan op de riolering in de Concourslaan.
•
Raadpleeg het Waterkader van Waterschap Zuiderzeeland en doe een watertoets.
Richtlijnen groen: •
Handhaaf het groene casco op wijkniveau met bijbehorende recreatieve routes.
•
Handhaaf de functie groen rondom het ontwikkelgebied
afb 16 Groen casco op wijkniveau
en verbeter waar nodig. •
Breng de ‘‘historische’’ erfsingel terug in het gebied binnen de aangegeven zoekzone. Deze kan gestalte krijgen in een eigentijdse vorm en functie.
•
Laat onafhankelijk onderzoek verrichten naar de waarde van de bestaande bomen en struiken. Behoud in het hele plangebied bestaande bomen en struiken met toekomstwaarde en pas bij voorkeur de plannen daarop aan.
De
Lipi
ter
Lan
zza
cas
ner
terd
reef
De
Winkelcentrum Dronten Zuid
Con
cou r
slaa
n
Zui d
De
Rui
De
Zui
d
Pim
per
nel
N Groen uitgangspunten
Richtlijnen herontwikkeling Flevomanege Dronten
5
•
Zet een groene lintstructuur door in de zuidzijde van het ontwikkelgebied, die aanhecht aan de het zuidelijk gelegen bos.
•
Voeg groene verblijfs/ontmoetingsplekken toe, mogelijk langs de (nieuwe) groene lintstructuur. Deze kunnen mogelijk voorzien worden van natuurlijke speelobject met referentie naar de manege.
•
Combineer groen- en waterstructuren zoveel mogelijk.
•
Voer het gehele ontwikkelgebied natuurinclusief uit, met de ambitie om een voorbeeldwijk voor de combinatie natuur en wonen neer te zetten. Het plan neemt bestaande natuur als uitgangspunt en voegt daar het nodige aan toe zodat een leefomgeving ontstaat waar mensen, dieren én planten zich thuis voelen. Behoud natuurwaarden in het gebied en pas daarnaast gebouwgebonden groen toe (groene gevels en daken).
•
Creëer natuurbeleving voor bewoners en laat dit aspect van de wijk nader invullen door omwonenden en toekomstige bewoners, denk aan: -
een bloemrijke weide voor bijen, vlinders en mensen;
-
gemeenschappelijke moestuin / eetbare tuin;
-
een natuurspeelplaats.
Natuurinclusief bouwen Door natuurinclusief te bouwen en te ontwerpen is het mogelijk een gezonde en aantrekkelijke buurt te creëren. En groen in de buurt levert veel meer op dan alleen maar een mooi plaatje. Groen zorgt voor verkoeling in de zomerhitte, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadsbewoners, zoals huismus, gierzwaluw, merel of gewone dwergvleermuis. Juist dankzij deze bevolkingsgroepen komt de leefomgeving pas écht tot leven. Wonen aan De Zuid biedt vele kansen om natuurinclusief te bouwen. Daarom wordt als richlijn voor het stedenbouwkundig plan meegegeven om groene zones op te nemen die linten vormen van het buitengebied tot diep in de buurt. De nieuwe woningen, de omliggende tuinen en het openbaar groen kunnen vele mogelijkheden bieden om vogels, insecten en vleermuizen nestgelegenheden en voedsel te bieden, en zo te zorgen voor een grotere soortenrijkdom in de buurt. Door kleine openingen te maken in gevels en onder dakoverstekken of met behulp van nestkasten kunnen nestgelegenheden worden gemaakt voor vogels en vleermuizen. Ook hagen, struiken klimplanten en andere beplantingen kunnen een prima verblijfplaats bieden aan vele soorten. En alles wat bloeit of vruchten draagt biedt voedsel aan deze soorten rijkdom. Ook de waterbergingen kunnen bijdragen aan de biodiversiteit.
Er kan gebuik worden gemaakt van de toolbox www.bouwnatuurinclusief.nl om nog meer mogelijkheden te ontdekken.
Richtlijnen herontwikkeling Flevomanege Dronten
6
Aan de Stadsmuur 79-83 Postbus 531 8000 AM Zwolle 038 – 421 32 57 www.hetoversticht.nl
Bijlage 2
61/583
Parkeerbalans
Parkeerbalans verkavelingsplan ontwikkeling Flevomanege locatie Dronten aantal won.
aantal park.pl. openbaar
aantal berekening p-norm park.pl. uitgeefbaar omschrijving koop tussen/hoek 2 koop vrijstaand 6 koop 2o1-kap
18
27 4 31
2 6
18
27 4 31
2 6
Cluster C
18
27 5 32
Cluster D: RAR Sen. App. Totaal
16 14 13 43
8 18 35 61
32
49 14 63
blok F
12
2x14 28
TOTAAL
141
246
Cluster A
Cluster B
Cluster E: 20xrij 12x app. Totaal: Cluster F:
Saldo parkeerbalans
koop tussen/hoek koop vrijstaand koop 2o1-kap
koop tussen/hoek koop vrijstaand koop 2o1-kap
koop app. goedk. koop tussen/hoek
14
koop tussen/hoek koop app. midden
koop app. midden koop app. duur
aantal 12 2 4 18
norm 1,9 2,2 2,1
12 2 4 18
1,9 2,2 2,1
12 2 4 18
1,9 2,2 2,1
13 30 43
1,6 1,9
20 12 32
1,9 2
12 2 14
1,8 2
totaal 22,8 4,4 8,4 35,6
correctie factor pp eigen terrein
theor. aantal
berkenings aantal
aantal
dubb. oprit zonder garage lange oprit zonder garage
2 2
1,7 1,3
2 4
22,8 4,4 8,4 35,6
dubb. oprit zonder garage lange oprit zonder garage
22,8 4,4 8,4 35,6
dubb. oprit zonder garage lange oprit zonder garage
2 2
2 2
1,7 1,3
1,7 1,3
2 4
2 4
11-2-2022
aantal berekening kavel
aantal benodigde openbare PP (aftrek pp kavel)
3,4 5,2 8,6
27
3,4 5,2 8,6
27
3,4 5,2 8,6
27
20,8 57 77,8
78
38 24 62
62
21,6 4 25,6
26
272,2
246 0
Bijlage 3
63/583
Stikstofonderzoek
Memo Betreft: Locatie: Datum: Ecoloog: Steller:
stikstofdepositie Flevomanege te Dronten 5 november 2021 06-27564247 Peter van der Linden, ecoloog
Op het perceel van de Flevomanege worden 150 woningen gebouwd. De huidige bebouwing wodt gesloopt. In onderstaand memo wordt de berekening toegelicht en geanalyseerd. Stikstof In brandstofmotoren ontstaan door verbranding verschillende stikstofoxiden, meestal samengevat in NOx. Deze verbindingen reageren in de lucht met waterdeeltjes tot salpeterzuur. In de bodem vindt onder invloed van bacteriën denitrificatie plaats. Het proces verloopt echter langzaam waardoor er cumulatie ontstaat van zuurionen en opneembaar stikstof; er is sprake van verzuring en vermesting van de bodem. Doordat ammoniak een vrij radicaal heeft reageert het snel tot ammonium en dat geeft een droge en natte depositie op relatief korte afstand van de bron. Ammoniak werkt in de atmosfeer eerst als base door de vorming van NH4+, waarbij een vrije zuurion wordt gebonden. Dat leidt tot neutralisatie van salpeterzuur en zwavelzuur in de atmosfeer. In de bodem wordt door bacteriën de NH4+ genitrificeerd tot NO3-, waarbij zuurionen vrijkomen. Naast de verzuring zorgt de emissie van ammoniak voor verhoging van het stikstofgehalte in de bodem. Door die verhoogde opneembaar stikstof in de bodem worden soorten die snel groeien bevoordeeld ten opzichte van langzaam groeiende soorten. De snel groeiende soorten verdringen de langzame groeiers waardoor deze verdwijnen en de biodiversiteit verminderd.
Veel van de via de Habitatrichtlijn beschermde soorten of habitat zijn langzaam groeiende soorten of soorten die in een voedselrijk of zuur milieu niet kunnen groeien. De habitatrichtlijn stelt de verschillende nationale overheden verantwoordelijk voor het beschermen van de natuurwaarden in de aangewezen natuurgebieden. Deze bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming. Om het probleem van te hoge concentraties NH4+ of NOX in het milieu te beteugelen is door de toenmalige regering de programmatische aanpak stikstof (PAS) opgesteld. In de PAS is ontwikkelingsruimte opgenomen voor ontwikkelingen die stikstofoxiden of ammoniak produceren. Daarnaast zijn maatregelen opgesomd die zouden leiden tot verminderde effecten. Voor de PAS is Aerius ontwikkeld waarmee op eenvoudige wijze de depositie kon worden berekend. In de PAS was de ontwikkelingsruimte opgenomen en twee drempelwaarden ingevoerd; een lage van 0,05 mol N/ha en een hogere van 1 mol N/ ha. Projecten die onder de lage drempelwaarde bleven hadden geen meldingsplicht. De projecten met een stikstofdepositie tussen de beide waarden in waren meldingsplichtig en konden worden uitgevoerd als er voldoende ontwikkelingsruimte was. Boven de 1 mol N/ha was er vergunningsplicht.
Spechtstraat 59 - 1223 NX Hilversum - 06 – 27564247 - vanderlinden@elsenlinde.nl Els & Linde B.V.: KvK 11068807 - Fiscaalnummer 8187.47.637 - NL71 RABO 0108344673. Els & Linde techniek vof: KvK 63899825 - Fiscaalnummer NL855445920B01 - NL93 RABO 0306041626
De Raad van State heeft naar aanleiding van enkele beroepsprocedures vragen gesteld aan de het Europees Hof over de noodzakelijke interpretatie van de PAS. Het Hof en in navolging daarvan de Raad van State hebben geoordeeld dat de ontwikkelingsruimte niet binnen de reikwijdte van de Habitatrichtlijn past, en dat een drempel van 0,05 mol N/ha niet zonder meer acceptabel is. Ook hebben ze alle vergunningen die op de PAS zijn gebaseerd nietig verklaard. De consequentie is dat nu voor alle projecten berekend moet worden of deze strijdig zijn met de Habitatrichtlijn en er sprake is van verhoogde depositie op de natuurgebieden. In de nieuwe Aerius is de drempelwaarde en de ontwikkelingsruimte niet langer opgenomen. De conclusie is dat alle projecten waarbij stikstofoxiden of ammoniak vrijkomt berekend moet worden wat de toename is op de Natura 2000-gebieden. Als er geen verhoging is dan kan de ontwikkeling zonder vergunning worden uitgevoerd. Is er een verhoogde depositie dan moet het project zo worden uitgevoerd dat er geen of minder emissie is. Als dat onvoldoende mogelijkheden geeft, dan moet met maatregelen elders de emissie (op het zelfde Natura 2000-gebied) worden teruggebracht (salderen). Bij salderen moet worden aangetoond dat er voldoende effect is. Hiervoor is een uitgebreidere onderbouwing nodig.
Als er ondanks saldering een verhoogde depositie is, dan moet er via de ADC-toets in een passende beoordeling aangetoond worden dat een depositie acceptabel is. De ADC-toets staat voor Alternatief, Dwingende redenen en Compensatie. In de meeste gevallen zal dan een MER nodig zijn. Ontwikkeling Op het terrein van de Flevomanege worden 150 woningen gebouwd. De huidige bebouwing wordt gesloopt. Voor de woningen is op basis van de CROW berekent hoeveel verkeersaantrekking het project heeft na realisatie: het betreft 150 woningen in de rest van de bebouwde kom van stedelijk gebied. De norm is dan 7,5 mvt/etm wat bij 150 woningen op 1.125 mvt/ etm komt. Als worst-case is bij de berekening als uitgangspunt genomen dat de woningen met op basis van brandstof worden verwarmd; dat komt neer op een emissie van 232,6 kg N/j (normblad Aerius). Stikstofdepositie gebruiksfase Met behulp van Aerius (2020) is berekent wat de depositie is in de nieuwe situatie. De depositie is berekent op het Natura 2000-gebied: • •
Ketel & Vossemeer – 8.100 m afstand; Veluwerandmeren – 8.800 m afstand.
De overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand, of zijn niet gevoelig voor de stikstofdepositie. Uit de berekening blijkt dat er tijdens de gebruiksfase geen sprake is van een verhoging van de depositie. Stikstofdepositie bouwfase De werkzaamheden bestaan uit het bouwen van 150 woningen en de sloop van enkele opstallen. Voor de bouwfase is berekent wat de depositie op de natuurgebieden is. Op basis van
EMMA is het brandstofverbruik van de verschillende machines bepaald. Voor het bouwen wordt gebruik gemaakt van machines die brandstof gebruiken (zie tabel). Deze machines zijn Stage IV. De cilinderinhoud is berekend volgens de formule uit Aerius: Kw/20. Uitgangspunt voor de berekening is de bouw van de woningen binnen een jaar. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: KW
uren
inhoud verbruik brandstof cilinder per uur
stationair
hijskraan
80
300
4
17
5.100
60
betonpomp
150
600
8
29
17.400
270
trilplaat
60
825
3
13
10.725
289
graafmachine
125
975
6
27
26.325
341
bulldozer (bouwrijp maken)
125
900
6
27
24.300
504
heistelling
250
1200
12
53
63.600
672
Het bouwverkeer betreft 2400 verkeersbewegingen met middelzware vrachtwagens (tot 20 ton) en 1800 verkeersbewegingen met zware vrachtwagens. Voor de bouwvakkers is dat 7500 verkeersbewegingen met licht verkeer. Uit de berekening volgt dat er tijdens de bouwfase geen verhoogde depositie is op de Natura 2000-gebieden. Dat betekend dat er geen vergunning noodzakelijk is. Conclusie Er is sprake van geen verhoging van de depositie tijdens de bouwfase of de gebruiksfase. Er is geen sprake van een significant effect. Er is geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig .