1358e25a-d4d9-4ad7-ab77-8f0777ab9cf0.pdf
Tekst van het document
RAADSINFORMATIEBRIEF Zaaknummer: 85018 Documentnummer: 91402
Datum: 9 november 2021 Portefeuille(s): beleid ruimtelijke ordening Portefeuillehouder(s): Gerrit Jan Veldhoen Contactpersoon: Andor Hegger Tel.nr.: 0321 388 995
Emailadres: a.heggger@dronten.nl
Onderwerp: wijziging Afwijkingenbeleid Context ☐ Afdoening motie [naam / raadsvergadering d.d.] ☐ Afdoening toezegging [commissievergadering/raadsvergadering d.d.] ☐ Beantwoording raadsvragen ☒ Actuele bestuurlijke aangelegenheid ☐ Anders, [te weten…] Korte samenvatting In het Afwijkingenbeleid zijn beleidsregels opgenomen die antwoord geven op de vraag wanneer door middel van een omgevingsvergunning wordt meegewerkt aan het afwijken van in een bestemmingsplan opgenomen bouw- en gebruiksregels. De huidige wijzigingen hebben betrekking voornamelijk betrekking op hoofdstuk 9 (bijzondere woonvormen). De wijzigingen vloeien noodzakelijk voort uit het in juni 2021 tot stand gekomen Manifest met betrekking tot de verbetering van de kwaliteit van arbeidsmigrantenhuisvesting. Ook ziet de wijziging op het vervangen van een onjuiste term in artikel 4.3. Inhoudelijke boodschap In 2020 heeft het kabinet een Aanjaagteam onder leiding van Emile Roemer ingesteld. Doel van het Aanjaagteam was om voorstellen te doen om de werk- en leefomstandigheden van arbeidsmigranten structureel te verbeteren. De commissie heeft in dit verband een tweetal adviezen uitgebracht. Op basis van deze adviezen heeft de gemeente Dronten een Manifest opgesteld in samenspraak met de FNV, een aantal uitzenderbureaus en huisvesters. Het Manifest is in juni 2021 door alle deelnemende partijen ondertekend.
Het Manifest houdt in – voor zover hier van belang - een vloeroppervlakte van minimaal 5,5 m² per persoon per slaapvertrek. Voorts heeft het als uitgangspunt één persoon per slaapvertrek. Indien gewenst door de arbeidsmigranten kan ook voor twee personen per slaapvertrek worden gekozen. Ten slotte stelt het Manifest dat er een minimale gebruiksoppervlakte wonen (GBO) van 15 m² per persoon aanwezig moet zijn (dit is inclusief de genoemde 5,5 m² van het slaapvertrek). In het Manifest is aangegeven dat de voornoemde regels in het Afwijkingenbeleid zullen worden opgenomen. Dit is nu gebeurd, namelijk in artikel 9.1, lid 6. Bijlage(n):
De Rede 1 8251 ER Dronten
Postbus 100 8250 AC Dronten
Telefoon 14 0321
www.dronten.nl
Met de wijziging van het Afwijkingenbeleid gelden de regels uit het Manifest niet alleen meer voor de ondertekenaars, maar voor iedereen die nieuwe arbeidsmigrantenhuisvesting wil realiseren. Voorts zijn aan artikel 9.1, lid 2 de woorden toegevoegd ‘of bestemmingsplanherziening’. Van het huidige Afwijkingenbeleid (en zijn voorgangers) is (en was) het de bedoeling dat lid 2 ook ziet op een aanvraag om bestemmingsplanherziening. Dit stond echter niet expliciet in de tekst van het artikel. Om iedere discussie hieromtrent te voorkomen, wordt deze toevoeging gedaan. Ten slotte zijn de leden 5 en 6 van artikel 4.3 gerepareerd. Dit artikel ziet op het bouwen achter de voorgevel van een woning. De term ‘achtererfgebied’ is vervangen door ‘bebouwingsgebied’. Op grond van de systematiek van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht is het gebruik van de term ‘achtererfgebied’ in relatie tot hetgeen is geregeld in artikel 4.3 (bouwen achter de voorgevel van een woning) niet correct. De correcte term is ‘bebouwingsgebied’.
Bijlage(n) bij deze raadsinformatiebrief: 1. Afwijkingenbeleid (documentnummer: 85594)
Het college,
drs. T. van Lenthe secretaris
drs. J.P. Gebben burgemeester
AFWIJKINGENBELEID Beleidsregels voor het afwijken van bestemmingsplan en beheersverordening
1
INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 2.1 2.2
Inleidende opmerkingen Begrippenkader
Algemeen Definities
Hoofdstuk 3
8 8 10 11
Algemene regels
Toelichting
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Bijbehorende bouwwerken
Algemeen Bouwen vóór de voorgevel Bouwen achter de voorgevel Carport Bouwen op een bedrijventerrein Bouwen bij een bedrijfswoning Ondergronds bouwen Bouwen bij een recreatieverblijf Toelichting
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3
13 13 13 13 14 14 14 15
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Erfafscheiding woning Erfafscheiding bedrijventerrein Overkapping met maximaal één wand Toelichting
Hoofdstuk 6 6.1 6.2.
17 17 17 18
Dakkapellen en dakopbouwen
Dakkapel Dakopbouw 6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.2.4 6.2.5
19
Algemene regels Op plat dak van een (bedrijfs)woning Op een hellend dak van een (bedrijfs)woning door geveldoortrekking Op een hellend dak van een (bedrijfs)woning door nokverhoging Op een bijbehorende bouwwerk
Toelichting
Hoofdstuk 7
Antenne-installaties
Toelichting
Hoofdstuk 8 8.1 8.2 8.3 8.3 Hoofdstuk 9 9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.9
6
19 19 19 19 19 20 22 23
Gebruik van bouwwerken
Bed- & Breakfast (B&B) Kringloopwinkel Kapsalon aan huis Bestaande gebouwen op een bedrijventerrein Toelichting
24 24 24 24 25
Bijzondere woonvormen Algemene regels Huisvesting studenten of tijdelijke arbeidsmigranten in een reguliere woning Grootschalige huisvesting voor studenten en tijdelijke arbeidsmigranten Seizoensgebonden huisvesting voor tijdelijke arbeidsmigranten buiten de bebouwde kom Tijdelijke arbeidsmigranten in een niet meer als zodanig gebruikte (agrarische) bedrijfswoning Onzelfstandige huisvesting in een reguliere woning Tijdelijke niet-recreatieve bewoning van een recreatieverblijf Gebruik van een reguliere woning als zorgwoning Bijlage I Begrenzing centrumgebied Bijlage II Begrenzing Dronten-Noord Bijlage III Stedenbouwkundige voorschriften Bijlage IV Voorschriften Toelichting
2
28 29 29 29 30 30 30 31 32 33 34 42 32
Hoofdstuk 1
Inleidende opmerkingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op grond van artikel 2.1, eerst lid, onder c, Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. Door middel van een omgevingsvergunning kan het met het bestemmingsplan of beheersverordening1 strijdige bouwplan of gebruik worden toegestaan. De Wabo geeft hiertoe in artikel 2.12, lid 1, aanhef en onder a, drie mogelijkheden: 1. binnenplanse afwijking, 2. reguliere buitenplanse afwijking op grond van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), ook wel ‘de kruimelgevallenlijst’ genoemd, 3. de uitgebreide buitenplanse afwijking (projectafwijkingbesluit). Hieronder volgt een korte toelichting per categorie. 1. Wanneer een aanvraag strijdig is met het bestemmingsplan, maar wel voldoet aan de voorwaarden genoemd in het bestemmingsplan voor afwijking (binnenplanse afwijkingsmogelijkheid), kan in beginsel vergunning worden verleend, nu de gemeenteraad een afwijking die aan de genoemde voorwaarden voldoet aanvaardbaar heeft geacht. 2. De reguliere buitenplanse afwijking is geregeld in artikel 4 van bijlage II van het Bor (de “kruimelgevallenlijst”). Dat is waar deze beleidsregels primair op zien.
Als een situatie is genoemd in artikel 4 van bijlage II en tevens voldoet aan onderhavige beleidsregels, wordt in beginsel medewerking verleend aan het verstrekken van de gevraagde omgevingsvergunning. Deze beleidsregels zijn ook van toepassing in het geval een activiteit valt onder artikel 3 van Bijlage II van het Bor. In dit artikel worden zonder vergunning een aantal bouwactiviteiten toegestaan. Het kan zijn dat de activiteit “bouwen” vergunningsvrij is, maar dat er wel een omgevingsvergunning vereist voor afwijking van het gebruik van het bestemmingsplan. In beginsel zal omgevingsvergunning worden verleend, wanneer verlening van de vergunning geen strijd oplevert met de onderhavige beleidsregels. 3. Op grond van de Wabo kan omgevingsvergunning worden verleend door middel van een projectafwijkingbesluit. Voorwaarde voor verlening van een omgevingsvergunning op deze grondslag is dat het project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Een aanvraag om een projectafwijkingbesluit wordt per concrete aanvraag beoordeeld. Een nader toetsingskader in de vorm van beleidsregels is niet wenselijk. Het is namelijk niet goed mogelijk om te voorzien welke projecten zullen worden aangevraagd en welke feiten en omstandigheden aan de orde zijn die in de overwegingen moeten worden betrokken voor het al dan niet meewerken aan de vergunningverlening.
Als echter sprake is van een afwijkend gebruik waarover in dit Afwijkingenbeleid beleidsregels zijn gegeven, geldt dit beleid wel als toetsingskader. Een voorbeeld hiervan betreft artikel 9.3 dat ziet op de grootschalige huisvesting voor studenten en tijdelijke arbeidsmigranten. Voor aanvragen om projectafwijkingbesluiten voor de realisering van voornoemde grootschalige huisvesting geldt artikel 9.3 als toetsingskader. Hierbij moet worden opgemerkt dat voor het nemen van een projectafwijkingsbesluit een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad nodig is en dat de raad niet aan dit Afwijkingenbeleid is gebonden. De raad beslist geheel zelfstandig of of een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) zal worden verleend.
1
Wanneer hierna wordt gesproken over ‘afwijking van een bestemmingsplan’, moet daar tevens onder worden verstaan ‘afwijking van een beheersverordening’.
3
Het opheffen van de strijdigheid met het bestemmingsplan door middel van verlening van een omgevingsvergunning met een van de drie hierboven beschreven mogelijkheden, betreft overigens een bevoegdheid van burgemeester en wethouders en geen plicht. Herziening of wijziging van een bestemmingsplan Strijd met een bestemmingsplan kan ook worden opgeheven door een verzoek om herziening of wijziging daarvan. Dit betreft een bevoegdheid van de gemeenteraad. Zoals hiervoor al opgemerkt, is de raad niet gebonden door deze beleidsregels. De raad kan de in hoofdstuk 9, bijzondere woonvormen, opgenomen regels desondanks wel betrekken als kader voor de beoordeling van een aanvraag. In dat geval kwalificeert hoofdstuk 9 echter niet als beleid als bedoeld in artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht. Het voldoen aan de onderhavige beleidsregels brengt dan ook niet automatisch met zich dat wordt meegewerkt aan de gevraagde herziening of wijziging van het bestemmingsplan. Algemene wet bestuursrecht (Awb) en beleidsregels Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een bestuursorgaan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitoefening van een aan dat bestuursorgaan toekomende bevoegdheid.
Door middel van het in deze beleidsregel geformuleerde beleid wordt duidelijkheid gegeven wanneer het college gebruik maakt van de bevoegdheid om van de regels van een bestemmingsplan af te wijken. De beleidsregels dienen daarmee de rechtszekerheid. Daarnaast zal ter motivering van een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning in veel gevallen kunnen worden volstaan met een verwijzing naar deze beleidsregels. Artikel 4:84 Awb bepaalt dat een bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (= inherente afwijkingsmogelijkheid). Afwijken van een beleidsregel is alleen mogelijk en geboden, wanneer strikte naleving van de beleidsregel, gelet op de strekking van de beleidsregel en de onderliggende wettelijke regeling in het concrete geval niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel voor de belanghebbenden oplevert. Volgens de geldende jurisprudentie2 dienen alle omstandigheden van het geval bij de beoordeling te worden betrokken – ook die die bij het opstellen van de beleidsregel zijn verdisconteerd, dan wel moeten worden geacht te zijn verdisconteerd.
Er moet worden bezien of de omstandigheden op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De Coronacrisis en het Afwijkingenbeleid Als gevolg van de ten tijde van de vaststelling van de vigerende visie van het Afwijkingenbeleid bestaande Coronacrisis, is het goed mogelijk dat de Nederlandse regering al dan niet bindende regels aan gemeenten zal opleggen met betrekking tot de huisvesting van arbeidsmigranten (of andere vergelijkbare woonvormen). Wanneer dat gebeurt, zal de gemeente Dronten genoodzaakt zijn om deze regels na te volgen en zo nodig te implementeren in het Afwijkingenbeleid. Een en ander kan van invloed zijn op alle nieuwe en lopende vergunningaanvragen. Voorts kunnen deze regels van invloed zijn op bestaande huisvestingsituaties.
2
ABRvS d.d. 26-10-2016, zaaknr. 201507715/1/A3.
4
HOOFDSTUK 2
BEGRIPPENKADER
2.1 Algemeen Definities van begrippen zijn niet gegeven, indien deze reeds zijn gedefinieerd in de Wabo, Wet ruimtelijke ordening of de Woningwet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving van de centrale overheid. Voor definities en wijze van meten geldt de omschrijving van het bestemmingsplan dat van toepassing is op het project waarvoor vergunning wordt gevraagd. Indien het bestemmingsplan daarin niet voorziet, zijn de definities en de wijze van meten van toepassing zoals in de onderhavige beleidsregels opgenomen. 2.2 Definities 1. Bed & Breakfast: het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt binnen de bestaande gebouwen aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben. 2. Bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. 3. Beheersplan: document in verband met de huisvesting van studenten of arbeidsmigranten dat regels bevat inzake veiligheid en ter voorkoming van overlast. 4. Carport: aan de zijgevel van een woning aangebouwde overkapping met niet meer dan twee wanden zijnde de zijgevel van de woning en de voorgevel van het aan de woning gebouwde bijbehorende bouwwerk. 5.
Dakkapel: uitbouw met één of meer ramen, gebouwd op een schuin dakvlak van een gebouw, waarvan alle zijden zijn gelegen binnen de grenzen van dat schuine dakvlak. 6. Dakopbouw: uitbouw met één of meer ramen, gebouwd op een dak van een gebouw. 7. Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 8. Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 9. Goothoogte: de hoogte gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met uitzondering van dakkapellen, dakopbouwen, wolfseindekappen en het hoogste punt van lessenaarsdaken. 10. Grondgebonden woning: een woning, niet zijnde een woning onderdeel uitmakende van een woongebouw, die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen aansluit op het maaiveld. 11.
Hoofdverblijf: bewoning in eenzelfde verblijf door eenzelfde persoon of dezelfde personen gedurende meer dan de helft van een jaar, in combinatie met de omstandigheid dat de plaats van het verblijf fungeert als centrum van de sociale, maatschappelijke of financiële activiteiten. 12. Horecabedrijf: het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie. 13. Internetwinkel: detailhandel waarbij een (potentiële) koper enkel en alleen via internet de aangeboden goederen kan bekijken en aankopen, en waarbij de te verhandelen goederen op het perceel waarop het bedrijf is gevestigd mogen worden opgeslagen en waarvandaan deze, indien er sprake is van opslag op het perceel, worden verzonden aan de koper. 14. Kringloopwinkel: een stichting of vereniging, welke gebruikte goederen inzamelt, selecteert, sorteert en (eventueel) repareert en deze vervolgens te koop aanbiedt, waarbij de opbrengsten uit de verkoop worden gebruikt voor dekking van de gemaakte kosten en/of het financieel ondersteunen van een of meer ideële doelen. 5
15. Overkapping: een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een overdekte ruimte, al dan niet omsloten door maximaal drie wanden. 16. Peil: a. voor een bouwwerk op een perceel waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter hoogte van de hoofdingang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd: de hoogte van het terrein ter plaatse van het meest nabijgelegen punt waar het water grenst aan het vaste land. 17. Permanente bewoning: de plaats waar een persoon zijn of haar hoofdverblijf heeft. 18. Projectafwijkingbesluit: een omgevingsvergunningprocedure als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3º van de Wabo. 19. Prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 20. Recreatieverblijf: Een (deel van een) gebouw dat naar aard en inrichting is bedoeld voor verblijfsrecreatie. 21. Seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar. 22. Site-sharing: het delen van antenne-installaties door verschillende operators. 23. Tijdelijke arbeidsmigrant: een tijdelijk in Nederland werkzame persoon met een andere dan de Nederlandse nationaliteit. 24. Verblijfsrecreatie: een vorm van recreatie gericht op verblijf van recreanten die elders hun hoofdverblijf hebben, voor een bepaalde periode waarbij tenminste één overnachting plaatsvindt. 25. Voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de gevelindeling en/of situering van de oprit en/of de voortuin als meest representatieve gevel van het gebouw dient te worden aangemerkt. 26. Woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 27. Woongebouw: een gebouw of gedeelte van een gebouw, in welk gebouw of welk gedeelte twee of meer woningen zijn gelegen die zijn te bereiken door een of meer gemeenschappelijke verkeersruimten. 28.
Zijerf: erf aan de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan één meter van de voorkant, van het hoofdgebouw. 29. Zorgwoning: een woning met bijbehorende voorzieningen, waaronder verblijfsruimten, voor de huisvesting van personen die bij hun normale, dagelijkse functioneren sociale, sociaal-medische en/of medische begeleiding behoeven.
6
HOOFDSTUK 3
ALGEMENE REGELS
Voor alle niet binnenplanse aanvragen om door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van de bepalingen van een bestemmingplan gelden de volgende algemene regels: 1. Indien een aangevraagde activiteit valt binnen de reikwijdte van de in een bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheden, niet zijnde de algemene binnenplanse afwijkingsbevoegdheden, maar niet wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan vermelde voorwaarden voor vergunningverlening, wordt geen omgevingsvergunning verleend voor een buitenplanse afwijking. 2. Indien een aangevraagde activiteit ziet op een gebruik waarover in het Afwijkingenbeleid regels zijn opgenomen, maar de activiteit met die regels in strijd is, wordt de gevraagde vergunning geweigerd, tenzij de aanvraag niet strijdig is met een ontwerpbestemmingsplan dat reeds ter inzage is gelegd. 3. Voor activiteiten die vallen binnen de reikwijdte van artikel 4 van Bijlage II van het Bor, maar waarvoor in deze beleidsregels niet expliciet een regeling is opgenomen, worden maatwerkbeoordelingen uitgevoerd. 4. Indien een aangevraagde activiteit valt binnen de reikwijdte van artikel 3 of 4 van Bijlage II van het Bor, maar strijdig is met onderhavige beleidsregels, wordt geen medewerking verleend aan een procedure tot een projectafwijkingbesluit. 5.
Indien er sprake is van een aanvraag om omgevingsvergunning voor bepaalde tijd die niet voldoet aan de in het Afwijkingenbeleid genoemde voorwaarden voor vergunningverlening, staat dit niet in de weg aan vergunningverlening, indien de feiten en omstandigheden van het geval zich hier niet tegen verzetten. 6. Wanneer er sprake is van natuur-, bos, groen-, tuin-, verkeersdoeleinden-, verblijfsdoeleindenbestemmingen of vergelijkbare bestemmingen, wordt geen medewerking verleend aan vergunningverlening voor het bouwen van bouwwerken die op grond van de betreffende bestemming niet zijn toegestaan, tenzij er sprake is van: a. een bijbehorend bouwwerk, dat functioneel is verbonden met en wordt aangebouwd aan een op een aangrenzend perceel gelegen hoofdgebouw; in dat geval kan, indien de feiten en omstandigheden van het geval daartoe voldoende aanleiding geven, op basis van maatwerk worden afgeweken van de in de aanhef omschreven hoofdregel; b. verkoop van gemeentegronden ten behoeve van het vergroten van het woongenot, waarbij, indien de overdracht van de gronden formeel heeft plaatsgevonden, aan de hand van onderhavige beleidsregels wordt beoordeeld of vergunning kan worden verleend voor het te bouwen bouwwerk. 7.
Vergunning wordt niet verleend voor het oprichten van bebouwing binnen een zone van 10,00 meter van de niet naar de weg gekeerde perceelgrenzen op percelen, gelegen buiten de bebouwde kom, waar volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan een bebouwingsvrije zone aanwezig dient te zijn. 8. Niet wordt meegewerkt aan vergunningverlening voor projecten welke kennelijk tot doel hebben om een seksinrichting te realiseren. 9. De gevraagde omgevingsvergunning wordt in beginsel geweigerd, indien aanvrager weigert een planschadeverhaalsovereenkomst met de gemeente aan te gaan.
7
Toelichting Aanhef Alle aanvragen om omgevingsvergunning die impliciet of expliciet een verzoek om afwijking van het bestemmingsplan inhouden, dienen in beginsel aan de bovenstaande algemene regels te voldoen, alvorens aan toetsing aan de specifieke regels uit de navolgende hoofdstukken kan worden toegekomen. Artikel 1 Aan de voorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen voor verlening van een omgevingsvergunning voor een binnenplanse afwijking, ligt een ruimtelijke visie ten grondslag. Een project dat niet voldoet aan deze voorwaarden, is dus strijdig met deze ruimtelijke visie, en daarmee in beginsel strijdig met een goede ruimtelijke ordening. Artikel 2 Wanneer een aanvraag om omgevingsvergunning voldoet aan de onderhavige beleidsregels, wordt in beginsel medewerking verleend aan het verstrekken van de gevraagde omgevingsvergunning. Het omgekeerde geldt eveneens: wanneer niet wordt voldaan aan de beleidsregels, wordt de gevraagde vergunning in beginsel geweigerd. Vergunning wordt in het laatste geval wel verleend indien de aanvraag past binnen een ontwerpbestemmingsplan. Dat ontwerpplan geeft de meest recente ruimtelijke visie weer voor het betreffende gebied, zodat strijd met de beleidsregels ter zake onvoldoende motief vormt om de vergunning te weigeren. Vereist voor een positief besluit op de aanvraag is wel dat dat ontwerp reeds ter inzage is gelegd.
Wanneer de aanvraag strijdig is met de bestemming zoals opgenomen in het ontwerpplan, maar voldoet aan de voorwaarden voor een binnenplanse afwijking van het ontwerpplan, wordt niet meegewerkt aan de vergunningverlening. Artikel 3 In het Afwijkingenbeleid zijn vaak voorkomende activiteiten geregeld. Met het bestemmingsplan strijdige activiteiten die niet zijn geregeld in het Afwijkingenbeleid, maar passen in een van de categorieën genoemd in van artikel 4 van Bijlage II van het Bor, worden per aanvraag individueel gemotiveerd (= maatwerkbeoordeling). Indien er voldoende overeenkomsten zijn tussen het gevraagde en een wel in het Afwijkingenbeleid geregelde categorie van gevallen, kan de betreffende beleidsregel analoog worden toegepast op de gevraagde activiteit. Artikel 4 Wanneer een met het bestemmingsplan strijdige aanvraag valt binnen de reikwijdte van artikel 3 of 4 van Bijlage II van het Bor, maar strijd oplevert met de onderhavige beleidsregels, wordt geen medewerking verleend aan een procedure tot projectafwijking. Dat een dergelijk project met toepassing van deze beleidsregels niet mogelijk is gemaakt, betekent immers dat realisering van dat project strijd oplevert met de ruimtelijke visie en daarmee in beginsel met een goede ruimtelijke ordening. Een en ander is in overeenstemming met vaste jurisprudentie over dit onderwerp.
Artikel 5 Het is niet ondenkbaar dat er (ruimtelijke) bezwaren kunnen bestaan die pleiten tegen verlening van een omgevingsvergunning om voor onbepaalde tijd van het bestemmingsplan af te wijken, terwijl tegen verlening van een omgevingsvergunning voor bepaalde tijd dergelijke bezwaren niet bestaan. Dit verschil kan worden verklaard uit het tijdelijke karakter van de laatstgenoemde categorie. Immers, het tijdelijke karakter impliceert in beginsel dat de ruimtelijke gevolgen van de afwijking na afloop van de gegeven termijn weer ongedaan moet worden gemaakt, zodat de feitelijke situatie weer in overeenstemming met het bestemmingsplan zal worden gebracht. 8
Artikel 6 In beginsel wordt geen vergunning verleend voor het oprichten van bouwwerken op bestemmingen waar bouwwerken (expliciet) niet zijn toegestaan. Gedacht kan worden aan bestemmingen als bos, groen, verkeer, verblijfsdoeleinden, tuin, etc. Op gronden met dergelijke bestemmingen is het niet de bedoeling dat gebouwen worden opgericht die niet ten dienste staan van deze bestemmingen. Daarvoor vergunning verlenen zou afbreuk doen aan de principiële keuze om op de gronden geen bouwwerken toe te staan. Een uitzondering op het voorgaande is in lid a gemaakt in geval er sprake is van een bijbehorend bouwwerk, dat functioneel is verbonden met en wordt aangebouwd aan een op een aangrenzend perceel gelegen hoofdgebouw; in dat geval kan, indien de feiten en omstandigheden van het geval daartoe voldoende aanleiding geven, op basis van maatwerk worden afgeweken van de in de aanhef omschreven hoofdregel. Ook het gestelde in lid b betreft een uitzondering op de hoofdregel en wel in het geval het gronden betreft die van de gemeente zijn gekocht en bij het perceel van een woning worden gevoegd (bijvoorbeeld gronden met een bestemming openbare groen die wordt gekocht van de gemeente om bij het woonperceel te voegen) kan van deze regel worden afgeweken. In dat geval wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van de voor het te bouwen bouwwerk geldende regels.
Vanzelfsprekend staat artikel 6 niet in de weg aan vergunningverlening om bouwwerken te bouwen die strijdig zijn met bestemmingen als wonen, bedrijventerrein, detailhandelvoorzieningen, etc. Op dergelijke gronden is immers diverse bebouwing ten behoeve van wonen, bedrijfsactiviteiten etc. toegestaan en is de strijd met het bestemmingsplan vaak gelegen in afwijkingen van maximale bouwhoogten, oppervlakten, bouwen buiten bouwvlak etc. Artikel 7 Dit lid ziet feitelijk op de regeling in welke in sommige bestemmingsplannen is opgenomen met betrekking tot het hebben en in stand houden van een erfsingel. Artikel 8 Seksinrichtingen worden zo veel als mogelijk is geweerd binnen de gemeente Dronten. Alleen waar deze volgens een bestemmingsplan expliciet zijn toegestaan, kunnen deze inrichtingen worden gerealiseerd. Artikel 9 Het door middel van een omgevingsvergunning toestaan dat wordt afgeweken van het bepaalde in een bestemmingsplan kan planschade bij derden veroorzaken. Daar er in dit geval sprake is van een aanvrager die een project wil realiseren dat strijdig is met het bestemmingsplan, is het niet meer dan redelijk dat deze ook opdraait voor de uit de vergunningverlening voortvloeiende planschade en niet de gemeente Dronten. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening kan een gemeente met een aanvrager een hiertoe een planschadeverhaalsovereenkomst sluiten.
In beginsel zal de gemeente Dronten de aanvrager dan ook verzoeken een dergelijke overeenkomst met haar aan te gaan. Wanneer de aanvrager weigert de overeenkomst aan te gaan, zal de gevraagde vergunning in beginsel worden geweigerd. Het aangaan van een overeenkomst als voornoemd kan door de gemeente achterwege worden gelaten bij kleine projecten waarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld dat uit de vergunningverlening geen planschade zal voortvloeien.
9
HOOFDSTUK 4
BIJBEHORENDE BOUWWERKEN
4.1 Algemeen 1. Wanneer in dit hoofdstuk wordt gesproken over een woning dan wordt hieronder uitsluitend een grondgebonden woning verstaan. 2. In geval het perceel waarop het aangevraagde te bouwen bijbehorend bouwwerk is voorzien, is gelegen buiten de bebouwde kom, wordt van de afwijkingsbevoegdheid slechts gebruik gemaakt, indien de totale maximum oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, dat door middel van deze afwijkingsbevoegdheid mogelijk is of wordt gemaakt, de 150m² niet overschrijdt. 4.2 Bouwen vóór de voorgevel van een woning Bij woningen zijn erkers en boven de voordeur geplaatste luifels toegestaan, met dien verstande dat: 1. De maximum diepte, gemeten loodrecht op de gevel waaraan gebouwd wordt, bedraagt maximaal 40 % van de afstand tot de voorste perceelgrens met een absoluut maximum van 1,50 m, tenzij de bestaande afstand tot de voorste perceelgrens kleiner is, in welk geval de bestaande afstand tot de voorste perceelgrens als minimum geldt. 2. De breedte van een erker en een luifel in ieder geval niet meer mag bedragen dan respectievelijk 2/3 en 1/3 van de breedte van de gevel van de woning. 3. De hoogte niet meer mag bedragen dan 0,30 m boven de vloer van de tweede bouwlaag van de woning en in geval er sprake is van een uit één bouwlaag bestaande woning mag de hoogte niet meer bedragen dan de goothoogte. 4.
De afstand vanaf de voorzijde van de erker of de luifel tot de voorste perceelgrens ten minste 2,50 m bedraagt. 4.3 Bouwen achter de voorgevel van een woning 1. De afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen, zoals bepaald in het van toepassing zijnde bestemmingsplan, wordt niet overschreden. 2. De afstand tot de voorgevel dient minimaal 3,00 m te bedragen. 3. De goothoogte van een aan de woning gebouwd bijbehorend bouwwerk mag niet meer bedragen dan 0,30 m boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. 4. De goot- en bouwhoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3,00 m en 5,00 m. 5. De gezamenlijke grondoppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een woning, mag niet meer dan 66,00 m² bedragen, mits de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ten hoogste 50% bedraagt van de oppervlakte van het bij de woning behorende bebouwingsgebied. 6. De gezamenlijke grondoppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een woning mag worden vergroot tot een maximum van 150 m², mits de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ten hoogste 25% bedraagt van de oppervlakte van het bij de woning behorende bebouwingsgebied. 7.
In geval van uitbreiding voor sociaal medische doeleinden, mantelzorg en/of het levensloopbestendig maken van de woning, is maximaal 100,00 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. 4.4 Carport bij een woning 1. De afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen, zoals bepaald in het van toepassing zijnde bestemmingsplan, wordt niet overschreden. 2. De goot- en bouwhoogte van een carport mag maximaal 3,00 m bedragen. 3. De afstand van een carport tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan bedraagt minimaal 0,50 meter achter de voorgevel. 4. In zijtuinen die grenzen aan het openbaar toegankelijk gebied mag een carport worden opgericht, met dien verstande dat de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 1,00 meter bedraagt.
10
5. De gezamenlijke grondoppervlakte zoals genoemd in artikel 4.2 leden 5, 6 en 7 mag met het realiseren van een carport niet worden overschreden. 6. De grens met de voorgevel van het hoofdgebouw mag alleen worden overschreden, indien er sprake is van een legaal bouwwerk, niet zijnde een bouwwerk als bedoeld in artikel 4.2, dat direct of indirect met het hoofdgebouw is verbonden, waarbij de hoogte van de carport in ieder geval niet hoger mag zijn dan de hoogte van het betreffende bouwwerk. 4.5 Bouwen op een bedrijventerrein 1. Tenminste 20% van de oppervlakte van het perceel dient in alle gevallen onbebouwd te blijven. 2. Op het perceel moet voldoende parkeerruimte op grond van de vigerende versie van ‘Nota Parkeernormen Dronten’ en voldoende manoeuvreerruimte aanwezig blijven. 3. Indien het oorspronkelijke hoofdgebouw een grotere goothoogte heeft dan het bestemmingsplan maximaal toelaat, mag de goothoogte van het aangevraagde project eveneens maximaal die van het oorspronkelijke hoofdgebouw bedragen. 4.6 Bouwen bij een bedrijfswoning In het geval van het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning geldt het bepaalde in de artikelen 4.1, 4.2 met uitzondering van lid 7, 4.3 en 5.3. 4.7 Ondergronds bouwen 1.
Het project dient te zijn geprojecteerd binnen de contouren van het hoofdgebouw, niet zijnde een bijbehorende bouwwerk en binnen de rooilijnvoorschriften uit de vigerende bouwverordening, indien het bestemmingsplan geen rooilijnvoorschriften bevat. 2. De hoogte, gemeten vanaf de bovenkant van de afgewerkte keldervloer tot aan de onderkant van de begane grondvloer, bedraagt maximaal 3,00 m. 4.8 Bouwen bij een recreatieverblijf Geen vergunning wordt verleend voor afwijkingen van het bestemmingsplan voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij recreatieverblijven.
11
Toelichting Het betreft hier bijbehorende bouwwerken zoals gedefinieerd in artikel 1, bijlage II van het Bor. Met artikel 4.1 lid 2 wordt duidelijk gemaakt dat het planologisch niet wenselijk wordt geacht dat buiten de bebouwde kom voor meer dan 150m² aan bijbehorende bouwwerken worden gebouwd en dat daarvoor dus geen omgevingsvergunning wordt verleend, ook niet door middel van een projectafwijkingsbesluit. 4.2 Bouwen vóór de voorgevel van een woning In beginsel is het bouwen van bijbehorende bouwwerken vóór de voorgevel stedenbouwkundig ongewenst en wordt aan vergunningverlening hiervoor dan ook niet meegewerkt. In het geval van erkers en luifels wordt van deze hoofdregel afgeweken, daar zij, mits zij voldoen aan de in artikel 4.2 gestelde voorwaarden, ruimtelijk bezien geen negatief effect sorteren. 4.3 Bouwen achter de voorgevel van een woning De beleidsregels sluiten voor wat betreft deze bouwwerken zoveel mogelijk aan op de uitgangspunten van de meest recente bestemmingplannen voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken. De beleidsregels op dit onderdeel hebben primair tot doel om te komen tot een eensluidende regeling in de gehele gemeente. In beginsel wordt niet beoogd de bouwmogelijkheden die de meest recente bestemmingsplannen bieden nog verder uit te breiden.
Een dergelijke uitbreiding wordt uit stedenbouwkundig oogpunt en uit het oogpunt van behoud van tuinen en erven als onwenselijk beschouwd. Lid 6 ziet op grote percelen. 4.4 Carport bij een woning Een carport die voldoet aan de definitie uit hoofdstuk 2 is op grond van de definitie – eveneens uit hoofdstuk 2 – van ‘overkapping’ een overkapping. Op grond van artikel 1 van Bijlage II van het Bor is een dergelijke carport tevens een ‘bijbehorend bouwwerk’. Door een carport toe te staan tot minimaal 0,50 m achter de voorgevel van een woning, zal deze geen onderdeel uitmaken van het gevelbeeld van de woningen. Dit te meer gelet op het transparante karakter van een carport. Het straatbeeld en de kwaliteit van de openbare ruimte zal niet of nauwelijks worden aangetast. Voorbeeld bij artikel 4.4, lid 6 Deze foto geeft een voorbeeld van de bijzondere situatie dat een carport vóór de voorgevel van het hoofdgebouw kan worden opgericht.
4.5 Bouwen op bedrijfs- en industrieterrein In het algemeen bieden de bouwvoorschriften op bedrijfs- en industrieterreinen voldoende bouwmogelijkheden voor het gemiddelde bedrijf. Desondanks komt het voor dat er in bepaalde gevallen iets ruimere bouwmogelijkheden benodigd zijn. Voor die gevallen is artikel 12
4.4 in het leven geroepen. De bouwmogelijkheden die met dit artikel worden gecreëerd wijken niet zodanig af van de mogelijkheden die op grond van bet bestemmingsplan mogelijk zijn, dat er snel sprake zal zijn van een ongewenste aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van het gebied. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn de eisen die aan bedrijventerreinen worden gesteld in de regel toch al minder hoog dan in bijvoorbeeld woongebieden. 4.6 Bouwen bij een bedrijfswoning Er bestaan ruimtelijk geen bezwaren om de regeling uit artikel 4.3 – voor het merendeel ook van toepassing te laten zijn op bouwmogelijkheden bij bedrijfswoningen. De regeling ziet op alle bedrijfswoningen, dus zowel die welke zijn gelegen binnen als buiten de bebouwde kom. 4.7 Ondergronds bouwen Volgens vaste jurisprudentie telt ondergronds bouwen mee bij het bepalen van de inhoud van een hoofdgebouw indien het bestemmingsplan geen onderscheid maakt tussen ondergronds en bovengronds bouwen. De omstandigheid dat meetvoorschriften uitgaan van het meten van inhoud en oppervlakte boven peil, maakt dit niet anders. De bouwvoorschriften gaan boven de meetvoorschriften, die in dit verband een ondergeschikt karakter hebben. Met andere woorden: uit de bouwvoorschriften moet het onderscheid tussen bovengronds en ondergronds bouwen blijken.
Nu niet alle bestemmingsplannen een onderscheid tussen bovengronds en ondergronds bouwen maken in de vorenbedoelde zin, is het niet altijd meer mogelijk ondergronds te bouwen, daar het hoofdgebouw reeds de volgens de bestemming maximale inhoud heeft. Toch is het in bepaalde gevallen wenselijk om ondergronds bouwen (meestal het bouwen van een kelder) toe te staan. Ruimtelijk bezien bestaan er weinig bezwaren tegen ondergronds bouwen, daar dit in de regel niet of nauwelijks zichtbaar is. Wanneer aan de voorwaarden van artikel 4.7 wordt voldaan, zal worden meegewerkt aan vergunningverlening. 4.8 Bouwen bij een recreatieverblijf Een reguliere woonomgeving heeft een andere ruimtelijke uitstraling dan een recreatieve woonomgeving. Wanneer recreatieverblijven dezelfde bouwmogelijkheden zouden hebben als reguliere woningen, zullen recreatieve woonomgevingen gaan lijken op reguliere. Dit is een ongewenste situatie. Beide woonomgevingen moeten hun eigen specifieke karakter behouden. Daarnaast zijn recreatieverblijven veelal in kwetsbare gebieden gelegen. Bouwmogelijkheden die behoren bij reguliere woningen zouden afbreuk doen aan het karakter van deze gebieden en zouden tevens permanente bewoning van de recreatieverblijven in de hand werken.
Permanente bewoning heeft vervolgens weer tot gevolg dat een recreatieve woonomgeving meer en meer het karakter krijgt van een reguliere woonomgeving. Om voornoemde redenen zijn in bestemmingsplannen de bouwmogelijkheden van en bij recreatieverblijven beperkt en wordt op dit punt geen medewerking verleend aan afwijking van het bestemmingsplan.
13
HOOFDSTUK 5
BOUWWERKEN GEEN GEBOUW ZIJNDE
5.1 Erfafscheiding woning Voor een erfafscheiding bij een woning zal vergunning worden verleend, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. De constructie is maximaal 2,00 m hoog. 2. De erfafscheiding is tenminste 1,00 m achter de voorgevel geplaatst. 3. De constructie moet boven de 0,60 m voor minimaal 80% transparant zijn en mag niet gebruikt worden om daarop afschermende materialen te bevestigen, levende beplanting uitgezonderd. 4. De constructie mag niet gebruikt worden om te dienen als wand voor andere bouwwerken. 5. De constructie dient in haar geheel te worden beplant met planten die gedurende het gehele jaar hun bladeren blijven behouden. 6. De beplanting dient aanwezig te blijven (in de omgevingsvergunning zal een beplantingen instandhoudingsplicht van de beplanting worden opgenomen). 7. Dode planten dienen zo spoedig mogelijk te worden vervangen. 8. De planten dienen bij het plaatsen tenminste van gelijke hoogte te zijn als de constructie. 5.2 Erfafscheiding bedrijventerrein Wanneer er sprake is van een bedrijfs- of industrieterrein mag ter afsluiting van het bedrijfsperceel een hekwerk met een open constructie en een maximale hoogte van 2,00 m vóór de voorgevelrooilijn worden opgericht. 5.3 Overkapping met maximaal één wand Op overkappingen met maximaal één wand is het bepaalde in artikel 4.4 van toepassing.
14
Toelichting 5.1 Erfafscheiding woning Erfafscheidingen tot 1,00 m kunnen vóór (het verlengde van) de voorgevel vergunningsvrij worden geplaatst. Erfafscheidingen tot 2,00 m kunnen in beginsel achter de voorgevel ook vergunningsvrij worden geplaatst. Vergunningsvrij is er dus veel – en bijna voldoende mogelijk. In de praktijk is er echter behoefte bij de eigenaren van woningen wiens zijerf grenst aan het openbaar toegankelijk gebied, om ook dit zijerf met een hogere erfafscheiding dan 1,00 m af te bakenen. Vergunningsvrij kan weliswaar een erfafscheiding tot 2,00 m worden gebouwd, maar dit is alleen mogelijk, indien de erfafscheiding op minimaal 1,00 m van het openbaar toegankelijk gebied wordt geplaatst. Deze voorwaarde van het plaatsen van een erfafscheiding op een afstand van minimaal 1,00 m van het openbaar toegankelijk gebied beperkt het gebruik van het erf, hetgeen een door de meeste eigenaren van woningen niet gewenste situatie is. Zij willen maximaal gebruik van het perceel kunnen maken, waarbij tevens hun privacy gewaarborgd blijft. Een passende oplossing voor dit dilemma geeft de regeling in artikel 5.1 in de vorm van een grotendeels transparante erfafscheiding die is voorzien van klimbeplanting. Een dergelijke erfafscheiding geeft de eigenaren enerzijds de gewenste privacy, terwijl anderzijds een open en groen karakter van het openbaar gebied wordt gewaarborgd.
Een dergelijk karakter is esthetisch meer gewenst dan dichte erfafscheidingen van bijvoorbeeld steen of hout. Overigens dient in dit verband te worden opgemerkt dat zelfstandig staande groenvoorzieningen (coniferen/hagen/heggen) geen bouwwerken zijn en dus sowieso vergunningsvrij kunnen worden geplaatst, ongeacht hun hoogte en locatie. Gelet op onder meer de verkeersveiligheid is het ten slotte uitsluitend toegestaan om de erfafscheiding 1,00 m achter de voorgevelrooilijn te plaatsen. Het gestelde in de leden 3 tot en met 8 wordt als voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. 5.2 Erfafscheiding bedrijventerrein Erfafscheidingen tot een hoogte van maximaal 1,00 m zijn op grond van het Bor vergunningsvrij. Alle hogere erfafscheidingen geplaatst vóór de voorgevel zijn vergunningplichtig. Aan vergunningverlening voor hogere erfafscheidingen dan 1,00 m vóór de voorgevel wordt in principe niet meegewerkt, daar dit in beginsel ruimtelijk gezien als ongewenst wordt beschouwd. Een afwijking van dit uitgangspunt is gerechtvaardigd ten aanzien van erfafscheidingen bij bedrijven of inrichtingen op een bedrijfs- of industrieterrein. Dit is een gevolg van de specifieke belangen van bedrijven en inrichtingen en de behoefte dit terrein af te sluiten en beveiligen.
Daarom is bepaald dat meegewerkt wordt aan vergunningverlening voor het plaatsen van een erfafscheiding vóór de voorgevel tot een hoogte van 2,00 m. Een strikte voorwaarde hierbij is dat de erfafscheiding een hekwerk is. Door de open structuur van het hekwerk blijft het open karakter van het bedrijfs- of industrieterrein in voldoende mate gewaarborgd. 5.3 Overkapping Een overkapping met maximaal één wand is geen gebouw, maar een bouwwerk, geen gebouw zijnde. Daar een overkapping in de in dit artikel bedoelde zin vaak eenzelfde functie zal hebben als een carport (artikel 4.4) en in vergelijkbare mate eenzelfde ruimtelijk uitstraling zal hebben, is artikel 4.4 van overeenkomstige toepassing.
15
HOOFDSTUK 6
DAKKAPPELLEN EN DAKOPBOUWEN
6.1 Dakkapel 1. Dakkapellen zijn alleen toegestaan op een (bedrijfs)woning of op een hieraan aangebouwd bijbehorend bouwwerk. 6.2 Dakopbouw en soortgelijke uitbreidingen 6.2.1 Algemene regels 1. De dakopbouw of soortgelijke uitbreiding bestaat uit maximaal één bouwlaag; 2. De dakopbouw of soortgelijke uitbreiding is alleen toegestaan op een plat dak of op een dak met een dakhelling van maximaal 30⁰. 6.2.2 Op een plat dak van een (bedrijfs)woning 1. er is sprake van een (bedrijfs)woning met niet meer dan twee bouwlagen (exclusief dakopbouw); 2. de maximale hoogte bedraagt, gemeten ten opzichte van de bestaande dakrand, 3,00 m; 3. de afstand tot de voor-, en achtergevel bedraagt minimaal 1,00 m; 4. de afstand tot de zijgevel bedraagt minimaal 1,00 m, tenzij er sprake is van een woningscheidende wand: in dat geval mag de opbouw tot aan de woningscheidende wand worden gebouwd; 5. de dakopbouw bedraagt maximaal 75% van de oppervlakte van de dakvloer. 6.2.3 Op een hellend dak van een (bedrijfs)woning door geveldoortrekking 1. er is sprake van een (bedrijfs)woning met niet meer dan één bouwlaag met een kap; 2. de bovenzijde van het dak van de dakopbouw ligt tenminste 0,20 m onder de daknok; 3. de afstand tot de zijgevel bedraagt minimaal 1,00 m, tenzij er sprake is van een woningscheidende wand: in dat geval mag de opbouw tot aan de woningscheidende wand worden gebouwd.
6.2.4 Op een hellend dak van een (bedrijfs)woning door nokverhoging 1. de nokverhoging vindt plaats door het verlengen van het voordakvlak, waardoor de nok naar achteren verschuift; 2. de nok mag, verticaal gemeten, maximaal 0,50 m worden verhoogd; 3. de hoogte van de buitenwanden van de dakopbouw bedraagt minimaal 0,90 m en maximaal 1,20 m; 4. de afstand tot de achtergevel bedraagt minimaal 1,00 m; 5. de afstand tot de zijgevel bedraagt minimaal 1,00 m, tenzij er sprake is van een woningscheidende wand: in dat geval mag de opbouw tot aan de woningscheidende wand worden gebouwd. 6.2.5 Op een bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning 1. van de in het betreffende bestemmingsplan aangeduide goothoogte wordt niet afgeweken; 2. de maximale hoogte, gemeten ten opzichte van de bestaande dakrand, bedraagt 3,00 m.
16
Toelichting 6.1 Dakkapel Veel dakkapellen zullen op grond van het Bor vergunningsvrij kunnen worden geplaatst. Dakkapellen die niet vergunningsvrij zijn, zullen veelal passen binnen de bepalingen van het bestemmingsplan zodat kan worden volstaan met een omgevingsvergunning voor alleen de activiteit ‘bouwen’. Voor de restcategorie die niet vergunningsvrij is en tevens strijd oplevert met de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan, is artikel 6.1 bedoeld. Wanneer er sprake is van een aanvraag voor een dakkapel op een (bedrijfs)woning of op een hieraan aangebouwd bijbehorend bouwwerk, zal in beginsel worden meegewerkt aan vergunningverlening. Vanzelfsprekend moet de dakkapel wel aan alle overige vereisten voldoen die gelden voor de activiteit “bouwen”, zoals de redelijke eisen van welstand en de bouwtechnische eisen van het Bouwbesluit. Wanneer niet aan deze vereisten wordt voldaan zal geen vergunning worden verleend. 6.2 Dakopbouw en soortgelijke uitbreidingen Het realiseren van een dakopbouw of een soortgelijke uitbreiding op een (bedrijfs)woning zal veelal strijd met het bestemmingsplan opleveren, daar de (bedrijfs)woningen in de regel de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogte hebben. Het Bor stelt voor dakopbouwen geen nadere voorwaarden voor afwijking van het bestemmingsplan door middel van verlening van een omgevingsvergunning.
Wanneer aan bovenstaande voorwaarden voor vergunningverlening wordt voldaan, zijn stedenbouwkundige aspecten gewaarborgd, zodat er in beginsel geen belemmering is om door middel van een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan. Vanzelfsprekend is voor vergunningverlening tevens vereist dat de aanvraag (voor de activiteit “bouwen”) dient te voldoen aan de overige eisen gesteld in artikel 2.10, lid 1, Wabo, (de redelijke eisen van welstand, Bouwbesluit, etc.). Voor alle omgevingsvergunningaanvragen voor dakopbouwen en soortgelijke uitbreidingen op andere gebouwen dan (bedrijfs)woningen, zullen maatwerkbeoordelingen worden gemaakt.
17
Voorbeeldsituatie artikel 6.2.1 in combinatie met artikel 6.2.2
Voorbeeldsituatie artikel 6.2.1 in combinatie met artikel 6.2.3
Voorbeeldsituatie artikel 6.2.1 in combinatie met artikel 6.2.4
18
HOOFDSTUK 7
ANTENNE-INSTALLATIES
1. Maximale site-sharing is uitgangspunt, hetgeen voor wat betreft antenne-installaties met vrijstaande mast tot gevolg heeft dat de aanvrager heeft aangetoond dat alternatieve locaties zijn onderzocht én dat de mast geschikt is voor het bijplaatsen van de antennes van de anderen. 2. De hoogte van een antenne-installatie op een gebouw mag niet meer bedragen dan 6,00 m. 3. Plaatsing van een antenne-installatie op een gebouw is uitsluitend mogelijk, indien het betreffende gebouw 15,00 meter of hoger is. 4. Antenne-installaties met vrijstaande mast worden bij voorkeur geplaatst op een knooppunt van infrastructuur; bedrijventerrein of sportpark. 5. De antenne-installaties met vrijstaande mast zijn in beginsel niet gewenst in woonwijken, centrumgebieden en agrarisch gebied met natuur- en landschapswaarde. 6. Voor alle antenne-installaties geldt dat zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij bestaande bebouwing of (landschappelijke) elementen en dat de installaties zo veel zoveel mogelijk uit het zicht worden geplaatst (met name vanuit de nabij gelegen gebieden met een woonfunctie).
19
Toelichting De gemeente heeft er belang bij om antenne-installaties uit stedenbouwkundig oogpunt zo goed mogelijk in de omgeving te integreren zodat er geen wildgroei en horizonvervuiling ontstaat door het opzetten van verschillende mobiele netwerken. Daarnaast is het voor een gemeente ook belangrijk om bij te dragen aan goede communicatiemogelijkheden voor haar inwoners en ondernemers. Het vorenstaande te bewerkstelligen is het doel van de regeling.
20
HOOFDSTUK 8
HET GEBRUIK VAN BOUWWERKEN
8.1 Bed & Breakfast (B&B) 1. De B&B mag uitsluitend worden geëxploiteerd door de (hoofd)bewoner(s) van de legaal aanwezige en legaal gebruikte (bedrijfs)woning. 2. Maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de (bedrijfs)woning, met een maximum van 60,00 m², mag worden aangewend voor de exploitatie van een B&B. 3. Niet meer dan zes personen mogen gelijktijdig in de B&B verblijven. 4. De voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneren als een zelfstandige woning, hetgeen in ieder geval inhoudt dat geen zelfstandige kookeenheid aanwezig mag zijn. 5. De exploitant van de B&B dient voldoende maatregelen te nemen ter voorkoming van overlast voor de nabije percelen als gevolg van de aanwezigheid van de B&B. 6. Er dient op eigen terrein te worden geparkeerd, dan wel dient te worden voldaan aan de parkeernormering zoals neergelegd in de vigerende versie van de “Nota Parkeernormen Dronten”. 7. Er dient een nachtregister te worden bijgehouden. 8. Gasten mogen niet langer dan twee aaneengesloten weken in de B&B verblijven. 9. Het gestelde in de leden 1 tot en met 8 wordt als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. 8.2 Kringloopwinkel 1. Het perceel waarop de aanvraag ziet is gelegen op een bedrijfs- of industrieterrein en op grond van het vigerende bestemmingsplan is perifere detailhandel toegestaan. 2.
Het bestemmingsplan sluit kringloopwinkels op het perceel niet expliciet uit. 3. Op het perceel zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig volgens de vigerende versie van de ‘Nota Parkeernormen Dronten’. 8.3 Kapsalon aan huis Aan vergunningverlening voor de vestiging van een kapsalon aan huis wordt niet meegewerkt, tenzij er sprake is van een aanvraag die ziet op de verplaatsing van een legaal aanwezige kapsalon op een perceel met een woonbestemming naar een ander perceel met een woonbestemming. In dat geval wordt op basis van maatwerk beoordeeld of omgevingsvergunning kan worden verleend. 8.4 Bestaande gebouwen op een bedrijventerreinen 1. Het gebouw waarop de aanvraag ziet moet tenminste twee jaar legaal aanwezig zijn. 2. Omliggende bestaande bedrijven mogen als gevolg van het gevraagde gebruik niet worden belemmerd bij het uitvoeren van hun activiteiten, of onevenredig worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden die zij op grond van het bestemmingsplan hebben. 3. Het gebouw waarop de aanvraag ziet moet op basis van het Bouwbesluit ook geschikt zijn of geschikt kunnen worden gemaakt voor het gevraagde gebruik. 4. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan de verkeers- en parkeersituatie op het bedrijventerrein als gevolg van het gevraagde gebruik. 5.
Indien het gevraagde gebruik een kwetsbaar of beperkt kwetsbare object in de zin van de milieuregelgeving betreft, zal alleen medewerking aan vergunningverlening worden verleend, indien dit met het oog op de externe veiligheid van omliggende risicovolle inrichtingen acceptabel is. 6. Geen vergunning wordt verleend voor gebruik dat ziet op detailhandel en woonfuncties.
21
Toelichting 8.1 Bed- & Breakfast (B&B) Een B&B is een kleinschalige overnachtingaccommodatie die tot de kleinschalige verblijfsrecreatie gerekend wordt. In beginsel levert een B&B strijd op met de woonbestemming. Een B&B kan worden geschaard onder een bedrijfsmatige activiteit in een woning. De B&B-voorziening is een nevenfunctie naast het wonen of de agrarische functie. Een B&B is wat betreft de activiteit, omvang en schaalgrootte niet te vergelijken met een pension, hotel of andere horecagelegenheid en niet openbaar. De regeling van artikel 8.1 is gericht op het waarborgen van het kleinschalige karakter en daarmee het waarborgen van negatieve ruimtelijke effecten voor de directe omgeving. Ter voorkoming van ongewenst gebruik is opgenomen dat gasten niet langer dan twee weken aaneengesloten in de B&B mogen verblijven. Overigens zij opgemerkt dat ook omgevingsvergunning voor ‘brandveilig gebruiken’ vereist kan zijn. De landelijke voorschriften over de brandveiligheid van gebouwen staan in het Bouwbesluit. Gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning voor ‘brandveilig gebruiken’ nodig is, moeten voldoen aan extra eisen op het gebied van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en ongevallen bij brand. Voor een B&B is deze vergunning nodig als het B&B nachtverblijf biedt aan meer dan tien personen.
In andere gevallen moet de B&B-eigenaar een gebruiksmelding doen. 8.2 Kringloopwinkel Kringloopwinkels zijn in eerste instantie bedoeld om mensen met een kleinere portemonnee de kans te bieden om tegen lage prijzen tweedehands meubels, kleding en andere producten te kopen. Voorts speelt ook het milieuaspect mee: door hergebruik van producten zorgt de kringloopbranche er voor dat er minder afval wordt geproduceerd. Vaak ziet men dat de opbrengst van een kringloopwinkel - na aftrek van de gemaakte bedrijfskosten – wordt aangewend voor een goed doel. Het werk in een kringloopwinkel wordt veelal verricht door vrijwilligers en/of door mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt (zoals langdurig werklozen, gehandicapten en re-integrerende ex-gedetineerden). De kans op het vinden van een reguliere baan wordt door het werken in een kringloopwinkel vergroot. Voornoemde ideële doelstellingen vormen voor een groot deel van de kringloopwinkels het belangrijkste bestaansrecht. Gelet op de activiteiten en het karakter van een kringloopwinkel als het inzamelen en zo nodig repareren van zowel volumineuze als niet-volumineuze goederen en het vervolgens verkopen hiervan, is een kringloopwinkel niet direct onder te brengen onder een standaard bestemming. Het detailhandelaspect zorgt er voor dat een reguliere bedrijfsbestemming of een sociale bestemming in de regel niet passend zijn.
Gelet op de reparatie en inzameling van goederen en de verkoop van volumineuze goederen, is een kringloopwinkel in de regel evenmin passend binnen een detailhandelbestemming. Een aparte aanduiding in een bestemmingsplan is dan ook noodzakelijk. Wanneer een geschikte bestemming ontbreekt, kan de vestiging van een kringloopwinkel (onder andere) worden planologisch mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning. In dat geval dient te worden overwogen welke bestemming de meeste overeenkomsten vertoont met het gebruik van als kringloopwinkel. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van een kringloopwinkel is deze in de regel niet gewenst tussen reguliere winkels (= detailhandelsbestemming). Qua ruimtelijke uitstraling en effecten op de omgeving (verkeer aantrekkende werking, behoefte aan parkeergelegenheid bij de kringloopwinkel) komt een bedrijfs- of industriebestemming met de aanduiding perifere detailhandel (= detailhandel die vanwege aard - goederen van volumineuze aard - en omvang over het algemeen niet thuishoort in de traditionele winkelcentra) het meest in aanmerking. Op gronden met een dergelijke bestemming is al handel in volumineuze 22
goederen toegestaan, evenals het repareren van goederen. Voorts is er meestal voldoende parkeergelegenheid aanwezig en is de infrastructuur geschikt voor de hoeveelheid verkeer die een kringloopwinkel aantrekt. Omgevingsvergunning wordt alleen verleend aan rechtspersonen die een stichting of vereniging zijn. Dit heeft te maken met het verbod op detailhandel op bedrijventerreinen. Wanneer andere rechtspersonen zouden zijn toestaan dan stichtingen en verenigingen, dan betreft het rechtspersonen die direct zijn gericht op winst. Wanneer er producten worden verkocht aan particulieren met het oogmerk winst te maken, is sprake van reguliere detailhandel, hetgeen ruimtelijk niet gewenst is. De uitstraling van een kringloopwinkel komt natuurlijk wel redelijk overeen met de gewone detailhandel, maar vanwege het achterliggende ideële doel kunnen kringloopwinkels toch – wanneer natuurlijk ook aan de overige voorwaarden uit het Afwijkingenbeleid is voldaan – worden toegestaan. In artikel 4 van de Afvalstoffenverordening van de gemeente Dronten is bepaald dat kringloopbedrijven in Dronten onderdeel kunnen uitmaken van de inzamelstructuur en dat zij kunnen worden aangewezen als inzameldienst. Hiertoe dient een Kringloopwinkel op grond van het Uitvoeringsbesluit dat behoort bij de voornoemde verordening in het bezit te zijn van een bij de gemeente aan te vragen ontheffing.
8.3 Kapsalon aan huis Een kapsalon aan huis wordt niet beschouwd als een beroep of bedrijf aan huis, zodat de aanwezigheid van een kapsalon aan huis strijdig is met de woonbestemming. Een kapsalon aan huis wordt beschouwd als een activiteit die ruimtelijk zodanig afwijkend is van een woonbestemming, dat deze niet passend en niet gewenst is binnen deze bestemming. Om deze reden wordt geen medewerking verleend aan vergunningverlening voor een nieuwe kapsalon aan huis, tenzij er sprake is van verplaatsing van een legaal aanwezige kapsalon aan huis. In dat geval zal op basis van maatwerk worden beoordeeld of omgevingsvergunning kan worden verleend. 8.4 Bestaande gebouwen op een bedrijventerreinen Tegenwoordig is er veel sprake van branchevervaging en functiemenging. Je kunt vandaag niet bedenken wat de ondernemer overmorgen nodig heeft. Bedrijven zijn tegenwoordig minder voorspelbaar en minder in categorieën te plaatsen dan een aantal jaren geleden. Niet elke nieuwe ontwikkeling is op een bedrijventerrein echter gewenst. De bestaande omliggende bedrijven mogen niet worden belemmerd bij het uitvoeren van hun activiteiten en tevens mogen zij niet worden geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Vanzelfsprekend mag ook de veiligheid niet in het gedrang komen. Onderhavige regeling is in het leven geroepen om flexibiliteit te kunnen bieden en mee te bewegen met deze ontwikkelingen.