0388b0ff-b727-43b6-b318-e50be5d1783c.pdf
Tekst van het document
Daarmee is ook onder meer artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet de gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de voorbescherming. Artikel 5:4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. Wanneer de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit niet of niet binnen de termijn adviseert, dan kan het college toch een besluit nemen (lid 2 en lid 3). Artikel 5 bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat afdoende regelt (afdeling 3.6 Awb). Artikel 5:5 Mededeling aanwijzingsbesluit De ontvangst van de mededeling van het college is voor alle bij het monument betrokken belanghebbenden relevant. Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar van het monument of de aanvrager van de aanwijzing, omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6 Awb). Artikel 5:6 Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling, geen besluit. De bedoeling van het erfgoedregister is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen.
Artikel 5:7 Wijziging van de aanwijzing Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd in het gemeentelijk erfgoedregister (lid 4). Artikel 5:8 Intrekken van de aanwijzing Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit nodig, tenzij sprake is van bijzondere gevallen, bijvoorbeeld spoedeisende gevallen. Monumenten waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college uit het register verwijderd. Daarnaast regelt lid 3 dat monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval dat het object ook als rijksmonument of provinciaal monument is aangewezen en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en registratie als monument. Afdeling 3. Instandhouding van gemeentelijke monumenten Artikel 5:9 Instandhoudingbepaling Artikel 5.9 gaat alleen over de instandhouding van gemeentelijke monumenten.
De vergunningverlening door het college voor de wijziging van rijksmonumenten is immers geregeld in de artikelen van de Monumentenwet die in het overgangsrecht van de Erfgoedwet (artikel 9.1 Erfgoedwet) van kracht blijven tot de komst van de Omgevingswet. Ook geldt artikel 5:14 van deze verordening. Het is verstandig de vergunningverlening voor rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.
Voor een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15 Awb). In lid 3 van artikel 5.9 wordt voor het college de mogelijkheid geschapen om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen komen van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. Voor de nadere regels blijft het college het bevoegde gezag. Het zal hierbij vooral gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Het reguliere onderhoud kan bijvoorbeeld in nadere regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigen een vergunningprocedure moeten starten. In de nadere regels kunnen expliciet de situaties worden benoemd waarin een burger of bedrijf geen vergunning hoeft aan te vragen. Wanneer duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet reguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder administratieve lasten krijgen. In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de uitgangspunten, functionele toetsing en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen.
Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoud van het monument) voorop te staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
Artikel 5:10 De schriftelijke aanvraag en doorzending Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zowel digitaal als op papier worden ingediend. Bedrijven kunnen echter in beginsel uitsluitend een aanvraag langs elektronische weg indienen. Voor kleine bedrijven kan hiervoor een uitzondering worden gemaakt. Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of verklaringen van geen bezwaar. Soms is niet het college, maar de provincie of het rijk het bevoegd gezag voor het nemen van een beslissing over de aanvraag voor een omgevingsvergunning. In dat geval stuurt het college de aanvraag door naar het juiste bevoegd gezag (lid 2). Artikel 5:11 Termijnen advies en vergunningverlening Op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet is bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel 4.1 van de Awb.
De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging na het ontvangen van een aanvraag. Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door et college gestelde termijn aan te vullen. Het college geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag-, nieuws- of huis-aanhuisbladen of op een andere geschikte wijze. Het college moet op grond van artikel 16.63 van de Omgevingswet binnen acht weken een beslissing op de aanvraag nemen. De termijn van acht weken kan met maximaal zes weken worden verlengd. In deze periode moet het college eventuele derdebelanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te
brengen. Het college kan ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit . Voor het uitbrengen van advies is voor de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit een termijn van drie weken opgenomen. Van belang is dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Het uitblijven van een advies staat het nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het college de procedure vervolgen. De omgevingsvergunning treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking. Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd en opengesteld voor bezwaar. Artikel 5:12 Weigeringsgrond De vergunning kan worden geweigerd wanneer er een strijdigheid is met het belang van de monumentenzorg.
Artikel 5:13 Intrekken van de vergunning Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. Wanneer de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen (onder c), dan zou bij een nieuwe belangenafweging, de belangen van het monument voor kunnen gaan. In dat geval moet het college mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken. Afdeling 4. Rijksmonumenten Artikel 5:14 Vergunning voor beschermd rijksmonument Lid 1 De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988 (die conform het overgangsrecht in artikel 9.1 Erfgoedwet van kracht blijft tot de komst van de Omgevingswet), artikel 16.65 lid 1 sub a jo. artikel 10.24 lid 1 sub a Omgevingsbesluit en afdeling 3.4 van de Awb. Bij de vergunning voor rijksmonumenten is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 5:9 (gemeentelijk monument) dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Gedurende de termijn van terinzagelegging kan iedereen een zienswijze indienen.
Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. Lid 2 en lid 3 De adviescommissie ruimtelijke kwaliteit moet bij de aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten worden ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het
ontbreken van het advies van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald dat de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken van de in lid 2 gestelde adviestermijn. Afdeling 5. Overige bepalingen Artikel 5:15 Schadevergoeding De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat een erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Het principe ‘de veroorzaker betaalt’, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle in dit artikel genoemde onderdelen (a t/m c). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat redelijk en billijk is. In deze verordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende kan toekennen. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van een vergoeding. De procedure op grond van afdeling 15.1 van de Omgevingswet kan worden toegepast, maar voordat daartoe wordt besloten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze procedure.
Afdeling 5 Slotbepalingen Artikel 5:16 Hardheidsclausule Het opnemen van een hardheidsclausule in deze verordening opent de mogelijkheid voor het college om, in gevallen waarin toepassing van een artikel van de verordening een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, dat artikel buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Het afwijkende besluit van het college moet altijd binnen de doelstellingen van de verordening passen. De toepassing van de hardheidsclausule moet beperkt blijven tot individuele gevallen. Het gebruik van dit artikel is slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Hoofdstuk 9 Strafbepalingen toezichthouders en binnentreden Artikel 9:10 Strafbepaling Deze strafbepaling is met de komst van de Omgevingswet alleen nog van toepassing op de nadere regels die het college kan stellen op grond van artikel 5:9, derde lid. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict. Artikel 9:11 Toezichthouders Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van een wettelijk voorschrift.
Daarom is de mogelijkheid om toezichthouders aan te wijzen opgenomen in de
erfgoedverordening. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaats' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.
Bijlage 1 Bomenlijst (behorende bij artikel 2:30) locatie
diameter
hoogte
boomwaarde
Hoogaarsstraat 18 Kombuisstraat 42 Kampanje 13 Osbornehof 18 Roerstraat 1 (Ichtus-kerk) Meridiaan 4 Meridiaan 1 Lunaweg 12 De Kaapstander 39
40 cm 50 cm 35 cm 50 cm
20 m 22 m 20 m 12 m
35 35 25 30
40 cm
14 m
30
40 cm 35 cm 30 cm 40 cm
15 m 14 m 12 m 15 m
30 30 30 30
Swifterbant 10. Metasequoia glyptostroboides 11. Araucaria araucana 12. Metasequoia glyptostroboides
De Heraut 52 Noordsingel 25 Porfierstraat 28
50 cm 20 cm 60 cm
18 m 8m 19 m
30 25 30
Biddinghuizen 13. Robinia psedoacacia 14. Acer saccharum 15. Salix alba 'Tristis' 16. Aesculus hippocastanum
Uitloper 38 Uitloper 38 Fruithof 23 De Voor 42
30 cm 60 cm 80 cm 40 cm
18 m 20 m 25 m 15 m
30 40 40 25
nr
Soort
Dronten 1. Alnus cordata 2. Alnus cordata 3. Betula nigra 4. Sequoiadendron giganteum 5. Corylus colurna 6. 7. 8. 9.
Metasequoia glyptostroboides Metasequoia glyptostroboides Cedrus atlantica glauca Metasequoia glyptostroboides