CConstaterende datDronten
Koppel je AI →
Document · PDF

0388b0ff-b727-43b6-b318-e50be5d1783c.pdf

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente DrontenBij agendapunt: 7.e: AKKOORD Raadsvoorstel Verordening Fysieke Leefomgeving20.875 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, waterschapsverordening of de Omgevingsverordening Flevoland of situaties waarin wordt voorzien door, het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:58 Beschadigen van waterstaatswerken 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet of de Omgevingsverordening Flevoland. Artikel 2:59 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 2:60 Veiligheid op het water 1. Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Omgevingswet of de Omgevingsverordening Flevoland. Artikel 2:61 Overlast aan vaartuigen 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. AFDELING 15. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 2:62 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b.

in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of

het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel 2:63 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e.

voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Flevoland aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 6. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. AFDELING 16. Verbod vuur te stoken Artikel 2:64 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen te stoken of te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:6 kan de ontheffing worden geweigerd ter

bescherming van de flora en fauna. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Flevoland. 6. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

AFDELING 17. Verstrooiing van as Artikel 2:65 Verboden plaatsen 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. de gemeentelijke begraafplaats, met uitzondering van de daartoe door het college aangewezen plaats(en). 2. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:66 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Hoofdstuk 3 Markt AFDELING 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Inrichting van de markt; branche-indeling 1. Het college bepaalt ten aanzien van de markt: a. het aantal standplaatsen; b. de afmetingen van de standplaatsen; c. de opstelling en indeling van de markt; d. welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats en als standwerkersplaats. 2. Het college kan voor de markt vaststellen: a. een lijst met artikelengroepen of branches; b. een maximumaantal standplaatsen per branche. Artikel 3:2 Nadere regels Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde in deze verordening.

Artikel 3:3 Voorschriften en beperkingen 1. Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen in acht te nemen. AFDELING 2. Bepalingen over vergunningen Artikel 3:4 Standplaatsvergunning 1. Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder vergunning van het college. 2. Een vergunning voor een vaste standplaats wordt verleend voor onbepaalde tijd. 3. Iedere drie jaar worden de verleende vergunningen geëvalueerd. Artikel 3:5 Vereisten Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college.

Artikel 3:6 Intrekking vaste standplaatsvergunning 1. Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in: a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder; of b. bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van artikel 4 van het Marktreglement Dronten de vergunning wordt overgeschreven. 2. Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; of b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in artikel 3:5 genoemde vereisten. 3. Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 4 van het Marktreglement Dronten is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.

Artikel 3:7 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 3:6 kan het college een vergunning voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of c. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel 3:8 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien deze: a. het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt; b. zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. niet als standwerker actief is op een hem toegewezen standwerkersplaats; d. niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. Artikel 3:9 Onmiddellijke verwijdering Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen indien hij: a.

het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de voorschriften van de vergunning overtreedt; b. zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; c. als standwerker actief is op een niet aan hem toegewezen standwerkersplaats.

HOOFDSTUK 4 Afvalstoffen [gereserveerd]

Hoofdstuk 5 Erfgoed AFDELING 1. Aanwijzing gemeentelijke monumenten Artikel 5:1 Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. Artikel 5:2 De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. 3. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 Erfgoedwet. Artikel 5:3 Voorbescherming Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 5:6 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 5:9 tot en met 5:13 van overeenkomstige toepassing. Artikel 5:4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit 1. De adviescommissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk binnen drie weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit., maar in ieder geval binnen 12 weken na de adviesaanvraag. 3.

Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn wordt de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit geacht geadviseerd te hebben. Artikel 5:5 Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 5:3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

Artikel 5:6 Registratie in het gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college registreert het gemeentelijke monument in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. 3. Het gemeentelijk erfgoedregister kan door eenieder worden geraadpleegd. Artikel 5:7 Wijzigen van de aanwijzing 1. Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen. 2. Artikel 5:2, tweede en derde lid, evenals artikel 5:3, 5:4 en 5:5 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3. Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in het tweede lid, achterwege. 4. De inhoud en de datum van de wijziging worden in het gemeentelijk erfgoedregister geregistreerd. Artikel 5:8 Intrekken van de aanwijzing 1. Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 5:2, tweede lid, en artikelen 5:3, 5:4 en 5:5 van overeenkomstige toepassing. 2. Indien er naar het oordeel van het college bijzondere omstandigheden spelen, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in het eerste lid, achterwege. 3. De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3.1 Erfgoedwet. 4.

De intrekking wordt in het gemeentelijk erfgoedregister geregistreerd. AFDELING 2. Instandhouding van gemeentelijke monumenten Artikel 5:9 Instandhoudingbepaling 1. Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1:6, onder d, te beschadigen of te vernielen. 2. Het is verboden zonder vergunning van het college: a. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1:6, onder d, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b. een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1:6, onder d, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 3. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.

Artikel 5:10 De schriftelijke aanvraag en doorzending 1. De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 5:9, tweede lid en artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden moet in tweevoud worden ingediend bij het college. 2. Wanneer een ander bevoegd gezag dan het college een beslissing moet nemen over de aanvraag, dan zal het college de aanvraag, inclusief gegevens en bescheiden, doorzenden naar het juiste bevoegd gezag.

Artikel 5:11 Termijnen advies en vergunningverlening 1. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit voor advies. 2. Binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit schriftelijk advies uit aan het college. 3. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot het verlenen van een vergunning, waarbij deze termijn, onder mededeling van verlenging van de termijn aan de aanvrager, met ten hoogste zes weken kan worden verlengd. Artikel 5:12 Weigeringsgrond Een vergunning als bedoeld in artikel 5:9, tweede lid wordt niet verleend wanneer het belang van de monumentenzorg zich daartegen verzet. Artikel 5:13 Intrekken van de vergunning De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien: a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in artikel 5:9 niet naleeft; c. de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; d. niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik wordt gemaakt. AFDELING 3. Rijksmonumenten Artikel 5:14 Vergunning voor beschermd rijksmonument 1.

Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit . 2. De adviescommissie ruimtelijke kwaliteit adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen drie weken na de datum van verzending van het afschrift. 3. Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit geacht geadviseerd te hebben.

AFDELING 5. Overige bepalingen Artikel 5:15 Schadevergoeding Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, wanneer de schade een gevolg is van: a. de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 5:9 te verlenen; b. de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 5:9; c. de door het college nader te stellen regels als bedoeld in artikel 5:9, derde lid. AFDELING 5. Slotbepalingen Artikel 5:16 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, gelet op de situatie van een belanghebbende, afwijken van de bepalingen in hoofdstuk 5 van deze verordening, voor zover toepassing van deze verordening leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

HOOFDSTUK 6 Begraafplaats AFDELING 1. Openstelling, orden en rust op de begraafplaats Artikel 6:1 Openstelling begraafplaats 1. De begraafplaats is voor eenieder dagelijks toegankelijk van zonsopgang tot zonsondergang. 2. Ter handhaving van de orde en rust op de begraafplaats kunnen de toegangen tijdelijk worden gesloten. AFDELING 2. Voorschriften voor lijkbezorging Artikel 6:2 Tijden van begraven en asbezorging 1. De tijd van begraven en het bezorgen van as is: op werkdagen in de zomer (periode dat zomertijd geldt) van 10.00 tot 16.00 uur; in de winter (periode dat de wintertijd geldt) van 10.00 tot 15.00 uur; en op zaterdag van 9.00 tot 12.00 uur; 2. Het college kan in bijzondere gevallen van deze tijden afwijken. AFDELING 3. Grafbedekkingen Artikel 6:3 Niet-blijvende grafbeplanting Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende van een graf of, wanneer het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder.

Artikel 6:4 Verwijdering grafbedekking na verstrijken van de termijn 1. De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door de beheerder worden verwijderd. 2. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende van een graf of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende van een graf of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats bekend. 3. Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald,

vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. 4. Daar grafbedekking in enige vorm op een begraafplek voor een foetus niet is toegestaan wordt eventueel aangetroffen grafbedekking direct, zonder aanspraak op schadevergoeding, door de beheerder verwijderd.

HOOFDSTUK 7 Ondergrondse infrastructuren AFDELING 1 Aanvragen en melden van werkzaamheden Artikel 7:1 Instemmingsvereiste 1. Het is verboden werkzaamheden te verrichten zonder of in afwijking van een door het college genomen instemmingsbesluit. 2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een door het college goedgekeurde melding. De raad is bevoegd om redenen van veiligheid delen van het grondgebied aan te wijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. 3. De werkzaamheden dienen binnen een jaar na de datum waarop het instemmingsbesluit onherroepelijk is geworden te zijn voltooid. Het instemmingsbesluit vervalt na 1 jaar. 4. De werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen binnen het in de goedgekeurde melding bepaalde tijdvak te zijn voltooid. 5. Het in het eerste lid opgenomen verbod is niet van toepassing op werkzaamheden van de gemeente. 6. Behoudens in geval van spoedeisende werkzaamheden is bij weersomstandigheden, waarbij de uitvoering van de werkzaamheden tot overlast of gevaar voor de bewoners en/of schade voor de gemeente kan leiden, het college bevoegd een breekverbod in te stellen. De vaststelling dat er sprake is van deze weersomstandigheden is een bevoegdheid van het college.

Tijdens door de gemeente vergunde evenementen geldt altijd een breekverbod. De termijnen zoals bedoeld in het derde en vierde lid worden automatisch verlengd met de periode van het breekverbod. Uiterlijk een dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het college de betrokken uitvoerende partij(en) hierover informeren. Artikel 7:2 Aanvragen en melden 1. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden dient een instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:1, bij het college te worden aangevraagd. 2. In verband met de voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden. 3. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard of de aanvang van werkzaamheden dien(t)(en) vijf werkdagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld te worden bij het college. 5. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden gemeld te worden bij het college.

Als een melding vooraf niet mogelijk is, moet de melding uiterlijk binnen een werkdag na de aanvang van de uitvoering gemotiveerd worden gedaan.

Artikel 7:3 Voorschriften bij instemmingsbesluit 1. Het college kan in het instemmingsbesluit voorschriften opnemen in het belang van: a. de openbare orde; b. veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid; c. het voorkomen of beperken van overlast, waaronder mede verstaan wordt het afstemmen met andere werkzaamheden, een goede doorstroming van het verkeer en de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving; d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik, beheer, en onderhoud van openbare gronden en gebouwen en het belang van evenementen; e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het beschermen van reeds in de grond aanwezige werken en eventuele in de grond aanwezige objecten. 2. De voorschriften, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering van werkzaamheden; b. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen die door derden of de gemeente Dronten tegen marktconforme kosten ter beschikking worden gesteld; c. afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken. 3.

De belanghebbenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden dienen schriftelijk te worden geïnformeerd door de grondroerder over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 4. Het is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en groenvoorzieningen terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf hebben aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf zorg voor te willen dragen. Artikel 7:4 (Mede)gebruik van voorzieningen 1. Op verzoek het college wordt bij de werkzaamheden (mede)gebruik gemaakt van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen voor zover dit technisch en economisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid. 2. In het vooroverleg als bedoeld in artikel 7:2, tweede lid, wordt mede bepaald of en, zo ja, langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 7:5 Niet-openbare kabels en/of leidingen 1. Bij werkzaamheden aan niet-openbare kabels en/of leidingen is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing. Het betreft kabels en/of leidingen, dan wel het netwerk waartoe deze behoren, die niet gebruikt worden om voor het publiek beschikbare, openbare diensten aan te bieden. 2.

Het eerste lid van dit artikel in deze verordening houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente Dronten met betrekking tot niet-openbare kabels en/of leidingen.

Hoofdstuk 8 Bouwen [gereserveerd]

HOOFDSTUK 9 Strafbepalingen, toezichthouders, binnentreden en overgangsbepalingen AFDELING 1 Fysieke leefomgeving Artikel 9:1 Strafbepaling fysieke leefomgeving 1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen, 2:7 tot en met 2:9, 2:11 tot en met 2:13, 2:15 tot en met 2:19, 2:23 tot en met 2:30, 2:32, 2:33, 2:35, 2:37 tot en met 2:44, 2:46 tot en met 2:48, 2:49, 2:51, 2:54 tot en met 2:57, 2:58 tot en met 2:64, 2:65 alsmede de op grond van artikel 2:2 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:7, vijfde lid, 2:8, tweede lid, 2:9, eerste lid, 2:30, eerste lid.

Artikel 9:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 2 van deze verordening bepaalde zijn belast de opsporingsambtenaren en aangewezen toezichthouders. 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. Artikel 9:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk 2 deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 9:4 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Dronten houdende regels omtrent openbare orde en veiligheid (Algemene plaatselijke verordening Dronten), die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

AFDELING 2 Markt Artikel 9:5 Strafbepaling Markt Overtreding van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. Artikel 9:6 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3 van deze verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het college aangewezen personen. Artikel 9:7 Overgangsbepalingen 1. Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Dronten houdende regels omtrent warenmarkten (Marktverordening Dronten 2013) gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Dronten houdende regels omtrent warenmarkten (Marktverordening Dronten 2013) is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet definitief op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast. AFDELING 3 Afvalstoffen Artikel 9:8 Strafbare feiten gereserveerd Artikel 9:9 Toezichthouders gereserveerd

AFDELING 4 Erfgoed Artikel 9:10 Strafbepaling Erfgoed Degene, die handelt in strijd met artikel 5:9, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 9:11 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5 van deze verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel 9:12 Overgangsbepaling 1. De op grond van de Erfgoedverordening 2016 aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht te zijn aangewezen en geregistreerd in overeenstemming met de bepalingen uit deze verordening. 2. Aanvragen tot het verlenen van een vergunning die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening worden behandeld met in achtneming van de Erfgoedverordening 2016. AFDELING 5 Begraafplaats Artikel 9:13 Strafbepaling Begraafplaats Hij die handelt in strijd met de artikel 6:1 wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. Artikel 9:14 Overgangsbepaling 1. Besluiten van het college die genomen zijn krachtens de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats 2019 gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.

Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om vergunning op grond van de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats Dronten 2015 is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.

AAA AAAA

gemeente

drunten

AFDELING 6 Ondergrondse infrastructuren Artikel 9:15 Strafbepaling Ondergrondse infrastructuren Indien het college vaststelt dat de verplichtingen uit hoofdstuk 7 van deze verordening niet zijn nagekomen, kan het college besluiten handhavend op to treden dan wel legalisatie achteraf van de ontstane situatie verlangen met inachtneming van de bepalingen zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht. Indien blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden zijn gemeld maar dat hiervoor een instemmingsbesluit is vereist, is dit artikel van overeenkomstige toepassing. Artikel 9:16 Overgangsbepaling 1.

2.

Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn geldt de schriftelijke toestemming/instemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een instemmingsbesluit krachtens hoofdstuk 7 van deze verordening. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een melding is gedaan op grond van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren gemeente Dronten, maar waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Dronten, gehouden op 3 februari 2022.

De voorzitter,

drs. J.P Gebben

Toelichting per hoofdstuk HOOFDSTUK 2 Algemene regels rondom de fysieke leefomgeving Artikel 2:8 Voorwerpen op, boven, in of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan Nadere uitwerking lid 3 nader uitgewerkt in het besluit “vergunningverlening en handhaving van aankondigingen in de openbare ruimte” uit 2008. Zakelijk weergegeven is hierin vastgelegd dat er geen vergunningen meer worden verleend voor aankondigingen in de openbare ruimte. Het maken van reclame gaat via de firma Brouwer & Partners die de reclame verzorgen op ABRI’s en buitenreclame. Een uitzondering geldt o.a. voor aankondigingen van circussen, kermissen (zeer tijdelijk en die het zelf verzorgen en ook weer opruimen om te hergebruiken), grote maatschappelijke belangen en de openbaring van gedachten of gevoelens. Voor volledige inhoud en uitzonderingen wordt geadviseerd om het besluit te raadplegen. Wat voor soort objecten vallen onder dit artikel? Onder andere de volgende objecten vallen onder dit artikel: - Inboedel geplaats op of langs de weg - Uitstallingen - Bijvoorbeeld containers, terrassen en dergelijke. Voor meer informatie zie de toelichting bij de modelverordening van de VNG. Op grond van artikel 2:8 lid 3 aanhef en onder b kan het college een exploitatievergunning verlenen voor het exploiteren van een terras.

Dit onderscheid is bewust genomen omdat het doel van beide artikelen verschillend is. Artikel 2:8 ziet meer op veiligheid, waar artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening meer ziet op het kunnen uitvoeren van een Bibob toets. Om deze reden is het exploiteren van een terras niet opgenomen in artikel 2:28 de Algemene plaatselijke verordening. Artikel 2:10 Maken, veranderen van een uitweg De weigeringsgronden in lid 2 zijn nader uitgewerkt in de beleidsregel “Beleidsregel uitwegen gemeente Dronten 2016”. Artikel 2:24 Overige geluidhinder/2:25 (Geluid)hinder in de openlucht Deze artikelen zijn van toepassing op geluidsoverlast indien er geen sprake is van een inrichting en er dus niet sprake is van een Omgevingsvergunning voor de activiteit milieu of algemene regels (milieu) van toepassing zijn. Is er wel sprake van een inrichting dan is een Omgevingsvergunning activiteit milieu nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) of dient te worden voldaan aan de geluidsvoorschriften uit de algemene regels. Artikel 2:36 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Hengelsportvereniging (Hsv) Lelystad-Dronten, pacht wateren van de gemeente Dronten ten behoeve van haar leden. Nachtvissen is landelijk toegestaan. Op grond van artikel 2:36 kunnen Burgemeester en Wethouders plekken aanwijzen waar het verbod op kamperen niet

van toepassing is en kan worden gevist met een schuiltentje. Na overleg met de Hsv Lelystad-Dronten zullen enkele zones worden aangewezen waartoe het nachtvissen dient te worden beperkt. Zie voor meer informatie op de website van de Hengelsportvereniging http://visstadlelystad.mijnhengelsportvereniging.nl/ De Hengelsportvereniging heeft zelf ook een Boa in dienst die handhavend kan optreden. Bij overlast van vissen kunnen burgers ook zelf met de Hengelsportvereniging in contact treden om de problemen op te lossen. Zie de website over van toepassing zijnde landelijke regelgeving http://www.sportvisserijnederland.nl/ Artikel 2:37 Aanwijzing kampeerplaatsen Aangewezen als camperplaatsen op grond van dit artikel zijn: - Parkeerplaats achter het gemeentehuis - De Schutsluis te Swifterbant - Parkeerplaats Koetshuis/Baan te Biddinghuizen Op de parkeerplaats achter het gemeentehuis kan (tijdelijk) geparkeerd worden met een camper. Naast de door de gemeente aangewezen en gerealiseerde camperplaatsen zijn er in de Gemeente Dronten ook tal van ondernemers die camperplaatsen op eigen terrein aanbieden.

Artikel 2:44 Parkeren van grote voertuigen Nadere regels ten aanzien van parkeren van grote voertuigen In het UITVOERINGSBESLUITEN ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING 2011 (zoals geldt op medio 2016, is per dorpskern één plaats aangewezen waar grote voertuigen mogen worden geparkeerd: “Uitgezonderd hiervan zijn, voor zover hier geen bebouwing is: - Biddinghuizen, de Ploegschaar; - Dronten, De Kromme Rijn; - Swifterbant, langs de noordzijde van de Industrieweg.” Voor de precieze strekking wordt geadviseerd het besluit te raadplegen. Artikel 2:49 Inzameling van geld of goederen Dit artikel dient om misbruik van de zwakkeren in de samenleving te voorkomen door de kwetsbaren te beschermen zonder de goedwillenden overmatig te belasten. Landelijk erkende goede doelen en lokale organisaties of personen die inzamelen voor een liefdadig of ideëel doel worden vrijgesteld van vergunningplicht. Zij collecteren volgens een landelijk collecte rooster en moeten aan de criteria van het CBF voldoen. Lokale en kortdurende acties zijn vrijgesteld van vergunningplicht. In plaats van de vergunning is ervoor deze groepen een meldingsplicht en algemene voorwaarden. Deze worden na melding op het collecte rooster opgenomen. Dit is in feite een bijdrage aan “het goede doel” door de gemeente die geen leges vraagt voor de actie.

Overige organisaties of personen die inzamelen voor een liefdadig of ideëel doel, of die een langer durende actie willen houden, mogen ook inzamelen maar dienen een vergunning aan te vragen.

Artikel 2:55 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Het plaatsen van voorwerpen op, in of boven openbaar water dient naast de melding op grond van dit artikel ook met toestemming van de eigenaar en de beheerder te gebeuren. Tevens dient het voorwerpen niet in strijd te zijn met het omgevingsplan, het Besluit bouwwerken leefomgevingen andere mogelijk van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Artikel 2:56 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen Lid 3 is nader uitgewerkt in het “UITVOERINGSBESLUIT ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING DRONTEN; LIGPLAATSEN (Woonboten, recreatie- en beroepsvaart)” zoals vastgesteld in 2015. Artikel 2:65 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken De wijze waarop de in lid 3 genoemde ontheffing wordt verleend is nader omschreven in de beleidsregel “Ontheffingenbeleid verbod om afvalstoffen te verbranden” HOOFDSTUK 3 Markt ALGEMENE TOELICHTING Grondslag en belang verordening In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of de burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig acht.

Artikel 160 van de Gemeentewet regelt de overheveling van de gemeente wettelijke bestuursbevoegdheden aan het college. Hieronder valt de bevoegdheid om jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen of te veranderen (artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet). De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het gaat hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de (verkeers)veiligheid binnen de gemeente. Inhoud Hoofdstuk 3 Afdeling 1 van deze verordening bevat een aantal algemene bepalingen die betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 3 Afdeling 2 bevat een aantal bepalingen die van belang is voor de vergunningaanvraag en de vergunningverlening aan een rechtspersoon (een organisatie) die is belast met de organisatie van de markt. Hoofdstuk 9 Afdeling 2 bevat de straf-, overgangs- en slotbepalingen. Toepassing In het geval een gemeente over meer dan één markt beschikt, is dit hoofdstuk van deze verordening op elk van deze markten afzonderlijk van toepassing. Instellen marktcommissie voor en door het college

Veel gemeenten kennen een marktcommissie die het college adviseert in marktaangelegenheden. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te werken. Dienstenrichtlijn [Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27 december 2006] De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden met als doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van diensten op te heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk 3) bepaald dat lidstaten de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in beginsel niet afhankelijk mag stellen van een vergunningstelsel (artikel 9). Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet worden uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt’ en sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de interpretatie van het EG Hof van Jusititie. De modelmarktverordening 2008 (individuele vergunning) regelt de warenmarkt; het gaat dus om de verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model geen bepalingen omtrent de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee valt dit model buiten de werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet verder te worden gescreend.

Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te vinden alvorens tot vergunningverlening wordt overgegaan. Artikel 9, tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Bij de vergunningverlening met betrekking tot de markt dient een gemeente hier rekening mee te houden. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 1:7 Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in dit hoofdstuk wordt gehanteerd, gedefinieerd. Artikel 3:1 Inrichting van de markt; branche-indeling Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk maken van de markt voor de consumenten. Het aantal branches is in principe onbeperkt, tenzij het gaat om een gespecialiseerde markt. Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches. Voor de orde op de markt is het van belang te bepalen welke materialen (kraam of ook andere verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze kunnen worden opgesteld.

Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt de Centrale vereniging voor de ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de

instantkraam, de verrijdbare kraam en de verkoopwagens. De onder b genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een beperking geven voor bepaalde materialen. Het tweede lid schept de mogelijkheid een beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel kooplieden van één branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de markt aantrekkelijker voor de consument. Artikel 3:2 Nadere regels Er is voor gekozen om dit hoofdstuk in te korten en een gedeelte van de bepalingen over te hevelen naar een marktreglement. Op grond artikel 3:2 is het college bevoegd deze nadere regels te stellen.

Artikel 3:3 Voorschriften en beperkingen Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te verbinden, kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden aangebracht. De in het eerste lid genoemde belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist, zijn de gemeentelijke belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de veiligheid binnen de gemeente. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing van andere bestuursrechtelijke sancties. De strafbepaling van artikel 9:4 is eveneens van toepassing. Afdeling 2. Bepalingen over vergunningen Artikel 3:4 Standplaatsvergunning De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te nemen. De vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden (artikel 3:3). De vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar. De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door degenen aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op deze regel kan worden gemaakt voor degenen, die de kooplieden van koffie, soepen en dergelijke voorzien.

Artikel 3:5 Vereisten Slechts het vereiste van een handelingsbekwaam natuurlijk persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt is opgenomen. Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen tot de markt worden toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke verdeling van alle marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.

Artikel 3:6 Intrekking vaste standplaatsvergunning Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd tot intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het tweede lid worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd, dat wil zeggen is niet verplicht) genoemd ten aanzien van de vergunning. Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning minder voor de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste standplaatsvergunning. Ten aanzien van dagplaatsen en standwerkersplaatsen zal echter eerder worden overgegaan tot bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel 3:9.

Artikel 3:7 Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning In artikel 3:7 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De zinsnede ‘Onverminderd het bepaalde in artikel 3:6 geeft aan dat ook de intrekking op grond van dit artikel een punitieve sanctie is. Het verdient aanbeveling een sanctiebeleid vast te stellen waarin wordt aangegeven in welke gevallen de vergunning wordt geschorst dan wel ingetrokken. Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan. In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld een grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een standplaatsvergunning voor de markt. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 1999 (JG 99.0184 m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S. Gonesh tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt naar ons inzicht voldoende basis om deze intrekkings- of schorsingsgrond in het model op te nemen.

De Afdeling overwoog in deze zaak dat ingevolge de Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het niet voldoen aan verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit de voor die markt geldende heffingsverordening’. Het stond tussen partijen vast dat Gonesh ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar reeds gedurende langere tijd niet aan zijn uit de geldende heffingsverordening voortvloeiende betalingsverplichtingen had voldaan. Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning derhalve intrekken. Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat deze uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot betalingsverplichtingen op basis van publiekrechtelijke regelingen. De vraag of intrekking of schorsing ook mogelijk is bij het niet nakomen van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen (huur of pacht) blijft in deze uitspraak onbeantwoord. Artikel 3:8 Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker In artikel 3:7 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een vaste standplaats geregeld.

Intrekking of schorsing ligt uiteraard minder voor de hand bij niet-vaste

standplaatsen, maar in de praktijk is het van belang gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke verwijdering (artikel 10) ook een vergunninghouder van een dagplaats of standwerkersplaats langduriger van de markt te kunnen verwijderen. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een vergunninghouder voor een vaste standplaats op de vuist gaat met een dagplaatshouder of standwerker. In dit artikel is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin genoemde gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit te sluiten van de toewijzing van een dagplaats of een standwerkersplaats. In de beschikking tot uitsluiting moet worden aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en om welke concrete dagen. Het in onderdeel d genoemde is opgenomen ter bestraffing van niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de toelichting onder artikel 8, onderdeel c. Artikel 3:9. Onmiddellijke verwijdering In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang toe te passen. Dit artikel bevat voor het college de bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te passen bij overtreding van de marktverordening en de daarop gebaseerde voorschriften.

In de artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels over de besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom) gegeven. De in artikel 10 geregelde onmiddellijke verwijdering is een vorm van bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in artikel 5:24, zesde lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient dan het besluit tot het toepassen van bestuursdwang op papier te worden gesteld. Van deze bevoegdheid dient uiteraard alleen in zeer spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt. Overigens is in artikel 5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over bestuursdwang niet van toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij toepassing van artikel 10 in beginsel in de gelegenheid te worden gesteld hun zienswijze (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat dit horen niet nodig is in spoedeisende situaties. Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Artikel 9:5 Strafbepaling Ten aanzien van de in dit artikel opgenomen strafbepaling geldt dat van overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of verbodsnorm (een verplichtende norm) inhoudt.

Tegen overtredingen van de in dit hoofdstuk van deze verordening opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die de orde op de markt op enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor wat de organisatie betreft een administratieve afhandeling de voorkeur. Artikel 9:6 Toezichthouders In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. Een persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt in beginsel over alle in afdeling 5.2

van de Awb opgenomen bevoegdheden. Op grond van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze bevoegdheden bij verordening of bij besluit van het college worden beperkt. In dit verband is tevens artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat beschreven dat een toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in strijd met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Immers, in artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering, is onder meer bepaald dat met de opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn belast de personen die bij verordeningen zijn belast met het toezicht op de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een nadere regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder op grond van artikel 26 is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij toezichthouder zijn.

Zij dienen op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid te voldoen en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.

HOOFDSTUK 5 Erfgoed A. Algemene toelichting Cultureel erfgoed is overal aanwezig. In musea, in de bodem, maar ook in onze gebouwde omgeving. Het erfgoed maakt het verleden zichtbaar en is een bron van inspiratie voor nieuwe ontwikkelingen. Daarom is het belangrijk dat het cultureel erfgoed behouden blijft. Verschillende wetten en regels voor de omgang met ons erfgoed worden met ingang van 1 januari 2016 vervangen door de Erfgoedwet. Hierdoor vermindert de versnippering in de regelgeving en komt er meer structuur in de bescherming van waardevol erfgoed. Samen met de Omgevingswet vormt de Erfgoedwet het fundament voor de bescherming van monumenten. De Erfgoedwet bevat de algemene regels voor het behoud van cultureel erfgoed. In de Omgevingswet komen de meer specifieke regels over de instandhouding van monumenten, de omgang met de fysieke leefomgeving en de verlening van vergunningen. In de verordening zijn geen instandhoudingsbepalingen opgenomen met betrekking tot archeologische terreinen en ruimtelijke structuren. De archeologische terreinen worden beschermd via het archeologiebeleid en de bestemmingsplanprocedures. Ruimtelijke structuren worden beschermd via het omgevingsplan en welstandsnota’s. B. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1:6 Begripsbepalingen Sub a De adviescommissie ruimtelijke kwaliteit adviseert het college over de aanwijzing van gemeentelijke monumenten. Sub b

Naast gemeentelijke monumenten bestaan er ook provinciale monumenten en rijksmonumenten. Een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' moet in de gemeentelijke erfgoedverordening worden opgenomen, want door deze verordening krijgt het college de bevoegdheid om vergunningen te verlenen voor de wijziging of sloop van rijksmonumenten. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten blijven tot de komst van de Omgevingswet de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing. Sub c Dit betreft het register waarin de gemeente de monumenten registreert die conform de verordening zijn aangewezen. Het opnemen in het register heeft geen rechtsgevolg, want het is niet meer dan een administratieve handeling. De aanwijzing tot gemeentelijk monument, die vooraf gaat aan opneming in het register, heeft wel rechtsgevolgen, omdat het iets betekent voor de rechten en plichten van burgers of bedrijven. De aanwijzing als monument en het opnemen in het register zijn dus twee verschillende handelingen. Sub d Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet definieert monument als “een onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed”.

En cultureel erfgoed wordt weer omschreven als “uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘monument’ alleen onroerende zaken worden verstaan. Bij roerende zaken is bescherming lastig, want roerende zaken kunnen meestal eenvoudig worden verplaatst en over de gemeentegrens worden gebracht, waardoor ze buiten de werking van de verordening vallen. Afdeling 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten Artikel 5:1 Het gebruik van een monument Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar of gebruiker aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het object, maar ook op het feitelijke gebruik van het object. Het specifieke gebruik van kerkelijke monumenten (erediensten) kan op grond van deze bepaling worden gewaarborgd, zodat geen afzonderlijke regeling voor gemeentelijke kerkelijke monumenten nodig is.

Artikel 5:2 De aanwijzing tot gemeentelijk monument Lid 1 De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het opnemen in een gemeentelijk erfgoedregister zijn twee verschillende dingen. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het registreren in een erfgoedregister is slechts een administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging van alle belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbenden ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet gemotiveerd in het besluit worden beschreven.

De aanwijzing op zich geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden van het toekomstige gebruik van een monument. Immers, de als monument aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie artikel 5:9, tweede lid) of op grond van de nadere regels (zie artikel 5:9, derde lid) worden gewijzigd. Een schadevergoeding kan dan wel aan de orde zijn (zie ook artikel 5:15 en de toelichting bij artikel 5:15). Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning is vereist. Het is daarom nodig om bij de aanwijzing van een monument duidelijk te zijn over welke onderdelen worden aangewezen als beschermd monument. Lid 2 Het college moet het advies inwinnen van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit als bedoeld onder artikel 1:6 sub a. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Het is aan het college om de taken en de werkwijze van de adviescommissie ruimtelijke kwaliteit vast te leggen.

Lid 3 Monumenten die op grond van een aanwijzing door het rijk of de provincie al in een monumentenregister zijn opgenomen, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. Artikel 5:3 Voorbescherming Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument in het gemeentelijk erfgoedregister op te nemen tot het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit, de artikelen 5:9 tot en met 5:13 van deze verordening van toepassing zijn. Een toekomstig monument mag tijdens de aanwijzingsprocedure niet worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst, enzovoorts, zonder een gemeentelijke omgevingsvergunning voor monumenten. Alleen wanneer de eventuele nadere regels (artikel 5:9, derde lid) dat toestaan, is wijziging zonder vergunning mogelijk. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan de motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar of gebruiker financiële consequenties zijn verbonden. Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.dronten.nl/api//v1/meetings/995/documents/14894