Bijlage GRP Drechterland 2016-2021 (2021-63)
Tekst van het document
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht regelt de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is één geïntegreerde vergunning voor wonen, bouwen, ruimte, milieu, monumenten, natuurbescherming, flora en fauna. Directe lozingen op oppervlaktewater vallen onder het vergunningenstelsel van de Waterwet. De watervergunning en de omgevingsvergunning zijn niet geïntegreerd. Beide vergunningen kunnen bij wel bij één loket, zijnde de gemeente als poort tot de overheid, worden aangevraagd.
Lozingenbesluiten De lozingenbesluiten zijn geordend naar de doelgroep en niet naar het compartiment waar de lozing plaatsvindt. Omdat elk van de besluiten regels stelt aan de verschillende lozingsroutes (riolering, bodem en oppervlaktewater), is ieder besluit ‘opgehangen' aan de verschillende beheerwetten: de Wet milieubeheer (Wm), de Waterwet, de Wet bodembescherming (Wbb) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit regelt in principe alle lozingen vanuit inrichtingen, ook bij IPPC (gpbv)inrichtingen5. Het besluit maakt een onderscheid in Wm/Wabo-vergunningplichtige inrichtingen en inrichtingen waarvoor de vergunningplicht is opgeheven. Bij vergunningplichtige inrichtingen staat een deel van de voorschriften in de vergunning en voor een deel in het Activiteitenbesluit. Bij de overige inrichtingen staan alle voorschriften in het Activiteitenbesluit. Soms kan nog wel een watervergunning aan de orde zijn. Besluit lozing afvalwater huishoudens Het Besluit lozing afvalwater huishoudens regelt alle lozingssituaties die bij een particulier huishouden aan de orde kunnen zijn, zowel in het stedelijk gebied als in het buitengebied. Bij huishoudens gaat het om al het afvalwater dat binnen een woning vrijkomt, zoals huishoudelijk afvalwater, hemelwater en grondwater.
Over het algemeen zullen lozingen vanuit particuliere huishoudens voldoen aan de algemene regels van het besluit. Het besluit biedt de mogelijkheid om in gevallen waarin dat voor de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewater of de bodem noodzakelijk is bij maatwerkvoorschift voorwaarden aan de lozing te stellen. Het besluit stelt dat huishoudelijk afvalwater niet op of in de bodem of op het oppervlaktewater mag worden geloosd als er binnen 40 meter een openbaar vuilwaterriool of ander zuiveringstechnisch
5 IPPC (gpbv)-inrichtingen: Integrated Pollution Prevention and Control of geïntegreerde preventie en
bestrijding van verontreiniging inrichtingen. De Europese Richtlijn IPPC-richtlijn verplicht de lidstaten van de EU om grote milieuvervuilende bedrijven te reguleren middels een integrale vergunning gebaseerd op de best beschikbare technieken (BBT). 48
werk ligt en aansluiting hierop mogelijk is. In het geval dat er wel geloosd kan worden op of in de bodem of op het oppervlaktewater, moet het afvalwater door een zuiveringsvoorziening (IBA) worden geleid. Het te lozen afvalwater mag de doelmatige werking van het riool of andere voorzieningen voor het beheer van afvalwater niet belemmeren. Besluit lozingen buiten inrichtingen Het Besluit lozing afvalwater buiten inrichtingen regelt alle lozingen die niet vanuit een inrichting of een particulier huishouden plaatsvinden. Dit besluit bevat algemene regels over lozingen vanuit hemelwateruitlaten en overstorten. De lozingen zijn toegestaan, indien de voorzieningen voorkomen op de overzichten in het gemeentelijk rioleringsplan en overeenkomstig het gemeentelijk rioleringsplan zijn uitgevoerd en worden beheerd. Het GRP met aanhangende en onderliggende documenten dient uiteindelijk de informatie te bevatten waarop de waterbeheerder de gemeentelijke lozingen, uit overstorten en hemelwaterriolen, concreet kan toetsen. Van belang is dat deze informatie direct gekoppeld wordt aan het GRP, of dat het GRP daarnaar verwijst.
Omgevingswet In het kader van de vereenvoudiging en modernisering van de wet- en regelgeving werkt het rijk aan de Omgevingswet: één wet die alle wetten, in totaal ongeveer 26, op het gebied van de fysieke leefomgeving vereenvoudigt en bundelt. Hieronder vallen onderwerpen als: bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur. De oude wetten zijn veelal sectoraal opgebouwd. In samenhang gezien en toegepast sluiten deze wetten niet meer aan bij de behoefte van deze tijd. De Omgevingswet treedt naar verwachting in 2019 in werking.
Gemeentewet Rioolheffing Onder de naam rioolheffing kan door gemeenten een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de uitvoering van de gemeentelijke zorgplichten voor het stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Er kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven voor de kosten die verband houden met de zorgplicht stedelijk afvalwater en die met de zorgplichten hemelwater en grondwater. De heffing mag maximaal kostendekkend zijn.
Wet op de informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) De gemeente verstrekt voorafgaand aan graafwerkzaamheden en ter voorbereiding van ruimtelijke plannen de ligging van kabels en leidingen. Bij de evaluatie van de WION is door de belanghebbenden de wens uitgesproken dat revisiegegevens binnen 30 werkdagen na aanleg van de voorzieningen zijn verwerkt.
Beleid van en afspraken met andere overheden Nationaal Waterplan 2016-2021(NWP) Het Nationaal Waterplan bevat de hoofdlijnen voor het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het plan is zelfbindend voor het rijk, maar niet rechtstreeks bindend voor de andere overheden. Wel vraagt het kabinet de andere overheden het waterbeleid zoveel mogelijk door te vertalen in hun plannen. Het doel van het waterplan is het robuust en toekomst gericht inrichten van ons watersysteem. Een van de voorwaarden hiervoor is het bereiken van een goede waterkwaliteit.
49
Het kabinet streeft naar een benadering waarbij wateropgaven integraal en in samenhang met andere ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied aangepakt worden en waarbij afwenteling van problemen wordt voorkomen om het waterbeheer te verbeteren en tegelijk de economie en de leefomgeving te versterken tegen lagere kosten. In het Nationaal Bestuursakkoord Water zijn afspraken gemaakt tussen rijk en decentrale overheden om het watersysteem op orde te krijgen en te houden. Samenwerking tussen overheden is een belangrijke voorwaarde om dit doel te bereiken. Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP. Het betreffende beleidsdocument blijft van kracht. Om de burgers meer te betrekken bij het waterbeheer en daarmee draagvlak te krijgen voor het treffen van maatregelen en hun gedrag te beïnvloeden (goed rioolgebruik) hebben de samenwerkende overheden de publiekscommunicatie Ons Water gestart (www.onswater.nl). Monitoringsresultaten laten zien dat het bereiken van de ecologische en chemische waterkwaliteitsdoelen voor de Kaderrichtlijn Water nog een omvangrijke opgave is. De ambitie is dat Nederland eind 2021 goed op koers ligt met het realiseren van de doelen van de Kaderrichtlijn Water.
Voor de verbetering van de waterkwaliteit wordt vastgehouden aan een combinatie van aanpakken van stoffen bij de bron, aangevuld met 'end of pipe’-maatregelen en verbeteren van de inrichting van het watersysteem. Gemeenten en waterschappen moeten samen, op basis van gelijkwaardigheid, kosteneffectieve maatregelen bepalen om de waterkwaliteit te verbeteren op locaties waar lozingen vanuit de riolering oorzaak zijn van de problemen. Voor de noodzakelijke verbetering van de waterkwaliteit worden in de planperiode de stroomgebiedbeheersplannen voor Eems, Maas, Rijn en Schelde uitgevoerd. Conform het wetsvoorstel Omgevingswet heeft het kabinet het voornemen om richting 2018 een integrale visie op het beleid voor de fysieke leefomgeving te ontwikkelen: de Nationale Omgevingsvisie. Dit NWP is daar een belangrijke bouwsteen voor.
Watervisie 2016-2021 “Buiten de oevers” De watervisie 2016-2021 is het zelfbindende strategische plan van de provincie Noord-Holland op het gebied van water. De Watervisie beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 en biedt een doorkijkje naar 2040. De Watervisie bevat tevens een overzicht per waterlichaam van de in 2021 verwachte waterkwaliteit en de maatregelen die in het kader van de Kaderrichtlijn Water door de provincie Noord-Holland in de periode 2010-2015 zullen worden uitgevoerd. Noord-Holland maakt deel uit van het stroomgebied Rijn-West. Het doel van het waterplan is een veilig Noord-Holland met schoon en voldoende water dat verantwoord benut en beleefd wordt. Het beleid voor stedelijk waterbeheer wordt voortgezet, waarbij op de lange termijn (2040) gestreefd wordt naar een robuuste en klimaatbestendige inrichting van de steden waardoor er geen structurele wateroverlast of onderlast (droogstand) is in stedelijk gebied. Het inspelen op klimaatveranderingen, het voldoen aan hogere eisen aan de waterkwaliteit en het toenemende vervangingsvolume van riolen brengen hogere kosten met zich mee. Om de hierdoor optredende lastenstijging voor de burgers en bedrijven zo veel mogelijk te beperken moet de waterketen in 2015 doelmatiger zijn.
Hierbij wordt gebruik gemaakt van het in 2007 opgestelde Bestuursakkoord Waterketen en het Convenant Samenwerken Waterketen NoordHolland. Afvalwaterbeleid is geen speerpunt binnen het provinciaal milieubeleid. Naast de uitvoering van de wettelijke taken: toezicht op de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling en het transport van afvalwater, zijn geen aanvullende activiteiten gepland. 50
Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe Rijkswaterstaat grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee in de periode van 2016-2021 wil beheren. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer.
Beleidsdocumenten Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Uitgangspuntennotitie omgang met regenwater en riolering 2010 Het regenwater- en rioleringsbeleid van het hoogheemraadschap is opgenomen in de Uitgangspuntennotitie Omgaan met regenwater en riolering 2010. De notitie heeft tot doel de uitgangspunten, eisen en lange termijnvisie op het gebied van regenwater en riolering vast te leggen. Het betreft het aan- en afkoppelen van verhard oppervlak, het creëren van voldoende waterberging, het emissiebeleid voor rioolstelsels en het ontheffingenbeleid voor het buitengebied. Het beleid is gericht op een duurzame wijze van omgaan met regenwater. Het hoogheemraadschap wil dat er zo veel mogelijk op verantwoorde wijze wordt afgekoppeld (of niet aangesloten). Dit verhoogt de efficiëntie van de RWZI, verkleint de kans op overstortingen en belast de zuiveringstechnische werken minder. Tegenwoordig is het hoogheemraadschap wel iets terughoudender in het afkoppelen. Het wordt niet meer opgelegd aan de gemeentes en afkoppelen in bestaand gebied kan soms heel duur uitvallen bij vervanging van de riolering, vergeleken met andere maatregelen. Toch heeft afkoppelen nog steeds de voorkeur bij vervanging en nieuwbouw, overeenkomstig met de voorkeursvolgorde van de Wet Milieubeheer.
Het emissiebeleid voor rioolstelsels gaat niet meer uit van de basisinspanning, maar de emissieberekeningen geven nog steeds een beeld van de stand van zaken. Met gemeenten worden afspraken over de invulling van het emissiespoor vastgelegd. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het Denkstappenplan, een handreiking voor de aanpak van vraagstukken over stedelijk water. Toekomstvisie waterketen (2011) Uitgangspunt is dat de doelmatigheid in de waterketen vergroot wordt en dat de kosten beheerst worden. De Toekomstvisie Waterketen gaat uit van vier speerpunten, welke hieronder zijn beschreven. 1.
Begin bij de Bron a. Onderzoek wordt gedaan naar de hoeveelheid verwerkt afvalwater en de geheven vervuilingseenheden per zuivering. Bij grote verschillen (discrepantie) worden de vervuilers aangeschreven. Hierin werkt het hoogheemraadschap samen met de gemeenten. b. HHNK staat open voor gemeenten die over willen gaan op decentrale zuiveringssystemen in nieuwbouwwijken. Hoewel centrale zuivering vooralsnog het uitgangspunt is, wil het hoogheemraadschap wel praktijkervaring opdoen met deze nieuwe techniek en benoemt het een aantal pilotgebieden. c. HHNK zet samen met de ketenpartners in op publiekscampagnes. Deze campagnes richten zich op gedragsverandering bij inwoners en bedrijven die bijdragen aan het toepassen van brongerichte maatregelen.
2. Functies van afvalwater Het hoogheemraadschap heeft oog voor het effect van de effluentlozingen op het watersysteem en de wijze waarop de waterkwaliteitsdoelstellingen het efficiëntste behaald kunnen worden door: a. de lozingen te laten voldoen aan de normen uit het Waterbesluit en eventueel aanvullende eisen vanuit de waterkwaliteitsdoelstellingen (KRW). De aanvullende eisen worden vastgesteld middels een deskundigenoordeel op grond van de 51
effecten van de lozingen (in relatie tot andere bronnen van verontreiniging) op het watersysteem en een maatschappelijke kosten-batenanalyse; b. een actieve bijdrage te leveren aan de landelijke beleidsbeïnvloeding inzake de vraagstukken rond de KRW-maatregelen of de verwijdering van medicijnresten en hormoonverstorende stoffen uit effluent. Het hoogheemraadschap ziet afvalwater niet langer alleen als afvalproduct maar ook als bron van waardevolle grondstoffen die gewonnen of hergebruikt kunnen worden. Daarom: c. streeft het hoogheemraadschap hergebruik of terugwinning van nutriënten na daar waar dat mogelijk is en de kosten maatschappelijk te verantwoorden zijn; d. brengt het hoogheemraadschap mogelijke partners in de omgeving van de zuiveringskringen in kaart met wie deze ambitie waargemaakt kan worden en onderzoekt het hoogheemraadschap op welke wijze zij de samenwerking met potentiële partners vorm kan geven. 3. Toekomstbestendige bedrijfsvoering Het hoogheemraadschap geeft invulling aan het begrip toekomstbestendige bedrijfsvoering door: a. middels de systematiek van assetmanagement per zuiveringskring in kaart te brengen welke mogelijkheden er zijn op het gebied van levensduurverlenging, aanpassingen elders in het stelsel of de noodzaak tot ver- of nieuwbouw; b. samen met de ketenpartners vanuit een integrale benadering de meest effectieve maatregelen te bepalen; c.
samen met gemeenten goede prognoses van de toekomstige ontwikkeling in het aanbod van vuilvracht (i.e) en capaciteit (m³) van afvalwater per zuiveringskring maken. Het aan- en afhaken van bedrijven en de ambities van gemeenten op het gebied van decentrale zuiveringen in de regio is expliciet onderdeel van deze prognoses; d. in te zetten op flexibele systemen die efficiënt en toepasbaar zijn binnen de huidige en toekomstige installaties en de bouw- en ontwerpfilosofie hierop aan te passen. Het hoogheemraadschap heeft een doelstelling op het gebied van energie en geeft hier invulling aan door: e. bij het ontwerp van nieuw- en verbouw te streven naar energieneutrale zuiveringen; f. een tweede energie efficiency plan te maken waarin het aangeeft hoe het komende jaren voldoet aan de doelstellingen uit de MJA3 afspraken en het Klimaatakkoord. Er wordt een keus gemaakt in de benodigde toe te passen innovatieve technieken en de consequenties hiervan voor de toekomstige hoeveelheid slib worden in kaart gebracht; g. een strategische samenwerking aan te gaan met (een van) de slibproducenten en verwerkers van West-Nederland. 4. Samenwerken in een keten Het hoogheemraadschap streeft ernaar dat de waterketen functioneert als ware het één integraal systeem. Kostenbeheersing en doelmatigheid in de keten staan hierbij voorop door: a.
de samenwerking met gemeenten verder vorm te geven op het gebied van: 1. bundelen van kennis en capaciteit om samen met de ketenpartners die maatregelen vast te stellen die leiden tot de gewenste resultaten in de waterketen en het watersysteem;
52
b.
2. operationele taken in beheer en onderhoud gezamenlijk uit te voeren op een schaalgrootte die de doelmatigheid vergroot; 3. de investeringsbegrotingen op elkaar af te stemmen. Uitgangspunt is een goede balans tussen optimalisatie in de afvalwaterketen, optimalisatie in de inrichting van de openbare ruimte en riolering en kosteneffectiviteit van de investeringen; in kaart te brengen hoe de doelmatigheid vergroot kan worden door de samenwerking met de drinkwaterbedrijven te versterken.
Programma waterketen Dit is een uitwerking van de hierboven beschreven Toekomstvisie Waterketen. Het belangrijkste is dat er gewerkt wordt aan de vier speerpunten om een doelmatiger waterketen te krijgen. Denkstappenmodel stedelijk water Het Denkstappenmodel Stedelijk Water is een beleidsstuk dat is opgesteld als samenwerkingsproduct van Rioned en STOWA. Het hoogheemraadschap vindt dit een goed beleidsstuk om te gebruiken bij vraagstukken over stedelijk water. Het is een methode die stimuleert om een integrale afweging te maken bij het zoeken naar oplossingen en stimuleert bij de keuze voor eventuele investeringen die effectgericht werkt. De methode richt zicht met name op het effect van veranderingen in lozingen in stedelijk water en het effect daarvan op het functioneren van het watersysteem. Waterprogramma 2016 - 2021 Het Waterprogramma richt zich op het klimaatbestendig maken van het beheergebied, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Verder wordt ingezet op het nauw samenwerken met de gemeenten in het beheergebied van het hoogheemraadschap en met PWN aan een doelmatig en duurzaam (afval)waterketenbeheer. Er wordt stevig ingezet op innovaties die hieraan bijdragen, op effectgericht werken en op bronaanpak.
Aandachtspunten vanuit wettelijke kaders en beleid andere overheden Voor het GRP 2016-2021 zijn er vanuit de wettelijke kaders en het beleid van en afspraken met andere overheden de volgende aandachtspunten: 1. 2.
Het integraal meewegen van waterveiligheid en klimaatbestendigheid bij investeringen. Met het rijk en (afval)waterketenpartners de kwetsbaarheid voor (zware) overstromingen onderzoeken, met als doel maatregelen te inventariseren en een tijdpad om deze te realiseren.
53
Bijlage 2
Uitgangspunten Regionaal Rioleringsplan West-Friesland
Op basis van de relevante wetgeving en het beleid van, en afspraken met, andere overheden zijn door de zeven samenwerkende West-Friese gemeenten de gezamenlijke visie en uitgangspunten bepaald voor het opstellen van het RRP. Op een paar punten na vormen deze uitgangspunten vormen de basis voor het opstellen van dit nieuwe GRP. 1.
Zorglichten, rol gemeente 1.1. Stedelijk afvalwater Reikwijdte zorgpicht 1.1.1. De gemeente neemt de taak op zich om te zorgen voor de verwijdering van afvalwater door de aanleg van een openbaar vuilwaterriool bij percelen waarvoor geldt dat aansluiting op de riolering doelmatig is. Daar waar aansluiting niet doelmatig is moeten burgers en bedrijven zelf zorgen voor zuivering van huishoudelijk afvalwater. 1.2. Hemelwater Wijze hemelwaterafvoer 1.2.1. Eigenaren van percelen die direct grenzen aan oppervlaktewater, voeren het hemelwater zelf af naar oppervlaktewater. Afkoppelen 1.2.2. Er wordt bij bestaande bebouwing geen verhard oppervlak afgekoppeld tenzij op basis van onderzoek is aangetoond dat dit efficiënt bijdraagt aan het bereiken van het beoogde doel. 1.2.3. In voorkomende gevallen wordt particulier terrein of bebouwing alleen op vrijwillige basis afgekoppeld. 1.3. Grondwater, Definitie structurele grondwaterproblemen 1.3.1. Problemen die zich herhaaldelijk, gedurende weken tot maanden bij meerdere percelen/woonblokken voordoen en veroorzaakt worden door een te hoge of een te lage grondwaterstand. De problemen uiten zich als vochtproblemen in verblijfsruimten van woningen, opdooischade aan wegen, slechte beworteling van bomen/groen en het slecht begaanbaar zijn van openbaar groen, tuinen en achterpaden. Ontwateringsdiepte openbaar gebied 1.3.2.
In het openbaar gebied streeft de gemeente bij groen (tuinen, plantsoenen en parken) naar een ontwateringsdiepte van minimaal 0,5 meter beneden maaiveld en bij wegen van minimaal 0,7 meter beneden maaiveld. 1.3.3. Wanneer de ontwateringsdiepte in een openbaar gebied niet aan het gestelde criterium voldoet én er een grondwaterprobleem is, neemt de gemeente maatregelen om de gevolgen van het grondwaterprobleem zoveel mogelijk te beperken of op te lossen. Ontwateringsdiepte bij bebouwing 1.3.4. De gemeente beoogt ter plaatse van bebouwing een ontwateringsdiepte te realiseren van minimaal 0,7 meter beneden maaiveld. 1.3.5. Als de ontwatering op particulier terrein ter plaatse van bebouwing structureel minder is dan 0,7 meter en het overtollige grondwater niet op het eigen terrein van de particulier kan worden verwerkt, zal de gemeente het overtollige grondwater vanaf de perceelgrens in ontvangst nemen en verder afvoeren. Aanpak grondwaterproblemen 1.3.6. Als een particulier grondwaterproblemen heeft en deze niet zelf op kan lossen kan hij bij de gemeente terecht. Samen met de betrokkenen (particulier en andere overheden) maakt de gemeente dan een analyse van de oorzaken, gevolgen en mogelijke maatregelen en weegt de maatregelen af (doelmatigheidstoets). 1.3.7. De gemeente treft alleen maatregelen in en ten behoeve van het openbare gebied.
Maatregelen op particulier terrein (bouwkundig of waterhuishoudkundig), alsmede de kosten voor het maken van een aansluiting op het gemeentelijk afvoerstelsel zijn voor rekening van de particulier. Ontwatering bij nieuwbouw 1.3.8. Bij nieuwbouw wordt als onderdeel van het rioleringsplan een ontwateringsplan opgesteld. 1.3.9. Bij nieuwbouw wordt onderzocht of grondwaterneutraal gebouwd kan worden. In plaats van het toepassen van drainage wordt hierbij de ondergrond omhoog gebracht zodat de grondwaterstand niet verlaagd behoeft te worden. 1.3.10. Bij nieuwbouw (met toepassing van kruipruimtes) moet perceeldrainage worden aangelegd.
54
2.
3.
4.
5.
6.
7.
Zorgplichten, Inzet particulieren Van particulieren (perceeleigenaren) wordt verwacht: 2.1. Stedelijk afvalwater (vuilwater) 2.1.1. Dat zij het stedelijk afvalwater (vuilwater) bij ver- of nieuwbouw gescheiden aanbieden voor aansluiting op een openbaar (vuilwater)riool. 2.1.2. Dat zij hun vuilwaterafvoerleidingen in goede staat onderhouden en zo nodig vernieuwen. 2.1.3. Dat zij het riool alleen gebruiken waar het voor bedoeld is (Goed rioolgebruik). 2.2. Hemelwater 2.2.1. Dat zij bij percelen grenzen aan oppervlaktewater het hemelwater zelf verwerken. 2.2.2. Dat zij in overige gebieden het hemelwater, voor zover zij dit niet redelijkerwijs zelf kunnen verwerken, gescheiden aanbieden voor aansluiting op een openbaar (hemelwater)riool. 2.2.3. Dat zij hun hemelwatervoorzieningen in goede staat onderhouden en zo nodig vernieuwen. 2.3. Grondwater 2.3.1. Dat zij bij percelen grenzen aan oppervlaktewater zelf maatregelen treffen tegen nadelige gevolgen van grondwaterstanden. 2.3.2. Dat zij in overige gebieden, voor zover zij zelf binnen de grenzen van het redelijke geen maatregelen kunnen treffen en afvoer van grondwater noodzakelijk is, het grondwater gescheiden aanbieden voor aansluiting op een openbaar (ontwaterings)riool. 2.3.3. Dat zij hun grondwatervoorzieningen in goede staat onderhouden en zo nodig vernieuwen. Gemeentelijke plannen 3.1.
Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 3.1.1. De gemeente zorgt ervoor dat zij over een actueel GRP beschikt dat de hoofdlijnen van het rioleringsbeleid bevat. 3.2. Basisrioleringsplan (BRP) 3.2.1. De gemeente zorgt ervoor dat er van het rioolstelsel actuele hydraulische en vuiltechnische berekeningen in de vorm van een BRP beschikbaar zijn. In het BRP worden de maatregelen bepaald om wateroverlast in relatie tot rioolcapaciteit zoveel mogelijk te verminderen en (milieu)maatregelen om de vuilemissies vanuit overstorten op oppervlaktewater tot een aanvaardbaar niveau te brengen. Bepalen en uitvoeren maatregelen 4.1.1. Bij het bepalen van de basisrioleringsplanmaatregelen worden de volgende zaken meegenomen: Het effect van klimaatsverandering. De ontwatering van het gebied. 4.1.2. Maatregelen worden afgestemd met het wegbeheer en andere maatregelen in de openbare ruimte van zowel de gemeente als derden om zo de maatschappelijke kosten te reduceren. 4.1.3. Alleen maatregelen waarvan op basis van onderzoek is aangetoond dat deze efficiënt bijdragen aan het bereiken van het beoogde doel worden toepast. Samenwerking 5.1.1. De gemeente werkt samen met de regiogemeenten, het hoogheemraadschap en het waterleidingbedrijf om de waterketen (drinkwater, riolering en zuivering) doelmatig te beheren.
Met de samenwerking wordt beoogd kosten te verlagen, de kwaliteit van het beheer te vergroten en de kwetsbaarheid van organisaties te verminderen. Communicatie 6.1.1. Vanuit de samenwerking in de waterketen richten wij ons op een gezamenlijke communicatie naar de inwoners en de bedrijven. 6.1.2. De website van de gemeente geeft informatie over (het aanvragen van) rioolaansluitingen en (hoe te handelen bij) klachten en meldingen. 6.1.3. Op de website wordt het GRP geplaatst. 6.1.4. De website bevat verwijzingen naar de landelijke publiekswebsites www.riool.info en www.onswater.n voor meer algemene informatie, worden ook verwijzingen opgenomen naar de websites van PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland en het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier die respectievelijk zorgen voor drinkwater en afvalwatertransport, –zuivering en waterbeheer. 6.1.5. Naast informatie op de website worden de burgers worden geïnformeerd door het huis aan huis verspreiden van brieven en brochures en door middel van publicaties in wijk- en weekbladen. Beheer 7.1. Algemeen 7.1.1. Inspectie en beoordeling vinden, voor zover beschikbaar, plaats met genormaliseerde systemen. 7.1.2. (asset management/prestatie- en risicogestuurd rioolbeheer). Bij het rioleringsbeheer wordt rekening gehouden met risico’s op basis van maatschappelijke effecten(schade, hinder) en herhalingstijden.
Bij kleine maatschappelijke risico’s beperkt de
55
gemeente onderzoek en preventief onderhoud, bij grote maatschappelijke risico’s intensiveert zij deze. 7.1.3. Binnen de samenwerkingsregio West-Friesland wordt gestreefd naar een verbetering van de uitwisselbaarheid van gegevens. We streven naar uniformiteit door het hanteren van dezelfde bestandsopbouw en benamingen in de beheersystemen voor riolen en gemalen. 7.1.4. Binnen de West-Friese gemeenten wordt gestreefd naar de aanschaf van een gezamenlijk integraal beheersysteem. 7.2. Aanleg 7.2.1. Voor in- en uitbreidingsplannen worden in overleg met de waterbeheerder riolerings(ontwerp)plannen opgesteld. Deze plannen bevatten ook een ontwateringsparagraaf. 7.2.2. Het hemelwater bij her-/nieuwbouw van meer dan geringe omvang wordt bij voorkeur gescheiden van het overige afvalwater ingezameld. Vervanging hierbij van het gemengde stelsel door een gescheiden stelsel vindt alleen plaats als dit een meerwaarde heeft uit oogpunt van kosten, wateroverlast en milieu. 7.2.3. Waar afvloeiend hemelwater te zeer verontreinigd is en dit niet kan worden voorkomen, wordt het grotendeels ter plaatse gezuiverd en geloosd of ingezameld en afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. 7.2.4. Bij nieuwbouw van geringe omvang wordt aangesloten op (een uitbreiding van) het bestaande stelsel. 7.2.5.
De capaciteit van de (hemelwater)riolering is tenminste gebaseerd op bui 8 uit de Leidraad Riolering. Bij deze bui mag net geen of slechts heel kort ‘water-op-straat” optreden. 7.3. Gegevensbeheer 7.3.1. De rioleringsgegevens* (objectgegevens en kwaliteitgegevens) zijn in een geautomatiseerd rioolbeheersysteem opgenomen en worden actueel gehouden. De revisies zijn binnen 30 werkdagen na aanleg van de voorzieningen verwerkt. Dit betreft de gegevens van de riolering, drainage, kolk- en huisaansluitingen, randvoorzieningen (bergbezinkbassin en lamellenafscheiders), gemalen en drukrioleringunits . 7.4. Huisaansluitingen 7.4.1. Huisaansluitingen zijn tot de erfgrens in beheer bij gemeente 7.5. Onderzoek Voor de verschillende rioleringsobjecten wordt de volgende inspectie- en beoordelingsmethodiek toegepast. Vrijvervalriolering 7.5.1. Na aanleg wordt het riool met een door het riool rijdende videocamera geïnspecteerd (gedetailleerde inspectie, opleveringsinspectie). Bij meer dan geringe schade wordt dit gerepareerd en het riool opnieuw geïnspecteerd. Wanneer hierbij geen of geringe schade (meer) wordt geconstateerd, wordt na 20 jaar een nieuwe gedetailleerde inspectie gepland. 7.5.2. Wanneer bij een vervolginspectie geen of geringe schade wordt geconstateerd, wordt vervolgens op termijn weer een nieuwe gedetailleerde inspectie gepland.
De lengte van de termijn is hierbij afhankelijk van de functie van het riool. Bij vuilwater- en gemengde riolering na tien jaar en bij hemelwater na 20 jaar. 7.5.3. Wanneer sprake is van ernstige schade wordt dit onderzoek zo nodig aangevuld met nader onderzoek (bijv. radar- of boorkernonderzoek bij ernstige aantasting) en afhankelijk van dat resultaat een herstelmaatregel en/of een vervolginspectie gepland. De lengte van de termijn van een vervolginspectie is hierbij afhankelijk van de geconstateerde schade Persleidingen, drukrioleringen en drainage 7.5.4. Persleidingen, drukrioleringen en drainage worden alleen geïnspecteerd als daar aanleiding toe is. Kolken 7.5.5. De straat- en trottoirkolken worden gelijktijdig met de reiniging daarvan geïnspecteerd. Gemalen en drukrioleringunits 7.5.6. De gemalen en drukrioleringunits worden jaarlijks in combinatie met de reiniging daarvan geïnspecteerd. Randvoorzieningen 7.5.7. De randvoorzieningen (bergbezinkbassin en lamellenafscheiders) worden jaarlijks in combinatie met een reiniging daarvan geïnspecteerd. 7.6. Planvorming Gemeentelijk rioleringsplan 7.6.1. Het (GRP) wordt opgesteld in samenspraak met het betrokken waterbeheerders en afgestemd met de provincie.
56
8.
9.
7.6.2. Bij het opstellen van het GRP wordt rekening gehouden met het rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid. 7.6.3. De geldigheidsduur van het GRP wordt afgestemd op die van de waterplannen van de andere overheden. Jaarplannen riolering 7.6.4. Het GRP wordt jaarlijks uitgewerkt in een operationeel jaarplan. Na afloop van het planjaar wordt het jaarplan geëvalueerd. In deze plannen wordt het volgende gerapporteerd: • Beschrijving van de in het komende jaar uit te voeren werkzaamheden. • Beschrijving van de in het voorgaande jaar uitgevoerde werkzaamheden. • Een overzicht van de binnengekomen meldingen/klachten. • De voortgang van de uitvoering van het GRP. Basisrioleringsplan (BRP) 7.6.5. Het actualiseren (herberekenen) van het BRP wordt uitgevoerd zodra er significante wijzigingen optreden in de uitgangspunten, de berekeningsmethodiek of het rioleringssysteem zelf. Zodra significante wijzigingen in het rioleringssysteem optreden wordt de betrokken waterbeheerder daarvan op de hoogte gesteld. 7.7. Onderhoud Reiniging De riolering wordt planmatig en naar behoefte gereinigd. Voorlopig worden de volgende frequenties aangehouden: 7.7.1. vuilwater- en gemengde riolen: 1 keer per 10 jaar. 7.7.2. hemelwater-/schoonwaterriolen en drainage: 1 keer per 20 jaar. 7.7.3. straat- en trottoirkolken: 1 keer per jaar. 7.7.4. Gemalen/drukrioleringunits 1 keer per jaar. 7.7.5.
randvoorzieningen: 2 keer per jaar. Storingen 7.7.6. Storingen aan gemalen worden automatisch gemeld. 7.7.7. Bij drukrioleringunits gaat bij storingen een rode lamp op de bedieningskast branden. 7.7.8. Storingen aan gemalen en drukrioleringunits worden na melding binnen 24 uur verholpen. Klachten/meldingen 7.7.9. Klachten/meldingen worden geregistreerd . Klachten/meldingen worden zo spoedig mogelijk afgehandeld. Binnen één werkdag wordt naar de klager gereageerd. Voor klachten over het riool en straatkolken gelden standaard afhandelingstermijnen van respectievelijk dezelfde dag en vijf werkdagen. 7.7.10. Binnen de West-Friese gemeenten wordt gestreefd naar een gelijke indeling van klachten naar rubriek. 7.8. Calamiteiten 7.8.1. Indien als gevolg van calamiteiten of andere uitzonderlijke omstandigheden, lozingen vanuit de riolering op oppervlaktewater plaatsvinden wordt de betrokken waterbeheerder daarvan meteen in kennis gesteld. Maatregelen worden getroffen om nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. 7.9. Investeringen 7.9.1. Bij alle investeringsmaatregelen wordt maximaal meegekoppeld met andere maatregelen in de openbare ruimte van zowel de gemeente als derden. Vergunningverlening en handhaving 8.1.1.
De gemeente is bevoegd gezag voor de lozingen van bedrijven op de riolering en ziet toe op de naleving van de lozingsvoorwaarden. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd door de Regionale uitvoeringsdienst (RUD). 8.1.2. De gemeente voert steekproefsgewijs onderzoek uit naar foutaansluitingen. Financiën 9.1.1. Binnen de West-Friese gemeenten wordt gestreefd naar een onderling vergelijkbare opzet van de exploitatie. 9.1.2. De rioolheffing is kostendekkend. 9.1.3. Investeringen worden zoveel mogelijk direct afgeschreven.
57
Bijlage 3 1
Evaluatie GRP 2011-2015
Inleiding Voor het opstellen van het GRP 2016-2021 is gestart is met een terugblik op het vorige GRP: het Gemeentelijk rioleringsplan 2011-2015. De evaluatie heeft zich gericht op de doelen, maatregelen, financiën en organisatie uit de voorgaande periode. Op basis van deze terugblik zijn conclusies getrokken en aandachtspunten voor het nieuwe plan geformuleerd.
2
Evaluatie 2.1 Doel Het doel van het rioleringsbeleid van de gemeente Drechterland is om de kwaliteit en capaciteit van het Drechterlandse rioolstelsel binnen het wettelijke kader op peil te houden tegen zo gering mogelijke kosten. Dit doel is uitgewerkt in doelstellingen die de gewenste situatie weergeven voor de aanleg van nieuwe voorzieningen en het beheer van de bestaande voorzieningen. Uit deze doelen zijn functionele eisen met daarbij behorende maatstaven en meetmethoden afgeleid, waarmee getoetst kan worden in hoeverre de doelen worden bereikt. De in het GRP 2011-2015 gestelde doelenstellingen zijn: • Zorgen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater door middel van een openbaar vuilwaterriool naar de overdrachtspunten. Vanaf deze punten wordt het stedelijk afvalwater door het hoogheemraadschap verder getransporteerd naar de rioolwaterzuivering in Wervershoof. • Zorgen voor de inzameling, transport en verwerking van het hemelwater dat de particulier niet zelf kan/mag verwerken. • Er voor zorgen dat de grondwaterstand de aan de grond gegeven bestemming zo min mogelijk belemmert. • Het implementeren van de verbrede zorgplichten • Het verbeteren van de waterkwaliteit • Het inspelen op klimaat- en duurzaamheidsontwikkelingen • Het verbeteren van de doelmatigheid van rioleringsactiviteiten Het in het GRP gemaakte onderscheid in doelen is duidelijk.
2.2 Maatregelen 2.2.1 Gegevensbeheer
Het voornemen was om het geautomatiseerde rioolbeheersysteem actueel te houden. De wijzigingen als gevolg van aanleg en renovatie van riolering en de inspectieresultaten zijn deels verwerkt in het rioolbeheersysteem. Wijzigingen in kolk- en huisaansluitingen zijn vanaf 2011 verwerkt in de digitale huisaansluitingentekening. Naar schatting is circa 90 % van de vrijvervalriolering en bijbehorende objectkenmerken goed in beeld. Bij mechanische riolering ontbreekt nog een groot deel van het areaal. De exacte omvang hiervan is niet bekend. Vermoedelijk is ook een deel van de uitgevoerde rioolinspecties niet in het beheersysteem verwerkt. Ook hiervan is de omvang niet bekend.
58
2.2.2 Onderzoek Inspectie en beoordeling Het voornemen was om de huidige inspectie- en beoordelingsmethodiek voor de bestaande voorzieningen voor stedelijk afvalwater, hemel- en grondwater voort te zetten. Vrijvervalriolering Om de staat van onderhoud van de riolering te bewaken is in het GRP opgenomen om per jaar 6,6 km aan riool te reinigen en te inspecteren met een door het riool rijdende videocamera (gedetailleerde visuele inspectie). Zo nodig wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de resterende wanddikte en (rest)sterkte van de rioolbuizen (radar- en boorkernenonderzoek). In het beheersysteem is bij 20 km rioolleidingen een inspectieresultaat uit de periode 2011-2015 beschikbaar. Hiermee is niet aan het voornemen van in totaal 33 km voldaan. Overige rioleringsvoorzieningen De inspectie van de gemalen, drukrioleringunits, kolken en randvoorzieningen (bergbezinkleidingen) zijn conform plan uitgevoerd. Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Het GRP is voorzien van een uitgavenprognose en bijbehorende kostendekkingsberekening. In 2013 is, om verschillende redenen, geconstateerd dat uitgaven achterbleven bij de verwachtingen. Om deze reden is een kostendekkingsherberekening uitgevoerd (Tauw, Kostendekkingsherberekening gemeente Drechterland, kenmerk: N001-1213833COR-nja-V01-NL, 6 mei 2013). Basisrioleringsplan (BRP) Conform plan is in 2014 een BRP opgesteld.
Ongezuiverde lozingen buitengebied Voor het GRP was als onderzoeksdoel gesteld het aanpakken van ongezuiverde lozingen (met ontheffing) in het buitengebied. Gedurende de planperiode in het beleid van de Provincie NoordHolland gewijzigd. Hierdoor is de noodzaak voor het onderzoek en de aanpak vervallen. Opstellen hemelwaterverordening. Het opstellen van een hemelwaterverordening heeft als doel om duidelijkere afspraken te maken hoe om te gaan met hemelwaterafvoer in de bestaande omgeving. Deze verordening is niet opgesteld. In het RRP zijn wel voorschriften opgenomen voor de omgang met hemelwater in bestaand gebied. Regenwaterlozingen op drukriolering Het onderzoek naar regenwaterlozingen op drukriolering is uitgevoerd. Hierbij is een aantal aansluitingen van regenwater aangetroffen. De aangetroffen aansluitingen zijn afgekoppeld. Bestaande drainage Om betere invulling te kunnen geven aan de grondwaterzorgplicht is het noodzakelijk om de bestaande drainage in te kaart brengen. Hier is mee begonnen door het digitaliseren van de bestaande tekeningen. In totaal is 2,7 km drainage in het beheersysteem geregistreerd. Vermoedelijk is dit nog maar een klein deel van het aanwezige areaal.
59
2.2.3 Onderhoud Reiniging riolering Voorgenomen was om per jaar 6,6 km van vuilwater- en de gemengde riolen te reinigen en te inspecteren. Omdat de inspectieopgave niet is gehaald, is ook de reinigingsopgave niet gehaald. Reiniging gemalen De gemalen zijn planmatig gereinigd en geïnspecteerd. Reinigen straat- en trottoirkolken Voorgenomen was om de kolken 1 x per jaar te reinigen. Dit is zo ook uitgevoerd. Klein onderhoud/Storingen en meldingen Bij kleine gebreken of storingen aan riolering, kolken en gemalen is beoordeeld of ingrijpen noodzakelijk is. Indien nodig, zijn gebreken verholpen. Wanneer nodig is dit direct na constatering of melding uitgevoerd. Registatie van meldingen en storingen is niet uitgevoerd. 2.2.4 Investeringen Aanleg riolering In het GRP 2011-2015 is geen fysieke areaaltoename voorzien. Wel is, ten behoeve van de kostendekkingsberekening aangenomen dat het aantal aansluiting jaarlijks met 50 toeneemt. De aanleg van nieuw riool (anders dan vervanging of verbetering) is niet separaat geregistreerd. Het aantal aanslagen voor rioolheffing is over de planperiode met 3 % gestegen en komt vrijwel overeen met de verwachting uit 2011. Aansluiten persleiding op vrijverval De rioolputten waar een persleiding in uitkomt zijn geïnspecteerd. De resultaten hiervan zijn beoordeeld en voor de geconstateerde gebreken zijn maatregelen opgenomen in een maatregelplan.
De gemeente is voornemens de nodige maatregelen de komende planperiode alsnog uit te voeren. Afkoppelen wegen Oosterblokker, wijk rond Pennekamplaan Dit project is in 2015 voorbereid en wordt in 2016 uitgevoerd. De geraamde kosten bedragen € 200.000,-. Afkoppelen wegen Venhuizen, wijk rond Zuid Davidzonweg Deze werkzaamheden zijn in 2014 uitgevoerd en afgerond. Signalering 100 vacuümputten Dit project is in 2015 voorbereid en in 2016 uitgevoerd. Vervanging vrijvervalriolering De technische noodzakelijke rioolvervangingen zijn niet concreet in het GRP opgenomen. De opgave is in 2011 berekend aan de hand van theoretische levensduurverwachtingen en spreiding. Dit heeft geleid tot jaaropgaven en in 2013 bij de herziening tot bijgestelde jaaropgaven. In de periode 20132015 is 2,2 miljoen euro geraamd voor vervangingsinvesteringen van vrijvervalriolering. Beoordeling van inspectieresultaten heeft niet plaatsgevonden. Een vervangingsplanning ontbreekt en nieuwe projecten zijn niet gestart.
60
Vervanging mechanisch riool De bouwkundige vervanging van gemalen, pompunits en pers- (of druk-) leidingen is in 2011 in het GRP bepaald aan de hand van een verwachte levensduur. Alleen het ‘cluster 1968’ (Kerkweg Venhuizen) is op basis hiervan in aanmerkingen gekomen voor vervanging in de looptijd van het GRP. Deze vervanging is niet uitgevoerd, voornamelijk omdat een directe aanleiding ontbreekt. In het GRP is een aanzienlijke opgave van vervanging van elektromechanische installaties voorzien. In totaal gaat het om 20 hoofdrioolgemalen en 423 minigemalen. In het aantal minigemalen zijn ook de bufferputten van de vacuümstelsels meegeteld. Wij moeten dus spreken over 321 minigemalen en 102 bufferputten. Met nog een kleine resterende opgave in 2016 zijn vrijwel alle installaties conform plan vervangen.
2.3 Vergunningverlening en handhaving De gemeente is voor het merendeel van de bedrijven het bevoegde gezag voor de afhandeling van meldingen en vergunningen en de handhaving daarvan in het kader van de Wet milieubeheer. Dit omvat tevens de lozingen op de riolering. In de vergunningen worden voorschriften opgenomen voor deze lozingen De bedrijven zijn informatie- en risicogestuurd gecontroleerd.
2.4 Samenwerking 2.4.1 Samenwerking Waterketen West-Friesland Met de zes West-Friese gemeenten, het hoogheemraadschap en het drinkwaterleidingbedrijf wordt samengewerkt om kosten te besparen, de kwaliteit te verbeteren en kwetsbaarheid op personeelsgebied te verminderen. Deze samenwerking is vastgelegd in het Convenant Regionale Samenwerking Waterketen West-Friesland (2014).
2.5 Organisatie en financiën 2.5.1 Personele middelen In het GRP is geraamd dat voor de rioleringszorg 2,6 fte nodig is. Hierbij wordt aangenomen dat het merendeel van de werkzaamheden wordt uitbesteed. Bij aanvang van de planperiode was 1,3 fte beschikbaar voor de binnendienst en 1,3 fte voor de buitendienst. In de huidige situatie is 0,9 fte binnendienst en 1,0 fte buitendienst beschikbaar voor deze zorg. Deze personeelsbezetting was niet voldoende om de werkzaamheden uit te voeren. 2.5.2 Financiële middelen Uitgaven In het GRP 2011-2015 was een stijging van de kosten van € 1.279.700,- in 2011 naar € 1.532.100,- in 2015 voorzien (beide inclusief BTW). In 2013 is dit naar beneden bijgesteld naar € 1.463.300,- in 2015. In de begroting van 2016 zijn de totale lasten op € 1.430.235,- inclusief BTW geraamd. Het uitblijven van de verwachte stijging is vrijwel geheel toe te schrijven aan het uitblijven van nieuwe kapitaallasten. exploitatie Onderstaande tabel toont de uitgaven in het kader van de exploitatie (exclusief personeel & overhead) in de gemeente Drechterland.
61
Tabel: uitgaven exploitatie (excl. personeel & overhead) plan (GRP 2013)
€
528.728
jaarrekeningen begroot 2013 2014 2015 2016
€ € € €
494.728 € 520.728 € 545.728 € 545.728
werkelijk 369.758 471.025 406.510
verschil (t.o.v. plan) (t.o.v. begroot) -30% -25% -11% -10% -23% -26%
De exploitatiebegroting van Drechterland kent een hoge mate aan differentiatie. Dit leidt er toe dat verschillen tussen werkelijk en begroot per onderdeel flink kunnen verschillen. Ditzelfde geldt voor de verschillen tussen de begrotingsjaren. De tabel laat zien dat in zijn totaliteit de afgelopen jaren de werkelijke uitgaven achterblijven bij de begroting. Met name uitgaven die worden geschaard onder ‘uitbestede werkzaamheden’ (kostensoort 34333) zijn achter gebleven. Vanaf 2015 zijn de begrote exploitatielasten hoger dan in het plan uit 2013 is beoogd. Dit komt met name door het toevoegen van een jaarlijkse bijdrage van € 32.000,- voor straatreiniging derden. personeel & overhead In 2013 is een bedrag van € 251.000,- geraamd voor personeel & overhead. In de begroting van 2016 is dit bedrag gegroeid naar € 277.000,kapitaallasten In 2013 is geraamd dat door de toevoeging van € 268.000,- aan nieuwe kapitaallasten de totale kapitaallasten in 2016 zou zijn toegenomen tot € 474.000,-. In de begroting van 2016 zijn de kapitaallasten op € 407.000,- geraamd. De lasten blijven dus achter bij de verwachting. Dit sluit aan bij het beeld van het uitblijven van investeringen. Baten In het GRP 2011-2015 is een stijging van de opbrengsten voorzien van € 1.065.000,- in 2011 naar € 1.430.000,- in 2015. Hierbij is geen rekening gehouden met prijsinflatie, maar wel met areaaluitbreiding.
De rioolheffing zou hierbij moeten stijgen van € 130,- naar € 170,- (tarief 1). In 2013 is de verwachting bijgesteld en geraamd dat in 2015 met een heffing van € 145,88 (tarief 1) een opbrengst van € 1.227.000,- zou worden behaald. In de begroting van 2016 wordt een opbrengst van € 1.239.000,- uit rioolheffing verwacht. Dit sluit aan bij de verwachting uit 2013. Kostendekking Bij het opstellen van het GRP 2011-2015 is jaarlijks onttrekking uit de voorziening voorzien, waarbij de voorziening over de gehele periode zou afnemen van € 915.000,- naar € 16.000,-. In 2013 is de prognose bijgesteld, omdat de stand van de voorziening alleen maar was toegenomen (tot € 1.588.160,- per 1 januari 2013). Met deze bijstelling is een langzame afname tot 2026 voorzien. Per 1 januari 2016 bedraagt de hoogte van de voorziening € 1.895.000,-. De stijging van de voorziening sluit aan bij het uitblijven van uitgaven in de afgelopen periode.
62
Tarifering Bij het opstellen van het GRP 2011-2015 was een tariefstijging beoogd van € 130,- in 2011 naar € 170,- in 2015. In 2013 is de verwachting bijgesteld en is een geleidelijke stijging naar € 145,88 (tarief 1) in 2015 voorgesteld. Dit voorstel is ook daadwerkelijk opgevolgd.
3
Benchmark rioleringszorg De gemeente Drechterland heeft in 2013 meegedaan aan de Benchmark rioleringszorg van de Stichting RIONED. Oordeel RIONED “Drechterland wordt getypeerd als een kleine, niet stedelijke gemeente in West Nederland, voornamelijk gelegen op klei/kleiveen grond. Er ligt een gemiddelde verdeling gescheiden/gemengd en een gemiddelde hoeveelheid mechanische riolering. De hoogte van de rioolheffing 2013 is relatief laag, en zal op (middel) lange termijn naar verwachting enigszins stijgen. Er is het afgelopen jaar (2012) veel geïnvesteerd in vervanging en verbetering van het stelsel en de beheerkosten per km systeembuis zijn gemiddeld.* Drechterland kende afgelopen jaren (t/m 2012) geen situaties met wateroverlast en neemt zo nodig passende maatregelen om toekomstige wateroverlast tegen te gaan. In de afgelopen decennia zijn milieu- en waterkwaliteitsdoelstellingen steeds belangrijker geworden. De gemeente voldoet voor 98 % aan de emissieafspraken met de waterbeheerder.” *Wij oordelen dat deze uitspraak niet juist is omdat investeringen en investeringslasten de afgelopen periode zijn achtergebleven bij het plan. Conclusies Uit de cijfers uit de Benchmark kunnen de volgende conclusies worden herleid: Areaal • De gemiddelde leeftijd van de vrijvervalriolering is met 26,9 jaar iets lager dan het landelijke gemiddelde van 29,6 jaar.
• De omvang van de mechanische rioolstelsels is in Drechterland per huishouden circa twee keer zo groot als gemiddeld in Nederland. De relatieve omvang van vrijverval wijkt nauwelijks van het gemiddelde af. Activiteiten • De reinigingsfrequentie van vrijvervalriolen is ongeveer 1/3 lager dan het landelijke gemiddelde, de inspectiefrequentie ongeveer 1/4. Kostendekking • De rioolheffing voor een meerpersoonshuishouden is met € 149,- lager dan het landelijke gemiddelde van € 202,-. • Met € 9,- per meter riool rioolheffing is ook de relatieve heffing lager dan het landelijke gemiddelde van € 13,- per meter riool. • De rioolheffing zal in 2020 hoger zijn dan in 2013, maar nog steeds ver beneden het landelijke gemiddelde.
63
Kosten rioleringszorg De Benchmark geeft ook zicht op relatieve kosten van de rioleringszorg per km systeembuis. Omdat de herkomst van de gegevens van de gemeente Drechterland uit 2013 niet kan worden achterhaald, is een vergelijking met de Drechterlandse situatie, zoals gepresenteerd in de Benchmark, achterwege gelaten. Een vergelijking van de landelijke gemiddelden uit 2013 met de actuele situatie is wel mogelijk. Deze vergelijking is in onderstaande tabel gepresenteerd. Tabel: Vergelijking kosten rioleringszorg met landelijk gemiddelde
Kosten rioleringszorg per km systeembuis lengte systeembuis (km)
180
landelijk gemiddelde (Benchmark rioleringszorg 2013) beheerkosten* € 4.000 - waarvan personeelslasten € 1.800 totale kosten rioleringszorg € 13.000 * exclusief inversterings- en kapitaallasten
Drechterland 2016
€ 4.600 € 1.500 € 7.900
Geconcludeerd wordt dat beheerkosten in Drechterland iets hoger zijn dan landelijk gemiddeld, maar de personeelslasten juist iets lager. De totale kosten zijn wel lager dan het landelijke gemiddelde wat duidt op (nog) relatieve lage kapitaallasten. Personele inzet De Benchmark geeft ook zicht op relatieve personele inzet van de rioleringszorg per 100 km systeembuis. Omdat de herkomst van de gegevens van de gemeente Drechterland uit 2013 niet kan worden achterhaald, is een vergelijking met de Drechterlandse situatie, zoals gepresenteerd in de Benchmark, achterwege gelaten. Een vergelijking van de landelijke gemiddelden uit 2013 met de actuele situatie is wel mogelijk. Deze vergelijking is in onderstaande tabel gepresenteerd. Tabel: Vergelijking personele inzet rioleringszorg met landelijk gemiddelde
vergelijk personele inzet obv lengte systeembuis lengte systeembuis (km)
personele inzet - waarvan binnendienst* - waarvan buitendienst * exclusief projectmatige inzet
180 landelijk gemiddelde (Benchmark rioleringszorg 2013) 3,89 2,14 1,75
Drechterland 2016
1,64 0,64 1,00
Geconcludeerd wordt dat personele inzet in de gemeente Drechterland lager is dan landelijk gemiddeld. Dit geldt in het bijzonder voor de binnendienst.
64
4
Conclusies en aandachtspunten vanuit evaluatie GRP 2011-2015 4.1 Conclusies • • •
De in het GRP voorgenomen activiteiten zijn deels uitgevoerd. De beschikbare personele middelen waren niet voldoende om het maatregelenpakket uit het GRP uit te voeren. De totale werkelijke uitgaven zijn lager gebleven dan de in het GRP verwachte uitgaven.
4.2 Aandachtspunten vanuit evaluatie GRP 2011-2015 1. 2.
Opnemen van de nieuw gerealiseerde lozingspunten op het oppervlaktewater. Opnemen van financiën voor het verbeteren van de afwatering van de Hemmerbuurt.
65
Bijlage 4
Overzicht IBA’s
66
67
Bijlage 5
Beoordelingstabel technische staat vrijverval rioolleidingen
Beoordeling kwaliteit vrijverval rioolleidingen volgens NEN 3398 (2004) toepasbaar voor visuele camera-inspectie vanuit het riool klasse-indeling volgens NEN 3399 / NEN-EN 13508-2 Hoofdcode
Omschrijving
Subcode 1
BAA BAB BAC BAD BAE BAF BAG BAH BAI BAJ BAK BAL BAM BAN BAO BAP BBA BBB BBC BBD BBE BBF BBG BBH BDD
deformatie scheur breuk / instorting defecte bakstenen of defectief metselwerk ontbrekende metselspecie oppervlakteschade instekende inlaat defectieve aansluiting indringend afdichtingsmateriaal, ring indringend afdichtingsmateriaal, anders verplaatste verbinding, axiaal verplaatste verbinding, radiaal defectieve lining defectieve reparatie lasfouten poreuze buis grond zichtbaar door defect holle ruimte zichtbaar door defect wortels aangehechte afzettingen bezonken afzettingen binnendringen van grond andere obstakels infiltratie exfiltratie ongedierte waterpeil
2
Klasse 3 4
5
A Z A B
Schadeoordeel kwaliteit okee geringe schade meer dan geringe schade
* Als gevolg van de wijziging van NEN-EN 13508-1 zijn de NEN 3398 en NEN 3399 in 2015 herzien. De resultaten van toekomstige rioolinspecties kunnen niet meer met deze tabel worden beoordeeld. Voor toekomstige beoordeling zal de methodiek moeten worden herzien.
68
Bijlage 6
Besparingsambitie
Besparingsopgave
Historische uitgavenprognose (GRP 2011-2015, scenario 3) jaar
investeringen exploitatie
2010 2011 € 1.136.818 € 732.912 2012 € 1.289.247 € 772.912 2013 € 1.483.835 € 782.912 2014 € 1.301.938 € 742.912 2015 € 563.942 € 767.912 2016 € 702.868 € 757.912 2017 € 656.614 € 737.912 2018 € 755.045 € 747.912 2019 € 844.019 € 737.912 2020 € 962.648 € 762.912 2021 € 709.726 € 737.912 2022 € 742.720 € 737.912 2023 € 1.050.424 € 747.912 2024 € 928.742 € 737.912 2025 € 876.822 € 762.912 2026 € 1.673.406 € 757.912 2027 € 2.755.807 € 737.912 2028 € 2.924.019 € 747.912 2029 € 1.759.941 € 737.912 2030 € 2.665.523 € 762.912 2031 € 999.048 € 737.912 2032 € 1.156.743 € 737.912 2033 € 1.085.460 € 747.912 2034 € 1.183.399 € 737.912 2035 € 1.312.735 € 762.912 2036 € 982.614 € 757.912 2037 € 1.002.899 € 737.912 2038 € 1.281.827 € 747.912 2039 € 3.980.762 € 737.912 2040 € 1.126.199 € 762.912 (vervolg op volgende pagina)
kapitaallasten verleden € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €
238.657 237.142 236.508 235.904 235.339 215.516 215.553 215.630 215.755 189.855 186.687 178.384 170.616 156.089 141.429 127.661 127.248 126.857 126.480 126.126 125.793 125.484 125.200 124.944 124.711 124.514 124.344 124.210 124.110 124.049
BTW
€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €
308.087 344.649 383.520 341.360 205.891 230.387 217.798 238.400 253.405 280.695 227.890 234.159 294.522 269.503 264.388 414.789 616.645 650.505 427.430 604.241 282.861 312.823 301.179 317.888 347.211 283.538 283.593 338.489 849.387 311.770
totaal
€ € 2.416.474 € 2.643.951 € 2.886.775 € 2.622.115 € 1.773.083 € 1.906.682 € 1.827.877 € 1.956.987 € 2.051.090 € 2.196.110 € 1.862.215 € 1.893.175 € 2.263.475 € 2.092.247 € 2.045.550 € 2.973.768 € 4.237.612 € 4.449.293 € 3.051.763 € 4.158.802 € 2.145.614 € 2.332.962 € 2.259.752 € 2.364.142 € 2.547.570 € 2.148.578 € 2.148.747 € 2.492.437 € 5.692.171 € 2.324.930
€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €
besparing
totale uitgave
274.514 232.777 236.647 282.934 261.531 255.694 371.721 529.702 556.162 381.470 519.850 268.202 291.620 282.469 295.518 318.446 268.572 268.593 311.555 711.521 290.616
€ 1.921.596 € 1.629.438 € 1.656.528 € 1.980.541 € 1.830.716 € 1.789.857 € 2.602.047 € 3.707.911 € 3.893.131 € 2.670.293 € 3.638.952 € 1.877.412 € 2.041.342 € 1.977.283 € 2.068.624 € 2.229.124 € 1.880.006 € 1.880.154 € 2.180.883 € 4.980.650 € 2.034.314
69
Besparingsopgave
Historische uitgavenprognose (GRP 2011-2015, scenario 3) jaar
investeringen exploitatie
2041 2042 2043 2044 2045 2046 2047 2048 2049 2050 2051 2052 2053 2054 2055 2056 2057 2058 2059 2060 2061 2062 2063 2064 2065 2066 2067 2068 2069 2070
€ 1.477.994 € 1.512.850 € 1.551.465 € 1.586.135 € 1.620.603 € 1.656.523 € 1.692.595 € 1.733.480 € 1.781.242 € 1.828.547 € 1.878.110 € 1.910.251 € 1.942.320 € 1.984.944 € 2.019.734 € 2.049.663 € 2.077.966 € 2.105.491 € 2.132.205 € 2.158.074 € 2.183.070 € 2.207.165 € 2.230.338 € 2.252.570 € 2.273.845 € 2.294.154 € 2.299.394 € 2.302.684 € 2.304.004 € 2.303.341
€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €
gemiddelde 2020-2070 € 1.774.749 €
737.912 737.912 747.912 737.912 762.912 757.912 737.912 747.912 737.912 762.912 737.912 737.912 747.912 737.912 762.912 757.912 737.912 747.912 737.912 762.912 737.912 737.912 747.912 737.912 762.912 757.912 737.912 747.912 737.912 762.912
kapitaallasten verleden € 124.030 € 124.051 € 124.119 € 124.236 € 124.401 € 124.618 € 124.899 € 125.234 € 247.490 € 73.779 € 72.108 € 64.491 € 63.266 € 58.715 € 57.948 € 57.091 € 54.849 € 54.077 € 53.082 € 44.548 € 32.633 € 22.865 € 21.109 € 13.157 € 2.350 € € € € € -
747.226 €
BTW
€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €
95.960 €
413.467 429.733 434.656 406.791 299.356 297.034 317.202 372.038 380.305 413.331 267.020 270.022 324.562 307.518 274.220 382.267 371.445 407.270 360.839 241.767 230.222 233.705 243.688 248.036 264.685 205.107 197.123 247.209 212.134 197.235
totaal
€ 2.753.403 € 2.804.546 € 2.858.153 € 2.855.073 € 2.807.272 € 2.836.087 € 2.872.609 € 2.978.664 € 3.146.950 € 3.078.568 € 2.955.151 € 2.982.676 € 3.078.060 € 3.089.089 € 3.114.815 € 3.246.934 € 3.242.171 € 3.314.750 € 3.284.038 € 3.207.301 € 3.183.838 € 3.201.648 € 3.243.047 € 3.251.675 € 3.303.792 € 3.257.173 € 3.234.429 € 3.297.805 € 3.254.049 € 3.263.488
€ € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € € €
336.539 € 2.954.474 €
besparing
totale uitgave
344.175 350.568 357.269 356.884 350.909 354.511 359.076 372.333 393.369 384.821 369.394 372.835 384.757 386.136 389.352 405.867 405.271 414.344 410.505 400.913 397.980 400.206 405.381 406.459 412.974 407.147 404.304 412.226 406.756 407.936
€ 2.409.227 € 2.453.978 € 2.500.883 € 2.498.189 € 2.456.363 € 2.481.576 € 2.513.533 € 2.606.331 € 2.753.581 € 2.693.747 € 2.585.757 € 2.609.842 € 2.693.302 € 2.702.953 € 2.725.463 € 2.841.067 € 2.836.899 € 2.900.406 € 2.873.533 € 2.806.388 € 2.785.858 € 2.801.442 € 2.837.666 € 2.845.216 € 2.890.818 € 2.850.026 € 2.830.126 € 2.885.579 € 2.847.293 € 2.855.552
369.309 € 2.585.165
70
Bijlage 7 1
Kostendekkingsberekeningen
Scenario 1: traditioneel afschrijven uitgaven gemeentelijke watertaken exploitatie
investeringen
4.500.000 4.000.000
uitgave (euro)
3.500.000 3.000.000 2.500.000 2.000.000 1.500.000 1.000.000 500.000 -
jaar
6.000
5.000
exploitatie
personeel en overhead
investeringen (direct afboeken)
kapitaallasten verleden
nieuwe kapitaallasten
compensabele BTW
lasten (euro x 1.000)
4.000
3.000
2.000
1.000
0 jaar
71
600
10.000 rioolheffing per eenheid
500
8.000 7.000
400
6.000 300
5.000 4.000
200
3.000 2.000
100
stand voorziening [1000 €]
rioolheffing [€]
9.000
ontwikkeling voorziening
1.000 0
0 2016 2021 2026 2031 2036 2041 2046 2051 2056 2061 2066 2071 jaar
8.000
baten
7.000
lasten
6.000
ontwikkeling voorziening
€ x 1.000
5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 2016
2021
2026
2031
2036
2041
2046
2051
2056
2061
2066
2071
jaar
72
€ 100.000 € 90.000 € 80.000
€ x 1.000
€ 70.000 € 60.000 € 50.000 € 40.000
resterende BTW niewe investeringen resterende kapitaallasten nieuwe investering resterende BTW historische investeringen resterende kapitaallasten historische investeringen baten
€ 30.000 € 20.000 € 10.000 €2016
2021
2026
2031
2036
2041
2046
2051
2056
2061
2066
2071
jaar
73
2
Scenario 2: maximaal 7 % stijging uitgaven gemeentelijke watertaken exploitatie
investeringen
4.500.000 4.000.000
uitgave (euro)
3.500.000 3.000.000 2.500.000 2.000.000 1.500.000 1.000.000 500.000 -
jaar
6.000
5.000
exploitatie
personeel en overhead
investeringen (direct afboeken)
kapitaallasten verleden
nieuwe kapitaallasten
compensabele BTW
lasten (euro x 1.000)
4.000
3.000
2.000
1.000
0 jaar
74
600
10.000 rioolheffing per eenheid
500
8.000 7.000
400
6.000 300
5.000 4.000
200
3.000 2.000
100
stand voorziening [1000 €]
rioolheffing [€]
9.000
ontwikkeling voorziening
1.000 0
0 2016 2021 2026 2031 2036 2041 2046 2051 2056 2061 2066 2071 jaar
8.000
baten
7.000
lasten
6.000
ontwikkeling voorziening
€ x 1.000
5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 2016
2021
2026
2031
2036
2041
2046
2051
2056
2061
2066
2071
jaar
75
€ 100.000 resterende BTW niewe investeringen resterende kapitaallasten nieuwe investering resterende BTW historische investeringen resterende kapitaallasten historische investeringen baten
€ 90.000 € 80.000
€ x 1.000
€ 70.000 € 60.000 € 50.000 € 40.000 € 30.000 € 20.000 € 10.000 €2016
2021
2026
2031
2036
2041
2046
2051
2056
2061
2066
2071
jaar
76
3
Scenario 3: maximaal 12 % stijging uitgaven gemeentelijke watertaken exploitatie
investeringen
4.500.000 4.000.000
uitgave (euro)
3.500.000 3.000.000 2.500.000 2.000.000 1.500.000 1.000.000 500.000 -
jaar
6.000
5.000
exploitatie
personeel en overhead
investeringen (direct afboeken)
kapitaallasten verleden
nieuwe kapitaallasten
compensabele BTW
lasten (euro x 1.000)
4.000
3.000
2.000
1.000
0 jaar
77
600
10.000 rioolheffing per eenheid
500
8.000 7.000
400
6.000 300
5.000 4.000
200
3.000 2.000
100
stand voorziening [1000 €]
rioolheffing [€]