Bijlage Evaluatie Toekomstvisie Kwetsbare Inwoners (2024-26)
Tekst van het document
Voor eenieder geldt dat zij gescreend worden op de criteria die in algemene zin gelden om in aanmerking te komen voor de uitstroomregeling. Hiermee is voldaan aan het streven om de criteria te concretiseren voor jongeren uit een residentiële jeugdhulpvoorziening die in aanmerking komen voor de uitstroomregeling. Eén ander element uit het voorgestelde scenario was het onderzoeken van een eventuele doorstart van
de pilot Houvast, bedoeld voor zorgmijdende jongeren vanuit residentiële jeugdhulp die buiten beeld dreigen te raken met verhoogd risico op dakloosheid en een verergering van de problematiek. Wegens de positieve resultaten heeft Madivosa in 2021 ingestemd met verlenging van de pilot met een jaar en in 2022 ingestemd met het structureel maken van deze voorziening tot 2025. Respondenten geven aan dit als zeer positief te ervaren en zijn tevreden met de structurele borging van deze pilot. Conclusie Thema Jongeren Het valt op dat het aandeel jongeren van cliënten MO en BW erg hoog is, ook vergeleken met andere regio's. Er is nog geen goede verklaring hiervoor gevonden. Er is wel in beeld gebracht wat huidige oorzaken zijn van dakloosheid, met specifieke aandacht voor jongeren. Het ‘Model soepele overgang’ is ontwikkeld en de Ontwikkeltafel 18-/18+ is recent van de grond gekomen. Jongeren kunnen ook gebruik maken van de uitstroomregeling. Het project Houvast is een succes geworden en structureel geborgd en is passend voor een specifieke groep jongeren die voorheen nergens heen konden. Toch stokt het als het aankomt op een soepele overgang van 18-/18+. Zorgaanbieders geven aan dat ontwikkelingen in de pijpleiding zitten die hoopvol zijn. Het is echter nog te vroeg om te zeggen of zij ook daadwerkelijk het gewenste effect zullen hebben. 25
4. Resultaten per thema (14)
4.7 Wonen In de Toekomstvisie is het volgende ten doel gesteld: De Westfriese gemeenten gaan in overleg met de woningcorporaties over voldoende uitstroomplekken voor inwoners die in de MO of het BW verblijven. Op basis van een schatting die is gemaakt tijdens de werksessie van deze Toekomstvisie, zijn per jaar ruim 130 woonunits nodig om personen die kunnen uitstromen, al dan niet met ambulante begeleiding, de stap naar verdere zelfstandigheid te laten maken. In een pilot die onderdeel uitmaakt van deze Toekomstvisie worden door de woningcorporaties 100 woonplekken per jaar beschikbaar gesteld voor uitstroom uit MO en BW. Naast aandacht voor de uitstroom zal er ook veel oog zijn voor de draagkracht van de wijken waar de uitstroom plaats zal vinden. Verdergaande ambulantisering zal druk zetten op de leefbaarheid in de wijken en daar zal veel aandacht voor moeten zijn om het voor alle burgers in de wijk leefbaar te houden. '
Op 1 juli 2018 is de pilot Uitstroomregeling Bijzondere Doelgroepen Westfriesland gestart; en deze is inmiddels geen pilot meer is, maar in 2021 omgezet naar een structurele regeling). Deze uitstroomregeling betreft een samenwerking tussen woningcorporaties, zorgaanbieders en gemeenten (met vertegenwoordigers in een stuurgroep) en heeft betrekking tot de uitstroom van een aantal bijzondere doelgroepen vanuit een intramurale voorziening naar (semi) zelfstandigheid: cliënten uit MO, BW, jongeren (18+) met zorgbehoefte en intramurale jeugd en Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV’ers). Met de betrokken woningcorporaties is afgesproken dat zij jaarlijks 100 woningen beschikbaar stellen voor uitstroom van deze doelgroep uit MO en BW.
In het kader van deze regeling zijn de volgende uitstroomcijfers gerealiseerd: Jaar
Uitstroom
2018
8
2019
43
2020
39
2021
54
Tabel 1. Uitstroomcijfers via uitstroomregeling Bron: Uitvraag bij regio Westfriesland (2023)
De laatste jaren wordt ongeveer de helft van het afgesproken aantal woningen beschikbaar gesteld door de woningcorporaties. Tegelijkertijd zijn er ook minder cliënten aangemeld. Een deel van de verklaring kan worden gevonden in het feit dat de afgelopen jaren veel cliënten die langdurig gebruik maakten van BW over zijn gegaan naar de Wlz, waardoor er minder woningen nodig waren. Verder is er een stijgende lijn zichtbaar in het aantal mensen dat via de uitstroomregeling een woning krijgt. In gesprekken is aangegeven dat de stijgende lijn doorzet: voor 2023 wordt verwacht dat er 80 tot 100 woningen nodig zullen zijn. In het rapport van bureau HHM naar de benodigde voorzieningen in de toekomst wordt aangeven dat zij inschatten dat er uiteindelijk 150 woningen per jaar nodig zullen zijn. De uitstroomregeling wordt door velen benoemd als één van de belangrijkste successen van de regionale samenwerking rondom MO en BW 26
4. Resultaten per thema (15)
Toekomstvisie. Dankzij deze regeling is er een duidelijk proces voor uitstroom voor de mensen die echt niet op een andere manier aan een woning kunnen komen en hierdoor komen er ook woningen beschikbaar voor deze groep. Bovendien is in dit proces een selectie aan de voorkant, is ondersteuning op maat verplicht en wordt er gemonitord. Men ziet weinig terugval. Er wordt wel gesignaleerd dat de uitvoering van de regeling per gemeente en per corporatie (met name in het tweede kansenbeleid) nogal kan verschillen. Hetgeen soms leidt tot onduidelijkheid en vertraging . Enerzijds vindt men het feit dat de coördinatie van de uitstroomregeling belegd is bij het RT positief omdat uitstroom daarmee een meer gedeelde verantwoordelijkheid van de regio is geworden. Anderzijds heerst er in het veld het gevoel dat met het beleggen van de uitstroomregeling bij het RT, er ook sprake is geweest van het aanscherpen van het beleid en de criteria. Gemeenten geven echter aan dat er geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst is opgesteld, maar dat het RT terug heeft gegrepen op de oorspronkelijke afspraken en deze regels nu toepast zoals destijds opgesteld. Er zijn dus geen nieuwe criteria/eisen gekomen, hoewel het veld het wel als strenger ervaart.
Dit jaar (2023) heeft het RT enige tientallen aanvragen afgewezen, veelal op afwezigheid van bewijs voor het zelf zoeken naar een woning (wat niet wil zeggen dat cliënten dit niet hebben gedaan). Dit betekent voor cliënten dat ze weer achteraan de wachtlijst moeten aansluiten. De nadruk op het zelf vinden van naar een woning wordt ook als een nadeel gezien, omdat aan deze route geenvoorwaarden voor begeleiding kunnen worden verbonden. Daardoor raken sommige cliënten na uitstroom uit beeld.
Er is nieuwe wetgeving in de maak, die tijdelijke huurcontracten gaat verbieden. Dit kan een bedreiging zijn voor de uitstroomregeling, waar in eerste instantie het huurcontract tijdelijk is. Het wetgevingsproces is nog niet doorlopen en het is wachten op definitieve regelgeving. In de Toekomstvisie is ook aangegeven dat de gemeenten meer overzicht willen krijgen op bestaande voorzieningen en of dat nog past bij de behoeften De paragraaf ‘regionaal aanbod’ hierboven gaat hier nader op in. Ook is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden die woningdelen, woningsplitsen en kamerverhuur kunnen bieden (Wyzer, 2021). Aansluitend bij het overzicht op aanbod zou er volgens de Toekomstvisie gestreefd worden naar een investeringsagenda voor kleinschalige woonvormen per gemeente; en in dat kader zou er een werkconferentie woonvoorzieningen en investeringsagenda plaatsvinden. Deze agenda's konden niet getoond worden en de conferentie heeft niet plaatsgevonden. Zoals boven al benoemd, is er wel geïnvesteerd in woonvoorzieningen (onderzoek, verblijfsvoorzieningen en zelfstandige woonvormen), mede dankzij de Blokhuisgelden. Het voornemen in de Toekomstvisie om veel oog te hebben voor de draagkracht van de wijk is onverminderd urgent: men constateert dat gedurende de jaren de draagkracht van een wijk een steeds groter vraagstuk is geworden.
Verschillende wijken zijn al zwaarbelast met inwoners die veel problemen hebben. Door verschillende landelijke ontwikkelingen (denk bijv. aan de extramuralisering en het groeiend aantal asielzoekers) krijgen corporaties steeds meer vragen om bijzondere doelgroepen te huisvesten (zo laat de Leefbaarheidsrapportage 2022 van Woningstichting Het Grootslag zien 27
4. Resultaten per thema (16)
dat nu 37% van de woningen aan bijzondere doelgroepen wordt toegewezen). Conclusie Thema Wonen De uitstroomregeling is in 2018 als pilot gestart en in 2021 omgezet tot een structurele regeling. Doelstelling is gerealiseerd en respondenten constateren dat de uitstroomregeling daadwerkelijk veel bijdraagt aan de verbetering van de uitstroom van cliënten uit BW en MO. Er is, zoals voorgenomen, onderzoek gedaan naar overzicht van woonvoorzieningen en naar de toekomstige behoefte en mogelijkheden. '
'
Het vraagstuk met betrekking tot draagkracht in de wijk waar de uitstroom zal plaatsvinden, is in de loop der jaren dringender geworden. De maatschappelijke ontwikkelingen kunnen negatieve consequenties hebben voor het aantal woningen dat beschikbaar gesteld kan worden aan mensen die uitstromen uit BW en MO. '
4.8 Werk en dagbesteding In de Toekomstvisie is het volgende ten doel gesteld: De kwetsbare inwoners hebben laagdrempelige en gebruiksvriendelijke toegang tot informatie nodig en ondersteuning op maat nodig bij het vinden van informatie op onder andere de leefgebieden [….] werk, dagbesteding, [….] '
'
Het voornemen vanuit de Toekomstvisie was om vooral in te zetten op de informatievoorziening: zorgen dat kwetsbare bewoners weten wat er is en waarvan zij gebruik kunnen maken. In de jaarwerkplannen is dit door vertaald naar een streven naar afstemming van het beleid op het gebied van dagbesteding en werk tussen gemeenten onderling. Daarbij zou er overzicht moeten komen van de gehele keten van ontmoeten, (arbeidsmatige) dagbesteding, vrijwilligerswerk en betaald werk en deze voorzieningen beter gespreid zouden worden. Bij inkoop zou gelet worden op voorzieningen die passen bij de doelgroep met zware problematiek. Een deel van de beoogde uniformiteit wordt gerealiseerd omdat een deel van de cliënten (iedereen met een arbeidswens waarvan verwacht wordt dat zij binnen 5 jaar aan de slag kunnen) wordt begeleiddoor Werksaam. In 2015 is er een gemeenschappelijke regeling voor Westfriesland tot stand gekomen, welke bepaalt dat Werksaam deze groep begeleidt richting werk en dagbesteding. Er is de wens om deze groep met een uniforme werkwijze te bejegenen, waar eerste stappen inmiddels in zijn gezet. Zo is dit methodisch werken vorig jaar gelanceerd. Naast de inzet van Werksaam wordt dagbesteding op indicatie gezamenlijk ingekochte via De Netwerkorganisatie.
Voor de onderdelen ontmoeten, vrijwilligerswerk en soortgelijke informele voorzieningen (oftewel de nuldelijnszorg) moeten de individuele gemeenten, als het gaat om de informele voorzieningen (oftewel: de nuldelijnszorg), op lokaal niveau ieder een eigen werkwijze en set voorzieningen creëren. Hier 28
4. Resultaten per thema (17)
ontbreekt het overzicht. Er kon ook geen overzicht beschikbaar worden gesteld van de gehele keten in de regio/tussen gemeenten. Ondanks dat in de jaarrapportage van 2021 wel al was opgenomen dat de Westfriese gemeenten meer inzicht zouden willen krijgen in het gebruik van alle voorzieningen en daarbij de behoefte van de gebruikers. Er is vanuit gemeenten wel interesse een 'n dergelijk overzicht. Hierbij moet opgemerkt worden dat de sturing op dit onderwerp heeft ontbroken door personele problemen. In de jaarwerkplannen staat al aangegeven dat de beoogde resultaten ten aanzien overzicht op voorzieningen niet geheel behaald zijn. In het perspectiefplan is wel een vraag rondom dagbesteding opgenomen. Dit wil overigens niet zeggen dat gemeenten niet hebben geïnvesteerd in begeleiding van deze tweede groep cliënten en het zegt ook niets over de kwaliteit van begeleiding van deze groep. In Hoorn wordt bijvoorbeeld sinds een aantal jaren gewerkt met participatiecoaches in het wijkteam, die juist voor de tweede groep cliënten aan de slag gaan met dagbesteding en vrijwilligerswerk. Er wordt daarmee in dit rapport geen uitspraak gedaan over de kwantiteit en kwaliteit van voorzieningen en ondersteuning. Hier wordt enkel geconstateerd dat de doelstellingen van de Toekomstvisie over informatievoorziening en afstemming van beleid en voorzieningen niet geheel zijn gerealiseerd.
Er kan daarmee ook geen uitspraak worden gedaan over hoe goed voorzieningen zijn verspreid en of er in de regio ook voldoende aanbod is voor de doelgroep met zware problematiek.
Conclusie Thema Werk en dagbesteding Begeleiding naar werk wordt geboden door Werksaam en dagbesteding op indicatie wordt regionaal ingekocht. Overige onderdelen van de keten (vooral de nuldelijnszorg) zijn een lokale aangelegenheid en regionaal is hier geen zicht op of overzicht van. Er is daarmee beperkte toegang tot informatie voor cliënten tot informatie over werk en dagbesteding. Er wordt via het perspectiefplan aandacht aan werk en dagbesteding besteed door alle aanbieders en sociale teams. 4.9 Financiën en schulden In de Toekomstvisie is het volgende ten doel gesteld: De Westfriese gemeenten richten regionaal één loket in voor dak- en thuislozen en mensen die uitstromen vanuit intramuraal verblijf naar zelfstandig wonen. Daarnaast voeren zij actief beleid om procedures en formulier te vereenvoudigen en overgangen naar zelfstandig wonen sneller te laten verlopen. Ook onderzoeken zij hoe het afgeven van een briefadres kan worden versneld. Tenslotte gaan zij samen met woningcorporaties een ‘nieuwe kansen beleid’ formuleren voor mensen die eerder zijn vastgelopen in de hulpverlening, maar bij wie nieuwe aanknopingspunten zijn voor herstel en stabiliteit. '
'
29
4. Resultaten per thema (18)
Eén van de doelstellingen uit de Toekomstvisie betrof het inrichten van een regionaal loket voor uitstromers uit een intramurale voorziening richting zelfstandig wonen. Dit loket is niet als een apart op zichzelf staand onderdeel gerealiseerd, maar is opgetuigd als onderdeel van het RT. Het RT is verantwoordelijk voor de begeleiding van cliënten richting uitstroom en voor een bepaalde periode daarna. Op de vraag of dit loket hiermee voldoende ingericht is, wordt positief gereageerd. Sinds 1 januari 2022 is elke gemeente verplicht om een briefadres te verlenen als een inwoner daar niemand anders voor heeft. Het afgeven van een briefadres is een lokale aangelegenheid; de gemeente waar men verblijft, is verantwoordelijk voor het afgeven van een briefadres. De gemeente Hoorn heeft voor het briefadres geen centrumfunctie, maar het is wel zo dat de meeste briefadressen voor dak- en thuislozen in Hoorn worden uitgegeven. Andere gemeenten hebben de werkwijze van Hoorn overgenomen en ze hebben dit inmiddels bijna allemaal geregeld. In de vereenvoudiging van de procedures en formulieren zijn er een aantal stappen gezet. Er is een focus gelegd op laaggeletterdheid en er is werk gemaakt van de aanpassing van de formulieren naar B1-niveau.
De uitstroomregeling heeft in een aantal gevallen geholpen om duidelijkheid te creëren welke stappen er genomen moeten worden om zelfstandig te gaan wonen. Er is een uniforme regeling opgezet voor de aanvraag van bijzondere bijstand. Dit zijn kleine stapjes in de goede richting. De overgang van verblijf naar zelfstandig wonen blijft een complex proces waar veel regels en instanties bij betrokken zijn, en die door partijen als tijdrovend worden ervaren
Een ander voornemen uit de Toekomstvisie betrof het formuleren van een ‘nieuwe kansen beleid’ door gemeenten en woningcorporaties. Dit gezamenlijke ‘nieuwe kansen beleid’ is niet tot stand gekomen , corporaties volgen hierin nog ieder hun eigen regels.. Daarnaast zijn gemeenten bezig geweest met de implementatie van nieuwe wetgeving met betrekking tot vroegsignalering. Dit had geen expliciete plek in de Toekomstvisie maar is een ontwikkeling die bijdraagt aan het beperken van problematische schulden. Conclusie Thema Financiën en schulden De inrichting van één regionaal loket voor dak- en thuislozen en mensen die uitstromen vanuit intramuraal verblijf naar zelfstandig wonen was één van de doelstelling op dit thema. Dit is niet gerealiseerd. Wel is het geborgd in het RT en hierdoor is er geen behoefte aan een apart loket voor uitstromers nu het nieuwe toegangsteam van start is. Deze doelstelling is daarmee afdoende gerealiseerd. Rondom het briefadres hebben de meeste gemeenten het vereiste geregeld, en daarmee is door de meeste gemeenten opvolging gegeven aan de wens om versnelling aan te brengen in het afgeven van een briefadres. In de vereenvoudig van procedures en formulieren zijn stappen 30
4. Resultaten per thema (19)
gezet, maar alle administratieve vereisten blijven voor partijen zwaar wegen. Er is geen regionaal afgesproken ‘nieuwe kansen beleid’.
4.10 (Regionale) samenwerking In de Toekomstvisie is het volgende ten doel gesteld: De Westfriese gemeenten hebben een convenant ondertekend om gezamenlijk op te trekken in de organisatie van MO en BW tot 2020. Vanaf 2020 verandert de financiering van MO en BW en krijgt iedere gemeenten zelf de middelen hiervoor. De Westfriese gemeenten spreken de intentie uit om ook na 2020 regionaal samen te werken op onderdelen die gezien de schaalgrootte of het benodigde deskundigheidsniveau zich niet lenen voor een lokale aanpak. Over de precieze invulling van deze samenwerking worden in de komende periode afspraken gemaakt. '
Er is in Westfriesland een breed ingezette samenwerking tussen de gemeenten op vele terreinen via het Pact Westfriesland. In 2018 is het eerste Pact Westfriesland geëvalueerd. Eén van de conclusies is dat het Pact “een enorme stimulans is geweest om saamhorigheid en verwantschap te ontwikkelen”. Kortom: al langere tijd (al voor de Toekomstvisie) zoeken de gemeenten elkaar op in meerdere dossiers en daarmee zijn de gemeenten (zowel ambtelijk, als politiek-bestuurlijk) gewend aan regionale samenwerking en de bijbehorende werkwijzen. Er is bovendien de laatste jaren geïnvesteerd
in professionalisering van de samenwerking tussen de gemeenten (breed, niet specifiek op het onderwerp BW/MO). Desgevraagd geven meerdere respondenten aan dat de regionale samenwerking een succesvol onderdeel van de Toekomstvisie is. Men ervaart dat de structuur goed is ingericht (ambtelijk en bestuurlijk) en dat de integrale benadering van deze doelgroep erg fijn is. Er zijn korte lijntjes tussen de betrokken ambtenaren, zij zien ambtenaren van andere gemeenten op dit dossier als directe collega's. Het scenario voor regionale samenwerking dat werd voorzien in de Toekomstvisie in 2017 luidt: intensieve samenwerking met behoud van lokale autonomie op grote delen van de uitvoering. Dit scenario is grotendeels gerealiseerd. Er is van het scenario afgeweken op het onderdeel toegang. In de Toekomstvisie wordt bij de scenario-indeling vermeld dat dit nader in te vullen is, bij de uitwerking wordt voorzien dat de toegang tot BW en MO een lokale bevoegdheid is. Uiteindelijk is de toegang regionaal vormgegeven. Wel met een sterke lokale poot: lokale teams doen de intake en werken met een instrumentarium dat er op is gericht om opname in instellingen zoveel mogelijk te voorkomen. De regionale toegang is pas aan zet als er lokaal geen mogelijkheden meer zijn. Het proces naar het besluit om de toegang regionaal te organiseren is soepel verlopen en heeft breed draagvlak.
Dit bevestigt het beeld van een goede regionale samenwerking. 31
4. Resultaten per thema (20)
Hierbij kan opgemerkt worden dat de regio in de gelukkige omstandigheid is dat er meer rijksmiddelen voor BW en MO beschikbaar kwamen, en worden, gesteld dan nodig waren/zijn: de regio houdt geld over. Dit helpt om de samenwerking soepel te houden.
in iedere gemeente anders is georganiseerd. Het is voor hen lastig om goed op te hoogte te blijven van voorzieningen en alle veranderingen daarin, en ook lastig om hun werkzaamheden op iedere plek op een andere manier in te moeten richten.
Eén van de elementen uit het voorziene scenario dat nog niet is gerealiseerd is, zijn regionale afsprakenkaders voor preventie (vroegsignalering, vroegtijdige interventies) waarbij de uitvoering lokaal ingericht wordt. Hierboven is al vaker gerefereerd aan het feit dat preventie als een lokale taak wordt gezien. Er zijn regionale afsprakenkaders voor onderdelen van preventie (voorkomen huisuitzetting, bemoeizorg, inloop GGZ) maar veel is lokaal bepaald. Er is de laatste tijd wel een discussie gaande over in hoeverre men hier ook regionaal samen in kan optrekken, maar dit is in een pril stadium. Respondenten benoemen bovendien dat het ergens ook als logisch wordt ervaren dat het lokaal geregeld wordt, daar is men immers bekend met de doelgroep en weet men wie daar terechtkomt. Respondenten geven verder aan dat zij niet of beperkt weten hoe andere gemeenten hun preventie hebben ingericht: noch de preventieve taken noch het flankerend beleid, en zij ervaren dit veelal als een gemis. Zij geven aan dat hierin overzicht mist en uitwisseling hiervan interessant zou zijn. Ten eerste is het moeilijk om van elkaar te leren: succesvolle aanpakken worden weinig met elkaar gedeeld. Zo is bekend dat uit Koggenland bijzonder weinig mensen instromen in BW, maar voor andere gemeenten is niet inzichtelijk hoe zij dit realiseren.
Ten tweede kunnen gemeenten elkaar niet aanspreken indien door gebrekkige preventie de instroom hoog is of zou toenemen. Uitvoerende organisaties wijzen erop dat de lokale verantwoordelijkheid voor preventie betekent dat het
De monitoring van instroom en verblijf is regionaal belegd. De invulling hiervan is de afgelopen jaren sterk verbeterd voor Beschermd Wonen. Hiervoor worden al langere tijd gegevens structureel bijgehouden. Voor MO is dit nog beperkt. Nu de toegang voor MO is overgegaan naar het RT én er landelijk een monitor dakloosheid wordt opgezet, zijn de randvoorwaarden voor goede monitoring van MO aanwezig. Bij de gesprekken over de regionale samenwerking is de positie van Hoorn ter sprake gekomen. Hoorn is van oudsher de centrumgemeente, en heeft daarmee van nature een kartrekkersrol gehad en veel kennis opgebouwd. Dit heeft ook tot verschillende beelden in andere gemeenten geleid: in andere gemeenten ontstond soms het gevoel dat Hoorn alles bepaalde en er kon worden getekend bij het kruisje, en bij Hoorn gold dat zij de ervaring hadden dat zij altijd het werk moesten doen. Met de doordecentralisatie is de positie van andere gemeenten versterkt en is meer geïnvesteerd in afstemming en draagvlak. Respondenten menen dat dit beeld langzamerhand minder aanwezig is. In het verlengde van regionale samenwerking wordt hier nog de bovenregionale samenwerking aangestipt. Westfriesland behoort tot de kleinste regio's voor BW/MO van Nederland (naar inwoneraantal). Dat geldt 32
4. Resultaten per thema (21)
voor meer Noord-Hollandse regio's. In de Toekomstvisie wordt mede daarom de wens uitgesproken voor een onderzoek naar spreiding van specialistische verblijfsvoorzieningen over de Noord-Hollandse regio’s. Het eerder genoemde rapport van HHM gaat hier op in, en beveelt dit aan. Respondenten geven echter aan dat zij hier nog niet van overtuigd zijn. Hun beeld is dat cliënten met bijzondere behoeften op dit moment goed een plek kunnen krijgen. Er is contact op bovenregionaal niveau, maar dit beperkt zich vooral tot uitwisseling. Het woonplaatsbeginsel in de wetgeving rondom BW vraagt wel aandacht. Er zijn meerdere cliënten die vanuit een andere regio in Westfriesland willen uitstromen naar een woning en omgekeerd. Er is nog discussie in het parlement over dit woonplaatsbeginsel.
De behoefte aan regionale samenwerking is op dit moment vooral afhankelijk van de uitkomst van de landelijke discussie over het woonplaatsbeginsel.
Conclusie Thema Regionale samenwerking De regio Westfriesland heeft al een langere traditie van samenwerking, waar de Toekomstvisie een resultaat van is. In de samenwerking is er een keuze gemaakt voor het primaat van het lokale op de preventie en nazorg. In de praktijk betekent dat dat er geen overzicht is van de inspanningen en resultaten daarop. De monitoring van BW heeft in de loop van de Toekomstvisie een grote verbeterslag meegemaakt. Monitoring van MO gaat opgepakt worden door het RT en kan meevaren op de landelijke monitor MO. 33
5. Uitvoerbaarheid Toekomstvisie (1)
Naast een evaluatie van de resultaten van alle inspanningen die waren gepland en uitgevoerd, is ook gevraagd om te reflecteren op de uitvoerbaarheid van de huidige Toekomstvisie, en wat daarvan geleerd kan worden. Dit hoofdstuk gaat op deze vraag in. '
'
De vraag naar uitvoerbaarheid wordt uitgewerkt aan de hand van de criteria van het model van Knoster. Dit is een bekend model dat aangeeft welke elementen van belang zijn voor de uitvoerbaarheid van een plan / die nodig zijn om een plan succesvol uit te kunnen voeren.
5.1 Visie Uitvoering is gebaat bij duidelijkheid over missie, visie, gewenste effecten, wat willen we bereiken? Is de visie en het gewenste effect niet bekend, dan is het waarom en waartoe niet duidelijk. Er zal verwarring ontstaan: “waarom zouden we dit doen?”
'
'
Het model van Knoster ziet er als volgt uit:
'
Afbeelding 1. Model van Knoster: voorwaarden voor een geslaagde implementatie
Voor een uitvoerbaar plan moeten alle voorwaarden op orde zijn. Hieronder lopen we deze voorwaarden langs voor de huidige toekomstvisie en wat daar van geleerd kan worden. '
Gewenst effect en normen De visie achter de Toekomstvisie wordt gevormd door het rapport Dannenberg. Dat is destijds breed omarmd en heeft nog steeds relevantie. Hierop hebben partijen zich verbonden en dit is terug te vinden in de geplande acties. Wat wel mist voor de Toekomstvisie van Westfriesland is een scherpe omschrijving van wat de Toekomstvisie nu precies beoogt. In de Toekomstvisie staat dat het uiteindelijke doel (effect) is “dat kwetsbare bewoners herstellen en versterken van eigen regie en bij participatie in de samenleving”(p. 4 tweede alinea). Verderop staat “een brede en integrale uitwerking voor de taken MO en BW” (p. 7). Het is niet helemaal duidelijk of verslavingsbeleid en OGGZ daar dan ook onder valt. Uit het vervolg van het plan kan afgeleid worden dat de toekomstvisie zich specifiek en alleen richt op inwoners die (risico lopen om te belanden) in MO en BW. Daarbij, en misschien voor sturing en uitvoerbaarheid zeker zo belangrijk, is voor dit gewenste effect niet omschreven wat er bereikt moet zijn. Anders gezegd: er is niet bepaald wanneer men tevreden kan zijn, de normen.
34
5. Uitvoerbaarheid Toekomstvisie (2)
Intermezzo: aantal cliënten MO en BW '
Het feit dat deze normen er niet zijn, maakt dat er in een evaluatie als deze gezocht moet worden naar waar cijfers van het aantal cliënten dat in MO en BW een plek moet krijgen. Intuïtief horen ze wel in een evaluatie als deze thuis, maar deze kunnen niet gekoppeld worden aan doelstellingen. '
Voor de compleetheid worden deze cijfers hier toch gegeven. Dat wil zeggen, voor zover beschikbaar. Cijfers rondom BW zijn de afgelopen jaar door de regio Westfriesland bijgehouden in een dashboard. Voor MO is dit tot op heden nog niet het geval. Deze gegevens werden tot vorig jaar namelijk door de GGD bijgehouden. Het streven is om ook voor MO dit via een dashboard in te gaan richten, om het zo inzichtelijk te maken. De komst van de monitor Dakloosheid vanuit het ministerie, gestart in 2022 en dit jaar doorontwikkeld, zal daarvoor een stimulans zijn. Jaar
Instroom (toegelaten tot) MO
Aanmeldingen 18 – 23 jarigen
2018
212
-
2019
232
94
2020
185
105
2021
148
95
2022
161
90
Tabel 2. Cijfers Maatschappelijke Opvang regio Westfriesland Bron: Uitvraag bij regio Westfriesland (2023)
Aantal unieke cliënten
Aantal toewijzingen
2019
194
388
2020
212
302
2021
189
280
2022
153
244
Tabel 3. Cijfers Beschermd Wonen regio Westfriesland Bron: Uitvraag bij regio Westfriesland (2023)
'
'
Jaar
Het is positief dat cijfers dalen. De daling in aantal cliënten BW wordt zeker mede veroorzaakt doordat cliënten uit BW toegang hebben gekregen tot de Wlz.
Looptijd en bekendheid De Toekomstvisie omvat een periode van 5 jaar. Het grootste deel van de respondenten, allen die nu betrokken zijn bij de sturing en uitvoering, was niet werkzaam op de plek toen het plan werd opgesteld en was daardoor niet betrokken bij de planvorming. De Toekomstvisie is bij velen niet bekend. '
5.2 Draagvlak, belangen De uitvoerbaarheid van een plan is gebaat bij draagvlak bij alle relevante partijen. Indien er belangen zijn die strijdig zijn met de plannen is dat een bedreiging voor uitvoerbaarheid. Zonder draagvlak of strijdige belangen levert het weerstand op. '
35
5. Uitvoerbaarheid Toekomstvisie (3)
Draagvlak Er is bij de totstandkoming van de opstelling van het Toekomstvisie veel geïnvesteerd in draagvlak en consensus. Respondenten die hierbij betrokken zijn geweest herinneren zich de energie die dit proces genereerde, de urgentie die werd gevoeld, de interesse in het onderwerp en het ruime aantal sessies dat hier aan is gewijd. Zowel vanuit gemeenten als vanuit het uitvoerend veld is hieraan bijgedragen. Men kijkt hier positief op terug. Belangen: lokaal versus regionaal Binnen de huidige Toekomstvisie is afgesproken dat preventie (grotendeels) de verantwoordelijkheid is van de lokale gemeenten; zie ook paragraaf 4.10. Ook nazorg is in grote mate de verantwoordelijkheid van de lokale infrastructuur. Respondenten binnen gemeenten (ambtelijk en bestuurlijk) staan nog steeds achter dit uitgangspunt. Uitvoerende organisaties zijn hier minder enthousiast over. Zij worden geconfronteerd met alle verschillen en de wijzigingen daarin zijn niet altijd bij te houden of te overzien. Binnen de gemeente wordt wel aangegeven dat er ook tussen gemeenten weinig zicht is op wat andere gemeenten doen en hoe succesvol dat is. Dit kan problematisch worden wanneer een gemeente zich onvoldoende of ineffectief inspant: de toestroom naar MO en BW neemt dan toe waardoor de regio (lees: ook de andere gemeenten) dan het gevolg van moeten dragen.
Hetzelfde geldt voor de nazorg: als dat ergens niet op orde is kan de hele regio daar het effect van gaan voelen. Men onderkent dit risico maar de discussie over hoe dit te ondervangen is wordt nog niet structureel gevoerd. Elders in Nederland zijn hier aanpakken in ontwikkeld die interessant zouden kunnen zijn voor Westfriesland. In een regio elders is bijvoorbeeld '
gezamenlijk een minimumniveau van preventieve voorzieningen bepaald, en verantwoorden gemeenten naar elkaar hoe zij dit niveau borgen. Naast dat gemeenten een negatief effect zouden kunnen ervaren van als een andere gemeente de preventie niet goed voor elkaar krijgt, missen gemeenten ook een positief effect. Indien er in een andere gemeente iets wordt bedacht dat heel goed blijkt te werken, is dat ook niet bekend en kan daar dus niet van geleerd worden. Binnen het ambtelijk apparaat wordt dit ook erkend en uitgesproken dat het interessant zou zijn om meer van elkaar te leren. 5.3 Plan Uitvoerbaarheid vraagt om een goed plan, om een planmatige aanpak, met duidelijke en concrete acties. Zonder goed plan ontstaat er chaos. Het implementatieplan behorende bij de Toekomstvisie is gedetailleerd en omvat een aanzienlijk aantal te behalen doelstellingen. Het is destijds nadrukkelijk het streven geweest om concreet te zijn, om de doelstellingen te vertalen in acties en resultaten die daadwerkelijk uitgevoerd konden worden. Dat is tot in detail uitgevoerd. Er zijn gedetailleerde jaarplannen waar per onderdeel is aangegeven wie thema-verantwoordelijk en actiehouder is, wat beschikbare middelen zijn en in hoeverre resultaten zijn behaald. Er is planmatig gewerkt. Het grote voordeel is dat hiermee voortgang en resultaten strak bewaakt en gemonitord kunnen worden.
En dat is ook gebeurd in de afgelopen jaren: jaar 36
5. Uitvoerbaarheid Toekomstvisie (4)
op jaar zijn er uitgebreide overzichten van alle acties en de mate waarin deze gerealiseerd zijn opgesteld. Een mooi voorbeeld van goed projectmanagement. De Toekomstvisie is daarmee geen papieren tijger en het implementatieplan ligt niet ergens in een la te verstoffen. Er is daadwerkelijk actie ondernomen op een groot deel van alle voorgenomen onderdelen. '
De keerzijde hiervan is dat de mensen die er mee moesten werken het plan steeds meer hebben ervaren als een keurslijf en als een focus op allerlei details die gedurende de jaren steeds minder relevant werden. Zij hebben behoefte aan minder details, meer focus op centrale issues en meer mogelijkheden om tussentijds bij te sturen. '
De doelen of jaarwerkplannen zijn niet ergens gedurende de looptijd van de Toekomstvisie herijkt. Er zijn halfjaarlijks rapportages geschreven en deze zijn besproken, maar er is geen integrale evaluatie van de jaarwerkplannen geweest met als doel de voorgenomen acties te beoordelen op relevantie en succes en deze waar nodig bij te stellen. '
Wat opvalt in het huidige implementatieplan is dat het voor het overgrote deel bestaat uit acties die door de gemeenten (al dan niet in regioverband) uitgevoerd moeten worden. Daarmee ontstaat het beeld dat als de gemeenten niets doen, er niks gebeurt. Of met andere woorden: de inzet van uitvoerende organisaties op dezelfde thema's is niet zichtbaar. Om een voorbeeld te geven: het project Welkome Wijk is niet in de hele regio uitgevoerd, maar slechts in twee gemeenten. In één gemeente is het bij een eerste pilot gebleven. Daarmee lijkt alsof er weinig is gedaan aan het verminderen van '
stigma's van mensen met een psychische kwetsbaarheid. In gesprek met uitvoeringsorganisaties blijkt dat anders: zij doen ook veel aan de bestrijding van vooroordelen bij omwonenden. '
Het huidige plan is opgebouwd rond 10 thema's, die verschillend van aard zijn: levensdomeinen, organisatorisch, doelgroepen, voorzieningen. Deze indeling lijkt vrij willekeurig. '
5.4 Financiën/middelen Zonder de nodige middelen is een plan niet uitvoerbaar. Zonder middelen ontstaat er vooral frustratie. '
'
De regio Westfriesland verkeert in de gelukkige omstandigheid dat de middelen die beschikbaar zijn voor de uitvoering van taken rondom MO en BW al jaren ruimschoots voldoende zijn: '
Jaar
Inkomsten Rijk Eigen bijdragen
Uitgaven
Resultaat
2018
13,3 mln
600.000
12 mln
2,1 mln
2019
14,4 mln
600.000
12,4 mln
2,6 mln
2020
15,8 mln
558.000
15,8 mln
0,7 mln
2021
12,7 mln
225.000
10,6 mln
2,3 mln
2022
12,3 mln
160.000
10 mln
2,3 mln
Tabel 4. Jaarlijkse financiële middelen MO en BW regio Westfriesland Bron: Rapportages 2018 – 2022. Uitvoering Toekomstvisie Kwetsbare Inwoners 2018 – 2023.
37
5. Uitvoerbaarheid Toekomstvisie (5)
De inkomsten na zijn 2020 met een sprongetje gedaald. Oorzaak is vooral de uitstroom van een deel van de doelgroep uit BW naar de Wlz. Dit betekende ook minder uitgaven, waardoor het resultaat in grote mate vergelijkbaar is gebleven. Binnenkort verandert het landelijke verdeelmodel, van historisch naar objectief verdeelmodel. Dit is voor de regio gunstig: naar verwachting komt er ongeveer 20% aan inkomsten bij.
Over het algemeen is de projectgroep goed bemenst. Op het onderdeel werken dagbesteding is dat niet het geval en daar is dan ook te zien dat veel beoogde resultaten niet zijn behaald. Voor de uitvoering van alle activiteiten is het personeelstekort in de zorg een serieus vraagstuk. Er is ook een hoog verloop in de lokale teams die een belangrijke rol spelen bij de uitvoerbaarheid.
Op 1 januari 2020 bedroeg de reserve 6,495 miljoen euro. In 2019 heeft DSP een onderzoek uitgevoerd naar deze reserves en door DSP is geadviseerd om per jaar af te bouwen, van beginnend met 15% van de Rijksinkomsten, naar 10% van de Rijksinkomsten, naar 5% van de Rijksinkomsten. Deze afbouw is uitgevoerd.
Kennis en vaardigheden zijn ook belangrijk. Het huidige implementatieplan bevat veel interventies die bestaan uit het vergroten van kennis van toegangsteams, uitvoerende organisaties en cliënten. Het eerder genoemde tekort aan zorgprofessionals en het hoge verloop onder met name maar niet alleen zorgprofessionals maakt dat training en scholing ook herhaald moet worden. In gesprekken blijkt dat het moeilijk te overzien is of deze trainingen, bijeenkomsten en informatiematerialen allemaal zijn gerealiseerd. Er is geen overzicht over de kennis in de keten en of deze -op orde is en op orde blijft. Indien scholing / kennisversterking als apart onderdeel was opgenomen waarbij al deze interventies bij elkaar waren gezet, dan was het eenvoudiger geweest om hier het overzicht op te houden en voortgang te monitoren.
'
Deze gezonde financiële situatie maakt dat het implementatieplan in ieder geval qua financiën uitvoerbaar is geweest. Wel is te zien dat er een aantal interventies gedurende het project is bestempeld als ‘lokale verantwoordelijkheid’ en daarmee uit het implementatieplan zijn gevallen. Bijvoorbeeld het project Welkome Wijk. 5.5 Menskracht, competenties en vaardigheden Uitvoerbaarheid wordt in hoge mate bepaald door de vraag of de menskracht hiervoor aanwezig is, en of mensen kunnen doen wat er van hen wordt verwacht. Voor de Toekomstvisie betekent dit ten eerst de menskracht om de uitvoering aan te sturen (vanuit de projectgroep) en de menskracht om alle werkzaamheden binnen alle activiteiten uit te voeren. '
'
5.6 Conclusie Uitvoerbaarheid Het bovenstaande laat zien dat veel voorwaarden aanwezig zijn voor succes bij uitvoering. Er is een achterliggende visie die door velen
38
5. Uitvoerbaarheid Toekomstvisie (6)
herkend wordt, er is veel draagvlak bij de totstandkoming van de Toekomstvisie. Er is een zeer concreet uitgewerkt plan en er is planmatig gewerkt. Menskracht binnen de aansturing van het project is vrij goed beschikbaar, en financiële middelen zijn ruim aanwezig. Er is ook een aantal onderdelen dat minder sterk was: het gewenste effect is niet helemaal duidelijk en er kan niet worden bepaald wanneer de regio tevreden kan zijn over het uiteindelijke effect. De scheiding tussen lokale versus regionale belangen en verantwoordelijkheden maakt dat overzicht en sturing op belangrijke onderdelen (preventie en nazorg) mist. Personeelstekorten en hoog verloop maken dat noodzakelijke kennis in gevaar komt.
39
6. Adviezen voor de nieuwe visie (1)
Hierboven is in beeld gebracht wat de resultaten zijn op de thema's en doelstellingen van de Toekomstvisie en wat invloed heeft gehad op de uitvoerbaarheid van het implementatieplan. Hieronder worden adviezen geformuleerd voor de nieuwe beleidsvisie: wat moet behouden blijven, waar knelt het en waar kan worden bijgestuurd?
6.1 Adviezen op thema’s De adviezen over wat moet behouden blijven, waar knelt en waar kan worden bijgestuurd op de thema's van de Toekomstvisie zijn hieronder geformuleerd. > Blijf inzetten op het tegengaan van stigma’s. Stigma’s en vooroordelen blijven onverminderd een rol spelen bij een zachte landing in de wijk en de mogelijkheden voor participatie. Blijf dan ook voldoende inzetten om deze stigma’s en vooroordelen tegen te gaan. Het project ‘Welkome wijk’ is een aanpak waar al veel goede ervaring mee is opgedaan, er is materiaal voor en mensen zijn getraind. Bovendien is het een beproefde methode met goede resultaten. Bekijk de mogelijkheden om bijvoorbeeld dit project uit te breiden. ➢
> Benut cliëntorganisaties gestructureerd. Zorg dat er een overzicht wordt gecreëerd met welke cliëntorganisaties er zijn, waar hun expertise ligt en wat hun rol of belang is. Organiseer structureel overleg. Maak vanuit dit overleg afspraken over gericht overleg bij specifieke beleidsonderwerpen later. '
> Structureer de samenwerking tussen het Sociaal Domein en Veiligheid. Zorg voor passende vertegenwoordiging van gemeenten in de bovenregionale gremia. De ambtenaren ‘Zorg en Veiligheid’ zijn een organisatievorm waarmee goede ervaringen zijn opgedaan. Ergens zou mandaat en middelen moeten worden belegd waarmee een doorbraak kan worden gerealiseerd op het moment dat een casus tussen Zorg en Veiligheid in blijft hangen/er een patstelling ontstaat tussen deze domeinen. Zorg voor helderheid rondom privacy issues waardoor deze voortgang en ingrijpen niet onnodig hinderen. '
> Neem aanbieders (tijdig) mee in een veranderende visie of werkwijze van de toegang. De inrichting en start van het RT wordt breed gezien als een mooi resultaat. Aanbieders signaleren een veranderende visie en werkwijze, dat zorgt voor onrust. Neem aanbieders mee in veranderingen en zorg waar mogelijk voor een overgangsaanpak voor cliënten die last hebben van overgangsperikelen. '
> Overweeg om regionaal aanbod te creëren voor economisch daklozen. De doelgroep spoedzoekers/economisch daklozen zijn een lokale aangelegenheid en niet in beeld. Een regionale aanpak kan mogelijkheden bieden die lokaal niet haalbaar zijn. '
> Zoek uit waarom het aandeel jongeren in de MO zo hoog is. Het aandeel jongeren in MO in Westfriesland is hoger dan het landelijk gemiddelde. Zorg dat in kaart wordt gebracht wat verklaringen hiervoor zijn, zodat hier waar nodig passend beleid op kan worden gemaakt. '
40
6. Adviezen voor de nieuwe visie (2)
> Evalueer op korte termijn of het nieuwe overgangsmodel en de nieuw voorgenomen beleidsuitgangspunten daadwerkelijk tot een soepele overgang van 18-naar 18+ leidt. Zorg dat dit tijdig inzichtelijk wordt gemaakt, zodat hier ook tijdig op geanticipeerd kan worden en op die manier de overgang van 18- naar 18+ stapsgewijs versoepeld kan worden. '
> Werk de aanbevelingen van bureau HHM plus aanvullende suggesties uit deze evaluatie uit naar een investeringsagenda. Er is, mede dankzij de Blokhuisgelden, al geïnvesteerd in nieuwe woonvoorzieningen en de ontwikkeling van bestaande voorzieningen. HHM heeft in beeld gebracht wat er nog meer nodig is; respondenten hebben daar aanvullingen op gegeven. '
huurcontracten doorzet kan dit de uitstroomregeling in gevaar brengen. Elders wordt gewerkt met constructies die nog wel kunnen, zoals constructies waarbij contracten aanvankelijk op naam van de zorgaanbieder staan. Kijk op tijd rond naar dit soort mogelijkheden. '
> Breng de mogelijkheden voor werk en dagbesteding in beeld. Zorg ervoor dat ook lokale mogelijkheden met betrekking tot de nuldelijnszorg bekend zijn, ook bij (regionaal werkende) zorgaanbieders. Werk aan betere aansluiting tussen de lokale basis en zorg. Dit is een ‘oud’ voornemen uit de huidige Toekomstagenda. Inrichting van werk en dagbesteding voor de doelgroep MO en BW heeft weinig aandacht gekregen. Men is het er over eens dat hier kansen liggen. '
> Voer een discussie over wat kwalitatief goede nazorg is en wat kwalitatief goede preventie is. Wissel aanpak, ervaringen en kennis uit. Overweeg om een minimum niveau van kwaliteit van preventie en nazorg vast te stellen, af te spreken en te bewaken. Veel acties binnen de verschillende thema’s richten zich op preventie en nazorg, waardoor in de evaluatie hier en daar geconstateerd kan worden dat overzicht en daarmee sturing mist omdat hier het lokale het primaat heeft en er geen structuur is ingericht die tot uitwisseling of afstemming leidt. Preventie en nazorg zijn vooral lokale aangelegenheden. Preventie en nazorg zijn van belang en medebepalend voor instroom in BW en MO. Er zijn zorgen geuit over de kwaliteit van de nazorg. '
> Koester de uitstroomregeling. Zorg ervoor dat de regeling niet aan zijn eigen succes ten onder gaat. Anticipeer op bedreigingen. De uitstroomregeling is één van de successen van de huidige Toekomstvisie. Er zal naar verwachting alleen maar meer gebruik van gemaakt worden. Het risico bestaat dat deze regeling aan zijn eigen succes ten onder gaat: corporaties kampen met veel vraag naar woningen voor bijzondere doelgroepen en moeten keuzes maken. De draagkracht in de wijk staat onder druk. Houd oog voor de belangen van overige huurders, ook als dat betekent dat het quotum wellicht niet gehaald wordt. Ontwikkel criteria voor draagkracht van de wijk en verwerk deze in de uitvoering van de uitstroomregeling. Indien de wetgeving ten aanzien van tijdelijke '
41
6. Adviezen voor de nieuwe visie (3)
> Behoud het regionale projectteam en de bestuurlijke voortrekkersgroep. Zorg voor vertegenwoordiging vanuit iedere gemeente. Organiseer input vanuit het veld. Er is enthousiasme over de organisatorische inrichting rondom de Toekomstvisie. Er wordt relatief veel menskracht vanuit Hoorn ingezet maar dat is gezien de centrumfunctie van Hoorn voor de hand liggend. Om draagvlak vanuit, en lijntjes met, iedere gemeente te borgen zou het goed zijn als er uit iedere gemeente tenminste één deelnemer is. Overweeg de inzet van een adviesgroep die wordt bemenst door vertegenwoordigers van uitvoerende partijen. Reflectie op inzet en resultaten vanuit hun perspectief kan toegevoegde waarde bieden. '
6.2 Adviezen ten aanzien van de uitvoerbaarheid De adviezen ten behoeve van de uitvoerbaarheid van de nieuwe Toekomstvisie zijn: '
Visie > Definieer reikwijde van de nieuwe visie. Definieer de reikwijdte van de visie: gaat het over kwetsbare bewoners in het algemeen, of specifiek over inwoners die in BW of MO terecht dreigen te komen, of iets daartussen in? Valt verslavingszorg en de OGGZ onder deze visie of hoe verhoudt deze visie zich tot die werkterreinen? '
> Definieer het uiteindelijk gewenste effect. Definieer het uiteindelijke gewenste effect scherp. '
> Ontwikkel meetbare normen. Stel met elkaar meetbare, zichtbare of voelbare normen voor de doelen en het gewenste effect vast en laat deze leidend zijn in de sturing gedurende de looptijd van de visie. '
Voorbeelden van mogelijke normen op het niveau van het gewenste doel of effect zijn: - Maximaal aantal mensen dat in de Maatschappelijke Opvang of in een BW instelling verblijft; - Maximale duur van verblijf in MO en BW / Gemiddelde duur van verblijf in MO en BW; - Aantal mensen dat is uitgestroomd uit MO en BW en weer terugvalt in verblijf; - Mate van tevredenheid van cliënten over hulp preventief, tijdens verblijf, bij de nazorg; - Aantal mensen dat is uitgestroomd uit MO en BW met structurele weekinvulling van een minimaal aantal dagdelen per week; - Aantal mensen dat is uitgestroomd uit MO en BW dat problematische schulden heeft; - Aantal crisisopnamen; - Waarbij de ‘aantallen’ dan in een discussie met alle betrokkenen ingevuld kan worden. '
Overigens is bij deze cijfers altijd een analyse nodig van wat de invloed is van omstandigheden. Dat kan er toe leiden dat oorspronkelijke normen niet haalbaar zijn, of juist bijna ‘vanzelf’ gehaald worden. Dan moet het gesprek '
42
6. Adviezen voor de nieuwe visie (4)
worden gevoerd of de normen (ambities) naar boven of naar beneden bijgesteld moeten worden. Maar juist omdat deze normen er zijn kan dit gesprek goed gevoerd worden: wat is de invloed van omstandigheden en wat moeten we doen om maximaal effect te bereiken met de middelen die we hebben? '
Draagvlak en belangen > Zet het ontwikkelproces voor de nieuwe beleidsvisie stevig neer en faciliteer ruim. In de tijd dat de huidige Toekomstvisie werd opgesteld, was het rapport Dannenberg onlangs verschenen en dit rapport heeft veel aandacht getrokken. Het resulteerde in een gevoel van urgentie en maatschappelijk leefde breed een wens om de transformatie van MO en BW verder vorm te geven. Respondenten die destijds al betrokken waren bij MO en BW herinneren zich dat er veel interesse en bereidheid was om mee te denken en energie te steken in de ontwikkeling van dit thema. Westfriesland heeft daar goed gebruik van gemaakt en het ontwikkelproces van de Toekomstvisie destijds stevig neergezet. De heer Dannenberg zelf was uitgenodigd om in een bijeenkomst iedereen mee te nemen in zijn visie, er is intensief overleg geweest met iedereen, men herinnert zich dat alle bijeenkomsten goed bezocht werden en iedereen zich gehoord heeft gevoeld. '
•
Op dit moment is dit soort urgentie en dynamiek minder aanwezig. Om toch tot een breed gedragen visie te komen, wordt geadviseerd om te investeren in de nodige schwung rondom dit thema. Om een sfeer te creëren die iedereen aanspreekt en verleidt om er echt even voor te gaan zitten en bij te
dragen aan de planvorming. Eén of meerdere groots aangepakte en goed gefaciliteerde bijeenkomsten waarbij alle relevante partijen met elkaar in contact komen en gezamenlijke conclusies kunnen worden getrokken, zal/zullen bijdragen aan een visie en implementatieplan dat langdurig op draagvlak kan rekenen. '
'
> Voer een discussie over regionale en lokale belangen, beoordeel of een
verschuiving in verantwoordelijkheden nodig is om het gewenste effect van de nieuwe visie te versterken / sturing op preventie en nazorg mogelijk te maken. Gemeenten zijn afhankelijk van goede preventie lokaal om instroom in MO en BW regionaal te beperken, maar hebben weinig tot geen zicht op hoe die preventie per gemeente is ingericht. Hetzelfde geldt voor de nazorg. Dat betekent dat er ook over en weer weinig gebruik gemaakt wordt van succesvolle ideeën. Voer een discussie met elkaar over hoe preventie optimaal ingericht zou kunnen worden en wat daarin van elkaar te leren is. Voer deze discussie samen met het uitvoerend veld en betrek de kennis en kunde van het uitvoerend veld in de conclusies. Identificeer de preventieve activiteiten die iedereen belangrijk en noodzakelijk vindt en definieer wat daar precies mee wordt bedoeld. Zorg voor regionaal inzicht en overzicht over deze preventieve inzet, bewaak met elkaar het niveau hiervan. Bespreek of het wenselijk is om gezamenlijk afspraken te maken over kwaliteit en kwantiteit van deze preventieve activiteiten. In het verlengde hiervan kan er duidelijkheid worden gegeven aan voorzieningen die regionaal een functie hebben en ook lokaal worden aangestuurd, die nu onzekerheid over hun continuïteit ervaren omdat er steeds ideeën zijn over waar hun activiteiten thuishoren (Vangnet & Advies, De Hoofdzaak) 43
6. Adviezen voor de nieuwe visie (5)
Plan > Behoud de concrete resultaten en herijk. Behoud het werken met concrete resultaten, zoals kenmerkend was voor de vorige Toekomstvisie ; maar benoem minder resultaten en voor een kortere periode. Herijk de plannen periodiek gedurende de looptijd van de visie. Bij de herijking kunnen nieuwe concrete resultaten worden geformuleerd en bestaande worden beoordeeld op hun relevantie. '
'
> Maak de inzet van het uitvoerend veld zichtbaar. Geef de inzet van het veld een plek in de acties. Maak zichtbaar wat daar gedaan gaat worden om de gewenste veranderingen en effect te bereiken. Betrek het veld bij de tussentijdse herijking. Gebruik de herijking om een moment te creëren waarin het hele veld elkaar ontmoet en gedachten en ervaringen uitwisselt over MO en BW in de regio. Betrek hierbij ook de cliëntenorganisaties. '
> Overweeg een indeling preventie-verblijf-nazorg. Op dit moment zijn de jaarwerkplannen in tien thema's ingedeeld, die vrij willekeurig van aard lijken te zijn. Indien acties worden opgehangen aan de indeling preventie-verblijf-nazorg is er minder risico dat belangrijke aspecten worden vergeten. '
Financiën > Voer een discussie over de inzet van het ‘nieuwe’ financiële surplus. De regio houdt jaarlijks middelen over in het budget MO en BW, en dat gaat met het nieuwe verdeelmodel alleen maar meer worden. Tegelijkertijd zijn er '
wensen ten aanzien het aanbod van verblijfvoorzieningen en is er winst te halen in de onderlinge afstemming van preventieve activiteiten en op sturing op deskundigheidsbevordering. Wel rekenen een aantal gemeenten op een bedrag uit het surplus voor andere belangrijke taken, waarmee de haalbaarheid van inzet van het huidige surplus voor MO en BW onzeker is. Overweeg dan om tenminste het nieuwe surplus als gevolg van het nieuwe verdeelmodel in te zetten voor MO en BW. Denk daarbij niet alleen aan nieuw aanbod van verblijfsvoorzieningen maar vooral ook aan regionaal financieren van lokaal preventief aanbod (zie ook de aanbeveling hierboven) en van deskundigheidsbevordering. '
In het licht van hetgeen hierboven geschreven over inrichting volgens de keten, aandacht voor preventie – en waar leg je dan de grens in het kader van MO en BW, de noodzaak van aandacht voor deskundigheidsbevordering, biedt het feit dat er structureel middelen over zijn (en straks nog groter surplus ontstaat) kansen. Zoals hierboven beschreven komt het sturing en uitvoering ten goede als er meer gezamenlijk wordt opgetrokken bij preventie en bij kennisbevordering. Met deze middelen kunnen voorzieningen in het preventieve veld en deskundigheidsbevordering door de regio gefinancierd en daarmee ook gezamenlijk opgepakt worden. Kosten die nu lokaal moeten worden gefinancierd kunnen dan uit het regiobudget worden gefinancierd. Dit is dus twee vliegen in één klap: lokaal zijn er minder kosten voor preventie en op regioniveau komt er meer zicht op inhoud en kwaliteit van preventieve inzet. Dit komt realisatie van voornemens en dus de uitvoerbaarheid van een plan ten goede. '
44
Bijlagen
'
Bijlage 1. Geraadpleegde documenten (1)
Advies Commissie Toekomst beschermd wonen. (2015). Van beschermd wonen naar een beschermd thuis. VNG. Bureau BUITEN, gemeenten & partners Pact Westfriesland. (2020). Pact 7.1 Westfriesland: einddocument en uitvoeringsprogramma. Westfriesland.
Cijfers cliënten MO en BW (uit dashboard, opgevraagd bij regio Westfriesland). Gemeente Hoorn. (2018). Raadsbrief Plan van aanpak personen met verward gedrag. Gemeente Hoorn. (2021). Beleidsvisie Rondkomen: Wat doen we om te zorgen dat inwoners kunnen rondkomen? 2021 – 2025.
Huisman, M. & Willemse, L. (2021). Adviesrapport ‘Woningdelen, woningsplitsen en kamerverhuur’ voor de regio Westfriesland. Langhenkel Talenter. Jaarwerkplannen (voortgang en monitoring) 2023.
Kruize, A., Kamperman, M., van der Leer, E. & Schoonbeek, I. (2022). Oorzaken instroom maatschappelijke opvang en beschermd wonen Westfriesland. Breuer&Intraval. Leidelmeijer, K., van Iersel, J. & Frissen, J. (2018). Veerkracht in het corporatiebezit. Kwetsbare bewoners en leefbaarheid. RIGO Research en Advies. Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Hoorn 2023.
Gemeente Hoorn. (2022). Beleidsvisie Integrale Schuldhulpverlening: Wat doet de gemeente Hoorn om inwoners met (dreigende) schulden zo snel mogelijk te helpen naar een schuldenvrij bestaan? 2022 – 2025.
Westfriesland Inkoopteam zorg. (2019). Offerteaanvraag Wmo Beschermd Wonen & Beschermd Thuis: Regio Westfriesland.
Gemeente Hoorn. (2023). Nadere regels Toegang tot Maatschappelijke Opvang, Beschermd Wonen en Beschermd Thuis Westfriesland 2023.
Westfriesland. (2018). Plan van aanpak ‘personen met verward gedrag regio Westfriesland’. ZonMw.
Herstel en participatie: toekomstvisie kwetsbare inwoners regio Westfriesland 2018-2023. (2017).
Westfriesland. (2019). Integraal Advies Madivosa: Doordecentralisatie van BW en MO/Vb/OGGz Westfriesland. DSP-groep.
Homan, L., Rijken, E. & van der Veen, A. (2022). Onderzoek zorglandschap MO-BW West-Friesland. Bureau HHM.
Westfriesland. (2021). Samenwerkingsovereenkomst Uitstroomregeling Bijzondere Doelgroepen Westfriesland.
46
Bijlage 1. Geraadpleegde documenten (2)
Westfriesland. (2023). Voorstel Madivosa: Inloopvoorzieningen GGZ. Westfriesland. (n.d.) Uitvoering Toekomstvisie Kwetsbare Inwoners 2018 – 2023. Rapportages 2018 – 2022. Woningstichting Het Grootslag. (2023). Leefbaarheidsrapportage 2022.
47
Bijlage 2. Geraadpleegde personen (1)
Hieronder is een overzicht met de geraadpleegde personen in het kader van deze evaluatie. Zij hebben deelgenomen aan een focusgroep en/of interview. De volgende twee opmerkingen zijn hierbij van belang: - Er zijn relatief veel mensen gesproken die werkzaam zijn bij de gemeente Hoorn in vergelijking met andere gemeenten. Er is voor deze opzet gekozen omdat er in Hoorn veel kennis zit, ook over het regioniveau. - Voor de focusgroepen zijn meer mensen uitgenodigd in vergelijking met hoeveel er daadwerkelijk zijn gekomen. Dit overzicht laat enkel zien welke personen er gesproken zijn. •
'
Naam
Organisatie
Danique Leek
Gemeente Hoorn
Ronald Vos
Gemeente Hoorn
Maarten Kroes
Gemeente Hoorn
Marianna Schuurman
Gemeente Hoorn
Nanja Linger
Gemeente Hoorn
Jennifer van Leeuwen
Gemeente Hoorn
Christina Dikkerboom
Gemeente Hoorn
Con Bakker
Gemeente Hoorn
Naam
Organisatie
Annelies Bart
Gemeente Hoorn
Nike de Jongh
Gemeente Hoorn
Angela Balk
Gemeente Koggenland
Sabina Post
GGD Hollands Noorden
Paulien van den Berge
Gemeente Hoorn
Ron Jansen
Gemeente Hoorn
Jorie Bockma
Gemeente Hoorn
Noortje Visser
SED gemeenten
Dorien van Diepen
Gemeente Hoorn
Karin Hakhoff
Wethouder gemeente Hoorn
Anouk Wamsteeker
Gemeente Opmeer
Wim Hoogervorst
Wethouder gemeente Enkhuizen
Lisa Tannous
SED gemeenten
Marion van Kampen
Wethouder gemeente Koggenland
Femke Jelles
Gemeente Hoorn
Henriëtte Doppenberg
Woonstichting Het Grootslag
René Doodeman
Gemeente Hoorn
Marius Wenker
Werksaam
Janna Arjaans
Gemeente Hoorn
Mandy Schuit
dnoDoen 48
Bijlage 2. Geraadpleegde personen (2)
Naam
Organisatie
Corinne Vrouwe
Leviaan
Stephanie Coorengel
Leger des Heils
Jessica v/d Bilt
St. Netwerk
Tim de Haas
Meldpunt V&A
Willem Kokker
Brijder
Suzanne Kok
Ons Stede Broec
Jeanet Hoiting
RCO De Hoofdzaak
Mart Stel
RCO De Hoofdzaak
Ivonne Pater
Politie
Michael Willemse
GGDHN Oggz
Ronald Koenen
RPAnhn
Veiligheidshuis Noord-Holland Noord
Anneke Verweyer
De Steenuil Zorg
Josanne Essen
Ervaringsdeskundige Ervaringsdeskundige
49
Colofon Projectteam Wyzer
Met medewerking van
Marion Wiendels Emy Basset
Jorie Bockma Dorien van Diepen Paulien van den Berg Annelies Bart Angela Balk Corinne Vrouwe Jeanet Hoiting
'
'
'
'
'
'
'
Meer informatie Meer informatie over dit rapport of over Wyzer Advies? Neem dan contact op met Emy Basset, ebasset@wyzer.nl. '
'
© Mei 2023, te Utrecht
Over Wyzer 'Wij zijn Wyzer. Al meer dan 30 jaar werken wij aan actuele publieke vraagstukken voor de (lokale) overheid. We staan voor een sterke publieke dienstverlening, die goed is voor iedereen. In de werkvelden Sociaal domein, Ruimtelijk domein, Zorg en Jeugd en Bedrijfsvoering maken we het verschil met mensen, projecten en kennis. We hebben hart voor publieke dienstverlening en werken met positieve energie aan de vraagstukken van vandaag en morgen.