Bijlage 5 NL.IMRO.0498. BP StLaurentiusstr1-VG01 bijlage Flora en Fauna (2021-38)
Tekst van het document
31
leefgebied van de Huismus moet binnen het plangebied moet conform de condities van het Kennisdocument van de Huismus (BIJ12, 2017). Een opzet van de planning voor veldinventarisaties is naar aanleiding van dit document opgesteld en te zien in de Bijlagen.
Figuur 20: Geveldakpannen die aan beide kopse kanten van de woning volledig aansluiten op de muur, waardoor er geen speleten aanwezig zijn of wegkruipmogelijkheden worden geboden voor Gierzwaluwen.
5.3 Grondgebonden zoogdieren Juridisch zwaarder beschermde zoogdieren Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van zwaarder beschermde zoogdieren, zoals kleine marterachtige of de Euraziatische rode eekhoorn (NDFF 20102020). Het is tevens onwaarschijnlijk dat het plangebied onderdeel vormt van het leefgebied van zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren. De aanwezige bebouwing in het plangebied is ongeschikt voor marterachtigen om in te verblijven, met name omdat deze ontoegankelijk voor ze zijn. Het gebied buiten het dorp van Hoogkarspel, de akkers en polders, kan wel leefgebied vormen voor kleine marters. Het is echter uit te sluiten dat beschermde zoogdieren uit die omgeving de oversteek maken naar het dorp en/of het plangebied omdat hier geen juiste habitat aanwezig is, met name door
32
het gebrek aan dekkende vegetatie, grote hoeveelheid aan verharding en hoge mate van antropologische verstoring. Door het gebrek aan een bosrijke omgeving, kan ook het voorkomen van de Euraziatische rode eekhoorn uitgesloten worden. In tegenstelling tot kleine marters komen Steenmarters vaker voor in stedelijke gebieden. Naast vossenen konijnenholen die soms door Steenmarters worden gebruikt zijn favoriete schuilplaatsen van deze soort houtstapels en takkenhopen, boerderijen, zolders en dakruimtes, spouwmuren en holtes onder boomwortels. Omdat in het plangebied het dergelijke objecten, zoals takkenhopen en houtstapels, niet te vinden zijn, biedt dit gebied geen geschikt habitat. Ook zijn de opstallen, die mogelijk wel over zolders en spouwmuren beschikken en in sommige gevallen onderdak bieden aan Steenmarters, zijn niet geschikt als verblijfplaats door het ontbreken van een toegangsopening waar deze soort gebruik van kan maken. Tevens als we kijken naar alle Steenmarterwaarnemingen in Schoorl (Figuur 21) sinds 2010, wordt duidelijk dat de zijn voorkomen volledig ontbreekt in Hoogkarspel. Op basis van de afwezigheid van sporen tijdens veldbezoek en de afwezigheid van geschikt biotoop in de directe omgeving worden beschermde zoogdieren in het plangebied niet verwacht. Vaste verblijfplaatsen van deze soorten worden dan ook uitgesloten.
Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van zoogdieren is zodoende niet aan de orde.
Figuur 21: Ontbreken van waarnemingen (2010-heden) van Steenmarter in Hoogkarspel.
Laag beschermde zoogdieren Vanwege de aanwezigheid van groen in en rondom het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen van laag beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten te verwachten. Zo zijn er in de nabije en ruime omgeving van het plangebied via openbare bronnen waarnemingen bekend van o.a. de Egel, Ree, Haas, Bruine Rat
33
en Europese mol. Ook komen kleinere grondgebonden zoogdieren in dezelfde omgeving voor, zoals de Veldmuis, Gewone bosmuis en Huismuis. Deze soorten zijn echter allemaal ‘laag beschermd’ wat betekend dat voor deze soorten alleen de Zorgplicht geldt. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van grondgebonden zoogdieren is dus niet aan de orde.
5.4 Vleermuizen Voorkomende soorten In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van de Laatvlieger, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Meervleermuis (NDFF 2010-2020). Verblijfplaatsen De functionele leefomgeving van vleermuizen bestaat uit de verblijven inclusief de bijbehorende en essentiële vliegroutes en foerageergebieden. Wegens gebrek aan bomen met ingerotte holtes binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen van boombewonende soorten worden uitgesloten. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten, zoals de Gewone dwergvleermuis of Meervleermuis kunnen een verblijfplaats hebben in de woning, achter het verenigingsgebouw. Dit is mogelijk vanwege het dak die aan de zuidzijde enkele openingen vertoont (Figuur 19, paragraaf 5.2 & Figuur 22). Het is daarom niet mogelijk om verblijfplaatsen van deze soorten op voorhand uit te sluiten.
Figuur 22: Zuidelijk deel van het dak van de woning heeft enkele scheven dakpannen, waar vleermuizen onder kunnen kruipen.
34
De gevelpannen en tussen het boeiboord en de betimmering zijn geen kieren of gaten ontdekt, die een invliegopening voor vleermuizen bieden (Figuur 20, paragraaf 5.2). Geen van de gebouwen beschikken over open stootvoegen, waardoor ook geen toegang wordt geboden tot de spouwmuren. Tevens zijn er in geen van de gebouwen openingen als ventilatievoegen aanwezig. Het dak van het van verenigingsgebouw is zoals benoemd niet voorzien is van dakpannen en het dak van het bijgebouw heeft geen openingen of kieren omdat het in zeer goede conditie verkeerd (Figuur 23 & Figuur 24). Deze gebouwen zijn daarom niet toegankelijk voor vleermuizen.
Figuur 23: Ongeschikt dak voor vleermuizen om in te verblijven bij het verenigingsgebouw.
Figuur 24: Dak van het bijgebouw die in perfecte staat verkeerd en waarvan dakpannen volledig op elkaar aansluit, waardoor hij ongeschikt is voor vleermuizen.
35
De aanwezigheid van beschermde vleermuisverblijfplaatsen in het gebied is dus niet geheel uitgesloten. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat met de voorgenomen ingreep een negatief effect zal plaatsvinden op vaste rust- en verblijfplaatsen. Het uitvoeren van een aanvullend soortenonderzoek naar het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen is daarom noodzakelijk om het daadwerkelijke effect vast te stellen. Dit dient te worden uitgevoerd aan de hand van het Vleermuisprotocol 2017. Een opzet van de planning voor veldinventarisaties is naar aanleiding van dit protocol opgesteld en te zien in de Bijlagen. Het is vooralsnog niet uit te sluiten dat het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is.
Potentiële vliegroutes en foerageergebieden Het perceel, in combinatie met het aanwezige begroeiing in de omgeving, kan geschikt zijn voor foeragerende vleermuizen, zoals de Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis. Echter zal met de sloop van de woning, de foerageerfunctie van het gebied niet aangetast worden. De omgeving biedt daarnaast volop vergelijkbaar geschikt foerageergebied. Er is dus geen sprake geweest van een negatief effect op (essentiële) foerageergebieden. Wanneer de bouw plaats vindt in de periode ½ maart tot en met oktober met behulp van ondersteunende verlichting in de nacht, wordt aangeraden vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken. Op deze manier blijft het plangebied beschikbaar als foerageergebied. Als vliegroute maken vleermuizen veelal gebruik van lijnvormige elementen. De voorgenomen ontwikkelingen zullen geen invloed hebben op lijnvormige elementen in of rondom het plangebied. De begroeiing in de projectlocatie vormen geen aaneensluitend lijnvormig element die gebruikt worden ter oriëntatie als vliegroute. Vervolgstappen voor vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde.
5.5 Reptielen In en nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen (NDFF 20102020). In de zeer wijde omgeving zijn wel enkele waarnemingen van de Ringslang geregistreerd. Echter het plangebied bevat geen geschikt habitat voor deze soort of andere beschermde reptielen. Op basis van aangetroffen biotoop worden beschermde reptielen in het plangebied uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van reptielen is zodoende niet aan de orde.
5.6 Amfibieën In de wijde omgeving van het plangebied is op basis van verspreidingsgegevens geen waarnemingen bekend van beschermde amfibieën (NDFF 2010-2020). Op basis van de verspreidingsgegevens, vondsten tijdens veldbezoek en de biotoop worden beschermde amfibieën in het plangebied niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van amfibieën is niet aan de orde anders dan dat vanwege de zorgplicht rekening gehouden wordt met mogelijke aanwezigheid van overwinterende algemene soorten.
36
5.7 Vissen Het plangebied bevat geen wateren die door de plannen worden aangetast. Tevens zijn in en rondom het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen (NDFF 2010-2020). Op basis van de verspreidingsgegevens en afwezigheid beschikt biotoop worden beschermde vissen in het plangebied uitgesloten. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van vissen is zodoende niet aan de orde.
5.8 Overige soorten Er zijn geen recente waarnemingen bekend van beschermde soorten libellen, dagvlinders en weekdieren in de nabije omgeving van het plangebied (NDFF 2009-2020). Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde bijzondere insecten of overige soorten te verwachten op de planlocatie. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; het plangebied voldoet hier niet aan. De aanwezigheid van beschermde overige soorten wordt daarom uitgesloten in het plangebied.
5.9 Overzicht te verwachten soorten Onderstaande tabel geeft een beknopt overzicht van de waargenomen of te verwachten zwaarder beschermde soorten van de Wet natuurbescherming. Voor alle aanwezige soorten geldt de zorgplicht. Tabel 4. Overzicht (mogelijk) aanwezige zwaarder beschermde soorten en beschermde functies in het plangebied. Soortgroep
(Mogelijk) aanwezige soorten
Wet natuurbescherming**
Beschermde functie
Vaatplanten Vogels: nesten jaarrond beschermd
Geen
-
-
Geen
-
-
Vogels: overig
Algemene soorten waaronder de Houtduif, Ekster, Koolmees
Artikel 3.1 & 3.5
Broedgebied
Grondgebonden zoogdieren
Geen
-
-
Artikel 3.5
Vaste rust- en verblijfplaats
-
-
-
-
Vissen
Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Meervleermuis etc. Geen Geen Geen
Overig
Geen
Vleermuizen Reptielen Amfibieën
Voor alle in het plangebied aanwezige soorten, dus ook de algemene soorten, geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: •
dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,
37
• •
indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
38
6 Conclusie en Discussie Gebiedsbescherming De voorgenomen ingreep heeft geen invloed op beschermde gebieden zoals Natura 2000-gebieden of gebieden behorende tot het Provinciaal Beschermd Landschap, Natuur Netwerk Nederland, Weidevogelleefgebied of Ganzenfoerageergebied. Dit houdt in dat geen aanvraag ontheffing Wet natuurbescherming voor het onderdeel ‘gebieden’ nodig is. Soortbescherming Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat er geen ‘zwaarder beschermde planten- of diersoorten voorkomen, anders dan (broed)vogels. Indien buiten het broedseizoen wordt gewerkt is ontheffing Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Indien binnen het broedseizoen wordt gewerkt dient vooraf vastgesteld worden dat er geen vogels aan het broeden zijn binnen de verstoringsafstand van de voorgenomen werkzaamheden. Tabel 5. Overzicht (mogelijk) aanwezige beschermde soorten, effecten van de geplande werkzaamheden en noodzaak ontheffingsaanvraag of specifieke maatregelen. Soortgroep
Soort (en)
Algemene
Spreeuw,
broedvogels
etc.
Effecten Merel,
Vernielen nesten
Overtreding
Noodzaak
verbodsbepaling
maatregel
ontheffing
Vogelrichtlijn,
Nee / werk op moment dat
Conventie Bonn
er geen broedende vogels
/
aanwezig zijn. Jaarrond
Huismus
beschermde
Vernielen/verstoren
Vogelrichtlijn,
Ja / aanvullend onderzoek
nestlocaties
Conventie Bonn
conform het BIJ12
Vernielen/verstoren
Habitatrichtlijn
vogelnesten Vleermuizen
Kennisdocument Huismus o.a.
Gewone
Ruige
en
verblijfplaatsen
Ja / aanvullend onderzoek conform het
dwergvleermuis,
Vleermuisprotocol 2021
Laatvlieger etc.
In het kader van de Zorgplicht wordt verder aanbevolen enkele maatregelen te treffen om onnodige schade te voorkomen aan aanwezige algemenere soorten. Let bij het rooien van beplanting, bv de heg, op eventuele Egels in de ondergroei. Verplaatst ze naar een vergelijkbare locatie in de directe omgeving. Laat enkele dagen zitten tussen het rooien van beplanting en grondwerkzaamheden, zodat muizen en andere dieren in de gelegenheid zijn om het terrein te verlaten. Het verwijderen van de beplanting kan alleen uitgevoerd worden als is vastgesteld dat er geen broedende vogels in aanwezig zijn. Let op dat ik vroeg in het jaar (februari) of laat in de zomer (augustus) nog vogels aan het broeden kunnen zijn.
6.1 Overige aanbevelingen Natuurinclusieve inrichting Richt de buitenzijde van panden in op een natuurinclusieve wijze conform het raadsbesluit van gemeente Alkmaar om natuurinclusief te bouwen. Dat wil zeggen: plaats nestkasten voor Huismussen,
39
Gierzwaluwen en vleermuizen door middel van inmetselstenen. Laat een ecoloog adviseren wat de beste locaties zijn om dit te realiseren. Voorbeelden voor te gebruiken inbouwkasten zijn te vinden op http://www.vivarapro.nl/inbouwstenen. Hiermee ‘ontsier’ je de gevel niet met kasten die aan de buitenzijde hangen. Bovendien zijn gevelkasten ongeschikt als permanente verblijfplaatsen. Met de genoemde maatregel vergroot je de biodiversiteit ter plaatse en voldoe je aan de gemeentelijke eis tot natuurinclusief bouwen. Denk ook aan de omgeving rondom de panden. Zorg voor voldoende bomen, struiken en bloemrijke vegetatie aanwezig is voor vlinders, zweefvliegen, bijen en andere nuttige insecten op en rond de parkeerplaats. Daarmee creëer je ook koelte voor bewoners tijdens hete zomerse dagen en ondersteun je de biodiversiteit in Alkmaar. Kijk of voor meer ideeën op: https://www.bouwnatuurinclusief.nl. 5 v’s als richtlijn Om meer rekening te houden met de natuur, is de leefomgeving ook heel belangrijk. Er kunnen bijvoorbeeld nog zoveel nestelplaatsen zijn voor mussen, als er niets te eten is blijven ze alsnog weg. Dus dat betekent niet alleen kijken naar de bouw, maar ook naar de hoeveelheid groen in de wijk. Ga altijd uit van de 5 V’s: Verblijfplaatsen, Voedsel, Veiligheid, Verbinding en Variatie.
Diverse soorten planten en bloemen, een veilige verbinding tussen groene plekken in een wijk of stad en genoeg plekken om voedsel te vinden. Daarin kan de gemeente vaak ook een belangrijke rol spelen door ander groenbeheer.
40
7 Literatuur en bronnen Literatuur Bouwens, S. (2017). Handreiking kleine marterachtigen in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Dietz, Chr., O. von Helversen & D. Nill (2012). Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Trition Natuur. GS (2007). Begrenzingenplan Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland. (Begrenzingen Programma Beheer). Gedeputeerde Staten van Noord-Holland. Herder, J. (2010). Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen 1980-2010. RAVON – Landschap Noord-Holland Herder, J., Kranenbarg, J., Hoogeboom, D., Hamers, J., Dekker, K. (2012). Atlas van de Noord-Hollandse vissen 1980-2012. RAVON – Landschap Noord-Holland. Hille Ris Lambers, I., F. Brekelmans, R. Lensink & G.F.J. Smit (2008). Bestaand gebruik van rijksinfrastructuur en Natura 2000-bieden. Verkenning van effecten van rijkswegen, spoor wegen en rijkskanalen als gevolg van bestaand gebruik, beheer en onderhoud en autonome ontwikkeling. Bureau Waardenburg. Kapteyn, K. (1995). Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap. Ministerie van Infrastructuur en Milieu (2012). Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Den Haag. Provincie Noord-Holland (2016). Structuurvisie Noord-Holland 2040. Kwaliteit door veelzijdigheid. Vastgesteld door PS, 21 juni 2010.
Inclusief actualisatie september 2015, vastgesteld door PS, 1. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland (2017a). Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017 – 2023: Markermeer & IJmeer. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Lelystad, Provincie Flevoland. Provincie Noord-Holland (2017b). Natura 2000 Beheerplan IJsselmeergebied 2017 – 2023: IJsselmeer. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Lelystad, Provincie Flevoland. Provincie Noord-Holland (2018). Omgevingsvisie NH2050 Balans tussen economische groei en leefbaarheid. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Provincie Noord-Holland (2019). Provinciale Ruimtelijke Verordening, maart 2019. Haarlem, Provincie Noord-Holland. Riet, B. van, H. van der Goes, Th. Baas, C. van den Tempel, W. Menkveld & F. Visbeen (2014). Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. Scharringa, C.J.G., W. Ruiterbeek & P.J. Zomerdijk (2010). Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. SVN, Landschap Noord-Holland. .
41
Websites zoals bestaand in maart 2020 https://florafaunacheck.nl/ https://www.floravannederland.nl https://www.vogelatlas.nl https://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren https://www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten https://www.verspreidingsatlas.nl/reptielen https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen https://www.verspreidingsatlas.nl/vissen https://www.atvdekrommesloot.nl/natuur/ https://www.stadszaken.nl/ruimte/groen/1079/natuurinclusief-bouwen-met-deze-40-punten https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 https://maps.noord-holland.nl/weidevogels/ https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/
https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/ https://noord-hollandextern.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO8002PRVNNNWKW2019-VG01 https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatormaatregelenappl.aspx?subj=soorten# maatregelen https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorsoortenappl2016.aspx?subj=soorten
42
8 Bijlage In lijn met het Vleermuisprotocol (2021) worden in mei t/m september vier veldbezoeken gedaan om aan te tonen of uit te sluiten dat het plangebied beschikt over vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en de verblijfplaatsfunctie (zomer, paar, kraam of winterverblijf) (Figuur 25 & Tabel 6)). Omdat de onderzoeksperiode van zomer- en kraamfunctie overlappen worden deze in een inventarisatieronde gecombineerd. Dit geld ook voor het vaststellen van de paar- en winterfunctie. De eerste twee inventarisatieronden (in mei t/m half juli) worden dus gebruikt om te bepalen of er een zomer- en/of kraamverblijfplaats aanwezig is en de twee bezoeken in augustus/september om paar- en winterverblijven vast te stellen.
Figuur 25: Op hoofdlijnen weergegeven kwetsbare perioden van de Gewone dwergvleermuis. Bron: Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus (BIJ12, 2017).
Tabel 6: Criteria inventarisatierondes voor vaststellen van verblijfplaatsen voor Gewone vleermuizen. Bron: Vleermuisprotocol 2021.
Periode Aantal en duur bezoeken Starttijd t.o.v. zonsondergang Eindtijd t.o.v. zonsopkomst Periode tussen bezoeken in
Zomer 15 apr – 15 okt 2x2 uur (waarvan 1 in ochtend en 1 in kraamperiode) 0 min na (30 min) 0 min voor 20 dagen
Verblijfplaatsen Kraam Paar 15 mei – 15 jul 15 aug – 1 okt 2x2 uur (waarvan 2x2 uur 1 ronde in juni) 0 min na (30 min) 0 min voor 20 dagen
Winter 15 aug – 1 okt 2x2 uur
(0 min) 60 min na Tot 0 uur voor
(0 min) 60 min na
20 dagen
-
Tot 0 uur voor
Conform de condities die in het Kennisdocument van de Huismus (BIJ12) wordt gesteld, zal het Huismusonderzoek plaatsvinden. Hierin wordt gesteld dat Aangenomen kan worden dat er geen broedende huismussen aanwezig zijn als er tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei geen aanwezigheid kan worden aangetoond. De inventarisatie moet onder de volgende omstandigheden plaatsvinden: • goede omstandigheden (b.v. geen regen, harde wind en/of kou)
43
• • •
op geluidsluwe momenten (bijvoorbeeld de zondagmorgen in stedelijk gebied) Op geschikte momenten op de dag (tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang is de meeste activiteit waar te nemen, met een piek in de ochtend) met een tussenperiode van minimaal 10 dagen
Figuur 26: Op hoofdlijnen weergegeven kwetsbare perioden van de huismus. Bron: Kennisdocument Huismus (Passer domesticus).
Met in achtneming van deze condities zullen de veldbezoeken op de volgende momenten plaatsvinden (zie Tabel 7). Tabel 7: Richtlijn voor geplande veldbezoeken in 2021 t.b.v. de huismus en vleermuis.
Datum veldbezoek 5 april 15 mei 7 juni 16 aug 6 sept
Huismus Zomer X X
X X*
Vleermuis Kraam Paar
Winter
X X* X X
X X
Als tijdens het onderzoek verblijven zijn aangetroffen, moeten mitigerende maatregelen genomen worden, door het ophangen en verschaffen van alternatieve verblijven (elke verblijfplaats die verloren gaat, moet gecompenseerd worden met 4 alternatieve verblijfkasten). Vervolgens moet rekening worden gehouden met gewenningsperiodes; vleermuizen hebben de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Daarom moet gedurende de gewenningsperiode zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beiden aanwezig zijn, alvorens werkzaamheden uitgevoerd mogen worden. Afhankelijk van welke functies worden aangetroffen binnen het plangebied, gelden verschillende gewenningsperiodes: - bij zomerverblijfplaatsen met meer dan 10 dieren geldt voor een vervangende zomerverblijfplaats een gewenningsperiode van minimaal 6 maanden en met minder dan 10
*
Dit betreft een ochtendrond van circa 03:00 – 05:00.
44
dieren minimaal 3 maanden, waarbij in beide gevallen alleen de maanden april t/m oktober meetellen; - bij paarverblijfplaatsen wordt voor een vervangende paarverblijfkast gerekend met een gewenningsperiode van minimaal 6 maanden, voorafgaand aan de start van het paarseizoen (half augustus); - vervangende kraamverblijfplaatsen hebben een gewenningsperiode van minimaal één volledig kraamseizoen (15 mei-15 juli); - Voor vervanging van winterverblijfplaatsen zijn geen standaard oplossingen bekend. Dit is maatwerk. waarin in deze gewenningsperioden dus zowel de oude als de nieuwe verblijfplaats beiden aanwezig moeten zijn, en dus de werkzaamheden op de plek waar de verblijfplaats aanwezig is nog niet van start mogen gaan. Om deze reden zullen voorafgaand aan het onderzoek uit voorzorg 4 alternatieve kraamkoloniekasten worden opgehangen (voor 15 mei). Indien tijdens het onderzoek wordt vastgesteld dat er een kraamkolonie aanwezig is en deze gemitigeerd moeten worden, zal de gewenningsperiode van de kasten op deze manier al behaald zijn voor deze functie. Dit geldt ook voor zomerverblijfkasten. Deze worden gelijktijdig opgehangen.
45