CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 NL.IMRO.0498. BP StLaurentiusstr1-VG01 bijlage Flora en Fauna (2021-38)

Gemeenteraad 27 september 2021, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan St. Laurentiusstraat 1 te Hoogkarspel (2021-38)11.634 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QuickScan Flora en Fauna

Sint Laurentiusstraat 1 + 3, Hoogkarspel 0

23 maart 2021 Bureau Endemica B.V. Rapportnr: 20.62 Gemaakt door: D. Schiebel

Quickscan Flora en fauna: Sint Laurentiusstraat 1 + 3, Hoogkarspel, Gemeente Drechterland Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming Rapport nr.:

ER-20.62

Datum:

Maart 2021

Auteur:

D.R.R. Schiebel

Kwaliteitscontrole:

Ir. R.H. Witte

Productie

Bureau Endemica B.V. Bezoekadres:

Havinghastraat 66L 1817 DA Alkmaar Tel.: 0645554586 e-mail: bureau@endemica.nl internet: www.endemica.nl twitter: @BureauEndemica Gegevens opdrachtgever:

Oly Advies

Oplage

Digitaal

Dit rapport kan geciteerd worden als: Schiebel, D.R.R. 2020. Quickscan Flora en fauna: Sint Laurentiusstraat 1 + 3, Hoogkarspel, gemeente Drechterland. Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport ER-20.62, Bureau Endemica B.V., Alkmaar.

© 2020 Bureau Endemica B.V. / opdrachtgever Bureau Endemica B.V., is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Bureau Endemica B.V.; opdrachtgever vrijwaart Bureau Endemica voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden d.m.v. druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Bureau Endemica, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

1

Inhoud 1 Inleiding ........................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................ 4 1.2 Onderzoeksopgave ................................................................................................. 6 1.3 Beoordelingskader ................................................................................................. 6 Nationaal natuurbeleid ............................................................................................ 6 Provinciaal natuurbeleid .......................................................................................... 9 2 Methode ..................................................................................................................... 12 2.1 Literatuur en Bronnenonderzoek ......................................................................... 12 2.2 Veldbezoek........................................................................................................... 13 3 Locatiebeschrijving en werkzaamheden...................................................................... 14 3.1 Ligging ..................................................................................................................

14 3.2 Beschrijving plangebied en ecotopen ................................................................... 14 3.2 Geplande werkzaamheden ................................................................................... 18 4 Gebiedsbescherming................................................................................................... 19 4.1 Natura 2000-gebieden ......................................................................................... 19 4.1.1 Stikstofberekening m.b.v. AERIUS-Calculator ................................................ 22 4.2 Provinciaal Beschermd Landschap (PBL) ............................................................ 24 4.2.1 Weidevogelleefgebied ................................................................................... 24 4.3 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................... 25 4.5 Ganzenfoerageergebied ....................................................................................... 26 5 Aanwezigheid beschermde soorten en functies .......................................................... 28 5.1 Vaatplanten.......................................................................................................... 28 5.2 Vogels ..................................................................................................................

28 Algemene broedvogels........................................................................................... 28 Vogels met jaarrond beschermd nest..................................................................... 29 5.3 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................ 32 Juridisch zwaarder beschermde zoogdieren .......................................................... 32 Laag beschermde zoogdieren................................................................................. 33 2

5.4 Vleermuizen ......................................................................................................... 34 Voorkomende soorten ........................................................................................... 34 Verblijfplaatsen ...................................................................................................... 34 5.5 Reptielen .............................................................................................................. 36 5.6 Amfibieën ............................................................................................................. 36 5.7 Vissen ................................................................................................................... 37 5.8 Overige soorten ................................................................................................... 37 5.9 Overzicht te verwachten soorten ......................................................................... 37 6 Conclusie en Discussie ................................................................................................ 39 6.1 Overige aanbevelingen ......................................................................................... 39 7 Literatuur en bronnen .................................................................................................

41 Literatuur ............................................................................................................... 41 Websites zoals bestaand in maart 2020 ................................................................. 42 8 Bijlage ......................................................................................................................... 43

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Sint Laurentiusstraat te Hoogkarspel ligt op nummer 1 het voormalige ‘Water & Vuur Huis’ dat dienst deed als verenigingsgebouw. Voornemens is om dit gebouw samen met de achterliggende woning op nummer 3 (bestaande uit twee bijgebouwen) te slopen, zodat hier plaats gemaakt wordt voor de nieuwbouw van 27 huurappartementen. Ook zal de begroeiing naast het gebouw worden verwijderd.

Figuur 1: Te slopen verenigingsgebouw ‘Water & Vuur Huis’ aan de Sint Laurentiusstraat 1, Hoogkarspel.

Figuur 2: Te slopen woning (gele huis) met bijgebouw/schuur (zwarte gebouwtje) achter het verenigingsgebouw, aan de Sint Laurentiusstraat 3, Hoogkarspel.

4

In Nederland heeft iedereen te maken met de Wet natuurbescherming. De wet kent in het kader van de soortenbescherming geen vergunningstelsel. Uitgangspunt is dat de bepalingen als omschreven in de beschermingsregimes worden nageleefd. Met andere woorden, initiatiefnemers van projecten of activiteiten dienen ervoor zorg te dragen dat bij de uitvoering van deze projecten of activiteiten geen overtredingen van de verbodsbepalingen, die zijn vastgelegd ter bescherming van de soorten, ontstaan. Als er een activiteit voorgenomen is of plaatsvindt moet onderzoek worden uitgevoerd om vast te kunnen stellen of er sprake is of kan zijn van een overtreding van een van de verboden uit de beschermingsregimes. De grondslag voor dit onderzoek is gelegen in de Zorgplicht, die is vastgelegd in artikel 1.11 van de wet. De daarbij behorende onderzoeksplicht, bijvoorbeeld in de vorm van een Quickscan Flora en Fauna, ligt bij de initiatiefnemer. Onder een Quickscan Flora en Fauna wordt een verkennende inventarisatie volstaan waarbij de best beschikbare verspreidingsgegevens worden verzameld. Over het algemeen wordt dit gecombineerd met een eerste veldbezoek op locatie waarbij gelet wordt op potentieel aanwezig habitat van een soort. Dit om te kunnen vaststellen of er een overtreding van een verbod aan de orde kan zijn bij de voorgenomen werkzaamheden en of nader onderzoek noodzakelijk is.

Het niet uitvoeren van een Quickscan levert als zodanig geen overtreding op, immers er zijn tal van activiteiten waarbij het evident is dat er geen overtredingen zullen optreden. Maar als een kans bestaat dat een overtreding zich voor kan doen, dan doet de initiatiefnemer er goed aan om een dergelijk onderzoek uit te (laten) voeren. Op basis van de resultaten van de Quickscan dient vervolgens beoordeeld te worden of nader onderzoek noodzakelijk is. Gebouwen bieden vaak plek aan beschermde soorten zoals vleermuizen in spouwmuren en broedende vogels onder dakpannen, bomen en struiken herbergen beschermde soorten zoals vleermuizen in bomen en Hermelijnen in holten en graslanden kunnen broedgebied zijn van weidevogels zoals de Veldleeuwerik. Door de voorgenomen plannen in een plangebied bestaat een kans dat hierdoor beschermde soorten worden aangetast en er dus een overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt. Er moet een Quickscan Flora en Fauna opgesteld worden om te bepalen welke mogelijke knelpunten er zijn voor de plannen in relatie tot de Wet natuurbescherming. Met deze toetsing zal duidelijk worden hoe deze ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming.

Bij het uitvoeren van een Quickscan wordt, aan de hand van bureauonderzoek (literatuur en (recente) waarnemingen) en een veldonderzoek, een inschatting gemaakt van welke beschermde planten- en diersoorten in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Dit wordt beoordeeld op basis van de aanwezige terreintypen en habitats in het plangebied en op basis van toevallige waarnemingen van soorten. Met aanvulling van reeds beschikbare informatie, die verkregen wordt middels een bronnenonderzoek, kunnen uitspraken gedaan worden over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen plannen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Indien uit onderzoek blijkt dat de voorgenomen activiteiten geen schade toebrengen aan natuurwaarden of overtredingen van de wet veroorzaken, kunnen de ontwikkelingen zonder beperking van start gaan en zijn vervolgstappen niet nodig. Wanneer na het uitvoeren van de Quickscan risico op schade en/of overtreding niet uitgesloten kan worden, zal een gericht vervolgonderzoek naar desbetreffende soorten geadviseerd worden. De ruimtelijke ontwikkelingen kunnen doorgaans na het verkrijgen van een ontheffing of vergunning en het nemen van mitigerende maatregelen alsnog plaatsvinden.

5

1.2 Onderzoeksopgave Bureau Endemica is gevraagd om een Quickscan Flora en Fauna uit te voeren voor de sloop de gebouwen aan de Sint Laurentiusstraat 1 en 3 om zodoende te bepalen of er mogelijke knelpunten zijn in relatie tot de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten, waar bij de geplande werkzaamheden rekening gehouden moet worden. Bij mogelijke overtreding wordt beoordeeld of en hoe dit voorkomen kan worden, bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende maatregelen of het werken volgens een gedragscode. De Quickscan betreft geen gerichte inventarisatie van soorten; het brengt in de eerste plaats in beeld welke (beschermde) soorten te verwachten zijn op basis van habitatgeschiktheid en bekende waarnemingen.

1.3 Beoordelingskader Nationaal natuurbeleid In Nederland is de bescherming van belangrijke natuurwaarden vanaf 2017 wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Het gaat hierbij zowel om bescherming van soorten als bescherming van gebieden. Een aantal soorten zijn beschermd via de Wet natuurbescherming, ongeacht of de soorten binnen of buiten beschermde natuurgebieden aanwezig zijn. Voor overtreding van verbodsbepalingen (zie Tabel 1) is een ontheffing noodzakelijk. Tabel 1. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2

Beschermingsregime andere soorten § 3.3

Art. 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen. Art. 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art. 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art. 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Art. 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen Art. 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Art. 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art. 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art. 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art. 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk testoren, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing

6

Art. 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Niet van toepassing

Niet van toepassing

Voor een aantal ‘Andere soorten’ geldt een provinciale vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen (Provincie Noord-Holland, 2016). Het betreft algemeen voorkomende soorten amfibieën en zoogdieren van de voormalige Flora- en faunawet tabel 1. Vrijgestelde soorten worden niet behandeld, maar de in Noord-Holland niet vrijgestelde soorten, zoals de kleine marterachtigen, wel. Een beperkt aantal vogelsoorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Hun nesten zijn daarom jaarrond beschermd. De Lijst van jaarrond beschermde vogelnesten is verdeeld in vijf categorieën: 1. Nesten van de Steenuil die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders (Roek, Gierzwaluw en Huismus) die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en beperkt beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en beperkt beschikbaar.

Van de vijf soorten broeden de Slechtvalk, Grote gele kwikstaart en Ooievaar zeer tot tamelijk zelden in Noord-Holland. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. Van de zeven soorten broeden de Boomvalk, Buizerd, Havik, Sperwer en Ransuil in Noord-Holland. 5. Tot deze categorie behoren vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Tot de categorie 5 behoren momenteel 34 vogelsoorten, waarvan het overgrote deel ook broedt in Noord-Holland. De Draaihals, Tapuit, Brilduiker, Glanskop en Hop broeden echter zeer zeldzaam in Noord-Holland. Daarentegen behoren tot de lijst ook enkele (zeer) algemene soorten, te weten de Ekster, Zwarte kraai, Koolmees, Pimpelmees en Spreeuw. Andere (minder algemene) soorten die tot de categorie 5 behoren zijn de Boerenzwaluw, Huiszwaluw, Oeverzwaluw, IJsvogel, Blauwe reiger, Groene specht, Zwarte specht, Grote- en Kleine bonte specht, Bosuil, Torenvalk, Bonte- en Grauwe vliegenvanger, Boomklever, Boomkruiper, Zwarte mees, Gekraagde en Zwarte roodstaart. De soorten uit de categorie 5 vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd.

Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor een activiteit waarbij mogelijk stikstof terechtkomt in een Natura 2000-gebied, zoals het uitbreiden van een veehouderij, de nieuwbouw van woningen of industriële activiteit, kan geen natuurvergunning meer aangevraagd worden via het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werkt aan nieuwe beleidskaders zodat vergunningverlening weer kan worden hervat waarbij dit wel het geval is. Vanaf 16 september 2019 is een nieuwe release van AERIUS Calculator (2019a) beschikbaar. Deze release is de eerste concrete stap om de toestemmingverlening te hervatten. Hierdoor kunnen projecten doorgang vinden waar met een berekening kan worden aangetoond dat een activiteit niet tot een toename van depositie leidt. Er is dan namelijk geen toestemmingverlening vereist. Daarnaast is het met de release van AERIUS Calculator weer mogelijk om

7

vergunningen aan te vragen op grond van intern salderen. De te hanteren beleidsregels zijn echter nog niet bekend. Nadat het adviescollege stikstofproblematiek advies heeft uitgebracht wordt bekeken welke beleidsregels worden gehanteerd door de medeoverheden. Uitgangspunt hierbij is dat er in elk geval geen toename van de feitelijke depositie plaatsvindt. In Noord-Holland zijn de nieuwe beleidsregels stikstof, met 5 stappen (zie Figuur 3), vanaf 13 december 2019 van kracht. Op 20 januari 2020 is AERIUS Calculator opnieuw geactualiseerd. Allereerst, stap 1, dient een berekening voor het uiteindelijke gebruik én een berekening voor de aanlegfase of uitvoeringsfase/bouw gemaakt te worden met de AERIUS- rekenmethode. De uitstoot mag niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Door toepassing van (technische) mogelijkheden kan de uitstoot zo laag mogelijk gehouden worden, bijvoorbeeld door de inzet van elektrisch materieel. Indien de uitstoot wel groter is dan 0,00 mol/ha/jaar, bestaat de mogelijkheid tot intern salderen; stap 2. De nieuwe situatie mag niet leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de huidige situatie die is opgenomen in de vergunning. Binnen de bedrijfsvoering moet gecompenseerd worden door bijvoorbeeld enerzijds te stoppen met een activiteit zodat anderzijds een nieuwe activiteit kan starten.

Een voorbeeld is het amoveren van bestaande woningen zodat energie neutrale woningen neergezet kunnen worden. Wanneer intern gesaldeerd wordt en daardoor geen toename van stikstofdepositie ontstaat op Natura 2000-gebieden, dan moet toch een natuurvergunning worden aangevraagd. Deze is echter verleenbaar.

Figuur 3. Aan de hand van bovenstaand stappenplan kan vastgesteld worden of het project vergunning plichtig is onder de Wet natuurbescherming en welke instrumenten gebruikt moeten worden. (Bron: Provincie Noord-Holland).

Als uit de AERIUS-berekening blijkt dat het project leidt tot tijdelijke en/of zeer geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, dan is een ecologische voortoets mogelijk (stap 3). Met deze toets kan worden bepaald of de verwachte depositie negatieve effecten zal hebben op het beschermde habitattype in Natura 2000-gebieden. Als een negatief effect in een nieuw project kan worden uitgesloten, dan is een natuurvergunning niet nodig. Als u rekening houdt met intern salderen moet er wel een natuurvergunning worden aangevraagd. Als significant negatieve effecten door stikstofdepositie niet kunnen worden uitgesloten, moet er getoetst worden of de kans bestaat op aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Hierbij moet beoordeeld worden of de stikstofdeposities een risico vormen voor het behalen van de

8

instandhoudingsdoelstellingen zoals deze voor elk Natura 2000-gebied zijn bepaald. Hiervoor wordt een ecologische passende beoordeling opgesteld (stap 4). Als de conclusie van de passende beoordeling is dat er geen risico bestaat op aantasting van natuurwaarden, kan de natuurvergunning door het bevoegd gezag (meestal Gedeputeerde Staten) worden verleend. Het is ook mogelijk om de negatieve effecten van een project te compenseren met de positieve effecten van het (gedeeltelijk) intrekken van de vergunning van een ander project. Dat heet extern salderen. Voor extern salderen gelden strenge voorwaarden. Zo moet een project daadwerkelijk stoppen en wordt er 30 procent afgenomen van de vergunning die wordt overgedragen, ten behoeve van de natuur. Saldo-gevende bedrijven mogen de stikstofemissieruimte van bestaande stallen of hallen volledig overdragen aan saldo-nemende bedrijven die daarvan dus 70 procent van mogen gebruiken voor nieuwe ontwikkelingen, ook als deze gebouwen geheel of gedeeltelijk leeg staan. Tenslotte kan een ADC-toets uitgevoerd worden (stap 5). Voor deze toets ligt de drempel hoog. Er moet voor het project sprake zijn van ontbreken van Alternatieven, het bestaan van Dwingende reden van groot openbaar belang en de schade aan kwetsbare habitattype moet gecompenseerd worden door de aanleg van nieuwe natuur binnen of buiten de huidige Natura 2000-gebieden.

Als het project de toets doorstaat, kan het doorgaan ondanks de stikstofuitstoot die het veroorzaakt. Provinciaal natuurbeleid In Noord-Holland zijn honderden waardevolle natuurgebieden, landschappen en wateren, waarvan er 19 door de EU worden beschermd. Ze variëren van bos, heide, duinen, veenweiden en polders tot water, zoals de Waddenzee en het IJsselmeer. Binnen deze provinciale ‘groenstructuur’ verbindt de provincie natuurgebieden, creëert en verwerft ze nieuwe gebieden en beschermt de provincie gebieden, dieren en planten tegen ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Het belang van biodiversiteitsherstel is vastgelegd in de Omgevingsvisie NH2050 (Provincie Noord-Holland 2018)– waarin biodiversiteit één van de zeven kernopgaven is voor de komende decennia – en in het provinciale coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken!’ (Coalitie 2019), waarin onder andere een forse ambitie is verwoord voor de afronding van het Natuurnetwerk Nederland en verbetering van de waterkwaliteit. Wat Provincie Noord-Holland hiervoor doet is weergegeven in het Programma Natuurontwikkeling (Provincie Noord-Holland 2019b).

Het provinciaal beleid is grotendeels gericht op de Wet natuurbescherming (Wnb), de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) inclusief de natuurverbindingen, het stimuleren van natuurinclusieve landbouw, faciliteren van Nationale Parken en het realiseren van recreatieve verbindingen. Zoals in de omgevingsvisie is aangegeven kijken ze ook steeds meer buiten deze onderwerpen om naar kansen om biodiversiteit te herstellen en versterken. Provinciale vrijstelling beschermde soorten Voor een aantal ‘Andere soorten’ geldt binnen de Wet natuurbescherming een provinciale vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen (Provincie Noord-Holland, 2016). Het betreft algemeen voorkomende soorten amfibieën en zoogdieren van de voormalige Flora- en faunawet tabel 1. Vrijgestelde soorten worden niet behandeld, maar de in Noord-Holland niet vrijgestelde soorten, zoals bijvoorbeeld de kleine marterachtigen, wel.

9

Provinciaal Beschermd Landschap In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’ (PBL). Dit zijn landschappen waarop we extra zuinig zijn vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier. Het BPL is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening NH2020 bedoeld om de meest waardevolle landschappen in Noord-Holland te beschermen. Per landschap is aangegeven welke ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarden aanwezig zijn. Dit noemen we de ‘kernkwaliteiten’ van het landschap. Voorbeelden hiervan zijn het leefgebied voor weidevogels, waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, de openheid en de vergezichten in het landschap of een bijzondere opbouw van de ondergrond. De kernkwaliteiten mogen niet worden aangetast. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk in BPL, zolang ze de kernkwaliteiten niet aantasten. Denk aan fietspaden, energievoorzieningen, kleinschalige woningbouw (tot 11 woningen) of bouwwerken met een oppervlak van minder dan 500 m². Plannen voor ontwikkelingen die hier buiten vallen, tasten het bijzondere landschap aan. Uitvoering van die plannen kan alleen als het van groot openbaar belang is en als er kan worden aangetoond dat er geen andere mogelijkheden zijn. De schade aan het landschap moet dan worden gecompenseerd.

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is planologisch verankerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 2012) en op provinciaal niveau in de Provinciale Structuurvisie en bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening (Provincie Noord-Holland, 2019a). De Provincie Noord-Holland richt zich daarnaast specifiek op het behoud van weidevogels en het karakteristieke open weidelandschap waarin zij leven. Hiervoor zijn weidevogelleefgebieden aangewezen die eveneens planologisch zijn beschermd in het kader van de provinciale verordening. Dit geldt ook voor een aantal ganzenfoerageergebieden. Ganzenfoerageergebieden Om de schade door overwinterende ganzen en Smienten aan de landbouw te beperken, en tegelijkertijd de duurzame instandhouding van deze soorten te waarborgen heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) ca. 80.000 ha foerageergebied aangewezen voor Kolgans, Grauwe gans, Brandgans, Kleine rietgans en voor de Smient. Deze foerageergebieden moeten zoveel mogelijk binnen het NNN liggen. In de foerageergebieden moet zo weinig mogelijk verstoring zijn en voldoende voedsel voor de ganzen worden aangeboden.

De Provincies begrenzen de foerageergebieden. Stiltegebied Op grond van de Wet Milieubeheer kunnen provincies stiltegebieden aanwijzen. In Noord-Holland heeft de Provincie in 1987 41 stiltegebieden aangewezen, die zijn opgenomen in de Provinciale Milieuverordening (PMV). In de ogen van de provincie is het van belang het stiltegebiedenbeleid in samenhang met andere beleidsvelden te bezien en te combineren met het behouden en/of versterking van andere waarden van gebieden. Dit kan ook gezien worden als een zekere vorm van benutting.

10

Bijvoorbeeld de ecologie-natuur waarden, de good practices op het gebied van beheer van natuurgebieden. Ook geeft de provincie aan dat bij de echt stille stiltegebieden geen aantasting van de stilte wordt toegestaan (NM 2017). Stiltegebieden zijn gedefinieerd als gebieden waarin de geluidbelasting door toedoen van menselijke activiteiten zo laag is, dat de in dat gebied heersende natuurlijke geluiden niet of nauwelijks worden gestoord (Wet geluidshinder, Staatsblad 1979). Het woord ‘stilte’ betekent hierbij dus niet dat er geen geluid in het gebied waarneembaar is, maar staat voor de afwezigheid van storende, voor de omgeving vreemde geluiden. Stiltegebieden zijn van belang voor de rustzoekende recreant en de flora en fauna in de natuur. Activiteiten die de geluidsbelasting negatief beïnvloeden, zijn niet meer mogelijk in het gebied dat als stiltegebied is aangewezen. Gebiedseigen geluiden, zoals die van de landbouw, zijn hiervan uitgesloten. Onder 'stil' worden geluiden verstaan die tussen de 35 en 40 decibel liggen. Ook kan worden gesteld dat een gebied 'stil' is als de lange perioden met natuurlijke geluiden overheersen tot de perioden met niet-natuurlijke geluiden. Ransdorp vormt samen met Holysloot en Durgerdam onderdeel van zo’n stiltegebied. Het gebied is een locatie voor fiets- en wandelrecreatie.

Het stiltegebieden beleid ligt vast in de Provinciale Milieuverordening (PMV) van de provincie NoordHolland (art. 4.1.1.- art. 4.3.3.). In de PMV zijn de 39 stiltegebieden aangewezen. Tevens is een algemeen zorgplicht artikel opgenomen en zijn gedragsregels (verbodsbepalingen, vrijstellingen) opgenomen. Van de gedragsregels mag met een ontheffing van GS worden afgeweken. Volgens de provinciale Notitie “Herijking Stiltebeleid Noord-Holland” (22 mei 2012) worden er jaarlijks slechts enkele ontheffingen aangevraagd. De verboden, gesteld in artikel 4.3.1, gelden niet voor een activiteit die rechtstreeks verband houdt met de bouw of het onderhoud van gebouwen.

11

2 Methode De Quickscan Flora en Fauna is een effectbeoordeling die de mogelijke gevolgen van de natuurwetgeving op het project inzichtelijk maakt en adviseert hoe te handelen in lijn met de natuurwetgeving. Het betreft een verkennende toetsing van het project aan de Wet natuurbescherming. De Quickscan Flora en Fauna bestaat uit de volgende activiteiten: ✓ Een literatuur/bronnenonderzoek met betrekking tot de potentieel aanwezige beschermde soorten in het plangebied. ✓ Een veldbezoek waarbij de locatie wordt beoordeeld op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Hierbij worden o.a. aanwezige gebouwen en bomen beoordeeld op geschiktheid voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten. Hierbij dient nauwgezet gekeken te worden of er invlieg- en uitvliegopening zijn, of er (potentiële) hangplekken zijn (locatie en aantal!) in spouwmuren/ gevelbetimmering of op zolders et cetera en wat de ligging is van de objecten ten opzichte van het omliggende vleermuislandschap. ✓ Voor de aangetroffen zwaarder beschermde soorten wordt, door een beschrijving van de ecologische functionaliteit van het gebied (foerageergebied, migratieroute, voortplantingsgebied of winterverblijf, enz.), aangegeven hoe het gebied door iedere soort wordt gebruikt. ✓ Een inschatting van de impact van de werkzaamheden op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten.

✓ Een effectbeoordeling gericht op (eventueel) nabijgelegen beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden), Bijzonder Provinciaal landschap (Weidevogelleefgebied) Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Ganzenfoerageergebied. Hiertoe wordt onder meer gebruik gemaakt van PlanoView.

2.1 Literatuur en Bronnenonderzoek Voor een actueel overzicht van de aanwezigheid van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming zijn diverse verspreidingsatlassen, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), de effectenindicator soorten van het Ministerie van LNV, en diverse websites van de PGO’s (Particulier Gegevensbeherende Organisaties) en waarneming.nl bezocht voor recente waarnemingen en actuele verspreidingskaarten. Hierbij is gelet op waarnemingen binnen en nabij het plangebied. Dit is van belang voor mobiele soorten, zoals vleermuizen en broedvogels met jaarrond beschermde nesten, of voor soorten waarvan de verspreiding niet volledig bekend is.

12

2.2 Veldbezoek Het plangebied is op maandag 18 mei 2020 uitgebreid onderzocht door Djoeah Schiebel. Tijdens het veldbezoek1 (16:30-17:30, 17°C, vrijwel volledig bewolkt, windkracht 3 en geen neerslag) is aandacht besteed aan de beschermde soorten binnen de actuele natuurwetgeving en vooral aan de juridisch zwaarder beschermde soorten en weidevogels. De objecten en de omgeving zijn op 16 februari 2021 nogmaals visueel geïnspecteerd op aanwezigheid van broedvogels met jaarrond beschermde nesten, geschikte openingen als vaste verblijfplaats voor vleermuizen en naar rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden, beschermde zoogdieren zoals marterachtigen. In combinatie met de terreingesteldheid, bekende verspreidingsgegevens en expert judgement wordt vervolgens een uitspraak gedaan over (mogelijk) aanwezige beschermde soorten.

1

Veldonderzoek is altijd een momentopname. Bureau Endemica waarborgt dat het onderzoek is uitgevoerd door deskundige

onderzoekers en met methoden die voldoen aan de door het bevoegd gezag vereiste voorwaarden. Bureau Endemica is niet aansprakelijk voor validatie van waarnemingen van soorten door derden en voor waarnemingen die na afronding van de studie bekend worden gemaakt.

13

3 Locatiebeschrijving en werkzaamheden 3.1 Ligging Het plangebied betreft een grondgebied aan de Sint Laurentiusstraat nummer 1 en 3 in het dorp Hoogkarspel, gelegen in de gemeente Drechterland in Noord-Holland. De gemeente omschrijft zichzelf als 'verstedelijkte plattelandsgemeente' vanwege het groeiende aantal dorpen en een omringend landschap die gekenmerkt wordt door zijn vele akkerlanden. Hoogkarspel ligt circa 8 kilometer ten westen van Enkhuizen en 14 kilometer ten noordoosten van Hoorn. De planlocatie bevindt zich vlakbij het dorpsplein dat ook het centrum vormt van Hoogkarspel en is gelegen op de hoek van de Sint Laurentiusstraat. In een straal van circa 150 meter is een verscheidenheid aan winkels, supermarken, restaurants, woningen te vinden en tevens ligt er een kerk, bibliotheek, begraafplaats, benzinestation, voetbalvereniging, voetbalvelden, schaatsbaan en een watertoren op steenworp afstand.

Figuur 4. Globale ligging planlocatie (rode punt) en nabije omgeving. (Bron: Google Earth).

3.2 Beschrijving plangebied en ecotopen De planlocatie ligt in een rustige woonwijk van het dorp Hoogkarspel. Het plangebied zelf bestaat dus uit een combinatie van zowel bebouwing/verharding en een klein deel onverhard gebied (het grasperceel) en slecht in zeer beperkt mate ook opgaande vegetatie (Figuur 5). Het verharde gedeelte van het plangebied bestaat uit enkele parkeerplekken (circa 20) aan de oostzijde en bebouwing in de vorm van één groot gebouw (hoofdgebouw) (Figuur 6) en twee aangrenzende kleinere gebouwen die dienen als woonhuis en schuur/bijgebouw (Figuur 7, Figuur 8 & Figuur 9). De

14

onverharde, groene delen bevinden zich aan de zuid en oostkant van het voormalig verenigingsgebouw (hoofdgebouw); ten zuiden ligt een grasperceel (Figuur 7). Aan oostzijde is tussen de parkeervakken en het hoofdgebouw een smalle strook met opgaande vegetatie te vinden is, vooral opgebouwd uit struikgewas en twee coniferen (Figuur 10 & Figuur 11).

5

1 4 2 3

Figuur 5: Bovenaanzicht van het plangebied (rood omkaderd) met aan de noordzijde het hoofdgebouw (groene vlak) ten zuiden aangrenzende woningen en bijgebouw (blauw vlak) en aan de oostzijde een parkeerplaats (P) (Bron: Google Earth). De gele cijfers geven de standpunt aan van de foto’s die hier onderstaand aan bod komen.

1 Figuur 6: Voorzijde verenigingsgebouw/hoofdgebouw aan noordkant van plangebied.

15

2 Figuur 7: Westaanzicht van het plangebied met de achterzijde van het verenigingsgebouw (links) en de aangrenzende woning en bijgebouw (rechts) en daarvoor een grasperceel.

Figuur 8: Voorkant (westzijde van plangebied) van de woning, die achter het hoofdgebouw staat.

16

3 Figuur 9: Zuidkant van het plangebied de achter het hoofdgebouw gelegen woning en het bijgebouw/de schuur.

4 Figuur 10: Noordoostkant van het plangebied met aanzicht op de parkeerplaats (links) en verenigingsgebouw (gebouw rechts) met een smalle strook begroeiing bestaande uit struikgewas, enkele loofbomen en twee coniferen.

17

5 Figuur 11: Parkeerterreintje aan oostkant van het plangebied.

3.2 Geplande werkzaamheden Voornemen is de huidige opstallen te laten slopen en een nieuw appartementencomplex te bouwen van 27 appartementen. De werkzaamheden omvat deze desbetreffende sloop en aanleg.

18

4 Gebiedsbescherming 4.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze Natura 2000-gebieden worden bepaalde dieren, planten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit (soortenrijkdom) te behouden. De aanwezigheid van een Natura 2000-gebied heeft invloed op ruimtelijke ordening en gebruik door verkeer, landbouw en industrie. Zo mogen bouwprojecten of andere ruimtelijke ontwikkelingen in of nabij een Natura 2000-gebied niet te veel stikstof uitstoten en mag er bijvoorbeeld maar beperkte geluidshinder zijn, afhankelijk van de te beschermen flora- en faunasoorten. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden het ‘IJsselmeer’ en het ‘Markermeer & IJmeer’ liggen beide op circa 5 kilometer ten noordoosten en zuidoosten van het plangebied, en zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebieden (Figuur 12).

Figuur 12: Globale ligging planlocatie ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden; ‘IJsselmeer’ (5,2 km) en het ‘Markermeer & IJmeer’ (4,6 km) (Bron: Aerius Calculator).

De verstoringskenmerken die tijdens de bouw van de woonwijk optreden zijn beperkt tot de verstoringskenmerken die genoemd worden in de effectenindicator voor beide Natura 2000-gebieden en de werkzaamheden: woningbouw. De kenmerken staan in de onderstaande tabel op nummer gerangschikt (Figuur 13).

19

Figuur 13: Matrix mogelijke bedreigingen. De selectie is uitgevoerd op gebieden Markermeer & IJmeer (links) en IJsselmeer (rechts) en activiteit 'Woningbouw'.

Op basis van een eerste analyse kan het optreden van enkele effecten uit de effectenindicator op voorhand buiten beschouwing worden gelaten. De volgende effecten zijn niet van toepassing (1) Verlies aan oppervlak en (2) versnippering: het plangebied ligt namelijk buiten de begrenzing van de beide Natura 2000-gebieden. Voor de overige bedreigingen wordt onderstaand een korte onderbouwing gegeven van de mogelijke effecten.

20

Verontreinig (7) Indien tijdens de aanlegfase diverse stoffen vrijkomen die een verontreinigend effect kunnen hebben, beperkt deze verontreiniging zich tot de planlocatie en het is niet aannemelijk (wegens de geruime afstand) dat het aangrenzende Natura2000 gebied hierdoor wordt aangetast. Tevens zal op planlocatie zorgvuldig gewerkt worden, zodat een mogelijkheid tot vervuiling van de directe omgeving eigenlijk ook al niet te verwachten is. Van aantasting van de beschermde habitattypen en habitatrichtlijnsoorten door vervuiling is geen sprake. Verdroging (8) Voor het bouwen van de woningen is bronbemaling niet noodzakelijk. Het grondwater bevindt zich op diepte en de werkzaamheden leiden niet tot wijziging van de grondwaterstanden. Regenwater dat op de daken en overige verharde oppervlakken valt wordt ter plaatse van de planlocatie in de bodem geïnfiltreerd. Doordat neerslag in het plangebied wordt geïnfiltreerd en geen grondwater wordt onttrokken, ontstaat er geen verdroging in of rondom het plangebied en kan dit negatief effect op het Natura 2000-gebied daarom ook op voorhand worden uitsloten. Verstoring door geluid (9) Tijdens de bouw zal geluid vrijkomen. Het geluid ontstaat gedurende de dag, maar het geluid tijdens de aanlegfase is van zeer korte en tijdelijke duur. In de nachtelijke uren is het bouwgeluid niet aanwezig.

De Rivierdonderpad, Bontbekplevier, Grutto, Grote zaagbek, Rietzanger, Roerdomp, Bruine kiekendief en Lepelaar zijn gevoelig voor geluid. Echter komen deze soorten niet voor binnen verstoringsafstand van de werkzaamheden. Van aantasting van de beschermde habitattypen en habitatrichtlijnsoorten door verstoring door geluid is geen sprake. Verstoring door licht (14) Tijdens de werkzaamheden en in de gebruiksfase wordt eventueel verlichting aangelegd. Echter zal deze opgaan in de reeds bestaande lichtbronnen in de omgeving (zoals straatverlichting) en rijkt dit niet die tot in het Natura 2000-gebied. Er zullen dus geen negatieve effecten voordoen op beschermde habitattypen en habitatrichtlijnsoorten door verstoring van licht. Verstoring door trilling (15) Tijdens de bouwactiviteiten zullen op beperkte schaal trillingen in de bodem worden veroorzaakt. Na de bouwactiviteiten zijn geen trillingen meer te verwachten, het is dus van zeer korte en tijdelijke duur. Tevens zullen de trillingen niet tot het Natura 2000-gebied rijken. Er zullen dus geen negatieve effecten voordoen op beschermde habitattypen en habitatrichtlijnsoorten door verstoring van trilling. Optische verstoring (16) Tijdens de bouwactiviteiten zal optische verstoring aanwezig zijn. De toenemende optische verstoring tijdens de werkzaamheden is beperkt door de ligging van plangebied midden in een dorpskern.

In de huidige situatie wordt namelijk al veel optische verstoring waargenomen in de vorm van lopende mensen, rijdende auto’s etc. Ook staat op in het plangebied reeds al een groot gebouw die gebruikt werd als verenigingsgebouw. Als het project is afgerond zal het in het plangebied dan ook geen toename

21

zijn van objecten, en zeker niet een verhoging hiervan binnen de Natura 2000-gebieden of die zichtbaar zijn vanaf de Natura 2000-gebieden. Van negatieve effecten n.a.v. optische verstoring is dan ook geen sprake. Mechanische effecten (17) De planlocatie ligt buiten de Natura 2000-gebieden. Verstoring door mechanische effecten ontstaat bijvoorbeeld door betreding, door golfslag of door luchtwerveling als gevolg van menselijke activiteiten, aldus de toelichting bij de effectenindicator. Betreding, luchtwerveling of golfslag als gevolg van activiteiten op de planlocatie treden niet op binnen de Natura 20000-gebieden, omdat de werkzaamheden op gepaste afstand plaatsvinden van het beschermde gebied. Uit de resultaten blijkt dat er van de ontwikkeling van de appartementen geen negatieve effecten te verwachten zijn op instandhoudingsdoelen die zijn gesteld voor soorten of habitats van nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Markermeer & IJmeer’ en ‘IJsselmeer’. De locatie ligt op een dusdanige afstand buiten het Natura 2000-gebied waardoor storende effecten voor habitattypen en doelsoorten, door bijvoorbeeld oppervlakteverlies, versnippering of mechanische effecten niet voorkomen. 4.1.1 Stikstofberekening m.b.v. AERIUS-Calculator De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal met uitzondering van de emissie van stikstof.

Hiertoe dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd met de AERIUS-calculator versie 2020 (beschikbaar sinds 15 oktober 2020) voor het jaar 2021. Momenteel is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming alleen mogelijk indien een project stikstofneutraal blijkt te zijn. De voorgenomen ontwikkelingen betreft de sloop van de huidige bebouwing in het plangebied en de bouw van de nieuwe appartementen. Sloop en aanlegfase; Inzet werktuigen De parameters voor een stikstofberekening zijn bepaald aan de hand van een schatting van het soort mobiele werktuig en haar geschatte draaiuren en het aantal benodigde vrachtbewegingen. De aantallen zijn geschat door aanlevering van gegevens van de aannemer of opdrachtgever en/of aan de hand van andere bouwprojecten van woningen (Tabel 2). Voor de berekening van de emissie en stikstofdepositie is uitgegaan van een inzet van materieel met een bouwjaar vanaf minimaal 2014. De bijbehorende stageklasse is daarmee Stage IV. Bij de aanbesteding van het werk zal dit als eis worden opgenomen voor de uitvoerder. Naast een bestelbusje van de aannemers, die gemodelleerd is als categorie middelzwaar verkeer, wordt tijdens de bouw- en sloopfase ook gebruikt gemaakt van een vrachtwagen voor de aan- en afvoer van materialen en puin etc., gemodelleerd als zwaar verkeer.

Stationair draaien en cilinderinhoud Voor het aantal uur stationair draaien is rekening gehouden met het door TNO uitgegaan van gemiddelde 30% van de tijd stationair draaien (TNO, P12134). De cilinderinhoud is geschat aan de hand van het vermogen van het werktuig en de in het factsheet genoemde formule: Cilinderinhoud (CI) = V/20, waarin V= het volle vermogen van het werktuig [kW] (RIVM Aerius, 2020).

22

Tabel 2: Parameters ingevoerd in AERIUS Calculator. Zie ook bijgevoegde documenten van de AERIUS berekening en bijbehorend GMLbestand en pdf.

Invoer type Vermogen werktuig (kW) Sloop huidige opstal Mobiele kraan 130-300 Shovel 75-130 Puinbreker 75-130 Kiepwagen 56-75 Graafmachine 75-130 Werkverkeer voor sloop Vrachtverkeer Zwaar Busje aannemer Middel Bouw appartementen Graafmachine 75-130 Mobiele kraan 130-300 Hoogwerker 56-75 Shovel 75-130 Werkverkeer voor bouw Vrachtverkeer Zwaar Busje aannemer Middel

# stuks

# dagen

# uur

Verbruik (l/u)

CI (l)

Tot. stationair (u/jaar)

Tot. verbruik belasting + stationair (p.j.)

1 1 1 1 1

6 6 5 5 6

8 6 6 8 6

14 8 9 10 12

12 5 6 3 6

15 11 9 12 11

882 L 376 L 351 L 520 L 564 L

1 1

20 bewegingen (x 2) 30 bewegingen (x 2)

1 1 1 1

12 16 16 12

1 1

6 5 4 5

12 14 10 8

6 12 3 5

40 bew. 60 bew. 21 24 19 18

33 bewegingen (x 2) 98 bewegingen (x2)

1.116 L 1.456 L 830 L 624 L 66 bew. 196 bew.

Gebruiksfase Een tweede berekening heeft betrekking op de gebruiksfase (Tabel 3). Hierbij is uitgegaan van 27 gasloze appartementen. Dit houdt in dat er geen NOx emissie is meegenomen ten gevolge van hoofdverwarming/koken/warmwater. Voor appartementen geldt verder dat er ook geen emissie uit sfeerverwarming is. De emissie door de verkeersaantrekkende werking kunnen sterk variëren van project tot project, afhankelijk van de ligging van de woning (stedelijk, landelijk, etc.), snelheid, parkeernorm, ligging toegangswegen, etc. Voor deze analyse is voor het bepalen van de verkeersgeneratie gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstig parkeren (december 2018)’. Hierbij is uitgegaan van de verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk en stedelijke zone: schil centrum. Deze verkeersbewegingen zijn in de berekening in de richting van de N505 gesitueerd via de Duijvenbrug. Ter hoogte van de kruising met de N505 bij de Sluisweg zal het verkeer zich in meerdere richtingen spreiden en opgaan in het heersende verkeersbeeld. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld te zien in Tabel 3. Tabel 3: Parameters ingevoerd in AERIUS Calculator voor de gebruiksfase. Zie ook bijgevoegde documenten van de AERIUS berekening en bijbehorend GML-bestand en pdf.

Emissiebronnen tijdens gebruiksfase

Invoer

Aantal

Kencijfer CROW

Totaal uitstoot of verkeersgeneratie

Toename autoverkeer i.v.m. 27 appartementen Gasloze woningen

Licht verkeer

27

5.9 (x27)

159 p/e

-

27

-

0 NOx

23

Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het project niet zal leiden tot tijdelijke en/of zeer geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Zowel tijdens de sloopfase van het voormalige verenigingsgebouw als de aanlegfase van de appartementen en de gebruiksfase (kenmerk: S1bZSNXn3mJv) wordt een uitstoot gecreëerd van 0,00 mol/ha/j. Omdat op basis van de van AERIUSCalculator geen emissie wordt veroorzaakt op Natura 2000-gebieden is voor de plannen ook geen vergunning nodig is t.a.v. emissie.

4.2 Provinciaal Beschermd Landschap (PBL) In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’. De dichtstbijzijnde PBL’s zijn (1) Abbekerk en omgeving, (12) Oosterdijk en (17) Schelinkhout en omgeving. Deze gebieden liggen tussen de 6 km en 11 km afstand van de planlocatie. De landschappen die we nu met de omgevingsverordening beschermen, zijn - naast onze natuurgebieden - de meest bijzondere landschappen van Noord-Holland. Kernkwaliteiten binnen die landschap mogen niet worden aangetast bijv. het leefgebied voor weidevogels of de openheid en de vergezichten in het landschap.

Figuur 14: Bijzonder Provinciale Landschappen in Noord-Holland. Bron: Prov. N-H.

4.2.1 Weidevogelleefgebied Het gaat niet goed met de weidevogels, hun aantal is de afgelopen 50 jaar drastisch achteruitgegaan in Nederland. Sinds 1960 zijn de populaties van de belangrijkste soorten meer dan gehalveerd en hetzelfde geldt voor veel akkervogels en andere boerenlandvogels. Het gaat naar schatting om een totaal verlies van 3 tot 6 miljoen broedparen. De voormalige beschermingsregimes zoals Bufferzones, Aardkundig Monument maar ook het Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten van BPL’s en liggen binnen de begrenzing van de BPL-gebieden.

24

Gekeken moet worden of de voorgenomen activiteiten aantasting van de kernkwaliteiten van het weidevogelleefgebied (wat onder BPL-gebied valt) zal bewerkstelligen. Het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt op circa 3 kilometer afstand ten zuidwesten van het plangebied en de desbetreffende, voorgenomen activiteiten (Figuur 15). Het gaat bij de voorgenomen plannen om het ontwikkelen van nieuwe woningen binnen Hoogkarspel. Er is dus geen sprake van Ruimtelijke ontwikkelingen in het open landschap die leiden tot (verdere) verdichting of verrommeling. Evenmin geld dat er voor weidevogels sprake is van nieuwe infrastructuur en activiteiten die geluid en onrust veroorzaken en de openheid van het landschap aantasten. De mogelijke verstoring van de woningen valt sowieso binnen de verstoringszone van bestaande elementen zoals gebouwen, bomen en wegen, en verkleinen het habitat voor weidevogels niet. Er is gezien de ligging en voorgenomen plannen absoluut geen sprake van een mogelijk negatief effect op een Provinciaal Beschermd Landschap of Weidevogelleefgebied.

4.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een landelijk netwerk van bestaande en nog te realiseren natuurgebieden. Het is bedoeld om de biodiversiteit in Nederland te behouden en zo mogelijk te verhogen. Het NNN omvat in Noord-Holland ca. 56.000 ha, waarvan ca 6.000 ha nog niet is gerealiseerd en nu veelal nog in agrarisch gebruik is. Het provinciale ruimtelijke beleid voor het NNN stelt dat er geen nieuwe activiteiten in het NNN mogelijk gemaakt mogen worden, die per saldo leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden (WKW) van het NNN of tot vermindering van het oppervlak van het NNN. Aantasting van de WKW is alleen niet toegestaan als sprake is van een significante aantasting. In provincie Noord-Holland is ‘externe werking’ voor NNN niet van toepassing (oftewel effecten die optreden binnen de begrenzing van de NNN, als gevolg van ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de NNN plaatsvinden). Daarom hoeven indirecte effecten (zoals licht en geluid) op het NNN, die mogelijk kunnen leiden tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, niet getoetst te worden. De provincie verwacht wel dat gemeenten zorgen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat zij voorkomen dat naast elkaar gelegen bestemmingen elkaar teveel hinderen.

Voor wat betreft de NNN is bij directe en indirecte (externe werking) aantasting sprake van vervolgstappen, bijvoorbeeld compensatie. Het dichtstbijzijnde NNN ligt op circa 1,5 kilometer van het plangebied vandaan. Het plangebied bevindt zich dus buiten de grenzen van de NNN (Figuur 15). Binnen het plangebied zijn dus geen onderdelen gelegen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waardoor directe aantasting (zoals oppervlakvermindering) niet aan de orde is. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is mogelijk sprake van een toename in verstoring door licht en geluid in het plangebied. Tussen het NNN-gebied en het plangebied ligt veel bebouwing in de vorm van bijvoorbeeld woningen, winkels en wegen. De toename van uitstraling van verlichting en uitstoot van geluid afkomstig uit het plangebied, valt weg tegen de verstoring van de rondom gelegen woningen, winkels en wegen. De voorgenomen plannen leiden dan ook niet tot een (indirecte) aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vanuit dit oogpunt zijn er voor NNN zowel geen directe als indirecte belemmeringen. De aard en

25

omvang van de geplande activiteiten hebben, in combinatie met de afstand, daarom geen aantasting van de functionaliteit van het NNN tot gevolg is daarom op voorhand uitgesloten.

Figuur 15. Globale ligging planlocatie ten opzichte van het dichtstbijzijnde NNN-gebied en BPL, met de daarin horende Weidevogelleefgebieden (Bron: GeoWeb Provincie Noord-Holland).

4.5 Ganzenfoerageergebied Om de schade door overwinterende ganzen en smienten aan de landbouw te beperken, en tegelijkertijd de duurzame instandhouding van deze soorten te waar borgen heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) ca. 80.000 ha foerageergebied aangewezen voor Kolgans, Grauwe gans, Smient, Brandgans en Kleine rietgans. Deze foerageergebieden moeten zoveel mogelijk binnen het Nederlandse Natuurnetwerk (NNN) liggen. In de foerageergebieden moet zo weinig mogelijk verstoring zijn en voldoende voedsel voor de ganzen worden aangeboden. De Provincies begrenzen de foerageergebieden. In de begrensde gebieden zijn beperkingen vanuit de Wet natuurbescherming van kracht en zijn er subsidiemogelijkheden in het kader van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) van Programma Beheer (PB). Buiten de foerageergebieden kunnen de ganzen worden verjaagd en eventueel worden bejaagd. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben 2007 (GS 2007) het (aangepaste) “Begrenzingenplan Ganzenfoerageergebieden Noord-Holland” vastgesteld. Er is toen in totaal 6.080 hectare begrensd in de Zeevang, Waterland-Oost en de Vechtstreek. Het plangebied ligt op circa 18 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Ganzenfoerageergebied waardoor elke mogelijke invloed valt uit te sluiten (Figuur 16).

26

Figuur 16: Dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebieden (lichtgroene vlakken) t.o.v. het plangebied (blauwe cirkel).

27

5 Aanwezigheid beschermde soorten en functies In onderstaande paragrafen worden de soortengroepen beschreven die in het plangebied en de directe omgeving zijn aangetroffen of te verwachten. Specifieke bronnen worden niet vermeld maar zijn wel opgenomen in de literatuurlijst.

5.1 Vaatplanten Nabij het plangebied zijn geen waarnemingen van zwaarder beschermde plantensoorten bekend (NDFF 2010-2020). Ook tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen op en rond het erf, wel algemenere plantensoorten. Gezien de aangetroffen terreingesteldheid en plantensoorten wordt de aanwezigheid van zwaarder beschermde plantensoorten in het plangebied uitgesloten. Ten aanzien van de flora zijn daarom geen verdere stappen op het gebied van een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.

5.2 Vogels Alle vogels worden middels de bepalingen van Vogelrichtlijn strikt beschermd onder Wet natuurbescherming. Vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Het is verboden (opzettelijk) nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen. Een aantal vogelsoorten genieten daarbij van aanvullende jaarronde bescherming van de vaste rust- en verblijfplaats. Het is namelijk verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de soort. Algemene broedvogels In en het plangebied komen algemene broedvogels voor (van stedelijke omgeving en agrarisch gebied). Op basis van beschikbare bronnen (NDFF 2010-2020) is gebleken dat soorten zoals de Kauw, Houtduif, Merel, Ekster, Vink, Winterkoning, Fitis en Gaai in de nabije omgeving zijn waargenomen. Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied diverse algemene vogelsoorten waargenomen waaronder een Holenduif, Kauw en Halsbandparkiet. In de smalle groenstrook, gelegen aan de oostzijde van het verenigingsgebouw, kunnen in het struikgewas of in de bomen dergelijke, algemene broedvogels nestelen. Omdat eventuele broedende vogels en hun nesten niet verstoord, beschadigd of vernietigd/gedood mogen worden, moeten de geoogde werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) van de vogels plaatsvinden.

Daarbij is het wel van belang om rekening te houden met vroeg (of laat) in jaar broedende vogels, zoals de soms in februari al nestelende Duiven of Eksters. Met in acht neming van deze maatregel zijn ten aanzien van de algemene (broed)vogels geen verdere stappen op het gebied van een ontheffingsaanvraag noodzakelijk.

28

Figuur 17: Impressie van begroeiing langs de oostzijde van het verenigingsgebouw ‘Water & Vuur Huis’, waar algemene vogelsoorten tot broeden kunnen komen.

Vogels met jaarrond beschermd nest Voor sommige vogels geldt echter dat ook buiten het broedseizoen hun nesten nog van een beschermde status genieten. Dit zijn vogels met jaarrond beschermde nesten. In de wijde omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten bekend, zoals de Kerkuil, Steenuil, Ransuil, Boomvalk, Torenvalk, Slechtvalk, Havik, Sperwer, Buizerd, Wespendief, Boerenzwaluw, Gierzwaluw, Huismus, Grote gele kwikstaart (NDFF 2010-2020). Jaarrond beschermde nesten bevinden zich veelal in hoge bomen of gebouwen. De bomen en struiken binnen het plangebied betroffen geen holtes geschikt voor boombroedende uilen of nesten van andere jaarrond beschermde vogelsoorten. Tijdens de inspectie zijn de bomen tevens geen nesten of sporen gevonden van de genoemde vogelsoorten, zoals braakballen van uilensoorten of nesten van roofvogels. De aanwezigheid van boombewonende jaarrond beschermde vogelnesten kan daarom naar aanleiding van de inspectie worden uitgesloten. Nesten van vogelsoorten zoals de Gierzwaluw, Huismus en Kerkuil verblijven in gebouwen. Gierzwaluwen nestelen over het algemeen in spleten van muren, dakpannen en in nestkasten.

Als broedlocatie hebben ze een sterke voorkeur voor een oud plat dak met een kort schuin deel van enkele rijen dakpannen, aan bovenzijde en vaak ook aan de zijkanten afgegrensd met een brede ‘plank’ (mansarde daken). Daarnaast broeden ze regelmatig onder oude (schuine) pannendaken, bij voorkeur met een noordoostelijke oriëntatie. Daken met een andere oriëntatie dan noord of oost bereiken in de zomer te hoge temperaturen. Daken met een hellingshoek minder dan 45 graden zijn niet geschikt, omdat de nesten dan steeds in de felle zon komen te liggen gedurende de dag. Als het echt te warm wordt verlaten de jongen het nest om te ontsnappen aan de hitte. Tevens worden bij vlakke daken ook de uitvliegmogelijkheden te veel beperkt. Nesten van Huismussen zijn in gelijksoortige structuren te vinden; onder dakpannen of in gaten en kieren van een huis.

29

Het dak van het desbetreffende te slopen hoofdgebouw en bijgebouw van de woning/schuur bestaat uit dakpan-/golfplaten (Figuur 23 & Figuur 24). Omdat dit geen pannendak betreft, is het niet geschikt voor deze gebouwbewonende vogelsoorten om als nestlocatie te dienen. Het dak van de woning achter het hoofdgebouw is daarentegen wel voorzien van een pannendak. Het dak is over het algemeen in redelijke staat, zeker het noordelijke deel van het dak (Figuur 18), echter zijn op de zuidkant van het dak wel enkele pannen aangetroffen die niet meer volledig op elkaar aansluiten waardoor er enkele spleten en kieren aanwezig zijn (Figuur 19). Het dak op het zuiden is daarentegen een ongeschikte oriëntatie voor zowel Huismussen als Gierzwaluwen om onder te broeden. De temperaturen lopen hier doorgaans te hoog op om als geschikte omgeving te dienen voor broedsels. Gierzwaluwen broeden immers ook uitsluitend onder noord- of oost-georiënteerde daken, van minimaal 45 graden. Het noordelijke dak van het desbetreffende huis is niet toereikend aan deze criteria, want is naast dat het te vlak is voor Gierzwaluwen, is het tevens vrij van spleten en kieren zodat deze kant van het dak al bij voorbaat niet toegankelijk is voor deze soort. Via het dakgoot is het dak wel toegankelijk voor Huismussen aan de noordzijde.

Figuur 18: Noordzijde van het dak, die vanwege een lastige positie, niet geheel te fotograferen was, maar met de verrekijker volledig is geïnspecteerd op spleten of losliggende dakpannen. Deze ontbraken aan deze zijde.

30

Figuur 19: Zuidkant van dak van de woning met aan de linker- en rechterkant van het dakkapel enkele dakpannen die niet meer volledig op elkaar aansloten en daardoor spleten lieten zien.

Tot slot zijn ook gevelpannen aan de kopse kanten van de woning gecontroleerd op spleten. Deze zijn niet aangetroffen; de gevelpannen sloten namelijk direct aan op de muur (Figuur 20). Vanwege het ontbreken van nesten of sporen in de vegetatie in het plangebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in bomen, is hun aanwezigheid in het plangebied uitgesloten. Omdat de genoemde losliggende dakpannen op het dak zich niet op een geschikte oriëntatie/locatie bevinden, en omdat op de noordzijde van het dak en aan de kopse kant geen kieren zijn aangetroffen, worden nestlocaties van bijvoorbeeld Gierzwaluwen tevens op voorhand uitgesloten. Omdat voor Huismussen de eerste dakpannenrij via de dakgoot toegankelijk zijn, is nader onderzoek naar deze soort noodzakelijk. Onderzoek naar de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10479988/1