CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B2 Toelichting omgevingsplan (2024-58)

Gemeenteraad 16 december 2024, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplan Landje van Fleur (2024-58)14.655 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

hoogheemraadschap.

In

de

onderstaande

tabel

wordt

de

verhardingsbalans

Bestaande situatie (m²)

weergegeven.

Toekomstige situatie (m²)

Water

609

1279

Onverhard/Groen

18.632

10.958

Bebouwd Oppervlak (woningen/gebouwen) 9.015

11.373

Overige verharding (wegen en paden)

2.500

7.145

Totaal oppervlakte

30.755

30.755

Waarvan verhard

11.122

18.518

Door het bouwplan van voorliggend plan neemt de verharding toe met 7.396 m² ten opzichte van de huidige situatie. Voor ontwikkelingen waar de verharding met meer dan 800 m² toeneemt is compensatie nodig. Er geldt voor ontwikkelingen boven 800 m² een compensatie eis van 9%. Hiermee dient er (7.396*0,09) 665,64 m² aan extra oppervlaktewater worden aangelegd. Er is gekozen om de bestaande sloot aan het zuiden van het plangebied te verbreden met 1 m en de sloot aan de noordwestzijde te vergroten, waardoor er 670 m aan wateroppervlak wordt toegevoegd en ruim aan de compensatie eis wordt voldaan.

Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden wordt afgevoerd en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:

▪

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreedt;

▪

de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert;

▪

schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd via het oppervlaktewater en/of door het te laten infiltreren (via verlaagde bermen met drainage en infiltratiekratten onder parkeerplaatsen) in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel.

Geohydrologisch onderzoek On inzicht te krijgen in de geohydrologische situatie ter plekke van de beoogde woningen is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. (Hoven Consult, d.d. 20 november 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Uit dit

pagina 29 van 45

onderzoek blijkt dat gezien de lage doorlatendheid van de natuurlijk aanwezige ondergrond (deklaag) infiltratie van hemelwater naar het diepe grondwater geen reële optie is. Klimaatadaptieve maatregelen dienen dan ook gericht te zijn op tijdelijke berging van het hemelwater in het plangebied. Hiervoor is een vergroting van het huidige oppervlaktewater reeds voorzien.

Voor de berekening van aanvullende waterberging in het plangebied zijn de eisen van de gemeente maatgevend. Voor het aan te brengen dakoppervlak dient een bergingscapaciteit van 70 mm te worden gerealiseerd. Bij een dakoppervlak van 5.700 m2 komt dat overeen met een benodigde berging in het plangebied van 400 m3. Dit wordt gerealiseerd door het aanbrengen van verlaagde groenstroken, die functioneren als een wadi, waar een waterpeil van 0,3 m gerealiseerd kan worden. Middels deze verlaagde groenstroken wordt een bergingsvolume van 95 m3 gerealiseerd. De overige circa 300 m3 wordt gerealiseerd met bergingskratten onder de parkeervakken van een deel van het openbaar gebied en deels op eigen terrein onder de privé parkeerplaatsen. De detaillering van de waterberging zal in een later stadium worden uitgewerkt in het ontwerpproces.

Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.

4.6 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet.

De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan.

Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn

pagina 30 van 45

(instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.

In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN.

Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is voor het plangebied een Quickscan Natuur uitgevoerd (IDDS, d.d. 29 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat.

Soortenbescherming

pagina 31 van 45

Op basis van het veldonderzoek en de bureaustudie is in de rapportage per soortgroep besproken wat de potentie van het plangebied en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolgen van de beoogde ontwikkeling. Tijdens het veldonderzoek en de bureaustudie zijn er geen beschermde soorten zijn waargenomen. Voor de beschermde soorten waaronder amfibieën, flora, libellen, vissen, reptielen, vissen en weekdieren is geen geschikt habitat aanwezig binnen het plangebied. Beschermde soorten van deze soortgroepen worden dan ook niet verwacht binnen het plangebied. Er zijn in het plangebied enkele soorten waargenomen waarvoor binnen de provincie Noord-Holland een vrijstelling geldt. Voor deze soorten geldt ten alle tijden de zorgplicht .

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000gebieden 'IJsselmeer' en 'Markermeer en IJmeer' liggen op circa 4 km van het plangebied. Het natuurgebied 'Eilandspolder' ligt circa 23 km van het plangebied. Ook ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest dichtbijgelegen deel van het NNN ('De Weelen en Streekbos') ligt ca 480 m van het plangebied. Ook ligt het plangebied niet binnen de grenzen van het Bijzonder Provinciaal Landschap. Door de ruime afstand tot de beschermde gebieden zijn verstorende effecten zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring uitgesloten. Gezien de lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand uitgesloten. De Natura 2000-gebieden 'IJslemeer' en 'Markermeer en IJmeer' zijn niet stikstofgevoelig. Het Natura 2000-gebeid 'Eilandspolder' is wel stikstofgevoelig. De effecten van stikstof op het stikstofgevoelige Natura 2000gebied zijn op voorhand niet uitgesloten. Daar wordt hieronder nader op ingegaan.

Stikstofdepositie Vanwege een toename van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is er een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten op Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen (S&W, d.d. 13 oktober 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Uit de AERIUS berekening blijkt dat voor beide fases de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving.

Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de

pagina 32 van 45

toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’. Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.

In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

▪

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

▪

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

▪

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat er ter plaatse van de toekomstige 92 woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in de mogelijkheden beperkt worden. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom van Hoogkarspel. In de omgeving van het plangebied zijn bedrijven en andere functies aanwezig. Aan het zuiden en westen van het plangebied zijn woningen aanwezig. Ten noorden en ten westen van het plangebied zijn meerdere agrarische bedrijven aanwezig in de vorm van sierteelt. Het meest nabijgelegen agrarische bedrijf ligt op een afstand van ca 75 meter van het plangebied. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde woningen worden deze activiteiten niet gehinderd in hun bedrijfsvoering.

Drift gewasbeschermingsmiddelen In verband met de omliggende agrarische gronden is in beeld gebracht of er in de omgeving van het plangebied gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De omliggende gronden beschikken over de bestemming ‘Agrarisch’ in het bestemmingsplannen ‘P.J. Jongstraat 174' en 'Bestemmingsplan Drechterland Noord 2011’. Deze gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van agrarische bedrijven.

Het is mogelijk dat hier gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige

pagina 33 van 45

functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Echter kan de afstand van de vuistregel verkleind worden als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt.

De meest nabijgelegen gronden waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt liggen op ca. 60 meter van een woning in het plangebied. Dit betreft de agrarische gronden ten oosten van het plangebied, aan de weerzijde van de Kerspelweg, en een beoogde vrijstaande woning in het zuidoosten van het plangebied. Aan het noorden van het plangebied, aan de weerzijde van de Drechterlandseweg, liggen ook agrarische gronden waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze gronden liggen op ca. 70 meter van de beoogde woningen. Daarmee kan worden gesteld dat drift van gewasbeschermingsmiddelen geen belangrijke nadelige gevolgen hoeft te hebben ten aanzien van de beoogde woningen. Gelet op deze afstanden en de hiervoor beschreven omstandigheden kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende bedrijven niet verder in de bedrijfsvoering beperkt.

Conclusie Gezien het voorgaande vormen milieubelastende activiteiten in de omgeving geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.

4.8 Externe veiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.

Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er

pagina 34 van 45

is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.

De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (106/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn.

Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden.

Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat weten regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling.

pagina 35 van 45

In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:

▪

30 meter voor een brandaandachtsgebied

▪

200 meter voor een explosieaandachtsgebied

De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)

Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting, transportroutes of gasleidingen aanwezig zijn. Op circa 600 m van het plangebied is de meest nabijgelegen bevi inrichting gelegen, met deze afstand vormt dit geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de provinciale weg N505. Over de N505 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De weg is niet opgenomen in het Basisnet en heeft geen risicocontour. De plangrens aan het noorden van het plangebied ligt op circa 30 m van de N505. Doorat het plangebied binnen 200 m van de weg is gelegen, vormt groepsrisico een belangrijk thema. Derhalve is er onderzoek gedaan naar het groepsrisico (Kragten, d.d. 11 oktober 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 7). Uit dit onderzoek blijkt dat naar aanleiding

pagina 36 van 45

van de ontwikkeling het groepsrisico van de transportroute niet meer dan 10% van de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Cultuurhistorie en archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).

Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Archeologie Het grootste deel van het plangebied is in het omgevingsplan 'Hoogkarspel' voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Derhalve is een quickscan archeologie uitgevoerd (Archeologie West-Friesland, d.d. 11 juli 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 9). Uit deze quickscan blijkt dat het plangebied, op basis van de bodemkaart en archeologisch onderzoek uit de omgeving, een lage verwachting voor bewoning uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt. Voor de Bronstijd geldt een hoge tot middelhoge verwachting. Het meest westelijke deel van het plangebied bestaat uit opgebolkte gronden. Dit deel van het plangebied is op de beleidskaart hierom al vrijgegeven. Het is mogelijk dat het overig deel van het plangebied eveneens verstoord is geraakt tijdens de ruilverkaveling, echter kunnen dieper gelegen archeologische sporen zeker nog aanwezig zijn. Op basis van hoge tot middelhoge verwachting kunnen de als 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gebieden behouden blijven.

Op basis van de hoge tot middelhoge archeologische verachting en de werkzaamheden behorende bij dit plan is in een deel van het plangebied een proefsleuvenonderzoek nodig in het kader van een omgevingsvergunning. Het deel van het plangebied waar onderzoek vereist is betreft de grond onder een deel van de huidige bebouwing

pagina 37 van 45

en het weiland, behalve de reeds vrijgegeven noordwesthoek. Voor het meest oostelijke deel van het plangebied is geen nader archeologisch onderzoek vereist.

Vervolgonderzoek Uit de resultaten van het archeologisch onderzoek blijkt dat vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuven nodig is. Initiatiefnemer geeft aan dit onderzoek na het vaststellen van dit TAM-omgevingsplan uit te voeren.

Cultuurhistorie Er zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten in of nabij van het plangebied aanwezig. Uit de Structuurvisie Landschap blijkt dat het plangebied niet is gelegen aan een van de cultuurhistorische linten of andere belangrijke cultuurhistorische gebieden van de gemeente Drechterland.

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek In de voorgenomen ontwikkeling worden op de locatie aan de Kerspelweg 92 woningen gerealiseerd. Dit gaat gepaard met een toename in verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied. Voor het verkennen van de toekomstige verkeerssituatie en het berekenen van de te verwachten verkeersgeneratie is een verkeersstudie uitgevoerd (Goudappel, d.d. 19 februari 2024, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 10). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder benoemd.

In de verkeersstudie is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend op basis van CROW kencijfers. Zoals in de onderstaande tabel blijkt is er in de toekomstige situatie sprake van een verkeersgeneratie van 692 motorvoertuigen per werkdag.

pagina 38 van 45

overzichtverkeersgeneratie (bron: Goudappel, 19 februari 2024)

Het Landje van Fleur wordt ten oosten van de planlocatie ontsloten op de Kerspelweg. Aan het zuidwesten wordt het plangebied ook ontsloten op de Majoraal als calamiteitenroute. De verkeersbewegingen zullen daarom enkel plaatsvinden op de Kerspelweg.

Vervolgens is in het verkeersonderzoek getoetst of de Kerspelweg voldoende capaciteit biedt voor het verkeer dat de nieuwe woningen zullen genereren. Op basis van een wegenscan is de verkeersveilige verkeersdruk van de Kerspelweg

4.700

motorvoertuigbewegingen.

Uit

tellingen

blijkt

dat

op

de

Kerpelweg

2.484

motorvoertuigbewegingen per etmaal rijden. De totale verkeersdruk op de Kerspelweg is daarmee (3.484 + 700 =) 3.184 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. De berekende verkeersdruk past binnen de acceptabele verkeersdruk van 4.700 per etmaal.

Van de 692 verkeersbewegingen per etmaal zal circa 87% van/naar het noorden bewegen, naar het kruispunt met de N505. Aan de hand van een kruispuntberekening getoetst of er in de toekomstige situatie bij het kruispunt sprake is van een goede doorstroming. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een goede doorstroming. De overige 13% aan verkeersbewegingen nemen plaats van/naar het zuiden, richting de Streekweg. Dit gaat om 91 motorvoertuigbewegingen

per

werkdagetmaal.

Tijdens

het

drukste

spitsuur

gaat

het

om

circa

8

verkeersbewegingen per uur richting de Streekweg. Dit aantal is beperkt en leidt niet tot een substantieel verkeersbeeld op het zuidelijke deel van de Kersperlweg en de Streekweg.

Het onderzoek concludeert dat het verkeer van de beoogde ontwikkeling op een verkeersveilige wijze verwerkt kan worden via de Kerspelweg.

In een opvolgend onderzoek is getoetst of de verkeerssituatie aan de zuidzijde van het plangebied acceptabel is (Goudappel, d.d. 19 februari 2024, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 12). Dit betreft de verkeersontsluiting aan de zuidzijde van het plangebied die 14 vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen. De rijbaan is 5 meter en bevat geen trottoir. Geconcludeerd wordt dat het verkeerskundig acceptabel is een rijbaan van 5 meter te realiseren zonder trottoir en dat er sprake is van een verkeersveilig ontwerp. Aanbevolen wordt om een woonerf in te voeren. De wegkenmerken passen namelijk bij een woonerf: spelen op straat & voetgangers maken gebruik van de rijbaan. Voordeel van een woonerf is dat de maximumsnelheid laag is: stapvoets (circa 15 km/h). Dit komt de verkeersveiligheid ten goede.

pagina 39 van 45

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek Voor het parkeren in het plangebied worden de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 aangehouden. Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'. In onderstaande tabel is weergegeven wat dit betekent voor het aantal parkeerplaatsen dat nodig is in het plangebied uitgaand van de gemiddelde parkeernorm.

type woning

aantal

parkeernorm

aantal

eigen

rest bebouwde kom

parkeerplaatsen terrein

appartementen

28

1,4

39,2

BeBo

12

1,4

16,8

eengezinswoning rij

23

2

46

levensloopwoningen

6

1,4

8,4

4,8

twee-onder-een-kap

14

2,2

30,8

23,8

vrijstaand

3

2,3

6,9

6,8

vrij kavel

6

2,3

13,8

8,5

bestaande woning

1

2,3

2,3

2

totaal

93

164,2

48

Zoals in subparagraaf 4.10.1 is beschreven is als uitgangspunt voor het Landje van Fleur dat het nieuwe woongebied autoluw wordt. Derhalve wordt het parkeren grotendeels collectief geregeld. In het noorden van het plangebied wordt een collectieve parkeervoorziening voor circa 106 parkeerplaatsen gerealiseerd. In het zuidoosten van het plangebied komt een tweede collectieve voorziening voor 8 parkeerplaatsen. Naast de collectieve parkeervoorziening wordt bij de tweekappers en vrijstaande woningen op eigen terrein geparkeerd.

4.11 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de

pagina 40 van 45

Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.

De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.

Planspecifiek De beoogde woningen worden gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Indien de woningen worden voorzien van een buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking, dient voor de locatiebepaling van de installaties rekening te worden gehouden met de geluidseisen van het Bouwbesluit 2012. Hierbij dient aangetoond te worden dat kan worden voldaan aan de geluideisen zoals gesteld in Afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012.

Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 41 van 45

5 Juridische aspecten 5.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO.

Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAMomgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen.

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen.

In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

▪

Toepassingsbereik

▪

Functieomschrijving

▪

Beoordelingsregels bouwactiviteiten

▪

Specifieke bouwregels

▪

Specifieke gebruiksregels

pagina 42 van 45

5.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Drechterland. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten:

Groen Locaties aangewezen als groen bevatten delen van het plangebied waar het groene karakter van structurele waarde is voor de beeldkwaliteit van het plangebied en waar zeer beperkt gebouwd mag worden.

Tuin Op bepaalde delen van het plangebied zijn locaties aangewezen als 'Tuin'. Op deze locaties is bebouwing in beperkte mate toegestaan. Het gaat dan om bebouwing die in samenhang met het woonhuis wordt gerealiseerd, zoals erkers, balkons en dergelijke. Daarentegen is om incidentele gebouwen in de tuinbestemming toe te staan, de mogelijkheid geboden om in totaal 40 m² aan gebouwen te bouwen.

Wonen De locaties die zijn aangewezen als 'Wonen' beschikken over de functies woningen met hun aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Bijbehorende achtertuinen, -erven en -terreinen behoren ook tot de functies. Binnen de bebouwingsbepalingen voor deze locaties is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen enerzijds en aan- en uitbouwen en bijgebouwen anderzijds. Het hoofdgebouw is het belangrijkste bouwwerk op het perceel, niet alleen qua bestemming maar ook qua bouwmassa. Daarnaast worden bijgebouwen gezien als bouwwerken die ruimtelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit.

Water De oppervlaktewaterlichaam en watergangen in het plangebied zijn locaties die zijn aangewezen als 'Water'. Op deze locaties mogen geen bouwwerken en overkappingen gebouwd worden.

Verkeer - verblijfsgebied De als 'Verkeer - verblijfgebieden' aangewezen gebieden betreffen openbare straten in het plangebied met als functies een goede doorstroming van het verkeer en de ontsluiting van de buurten, de daarbij behorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen.

Waarde - Archeologie 3 De locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3' hebben, naast de andere voor die locatie aangewezen functies de functie voor het behouden van (mogelijke) archeologische waarden. Bij bodem ingrepen geldt het volgende: Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 2.500 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.

pagina 43 van 45

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek Het initiatief heeft plaats voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De kosten voor de gemeente worden op de initiatiefnemer verhaald. Ten behoeve hiervan is een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten. Het ruimtelijk plan is financieel uitvoerbaar. Ook is er met de gemeente een planschadeovereenkomst gesloten.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie.

pagina 44 van 45

6.2.2 Participatie Het participatietraject begon met een informatieavond op 19 mei 2023. Omwonende en belangstellenden zijn door middel van een brief uitgenodigd voor de bijeenkomst. In de brief is de ontwikkeling kort toegelicht en worden enkele vragen gesteld aan de genodigden over het initiatief. Tijdens de inloopavond zijn de aanwezigen geïnformeerd over het initiatief en kreeg men de gelegenheid om vragen te stellen en reacties te geven. Vertegenwoordigers van de gemeente en een stedenbouwkundige waren hierbij aanwezig. De avond is bezocht door circa 125 personen.

Uit de vragen en reacties tijdens de participatieavond bleek er een grote voorkeur te zijn voor één van de twee gepresenteerde varianten van het plan. Ook werden er opmerkingen gemaakt over het toevoegen van seniorenwoningen. Naar aanleiding van deze reacties is er een nieuwe variant gemaakt met seniorenwoningen en beneden-bovenwoningen voor starters en senioren.

Op 11 oktober 2023 vond de tweede participatieavond plaats. De avond is bezocht door circa 70 personen. Tijdens deze bijeenkomst zijn de aanwezigen geïnformeerd over de status van het project en de aanpassing aan het ontwerp naar aanleiding van de eerste informatieavond. Tijdens deze avond werd vooral de geluidsbelasting besproken. Naar aanleiding van geluidsonderzoek waarbij drie varianten voor een geluidscherm zijn doorgerekend en advies van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, heeft het College van B&W van de gemeente Drechterland besloten om een geluidscherm van 4,5 meter hoog langs de Drechterlandseweg te plaatsen.

Op 6 juni 2024 is een nieuwsbrief in de nabijgelegen wijk verspreid waarin onder meer is ingegaan op het concept plan met de verwerkte aanpassingen en de procedure voor het omgevingsplan.

6.2.3 Vooroverleg Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan is het plan voorgelegd aan de provincie Noord-Holland, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Veiligheidsregio NoordHolland Noord.

6.2.4 Zienswijzen In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd eventuele zienswijzen en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

pagina 45 van 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14833781/1