CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B2 Toelichting omgevingsplan (2024-58)

Gemeenteraad 16 december 2024, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplan Landje van Fleur (2024-58)14.655 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM omgevingsplan Landje van Fleur Gemeente Drechterland

Colofon Gegevens over het project: Planstatus: Plan identificatie: Datum: Kenmerk Buro SRO: Contactpersoon Buro SRO:

ontwerp NL.IMRO.0498.TAMLandjevanFleur-ON01 2024-06-11 SR230249 Dhr. J.J. van Nuland | Dhr. J. Brem

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

pagina 2 van 45

Sted Project 6 B.V.

Inhoudsopgave Colofon .................................................................................................................................................... 2 Inhoudsopgave ........................................................................................................................................ 3 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................................ 4 1.2 Ligging plangebied ........................................................................................................................................................... 4 1.3 Toetsing aan omgevingsplan ........................................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ........................................................................................................................................................................ 6

2 Planbeschrijving ................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................................ 8 2.2 Toekomstige situatie ....................................................................................................................................................... 9

3 Beleidskaders ..................................................................................................................................... 11 3.1 Rijksbeleid ..................................................................................................................................................................... 11 3.2 Provinciaal beleid .......................................................................................................................................................... 13 3.3 Regionaal beleid ............................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid ...................................................................................................................................................... 18

4 Onderzoek .......................................................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ................................................................................................................................................. 22 4.2 Bodem ........................................................................................................................................................................... 23 4.3 Geluid ............................................................................................................................................................................ 24 4.4 Luchtkwaliteit ................................................................................................................................................................ 26 4.5 Waterhuishouding ......................................................................................................................................................... 27 4.6 Ecologie .........................................................................................................................................................................

30 4.7 Bedrijven en milieuzonering .......................................................................................................................................... 32 4.8 Externe veiligheid .......................................................................................................................................................... 34 4.9 Cultuurhistorie en archeologie ...................................................................................................................................... 37 4.10 Verkeer en parkeren .................................................................................................................................................... 38 4.11 Duurzaamheid en gezondheid ..................................................................................................................................... 40

5 Juridische aspecten ............................................................................................................................ 42 5.1 Algemeen....................................................................................................................................................................... 42 5.2 Verbeelding ................................................................................................................................................................... 42 5.3 Planregels ...................................................................................................................................................................... 42 5.4 Toelichting op functies en locaties ................................................................................................................................ 43

6 Uitvoerbaarheid .................................................................................................................................. 44 6.1 Economische uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................... 44 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................................ 44

pagina 3 van 45

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het huidige bloembollenbedrijf aan de Kerspelweg 7 te Hoogkarspel 92 woningen te realiseren. Doordat de bestaande woning wordt gehandhaafd zijn er in totaal 93 woningen. Het woningbouwplan, genaamd 'Landje van Fleur', bestaat uit een mix van woningen voor verschillende doelgroepen zoals starters, alleenstaanden met of zonder kinderen, gezinnen en ouderen. Op 12 juni 2023 heeft het college van B&W een positief besluit genomen met betrekking tot het principeverzoek van de initiatief en op 11 juli 2023 is de anterieure overeenkomst getekend.

Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan 'Bestemmingsplan Hoogkarspel 2024'. Derhalve is het voorliggende TAM-omgevingsplan opgesteld.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt in het noordoosten van het dorp Hoogkarspel in de gemeente Drechterland, aan de Kerspelweg 7. De planlocatie wordt aan het noorden begrensd door de provinciale weg N505. Ten oosten ligt de Kerspelweg en enkele agrarische gronden. Aan het zuiden en westen van het plangebied is de bebouwde kom van Hoogkarspel. Het plangebied is bekend onder de kadastrale gemeente Drechterland, sectie K, perceelnummers 1817, 1818 en 2080. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 3,1 ha

Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer.

pagina 4 van 45

Globale ligging plangebied (bron: Google Earth)

Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)

pagina 5 van 45

1.3 Toetsing aan omgevingsplan Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat (de bruidsschat bevat een aantal voormalige rijksregels die met inwerktreding van de Omgevingswet zijn vervallen. Deze worden opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan). Op dit moment geldt voor het plangebied het tijdelijk omgevingsplan 'Bestemmingsplan Hoogkarspel 2024', vastgesteld op 22 september 2014 door de gemeenteraad van Drechterland.

Onderstaande figuur toont een uitsnede van het geldende omgevingsplan.

Uitsnede geldend omgevingsplan 'Bestemmingsplan Hoogkarspel 2024', plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor het uitvoeren van grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met uitzondering van houtteelt en bosbouw. Aan de zuidzijde van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Groen'. Deze gronden zijn bestemd voor groenstroken, wijkvelden, parken en plantsoenen, bermen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen groenvoorzieningen.

Naast de agrarische bestemming geldt in het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3', gericht op de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm onder het maaiveld.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de

pagina 6 van 45

verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.

pagina 7 van 45

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie wordt het plangebied als bloembollenbedrijf gebruikt. Ongeveer de helft van het perceel bestaat uit kassen en bedrijfsgebouwen. Er is ook een bedrijfswoning aanwezig. De andere helft van het perceel fungeert als weiland, hier worden soms schapen gehouden. Aan het noorden van het perceel ligt een fietsroute, met

daarachter

de

N505. De

oostkant

van

het perceel grenst

aan

de

Kerspelweg,

welke het

bloembollenbedrijf ontsluit. De zuid- en westzijden van het perceel grenzen aan een sloot.

De directe omgeving ten noorden en oosten van het plangebied wordt gekenmerkt door agrarische bedrijven, voornamelijk bestaande uit bollenteelt met enkele kassen. Ten zuiden en ten westen van het plangebied ligt een bestaande woonwijk. De woningen die aan het plangebied grenzen bestaan vooral uit vrijstaande en twee-ondereen-kap woningen.

Aanzicht plangebied vanaf de Kerspelweg (bron: google.com/maps)

pagina 8 van 45

Aanzicht plangebied vanaf de N5050 (bron: google.com/maps)

2.2 Toekomstige situatie Voorliggend plan beoogt om het plangebied van het bloembollenbedrijf te transformeren tot een woonlocatie met 92 nieuwe woningen. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom in een rustige en groene omgeving, waar de initiatiefnemer een hoogwaardige en duurzame woonomgeving wenst te realiseren. Er worden in totaal 92 nieuwe woningen gebouwd, verdeeld in een divers aanbod van verschillende woningtypen:

▪

28 sociale huurwoningen in de vorm van een appartementengebouw vooral bedoeld voor senioren.

▪

12 goedkope koopwoningen in de vorm van Beneden Bovenwoningen (Bebo) vooral bedoeld voor starters.

▪

23 betaalbare koopwoningen in de vorm van tussen- en hoekwoningen bedoeld voor gezinnen en starters.

▪

29 dure koopwoningen/kavels voor senioren, gezinnen en doorstromers. Deze zijn als volgt verdeeld:

o o o

6 levensloopwoningen 14 twee onder één kapwoningen 9 vrijstaande woningen en/of vrije kavels

Naast de bovenstaande nieuwe woningen blijft de aanwezige bedrijfswoning van het bloembollenbedrijf bestaan en zal worden opgenomen in het ruimtelijke plan.

Voor de ontsluiting van het plangebied wordt gebruik gemaakt van de huidige inrit van het bloembollenbedrijf. Het plangebied wordt hiermee vanaf de Kerspelweg bereikbaar. Vanaf de inrit loopt een erftoegangsweg naar het noorden van het plangebied waar een collectieve parkeerplaats gerealiseerd wordt. In het westen van het plangebied loopt de weg langs het water naar het zuiden, waar de weg als calamiteitenroute wordt aangesloten aan de 'Majoraan', en vervolgens weer terug richting de Kerspelweg.

pagina 9 van 45

Langs de noordgrens van het plangebied, tussen de parkeerplaatsen en de N505, wordt een geluidscherm van 4,5 m hoog aangebracht voor het dempen van verkeerslawaai van de provinciale weg. Dit scherm ligt buiten de grenzen van het plangebied en maakt deel uit van een ander gedeelte van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland, te weten het 'Bestemmingsplan Drechterland Noord 2011'. Ter plekke van het beoogde geluidscherm geldt de bestemming 'Verkeer'. Het realiseren van een geluidscherm past binnen deze bestemming. Een herziening van dit bestemmingsplan is daarmee niet nodig. De realisatie van het geluidscherm wordt via de anterieure overeenkomst geborgd.

Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.

Situatietekening toekomstige situatie (bron: BGSV)

pagina 10 van 45

3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:

a.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

b.

duurzaam economisch groeipotentieel;

c.

sterke en gezonde steden en regio's;

d.

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk om in voldoende en duurzame woningen te voorzien.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:

a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

pagina 11 van 45

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden 92 woningen gerealiseerd. Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling en dienen de trappen van de ladder behandeld te worden. Er is een aparte Quickscan Ladderonderbouwing uitgevoerd voor onderhavig plan (Sweco, d.d. 29-09-2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11). De bevindingen van deze quickscan worden hieronder samengevat.

Behoefte Voor verschillende doelgroepen neemt de woningbehoefte in de regio toe. Door vergrijzing neemt het aantal senioren toe en vergroot de woningbehoefte voor voldoende en passende seniorenwoningen. Door het tekort aan dergelijke woningen vindt er niet genoeg doorstroming plaats waardoor de vraag voor woningen voor jonge gezinnen ook toeneemt. De vraag voor betaalbare woningen bestaat zowel voor senioren als voor alleenstaanden en laagverdieners. In Hoogkarspel is er een tekort aan woningen in dit segment, terwijl de behoefte toeneemt. Deze trends worden in de Regionale Woonvisie van Westfriesland bevestigd en vormen ook de basis van het beleid. Het is daarom zaak dat het lokale en regionale woningaanbod in voldoende geschikte seniorenwoningen voorziet.

Naar verwachting groeit de woningbehoefte in Westfriesland flink in de komende jaren. Dit volgt onder andere uit de Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040, hierin is te zien dat de oudere bevolkingsgroepen verreweg voor het grootste deel bijdragen aan de groei van de woningbehoefte. Dit is ook weergegeven in onderstaande tabel. Dit plan draagt bij aan het voorzien van woningen voor meerdere doelgroepen.

Tabel 3.1: Groei woningbehoefte per bevolkingsgroep in Westfriesland (bron: Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040)

pagina 12 van 45

Ook in kwalitatieve zin is er vraag naar vernieuwende woningen. Er is in de gemeente Drechterland veel behoefte aan meer variatie in woningtypen. De huidige woningvoorraad bestaat voor het grootste deel uit grote eengezinswoningen. Door de groei van het aantal senioren en eenpersoonshuishoudens neemt de vraag naar passende woningen voor deze doelgroepen toe. Voorliggend plan voorziet de realisatie van 40 toegankelijke woningen voor senioren en alleenstaanden in het goedkope of sociale segment. Ook worden er 6 levensloopwoningen gerealiseerd. Hiermee is de helft van het woonprogramma afgestemd op de behoefte voor passende woningen voor deze groepen. De overige 46 woningen bestaan uit een mix van betaalbare en dure koopwoningen voor starters, gezinnen en doorstromers, waar eveneens behoefte voor bestaat.

Buiten bestaand stedelijk gebied In het onderzoeksgebied regio Westfriesland zijn alternatieve locaties binnen bebouwd stedelijk gebied geïnventariseerd. Hiervoor is uitgegaan van zachte planlocaties voor woningbouw zoals deze zijn opgegeven in de Monitor plancapaciteit van de Provincie Noord-Holland (juli, 2023). Deze locaties zijn in beeld voor transformatie naar woningbouw. Meer specifiek is naar zachte planlocaties gekeken met een dorps woonmilieu. Alleen op dorpse locaties kan een woonmilieu worden gerealiseerd zoals beoogd op locatie het Landje van Fleur. Dorpse woonmilieus zijn in de regio Westfriesland te vinden in de gemeenten Stede Broec, Drechterland, Koggenland, Medemblik en Opmeer. De alternatieve locaties zijn beoordeeld op geschiktheid. Uit de analyse van de mogelijke alternatieve locaties komt naar voren dat geen van deze locaties een alternatief bieden voor locatie het Landje van Fleur:

▪

een deel van de locaties bevindt zich niet binnen 10 fietsminuten van een OV-knooppunt wat een van de speerpunten is van het regionale Westfriese afwegingskader woningbouw;

▪

een deel van de locaties bevindt zich in kernen of in linten met een zeer beperkt voorzieningenniveau;

▪

een deel van de locaties biedt een duidelijk ander concept aan met andere omgevingskwaliteiten.

▪

op enkele locaties vervangen de geplande woningen bestaand aanbod.

▪

de woningen in een later planstadium zijn geprogrammeerd.

Conclusie: Het plangebied biedt ruimte voor de ontwikkeling van 92 woningen in een dorps woonmilieu. De combinatie van een dorps woonmilieu met een aantrekkelijke woonomgeving nabij een hoogwaardig OV-station maakt deze locatie uniek. Elders in het onderzoeksgebied zijn de mogelijkheden voor de ontwikkeling van 92 woningen (vrijwel) nihil.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen

pagina 13 van 45

economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving.

De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities:

Leefomgeving

a.

Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.

b.

Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke

c.

Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere

leefomgeving.

ambities/doelen kunnen worden bereikt.

Gebruik van de leefomgeving

a.

Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.

b.

Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends.

c.

Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen.

d.

Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.

Energietransitie

a.

De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.

Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd:

a.

Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst

b.

Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging

c.

Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem

d.

Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal

e.

Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie

f.

Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector

pagina 14 van 45

Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving.

Planspecifiek Het initiatief richt zich op het verbeteren van het gebruik van de leefomgeving, specifiek op het realiseren van nieuwe woningen en woningbouw. Daarmee draagt voorliggend plan voornamelijk bij aan de beweging 'Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal'. Derhalve is het plan in lijn met het beleid van de Omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening NH2020 Provinciale Staten van Noord-Holland hebben op 22 oktober 2020 de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn de eerste stappen gezet om de ambities, ontwikkelprincipes en sturingsfilosofie uit de Omgevingsvisie, vastgesteld op 19 november 2018, vorm te geven en wordt er een start gemaakt met werken in de geest van de Omgevingswet. Echter valt de Omgevingsverordening NH2020 nog onder de huidige wet- en regelgeving.

In de Omgevingsverordening NH2020 zijn alle regels van de provincie die gaan over de fysieke leefomgeving samengevoegd. Merendeel van de regels in deze verordening zijn vrijwel ongewijzigd gebleven ten opzichte van de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2010. Echter zijn een aantal onderdelen wel gewijzigd of nieuw. Belangrijke gewijzigde en nieuwe onderdelen zijn het Landelijk gebied, Bijzonder provinciaal landschap, de mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw in landelijk gebied en de ruimte voor windenergie in de MRA regio. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:

▪

het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;

▪

het behoud en herstel van de biologische diversiteit;

▪

het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Daarnaast is het doel om de provinciale regels in meer samenhang en op een meer overzichtelijke manier kenbaar te maken.

Planspecifiek Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. 1.

Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

2.

Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. b.

pagina 15 van 45

rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en

c.

bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.

Ad 2) De ruimtelijke ontwikkeling let op de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. Het plangebied tussen de cultuurhistorische bebouwingslinten in het noorden en zuiden van de gemeente. Hierdoor is het behouden van openheid van belang. het plangebied is gelegen aan de rand van een het dorp en speelt daarom geen rol in het behouden van de openheid. Ten noorden van het plangebied is een kenmerkende bomenrij aanwezig. Ter bescherming van de groenstructuur wordt getracht deze te behouden. Tussen het plangebied en de bomenrij wordt een geluidswal geplaatst in verband met de provinciale weg. Deze wal wordt groen en beplant om zo het groene beeld vanuit het noorden te behouden. Ook wordt de wal laag genoeg om de zichtlijnen van en naar het landelijke gebied te behouden.

Voorliggende ontwikkeling is in lijn met artikel 6.59 van de Omgevingsverordening.

Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waarmee gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.

3.2.3 Woonagenda 2020-2050 De woonagenda provincie Noord Holland 2020-2050 is op 20 april 2020 vastgesteld. De doelstelling van de woonagenda is om te zorgen dat er voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen

zijn.

De

speerpunten

zijn

een

woning

voor

iedereen,

productie

op

peil:

aanjagen

woningbouwproductie, gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie en een kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. De speerpunten zijn vertaald in Regionale Actieprogramma's.

Daarnaast is een goede afstemming tussen vraag en aanbod op de woningmarkt een speerpunt, niet alleen op kwantiteit, bepaald door huishoudensgroei, maar vooral ook op kwaliteit: het juiste type woningen voor alle verschillende doelgroepen. Betaalbaar, duurzaam en passend bij de huishoudensgrootte en woonwensen van de inwoners van Noord-Holland.

Planspecifiek De ontwikkeling levert een bijdrage aan de vraag naar woningen voor verschillende doelgroepen. De woningbehoefte van alle huishoudenstypen blijft de komende jaren toenemen. Door de vergrijzing is er meer vraag naar passende woningen voor senioren. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van sociale huur- en goedkope koopwoningen voor senioren en alleenstaanden. Dit bevordert ook de doorstroming van ouderen waardoor er elders bestaande woningen vrij komen voor andere doelgroepen. Ook de woningbehoefte van starters zal aanhouden. Voorliggend plan voorziet hierom in de realisatie van passende en betaalbare woningen voor deze doelgroep. Ook bestaat de behoefte bij gezinnen voor passende (koop)woningen. Voor deze doelgroep worden met voorliggend plan betaalbare en dure koopwoningen voorzien.

Onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen passend bij de vraag van deze doelgroepen. Daarmee is het plan in lijn met het provinciale beleid. Verder wordt er in paragraaf 3.3 nader ingegaan op de regionale woonvisie en de regionale woningbehoefte.

pagina 16 van 45

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie West-Friesland 2017-2027 De Regionale woonvisie West-Friesland voor de periode 2017-2027 geeft invulling aan de ambitie van de regio West-Friesland om tot de top 10 woonregio's van Nederland te behoren. Samen met het Regionaal Actieprogramma (RAP) wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden.

De regionale woonvisie voor West-Friesland brengt de actuele situatie van de woningmarkt in beeld en geeft het beleid voor de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (tot 2030) op hoofdlijnen aan. De woonvisie benoemt welke richting de West-Friese gemeenten met de woningmarkt op willen en waar rekening mee gehouden moet worden.

Het doel van de woonvisie is om de West-Friese bevolking naar wens en tevredenheid te laten wonen en zoveel mogelijk een breed scala aan woonwensen en de woningbehoefte van de inwoners binnen de regio te realiseren. Samen met (andere) belanghebbenden op de woningmarkt zijn de speerpunten voor de woonvisie bepaald. Deze speerpunten zijn de ‘ankers’ waar de woonvisie en het RAP aan hangen. De West-Friese woonvisie zet in op de volgende vijf speerpunten:

▪

Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen.

▪

Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern.

▪

Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten.

▪

Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen.

▪

Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.

Planspecifiek Zoals hierboven beschreven is één van de speerpunten uit de woonvisie het bevorderen van langer zelfstandig wonen. Onderhavig plan richt zich deels op het ontwikkelen van woningen voor senioren. Er worden 28 sociale huurappartementen, 6 levensloopwoningen en 6 benedenwoningen voor senioren toegevoegd.

Een ander relevant speerpunt is het inzetten op onderscheidende en complementaire producten. Voorliggend plan voorziet de realisatie van 92 nieuwbouwwoningen waarbij sprake is van een divers woonprogramma. Daarmee wordt aangesloten met de vraag naar woningen voor zowel de oudere doelgroep als kleinere huishoudens.

Hiermee is sprake van een ontwikkeling die in lijn is met de regionale woonvisie en het Regionaal Actieprogramma.

3.3.2 Woonakkoord 2020-2025 Het Woonakkoord 2020-2025 is gesloten tussen de provincie Noord-Holland en de gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec, ook wel de bestuurlijke regio West-Friesland. In het eerste deel van het Woonakkoord zijn de opgaven voor wonen en bouwen geformuleerd. De opgaven zijn

pagina 17 van 45

in samenhang met andere opgaven bekeken, zoals mobiliteit en klimaat. Op basis van een gedeeld beeld van de opgaven worden in deel 2 de samenwerkingsafspraken en acties benoemd, hier worden marktpartijen betrokken.

De regio West-Friesland heeft een gevarieerd aanbod aan stedelijke en landelijke woonmilieus. De regio beschikt over knooppunten van openbaar vervoer die liggen in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen. Hoorn vervult een belangrijke centrumfunctie voor de regio. Daarnaast beschikt de regio over unieke landschappen en een sterke economische structuur. Daardoor is de regio een aantrekkelijk woongebied.

Uitgangspunt bij het invullen van de woningbouwopgave is binnenstedelijk en rond OV-locaties bouwen. Voor een gevarieerd woonmilieu en het aanbieden van een complementair woningbouwprogramma maken buitenstedelijke plannen, conform de woonagenda van de provincie, ook onderdeel uit van dit woonakkoord. Ook in aanmerking genomen dat de provincie in haar woonagenda heeft opgenomen dat ze de woningbouw wil versnellen en aanjagen. Conform de Omgevingsvisie NH 2050 wordt de woningbouw vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland. Ook de voorzieningen en leefbaarheid in kleine(re) kernen verdienen aandacht, evenals de bescherming en ontwikkeling van het landschap. De nieuwbouw moet toekomstbestendig worden gebouwd. Een specifieke opgave op het snijvlak van wonen en economie is de huisvesting van arbeidsmigranten.

De regio heeft tot doel om de inwoners van West-Friesland naar wens en tevredenheid te laten wonen en een breed scala aan woonwensen binnen de regio te realiseren. De regio zet hiertoe in op:

▪

versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woningaanbod voor iedere doelgroep;

▪

het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad;

▪

leefbaar en bereikbaar West-Friesland tot in de kern;

▪

onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten;

▪

langer zelfstandig wonen bevorderen;

▪

werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het woonakkoord. Er wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave voor meerdere doelgroepen. Ook wordt met levensbestendige woningen langer zelfstandig thuiswonen bevorderd.

Onderhavig plan is regionaal afgestemd conform het afwegingskader wonen Westfriesland 2021, het ambtelijk overleg wonen (11-10-2023) en het bestuurlijk overleg (VVRE) (2-11-2023). Hiermee is het plan passend binnen het regionaal beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie landschap gemeente Drechterland De Structuurvisie landschap gemeente Drechterland is op 23 mei 2011 vastgesteld. Deze structuurvisie biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap in de gemeente Drechterland. De visie kan dienen

pagina 18 van 45

als kapstok voor uitwerkingen en bestemmingsplannen en als basis voor de afweging van initiatieven uit de markt.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. Daarom kan aangenomen worden dat dit deel van Hoogkarspel is aangewezen als gebied waar nieuwe ontwikkelingen ten behoeve van wonen mogelijk zijn. Het voornemen is om het gebied te ontwikkelen van agrarisch naar woongebied met verschillende woningtypen die een sterke relatie hebben met het omliggende landschap. Op deze manier wordt een woongebied gerealiseerd die passend is in dit gebied.

Structuurvisie landschap (plangebied is globaal rood omcirkeld)

3.4.2 Welstandsnota Drechterland De Welstandsnota Drechterland is op 27 juni 2011 vastgesteld door de raad. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een

pagina 19 van 45

bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 2 'De ruilverkavelingen'. Voor dit gebied geldt een aanduiding als regulier welstandsgebied, waarbij de nadruk ligt op het respecteren en geleidelijk transformeren van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten.

Het voor dit initiatief opgestelde beeldkwaliteitsplan is met instemming van de Welstandcommissie van de gemeente Drechterland opgemaakt. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in de regels van het voorliggende TAM omgevingsplan en is daarmee als bindend kader voor de welstandstoets opgenomen.

3.4.3 Woonprogramma 2021-2025 Drechterland Op 27 september 2021 heeft de raad het Woonprogramma 2021-2025 Drechterland 'Prettig wonen in vitale dorpen' vastgesteld. In dit programma geeft de gemeente aan hoe men de komende jaren in Drechterland wil omgaan met de grote woningvraag die er leeft. Het woonprogramma is opgebouwd aan de hand van zes thema’s. Per thema zijn de belangrijkste doelstellingen benoemd.

▪

Thema 1: kwalitatieve woningbouwopgave.

▪

Thema 2: wonen en zorg.

▪

Thema 3: evenwichtige wijken en dorpen.

▪

Thema 4: voldoende aanbod aan sociale huurwoningen.

▪

Thema 5: kwantitatieve woningbouwopgave.

▪

Thema 6: duurzaamheid.

Planspecifiek Voor thema 1 (kwalitatieve woningbouwopgave) geldt bij het dorp Hoogkarspel, waarin het plangebied is gelegen, dat er vanuit de gemeente een behoefte bestaat aan meer variatie in woningtypen. Het grootse deel van de woningen in Drechterland bestaat in de huidige situatie uit grote eengezinswoningen. De gemeente kaart aan dat door de veranderende samenstelling van inwoners er vraag is naar een meer diverse woningvoorraad. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 92 woningen in verschillende segmenten zoals sociale huur, goedkope koop, betaalbare koop en dure koop. Hiermee sluit het aanbod aan op de veranderende samenstelling van de gemeente.

Voor thema 2 (wonen en zorg) is de behoefte om meer passende locaties en woonvormen voor senioren te realiseren. Het woonprogramma van voorliggend plan sluit aan op de doelstellingen van het woonprogramma. Zo zijn er circa 40 woningen mede bestemd voor senioren. De woningen bestaan uit verschillende typen en schalen.

Als uitwerking van thema 4 (voldoende aanbod aan sociale huurwoningen) wil de gemeente het aanbod van sociale huurwoningen uitbreiden. Doelstelling van het woonprogramma is om het aandeel van 20% sociale huurwoningen in de huidige woningvoorraad te vergroten naar 25% in 2025. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 28 sociale huurwoningen in Hoogkarspel. Hiermee bestaat het woonprogramma voor 30% uit

pagina 20 van 45

sociale huur, boven het minimum van 25% uit het woonprogramma 2021-2025 en conform de Woondeal 2.0 Noord-Holland Noord.

Thema 5 (kwantitatieve woningbouwopgave) van het woonprogramma betreft het uitbreiden van de woningvoorraad

met

700 nieuwbouwwoningen

tot 2025. Doelstelling

hierbij is

dat

de

nieuwbouw meer

doorstroming creëert en meer kansen biedt voor starters op huur- of koopwoningen. Voorliggend TAMomgevingsplan voorziet in de realisatie van 92 woningen, waardoor wordt bijgedragen aan de kwantitatieve woningbouwopgave. Ook worden er met sociale huur- en goedkope koopwoningen kansen gecreëerd voor starters, en wordt er met het diverse aanbod van koopwoningen ruimte gemaakt voor doorstromers.

Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan aansluit bij het Woonprogramma 2021-2025.

pagina 21 van 45

4 Onderzoek 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn.

Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn:

1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

pagina 22 van 45

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 92 woningen. Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt:

Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:

1.

die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en

2.

waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Voor voorliggend plan is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling opgesteld (Buro SRO, d.d. 4 maart 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Uit de aanmeldnotitie blijkt dat, gelet op alle kenmerken van het project en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken naar diverse aspecten, kan worden uitgesloten dat de beoogde nieuwe situatie belangrijke nadelige effecten zal hebben voor de verschillende milieuaspecten. Er zijn geen essentiële milieueffecten die door middel van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. Voor de verschillende milieueffecten kan op basis van beschikbare onderzoeken behorende bij de onderbouwing van het TAM-omgevingsplan beoordeeld worden of er sprake is van potentiële effecten. Er is derhalve geen MER-procedure noodzakelijk.

4.2 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten

op

grond

van

een

omgevingsplan

of

een

omgevingsvergunning

voor

een

omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

pagina 23 van 45

Planspecifiek Bij een wijziging naar een gevoeliger bodemgebruik dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Derhalve is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, d.d. 28 december 2022, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 2). Tijdens dit onderzoek is naast de chemische kwaliteit van de bodem en het grondwater ook aanvullend onderzocht op PFAS en op asfalt en fundatie De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat.

Uit de onderzoekresultaten blijkt dat er in de grond en het grondwater enkel lichte verhogingen zijn aangetoond. Dit is in lijn met de gestelde hypothese en de bodemkwaliteitskaart. In de bodem is een lichte verhoging van zware metalen aangetoond. In het grondwater zijn lichte verhogingen van barium, nikkel en naftaleen gemeten.

Ter plekke van een bestaande bovengrondse tank is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar minerale olie en aromaten. In het grondwater zijn geen verhogingen boven de streefwaarden gemeten.

Tijdens het vooronderzoek is opgemerkt dat er in het verleden slootdempingen hebben plaatsgenomen in het plangebied. In de slibhoudende laag van de slootdemping is een lichte verhoging van kwik aangetoond.

De aangetoonde verhoogde gehalten overschrijden de betreffende streef- en achtergrondwaarde niet. De aangetoonde chemische kwaliteit geeft geen aanleiding tot het uitvoeren aanvullend onderzoek.

Uit het aanvullend onderzoek op PFAS blijkt dat de bovengrond is beoordeeld als klasse Achtergrondwaarde volgens het landelijk geldende handelingskader voor het toepassen op landbodem. Verder is het toepasbaar in regionale- en rijkswateren. De ondergrond is beoordeeld als niet verontreinigd.

Uit het aanvullend onderzoek naar asfalt en fundatie blijkt dat er geen PAK is aangetroffen en dat het asfalt geschikt is voor warm hergebruik. Daarnaast is er een fundatie bestaande uit menggranulaat aangetroffen. Er is in de aangetroffen fundatie zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond.

Geconcludeerd kan worden dat de bevindingen van dit onderzoek geen belemmeringen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.

Benoemd moet worden dat de tot nu toe uitgevoerde bodemonderzoeken niet compleet zijn. Ter plaatsen van de bedrijfsgebouwen heeft nog geen onderzoek kunnen plaatsvinden. Na bedrijfsbeëindiging kan op deze locaties nog aanvullend onderzoek worden gevoerd. De bovenstaande conclusies over de bodemkwaliteit zijn hiermee onder voorbehoud van de resultaten van het nog uit te voeren aanvullende en eindonderzoek.

4.3 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen

pagina 24 van 45

geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Het

beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen binnen de geluidszones van de provinciale weg N505 (Drechterlandseweg) en de Kerspelweg. Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van railverkeer of in de geluidszone van een industrieterrein of luchthaven. Om deze reden is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (S&W, d.d. 4 juni 2024, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 3). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat.

Uit het akoestisch onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

▪

Door de geluidsbelasting door wegverkeer van de N505 na aftrek van 5 dB volgens artikel 110g Wgh niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximaal toelaatbare waarde van 63 wordt echter niet overschreden.

▪

De gecumuleerde geluidsbelasting is, inclusief aftrek artikel 110g, op diverse plaatsen op de gevels van het bouwplan hoger dan 48 dB.

▪

Om het planvoornemen mogelijk te maken zal een hogere waarde moeten worden aangevraagd bij de gemeente.

Voor het verminderen van het wegverkeerslawaai is gekozen om een geluidscherm toe te passen langs de N505. Er is onderzocht in hoeverre deze de geluidsbelasting kan verlagen. In het akoestisch onderzoek is getoetst of een geluidscherm van 2,5, 4,5 of 7,5 meter het woon- en leefklimaat verbeteren, vergeleken met de situatie zonder een geluidscherm. Hieruit blijkt dat een geluidscherm van 2,5 meter hoog het woon- en leefklimaat voor enkele woningen redelijk verbeterd, maar dat veel woningen nog een hoge toetreding van verkeerslawaai ervaren. Met het toepassen van een geluidscherm van 7,5 meter hoog wordt het woon- en leefklimaat van bijna alle woningen aanzienlijk verbeterd. Dit geldt niet voor de woningen langs de Kerspelweg

In overleg met de gemeente drechterland is besloten gebruik te maken van een geluidscherm van 4,5 meter hoog.

Met

een

scherm

van

4,5

meter

hoog

wordt

het woon-

en

leefklimaat van

bijna

alle

woningen eveneens verbeterd. Ook met deze maatregel blijven er enkele woningen waar de geluidsbelasting

pagina 25 van 45

boven de voorkeursgrenswaarde blijft. Voor deze woningen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de geluidswering de gevels. Hiermee moet worden aan de eisen zoals gesteld in afdeling 3.1 van het Bouwbesluit 2012. Een deel van het plangebied kent een hogere geluidsbelasting dan de toegelaten standaardwaarde. De gronden met een hogere belasting liggen binnen het zogenaamde geluidsaandachtgebied. Voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen binnen dit gebied gelden aanvullende regels.

Het aanvragen van een hogere waarde in verband met de geluidbelasting ten gevolge van de N505 bij de gemeente is noodzakelijk om het planvoornemen te kunnen realiseren. De gemeente Drechterland beschikt niet over een hogere waarden beleid.

In het kader van de Wabo dient te worden aangetoond dat de geluidwering van de gevels en het binnenniveau voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit en de Wet geluidhinder. Dit kan door middel van een onderzoek naar de geluidwering van de gevels.

Indien een hogere waarde wordt aangevraagd bij de gemeente vormt het aspect geluid geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

4.4 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek Het plangebied ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3.000 woningen (twee ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (Peutz, d.d. 18 september 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de gevolgen van de beoogde ontwikkeling op de optredende immissieconcentraties van stikstofdioxide (NO 2) en

pagina 26 van 45

fijnstof (PM10 en PM2,5) in de directe omgeving van het plangebied. In de huidige situatie worden de grenswaarden van 40 μg/m³ voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) en 25 μg/m³ voor fijnstof (PM2,5) op jaarbasis niet overschreden. De huidige achtergrondconcentraties bedragen (NO 2) 11,5 μg/m³, (PM10) 13,2 μg/m³ en (PM2,5) 6,5 μg/m³. Er is een berekening gemaakt van de te verwachten achtergrondconcentraties in de toekomstige situatie, hiervoor is gebruikt gemaakt van een verkeersstudie waar in paragraaf 4.10 verder op in wordt gegaan. Uit de berekening blijkt dat de achtergrondconcentraties in de toekomstige situatie enigszins stijgen ten opzichte van de huidige situatie, maar ruim onder de grenswaarde blijven. De resultaten van de berekening zijn in de onderstaande afbeelding te zien.

berekening luchtkwaliteit toekomstige situatie (bron: Peutz)

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.

Nationaal Waterprogramma

pagina 27 van 45

Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016.

Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben.

Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen dient het water tijdelijk in het plangebied te worden geborgen op basis van het toekomstig dakoppervlak. Hiertoe dient een berging van 70 mm te worden gerealiseerd met een totaal van 400 m3.

Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakte minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.

Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstil beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Op grond van de waterschapsverordening geldt dat het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak zonder vergunning is toegestaan indien de verhardingstoename minder dan 800 m² bedraagt, de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvlak beslaat en het desbetreffende watersysteem van de toename van de piekafvoer kan verwerken.

pagina 28 van 45

Het plangebied heeft in de huidige situatie een oppervlak van 30.755 m², waarvan circa 40% verhard is en in gebruik is voor bollenteelt. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet de bouw van 92 woningen, er wordt circa 18.518 m² aan bebouwing en wegen gerealiseerd. De huidige verharding bedraagt ca 11.122 m², waardoor er sprake is van en toename van verharding van ca 7.396 m². De verharding neemt toe met meer dan 800 m² wat betekend dat er een compensatie-eis van 9% geldt. Ook dient er een watervergunning aangevraagd te worden bij het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14833781/1