CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B2. ruimtelijke onderbouwing gewijzigde situering kapschuur (2025-09)

Gemeenteraad 24 maart 2025, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Afgifte verklaring van geen bedenkingen voor realisatie kapschuur Zuiderdijk 30a Venhuizen (2025-09)17.977 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

omgevingsvergunning

Venhuizen - Zuiderdijk 30 (kapschuur) Drechterland

DATUM IMRO IDN

07-06-2024 NL.IMRO.0498.20220935-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Venhuizen - Zuiderdijk 30 J. Posthumus

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

20220935

AUTEUR STATUS

Rho adviseurs vastgesteld

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Projectgebied

6

1.3

Planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

11

Projectbeschrijving

12

2.1

Huidige situatie

12

2.2

Voorgenomen initiatief

16

2.3

Ruimtelijke en functionele inpassing

17

2.4

Verkeer en parkeren

23

Hoofdstuk 3

Beleidskader

24

3.1

Rijksbeleid

24

3.2

Provinciaal beleid

26

3.3

Gemeentelijk beleid

27

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

29

4.1

Ecologie

29

4.2

Bodemkwaliteit

30

4.3

Water

30

4.4

Bedrijven en milieuzonering

32

4.5

(Spoor)wegverkeerslawaai

33

4.6

Luchtkwaliteit

34

4.7

Archeologie

34

4.8

Cultuurhistorie

35

4.9

Kabels en leidingen

35

4.10

Externe veiligheid

35

4.11

Duurzaamheid

36

Uitvoerbaarheid

37

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

37

5.2

Economische uitvoerbaarheid

39

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 5

3/204

Hoofdstuk 6

Conclusie

40

6.1

Aanleiding

40

6.2

Afweging

40

6.3

Conclusie

40

Bijlage

41

Bijlage 1

Stikstofberekening aanlegfase

43

Bijlage 2

Stikstofberekening gebruiksfase

51

Bijlage 3

Quickscan ecologie

59

Bijlage 4

Advies Archeologie West-Friesland

93

Bijlage 5

Verkennend bodemonderzoek

99

Bijlage 6

Aanvullend verkennend bodemonderzoek

167

Bijlage 7

Watertoets

197

4/204

Ruimtelijke onderbouwing

5/204

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op het perceel Zuiderdijk 30 in Venhuizen is een loon- en aannemersbedrijf gevestigd. Het bedrijf is voornemens om het bestaande bedrijfsgebouw gefaseerd uit te breiden. Het bestaande bedrijfsgebouw bestaat uit een schuur en kantoor en heeft een afmeting van 60 x 60 meter. De uitbreiding betreft de bouw van een vrijstaande overkapping aan de westkant van het bedrijf (100 x 16 meter) in de vorm van een kapschuur. Binnen de bestemming 'Bedrijf – Agrarisch loonbedrijf' is het mogelijk om binnen het bouwvlak gebouwen en overkappingen te bouwen ten behoeve van het agrarisch loonbedrijf. De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan, omdat de uitbreiding deels buiten het bouwvlak en binnen de bestemming 'Natuur' ligt. Er kan medewerking worden verleend aan de ontwikkeling middels het verlenen van een omgevingsvergunning conform artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning buitenplanse afwijking). De begrenzing van het projectgebied van deze aanvraag omgevingsvergunning betreft de huidige begrenzing van het huidige bestemmingsvlak Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf inclusief de gronden waarvan in 2013 reeds een omgevingsvergunning verleend is inclusief de gronden ter hoogte van de toekomstige overkapping. De begrenzing van het projectgebied van deze aanvraag is weergeven in figuur 1.

Het bedrijf is tevens voornemens om de gronden ten noorden van het projectgebied, die in het huidige bestemmingsplan de bestemming Natuur hebben, te mogen gebruiken voor zijn bedrijfsvoering. Hiervoor wordt een aparte aanvraag gedaan. Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'. De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet daarin.

1.2

Projectgebied

Het projectgebied betreft het perceel Zuiderdijk 30 in Venhuizen. Het gebied ligt aan de Zuiderdijk en ligt ten noordoosten van het dorp Oosterleek en ten zuiden van het dorp Venhuizen. De situering is weergegeven in figuur 1.1. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op basis van het huidige bestemmingsvlak Bedrijf Agrarisch loonbedrijf inclusief het projectgebied van de in 2013 verleende omgevingsvergunning.

6/204

Figuur 1.1

7/204

Luchtfoto met situering projectgebied

1.3

Planologische regeling

Bestemmingsplan Drechterland Zuid Het projectgebied is juridisch-planologisch geregeld in het bestemmingsplan Bestemmingsplan Drechterland Zuid, vastgesteld op 24 juni 2013. Op basis van dit bestemmingsplan heeft het projectgebied de volgende bestemmingen: Enkelbestemming 'Bedrijf - Agrarisch loonbedrijf', Enkelbestemming 'Natuur', Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en Gebiedsaanduiding 'Kwaliteitszone'. Uitsluitend binnen het op de gronden aanwezige bouwvlak mogen gebouwen en overkappingen gebouwd worden. De maximale goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt respectievelijk 5 meter en 10 meter. Figuur 1.2 en 1.3 geven een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weer. De uitbreiding van het loon- en aannemingsbedrijf ligt deels buiten het bouwvlak en binnen de bestemming 'Natuur' en is daarmee in strijd met het geldende bestemmingsplan. Aanvullende regels gelden op gronden met een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' bij plannen die een oppervlakte hebben van meer dan 500 m² en dieper gaan dan 40 cm onder het maaiveld. In dergelijk geval is een archeologisch rapport of een quickscan van Archeologie West-Friesland vereist. Onderhavige aanvraag omvat een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen met circa 1.600 m² ten opzichte van de bestaande situatie.

Gronden met de Gebiedsaanduiding 'Kwaliteitszone' zijn mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke waarden. Dit houdt onder meer in dat grootschalige ontwikkelingen in het gebied tussen de linten, in de directe omgeving van de dijk, niet zijn toegestaan. In dit gebied mogen bouwwerken uitsluitend worden gebouwd indien voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het Beeldkwaliteitsplan Westfriese omringdijk.

8/204

Figuur 1.2

9/204

Uitsnede vigerend bestemmingsplan (rode contour betreft het projectgebied)

Figuur 1.3

Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Huidige vergunning uit 2013 Daarnaast heeft het bedrijf in 2013 een vergunning gekregen voor de bouw van een nieuwe loods inclusief het gebruik van de gronden rondom de loodsen ten behoeve van de bedrijfsvoering. Een uitsnede van de terreininrichting is weergeven in figuur 1.4. Op basis van deze vergunning mag het bedrijf een gedeelte van de gronden, die in het huidige bestemmingsplan de bestemming Natuur hebben, al gebruiken ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering. Per abuis is deze begrenzing van de terreininrichting niet in het geldende bestemmingsplan Drechterland Zuid meegenomen, waardoor dit bestaande gebruik op absis van het geldende bestemmingsplan planologisch niet is toegestaan.

10/204

Figuur 1.4

1.4

Terreininrichting uit 2013

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de gewenste ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 wordt het voor het plan relevante beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt de ontwikkeling getoetst aan de omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 behandelt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de conclusie.

11/204

Hoofdstuk 2 2.1

Projectbeschrijving

Huidige situatie

Het projectgebied is gelegen aan de Zuiderdijk en ligt ten noordoosten van het dorp Oosterleek en ten zuiden van het dorp Venhuizen. De Zuiderdijk vormt de waterkering van het Markermeer en is onderdeel van de Westfriese Omringdijk die rondom West-Friesland loopt. De dijk doet tevens dienst als weg. Aan de Zuiderdijk staat relatief weinig bebouwing. De schaarse bebouwing bestaat onder meer uit (dijk)woningen. Rond het perceel Zuiderdijk 30 ligt aan de noord- en westkant een open en weids polderlandschap. Aan de oostkant staan vrijstaande woningen en een park met recreatiewoningen. De oude lintstructuur van de Zuiderdijk wordt begeleid door vrijstaande, traditionele bebouwing met een wisselende rooilijn. De bebouwing is doorgaans georiënteerd op de weg. Op het perceel Zuiderdijk 30 in Venhuizen is een loon- en aannemersbedrijf gevestigd. Op het perceel staan achter de bedrijfswoning de bedrijfsgebouwen. De bedrijfswoning op perceel Zuiderdijk 30 heeft zijn oriëntatie op de Zuiderdijk. Een aanzicht op het projectgebied is weergegeven in figuur 2.1. Het aanzicht vanaf de Zuiderdijk is weergegeven in figuur 2.2. Een situatietekening van de huidige situatie is weergegeven in figuur 2.3.

12/204

Figuur 2.1

13/204

Situatietekening huidige situatie

Figuur 2.2

14/204

Aanzicht vanaf de Zuiderdijk

Figuur 2.3

15/204

Overzicht bestaande situatie

2.2

Voorgenomen initiatief

Het bedrijf is voornemens om de bestaande bedrijfsbebouwing uit te breiden middels de nieuwbouw van een overkapping, zijnde een kapschuur, aan de westkant van de huidige bedrijfsbebouwing van het bedrijf. De kapschuur is benodigd voor de stalling van machines en materieel die nu zijn opgeslagen op het bedrijfsterrein (in de open lucht) en ook elders in verdergelegen loodsen. Het doel van de initiatiefnemer met de kapschuur is om het perceel een opgeruimder aanblik te geven en te zorgen dat de op het perceel aanwezig zijnde materiaal en materieel overkapt worden, waardoor de kwaliteit van het materiaal en materieel behouden kan blijven en ze, zoals nu wel het geval is, niet onderhevig zijn aan de weersinvloeden omdat het allemaal in de open lucht bevindt. Ook is het doel om het aantal verkeersbewegingen af te laten nemen, omdat er nu elders in het dorp diverse ruimten gehuurd worden voor het opslaan van machines. Deze kunnen in de toekomstige situatie in de kapschuur worden opgeslagen. In figuur 2.4 is de kapschuur opgenomen waarvoor nu vergunning wordt aangevraagd tezamen met het gebied dat in 2013 is vergund.

16/204

Figuur 2.4

2.3

Ontwerp toekomstige situatie (16-05-2024)

Ruimtelijke en functionele inpassing

Het plan stelt de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw in het landelijk gebied voor. Van belang is dat de bebouwing op een verantwoorde wijze wordt ingepast in het landschap. De totale oppervlakte qua gebouwen bedraagt 5.200 m2. Een overzicht van de gewenste indeling van de locatie is weergeven in figuur 6. De landschappelijke inpassing, conform de landschappelijke inpassing van boerenerven, is mede naar aanleiding van het advies van de Welstandcommissie tot stand gekomen.

17/204

De nieuwbouw van de kapschuur vindt ten opzichte van de bestaande bedrijfsbebouwing naast de bestaande bedrijfsbebouwing maar een klein gedeelte zal voor de bestaande voorgevel lijn naast de bestaande bedrijfsbebouwing worden gerealiseerd. Dit heeft namelijk te maken met het overdekken van de spoelplaats. Zodat met slecht weer de werknemer beschut is om z'n werk te doen. De kapschuur zal qua vormgeving en materiaalgebruik aansluiten op de bestaande bebouwing. De kapschuur heeft een goothoogte van 5.7 meter en een bouwhoogte van 7.8 meter. Met de voorgestane bouwhoogte van de kapschuur blijft deze lager dan de bestaande bedrijfsbebouwing. In deze paragraaf wordt de landschappelijke inpassing kort beschreven volgens de ruimtelijke kwaliteitssystematiek van de provincie. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (Provincie Noord-Holland, 2018) In de Leidraad is het Noord-Hollandse landschap onderverdeeld in deelgebieden. Het projectgebied ligt in het deelgebied West-Friesland Oost. Ontstaansgeschiedenis West-Friesland is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment die zijn afgezet door het Zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing van zand en klei uit zee. Hierop vestigde zich al vroeg een groot aantal mensen in een relatief hoge dichtheid. West-Friesland is dan ook een archeologisch waardevol gebied, met in de bodem relicten van nederzettingen uit Steentijd, Bronstijd, Ijzertijd en Romeins tijd (zie ook archeologie). Vooral de resten uit de Midden- en Late-Bronstijd uit oostelijk West-Friesland zijn uniek. Vanaf de Ijzertijd vernatte het gebied waardoor er veen tot ontwikkeling kwam. Dit maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het veen in ontginning genomen. Om het gebied te ontwateren werden vanuit bestaande veenrivieren parallelle sloten het veen in gegraven. Op de droge toplaag kon men vervolgens wonen en akkers aanleggen. Een deel van de ontginningen werd beperkt door natuurlijke grenzen of bezitsgrenzen maar elders trok men onder druk van de bodemdaling steeds verder het veen in – net als in andere veengebieden.

Om droge voeten te houden werden de nederzettingen verplaatst naar de hoogste plaatsen in het landschap, ten oosten van Hoorn en bij Medemblik lagen veel nederzettingen op kreekruggen. Kreekruggen zijn kronkelende zandbanen die op veel plaatsen in West-Friesland voorkomen. De zandbanen zijn met zand opgevulde restanten van voormalige getijgeulen. Er zijn twee hoofdtakken. De noordelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Abbekerk, Twisk en Opperdoes naar Medemblik. De zuidelijke hoofdtak loopt vanaf Hoogwoud via Wognum ten noorden langs Hoorn naar Wijdenes en verder richting Enkhuizen.

18/204

De meeste nederzettingen in de veenontginningen kregen de vorm van langgerekte linten. Veel plaatsnamen in West-Friesland eindigend op –woud, -woude en –broek (zoals Westwoud en Grootebroek) herinneren nog aan het onontgonnen landschap en de veenvegetatie. Het veenpakket dat zich eerder op de kleibodem had ontwikkeld, is inmiddels verdwenen door oxidatie. Het gebied heeft echter wel de ruimtelijke karakteristieken van een veenontginningsgebied behouden. Doordat de gronden ter weerszijden van de opgevulde getijdegeulen zijn ingeklonken en het zand in de geulen niet, zijn deze met zand gevulde geulen nu lichte verhogingen in het landschap. Dit noemt men reliëfinversie. Vanaf omstreeks de 11e eeuw begon men met het aanleggen van dijken om de veenontginningen tegen inbraken van de zee te beschermen. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw vormden deze dijken één geheel: de Westfriese Omringdijk. Door de gesloten dijk nam de invloed van de zee sterk af. De Omringdijk onderging na aanleg nog flinke veranderingen door de vele doorbraken en achter zwakke dijktracés werden inlaagdijken (reservewaterkeringen) aangelegd. In de late middeleeuwen trachtte Graaf Floris V West-Friesland aan zich te onderwerpen door dwangburchten – waaronder kasteel Radboud bij Medemblik– te bouwen langs de dijk.

Nog altijd vormt de Omringdijk door zijn hoogte en als scheiding tussen landschapstypen die in verschillende periode zijn ontstaan, de markante begrenzing van het oude zeekleigebied. Het gebied kende lang vooral een agrarisch gebruik (akkerbouw en fruitteelt). Het grootste deel van het transport ging over water. Polder het Grootslag was bijvoorbeeld een ‘vaarpolder’ met een zeer beperkt aantal wegen. Als onderdeel van de intensivering en structuurverbetering van de Nederlandse landbouw vonden in de tweede helft van de 20e eeuw grootschalige ruilverkavelingen en daarmee schaalvergroting plaats. Het landschap werd getransformeerd, maar dat gebeurde niet overal op dezelfde manier of in dezelfde mate. In polder Het Grootslag is het landschap in de jaren 80 bijvoorbeeld ingrijpend getransformeerd, veel sloten werden gedempt en er werd een wegennetwerk aangelegd. De ecologische zone in de polder verwijst nog naar de vaarpolderstructuur die er vroeger was. Langs de Markermeerdijk tussen Hoorn en Enkhuizen is het historische landschap nog zichtbaar. Sindsdien is het beeld van het agrarisch landschap onder invloed van schaalvergroting van agrarische bebouwing verder gewijzigd. In delen van polder het Grootslag, waar het projectgebied deel van uitmaakt, bijvoorbeeld begint het agrarisch platteland meer de verschijningsvorm van een bedrijventerrein te krijgen.

Het gebied ten zuiden van Andijk is ingericht als glastuinbouwgebied. Andere delen van het ensemble zijn in de laatste decennia van de vorige eeuw flink verstedelijkt, bijvoorbeeld bij Hoorn, Medemblik, Enkhuizen, Hoogkarspel, Bovenkarspel en Wervershoof. Kernwaarden West-Friesland Oost heeft de volgende drie provinciale kernwaarden: de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken.

19/204

Landschappelijke karakteristiek West-Friesland Oost is een oud zeekleilandschap met de karakteristiek van een veenontginningsgebied. Kenmerken zijn de lange veenlinten en opstrekkende kavels haaks op de linten. De ligging van de linten is afhankelijk van de richting van de ontginningen en vaak sterk gerelateerd aan de ondergrond (de hooggelegen kreekruggen). Waterlopen als de Kadijk, de Gouw, de Groote Vliet en de Molensloot zijn enkele relicten van het ooit waterrijke landschap. De kronkelende dijken en de braken en wielen zijn het resultaat van de lange strijd tegen het buitenwater. Tussen Enkhuizen en Hoorn vormt de Westfriese Omringdijk een scherpe grens tussen land en water. De dijk is hier meer belast door wind en golven en voorland ontbreekt vrijwel geheel. Aan de binnenzijde, bij Wijdenes en Schellinkhout, is het historische landschap met een fijnmazige verkaveling, boomgaarden (fruitteelt), historische linten en waterlopen nog redelijk intact gebleven. Openheid en ruimtebeleving Dit oostelijke deel is het minst open ensemble van West-Friesland. Het verloor de grootschalige openheid door de aanleg van woongebieden, bedrijventerreinen en agrarische bebouwing en is nu matig open tot gesloten. In het kleinschalige landschap aan de Markermeerdijk, tussen Hoorn en Enkhuizen, is het oorspronkelijke landschap en de openheid het best bewaard gebleven.

Aan beide zijden van het lint is het landschap open (de zogenaamde ‘gedeelde ruimte’). Ruimtelijke dragers De Westfriese Omringdijk markeert de begrenzing van het oude zeekleigebied. Dit is een provinciaal monument en een ruimtelijke drager van regionale betekenis. De dijk is door de scheiding water en land, het steile profiel en de grote hoogte zeer herkenbaar in het landschap. In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen. Ambities en Ontwikkelprincipes De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen: bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. De ambities en ontwikkelprincipes zijn onder andere gebaseerd op het Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk (Feddes/Olthof, Grontmij in opdracht van provincie Noord-Holland, 2009), Een dijk van een regio, structuurschets Westfriesland (Urhahn | stedenbouw & strategie, in opdracht van de zeven Westfriese gemeenten, 2017) en de Handreiking Ruimtelijke inpassing Bollenbroeierij het Grootslag (PARK-advies provincie Noord-Holland, 2016). De ontwikkeling vindt plaats in het grootschalig landbouwgebied langs de Zuidelijke kustzone Enkhuizen-Hoorn.

De verkavelingsstructuur bestaat hier uit lange, vrij smalle noord zuid gericht kavels. Het gebied is open. Het perceel wordt aan de zuidzijde begrensd door een watergang. Kenmerkend voor de omgeving van het

20/204

projectgebied aan de Zuiderdijk is de openheid en de opstrekkende verkaveling. In de omgeving is weinig opgaand groen. De incidentele beplanting die in het gebied is, bestaat voornamelijk uit beplanting rond/op erven. De verkavelingsstructuur is regelmatig en grootschalig. Kavels worden van elkaar gescheiden door sloten. Het gebied is ontsloten door de Zuiderdijk die onderdeel is van de Westfriese Omringdijk. Het projectgebied ligt ten noorden van de Zuiderdijk en ten noordoosten van het dorpje Oosterleek. Het perceel ligt als los element aan de Westfriese Omringdijk. De nieuwbouw vindt plaats in aansluiting op de bestaande bebouwing, aan de westzijde. De bebouwing blijft binnen de bestaande verkaveling. Voor het gebied gelden verder geen specifieke landschappelijke of aardkundige waarden. Ook met de uitbreiding blijft er voldoende ruimte bestaan tussen de bebouwing aan de Zuiderdijk. Er is geen sprake van een verdichting van de zichtlijnen vanaf de openbare weg. De aanwezige zichtlijnen blijven grotendeels bestaan. Het open karakter van het gebied is kenmerkend. Aangezien de nieuwe bebouwing aansluit op de bestaande bebouwing en wordt ingepast in de bestaande verkaveling, wordt geen afbreuk gedaan aan deze openheid. De nieuwbouw sluit qua situering en richting ook aan op de bestaande bebouwing. Dit sluit ook goed aan op het huidige ordeningspatroon.

Ten zuiden van het projectgebied bevindt zich de Westfriese Omringdijk. Deze blijft met de ontwikkeling onaangetast. Vanaf de dijk moet het zicht vanaf de Westfriese Omringdijk op het kleinschalige landschap en op het open water behouden blijven. Door de gewenste uitbreiding directe achter -en naast de bestaande bebouwing te realiseren, zal sprake blijve van geconcentreerde bebouwing. Hierdoor blijft het zicht op het kleinschalige landschap behouden. Aan de voorzijde van het bedrijf bevinden zich een aantal bomen, zoals bij de meeste (agrarische) percelen het geval is. In de gewenste situatie wordt rondom het projectgebied deze typische elementen aangevuld. Het gewenste bedrijfsgebouw zal qua vormgeving en materiaalgebruik aansluiting vinden bij de huidige bedrijfsgebouwen waardoor een eenduidig beeld zal ontstaan. De omvang van het bedrijfsperceel sluit in de nieuwe situatie aan op de bestaande bedrijfsloodsen. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de bebouwingskarakteristiek. In de omgeving is sprake van een weide, grootschalig en open landschap met langs de linten enige laan- en erfbeplanting. Voor de inpassing van de ontwikkeling wordt uitgegaan van het realiseren van een zo compact mogelijk erf, met een eenvoudige rechthoekige vorm, passend bij de huidige verkavelingsstructuur.

Daarnaast is het van belang dat er tussen de linten ruimte blijft behouden en deze niet aan elkaar groeien. Met de uitbreiding van het bedrijf is hier geen sprake van. Er blijft ruimte tussen het lint van de Elbaweg ten noorden van het projectgebied en het lint van de Zuiderdijk. De landschappelijke inpassing bestaat uit een combinatie van een dichte boomsingel (combinatie bomen en struiken) en een bomenrij aan de oostzijde en westzijde. Aan de noordzijde is verder nog een grondwal en aan de noordzijde bevinden zich nog enkele boomsingels. Aan de Markermeerzijde is het bedrijfserf begrensd met een bomenrij en een boomgaard. Tevens is er sprake van een open en groen voorerf met enkele boomgroepen bestaande uit bomen van de eerste orde. Het nieuwe erf is begrensd door bestaande sloten. Het erf sluit

21/204

hierdoor goed aan in het huidige verkavelingspatroon. Met het groene en open woonerf, het omplante bedrijfserf en het patroon van sloten wordt een respectvolle omgang met de Westfriese Omringdijk en structuur en openheid van het landschap getoond. Wijziging ontwerp Naar aanleiding van de zienswijzenprocedure, waarin een aantal reclamanten bezwaar had tegen het uitsteken van de kapschuur aan de noord- en zuidzijde, is de situering van de kapschuur gewijzigd. Op figuur 2.5 is de voormalige situering weergegeven. Hierop is te zien dat de kapschuur in de voormalige situatie aan zowel de zuid- als noordzijde van de bestaande bebouwing uitstak. Naar aanleiding van de zienswijzen is besloten om de kapschuur gelijk te trekken met de voorzijde (zuidzijde) van de huidige bedrijfsbebouwing. De achterzijde van de kapschuur schuift in noordelijke richting op, met gelijkblijvende lengte en breedte. Zie figuur 2.4. Aan de west- en oostzijde komt een bomenrij, wat het zicht op de kapschuur aan deze zijdes ontneemt. Hiermee is de kapschuur landschappelijk beter ingepast.

Figuur 2.5

22/204

Voormalige situering kapschuur

2.4

Verkeer en parkeren

In de huidige situatie worden seizoensgebonden machines gestald op twee locaties in de buurt. Wanneer er onderhoud plaatsvindt in de wintermaanden, moeten deze machines uit de stalling worden gehaald en naar de werf in het projectgebied getransporteerd worden. Elke machine levert soms meerdere ritten met vrachtwagens op. Na het onderhoud worden de machines weer in de stalling opgeslagen. Vervolgens worden de machines vóór de start van het seizoen wederom uit de stalling gehaald en worden ze draaiklaar gemaakt. Nadat de seizoensgebonden werkzaamheden klaar zijn, gaan de machines terug de stalling in. Het aantal huidige verkeersbewegingen wordt geschat op 4 ritten met de machines van en naar de opslag en 4 ritten met een personenauto om de chauffeur of machinist weer op te halen per jaar. Enkele machines hebben meerdere ritten nodig wegens de gestalde aanbouwdelen die bij de machine horen. Dit zijn per jaar ongeveer 10 zware verkeersbewegingen, eventueel met dieplader. Het aantal verkeersbewegingen per jaar wordt geschat op 400 mvt/jaar. Na de bouw van de kapschuur is het aantal verkeersbewegingen 0 mvt/jaar, omdat de machines dan in de kapschuur op het perceel gestald kunnen worden. De ontwikkeling levert in dat opzicht een verbetering op voor de verkeersveiligheid. Het bedrijf heeft een goede en overzichtelijke aansluiting op de Zuiderdijk, die overgaat in de Elbaweg.

23/204

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Uitvoering De NOVI gaat vergezeld van een uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. IN de Uitvoeringsagenda zijn onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen te vinden. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. De ontwikkeling in het projectgebied raakt, gezien de relatief zeer kleine omvang, geen opgaven die zijn opgenomen in de NOVI. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijk beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen draagt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk

24/204

verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De beoogde ontwikkelingen binnen het projectgebied raken geen van bovenstaande Rijksbelangen. Het Rijksbeleid geeft hierdoor geen uitgangspunten voor deze ruimtelijke onderbouwing. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Bro (artikel 3.1.6) is geregeld dat een toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voorzien in duurzame verstedelijking. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het streven is om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en daarmee het voorkomen van (onaanvaardbare) leegstand en onnodig bouwen in de groene omgeving. Uit jurisprudentie is gebleken dat wanneer een plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een brutovloeroppervlakte groter dan 500 m2, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

In voorliggend geval wordt deze oppervlakte overschreden waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Historie en behoefte aan uitbreiding De ontwikkeling betreft een uitbreiding van een bestaand bedrijf. De behoefte blijkt uit de concrete vraag en probleemstelling van het bedrijf. Het productenpakket van het bedrijf breid nog steeds uit en de machines zijn aanzienlijk groter in omvang geworden. De bestaande gebouwen worden daardoor te krap. Daarnaast is het wenselijk om kostbare producten, die nu voor een groot deel buiten worden opgeslagen, inpandig op te slaan. Het bedrijfsperceel ligt beleidstechnisch in het buitengebied. Daarom moet de afweging gemaakt worden of de hiervoor beschreven behoefte opgevangen kan worden in het bestaand stedelijk gebied. Dit zou een verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein betekenen. Het bedrijfs is lokaal georiënteerd. Het heeft een sterke positie de regio en het daaromheen liggende agrarische gebied. De klantenkring en ook de werknemers komen uit deze regio. Het verplaatsen van het bedrijf naar een locatie buiten deze regio zou de afzetmarkt zodoende grotendeels doen wegvallen. Locatiekeuze De bedrijventerreinen liggen allemaal op circa 10 kilometer afstand.

Bedrijfsverplaatsing naar één van deze bedrijventerreinen betekent verplaatsen naar buiten de klantenregio van het bedrijf. Dit is bedrijfseconomisch niet aanvaardbaar, daar het betekent dat het bedrijf (vaste) klanten zal verliezen, doordat het de bijzondere lokale gebondenheid verliest en op de nieuwe locatie moet concurreren met de gevestigde orde. Daarnaast

25/204

zorgt een mogelijke verplaatsing voor langere aanrijtijden en grotere afstanden. Dit werkt kostenverhogend en is ten nadele van de concurrentie. Een andere nadeel is dat huidige werknemers op zeer korte afstand van het bedrijf wonen. Een mogelijke verplaatsing zorgt voor langere woon-werk afstanden en wordt men genoodzaakt de auto te gebruiken. Verplaatsen naar een bedrijventerrein wordt gelet op het voorgaande niet als mogelijk alternatief beschouwd. In de huidige situatie is voor het bedrijf sprake van ruimte tekort. Het bedrijf huurt daarom in de huidige situatie gebouwen in de omgeving van het bedrijf. Wegens bedrijfslogistieke redenen is het van belang dat de uitbreiding plaats vindt op het perceel zelf en niet op een elders gelegen perceel in de regio. Concentratie van de bedrijfsvoering is daarom van groot belang. Voor een optimale bedrijfsvoering is het van belang dat de bedrijfsactiviteiten geconcentreerd plaats vinden. Hierdoor is sprake van een efficiënte bedrijfsvoering. Daarnaast zorgt een concentratie ervoor dat het aantal verkeersbewegingen zo minimaal mogelijk blijft. Andere locaties binnen bestaand stedelijk gebied zijn dan ook niet gewenst. De meeste geschikte locatie voor de bedrijfsontwikkeling is daarom de huidige. Het bedrijf heeft een zeer duidelijke regiofunctie.

Het bedrijf maakt sinds 1939 deel uit van het bebouwingslint en kan worden gezien als één van de noodzakelijke voorzieningen binnen de beschreven regio. Een verplaatsing zou voor zowel het bedrijf als voor de regio een groot verlies zijn. Tot slot vergt een verplaatsing forse investering in een nieuwe locatie en onacceptabele kapitaalsvernietiging van de bestaande locatie. Deze wegen op geen manier op tegen de ruimtelijke impact van de nu voorgestelde ontwikkeling. Conclusie Gezien het vorenstaande is een gedegen afweging gemaakt om het bedrijf uit te breiden binnen het projectgebied en wordt geconcludeerd dat dit project voldoet aan de uitgangspunten van de ladder van duurzame verstedelijking.

3.2

Provinciaal beleid

Omgevingsverordening NH2020 Volgens de Omgevingsverordening NH2020, zijn de onderstaande regels van toepassing. Artikel 6.33 lid 3 Agrarische bedrijven in landelijk gebied a. agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; b. het agrarisch aanverwant bedrijf zich vestigt op een bestaand agrarisch bouwperceel; of c. het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en d. de omvang een bouwperceel na toepassing van onderdeel a, b of c ten hoogste 2 hectare bedraagt. De ontwikkeling betreft de uitbreiding van een agrarisch aanverwant bedrijf. Het betreft namelijk een bedrijf in

26/204

landelijk gebied dat hoofdzakelijk is gericht op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of het leveren van goederen en diensten ten behoeve van aanleg en onderhoud van groene of recreatieve gebieden voor publieke doeleinden, en gebruik maakt van werktuigen, apparatuur of agrarisch loonwerk. Er kan toepassing worden gegeven aan onderdeel a van artikel 6.33. In de gewenste situatie beslaat het bouwvlak minder dan 2 hectare. Aan onderdeel d van artikel 6.33 wordt daarmee ook voldaan. Artikel 6.43 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen Het projectgebied is niet gelegen binnen het Bijzonder provinciaal landschap, zoals weergeven op de kaart van de provinciale verordening. Wel grenst het projectgebied aan het Natuurnetwerk Nederland. Een ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. Dit project voorziet niet tot een een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland. De ontwikkeling vindt namelijk buiten de grenzen van het NNN-gebied plaats. Overigens betreft het het voorzetten van de bestaande activiteiten, maar zullen deze nu inpandig plaatsvinden in plaats van buiten op het terrein zelf.

In die zin kan geconcludeerd worden dat er geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden plaatsvinden. Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteit Daarnaast moet voldaan worden aan artikel 6.59. Artikel 6.59 heeft betrekking op de ruimtelijke kwaliteit eis bij nieuwe ontwikkelingen. Voor de ontwikkeling is hiervoor een beeldkwaliteitparagraaf (zie paragraaf 2.3) in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Hiermee voldoet het plan aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de regels van de Omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

Visie op Drechterland In 2021 heeft de gemeente de “Visie op Drechterland” vastgesteld. De centrale visie wordt omschreven als: “Drechterland, een vitale, aantrekkelijke en duurzame gemeente om in te leven, te wonen en te werken”. Gemeente Drechterland zet in op versterking van de lokale economie met accent op de landen tuinbouw en recreatie. Startende- en gevestigde ondernemers worden gefaciliteerd en er vindt een stimulering plaats voor een circulaire economie. Daarbij moet de unieke identiteit van de kernen en het landschap in Drechterland behouden blijven. Tevens heeft verduurzamen van de agrarische sector heeft prioriteit. Door de ontwikkeling van het plan aan de Zuiderdijk 30 wordt de lokale economie en werkgelegenheid gestimuleerd. Er vindt een toekomstgerichte ontwikkeling plaats, waarbij de landschappelijke waarden behouden blijven. De uitbreiding van het bedrijf draagt bij aan een vitaler Drechterland. Bedrijventerrein SED / Regio Op het ogenblik wordt gewerkt aan de visie bedrijventerreinen in de regio West-Friesland. De conclusie uit de

27/204

visie is dat er voor de SED minimaal 50 hectare land benodigd is om bedrijven de ruimte te kunnen bieden op een bedrijventerrein. Op dit moment zitten alle bedrijventerreinen binnen de gemeente en SED vol en daarbij is uitbreiding niet mogelijk. Dit betekent dat de huidige bedrijventerreinen aan hun maximale omvang zitten en de bedrijven ook geen uitbreidingsmogelijkheden meer hebben dan de bestaande situatie zoals die nu is. Een verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein is dan ook niet mogelijk. Structuurvisie Landschap Gemeente Drechterland De Structuurvisie Landschap Gemeente Drechterland biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap en geeft kaders voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Drechterland. Deze visie is afgestemd op het Beeldkwaliteitsplan Westfriese Omringdijk. Uitgangpunt voor deze structuurvisie landschap is de toekomstvisie Drechterlandschap, vastgesteld op 28 november 2008. De Structuurvisie Landschap vormt de basis voor de uitwerking in bestemmingsplannen en is tevens gemeentelijk beeldkwaliteitsplan in de zin van de provinciale verordening Noord Holland. In de structuurvisie zijn uitgangspunten voor verschillende deelgebieden geformuleerd en zijn veranderingen in het landelijk gebied uitgewerkt. Het projectgebied valt in het deelgebied behouden en versterken.

De belangrijkste algemene uitgangspunten zijn: openheid van open gebieden beschermen; Westfriese Omringdijk met bijbehorende open zone behouden; karakteristiek van opstrekkende kavelsloten behouden; nieuw water realiseren als versterking van bestaand patroon; bedrijfsgebouwen in de richting van de opstrek; (agrarische) bedrijfsgebouwen flankeren met erfbeplanting met name indien grenzend aan open doorzichten; materialen in gedekte aardse kleuren die zich voegen in het landschap. De landschappelijke inpassing, conform de landschappelijke inpassing van boerenerven, is mede naar aanleiding van het advies van de Welstandcommissie totstand gekomen. Voor de ontwikkeling is een beeldkwaliteitparagraaf (zie paragraaf 2.3) in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Hiermee voldoet het plan aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit.

28/204

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Voor de ontwikkeling is het van belang dat tijdens de uitvoering en in de nieuwe situatie sprake is van een goede omgevingssituatie. Deze omgevingstoets gaat in op de relevante milieuaspecten (bodem, water, milieuzonering en externe veiligheid) en om andere sectorale regelgeving (bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie, ecologie).

4.1

Ecologie

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt zowel de bescherming van natuurgebieden als de bescherming van soorten en hun verblijfsplaatsen. De provinciale verordening wijst beschermde gebieden aan die van belang zijn voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN)) en Weidevogelleefgebieden. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uit maken van het Europese Netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuurnetwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig Natura 2000-gebied betreft het Eilandspolder en ligt op circa 23 km afstand. Het Markermeer en IJmeer liggen op een kortere afstand. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het projectgebied is door de Provincie niet aangewezen als weidevogelleefgebied. Verstoring van weidevogels is niet aan de orde. Zekerheidshalve is voor het project een stikstofberekening uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 1 en 2.

Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden niet boven de 0,00 mol N/ha/jaar uit komt. Hiermee is aangetoond dat het project, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied niet kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland en overige ecologische verbindingen ondervinden geen belemmeringen van de ontwikkeling vanwege het feit dat hier geen sprake is van areaalverlies. De gronden ter hoogte van de uitbreiding zijn door de gemeente bestemd als 'Natuur'. Dit vanwege het feit dat het NNN-gebied voorheen van toepassing was op deze gronden. Echter zijn de grenzen van het NNN-gebied aangepast en maken de gronden geen deel meer uit van natuur, maar van het bedrijfsperceel zelf. De uitbreiding zorgt voor niet voor negatieve effecten van wezenlijke kenmerken en waarden van het nabij gelegen NNN-gebied. Zekerheidshalve is voor het project een beoordeling op de effecten van dit NNN-gebied uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 3. Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten op beschermde gebieden niet te verwachten is. In dit onderzoek is op figuur 25 de gewenste, toekomstige weergeven. Echter kan deze situatie pas ontstaan als de

29/204

gemeenteraad heeft besloten om medewerking te verlenen om de gronden aan de noordkant van het projectgebied te mogen gebruiken voor de bedrijfsvoering. Soortenbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng. Het voorkomen van verstoring van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect, omdat met de plannen effecten kunnen gaan ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Mogelijk moet rekening gehouden worden met deze soorten, bij de ruimtelijke procedure, als zijn voorkomen. Er worden geen gebouwen gesloopt of bomen gekapt. Daarnaast worden er geen watergangen gedempt. Hierdoor wordt geen potentieel leefmilieu van beschermde diersoorten verstoord. Zekerheidshalve is voor het project een ecologische onderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 3. Geconcludeerd wordt dat negatieve effecten op beschermde soorten niet te verwachten is.

4.2

Bodemkwaliteit

Bij het aspect 'bodem' staat de vraag centraal of de bodemkwaliteit toereikend is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. Het perceel voor de uitbreiding betreft gronden die in de huidige situatie al in gebruik zijn bij het bedrijf. Bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning is een bodemonderzoek nodig. In 2012 en 2013 zijn in het projectgebied respectievelijk een verkennend bodemonderzoek (P2012-2165 - versie 1) en een aanvullend verkennend bodemonderzoek (P2013-1931 - versie 1) uitgevoerd. Deze zijn aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd als bijlagen 5 en 6. Uit bovengenoemde bodemonderzoeken blijkt dat, gezien het doel van het onderzoek en de geringe overschrijdingen van de Achtergrond- en streefwaarden, geen noodzaak bestaat voor nader onderzoek. Bovendien betreft onderhavige aanvraag een kapschuur/overkapping voor de stalling van machines en materieel die nu al op het terrein aanwezig zijn en elders worden gestald en dus geen bouwwerk als verblijfsruimte voor mensen. Om die reden is in dit geval ook een vrijstelling voor bodemonderzoek aan de orde. Het aspect bodem staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.3

Water

Vanwege het grotere belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke ordening geworden.

30/204

Wateradvies Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) is aan Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan in het kader van de watertoets. In dit advies (zie bijlage 7) staan de maatregelen die Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier adviseert om wateroverlast te voorkomen en het water in de sloten schoon te houden. Op basis van de ingevoerde gegevens heeft het hoogheemraadschap een aantal opmerkingen. Daarnaast is er een aantal aspecten die het HHNK graag in de uitwerking van het plan verwerkt willen zien. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn Waterplan 2022-2027 opgesteld. In het Waterplan zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het plan is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk.

Bij de ontwikkeling van het Waterplan is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gebiedsbeschrijving Het projectgebied is gelegen nabij peilgebieden 6090-3 en 6090-2 in de polder Drieban. Het ter plaatse geldende streefpeil is NAP -2,1 respectievelijk -1,95 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire en primaire waterlopen. Beschermingszone B van een regionale waterkering Het projectgebied ligt ook gedeeltelijk binnen de beschermingszone B van een regionale waterkering. De op het schetsplan aangegeven locatie is geen probleem voor de waterveiligheid – werkzaamheden als graven van oppervlaktewater en aanbrengen van verharding is hier toegestaan. Waterkwantiteit Uit de ingediende gegevens bij de genoemde digitale watertoets blijkt dat de realisatie van het plan een toename van verharding en bebouwing tot gevolg heeft. De toename bedraagt 770 m2. In de huidige situatie is sprake van een totale verharding van 12.150 m2 en in de toekomstige situatie 12.920 m2.

Het toekomstige gebouw komt namelijk grotendeels te liggen op gronden die in de huidige situatie al verhard zijn. De feitelijke toename is dan ook niet 1.600 m2, maar 770 m2. Voor ontwikkeling in het buitengebied geldt dat bij een toename van 800 m2 aan verharding er watercompenatie moet plaatsvinden. Daar de verharding met minder dan 800 m2 toeneemt, is watercompensatie ook niet nodig.

31/204

Inrichting watersysteem Er mogen geen doodlopende sloten worden gegraven als watercompensatie, omdat dit de waterkwaliteit niet bevorderd. Er moet een rondgaand watersysteem ontstaan, dus een bestaande sloot verbreden is wél een mogelijkheid. Waterkwaliteit en riolering Met het project is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het HHNK voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. In dit geval wordt het sanitair afvalwater opgevangen in een put en per as afgevoerd. HHNK adviseert ook om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Met voorgenoemde adviezen wordt bij de uitvoering van het plan rekening gehouden. Vergunningen Voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan oppervlaktewater, waterkeringen en wegen in het beheer van het hoogheemraadschap en het aanleggen van =800 m² verharding is een watervergunning of ontheffing van het hoogheemraadschap nodig.

Afhankelijk van de complexiteit van aanvraag en/of werken is het belangrijk om hierover in een vroeg stadium overleg te starten, zodat onderzoeken tijdig kunnen worden gestart en wordt voorkomen dat onnodige onderzoeken worden gedaan. Houdt u rekening met de noodzakelijke proceduretijd die hiermee is gemoeid.

4.4

Bedrijven en milieuzonering

Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruik gemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën. Het bedrijf voert derhalve werkzaamheden uit die vallen in milieucategorie 3.1, waarbij een richtafstand van 30 meter, in gemengd gebied, geldt. De uitbreiding vindt plaats op meer dan 50 meter vanaf de uitbreiding tot de meest dichtbij gelegen woonbestemming aan de Zuiderdijk 29. De uitbreiding vindt plaats naast het reeds bestaande bouwvlak (lees bebouwing), waarmee de bestaande afstand én planologische situatie gehandhaafd blijft. Deze bestaande afstand tussen de woning Zuiderdijk 29 en het reeds bestaande bouwvlak is circa 10 meter (de percelen grenzen aan elkaar).

32/204

De afstand tussen bedrijf en woning wijzigt niet door de uitbreiding. Deze bedraagt in zowel de huidige als nieuwe situatie 10 m. Deze geeft daarmee geen aanleiding tot een negatieve beoordeling. Door de uitbreiding neemt wel het (bebouwde) oppervlak van het bedrijf toe. Echter, de grootte van een bedrijf is geen criterium voor de aan te houden afstand conform de richtlijn van het VNG. Hiermee concluderen we dat de nieuwe situatie gelijk is aan de bestaande situatie. Zorgplicht voor stiltegebieden Volgens artikel 4.20 van de Provinciale Omgevingsverordening NH2020 dient bij een bedrijfsuitbreiding aangetoond te worden dat voldoende rekening wordt gehouden met de zorgplicht in stiltegebieden. Verstoring is bijvoorbeeld mogelijk door onnatuurlijke geluidsbronnen, zoals geluid van wegverkeer (permanent) of geluidsbelasting bij evenementen of door werkzaamheden (tijdelijk). Geluid kan een belangrijke factor in de verstoring van fauna zijn. Diersoorten zijn alleen gevoelig voor de directe effecten van geluid. Verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces.

In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. In onderhavig plan veranderen de bedrijfsactiviteiten niet, behalve dat er meer activiteiten binnen in de schuur plaats zullen vinden. Hetgeen tot gevolg heeft dat geluid buiten zal afnemen. Daarnaast zullen de aangeplante bomen/struiken een dempende werking hebben op eventueel aanwezig geluid vanaf het perceel. Door de realisatie en het gebruik van de overkapping wordt de heersende natuurlijke rust in het stiltegebied dus niet verstoord. Vanuit de milieuzonering bestaan dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Andere woningen van derden in de directe omgeving (met bijbehorende bestemmingen) bevinden zich op een afstand van meer dan 40 meter van het bouwvlak van het bedrijf aan de Zuiderdijk 30.

4.5

(Spoor)wegverkeerslawaai

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. In voorliggend geval zijn wegverkeers-, railverkeers en industrielawaai niet van belang aangezien er geen nieuw geluidsgevoelig object wordt gerealiseerd. Het is daarom niet noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan de Wgh.

33/204

4.6

Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van belang. Projecten die slechts in zeer beperkte mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, zijn op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) daarbij vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling Niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2; projecten die minder dan 3% van de (toekomstige) grenswaarde voor stikstofdioxide of fijnstof bijdragen. Dit komt overeen met 1,2 µg/m3. Een plan dat slechts in zeer beperkte mate bijdraagt aan luchtverontreiniging is op grond van het besluit 'niet in betekenende mate' (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Alleen bij een toename van enkele honderden verkeersbewegingen per dag wordt hier niet aan voldaan. Het project zal geen stijging van het aantal verkeersbewegingen met zich meebrengen.

Als gevolg hiervan is geen sprake van verslechtering van de luchtkwaliteit. Het plan wordt op dit punt uitvoerbaar geacht. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk.

4.7

Archeologie

Voor het aspect archeologie is de Erfgoedwet van toepassing. De kern van de wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Op basis van het geldende bestemmingsplan "Drechterland Zuid" geldt voor het hele projectgebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op grond van deze regeling geldt dat bij ingrepen c.q. verstoringen dieper dan 40 centimeter beneden maaiveld en met een omvang groter dan 500 m², archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. De omvang van de uitbreiding bedraagt 1.600 m². Het betreft gronden die momenteel onbebouwd zijn. Omdat de grenswaarde van 500 m² wordt overschreden is (verkennend) archeologisch onderzoek noodzakelijk. Aan de hand van verkennend bureau- en booronderzoek kan worden bepaald of er zich ter plaatse mogelijk archeologische resten bevinden en of daar vooraf nader onderzoek voor moet worden uitgevoerd. In dit kader is, in 2012, advies gevraagd aan Archeologie West-Friesland. Het advies is als bijlage 4 toegevoegd. De conclusie is dat het niet nodig is om nader archeologisch onderzoek te plegen tijdens of voorafgaande aan de bouw.

Het gebied is archeologisch vrijgegeven door Archeologie West-Friesland.

34/204

4.8

Cultuurhistorie

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen worden beschreven op welke manier rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden in het projectgebied. Binnen het projectgebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren van het landschap als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. Daar de verkavelingsstructuur ongewijzigd blijven, worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Ook wordt geen afbreuk gedaan aan de Westfriese Omringdijk en daarin specifiek de Markermeerdijk. In het geldende bestemmingsplan heeft de dijk een kwaliteitszone middels de aanduiding 'kwaliteitszone'. Deze aanduiding is mede bestemd voor het behoud van de landschappelijke waarden, wat onder meer inhoud dat het belangrijk is dat in het gebied tussen de linten, in de directe omgeving van de dijk, geen ontwikkelingen op grote schaal plaatsvinden. Op de gronden ter plaatse van deze aanduiding mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd indien voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het Beeldkwaliteitsplan Westfriese omringdijk. Met de uitwerking van de plannen is hiermee rekening gehouden. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3.

4.9

Kabels en leidingen

Voor planologisch relevante kabels en leidingen geldt in het algemeen een belemmeringenzone waarmee in de ontwikkeling van een projectgebied rekening moet worden gehouden. In het projectgebied en in de directe nabijheid van het projectgebied liggen geen hogedruk aardgasleidingen, rioolwatertransportleidingen, drinkwatertransportleidingen, of een hoogspanningsleidingtracé. Planologische relevante kabels en leidingen vormen daarom geen belemmering voor dit project.

4.10 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Uit de inventarisatie van de risicokaart blijkt dat het projectgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de circulaire effectafstand van een LPG-tankstation.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15191669/1