CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B1. Besluit tot vervanging van Omgevingsplan Drechterland pilot Hoogkarspel

Gemeenteraad 27 januari 2025, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststelling omgevingsplan pilot Hoogkarspel (2025-1)50.634 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Artikel 5.145 beoordelingsregels erkers en serres in tuinen Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Erkers en serres in tuinen' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de diepte van een erker en/of serre mag niet meer bedragen dan 1,50 meter vanuit de gevel van het bijbehorende woonhuis, met dien verstande dat de diepte van de voortuin c.q. de zijtuin in ieder geval niet minder mag bedragen dan respectievelijk 3,00 meter en 2,00 meter, na het realiseren van de erker en/of serre; b. de breedte van de erker en/of serre mag niet meer bedragen dan 70% van de gevel van het woonhuis waaraan de erker of serre wordt aangebouwd; c. de goothoogte van een erker of serre niet meer bedraagt dan 3,00 meter; d. de bouwhoogte van een erker of serre niet meer bedraagt dan 3,25 meter; e. de diepte van een luifel en/of een balkon mag niet meer bedragen dan 1,50 m gemeten vanuit de gevel van het bijbehorende woonhuis.

Artikel 5.146 beoordelingsregels bijgebouwen of overkappingen in tuinen Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijgebouwen of overkappingen in tuinen' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte per bouwperceel; b. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte; c. de bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte.

SubParagraaf 5.3.3.9 Bouwen bijbehorende bouwwerken verkeer

38

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Artikel 5.147 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer

Concept

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 15,00 m; b. de bouwhoogte van overige bijbehorende bouwwerken, geen overkappingen of gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 3,00 m.

Artikel 5.148 aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.147 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van een geluidsscherm niet minder bedraagt dan 3,50m en is gesitueerd ter plaatse van het werkingsgebied ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer’;

Artikel 5.149 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 5,00 m.

Artikel 5.150 aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer verblijfsgebied Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.149 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. garageboxen en/of bergingen worden gebouwd op de gronden ter plaatse van het werkingsgebied ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer - verblijfsgebied’; b. de bergingen en/of garageboxen aaneen worden gebouwd; c. als de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,00 m.

Artikel 5.151 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer centrum Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer centrum' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer bedragen dan 12,00 m.

Artikel 5.152 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 15,00 m; b. de bouwhoogte van bovenleidingportalen niet meer bedraagt dan 6,00 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedraagt dan 3,00 m.

Artikel 5.153 aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. een fietsenstalling alleen toegestaan binnen het werkingsgebied ‘Aanvullend bijbehorend bouwwerk verkeer – railverkeer’; b. de bouwhoogte van een fietsenstalling niet meer bedraagt dan 3,00 m.

SubParagraaf 5.3.3.10 Bouwen bijbehorende bouwwerken water

39

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept

Artikel 5.154 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk water 1

40

Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk water 1' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 8,00 m; b. de bouwhoogte van bruggen niet meer bedraagt dan 2,50 m boven de hoogte van het aangrenzende maaiveld; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde niet meer bedraagt dan 2,00 m; d. de doorvaarthoogte van bruggen, duikers en andere overspanningen of overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken niet minder bedragen dan 1,20 m.

Artikel 5.155 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk water 2 Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorend bouwwerk water 2' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 5,00 m; b. de doorvaarthoogte van bruggen, duikers en andere overspanningen over overkluizingen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken niet minder bedragen dan 1,20 m.

SubParagraaf 5.3.3.11 Bouwen bijbehorende bouwwerken bij een woning Artikel 5.156 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen binnen het bouwvlak Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het ‘Bijbehorend bouwwerk bouwen binnen het bouwvlak' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het bijbehorend bouwwerk achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s)van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan wordt gebouwd; b. het gezamenlijke oppervlak van de bijbehorend bouwwerken niet meer bedraagt dan de oppervlakte van het hoofdgebouw; c. het bijbehorende bouwwerk een maximale goothoogte heeft van 3,5 meter; d. het bijbehorende bouwwerk een maximale nokhoogte heeft van 7 meter; e. het bijbehorende bouwwerk een maximale dakhelling heeft van 70o; f. de overkapping een maximale hoogte heeft van 3,5 meter.

Artikel 5.157 aanvullende beoordelingsregels luifels en balkons bouwen binnen het bouwvlak Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.156 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘Luifels en balkons bouwen binnen het bouwvlak' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de diepte van een luifel en/of een balkon niet meer bedraagt dan 1,5 meter vanuit de gevel van het bijbehorende woonhuis.

Artikel 5.158 beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van de gronden behorende bij het hoofdgebouw gelegen buiten het bouwvlak; b. de goothoogte van het bijgebouw niet meer bedraagt dan 3,50 meter; c. de bouwhoogte van het bijgebouw niet meer bedraagt dan 4,00 meter; d. de bouwhoogte van een overkapping niet meer bedraagt dan 3,50 meter; e. indien het perceel grenst aan water en de afstand van bijgebouwen en overkappingen tot de bovenkant van het talud minimaal 1,00 meter bedraagt; en f. de afstand van bijgebouwen en overkappingen tot openbare verharding, niet zijnde achter- of tussenpaden bij woonhuizen, meer bedraagt dan 1,00 meter. g. in afwijking van lid c wordt de vergunning verleend voor het toegestane bouwhoogte voor bijbehorende bouwwerken, in die zin dat de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken wordt vergroot tot niet meer dan 6,00 meter als: 1. het bijbehorende bouwwerk vrijstaand is en op niet minder dan 1,00 meter van het bouwvlak staat; 2.

geen afbreuk kan worden gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept

Artikel 5.159 aanvullende beoordelingsregels dakopbouw bouwen buiten het bouwvlak Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘dakopbouw bouwen buiten het bouwvlak' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. in afwijking van het bepaalde in Artikel 5.158 lid c wordt een vergunning verleend voor het realiseren van een dakopbouw op een aangebouwd bijgebouw als: 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 7,00 meter; 2. de oppervlakte van de dakopbouw niet meer bedraagt dan 30 m2; 3. tenminste 30% van de dakopbouw wordt gebouwd aan de zijgevel van het hoofdgebouw.

Artikel 5.160 aanvullende beoordelingsregels bouwen buiten het bouwvlak afstand tot woonhuis bij lint en stolpwoningen Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘bouwen buiten het bouwvlak bij lint en stolpwoningen' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bijgebouwen en overkappingen binnen een afstand van 15,00 meter tot de oorspronkelijke zijgevels van het bijbehorende woonhuis worden gebouwd; b. de bijgebouwen en overkappingen binnen een afstand van 50,00 meter tot de oorspronkelijke achtergevel van het bijbehorende woonhuis worden gebouwd.

Artikel 5.161 aanvullende beoordelingsregels oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij wonen Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij wonen’ en als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 100m2.

Artikel 5.162 aanvullende beoordelingsregels oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij lintwoningen Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘oppervlakte bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij lintwoningen’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 150m2.

Artikel 5.163 aanvullende beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen buiten het bouwvlak bij stolpwoningen Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.158 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het gebied ‘Stolpwonen buiten bouwvlak’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 150 m², tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte, met een maximum van 350 m²; b. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van de gronden behorende bij het hoofdgebouw gelegen buiten het bouwvlak; c. de goothoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 3,00 meter; d. de bouwhoogte van een bijgebouw mag niet meer bedragen dan 6,00 meter; e. de bouwhoogte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 3,50 m.

Artikel 5.164 beoordelingsregels berging bij een woongebouw Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bergingen bij een ‘Berging bij een woongebouw’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de oppervlakte van een berging niet meer bedraagt dan 15,00 m2; b. de gezamenlijke oppervlakte van de bergingen per woongebouw niet meer bedragen dan 50% van het bij het woongebouw behorende terrein, exclusief de oppervlakte van het woongebouw; c. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3,50 meter.

41

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Artikel 5.165 aanvullende beoordelingsregels berging bij een woongebouw

Concept

Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.164 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bergingen bij een ‘Aanvullend berging bij een woongebouw’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er geen berging wordt gebouwd.

Artikel 5.166 beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen bij woongebouwen Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Bouwwerken, geen gebouwen bij woongebouwen’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. ten behoeve van bouwactiviteiten anders dan voor paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan 2,00 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedragen dan 5,00 meter.

Artikel 5.167 aanvullende beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen bij woongebouwen Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.166 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Berging bij een woongebouw’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er geen bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, worden gebouwd.

Artikel 5.168 aanvullende beoordelingsregels paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden Burgemeester en wethouders verlenen in aanvulling op Artikel 5.166 de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. Er kan worden afgeweken van Artikel 5.166 lid a, en Artikel 5.144 in die zin dat paardrijdbakken, tennisbanen en/of zwembaden worden toegestaan mits: 1. Tevens de vergunning uit Artikel 5.45 wordt verleend.

Artikel 5.169 beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen St Laurentius Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Bouwwerken, geen gebouwen St Laurentius’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de erfafscheidingen niet meer bedragen dan 1,00 meter; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer bedragen dan 5,00 meter.

Artikel 5.170 beoordelingsregels overkappingen buiten bouwvlak in centrum Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bouwwerken, geen gebouwen bij een ‘Overkappingen buiten bouwvlak in centrum’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de grenzen van een bouwvlak met niet meer dan 3,00 m worden overschreden; b. de vergroting noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de woonvoorzieningen; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 5.171 Beoordelingsregels bijbehorend bouwwerk bouwen binnen het bouwvlak maatschappelijk Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen het ‘Bijbehorend bouwwerk bouwen maatschappelijk’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw niet meer bedragen dan 150m2; b. de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen bij een bedrijfswoning mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3,50 m en 4,00 m.

42

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

SubParagraaf 5.3.3.12 Bouwen bijbehorende bouwwerken overig

Concept

Artikel 5.172 beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken overig Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorende bouwwerken overig' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mogen niet meer bedragen dan de ter plaatse van de omgevingsnormen ‘Goothoogte gebouwen en overkappingen’ en ‘Bouwhoogte gebouwen en overkappingen’ aangegeven goot- en bouwhoogte; c. overkappingen mogen plat worden afgedekt of met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet minder mag bedragen dan 15° en niet meer mag bedragen dan 50°. d. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend ten behoeve van andere bouwwerken dan paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden; e. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (de) bedrijfsgebouw(en) niet meer mag bedragen dan 2,00 m; f. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 10,00 m.

Artikel 5.173 aanvullende beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken overig Burgemeester en wethouders verlenen in afwijking van Artikel 5.172 lid a de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Aanvullend bijbehorende bouwwerken overig’ als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. overkappingen mogen als gevolg van een uitbreiding van de bestaande gebouwen en/of overkappingen deels buiten een bouwvlak worden gebouwd, mits: 1. de grenzen van een bouwvlak met niet meer dan 3,00 m worden overschreden; 2. de vergroting noodzakelijk is voor een goede uitoefening van de gebruiksactiviteiten; 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, het bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 5.174 beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken 2 Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning als bedoeld in Artikel 5.126 voor bijbehorende bouwwerken binnen ‘Bijbehorende bouwwerken overig 2' als aan volgende voorwaarden wordt voldaan: a. overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. de goot- en bouwhoogte van gebouwen en overkappingen mogen niet meer bedragen dan de ter plaatse van de omgevingsnormen ‘Goothoogte gebouwen en overkappingen’ en ‘Bouwhoogte gebouwen en overkappingen’ aangegeven goot- en bouwhoogte; c. overkappingen mogen plat worden afgedekt of met hellende dakvlakken, waarvan de helling niet meer mag bedragen dan 50°. d. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend ten behoeve van andere bouwwerken dan paardrijbakken, tennisbanen en zwembaden; e. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 1,00 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het (de) bedrijfsgebouw(en) niet meer mag bedragen dan 2,00 m; f. de vergunning voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt verleend als de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 10,00 m.

Paragraaf 5.3.4 Aanlegactiviteiten SubParagraaf 5.3.4.1 wegen en uitwegen Artikel 5.175 Algemene regels verbod aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

43

Het is verboden een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

2.

Het verbod als bedoeld in lid 1 is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht.

Artikel 5.176 Vergunningplicht maken of veranderen van een uitweg

Concept

Het is verboden zonder vergunning een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

Artikel 5.177 Bijzondere aanvraagvereisten maken of veranderen van een uitweg Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan zoals bedoeld in Artikel 5.176 gelden de aanvraagvereisten uit Artikel 22.297.

Artikel 5.178 Beoordelingsregels maken of veranderen van een uitweg Een vergunning als bedoeld in Artikel 5.176 wordt niet verleend als: a. dat nodig is ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of e. dat in het belang is van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of de bescherming van het milieu.

Paragraaf 5.3.5 Sloopactiviteiten SubParagraaf 5.3.5.1 Vergunningplicht slopen stolpen Artikel 5.179 Vergunningplicht slopen stolpen Het is verboden om zonder vergunning een stolpwoning (gedeeltelijk) te slopen.

Artikel 5.180 Aanvraagvereisten slopen stolpen Bij de aanvraag voor het slopen van een stolpwoning zoals bedoeld in Artikel 5.179, gelden de aanvraagvereisten uit Artikel 22.290.

Artikel 5.181 Uitzondering vergunningplicht slopen stolpen De vergunningplicht in Artikel 5.179 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.

Artikel 5.182 Beoordelingsregels slopen stolpen De vergunning in Artikel 5.179 wordt verleend als: a. de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is; b. het delen van een stolp betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm van de stolp plaatsvindt.

Afdeling 5.4 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 5.4.1 Algemeen Artikel 5.183 Toepassingsbereik festiviteiten

44

1.

Onder collectieve festiviteiten vallen de volgende festiviteiten: Nieuwjaarsdag, Koningsdag, Eerste en Tweede Kerstdag, Oudejaarsdag en Bevrijdingsdag.

2.

Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kunnen burgemeester en wethouders een festiviteit terstond als collectieve festiviteit aanwijzen.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

3.

Met een incidentele festiviteit wordt een festiviteit bedoeld die is gebonden aan een of meer locaties waar milieubelastende activiteiten zijn toegestaan.

Concept

Artikel 5.184 Toepassingsbereik milieubelastende activiteit

45

1.

Voor zover in deze afdeling wordt gesproken over een milieubelastende activiteit, wordt niet bedoeld: a. wonen; b. het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein; c. een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht; d. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen; e. een evenement: 1. dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen; 2. dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of 3. waarover geluidregels zijn gesteld in artikel xx [algemene regels collectieve festiviteiten geluid]; f. het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en g. bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

2.

Het eerste lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

3.

Het eerste lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in paragraaf 22.3.7.

Paragraaf 5.4.2 Activiteiten met geluidshinder Artikel 5.185 Algemene regels onversterkte muziek Voor de duur van zes uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, op een locatie waar een milieubelastende activiteit is toegestaan, gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus als bedoeld in artikel 22.63, mits voldaan wordt aan de grenswaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.2 van het Bkl.

Artikel 5.186 Algemene regels collectieve festiviteiten geluid 1.

In afwijking van de geluidswaarden als bedoeld in subparagraaf 22.3.4.2 gelden tijdens collectieve festiviteiten de volgende geluidswaarden: a. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt: 1. tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; 2. tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. b. Het maximaal geluidsniveau LA max veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt: 1. tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; 2. tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

2.

De geluidsnorm als bedoeld in lid 1 zijn inclusief onversterkte muziek en exclusief toeslag vanwege muziekcorrectie (deze wordt niet toegepast). Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

3.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept

Artikel 5.187 Algemene regels incidentele festiviteiten geluid 1.

In afwijking van de geluidswaarden als bedoeld in subparagraaf 22.3.4.2 gelden tijdens incidentele festiviteiten de volgende geluidswaarden: a. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt: 1. tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; 2. tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. b. Het maximaal geluidsniveau LA max veroorzaakt door de collectieve festiviteit, bedraagt: 1. tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; 2. tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen.

2.

De geluidsnorm als bedoeld in lid 1 onder a geldt voor het bebouwde gedeelte van de locatie waar de milieubelastende activiteit is toegestaan en niet voor de buitenruimte.

3.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

4.

Lid 1 t/m 3 geldt voor een maximum van zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar in Hoogkarspel.

Artikel 5.188 Meldingsplicht incidentele festiviteit Ten minste vier weken voor de aanvang van een incidentele festiviteit als bedoeld in Artikel 5.187 [algemene regels incidentele festiviteiten geluid] moet bij burgemeester en wethouders melding gedaan worden van de incidentele festiviteit.

Paragraaf 5.4.3 Activiteiten met hinder door verlichting Artikel 5.189 Algemene regels collectieve festiviteiten lichthinder Tijdens collectieve festiviteiten gelden de regels over verlichting voor sportuitoefening als bedoeld in paragraaf 22.3.22 niet.

Artikel 5.190 Algemene regels incidentele festiviteiten lichthinder 1.

Tijdens incidentele festiviteiten gelden de regels over verlichting voor sportuitoefening als bedoeld in paragraaf 22.3.22 niet.

2.

Lid 1 geldt voor een maximum van twaalf incidentele festiviteiten per jaar per locatie waar een milieubelastende activiteit plaatsvindt.

Artikel 5.191 Meldingsplicht incidentele festiviteit Ten minste tien werkdagen voor de aanvang van een incidentele festiviteit als bedoeld in Artikel 5.190 [algemene regels incidentele festiviteiten lichthinder] moet bij burgemeester en wethouders melding gedaan worden van de incidentele festiviteit.

Paragraaf 5.4.4 Activiteiten met betrekking tot crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.192 Algemene regels verboden crossterreinen en beperking verkeer in natuurgebieden 1.

46

Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept

2.

Het verbod onder lid 1 is niet van toepassing binnen werkingsgebied XX [aangewezen door college, dit werkingsgebied moet het college dus ook in de toekomst kunnen wijzigen wil je beleidsneutraal over]

3.

Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

4.

Het verbod is niet van toepassing binnen werkingsgebied XX [aangewezen door college, dit werkingsgebied moet het college dus ook in de toekomst kunnen wijzigen wil je beleidsneutraal over]

5.

Het verbod onder lid 3 is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in lid 3 bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in lid 3 bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

6.

Het in lid 3 gestelde verbod is voorts niet van toepassing op wegen die gelegen zijn binnen de in lid 3 bedoelde gebieden of terreinen.

Artikel 5.193 Maatwerkvoorschriften crossterreinen en beperking verkeer in natuurgebieden Met maatwerkvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders nadere regels stellen voor het gebruik van terreinen als bedoeld in artikel xx lid 2 en 4 [dit artikel ook weer koppelen aan die twee werkingsgebieden uit die artikelen] in het belang van: a. Het voorkomen of beperken van overlast; b. De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. De veiligheid van de deelnemers van de in artikel xx bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

Paragraaf 5.4.5 Activiteiten met hinder door geur en rook Artikel 5.194 Algemene regels verbod stoken van vuur 1.

Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een milieubelastende activiteit in de zin van Artikel 5.184 of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2.

Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden.

Paragraaf 5.4.6 Activiteiten met betrekking tot bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 5.195 Specifieke zorgplicht toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling 5.5 Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente

47

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Paragraaf 5.5.1 Algemeen [Gereserveerd]

Paragraaf 5.5.2 Activiteiten met betrekking tot veiligheid op de weg

Concept

Artikel 5.196 Specifieke zorgplicht activiteiten op of bij wegen

48

De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval in dat: a. er geen beplanting of voorwerp wordt aangebracht op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of als er daardoor voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat; b. bij het aanbrengen, plaatsen of hebben van een voorwerp of stof op, aan, over of boven de weg waarop gedachtens of gevoelens worden geopenbaard, geen: 1. schade wordt toegebracht aan de weg door omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging; 2. gevaar ontstaat voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg; of 3. belemmering wordt gevormd voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. c. er niet met voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden wordt gereden over de berm, de glooiing of de zijkant van de weg, tenzij dit door omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist.

Artikel 5.197 Algemene regels verbod gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.

Het is verboden op, aan of boven een voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde openbare plaats of een gedeelte daarvan op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de openbare plaats.

2.

Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25m uit de uiterste boord van de openbare plaats, op van de openbare plaats af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

Artikel 5.198 Algemene regels verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

Artikel 5.199 Vergunningplicht voorwerpen op of aan de weg 1.

Het is verboden zonder vergunning de weg of een weggedeelte anders te gebruiken overeenkomst de publieke functie daarvan.

2.

De vergunningplicht geldt niet voor: a. vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; b. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits; 1. geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; 2. geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; 3. geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; d. voertuigen; e. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; f. evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de APV; g. terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid van de APV; h. standplaatsen als bedoeld in Artikel 5.14.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept

Artikel 5.200 Aanvraagvereisten voorwerpen op of aan de weg

49

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het om een weg of weggedeelte anders te gebruiken zoals bedoeld in Artikel 5.199, worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft; b. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop: 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

Artikel 5.201 Beoordelingsregels voorwerpen op of aan de weg Een vergunning als bedoeld in Artikel 5.199 wordt niet verleend als: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. voor zover het niet gaat om bouwwerken: het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. dat in het belang is van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak; d. dat in het belang is van openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of de bescherming van het milieu.

Paragraaf 5.5.3 Activiteiten met betrekking tot parkeerexcessen Artikel 5.202 Algemene regels verboden met betrekking tot parkeerexcessen 1.

Het is voor degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden om drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen.

2.

Het is voor degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden om de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

3.

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

4.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

5.

Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben.

6.

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

7.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

8.

Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept

9.

Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

10.

Het verbod in lid 9 is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

11.

Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

Paragraaf 5.5.4 Activiteiten met betrekking tot openbaar water Artikel 5.203 Algemene regels verboden met betrekking tot openbaar water 1.

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2.

Het is verboden een vaartuigwrak in het openbaar water dan wel op de weg te plaatsen of te hebben, dan wel zodanig te plaatsen dat dit vanaf de openbare weg zichtbaar is dan wel hinder, gevaar of verontreiniging veroorzaakt.

3.

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

Artikel 5.204 Meldingsplicht belemmering openbaar water 1.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

2.

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

Artikel 5.205 Maatwerkvoorschriften ligplaats voertuigen 1.

Met maatwerkvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig: a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente; b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

2.

Met maatwerkvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

Afdeling 5.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed [Gereserveerd]

Afdeling 5.7 Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Paragraaf 5.7.1 Algemeen [Gereserveerd]

50

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Paragraaf 5.7.2 Bewaren en vellen van houtopstanden

Concept

Artikel 5.206 Toepassingsbereik bewaren en vellen van houtopstanden

51

In deze paragraaf wordt onder vellen mede verstaan: rooien, verplanten maar ook handelingen zoals het voor de eerste keer knotten of kandelaberen, snoeien van meer dan 20% van de kroon in één groeiseizoen, graven binnen de stabiliteitskluit van houtopstanden (kwetsbare zone) en andere handelingen die de dood of ernstige beschadiging of aantasting van de (natuurlijke) habitus van de boom ten gevolge kunnen hebben. a. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, conform de criteria zoals genoemd in het omgevingsprogramma bomen, een boom de status waardevolle boom of potentieel waardevolle boom geven. b. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, conform de criteria in het omgevingsprogramma, een rij of groep bomen de status structuur geven.

Artikel 5.207 Specifieke zorgplicht bewaren van houtopstanden De specifieke zorgplicht houdt in ieder geval in dat a. Het verboden is om bomen, die openbaar eigendom zijn te beschadigen, te bekladden of te beplakken of daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren en of externe boomverzorgers ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. b. Het verboden is om een of meer voorwerpen in of aan een openbare bomen aan te brengen of anderszins te bevestigen.

Artikel 5.208 Algemene regels bewaren van houtopstanden 1.

Indien een boom waarop het verbod tot vellen als bedoeld in Artikel 5.207 van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

2.

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 m voor bomen en nihil voor heggen en heesters.

3.

Als op een erf of terrein één of meer bomen aanwezig zijn die volgens het college gevaar opleveren voor het verspreiden van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende die daarvoor door het college is aangeschreven verplicht binnen de daarvoor gegeven termijn: a. Volgens richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen; b. de houtopstand ter plaatse te vellen.

4.

In het geval van iepziekte moeten de iepen ter plaatse ontschorst worden en de schors vernietigd, of moeten de niet ontschorste iepen of delen daarvan zodanig vernietigd of behandeld worden dat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen, door: a. De iepen te vellen als deze in de grond staan; b. De iepen ter plaatse te ontschorsen en de schors te vernietigen, of; c. De niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of te behandelen zodat de verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen.

5.

Het is niet toegestaan gevelde bomen of delen daarvan te hebben of te vervoeren, als het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

6.

In uitzondering op lid 5 is het wel toegestaan geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede van minder dan 4 centimeter te hebben of te vervoeren.

7.

Als in de nabijheid van (potentieel) waardevolle en/of gemeentelijke houtopstanden werkzaamheden gaan plaatsvinden die mogelijk een negatief effect hebben op de houtopstand, is de uitvoerder verplicht een Boom Effect Analyse op te laten stellen, door een boomtechnisch deskundige, van en voorafgaand aan de werkzaamheden. Het is verplicht de daaruit voortvloeiende maatregelen met betrekking tot bescherming van de houtopstand op te volgen.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept 52

8.

Bij de uitvoer van de werkzaamheden gelden de richtlijnen van de actuele versie van het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen.

9.

Bij aangerichte schade ten gevolge van de aanleg, instandhouding en opruiming van werkzaamheden in de nabijheid van bomen, laat de gemeente het herstel laten verrichten door een door de gemeente geselecteerde aannemer. De marktconforme kosten worden aan de uitvoerder doorberekend. De uitvoerder wordt hiervan vooraf (schriftelijk of per mail) op de hoogte gebracht door de gemeente;

10.

De schade aan bomen wordt achteraf vastgesteld op basis van de Richtlijnen NVTB (Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen). De aansprakelijkheidsstelling voor de schade vindt plaats volgens het civiele aansprakelijkheidsrecht. Het totale schadebedrag wordt opgebouwd uit de getaxeerde schade inclusief taxatiekosten, beredderingskosten en overige bijkomende kosten zoals voor verhalen van schade.

Artikel 5.209 Vergunningplicht vellen boom 1.

Het is verboden zonder vergunning een boom te vellen of te doen vellen die: a. deel uitmaakt van de door het college vastgestelde (potentieel) waardevolle bomenlijst; b. deel uitmaakt van de bomenstructuren zoals deze zijn aangeven in het omgevingsprogramma bomen 2021.

2.

De vergunningplicht als bedoeld in lid 1 onder b geldt niet voor particulieren bomen binnen structuren, kleiner dan 40cm diameter.

3.

De vergunningplicht als bedoeld in lid 1 onder b geldt niet voor het verwijderen van boomvormers uit houtopstanden als uitvoering van een dunning.

Artikel 5.210 Bijzondere aanvraagvereisten vellen boom Bij een aanvraag vergunning als bedoeld in Artikel 5.209, dient n aanvulling op de aanvraagvereisten zoals opgenomen in Artikel 22.299 het volgende aangeleverd te worden: a. De vergunning moet onder bijvoeging van een situatieschets en foto, worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht, of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de boom te beschikken. b. Een aanvraag voor een vergunning voor het vellen van een waardevolle boom dient gepaard te gaan met een rapport van een onafhankelijke boomtechnisch deskundige waaruit de levensverwachting en/of het risico voor de omgeving blijkt. Of indien er sprake is van een zeer groot maatschappelijk belang dient de afweging van de belangen bij de aanvraag duidelijk gemotiveerd te worden. c. Een aanvraag voor een vergunning voor het vellen van een potentieel waardevolle boom dient gepaard te gaan met een rapport van een onafhankelijke geregistreerde boomtaxateur waaruit de levensverwachting en/of het risico voor de omgeving blijkt. Of indien er sprake is van een groot maatschappelijk belang dient de afweging van de belangen bij de aanvraag duidelijk gemotiveerd te worden.

Artikel 5.211 Beoordelingsregels vellen boom 1.

De vergunning voor het vellen van een waardevolle boom als bedoeld in Artikel 5.209lid 1 onder a wordt niet verleend, tenzij: a. er sprake is van gevaar en/of verhoogd risico of ziekte, b. er sprake is van een zeer groot maatschappelijk belang of c. de levensverwachting van de boom minder is dan 10 jaar en er geen reële technische mogelijkheden zijn de levensverwachting te verlengen.

2.

De vergunning voor het vellen van een potentieel waardevolle boom als bedoeld in Artikel 5.209lid 1 onder a wordt niet verleend tenzij: a. er sprake is van gevaar en/of verhoogd risico of b. er sprake is van een groot maatschappelijk belang of c. de levensverwachting van de boom minder is dan 10 jaar en er geen reële technische mogelijkheden zijn de levensverwachting te verlengen. Een uitzondering hierop is voor het verplanten van herdenkingsbomen indien dit, naar beoordeling van een erkend boomdeskundige, een reële kans van slagen heeft.

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

Concept

3.

Voor het vellen van bomen die deel uitmaken van bomenstructuren kan een vergunning als bedoeld in Artikel 5.209lid 1 onder b worden verleend indien: a. er sprake is van een particulier of maatschappelijk belang; b. de bomenstructuur of het park als zodanig intact blijft en/of c. er voldoende compenserende maatregelen worden genomen om de structuur of het park te herstellen of te behouden als de structuur of het park door de velling ernstig wordt aangetast. d. indien de bomen, staande in grotere groenstroken of parken) geen gevaar opleveren voor de omgeving én plaats bieden aan bijzondere planten en of dieren die ecologische waarden vertegenwoordigen zal alleen bij zwaarwegende argumenten een omgevingsvergunning worden verleend.

4.

Als een vergunning als bedoeld in Artikel 5.209 definitief is, vervalt deze, indien daarvan niet volledig gebruik van is gemaakt binnen twee jaar na de datum van het definitief worden van de vergunning.

5.

Het college kan de termijn als bedoeld in lid 4 verlengen indien het vellen van de houtopstand onderdeel uitmaakt van een bouw- of herinrichtingsplan waarvan de uitvoering over meerdere jaren gespreid is.

6.

Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften behoort of kunnen behoren: a. het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant. Conform het omgevingsprogramma bomen worden voorschriften gegeven voor een passende groeiplaats. b. Wordt een voorschrift als bedoeld onder a gegeven, dan wordt daarbij tevens bepaald dat wordt herplant in een passende groeiplaatsinrichting conform de richtlijnen van Handboek Bomen, met tenminste 3 jaar nazorg. Als de jonge aanplant tussentijds uitvalt, is inboet (vervangende aanplant) verplicht. De nazorgperiode gaat dan opnieuw in. c. aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomen. d. een voorschrift met betrekking tot het tijdstip waarop met de handeling waarvoor vergunning is verleend mag worden begonnen.

7.

Een vergunning voor het vellen van bomen staande in bomenstructuren of parken zoals genoemd in Artikel 5.209lid 1 onder b kan worden geweigerd op de enkele grond dat de voorgenomen velling voortvloeit uit een bouw- of aanlegplan waarvoor nog geen omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 5.212 Maatwerkvoorschriften bewaren en vellen van houtopstanden Met maatwerkvoorschriften kan het college ten gunste van de aanvrager afwijken van de regels in paragraaf 5.7.2, in gevallen waarin de toepassing van deze artikelen naar haar oordeel leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de betrokkene(n).

Paragraaf 5.7.3 Bestrijding overlastgevende en gevaarlijke planten Artikel 5.213 Specifieke zorgplicht bestrijding overlastgevende en gevaarlijke planten De grondeigenaar of degene die een recht op gebruik van de grond heeft, is verplicht: a. Te voorkomen dat de plant Reuzenberenklauw (Heracleaum mantegazzianum) tot bloei komt. b. de grond te zuiveren van de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica).

Hoofdstuk 6 Beheer en onderhoud [gereserveerd] [Gereserveerd]

Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen [gereserveerd] [Gereserveerd]

Hoofdstuk 8 Procesregels [gereserveerd] [Gereserveerd]

Hoofdstuk 9 Handhaving [gereserveerd]

53

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 10 Monitoring en informatie [gereserveerd] [Gereserveerd]

Concept

Hoofdstuk 11 Overgangsrecht Afdeling 11.1 Overgangsrecht Artikel 11.1 Overgangsrecht bouwwerken 1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan legaal aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a. In stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

2.

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 11.2 Overgangsrecht gebruik 1.

Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en dat als gevolg van die wijziging in strijd is met de regels van het omgevingsplan, mag worden voortgezet.

2.

Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot.

3.

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na inwerkingtreding van de in het eerste lid bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.

Hoofdstuk 12 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 13 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 14 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 15 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 16

54

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 17 [Gereserveerd]

Concept

Hoofdstuk 18 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 19 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 20 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 21 [Gereserveerd]

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN Afdeling 22.1 ALGEMEEN Artikel 22.1 Voorrangsbepaling 1.

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

De regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan: a. een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; b. een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten 1.

Voor de toepassing van de artikelen 22.28, eerste en tweede lid, 22.38, 22.287, 22.288, 22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

2.

Het eerste lid is van toepassing: a. als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en b. als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functieaanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten De artikelen 22.28, derde lid, en 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monu-

55

Concept

(van 4-12-2024 9:44)

mentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stadsof dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14968113/1