B03 Toelichting Molenhof
Tekst van het document
Pagina 27 van 48
zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek Archeologie Op de gronden van het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De vrijstellingsgrenzen van deze dubbelbestemming worden met de beoogde ontwikkeling overschreden. Derhalve is een quickscan archeologie uitgevoerd (Archeologie West-Friesland, d.d. 21 september 2023, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 3). Uit de quickscan blijkt dat het plangebied, op basis van de bodemkaart en archeologisch onderzoek uit de omgeving, een hoge verwachting voor bewoning uit het Neolithicum en de Bronstijd heeft. De verwachting voor vindplaatsen uit de Bronstijd is hoog. De verwachting voor het aantreffen van bewoningssporen uit de Nieuwe Tijd is laag. Ook worden bewoningssporen uit de Late Middeleeuwen niet verwacht. Op basis van de voorgenomen ontwikkeling en de hoge archeologische verwachting is een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven. Hiertoe heeft Ecoconsultancy een Programma van Eisen proefsleuvenonderzoek opgesteld. (25291.001, d.d. 26 maart 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Vooruitlopend op de bouw van de beoogde woningen zal dit nadere onderzoek worden uitgevoerd.
Cultuurhistorie Het plangebied is gelegen binnen de molenbiotoop van de molen 'De Krijgsman' aan de Noorderdrecht 61, zoals is opgenomen in het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011'. In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn een tweetal notities opgesteld waarin de mogelijke effecten van de beoogde ontwikkeling op de molen worden verkend. In beide notities wordt geconcludeerd dat de bouwplannen voldoen aan de maximale bouwhoogte van de molenbiotoop in het omgevingsplan. Daarnaast is er windvangonderzoek uitgevoerd (Van Bussel windconsult, d.d. 14 april 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5). Uit het onderzoek blijkt alleen dat er sprake is van aantasting van de molenbiotoop in termen van de ruimtelijke kwaliteit. De te verwachte effecten op de windvang van molen 'De Krijgsman' zijn marginaal. Aanpassingen van het bouwplan zijn niet relevant voor de windvang, mits ze blijven voldoen aan de bouwregels, met name de maximale bouwhoogte. Een belangrijk punt van aandacht is de begroeiing, met name de bomen. Niet alleen de bestaande bomen langs de Noorderdracht, maar ook het geplande groen in de nieuwbouw wijk. Naar aanleiding van de participatie zijn planaanpassingen doorgevoerd en afspraken gemaakt over de bebouwing en bomen in het plangebied met Stichting Molen Krijgsman (eigenaar van de molen) en de molenaar/ondernemer.
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen daarmee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.7 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het
Pagina 28 van 48
definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
▪
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten
op
grond
van
een
omgevingsplan
of
een
omgevingsvergunning
voor
een
omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
▪
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op een bodemgevoelige locatie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw en het mogelijk maken van een bodemgevoelige locatie dient bij een aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek te worden verstrekt. Voor de beoogde ontwikkeling zijn twee verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd, voor het agrarische deel van het plangebied (Grondslag, 39885, 11 september 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6) en bij de huidige woning (Grondslag, 38510, 18 september 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6a). Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek in het agrarische plandeel wordt geconcludeerd dat er in de bovengrond, bestaande uit klei, lichte verhoogde gehalten aan kobalt, kwik, lood en nikkel is aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verhogingen aangetroffen. In het grondwater is enkel een lichte verhoging aan nikkel aangetoond. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. Uit het verkennend bodemonderzoek bij de huidige woning wordt geconcludeerd dat er geen sprake van verhoogde gehalten zijn aangetroffen. De boven- en ondergrond zijn beoordeeld als kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Ter plaatse van een boorraai zijn in de ondergrond sporen van slof aangetroffen.
Hiermee wordt de ligging van de gedempte sloot als bevestigd gezien. Ter plaatse is geen puin of andere bodemvreemde materialen aangetroffen. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. Tevens is er in het grondwater geen overschrijding van de signaleringsparameter gemeten. Conclusie Geadviseerd wordt om grond die vrijkomt bij (eventuele) graafwerkzaamheden te hergebruiken binnen het project. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is aanvullend een partijkeuring nodig conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen grond is dit voordeliger dan afvoeren naar een grondbank. In sommige gevallen is ook zonder partijkeuring hergebruik mogelijk op basis van een bodemkwaliteitskaart.
Pagina 29 van 48
Uit de onderzoeken en de hierin opgenomen conclusies blijk dat de onderzoeksresultaten geen belemmering geven voor de gewenste functieverandering van de gronden en de hiermee samenhangende afgifte van de vergunningen voor woningbouw. Het plan voldoet voor het aspect bodem aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.8 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen.
De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied.
Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied
Pagina 30 van 48
gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (106/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen.
Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen. In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Er gelden verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat wet- en regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:
▪
30 meter voor een brandaandachtsgebied
▪
200 meter voor een explosieaandachtsgebied
De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:
Pagina 31 van 48
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)
Uit de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting, transportroutes of gasleidingen aanwezig zijn. Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen. De meest nabijgelegen transportroute is de Westfrisiaweg op een afstand van ca. 1.3 km ten noorden van het plangebied. Gelet op deze afstand vormt de route geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Buisleidingen Op een afstand van ca. 650 en 700 meter van het plangebied liggen enkele gasleidingen. Gelet op de ruimte afstand tot het plangebied vormen de leidingen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Activiteiten Op een afstand van ca. 1.3 km ten westen van het plangebied zijn enkele bedrijven aanwezig met een propaanopslag. Tevens is er op een afstand van ca. 1.3 km ten zuiden van het plangebied een bedrijf aanwezig met een ammoniakkoelinstallatie. Gelet op deze afstanden vormen deze activiteiten geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
Pagina 32 van 48
4.9 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.
Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
▪
aanwezige dier- en plantensoorten;
▪
typen natuurlijke habitats;
▪
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
Pagina 33 van 48
▪
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
▪
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is voor het plangebied een Quickscan Natuur uitgevoerd (Blom Ecologie, d.d. 19 juni 2024, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Soortenbescherming Op basis van het veldonderzoek en de bureaustudie is in de rapportage per soortgroep besproken wat de potentie van het plangebied en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolgen van de beoogde ontwikkeling. Uit het onderzoek blijkt dat op basis van de habitattypen in het plangebied en de bekende verspreidingsgegevens niet uitgesloten kan worden dat de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuis, huismus en gierzwaluw (beschermde soorten). Op basis van de bevindingen worden, naast de algemene zorgplicht, de volgende vervolgstappen aangeraden:
▪
Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei, conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023).
▪
Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar gierzwaluw uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar gierzwaluw wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 1 juni t/m 15 juli met minstens één veldbezoek tussen 20 juni en 7 juli, conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2023).
▪
Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen drie rondes in het voorjaar en twee rondes in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 3.1 en 3.2 van de quickscan uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
Pagina 34 van 48
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000gebied 'Markermeer en IJmeer' ligt op circa 3,3 km ten zuiden van het plangebied. Op een afstand van ca. 16 km ten zuidwesten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Eilandspolder’. Dit betreffen niet stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, ‘Schoorlse Duinen', ligt circa 27 km ten westen van het plangebied. Ook ligt het plangebied buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest dichtbijgelegen deel van het NNN ligt ca. 4.9 km van het plangebied. Ook ligt het plangebied niet binnen de grenzen van het Bijzonder Provinciaal Landschap. Door de ruime afstand tot de beschermde gebieden zijn verstorende effecten zoals trillingen, verdroging, verlichting en/of optische verstoring uitgesloten. Gezien de lokale aard van de werkzaamheden en de afstand tot beschermde natuurgebieden zijn de meeste negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand uitgesloten. Het Natura 2000-gebied 'Markermeer en IJmeer' is niet stikstofgevoelig. Het Natura 2000-gebied 'Schoorlse Duinen’ is wel stikstofgevoelig. De effecten van stikstof op het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied zijn op voorhand niet uitgesloten. Daar wordt hieronder nader op ingegaan.
Stikstofdepositie Vanwege een toename van stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase is er een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten op Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen (Buro SRO, d.d. 16 september 2025, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 8). Uit de AERIUS berekening blijkt dat voor beide fases de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving. Houtopstanden Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.
4.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Pagina 35 van 48
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen dient het water tijdelijk in het plangebied te worden geborgen op basis van het toekomstig dakoppervlak. Hiertoe dient een berging van 70 mm te worden gerealiseerd met een totaal van 400 m3. Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is.
Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlak minimaal even groot als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-
Pagina 36 van 48
regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.
Planspecifiek Watercompensatie Een ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: het 'standstil beginsel'. Dit beginsel houdt in dat, als gevolg van een ontwikkeling, geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. Op grond van de waterschapsverordening geldt dat het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak zonder vergunning is toegestaan indien de verhardingstoename minder dan 800 m² bedraagt, de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvlak beslaat en het desbetreffende watersysteem van de toename van de piekafvoer kan verwerken. Het plangebied heeft in de huidige situatie een oppervlak van 13.890 m², waarvan minder dan 1% verhard is. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de bouw van 44 woningen, er wordt circa 7.376 m² aan bebouwing en wegen gerealiseerd. De huidige verharding bedraagt ca 479 m², waardoor er sprake is van en toename van verharding van ca 6.898 m². De verharding neemt toe met meer dan 800 m² wat betekent dat er een compensatie-eis van 10% geldt. Ook dient er een watervergunning aangevraagd te worden bij het hoogheemraadschap.
Pagina 37 van 48
In
de
onderstaande
afbeeldingen wordt
de
verhardingsbalans
weergegeven.
Verhardingsbalans (bron: Vollmer + partners, 02-07-025)
Door het bouwplan van voorliggend plan neemt de verharding toe met 6.898 m² ten opzichte van de huidige situatie. Voor de beoogde ontwikkeling wordt 10% van de verharding met oppervlaktewater gecompenseerd. Tevens wordt er 182,74 m² aan oppervlaktewater gedempt. Dit dient 1 op 1 gecompenseerd te worden. Er is gekozen om de bestaande sloot aan het zuidoosten en het zuidwesten van het plangebied te verbreden, waardoor er 879,04 m² aan wateroppervlak wordt toegevoegd en ruim aan de compensatie eis wordt voldaan. De berekening is op de onderstaande afbeelding te zien.
Pagina 38 van 48
Berekening watercompensatie (bron: Vollmer + partners, 02-07-025)
Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan de waterschapsverordening van het hoogheemraadschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden wordt afgevoerd en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het gescheiden afvoeren van hemelwater zijn:
▪
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreedt;
▪
de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken waardoor het zuiveringsrendement verbetert;
▪
schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Het hemelwater wordt gescheiden afgevoerd via het oppervlaktewater en/of door het te laten infiltreren (via verlaagde bermen met drainage en infiltratiekratten onder parkeerplaatsen) in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Geohydrologisch onderzoek Om inzicht te krijgen in de geohydrologische situatie ter plekke van de beoogde woningen is een geohydrologisch onderzoek uitgevoerd. (Hoven Consult, d.d. 14 juli 2025, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 9). Uit dit onderzoek
Pagina 39 van 48
blijkt dat gezien de lage doorlatendheid van de natuurlijk aanwezige ondergrond (deklaag) infiltratie van hemelwater naar het diepe grondwater geen reële optie is. Klimaatadaptieve maatregelen dienen dan ook gericht te zijn op tijdelijke berging van het hemelwater in het plangebied. Hiervoor is een vergroting van het huidige oppervlaktewater reeds voorzien. Voor de berekening van de aanvullende waterberging in het plangebied zijn de eisen van de gemeente maatgevend. Voor het aan te brengen verharde oppervlak dient een bergingscapaciteit van 70 mm te worden gerealiseerd. Bij een toekomstig verhard oppervlak van 4.142 m² komt dat overeen met een benodigde berging in het plangebied van 275 m³. De voorkeur heeft het de berging te realiseren middels waterpartijen of wadi’s in de wijk. Echter, hiervoor ontbreekt de beschikbare ruimte. Derhalve ligt (een combinatie met) een berging in de ondergrond meer voor de hand. Voor het bergen en infiltreren van water wordt gebruik gemaakt van het Wavicore systeem. Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.
4.11 Geur Er bestaan diverse activiteiten waar geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente kan bij een wijziging van het omgevingsplan waar nodig één of meer bebouwingscontouren geur vaststellen waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.
Planspecifiek In het noorden van het plangebied is een rioolgemaal aanwezig. De beoogde woningen komen op een korte afstand van dit gemaal te staan. Derhalve is er een onderzoek naar geur- en geluidbelasting uitgevoerd (Peutz, O 17329-1-RA-003 d.d. 22 mei 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 10). Uit de berekeningen volgt dat bij de geprojecteerde woningbouw in een worstcasescenario (exclusief geurreducerende werking van het aanwezige filter) ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde van 0,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde.
Pagina 40 van 48
In onderhavige situatie is sprake van een lage geuremissie met goed onderhouden en functionerende geurreducerende maatregelen waardoor het niet waarschijnlijk is dat geurhinder zal ontstaan ter hoogte van de geprojecteerde woningbouw. Met filter bedraagt de geurbelasting zelfs maar < 0,05 ouE/m3 als 98percentielwaarde. De minimale afstand tussen het gemaal en de meest dichtbijgelegen woning bedraagt 10 meter. Hiermee wordt voor wat betreft het aspect geluid voldaan aan de mogelijke te hanteren richtafstand. Op de erfgrens van het plangebied bedraagt de geurconcentratie als 98-percentielwaarde ten hoogste 0,2 ouE/m3. Hiermee is de GESscore voor geur binnen het plangebied 1, hetgeen staat voor een goed geurklimaat vanwege het rioolgemaal Noorderdracht. Met de beheerder van het gemaal, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, is overleg geweest over de uitkomsten van het geuronderzoek. Hoewel de onderzoeksmethode onderschreven wordt en de geldende normen vanuit het Omgevingsplan geldend zijn blijkt uit de praktijk dat bewoners alsnog geuroverlast kunnen ervaren. Overlast wordt vaak ervaren in de tuin. Om 'intensief' tuingebruik in directe aansluiting op het gemaal te ontmoedigen is overeengekomen dat er geen bouwwerken in een straal van 10 meter nabij het gemaal worden gerealiseerd. Aanvullend worden ook vergunningsvrije bouwwerken in deze zone uitgesloten.
Aanvullend wordt een haag om het gemaal geplaatst. Hoewel een haag geen geurafschermende werking heeft is de ervaring dat het niet zien van het gemaal ook (kan) leiden tot het niet ruiken. Tot slot wordt er mechanische ventilatie toegepast bij de woningen rondom het rioolgemaal zodanig dat de ventilatie plaatsvindt aan de kant van de woonwijk in plaats van het rioolgemaal.
4.12 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
Pagina 41 van 48
▪
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag
▪
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project
2.
de plaats van het project
3.
de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van 44 woningen. Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt: Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a.
die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en
b.
waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor het project is een aanmeldnotitie opgesteld (Buro-SRO, d.d. 19 september 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 11). In deze notitie wordt geconcludeerd dat het opstellen van een milieuefffectrapportage geen verder inzicht geeft op de milieueffecten van deze ontwikkeling. In de aanmeldnotitie wordt het bevoegd gezag voorgesteld in het nog te nemen mer-beoordelingsbesluit geen milieuefffectrapportage op te stellen voor deze ontwikkeling.
Pagina 42 van 48
5 Juridische aspecten 5.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAMomgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
▪
Toepassingsbereik
▪
Functieomschrijving
▪
Beoordelingsregels bouwactiviteiten
▪
Specifieke bouwregels
▪
Specifieke gebruiksregels
Pagina 43 van 48
5.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Drechterland. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten: Agrarisch Locaties aangewezen als ‘Agrarisch’ hebben als functie de uitoefening van agrarisch grondgebruik, met uitzondering van houtteelt en bosbouw. Bedrijf - Nutsvoorziening De functie ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ ziet op transformatorgebouwen en rioolgemalen. Groen Locaties aangewezen als groen bevatten delen van het plangebied waar het groene karakter van structurele waarde is voor de beeldkwaliteit van het plangebied en waar zeer beperkt gebouwd mag worden. Verkeer - verblijfsgebied De als 'Verkeer - verblijfgebieden' aangewezen gebieden betreffen openbare straten in het plangebied met als functies een goede doorstroming van het verkeer en de ontsluiting van de buurten, de daarbij behorende voorzieningen zoals parkeerplaatsen. Wonen De locaties die zijn aangewezen als 'Wonen' beschikken over de functies woningen met hun aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Bijbehorende achtertuinen, -erven en -terreinen behoren ook tot de functies.
Binnen de bebouwingsbepalingen voor deze locaties is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen enerzijds en aan- en uitbouwen en bijgebouwen anderzijds. Het hoofdgebouw is het belangrijkste bouwwerk op het perceel, niet alleen qua bestemming maar ook qua bouwmassa. Daarnaast worden bijgebouwen gezien als bouwwerken die ruimtelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Binnen Wonen is een aanvullende aanduiding opgenomen waarmee bepaald is dat de vergunningsvrije bouwmogelijkheden zoals deze in het Omgevingsplan opgenomen zijn niet van toepassing is op de gronden binnen het aanduidingsgebied. Water De oppervlaktewaterlichaam en watergangen in het plangebied zijn locaties die zijn aangewezen als 'Water'. Op deze locaties mogen geen bouwwerken en overkappingen gebouwd worden. Waarde - Archeologie 2 De locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' hebben, naast de andere voor die locatie aangewezen functies de functie voor het behouden van (mogelijke) archeologische waarden. Bij bodem ingrepen geldt het volgende: Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte
Pagina 44 van 48
meer dan 500 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig. Leiding - Water De persleidingen in het plangebied zijn aangewezen als “Leiding - Water”. De regeling voorziet in de aanwezigheid van deze functie en in de bescherming ervan. Binnen de op de kaart aangegeven strook mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de leidingen. Voor werkzaamheden die schadelijk kunnen zijn voor de leidingen, is een plicht van een omgevingsvergunning opgenomen.
Pagina 45 van 48
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.
Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek Het initiatief heeft plaats voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De kosten voor de gemeente worden op de initiatiefnemer verhaald. Ten behoeve hiervan is een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten. Het ruimtelijk plan is financieel uitvoerbaar. Ook is er met de gemeente een planschadeovereenkomst gesloten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige
Pagina 46 van 48
voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Omgevingstafel Op 13 oktober 2023 heeft er een omgevingstafel plaatsgevonden met betrokkenen van de gemeente, de initiatiefnemer, het hoogheemraadschap, de omgevingsdienst en andere. Tijdens de omgevingsrafel wordt een toelichting van het concept plan op dat moment gegeven. Per thema worden er vragen en opmerkingen gemaakt om op te nemen in het volgende concept. De belangrijkste punten uit de omgevingstafel zijn:
▪
Waar mogelijk wordt het plan aangepast op de opmerkingen van de stedenbouwkundige van de gemeente
▪
Er komt een afspraak over de spuitzone
▪
de parkeernorm wordt gecontroleerd
6.2.2 Intaketafel Op 29 november 2023 heeft een intaketafel plaatsgevonden door betrokkenen van de gemeente Drechterland. Tijdens de intaketafel is het initiatief beoordeeld op meerdere punten. De conclusie van de intaketafel was 'Ja, mits'. Er werden meerdere onderdelen benoemd waar aandacht. Deze onderdelen waren:
▪
Creativiteit en meerwaarde
▪
hoeveelheid woningen
▪
spuitzones
▪
molenbiotoop
6.2.3 Participatie Op 31 augustus 2023 zijn omwonenden en belanghebbenden per brief uitgenodigd voor een inloopavond om kennis te maken met de plannen en om vragen te stellen en opmerkingen te maken. Tijdens de inloopavond op 14 september 2023 waren de plannen te zien op verschillende borden. Bij elk bord was een projectbetrokkene aanwezig om informatie te geven over de ontwikkeling. Bij de inloopavond zijn ca. 45 personen aanwezig geweest. Op dinsdagavond 9 juli 2024 heeft de tweede participatieavond plaatsgevonden. Omwonenden en belanghebbenden zijn opnieuw per brief uitgenodigd. Bij deze bijeenkomst waren ca. 50 bewoners aanwezig. Er is door de gemeente en de initiatiefnemer een presentatie gegeven over de plannen. Na de presentatie was er eerst collectief en daarna individueel gelegenheid voor het stellen van vragen. Ook kon men op de panelen met tekeningen ideeën en opmerkingen kwijt om mee te geven aan de gemeente en ontwikkelaar. Op 20 mei 2025 heeft de derde participatieavond plaatsgevonden. Voor deze inloopavond zijn omwonenden en nabijgelegen bedrijven (totaal 127 adressen) uitgenodigd. Ongeveer 30 belangstellenden waren aanwezig. Op panelen is het aangepaste plan en de beoogde architectuur getoond. Op een groot scherm was een doorlopende presentatie met de planuitgangspunten en doorgevoerde planaanpassingen te zien. Het aangepaste plan is goed ontvangen.
Er zijn vooral vragen gesteld over het vervolg en de planning voor de verkoop en bouw.
Pagina 47 van 48
Daarnaast hebben diverse aanwezigen van de gelegenheid gebruik gemaakt om een voorkeur aan te geven voor de straatnamen in het plan. Door het College van B&W van de gemeente Drechterland zal te zijner tijd een straatnamen- en huisnummerbesluit worden genomen.
6.2.4 Vooroverleg Voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan is het plan voorgelegd aan de provincie Noord-Holland, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Veiligheidsregio NoordHolland Noord. Op de website www.participatie-molenhof.nl is van begin af aan alle informatie (tekeningen, verslagen, etc.) gezet en kan de voortgang worden gevolgd. Op 19 september 2025 heeft het hoogheemraadschap gereageerd op de ontwerpversie van het TAMomgevingsplan. Op basis van de reactie is er een tekstuele aanpassing gedaan aan paragraaf 4.11. Daarnaast is er als aandachtspunt benoemd dat het plangebied deels boven een persleiding van het hoogheemraadschap. Deze leiding dient verlegt te worden.
6.2.5 Zienswijzen Het TAM-omgevingsplan Molenhof Oosterblokker heeft van 13 oktober 2025 tot en met 26 november 2025 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode van ter inzagelegging is er één zienswijzen ontvangen. Een naastgelegen bedrijf heeft een zienswijze ingediend in verband met de afstand tussen de beoogde woningen en het bedrijf. De zienswijze is na een gesprek en een toelichting ingetrokken. De toelichting is als bijlage toegevoegd (Buro SRO, d.d. 12 november 2025, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 12). In de toelichting wordt duidelijk dat het bedrijf niet verder gehinderd wordt in zijn bedrijfsvoering door de beoogde ontwikkeling.
Pagina 48 van 48