CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B03 Toelichting Molenhof

Gemeenteraad 16 februari 2026, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststelling TAM-IMRO Omgevingsplan Molenhof (2026-06)15.784 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM omgevingsplan Molenhof Oosterblokker Gemeente Drechterland

Colofon Gegevens over het project: Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0498.TAMMolenhof-VG01

Datum:

2025-12-08

Kenmerk Buro SRO:

SR240129

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Molenerf Oosterblokker B.V.

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.burosro.nl

Pagina 2 van 48

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 4 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied ........................................................................................................................................ 4 1.3 Toetsing aan omgevingsplan ........................................................................................................................ 5 1.4 Leeswijzer ..................................................................................................................................................... 6

2 Planbeschrijving ................................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie.............................................................................................................................................. 7 2.2 Toekomstige situatie ..................................................................................................................................... 8

3 Beleidskaders ..................................................................................................................................... 10 3.1 Rijksbeleid ....................................................................................................................................................10 3.2 Provinciaal beleid .........................................................................................................................................12 3.3 Regionaal beleid ..........................................................................................................................................15 3.4 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................................................17

4 Onderzoek .......................................................................................................................................... 20 4.1 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................20 4.2 Duurzaamheid en gezondheid .....................................................................................................................22 4.3 Geluid ...........................................................................................................................................................23 4.4 Activiteiten en milieuzonering .......................................................................................................................24 4.5 Luchtkwaliteit................................................................................................................................................26 4.6 Cultuurhistorie en archeologie......................................................................................................................27 4.7 Bodem ..........................................................................................................................................................28 4.8 Omgevingsveiligheid

....................................................................................................................................30 4.9 Natuur ..........................................................................................................................................................33 4.10 Water..........................................................................................................................................................35 4.11 Geur ...........................................................................................................................................................40 4.12 M.e.r.-beoordeling ......................................................................................................................................41

5 Juridische aspecten ............................................................................................................................ 43 5.1 Algemeen .....................................................................................................................................................43 5.2 Verbeelding ..................................................................................................................................................43 5.3 Planregels ....................................................................................................................................................43 5.4 Toelichting op functies en locaties ...............................................................................................................44

6 Uitvoerbaarheid .................................................................................................................................. 46 6.1 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................................................46 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................46

Pagina 3 van 48

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de huidige woning en agrarische gronden aan de Noorderdracht en Bangert te Oosterblokker in totaal 44 woningen te realiseren. Het woningbouwplan, genaamd 'Molenhof', bestaat uit een mix van woningen voor verschillende doelgroepen zoals starters, alleenstaanden met of zonder kinderen, gezinnen en ouderen. Het initiatief past niet binnen de regels van het omgevingsplan 'Drechterland Noord 2011'. Derhalve is het voorliggende TAM-omgevingsplan opgesteld, waarmee een wijziging op het omgevingsplan wordt doorgevoerd.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt in de plaats Oosterblokker in het westen van de gemeente Drechterland. De planlocatie wordt aan het noordoosten en het noordwesten begrensd door de wegen Bangert en Noorderdracht. Aan het zuidoosten wordt het plangebied begrensd door een caravanstalling. In het zuidwesten zijn woningen aanwezig. Verder ten zuid- en noordwesten ligt de gemeente Hoorn. Het plangebied is bekend onder de kadastrale gemeente Drechterland, sectie G, perceelnummers 2177, 1771 en 2127 en heeft een oppervlakte van ruim 1,4 ha. Het perceel direct ten zuiden van het plangebied, perceelnummer 1184, is in bezit van de initiatiefnemer en maakt deel uit van de ontwikkeling. Er vinden echter geen aanpassingen plaats. Om deze reden wordt dit perceel niet meegenomen in de onderstaande afbeeldingen. Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied weer.

Globale ligging plangebied (bron: Google Earth)

Pagina 4 van 48

Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)

1.3 Toetsing aan omgevingsplan Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland. Voor de projectlocatie gold het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2014' en deels het bestemmingsplan ‘Drechterland Noord, herziening 2014’, waarin de gronden van het plangebied grotendeels voorzien zijn van de bestemming ‘Agrarisch’. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van dat bestemmingsplan.

Pagina 5 van 48

Uitsnede bestemmingsplan ‘Drechterland Noord’, plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Binnen het plangebied geldt de enkelbestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik met uitzondering van houtteelt en bosbouw. In het oosten van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Tuin'. Op deze gronden zijn tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woonhuizen toegestaan evenals aangebouwde bijgebouwen uitsluitend in de vorm van erkers of serres en delen van gebouwen in de vorm van luifels of balkons met de daarbij behorende voorzieningen. In het oosten van het plangebied geldt de enkelbestemming 'Wonen - Lint 1'. Deze gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor aan-huis-verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten met de daarbij behorende voorzieningen. Naast de agrarische bestemming geldt in het plangebied ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2', gericht op het behoud van archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is vereist bij bodemingrepen groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm onder het maaiveld. Tevens is het plangebied voorzien van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.

Pagina 6 van 48

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie In de huidige situatie fungeert het plangebied grotendeels als weiland. Ook staat er een woning. Aan alle zijden van het plangebied zijn sloten aanwezig, op het noordoosten na. Aan het noordoosten grenst het plangebied direct aan de Noorderdracht. Aan de Noorderdracht liggen meerdere woningen en molen 'De Krijgsman'. Ten zuiden van het plangebied staat een kas die in gebruik is voor het stallen van caravans. Aan het zuidwesten en westen van het plangebied is een woonhuis en tuin aanwezig. Ten noorden loopt de Bangert, met daarachter enkele woningen. Het plangebied ligt tegen de rand van de stad Hoorn. Ten westen en ten noordwesten ligt de woonwijk Bangert en Oosterpolder. De gronden direct ten westen en zuidwesten van het plangebied bestaan uit een mix van agrarische percelen, met enkele kassen en nieuwbouw. Ten oosten van het plangebied, voorbij de Noorderdracht, liggen agrarische gronden. Ten noorden en ten zuiden loopt het lint van de Noorderdracht.

Aanzicht plangebied vanaf de Bangert (bron: google.com/maps)

Pagina 7 van 48

Aanzicht plangebied vanaf de Noorderdracht (bron: google.com/maps)

2.2 Toekomstige situatie Het voornemen is om het plangebied te transformeren naar een woonlocatie met 44 nieuwe woningen. Momenteel is de planlocatie grotendeels onbebouwd en onverhard. De enkele aanwezige woning wordt gesloopt. De 44 beoogde woningen volgen de aanwezige structuren, waardoor de woningen aan het noorden en het oosten aansluiten bij de lintbebouwing in de omgeving. De woningen langs de Bangert en de Noorderdracht bestaan uit vrijstaande woningen op vrije kavels. De sloot die hier in de huidige situatie aanwezig is, wordt gedempt. Achter de vrije kavels komen twee onder een kapwoningen en tussen- en hoekwoningen te staan. Hierachter komen rugaan-rug-woningen en een appartementengebouw te staan. Deze woningen worden via de Bangert ontsloten door middel van een nieuwe weg. Langs deze weg worden ook de benodigde openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.

Pagina 8 van 48

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Vollmer + partners, 16-07-2025)

Met de beoogde ontwikkeling worden er op het grotendeels onbebouwde perceel in totaal 44 nieuwe woningen gerealiseerd. Met het toevoegen van de woningen krijgt het perceel een functie die beter aansluit bij de omgeving en tegemoet komt aan de woonbehoefte van de gemeente en de regio. Er worden in totaal 44 woningen gerealiseerd, verdeeld in de volgende woning segmenten:

• • •

13 sociale huurappartementen 30% 16 goedkope / betaalbare koop 36% 15 dure koop 34%

Pagina 9 van 48

3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: a.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

b.

duurzaam economisch groeipotentieel;

c.

sterke en gezonde steden en regio's;

d.

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Planspecifiek Doordat voorliggend plan naar aard en omvang beperkt is heeft het geen effecten die van nationaal belang zijn. Wel draagt het plan bij aan de ambitie van het Rijk om in voldoende, duurzame en betaalbare woningen te voorzien.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Pagina 10 van 48

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling worden 44 woningen gerealiseerd. Derhalve is er sprake van een stedelijke ontwikkeling en dienen de trappen van de ladder behandeld te worden. Behoefte Voor verschillende doelgroepen neemt de woningbehoefte in de regio toe. Door vergrijzing neemt het aantal senioren toe en vergroot de woningbehoefte voor voldoende en passende seniorenwoningen. Door het tekort aan dergelijke woningen vindt er niet genoeg doorstroming plaats waardoor de vraag naar woningen voor jonge gezinnen ook toeneemt. De vraag voor betaalbare woningen bestaat zowel voor senioren als voor alleenstaanden en laagverdieners. In Oosterblokker is er een tekort aan woningen in dit segment, terwijl de behoefte toeneemt. Deze trends worden in de Regionale Woonvisie van Westfriesland bevestigd en vormen ook de basis van het beleid. Het is daarom zaak dat het lokale en regionale woningaanbod in voldoende geschikte seniorenwoningen voorziet. Naar verwachting groeit de woningbehoefte in Westfriesland flink in de komende jaren.

Dit volgt onder andere uit de Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040, hierin is te zien dat de oudere bevolkingsgroepen verreweg voor het grootste deel bijdragen aan de groei van de woningbehoefte. Dit is ook weergegeven in onderstaande tabel. Dit plan draagt bij aan het voorzien van woningen voor meerdere doelgroepen waaronder ook senioren.

Tabel 3.1: Groei woningbehoefte per bevolkingsgroep in Westfriesland (bron: Bevolkingsprognose Noord-Holland 2019-2040)

Ook in kwalitatieve zin is er vraag naar vernieuwende woningen. Er is in de gemeente Drechterland veel behoefte aan meer variatie in woningtypen. De huidige woningvoorraad bestaat voor het grootste deel uit grote eengezinswoningen. Door de groei van het aantal senioren en eenpersoonshuishoudens neemt de vraag naar

Pagina 11 van 48

passende, vaak kleinere, woningen voor deze doelgroepen toe. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 13 toegankelijke woningen voor starters, alleenstaanden en senioren in het sociale segment. De overige 31 woningen bestaan uit een mix van goedkope, betaalbare en dure koopwoningen voor starters, gezinnen, doorstromers en senioren, waar eveneens behoefte voor bestaat. Buiten bestaand stedelijk gebied In bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bestaand stedelijk gebied als volgt omschreven: ‘op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen.’ Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwing van Hoorn. Rondom het plangebied zijn reeds woon- en bedrijfsgebouwen aanwezig. Het plangebied maakt onderdeel uit van dit stedenbouwkundig samenstel. Uitgaande van de definitie als omschreven in het Bkl kan het plangebied dan ook aangemerkt worden als stedelijk gebied. Tevens wordt het plangebied niet aangemerkt als landelijk gebied in de omgevingsverordening van Noord-Holland.

Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a.

Klimaatverandering: een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.

b.

Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

c.

Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.

Gebruik van de leefomgeving d.

Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.

Pagina 12 van 48

e.

Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends.

f.

Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen.

g.

Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.

Energietransitie h.

De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.

Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: a.

Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst

b.

Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging

c.

Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem

d.

Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal

e.

Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie

f.

Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector

Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving.

Planspecifiek Het initiatief richt zich op het verbeteren van het gebruik van de leefomgeving, specifiek op het realiseren van nieuwe woningen en woningbouw. Daarmee draagt voorliggend plan voornamelijk bij aan de beweging 'Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal'. Derhalve is het plan in lijn met het beleid van de Omgevingsvisie.

3.2.2 Omgevingsverordening NH2022 De laatste versie van de Omgevingsverordening NH2022 is op 1 juli 2024 in werking getreden. De regels en wetten die terugkomen in de Omgevingsverordening NH2022 komen grotendeels overeen met de Omgevingsverordening NH2020, maar zijn omgezet conform de nieuwe eisen die de Omgevingswet stelt. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker om te zien welke regels waar gelden. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn gebieden benoemd waar uitgebreid omschreven staat welke activiteiten

mogelijk

zijn

en

onder

welke

voorwaarden.

Enkele

voorbeelden

van

deze

zogeheten

‘werkingsgebieden’ zijn het Landelijk Gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Provinciale Wegen. Deze

Pagina 13 van 48

gebieden en de bijbehorende regels zijn opgenomen in een digitale kaart (Regels op de kaart). Zo is in een oogopslag duidelijk welke regels waar gelden in Noord-Holland. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:

▪

het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;

▪

het behoud en herstel van de biologische diversiteit;

▪

het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Planspecifiek Risico's op klimaatverandering In artikel 6.75 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat bij een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. In de beschrijving wordt in ieder geval ingegaan op het risico van: a.

wateroverlast;

b.

overstroming;

c.

hitte;

d.

watertekort;

e.

verzilting;

f.

verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit.

Wateroverlast Uit de klimaatatlas blijkt dat het plangebied enigszins gevoelig is voor wateroverlast na extreme neerslag. Het plangebied is als agrarisch perceel lager gelegen dan omliggende woongebieden. Met de boogde ontwikkeling worden de gronden van het plangebied verhoogd. Ook wordt met het verbreden van de watergang ten zuidwesten en zuidoosten van het plangebied rekening gehouden met de waterhuishouding. Overstroming Uit raadpleging van de klimaatatlas van Noord-Holland blijkt dat er ter plekke van het plangebied een kleine kans op overstroming geldt (1/300 tot 1/3.000 per jaar). Hitte In de huidige situatie is er in het plangebied sprake van een vergelijkbare of lagere temperatuur vergeleken met de omgeving. Met de beoogde ontwikkeling zal de hitte in het plangebied door het toevoegen van bebouwing toenemen. Wel worden er bomen geplant om verhitting tegen te gaan. De verwachting is dat de hitte daarmee op hetzelfde niveau komt te liggen met de omliggende woongebieden. Watertekort Op basis van de klimaatatlas blijkt dat er in de huidige situatie in het plangebied geen sprake is van droogte door watertekort. Met de beoogde ontwikkeling neemt de verharding in het plangebied toe. De verwachting is dat dat niet leidt tot droogte. Water wordt zolang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied.

Tevens zijn er meerdere watergangen rondom het plangebied aanwezig, waarvan er twee door de beoogde ontwikkeling worden verbreed.

Pagina 14 van 48

Verzilting Gelet op de ligging van het plangebied is het niet te verwachten dat er sprake is van verzilting in het plangebied. Verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit Binnen het plan worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de waterkwaliteit zouden kunnen beschadigen. Het oppervlaktewater wordt grotendeels in stand gehouden en deels uitgebreid. Verder zijn er geen relevante aanvullende eisen ten aanzien van het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening NH2020 waardoor gesteld kan worden dat het plan in overeenstemming is met het provinciale ruimtelijke beleid.

3.2.3 Woonagenda 2020-2050 De woonagenda provincie Noord Holland 2020-2050 is op 20 april 2020 vastgesteld. De doelstelling van de woonagenda is om te zorgen dat er voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen

zijn.

De

speerpunten

zijn

een

woning

voor

iedereen,

productie

op

peil:

aanjagen

woningbouwproductie, gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie en een kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. De speerpunten zijn vertaald in Regionale Actieprogramma's. Daarnaast is een goede afstemming tussen vraag en aanbod op de woningmarkt een speerpunt, niet alleen op kwantiteit, bepaald door huishoudensgroei, maar vooral ook op kwaliteit: het juiste type woningen voor alle verschillende doelgroepen. Betaalbaar, duurzaam en passend bij de huishoudensgrootte en woonwensen van de inwoners van Noord-Holland.

Planspecifiek De ontwikkeling levert een bijdrage aan de vraag naar woningen voor verschillende doelgroepen. De woningbehoefte van alle huishoudenstypen blijft de komende jaren toenemen. Door de vergrijzing is er meer vraag naar passende woningen voor senioren. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van onder andere sociale huur- en koopwoningen voor senioren en alleenstaanden. Dit bevordert ook de doorstroming van ouderen waardoor er elders bestaande woningen vrij komen voor andere doelgroepen. Ook de woningbehoefte van starters zal aanhouden. Voorliggend plan voorziet hierom ook in de realisatie van passende en goedkope koopwoningen voor deze doelgroep. Ook bestaat de behoefte bij gezinnen voor passende (koop)woningen. Voor deze doelgroep worden met voorliggend plan betaalbare en dure koopwoningen voorzien. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen passend bij de vraag van deze doelgroepen. Daarmee is het plan in lijn met het provinciale beleid. Verder wordt er in paragraaf 3.3 nader ingegaan op de regionale woonvisie en de regionale woningbehoefte.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie West-Friesland 2017-2027 De Regionale woonvisie West-Friesland voor de periode 2017-2027 geeft invulling aan de ambitie van de regio West-Friesland om tot de top 10 woonregio's van Nederland te behoren. Samen met het Regionaal

Pagina 15 van 48

Actieprogramma (RAP) wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden. De regionale woonvisie voor West-Friesland brengt de actuele situatie van de woningmarkt in beeld en geeft het beleid voor de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (tot 2030) op hoofdlijnen aan. De woonvisie benoemt welke richting de West-Friese gemeenten met de woningmarkt op willen en waar rekening mee gehouden moet worden. Het doel van de woonvisie is om de West-Friese bevolking naar wens en tevredenheid te laten wonen en zoveel mogelijk een breed scala aan woonwensen en de woningbehoefte van de inwoners binnen de regio te realiseren. Samen met (andere) belanghebbenden op de woningmarkt zijn de speerpunten voor de woonvisie bepaald. Deze speerpunten zijn de ‘ankers’ waar de woonvisie en het RAP aan hangen. De West-Friese woonvisie zet in op de volgende vijf speerpunten:

▪

Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen.

▪

Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern.

▪

Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten.

▪

Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen.

▪

Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.

Planspecifiek Eén van de speerpunten van de hierboven beschreven woonvisie is het inzetten op onderscheidende en complementaire producten. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 44 nieuwbouwwoningen waarbij sprake is van een divers woonprogramma. Daarmee wordt aangesloten op de vraag naar woningen voor zowel de oudere doelgroep als kleinere huishoudens. Hiermee is sprake van een ontwikkeling die in lijn is met de regionale woonvisie en het Regionaal Actieprogramma.

3.3.2 Woonakkoord 2020-2025 Het Woonakkoord 2020-2025 is gesloten tussen de provincie Noord-Holland en de gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec, ook wel de bestuurlijke regio West-Friesland. In het eerste deel van het Woonakkoord zijn de opgaven voor wonen en bouwen geformuleerd. De opgaven zijn in samenhang met andere opgaven bekeken, zoals mobiliteit en klimaat. Op basis van een gedeeld beeld van de opgaven worden in deel 2 de samenwerkingsafspraken en acties benoemd, hier worden marktpartijen bij betrokken. De regio West-Friesland heeft een gevarieerd aanbod aan stedelijke en landelijke woonmilieus. De regio beschikt over knooppunten van openbaar vervoer die liggen in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen. Hoorn vervult een belangrijke centrumfunctie voor de regio. Daarnaast beschikt de regio over unieke landschappen en een sterke economische structuur. Daardoor is de regio een aantrekkelijk woongebied.

Pagina 16 van 48

Uitgangspunt bij het invullen van de woningbouwopgave is binnenstedelijk en rond OV-locaties bouwen. Voor een gevarieerd woonmilieu en het aanbieden van een complementair woningbouwprogramma maken buitenstedelijke plannen, conform de woonagenda van de provincie, ook onderdeel uit van dit woonakkoord. Ook in aanmerking genomen dat de provincie in haar woonagenda heeft opgenomen dat ze de woningbouw wil versnellen en aanjagen. Conform de Omgevingsvisie NH 2050 wordt de woningbouw vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland. Ook de voorzieningen en leefbaarheid in kleine(re) kernen verdienen aandacht, evenals de bescherming en ontwikkeling van het landschap. De nieuwbouw moet toekomstbestendig worden gebouwd. Een specifieke opgave op het snijvlak van wonen en economie is de huisvesting van arbeidsmigranten. De regio heeft tot doel om de inwoners van West-Friesland naar wens en tevredenheid te laten wonen en een breed scala aan woonwensen binnen de regio te realiseren. De regio zet hiertoe in op:

▪

versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woningaanbod voor iedere doelgroep;

▪

het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad;

▪

leefbaar en bereikbaar West-Friesland tot in de kern;

▪

onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten;

▪

langer zelfstandig wonen bevorderen;

▪

werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het woonakkoord. Er wordt bijgedragen aan de woningbouwopgave voor meerdere doelgroepen. Ook wordt met levensbestendige woningen langer zelfstandig thuiswonen bevorderd.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie landschap gemeente Drechterland De Structuurvisie landschap gemeente Drechterland is op 23 mei 2011 vastgesteld. Deze structuurvisie biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap in de gemeente Drechterland. De visie kan dienen als kapstok voor uitwerkingen en bestemmingsplannen en als basis voor de afweging van initiatieven uit de markt.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'behouden en versterken'. Het overgrote deel van het buitengebied krijgt het ambitieniveau ‘behouden en versterken’ mee. Dit gebied ligt voornamelijk aan de noord- en zuidwestkant van Drechterland, waaronder Oosterblokker. De kwaliteiten van dit gebied zitten in de cultuurhistorische linten met de daarmee samenhangende en nog goed herkenbare verkavelingsstructuur en openheid. De uitgangspunten voor ontwikkelingen in dit gebied zijn het behouden van de openheid en de linten. Met de beoogde ontwikkeling wordt er geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische linten. Het plangebied is grotendeels onbebouwd en maakt daardoor geen deel uit van de linten van de Bangert en de Noorderdracht. Met het ruimtelijke ontwerp van het plangebied wordt aansluiting gezocht met de omliggende linten door het plaatsen van vrijstaande woningen in de lijn van de linten. De dichtere bebouwing zoals rug-aan-rug woningen en het

Pagina 17 van 48

appartementengebouw wordt achter de vrijstaande woningen geplaatst, teruggetrokken van de twee wegen. Hiermee versterkt de beoogde ontwikkeling de kwaliteiten van aanwezige linten.

Structuurvisie landschap (plangebied rood omkaderd)

3.4.2 Welstandsnota Drechterland De Welstandsnota Drechterland is op 27 juni 2011 vastgesteld door de raad. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in het gebiedstype 3 'Karakteristieke linten'. Voor het gebied geldt een aanduiding als bijzonder welstandsgebied, waarbij de nadruk zal liggen op het respecteren en handhaven, en waar nodig versterken van de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten. Het voor dit initiatief opgestelde beeldkwaliteitsplan is met instemming van de Welstandcommissie van de gemeente Drechterland opgemaakt. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan en is daarmee als bindend kader voor de welstandstoets opgenomen. Bij de verdere architectonische uitwerking van de woningen vormt het beeldkwaliteitsplan het kader voor deze uitwerking.

3.4.3 Woonprogramma 2021-2025 Drechterland Op 27 september 2021 heeft de raad het Woonprogramma 2021-2025 Drechterland 'Prettig wonen in vitale dorpen' vastgesteld. In dit programma geeft de gemeente aan hoe men de komende jaren in Drechterland wil

Pagina 18 van 48

omgaan met de grote woningvraag die er leeft. Het woonprogramma is opgebouwd aan de hand van zes thema’s. Per thema zijn de belangrijkste doelstellingen benoemd.

▪

Thema 1: kwalitatieve woningbouwopgave.

▪

Thema 2: wonen en zorg.

▪

Thema 3: evenwichtige wijken en dorpen.

▪

Thema 4: voldoende aanbod aan sociale huurwoningen.

▪

Thema 5: kwantitatieve woningbouwopgave.

▪

Thema 6: duurzaamheid.

Planspecifiek Voor thema 1 (kwalitatieve woningbouwopgave) geldt bij het dorp Oosterblokker, waarin het plangebied is gelegen, dat er vanuit de gemeente een behoefte bestaat aan meer variatie in woningtypen. Het grootse deel van de woningen in Drechterland bestaat in de huidige situatie uit grote eengezinswoningen. De gemeente kaart aan dat door de veranderende samenstelling van inwoners er vraag is naar een meer diverse woningvoorraad. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 44 woningen in verschillende segmenten zoals sociale huur, goedkope koop, betaalbare koop en dure koop. Hiermee sluit het aanbod aan op de veranderende samenstelling van de gemeente. Voor thema 2 (wonen en zorg) is de behoefte om meer passende locaties en woonvormen voor senioren te realiseren. Het woonprogramma van voorliggend plan sluit aan op de doelstellingen van het woonprogramma. Zo zijn er diverse woningen mede bestemd voor senioren. De woningen bestaan uit verschillende typen en schalen. Als uitwerking van thema 4 (voldoende aanbod aan sociale huurwoningen) wil de gemeente het aanbod van sociale huurwoningen uitbreiden. Doelstelling van het woonprogramma is om het aandeel van 20% sociale huurwoningen in de huidige woningvoorraad te vergroten naar 25% in 2025. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 13 sociale huurwoningen in Hoogkarspel.

Hiermee bestaat het woonprogramma voor 30% uit sociale huur, boven het minimum van 25% uit het woonprogramma 2021-2025 en conform de Woondeal 2.0 Noord-Holland Noord. Thema 5 (kwantitatieve woningbouwopgave) van het woonprogramma betreft het uitbreiden van de woningvoorraad

met

700 nieuwbouwwoningen

tot 2025. Doelstelling

hierbij is

dat

de

nieuwbouw meer

doorstroming creëert en meer kansen biedt voor starters op huur- of koopwoningen. Het voorliggende initiatief voorziet in de realisatie van 44 woningen, waardoor wordt bijgedragen aan de kwantitatieve woningbouwopgave. Ook worden er met sociale huur- en goedkope koopwoningen kansen gecreëerd voor starters, en wordt er met het diverse aanbod van koopwoningen ruimte gemaakt voor doorstromers. Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan aansluit bij het Woonprogramma 2021-2025.

Pagina 19 van 48

4 Onderzoek 4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’ kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek In de voorgenomen ontwikkeling worden op de locatie Molenhof 44 woningen gerealiseerd. Dit gaat gepaard met een toename in verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied. Voor het verkennen van de toekomstige verkeerssituatie en het berekenen van de te verwachten verkeersgeneratie is een verkeersstudie uitgevoerd (Goudappel, d.d.14 september 2025, zie: bijlagen bij toelichting, bijlage 1). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder benoemd. In de verkeersstudie is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling berekend op basis van CROW kencijfers. Zoals in de onderstaande tabel blijkt is er in de toekomstige situatie sprake van een verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigen per werkdag (271 per weekdag).

overzicht verkeersgeneratie (bron: Goudappel, 14 september 2025)

Molenhof wordt ten noordwesten en ten noordoosten ontsloten op de Bangert en de Noorderdracht. Er is per weg berekend of de toename van het aantal verkeersbewegingen op een acceptabele wijze verwerkt kan worden.

Pagina 20 van 48

Uit het verkeersonderoek blijkt dat de verkeersveilige wegvakcapaciteit van de Bangert in totaal 4.000 motorvoertuigbewegingen

per

etmaal

bedraagt.

Op

dit

moment

maken

circa

1.100

motorvoertuigbewegingen per etmaal gebruik van de Bangert. Dit betekent dat er een restcapaciteit is van 2.900 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gehele verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor het plangebied kan daarmee op een acceptabele wijze verwerkt worden. De

verkeersveilige

wegvakcapaciteit

van

de

Noorderdracht

bedraagt

in

totaal

eveneens 4.000

motorvoertuigbewegingen per etmaal. Op dit moment maken circa 2.700 motorvoertuigbewegingen per etmaal gebruik van de Noorderdracht. Dit betekent dat er een restcapaciteit is van circa 1.300 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De gehele verkeersgeneratie van 300 motorvoertuigbewegingen per etmaal voor het plangebied kan daarmee op een acceptabele wijze verwerkt worden. Op basis van ongevallenstatistieken afkomstig van Viastat blijkt dat er sprake is van een veilige situatie op de Bangert en Noorderdracht, ter hoogte van het plangebied. In de periode 2014 – 2024 hebben slechts twee ongevallen plaatsgevonden. Er wordt geconcludeerd dat er in de basis sprake is van een verkeersveilige situatie Aanbevolen wordt om de fietsstroken op de Bangert te verbreden naar 1,75 m. Aanbevolen wordt ook, conform het Verkeersplan Drechterland, om de kruispunten als volgt vorm te geven. De fietsstroken lopen niet over het kruispunt door, maar de voorrangsweg wordt in een gele kleur aangegeven. Daarbij is direct duidelijk (door de afwijkende kleur) welke route voorrang heeft en welke voorrang moet geven. Aanbevolen wordt om de kruispunten Bangert – Noorderdracht en de aansluitingen met het plangebied op deze wijze vorm te geven. In verband met trillingshinder voor de molen wordt aanbevolen om geen verticale hoogteverschillen toe te passen.

Met het opvolgen van deze aanbevelingen ontstaat er een veiligere verkeerssituatie.

4.1.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of worden voorzien in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek Voor het parkeren in het plangebied worden de parkeernormen uit de CROW-publicatie 744 aangehouden. Er wordt aangesloten bij de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk'. In onderstaande tabel is weergegeven wat dit betekent voor het aantal parkeerplaatsen dat nodig is in het plangebied uitgaand van de gemiddelde parkeernorm.

Pagina 21 van 48

De parkeerbehoefte in de beoogde ontwikkeling bedraagt afgerond 83, waarvan 29 op eigen terrein (twee-ondereen-kapwoningen en vrijstaande woningen) en 3 bedoeld zijn voor 'molenbezoek' . Zoals op de situatietekening in paragraaf 2.2 te zien is, worden de openbare parkeerplaatsen voorzien in de collectieve parkeervoorziening in het westen van het plangebied. In het plangebied kan voorzien worden in het benodigd aantal parkeerplaatsen.

4.2 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.

Pagina 22 van 48

De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.

Planspecifiek De beoogde woningen worden gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Indien de woningen worden voorzien van buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking, dient voor de locatiebepaling van de installaties rekening te worden gehouden met de geluidseisen van het Bouwbesluit 2012. Hierbij dient aangetoond te worden dat kan worden voldaan aan de geluideisen zoals gesteld in Afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012. Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.3 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

Het

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Een woning is een geluidsgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig gebouw dient aangetoond te worden dat het geluid op dat gebouw niet hoger niet hoger is dan de standaardwaarden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is daarom door Adviesburo Van der Boom een onderzoek naar de geluidbelasting vanwege wegverkeer uitgevoerd. (24137, d.d.9 september 2025, zie bijlagen bij toelichting, Bijlage 2).

Pagina 23 van 48

Onderbouwing gebruikte verkeersgegevens Voor de beoordeling van de verkeerskundige effecten is gebruikgemaakt van verkeersgegevens uit het gemeentelijke verkeersmodel met prognosejaar 2030. Dit model is in 2022 beschikbaar gesteld in het kader van een ander ruimtelijk project in de directe omgeving en bevat de benodigde intensiteiten en wegdektypen voor de relevante wegen. Omdat de gegevens rechtstreeks uit dit verkeersmodel afkomstig zijn en volledig aansluiten bij de situatie in de onderhavige studie, is ervoor gekozen deze te hanteren. Eventuele latere aanvullingen of correcties zijn niet bekendgemaakt, zodat de in het rapport gebruikte gegevens representatief en actueel zijn. Voor het zichtjaar 2035 zijn de gegevens voor 2030 uit het model opgehoogd met een autonome groei van 1,5% per jaar. Resultaten Uit het onderzoek blijkt dat de waarde van het geluid door wegverkeer op lokale wegen op de oostgevel van de woningen langs de Noorderdracht en op de noordgevel van de woning op de hoek van de Noorderdracht en de Bangert boven de standaardwaarde van 53 dB ligt. De hoogste waarde bedraagt 57 dB. De grenswaarde van 70 dB wordt niet overschreden. Het verlagen van de waarde van het geluid door het treffen van maatregelen aan de bron stuit op financiële en civieltechnische bezwaren.

Afscherming van alle woonlagen van de woningen is op deze locatie niet haalbaar door aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. De hoogste waarde van het gezamenlijke geluid bedraagt 57 dB op de gevels. De benodigde karakteristieke geluidwering is GA;k 24 dB. Voor de gevels van de ontwikkeling met een waarde van het gezamenlijk geluid van meer dan 53 dB zijn geluidwerende voorzieningen nodig. Met de benodigde ingrepen kan voor wat betreft het aspect geluid, sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie mits voldaan wordt aan de eisen voor de geluidwering uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving middels een gevelweringsonderzoek.

4.4 Activiteiten en milieuzonering Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’.

Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart.

Pagina 24 van 48

Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

▪

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

▪

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

▪

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient aangetoond te worden dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en activiteiten in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt worden. Het plangebied is gelegen aan de rand van de bebouwde kom. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen aanwezig maar ook bedrijvigheid en agrarische activiteit. Hierdoor is het omgeving van het plangebied te beschrijven als een gemengd gebied met wonen. Ten noorden van het plangebied, achter het kruispunt van de Noorderdracht en de Bangert, is een maatschappelijke bestemming aanwezig. Het betreft een kinderdagverblijf. De opvang ligt op een afstand van ca. 40 m van het plangebied. Ten oosten van het plangebied, achter de Noorderdracht zijn meerdere bedrijven aanwezig. In het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011' zijn deze bedrijven bestemd voor bedrijven binnen categorieën 1 en 2 zoals benoemd in bijlage van de regels. In een gemengd gebied geldt hiervoor een maximale afstand van 10 m. De afstand tussen deze bedrijven en de beoogde woningen bedraagt minimaal 20 m. Gelet op het voorgaande vormen deze bedrijven geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het zuidoosten van het plangebied wordt begrensd door kassen. Deze kassen zijn bestemd voor een caravanstalling.

Hiervoor geldt volgens het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011' een richtafstand van 10 m in een gemengd gebied. De afstand tussen de kassen en de beoogde woningen bedraagt minimaal 10 m. De ruimte tussen de kassen en de beoogde woningen bestaat uit water en groen. Gelet op het voorgaande vormt de caravanstalling geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de noordzijde van het plangebied is een rioolgemaal aanwezig. Met het Hoogheemraadschap is afgestemd dat hier een zone van 10 m geldt. Binnen deze zone worden geen bouwwerken gerealiseerd. In paragraaf 4.11 is hier meer over te lezen. Drift gewasbeschermingsmiddelen In verband met de omliggende agrarische gronden is in beeld gebracht of er in de omgeving van het plangebied gewasbeschermingsmiddelen

Pagina 25 van 48

worden

gebruikt.

De

gronden

ten

noorden,

ten

oosten

en

aan

het

zuidwesten beschikken over de bestemming ‘Agrarisch’ in het bestemmingsplan 'Drechterland Noord 2011’. Deze gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van agrarische bedrijven. Het is mogelijk dat hier gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er zijn geen wettelijke eisen voor de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en gevoelige bestemmingen zoals wonen. Uit jurisprudentie (uitspraak van 23 juni 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP3436) blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) een afstand van 50 m tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt redelijk acht. Echter kan de afstand van de vuistregel verkleind worden als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. De meest nabijgelegen gronden waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt ligt aan de zuidzijde van het plangebied. Op het perceel direct ten zuiden van het plangebied (perceel 1184) staat een kas die in het verleden is gebruikt voor sierteelt. De initiatiefnemer heeft dit perceel gekocht om te verzekeren dat er binnen 50 m van het plangebied geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Hiertoe is een regel opgenomen in het voorliggende TAM-omgevingsplan (zie lid 4.4 sub a van de regels).

Ten zuidwesten van het plangebied is een kas aanwezig dat bestemd is voor agrarisch gebruik. In het ontwerp van het beoogde woongebied is rekening gehouden met de kas door de woningen op een afstand van meer dan 50 m te plaatsen. Hierdoor vormt de kas geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling Hiernaast zijn er op groetere afstanden meerdere agrarische gronden aanwezig. Dit betreft de agrarische gronden op een afstand van ca. 90 m ten noorden van het plangebied. Ten oosten van het plangebied, achter het lint van de Noorderdracht, liggen ook agrarische gronden waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze gronden liggen op ca. 220 meter van de beoogde woningen. Daarmee kan worden gesteld dat drift van gewasbeschermingsmiddelen geen belangrijke nadelige gevolgen hoeft te hebben ten aanzien van de beoogde woningen. Gelet op deze afstanden en de hiervoor beschreven omstandigheden kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden omliggende bedrijven niet verder in de bedrijfsvoering beperkt. Binnen het plangebied is ook een rioolgemaal aanwezig. In paragraaf 4.11 wordt dit gemaal uitvoerig beschouwd.

Conclusie Gezien het voorgaande vormen milieubelastende activiteiten in de omgeving geen belemmering voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en worden de bedrijven niet gehinderd in hun bedrijfsvoering.

4.5 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

Pagina 26 van 48

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Met behulp van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2022 van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,6 μg/m³ voor PM 7,8 μg/m³ voor PM2,5 en 10,9 μg/m³ voor NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden en staat de luchtkwaliteit de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Cultuurhistorie en archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16506236/1