CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B-03 Toelichting Tuinstraat 2-4

Gemeenteraad 1 juni 2026, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO Omgevingsplan Tuinstraat 2-4 Venhuizen (2026-25)13.844 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Archeologie Conform het bestemmingsplan 'Drechterland Zuid' zijn de noordelijk gelegen gronden in het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Voor deze gronden geldt dat een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd dient te worden bij bodemingrepen dieper dan 0,4 m beneden maaiveld en met een oppervlakte groter dan 500 m². Voorliggende ontwikkeling blijft onder deze drempelwaarden. De gezamenlijke oppervlakte van de beoogde woning en de bijgebouwen bedraagt immers 484 m². Bovendien zijn de gronden ter plaatse van de bestaande woningen reeds verstoord.

pagina 29 van 45

Tevens zijn de zuidelijk gelegen gronden voorzien van de dubbel dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Voor deze gronden liggen de grenswaarden op respectievelijk 0,4 m en 100 m². Er vinden op deze gronden geen (siginificante) bodemingrepen plaats. Een archeologisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven. Gelet op het voorgaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Cultuurhistorie Er zijn geen rijksmonumenten en/of gemeentelijke monumenten in of nabij het plangebied aanwezig. Het meest dichtstbijzijnde Rijksmonument bevindt zich op ca. 65 m afstand in zuidoostelijke richting en betreft het voormalige raadhuis aan het Westeinde 3. Onderhavige planontwikkeling doet, mede vanwege de eenvoudige gevelopbouw, geen afbreuk aan dit monument. Nader onderzoek naar cultuurhistorie wordt derhalve niet nodig geacht. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.7 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

•

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

•

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op een planologische functiewijziging naar een gevoeliger bodemgebruik. In het bestemmingsplan heeft het plangebied immers reeds de bestemming ‘Wonen’. In het kader van voorliggend TAM-omgevingsplan is dan ook geen bodemonderzoek vereist. Desalniettemin is op basis van artikel 5.89g en 5.89h van het Bkl, geen vrijstelling aan de orde is voor het uitvoeren van een bodemonderzoek. Er zal dan ook bij de melding Wet kwaliteitsborging een bodemonderzoek uitgevoerd te worden volgens de NEN 5740. Indien op de locatie vermoedens zijn dat asbest in de bodem aanwezig is dient het onderzoek tevens te voldoen aan de NEN 5707.

pagina 30 van 45

Om te beoordelen of een belemmering voor de beoogde ontwikkeling is te verwachten is de bodemhistorie in de omgeving beschouwd. Op naastliggende percelen is in 2002 (Twijver 69) en 2006 (Sint Lucasstraat) verkennend bodemonderzoek verricht. Daarbij zijn maximaal lichte verontreinigingen aangetroffen. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart van de Regio West Friesland (2016) is de locatie ingedeeld in deelgebied B2/O2, “Wonen voor 1980”. De kwaliteit van de boven- en ondergrond op onverdachte locaties is hier gemiddeld gelijk aan klasse Wonen. In het historisch bodembestand is vermeld dat op Tuinstraat 2 een ondergrondse tank is verwijderd, met Kiwa certificaat. Uit bestudering van (historisch) kaartmateriaal op topotijdreis blijkt dat ten westen en zuiden van nr. 2 tot begin jaren 70 sloten aanwezig waren. Voormalige sloten kunnen gedempt zijn met bodemvreemd materiaal. Hoewel bodemverontreinigingen niet uit te sluiten zijn vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend TAM-omgevingsplan. Wel zal op een later moment, in het kader van de kwaliteitsborging, een bodemonderzoek worden uitgevoerd.

4.8 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen.

De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied.

pagina 31 van 45

De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Deze maatregelen dienen te geschieden met voorschriftengebieden. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Plaatsgebonden risico Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er geen inhoudelijke wijzigingen voor het plaatsgebonden risico.

Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (106/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR(plaatsgebonden risico)-10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, zoals verspreid liggende woningen en kleine sportlocaties, geldt de PR-10-6-contour als standaardwaarde. Hiermee moet in het omgevingsplan ‘rekening gehouden worden’. Dit houdt in dat aan de norm van ten hoogste één op de miljoen per jaar moet worden voldaan, tenzij er redenen zijn om af te wijken. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. Seveso-inrichtingen De milieubelastende activiteit Seveso-inrichting wordt in paragraaf 3.3.1 van het Bal aangewezen. Deze activiteit kan schadelijk zijn voor het milieu. Er zijn vooral nadelige gevolgen voor de omgevingsveiligheid vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Bij een Seveso-inrichting gaat het om een bedrijf waar een gevaarlijke stof aanwezig is of mag zijn, of kan ontstaan bij verlies van controle over de processen.

In bijlage VII van het Bkl staan de afstanden voor het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Onderdeel E6 gaat in op Sevesoinrichtingen. Daar staat dat beide afstanden moeten berekend worden. Vervoer gevaarlijke stoffen Er geldt verschillende nationale en internationale wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zorgt ervoor dat de kans op een ongeval en het vrijkomen van deze stoffen zo klein mogelijk is. Er bestaat weten regelgeving voor vervoer van gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water, oftewel het Basisnet. Regels over vervoer van gevaarlijke stoffen blijven buiten de Omgevingswet bestaan onder de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs). Alle artikelen over de ruimtelijke ordening gaan over naar de Omgevingsregeling. In bijlage VII onder C bij het Bkl zijn de afstanden voor de aandachtsgebieden voor het Basisnet:

•

30 meter voor een brandaandachtsgebied

•

200 meter voor een explosieaandachtsgebied

pagina 32 van 45

De Omgevingsregeling (artikel 2.23 Invoeringsregeling Omgevingswet) wijst wegen en spoorwegen aan die een aandachtsgebied hebben. Welke wegen en spoorwegen dit zijn, staat in de Regeling basisnet, tabellen I en II. Voor deze wegen en spoorwegen gelden dan de eerdergenoemde aandachtsgebieden.

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten, buisleidingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningslijnen aanwezig zijn is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omkaderd (bron: Atlas leefomgeving)

Buisleidingen Uit de risicokaart blijkt dat op ca. 3,3 km afstand ten noorden van het plangebied de meest nabijgelegen buisleiding is gelegen, die met deze afstand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen De meest dichtstbijzijnde transportroute waarover gevaarlijke stoffen plaatsvindt ligt op ca. 11 km afstand in westelijke richting. Dit betreft de rijksweg A7, welke is opgenomen in het Basisnet Wegvervoer. Gelet op de ruime afstand ligt de planlocatie niet binnen de aandachtsgebieden van deze weg.

pagina 33 van 45

Activiteiten Op ca. 200 m afstand in noordwestelijke richting is de meest nabijgelegen risicovolle activiteit gelegen, te weten het tankstation ‘OK Venhuizen’ (Twijver 24). Ter plaatse wordt LPG opgeslagen. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen de aandachtsgebieden (PR10-6, brand en explosie) van deze activiteit. Hierdoor vormt deze activiteit geen belemmering. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. De uitgangspunten, begrippen en systematiek van de Wet natuurbescherming zijn de afgelopen jaren al zoveel mogelijk afgestemd op de vergunning- en ontheffingverlening onder de Omgevingswet. De regels uit de Wet natuurbescherming zijn beleidsneutraal overgeheveld naar de Omgevingswet. Dat betekent dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd blijven. Hetzelfde geldt voor het beschermingsniveau voor habitatsoorten, vogelsoorten en andere (beschermde) soorten. Anders gezegd: de bescherming blijft op peil. Bovendien blijft ook de algemene zorgplicht bestaan. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd.

Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

pagina 34 van 45

•

aanwezige dier- en plantensoorten;

•

typen natuurlijke habitats;

•

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en faunaactiviteiten met gevolgen voor dieren en planten in het wild, kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

•

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

•

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is voor het plangebied een Quickscan natuur uitgevoerd (Vonk Ecologie, d.d. 2 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder samengevat. Soortenbescherming Tijdens het locatiebezoek zijn geen beschermde plantensoorten of beschermde diersoorten met vaste rust- of verblijfplaatsen aangetroffen. Ook zijn er geen (mogelijke) verblijfplaatsen voor vleermuizen vastgesteld, noch broedgevallen van vogels die vallen onder de jaarrond beschermde soorten. Het SMP-onderzoek sluit bovendien de aanwezigheid van broedende huismussen uit. Voor vogels die mogelijk in de aanwezige begroeiing broeden, wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten het broedseizoen (maart t/m juli) uit te voeren of voorafgaand een inspectie uit te voeren. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd natuurgebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Eilandspolder’ ligt op ca. 22,3 km afstand ten zuidwesten van het plangebied. Op de woningbouwkaart van de ODNHN ligt de locatie dan ook in de groene zone (geen toename stikstofdepositie bij de

pagina 35 van 45

bouw van maximaal 11 woningen). Ondanks de grote afstand en de ligging in de groene zone is een stikstofonderzoek uitgevoerd ((Vonk Ecologie, d.d. 2 oktober 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hieruit blijkt dat het plan geen significant effect heeft op stikstofgevoelige habitattypen van dit Natura 2000-gebied. Houtopstanden Er is geen sprake van effecten op houtopstanden onder bescherming van de Omgevingswet. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling geen effect heeft op de onderzochte soorten/soortgroepen en dat de beoogde plannen geen effect hebben op beschermde gebieden. Vervolgonderzoek is in dit kader dan ook niet nodig.

4.10 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal waterprogramma’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Waterprogramma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

pagina 36 van 45

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. Weging van het waterbelang Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Berging van water in de bodem Bij nieuwe gebiedsontwikkelingen dient het water tijdelijk in het plangebied te worden geborgen op basis van het toekomstig dakoppervlak. Hiertoe dient een berging van 70 mm te worden gerealiseerd met een totaal van 400 m3. Watercompensatie Er moet extra waterberging gerealiseerd worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is.

Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakt minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.

Planspecifiek Navolgend worden de relevante wateraspecten beschouwd. Watercompensatie Conform de eisen van het Hoogheemraadschap Noord-Hollands Noorderkwartier dient een toename aan verharding gecompenseerd te worden wanneer de toename betrekking heeft op meer dan 230 m² grondoppervlakte. In de huidige situatie is de planlocatie deels verhard en onverhard. De verhardingsbalans bestaat uit het toevoegen van 824 m² aan verharding ten opzichte van een huidige verhardingsoppervlakte van 740 m².

pagina 37 van 45

Met het realiseren van het initiatief neemt het aandeel verharding in het gebied met een oppervlakte van 84 m2 en daarmee in beperkte mate toe. Conform de eisen van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hoeft niet te worden voorzien in compensatie. De toename blijft immers onder de grens van 230 m². Waterafvoer Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar geïnfiltreerd in de bodem. Het groen in de tuin draagt bij aan het lokaal vasthouden van hemelwater. Het afvalwater van de woning zal worden aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. Verder wordt er geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Regionale waterkeringen De gronden in het plangebied zijn in het bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid' niet voorzien van een dubbelbestemming ten aanzien van water. Daarnaast bevindt het plangebied zich op grond van de actuele legger van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier niet binnen de beschermingszone van een waterkering. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de actuele legger weergegeven.

pagina 38 van 45

Uitsnede leggerkaart regionale waterkeringen, plangebied zwart omkaderd (bron: HHNK)

Conclusie Gezien het voorgaande kan er geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.

4.11 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht.

pagina 39 van 45

Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

•

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag

•

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

•

Het woningaantal neemt af.

•

De nieuwe woning wordt gasloos en BENG, in tegenstelling tot de bestaande woningen.

Wanneer deze argumenten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

pagina 40 van 45

5 Juridische aspecten 5.1 Algemeen Voor voorliggend plan is gebruik gemaakt van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM) om op basis van de RO standaarden 2012 na inwerktreden van de Omgevingswet het omgevingsplan te kunnen ontsluiten in het DSO. Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een motivering. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het TAM-omgevingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de functies aangewezen op locaties. Aan deze locaties zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De motivering heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De motivering van dit TAMomgevingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het TAM-omgevingsplan ten grondslag liggen. Ook is de motivatie van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het TAM-omgevingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het TAM-omgevingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de functies en activiteiten weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels Voor het opstellen van de planregels is uitgegaan van de gemeentelijke standaard. Op deze wijze beschikt de gemeente over zoveel als mogelijk uniforme plannen. De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de algemene bepalingen voor het hele plangebied. Hoofdstuk II bevat aan locatie toegedeelde functies en activiteiten. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsregels. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In het tweede hoofdstuk, de functies en activiteiten, staan de verschillende functies op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

•

Toepassingsbereik

•

Functieomschrijving

•

Beoordelingsregels bouwactiviteiten

•

Specifieke bouwregels

pagina 41 van 45

•

Specifieke gebruiksregels

5.4 Toelichting op functies en locaties De regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn afgestemd op de gemeentelijke standaarden en sluiten aan op recente bestemmingsplannen van de gemeente Drechterland. Daarnaast wordt uiteraard rekening gehouden met de rechten op basis van het nu geldende omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat de volgende functies en activiteiten: Tuin Locaties aangewezen als tuin zijn bedoeld als voorerfgebied bij woningen. De bouwmogelijkheden binnen deze functie zijn beperkt. Om de situering van de voorgevel van de garage vast te leggen is de functie 'Tuin', in tegenstelling tot de in Drechterland Zuid gebruikelijke 3 m achter de voorgevel, tot aan de voorgevel van de garage toegekend. Wonen De locaties die zijn aangewezen als 'Wonen' beschikken over de functies woningen met hun aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Bijbehorende achtertuinen, -erven en -terreinen behoren ook tot de functies. Binnen de bebouwingsbepalingen voor deze locaties is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen enerzijds en bijbehorende bouwwerken anderzijds. Het hoofdgebouw is het belangrijkste bouwwerk op het perceel, niet alleen qua bestemming maar ook qua bouwmassa. Daarnaast worden bijbehorende bouwwerken gezien als bouwwerken die ruimtelijk ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw.

De woonfunctie mag bij recht gecombineerd worden met een aan-huis-verbonden beroep, dan wel een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Gelet op de oppervlakte van het perceel, de oppervlakte aan huidige bebouwing (351 m²) en de beoogde oppervlakte aan bebouwing, die de vergunningsvrije mogelijkheden van 150 m² aan bijbehorende bouwwerken overschrijdt, wordt het acceptabel geacht de mogelijkheden ten opzichte van de vergunningsvrije mogelijkheden iets te verruimen. De initiatiefnemer beoogt op dit moment 155 m² aan bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak te realiseren. Om naar toekomst wat ruimte voor onder andere overkappingen te behouden is ervoor gekozen de toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken en overkappingen in het achtererfgebied op 200 m² te stellen. Verder is aan een strook in het zuidwestelijke deel van het perceel, voor de voorgevel van de beoogde woning, langs de erfgrens van Twijver 69, de functie 'Wonen' toegekend. Dit zodat hier een erfafscheiding met een hoogte van 2 m gerealiseerd kan worden. De functie 'Tuin' staat immers slechts een erfafscheiding van 1 m hoog toe en dat zou hier te laag zijn om het erf af te scheiden van het buurperceel.

Waarde - Archeologie 2 De locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' hebben, naast de andere voor die locatie aangewezen functies de functie voor het behouden van (mogelijke) archeologische waarden. Bij bodem ingrepen geldt het volgende: Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 100 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.

pagina 42 van 45

Waarde - Archeologie 3 De locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 2' hebben, naast de andere voor die locatie aangewezen functies de functie voor het behouden van (mogelijke) archeologische waarden. Bij bodem ingrepen geldt het volgende: Voor alle bodemingrepen gekoppeld aan een diepte van meer dan 0,40 m én een oppervlakte meer dan 500 m² moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Voor bepaalde werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig.

pagina 43 van 45

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning.

Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek De gemeente heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de nadeelcompensatie, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Voor dit plan worden geen openbare voorzieningen getroffen. Het plan wordt op particulier terrein uitgevoerd en kan afgedaan worden met de leges uit de verordening Drechterland 2025.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. Bij een wijziging van het omgevingsplan is de uitgebreide voorbereidingsprocedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het omgevingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het omgevingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking, als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het

pagina 44 van 45

omgevingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2.1 Participatie De initiatiefnemer heeft het initiatief mondeling aan zijn buren toegelicht. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen.

6.2.2 Overleg ketenpartners Het plan is voorgelegd aan PWN, de provincie Noord-Holland, Gasunie, HHNK, Liander en de Veiligheidsregio NHN. PWN en de provincie hebben hierop niet gereageerd. Gasunie, HHNK, Liander en de Veiligheidsregio NHN gaven aan geen bezwaren tegen het plan te hebben.

6.2.3 Zienswijzen Het TAM-omgevingsplan heeft met ingang van 19 december 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.

pagina 45 van 45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16861647/1