CConstaterende datDrechterland
Koppel je AI →
Document · PDF

B-03 Toelichting Tuinstraat 2-4

Gemeenteraad 1 juni 2026, gemeente DrechterlandBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO Omgevingsplan Tuinstraat 2-4 Venhuizen (2026-25)13.844 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22c Venhuizen, Tuinstraat 2-4 Gemeente Drechterland

Colofon Gegevens over het project: Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0498.TAMTuinstraat2-VG01

Datum:

2026-03-25

Kenmerk Buro SRO:

SR250155

Contactpersoon Buro SRO:

Dhr. T. Oostrom | Dhr. T. Repkes

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Fam. Schipper

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.burosro.nl

pagina 2 van 45

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding en ambitie .................................................................................................................................... 5 1.2 Aanduiding plangebied .................................................................................................................................. 5 1.3 Toetsing aan het omgevingsplan .................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ..................................................................................................................................................... 8

2 Planbeschrijving ................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie.............................................................................................................................................. 9 2.2 Toekomstige situatie ....................................................................................................................................10

3 Beleidskaders ..................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ....................................................................................................................................................13 3.2 Provinciaal beleid .........................................................................................................................................14 3.3 Regionaal beleid ..........................................................................................................................................17 3.4 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................................................19

4 Onderzoek .......................................................................................................................................... 24 4.1 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................24 4.2 Duurzaamheid en gezondheid .....................................................................................................................25 4.3 Geluid ...........................................................................................................................................................26 4.4 Activiteiten en milieuzonering .......................................................................................................................26 4.5 Luchtkwaliteit................................................................................................................................................28 4.6 Cultuurhistorie en archeologie......................................................................................................................29 4.7 Bodem ..........................................................................................................................................................30 4.8 Omgevingsveiligheid

....................................................................................................................................31 4.9 Natuur ..........................................................................................................................................................34 4.10 Water..........................................................................................................................................................36 4.11 M.e.r.-beoordeling ......................................................................................................................................39

5 Juridische aspecten ............................................................................................................................ 41 5.1 Algemeen .....................................................................................................................................................41 5.2 Verbeelding ..................................................................................................................................................41 5.3 Planregels ....................................................................................................................................................41 5.4 Toelichting op functies en locaties ...............................................................................................................42

6 Uitvoerbaarheid .................................................................................................................................. 44 6.1 Economische uitvoerbaarheid ......................................................................................................................44 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................44

pagina 3 van 45

pagina 4 van 45

1 Inleiding 1.1 Aanleiding en ambitie De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie aan de Tuinstraat 2-4 te Venhuizen de twee aanwezige woningen en bijbehorende bouwwerken te slopen en de twee percelen samen te voegen ten behoeve van één nieuwe woning. Gelijkwaardig aan de huidige situatie wordt de nieuwe woning aan de zuidelijke zijde van het (samengevoegde) perceel gepositioneerd, georiënteerd op de parkeerplaats en parallel aan de Tuinstraat. Voor dit initiatief is een principeverzoek ingediend. Op 22 januari 2025 heeft de gemeente Drechterland laten weten in principe akkoord te gaan en onder voorwaarden bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het voorgestelde plan. Op 27 maart 2025 heeft ook MOOI Noord-Holland een positief welstandsadvies gegeven. Vanuit deze instanties zijn enkele belangrijke onderdelen voor verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling gegeven, waaronder bouwen in een dorpse stijl en volgens de stijlkenmerken van (de kern) Venhuizen. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Drechterland, waar het bestemmingsplan Drechterland Zuid' onderdeel van is. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de bouwregels van het bestemmingsplan, omdat de beoogde woning (deels) buiten het bouwvlak is beoogd.

Om de ontwikkeling mogelijk te maken en de bestaande bouwvlakken weg te nemen dient een herziening van het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Drechterland plaats te vinden. Hiervoor kan de tijdelijke administratieve maatregel (TAM-IMRO) worden toegepast. Voorliggend stuk voorziet in de benodigde motivering.

1.2 Aanduiding plangebied Het plangebied maakt deel uit van de kern van Venhuizen en bevindt zich aan de Tuinstraat 2-4. Het plangebied maakt onderdeel uit van de percelen met perceelnummers 827 en 2727, in de kadastrale gemeente Venhuizen, sectie G en kent een gezamenlijke oppervlakte van 1.905 m². De woningen zijn georiënteerd op de ruime parkeerplaats ten zuiden van de planlocatie en liggen parallel aan de Tuinstraat. Op ca. 1,3 km ten noorden van de planlocatie is de N506 (De Hout) gelegen, op ca. 2 km ten zuiden van de planlocatie het Markermeer en op ca. 6,5 km ten noordoosten de Markerwaarddijk. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

pagina 5 van 45

Globale ligging plangebied, wit omcirkeld (bron: Google Earth)

Begrenzing plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: Google Earth)

1.3 Toetsing aan het omgevingsplan Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Drechterland. Voor de gronden van de beoogde vrijstaande woningen gold eerder het

pagina 6 van 45

bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid', vastgesteld op 24 juni 2013. Dit bestemmingsplan is herzien door de ‘Eerste herziening bestemmingsplan Drechterland Zuid’, vastgesteld op 26 oktober 2015.

Uitsnede bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid', plangebied rood omkaderd (bron: omgevingswet.overheid.nl)

In het bestemmingsplan beschikken de gronden ter plaatse voor een groter (noordelijk) gedeelte over de enkelbestemming ‘Wonen - 1’ en voor een kleiner (zuidelijk) gedeelte over de enkelbestemming ‘Tuin - 1'. De voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen en bijgebouwen, waarbij de goot- en bouwhoogten van woonhuizen zijn toegestaan van respectievelijk maximaal 3,5 m en 10 m, en voor bijgebouwen binnen het bouwvlak maximaal 3,5 m en 7 m. Hierbij dienen hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Voor bijgebouwen buiten het bouwvlak geldt een goot- en bouwhoogte van 3,5 m en 4 m. In de huidige situatie zijn er twee bouwvlakken toegewezen aan het plangebied. Daarnaast is per hoofdgebouw maximaal 100 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Verder zijn de gronden met de tuinbestemming bestemd voor tuinen bij woonhuizen, aangebouwde bijgebouwen en daaraan ondergeschikt woonstraten, parkeervoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Verder is het grotere noordelijke gedeelte van de gronden van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en een kleiner zuidelijk gedeelte van ‘Waarde - Archeologie 2’. Hiermee zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden (zie hiervoor paragraaf 4.6). Het initiatief is strijdig met de bouwregels van het tijdelijke omgevingsplan.

Hoewel de gronden zijn voorzien van een woonbestemming met twee bouwvlakken, is ter plaatse een nieuwe woning beoogd die (gedeeltelijk) buiten deze bouwvlakken komt te liggen. Tevens is de toegestane goothoogte van 3,5 m niet toereikend voor de beoogde goothoogte van 5 m. Daarmee is het planvoornemen strijdig met de bouwregels van het bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid'. Er dient daarom een TAM-IMRO omgevingsplan te worden opgesteld waarmee de voorgenomen wijziging kan worden geregeld.

pagina 7 van 45

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie en de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en de resultaten van overleg en inspraak.

pagina 8 van 45

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Op de locatie aan de Tuinstraat 2-4 in Venhuizen zijn in de huidige situatie twee percelen aanwezig met op ieder perceel een vrijstaande woning en een bijgebouw. De gezamenlijke oppervlakte van de twee percelen bedraagt 1.905 m2. De woningen zijn georiënteerd op de ruime parkeerplaats ten zuiden van de planlocatie en liggen parallel aan de daarvoor gelegen Tuinstraat. De westelijke woning is gebouwd in 1966, kent een footprint van 79 m² en heeft een naastgelegen bijgebouw van ca. 32 m². De oostelijke woning is gebouwd in 1989, kent een footprint van 188 m² en heeft een (achtergelegen) vrijstaand bijgebouw van ca. 120 m². Het plangebied is omgeven door woningen in het westen (aan de Twijver), een verzorgingshuis (Bosmanstichting) in het noorden en parkeerterreinen in het zuiden en oosten. Tevens is tussen de planlocatie en het oostelijk gelegen parkeerterrein een strook openbaar groen aanwezig. Het plangebied maakt deel uit van de kern van Venhuizen, een dorp met 4.300 inwoners, waarbij de omgeving zich kenmerkt als gemengd gebied met centrumfuncties. Hier zijn naast woningen ook maatschappelijke functies (o.a. verpleeghuis, parochie, huisarts), horecagelegenheden en retailfuncties aanwezig. Op de navolgende afbeeldingen zijn impressies van de huidige situatie weergegeven.

Situatietekening huidige situatie (bron: Vocus Architecten, d.d. 17-04-2025)

pagina 9 van 45

Impressie huidige situatie, vanaf zuidelijk parkeerterrein (bron: Google Street View)

Straatbeeld Tuinstraat, zuidelijk parkeerterrein zichtbaar aan rechterzijde (bron: Google Street View)

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande woningen en bijgebouwen op de planlocatie aan de Tuinstraat 2-4 te vervangen door één vrijstaande woning en twee bijgebouwen. De twee bestaande percelen en de twee bestaande bouwvlakken worden daarmee samengevoegd tot één perceel en één bouwvlak. De initiatiefnemer zal de nieuwe woning zelf gaan betrekken. De nieuwe woning krijgt een footprint van 229 m² en zal bestaan uit twee bouwlagen met een kap en goot- en nokhoogten van respectievelijk 5 m en 9,5 m. Tevens wordt onder in de woning een kelderverdieping opgenomen. Daarnaast komt er een bijgebouw/garage van 96 m² aan oostelijke perceelsgrens en aan de achterzijde van het perceel een tuinhuisje van 59 m². De navolgende afbeelding tonen impressie van de toekomstige situatie.

pagina 10 van 45

Situatietekening toekomstige situatie (bron: Vocus Architecten, d.d. 17-04-2025).

Impressie toekomstige situatie, v.l.n.r. voorzijde links, voorzijde rechts, achterzijde en ‘vogelvlucht’ (bron: Vocus Architecten, d.d. 17-04-2025).

pagina 11 van 45

Stedenbouwkundige opzet en ontwerp De nieuwe woning wordt, gelijk aan de bestaande woningen, in het zuidelijke gedeelte van het plangebied gesitueerd. De woning wordt vrijstaand opgetrokken, waarbij de voorgevel en nokrichting parallel aan de straat worden georiënteerd, zoals gebruikelijk is voor individuele bebouwing in de gemeente Drechterland. De omvang van de nieuwe woning doet (meer) recht aan de breedte van het parkeerterrein en de Tuinstraat en zorgt voor een goede overgang naar de hogere bebouwing van het achtergelegen verzorgingshuis. En hoewel de nieuwe woning in hoogte en omvang ondergeschikt zal zijn aan de nabijgelegen kerk, sluit de woning wel aan bij een reeks grotere gebouwen vlak bij de kerk. De woning zal bestaan uit twee bouwlagen met een ruime brede kap, die een schilddak uitstraalt en boven op een plat vak bevat. Tevens wordt onder het maaiveld een kelderverdieping opgenomen. Aan de voorzijde wordt de woning voorzien van een vooruitgeschoven entree, die de oriëntatie van de woning op de straatzijde accentueert. Aan de achterzijde vindt een uitbouw (brede erker) plaats met één bouwlaag. De bakstenen gevels worden voorzien van verticale raampartijen. Verder komt in de kap aan de achterzijde een dakkapel.

Daarnaast wordt een bijgebouw/garage van 96 m² aan de linkerzijde van het perceel gesitueerd, teruggesprongen achter de woning, waarmee een duidelijke losstaande en ondergeschikte functie wordt gecreëerd. Het gebouw komt in lijn met de garage van het buurperceel te staan. Verder wordt het achtererf ingericht als tuin en komt er een tuinhuisje (59 m²) tegen de achterste perceelsgrens, die in het verlengde van de woning en daarmee uit het zicht komt te staan. Verkeer en parkeren In de huidige situatie beschikken beide percelen/woningen over een oprit, waarbij voor de westelijke oprit het recht van overpad geregeld is met de woning aan de Twijver 69 (perceelnr. 4062). In de toekomstige situatie blijft dit recht van overpad behouden en zal de ontsluiting van het plangebied voor auto’s via dit pad verlopen. Daarnaast wordt de huidige oostelijke oprit in de toekomstige situatie gebruikt ten behoeve van een voetgangerspad naar de nieuwe woning. In de garage wordt ruimte gereserveerd voor drie parkeerplekken. In paragraaf 4.1 zal nader worden ingegaan op de toekomstige verkeer- en parkeersituatie. Planologische situatie De locatie aan de Tuinstraat 2-4 heeft in het voormalige bestemmingsplan ‘Drechterland Zuid' de bestemming ‘Wonen - 1' gecombineerd met ‘Tuin - 1'.

Hierbij is sprake van twee percelen en zijn er twee losse bouwvlakken toegewezen, die niet toereikend zijn voor de beoogde woning. Om de herinrichting van het terrein te realiseren en de nieuwe woning mogelijk te maken, worden de twee percelen en de twee losse bouwvlakken samengevoegd. Hiermee ontstaat er een oppervlakte van het samengevoegde perceel van ca. 1.900 m2, wat ruimte biedt voor het bouwen van één vrijstaande woning. Daarbij bedraagt de gezamenlijke oppervlakte van de huidige twee bouwvlakken ca. 240 m² en volgt het nieuwe bouwvlak de contouren van de nieuwe woning, waarmee er min of meer sprake blijft van een gelijke oppervlakte aan hoofdgebouwen (ca. 229 m²). Tevens wordt de bestemming ‘Wonen - 1' gewijzigd in ‘Wonen', waarmee de goothoogte van 5 m kan worden toegestaan. Bovendien wordt met het realiseren van de massa van de nieuwe woning een aanzien gecreëerd die recht doet aan de centrale locatie in het dorp en aan de perceeloppervlakte. Ook zal de nieuwe goothoogte in verhouding staan tot de omvang van de vrijstaande woning. Verder wordt aan het voorste gedeelte van het vernieuwde perceel ‘Tuin’ toegekend.

pagina 12 van 45

3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: a.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

b.

duurzaam economisch groeipotentieel;

c.

sterke en gezonde steden en regio's;

d.

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het bijdragen aan sterke en gezonde steden en regio's met voldoende ruimte om te wonen, werken en bewegen, door het verwijderen van verouderde woningen en het toevoegen van één nieuwe, duurzame woning op het perceel. Ook wordt met het plan bijgedragen aan een goede overgang met de omgeving, doordat de brede massa van de vrijstaande woning in verhouding staat met het brede parkeerterrein aan de voorzijde. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling in lijn is met de bepalingen uit de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met:

pagina 13 van 45

a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Planspecifiek Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Met de beoogde ontwikkeling wordt 1 woning gerealiseerd. Per saldo neemt het aantal woningen daardoor met 1 af. Daarom wordt het plan niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De hoofdambitie is opgedeeld in de volgende aspecten met bijbehorende ambities: Leefomgeving a.

Klimaatverandering: een klimaatbestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.

b.

Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

c.

Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt.

Gebruik van de leefomgeving a.

Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten.

b.

Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends.

pagina 14 van 45

c.

Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen.

d.

Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.

Energietransitie a.

De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie.

Daarnaast wordt er met de Omgevingsvisie NH2050 geprobeerd om een richting uit te zetten om houvast te bieden naar de onzekere toekomst. Daarvoor wordt een aantal bewegingen naar de toekomst toe benoemd: a.

Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst

b.

Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging

c.

Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem

d.

Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal

e.

Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie

f.

Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector

Er wordt in de Omgevingsvisie NH2050 uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Hierbij wordt gelet op de diversiteit aan regio's en wordt ruimte geboden aan maatwerk en ruimte om vorm te kunnen geven aan een wendbare samenleving.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij het derde ontwikkelingsprincipe van de omgevingsvisie: ‘sterke kernen, sterke regio’s’. Deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. Met de realisatie van de nieuwe vrijstaande woning wordt bijgedragen aan de identiteit van de kern, door een vrijstaande woning op te richten die in verhouding staat tot de omgeving. Daarbij worden verouderde woningen verwijderd en wordt nieuwe woning duurzaam gebouwd, waarmee positief wordt bijgedragen aan de energietransitie. Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie NH2050.

3.2.2 Omgevingsverordening NH2022 De laatste versie van de Omgevingsverordening NH2022 is op 1 juli 2024 in werking getreden. De regels en wetten die terugkomen in de Omgevingsverordening NH2022 komen grotendeels overeen met de Omgevingsverordening NH2020, maar zijn omgezet conform de nieuwe eisen die de Omgevingswet stelt. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker om te zien welke regels waar gelden.

pagina 15 van 45

In de Omgevingsverordening NH2022 zijn gebieden benoemd waar uitgebreid omschreven staat welke activiteiten

mogelijk

zijn

en

onder

welke

voorwaarden.

Enkele

voorbeelden

van

deze

zogeheten

‘werkingsgebieden’ zijn het Landelijk Gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Provinciale Wegen. Deze gebieden en de bijbehorende regels zijn opgenomen in een digitale kaart (Regels op de kaart). Zo is in een oogopslag duidelijk welke regels waar gelden in Noord-Holland. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:

•

het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te bereiken;

•

het behoud en herstel van de biologische diversiteit;

•

het in standhouden en doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Planspecifiek Navolgend wordt het plan getoetst aan de relevante bepalingen van de omgevingsverordening. Artikel 6.13 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen Een omgevingsplan kan uitsluitend voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio daarover gemaakte afspraken. In subparagraaf 3.1.2 is de voorgenomen ontwikkeling aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst. Hieruit volgt dat het plan in lijn is met de Ladder. Risico's op klimaatverandering In artikel 6.75 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat bij een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken op het risico op: a.

wateroverlast;

b.

overstroming;

c.

hitte;

d.

watertekort;

e.

verzilting;

f.

verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit.

- Wateroverlast Uit de Klimaatatlas van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) blijkt dat er ter plaatse van het plangebied bij extreme neerslag nagenoeg geen wateroverlast kan ontstaan en dat panden niet kwetsbaar zijn. Met het planvoornemen vindt een herontwikkeling plaats waarbij de oppervlakte aan verharding niet toeneemt en waarbij regenwater zo lang mogelijk wordt vastgehouden in het plangebied (zie ook paragraaf 4.10).

pagina 16 van 45

- Overstroming Uit raadpleging van de overstromingskaart van de Klimaatatlas van HHNK blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen significante overstromingsdiepte verwacht bij overstromingen door nationale waterkeringen. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk geacht. In de paragraaf 4.10 (Water) wordt hier nader op ingegaan. - Hitte Ter plaatse van het plangebied is het op dit moment gemiddeld warmer dan in de omgeving. De verharding neemt met het planvoornemen niet toe. Daarnaast is er in en rondom het plangebied voldoende groen en schaduw aanwezig dat kan dienen als verkoeling. - Watertekort Op basis van de klimaatatlas blijkt dat er in de huidige situatie in het plangebied geen sprake is van droogte door watertekort. Met de beoogde ontwikkeling neemt de verharding in het plangebied toe. De verwachting is dat dat niet leidt tot droogte. Water wordt zolang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied. Tevens zijn er meerdere watergangen rondom het plangebied aanwezig, waarvan er twee met de beoogde ontwikkeling worden verbreed. - Verzilting Gelet op de ligging van het plangebied is het niet te verwachten dat er sprake is van verzilting in het plangebied. - Verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit Binnen het plan worden geen werkzaamheden uitgevoerd die de waterkwaliteit zouden kunnen schaden.

Er is geen risico op verslechtering van de waterkwaliteit. Conclusie Geacht wordt dat het voorliggende initiatief in lijn is met de Omgevingsverordening van de provincie NoordHolland.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie West-Friesland 2017-2027 De Regionale woonvisie West-Friesland voor de periode 2017-2027 geeft invulling aan de ambitie van de regio West-Friesland om tot de top 10 woonregio's van Nederland te behoren. Samen met het Regionaal Actieprogramma (RAP) wordt uitvoering gegeven aan realistische doelen die in de regio opgepakt worden om de woningmarkt (meer) toekomstbestendig te maken en te behouden. De regionale woonvisie voor West-Friesland brengt de actuele situatie van de woningmarkt in beeld en geeft het beleid voor de korte termijn (tot 2020) en de middellange termijn (tot 2030) op hoofdlijnen aan. De woonvisie benoemt welke richting de West-Friese gemeenten met de woningmarkt op willen en waar rekening mee gehouden moet worden. Het doel van de woonvisie is om de West-Friese bevolking naar wens en tevredenheid te laten wonen en zoveel mogelijk een breed scala aan woonwensen en de woningbehoefte van de inwoners binnen de regio te realiseren.

pagina 17 van 45

Samen met (andere) belanghebbenden op de woningmarkt zijn de speerpunten voor de woonvisie bepaald. Deze speerpunten zijn de ‘ankers’ waar de woonvisie en het RAP aan hangen. De West-Friese woonvisie zet in op de volgende vijf speerpunten:

•

Bestaande voorraad: kwaliteit en aantrekkelijkheid op peil houden en uitbouwen.

•

Vitale kernen: leefbaar West-Friesland tot in de kern.

•

Nieuwbouw: vooral inzetten op onderscheidende en complementaire producten.

•

Scheiden van wonen en zorg: langer zelfstandig wonen bevorderen.

•

Flexibel kader: houvast voor de regio en ruimte voor marktinitiatieven.

Planspecifiek Eén van de speerpunten uit de woonvisie is het bevorderen van vitale kernen. Onderhavig plan richt zich op het slopen van twee verouderde woningen en het nieuw bouwen van een moderne, duurzame woning. Dit draagt positief bij aan de ruimtelijke kwaliteit en vitaliteit van de dorpskern. Hiermee is sprake van een ontwikkeling die in lijn is met de Regionale Woonvisie en het Regionaal Actieprogramma.

3.3.2 Woonakkoord 2020-2025 Het Woonakkoord 2020-2025 is gesloten tussen de provincie Noord-Holland en de gemeenten Hoorn, Medemblik, Koggenland, Enkhuizen, Drechterland en Stede Broec, ook wel de bestuurlijke regio West-Friesland. In het eerste deel van het Woonakkoord zijn de opgaven voor wonen en bouwen geformuleerd. De opgaven zijn in samenhang met andere opgaven bekeken, zoals mobiliteit en klimaat. Op basis van een gedeeld beeld van de opgaven worden in deel 2 de samenwerkingsafspraken en acties benoemd, hier worden marktpartijen bij betrokken. De regio West-Friesland heeft een gevarieerd aanbod aan stedelijke en landelijke woonmilieus. De regio beschikt over knooppunten van openbaar vervoer die liggen in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen. Hoorn vervult een belangrijke centrumfunctie voor de regio. Daarnaast beschikt de regio over unieke landschappen en een sterke economische structuur. Daardoor is de regio een aantrekkelijk woongebied. Uitgangspunt bij het invullen van de woningbouwopgave is binnenstedelijk en rond OV-locaties bouwen. Voor een gevarieerd woonmilieu en het aanbieden van een complementair woningbouwprogramma maken buitenstedelijke plannen, conform de woonagenda van de provincie, ook onderdeel uit van dit woonakkoord.

Ook in aanmerking genomen dat de provincie in haar woonagenda heeft opgenomen dat ze de woningbouw wil versnellen en aanjagen. Conform de Omgevingsvisie NH 2050 wordt de woningbouw vooral in of aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland. Ook de voorzieningen en leefbaarheid in kleine(re) kernen verdienen aandacht, evenals de bescherming en ontwikkeling van het landschap. De nieuwbouw moet toekomstbestendig worden gebouwd. Een specifieke opgave op het snijvlak van wonen en economie is de huisvesting van arbeidsmigranten. De regio heeft tot doel om de inwoners van West-Friesland naar wens en tevredenheid te laten wonen en een breed scala aan woonwensen binnen de regio te realiseren. De regio zet hiertoe in op:

pagina 18 van 45

•

versnelling van de woningbouwopgave met een betaalbaar, aantrekkelijk en duurzaam woningaanbod voor iedere doelgroep;

•

het op peil houden en uitbouwen van de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bestaande voorraad;

•

leefbaar en bereikbaar West-Friesland tot in de kern;

•

onderscheidende en complementaire nieuwbouw producten;

•

langer zelfstandig wonen bevorderen;

•

werken met een flexibel kader dat de regio houvast biedt en ruimte laat voor marktinitiatieven.

Planspecifiek Het uitgangspunt van het invullen van woningbouwlocaties is binnenstedelijk en rond OV-locaties. Het plangebied is binnenstedelijk gelegen. Daarnaast wordt met het akkoord een aardgasvrije gebouwde omgeving beoogd. Met het verwijderen van twee verouderde woningen en het daarvoor in de plaats nieuw bouwen van een duurzame woning, wordt bijgedragen aan het voldoen aan het Klimaatakkoord. Daarmee is onderhavig plan regionaal uitvoerbaar.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie landschap gemeente Drechterland De Structuurvisie landschap gemeente Drechterland (vastgesteld op 23 mei 2011) biedt op hoofdlijnen de beleidskaders ten aanzien van het landschap in de gemeente Drechterland. De visie kan dienen als kapstok voor uitwerkingen en bestemmingsplannen en als basis voor de afweging van initiatieven uit de markt. De mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen zijn in hoofdlijnen beschreven in de op 28 november 2008 vastgestelde toekomstvisie Drechterlandschap. De toekomstvisie dient als uitgangspunt voor de Structuurvisie landschap. De toekomstvisie is echter nog globaal en vormt onvoldoende basis voor de uitwerking in bestemmingsplannen en voor de welstandnota. De Structuurvisie landschap voorziet hier wel in. De structuurvisie geeft kaders voor ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente Drechterland, zoals te zien op de navolgende afbeelding.

pagina 19 van 45

Structuurvisie Landschap, plangebied globaal wit omcirkeld (bron: Gemeente Drechterland).

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de dorpskern van Venhuizen en daarmee valt het niet in een gebied dat specifiek is aangemerkt met een ambitieniveau volgens de structuurvisie. Onderhavig plan doet daarmee geen afbreuk aan het landschap binnen de gemeente Drechterland.

3.4.2 Centrumplan Venhuizen Het Centrumplan (vastgesteld in juni 2017) is een integrale visie op het centrumgebied van Venhuizen voor de komende vijftien jaar. Met deze visie wil de gemeente belangrijke voorzieningen die in het dorp reeds aanwezig zijn (zoals een school, dorpshuis en supermarkt) een duurzaam toekomstperspectief bieden rond een nieuw dorpsplein, waardoor er een kloppend dorpshart ontstaat. Een veilig, leefbaar en aantrekkelijk centrumhart om in te verblijven en te ontmoeten. Het centrumplan maakt de herstructurering en transformatie van het centrumgebied mogelijk, zoals te zien op de navolgende afbeelding, en draagt daarmee positief bij aan de vitaliteit van het dorp.

pagina 20 van 45

Centrumplan Venhuizen, plangebied rood omkaderd (bron: Gemeente Drechterland).

Planspecifiek De planlocatie van onderhavig plan is in het Centrumplan aangewezen als ‘bouwveld, ruimte voor ontwikkeling’. Binnen gebieden met deze aanduiding is het mogelijk om eventueel aanwezige verouderde gebouwen te verwijderen, met uitzondering van aanwezige karakteristieke bebouwing, en te zorgen voor herontwikkeling. De huidige woningen op de planlocatie zijn verouderd en het renoveren ervan zou aanzienlijke investeringen vereisen. Er wordt daarom gekozen voor het realiseren van een nieuwe duurzame woning. Deze ontwikkeling draagt daarmee bij aan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering van het centrum. Daarmee geeft onderhavig plan uitvoering aan het Centrumplan.

3.4.3 Visie op haar Drechterland en haar kernen In het visiedocument (vastgesteld op 31 mei 2021) wordt Drechterland anno 2021 beschreven. Op grond van deze uitgangspunten en de (toekomstige) trends en ontwikkelingen, kan de centrale visie op Drechterland richting 2030 als volgt worden omschreven: “Drechterland, een vitale, aantrekkelijke en duurzame gemeente om in te leven, te wonen en te werken”. Deze visie op Drechterland gaat uit van drie kernbegrippen; samen leven, wonen en werken. Vanuit deze kernbegrippen heeft Drechterland richting 2030 de volgende ambities:

•

Behoud van de vitaliteit en kwaliteit van leven in de Drechterlandse kernen staat centraal;

•

Drechterland kiest ervoor om zich vanuit de bestaande kernkwaliteiten, te ontwikkelen tot aantrekkelijke en complete gemeente om in te wonen;

pagina 21 van 45

•

Een op participatie gericht sociaal beleid, een ondersteunend economisch structuurbeleid en een op kwaliteit en duurzaamheid geënt ruimtelijk beleid, is kenmerkend voor Drechterland;

•

De bestuursstijl van Drechterland is faciliterend en activerend waar mogelijk, en initiërend en leidend waar nodig.

De ambities zijn vervolgens in thema’s uitgewerkt. Relevant voor dit plan zijn met name de thema’s Wonen en Huisvesting, en Duurzaamheid. Wonen en Huisvesting In 2030 heeft Drechterland een divers, compleet, toekomstgericht en kwalitatief woonaanbod. Het aanbod in Drechterland is bereikbaar en bestaat uit een diversiteit aan woonmilieus, nabij voorzieningen, met aandacht voor starters en senioren. De woonmilieus zijn onderscheidend, groen, duurzaam en kwalitatief hoogwaardig vormgegeven. In Drechterland wordt gebouwd op basis van behoefte en draagt woningbouw bij aan de vitaliteit van de kernen. Onze bijdrage aan de regionale woningbouwopgave wordt in de (groei)kernen Hoogkarspel en Venhuizen gerealiseerd. Inbreiding gaat voor uitbreiding aan de randen van de kernen en voor de overige kernen is 1% groei per kern richtinggevend voor nieuwbouw. Duurzaam bouwen en verbetering van het woonklimaat zijn uitgangspunten. Een aantrekkelijk woningaanbod voor jongeren, geschikte woningen voor senioren en een bijdrage aan de regionale woningbouwopgave staan centraal. Een onderscheidende bouw en behoud van groen moet daarnaast bijdrage aan de leefbaarheid van de kernen. De strategie bij het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig, compleet en divers woonmilieu is als volgt:

•

Woningbouwplannen die gereed zijn voor uitvoering, worden gerealiseerd;

•

Woningbouwplannen die in voorbereiding zijn, worden geoptimaliseerd;

•

Nieuwe woningbouwplannen worden vormgegeven op basis van de kwalitatieve uitgangspunten;

•

De bestaande woningvoorraad wordt, ter bevordering van de leefbaarheid in de kernen, waar mogelijk, opgewaardeerd.

Duurzaamheid In 2030 blijft het onderwerp duurzaamheid een prominente rol op de gemeenschappelijke agenda innemen. In Drechterland stimuleren we de verduurzaming van woningen, bedrijven en de agrarische sector en vervullen wij een voorbeeldrol richting onze inwoners en ondernemers. We zetten in op circulariteit en stimuleren de verduurzaming

van

mobiliteit.

Biodiversiteit

verbeteren

we

op

een

doordachte

manier.

Inwoners,

maatschappelijke organisaties en ondernemers stimuleren en faciliteren we om een zo groot mogelijke gedragsverandering te creëren.

Planspecifiek Onderhavig plan speelt in op beide thema’s. Met de nieuwe vrijstaande woning wordt bijgedragen aan een aantrekkelijke dorpskern van Venhuizen, met grotere bouwvolumes rondom de kerk. Daarnaast vindt met het verwijderen van de verouderde woningen en daarvoor in de plaats bouwen van een duurzame, gasloze woning een verbetering plaats op het gebied van duurzaamheid. Daarmee geeft het plan uitvoering aan de ambities van Visie op Drechterland.

pagina 22 van 45

3.4.4 Woonprogramma 2021-2025 Drechterland In dit woonprogramma staat het woonbeleid beschreven voor de komende vijf jaar, 2021- 2025. Doelstelling van het woonbeleid is het behouden van vitale dorpen, waar mensen prettig kunnen leven, wonen en werken. Daarvoor zijn woningen een belangrijke voorwaarde. Dit woonprogramma start met een analyse van de gemeente om vervolgens de belangrijkste thema’s te beschrijven. Per dorp staat het woonbeleid voor de komende vijf jaar kort samengevat. Dit woonprogramma is opgebouwd aan de hand van zes thema’s die door de raad voorafgaand zijn vastgesteld. Per thema staan de belangrijkste doelstellingen benoemd. De 6 thema’s zijn: 1.

Kwalitatieve woningbouwopgave (type woning): Drechterland heeft behoefte aan meer variatie in het type woningen.

2.

Wonen en zorg: Meer differentiatie in het woningaanbod voor senioren is belangrijk.

3.

Evenwichtige wijken en dorpen: Bij evenwichtige wijken staat de leefbaarheid centraal, is er ruimte voor sociale ontmoeting en onderlinge betrokkenheid.

4.

Voldoende aanbod aan sociale huurwoningen: Om het aantal sociale huurwoningen te ver-groten geldt voor nieuwbouwprojecten vanaf 25 woningen een minimum van 25% aan so-ciale huurwoningen. In projecten van minder dan 25 woningen is het soms lastiger en niet rendabel om dit percentage te realiseren, maar is het wel het streven.

5.

Kwantitatieve woningbouwopgave (aantal): In totaal streven we naar 700 extra woningen tot 2025 (ten opzichte van peiljaar 2019).

6.

Duurzaamheid: De ambitie van de West-Friese gemeenten is om in 2040 energieneutraal te zijn.

Specifiek voor Venhuizen en Hem zijn de volgende doelstellingen per thema geformuleerd: 1.

Kwalitatieve woningbouwopgave - Gedifferentieerd aanbod van woningen met extra nadruk op senioren vanwege de aanwezigheid van voorzieningen. Extra mogelijkheden onderzoeken voor jongerenhuisvesting.

2.

Wonen en zorg - Nabij centrum accent op seniorenwoningen.

3.

Evenwichtige wijken en dorpen - Aandacht voor differentiatie en leefbaarheid in bestaande wijken.

4.

Voldoende sociale huurwoningen - Minimaal 25% sociale huur bij nieuwbouwontwikkelingen van meer dan 25 woningen.

5.

Kwantitatieve woningbouwopgave - Groeikern, keuze maken uit verschillende mogelijkheden aan nieuwbouwlocaties. Tot 2025: circa 350 extra woningen.

6.

Duurzaamheid - Stimulering en bewustwording van duurzaamheid bij bestaande- en nieuwbouwwoningen (CO2 neutraal bouwen) in combinatie met mobiliteit (trein, elektrisch rijden, deelauto’s).

Planspecifiek Het plan past op meerdere manieren in het Woonprogramma. Met de nieuwe woning wordt invulling gegeven aan evenwichtige wijken en dorpen, het centrum van Venhuizen kent immers een gemengd gebied met onder meer woningen,

kleine

bedrijvigheid

en

sociale

voorzieningen.

Voorts

wordt

aangesloten

duurzaamheidsdoelstelling, door verouderde woningen te vervangen door een nieuwe duurzame woning.

pagina 23 van 45

bij

de

4 Onderzoek 4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering’ kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden twee woningen vervangen door één nieuwe (grotere) woning. Derhalve is er sprake van een afname in de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. In de huidige situatie beschikken beide percelen/woningen over een oprit, waarbij voor de westelijke oprit het recht van overpad geregeld is met de woning aan de Twijver 69 (perceelnr. 4062). In de toekomstige situatie blijft dit recht van overpad behouden en zal de ontsluiting van het plangebied voor auto’s via dit pad verlopen. De ontsluiting met de Tuinstraat zal plaatsvinden via het parkeerterrein, ten zuiden van de woning. Daarnaast wordt de huidige oostelijke oprit in de toekomstige situatie gebruikt ten behoeve van een voetgangerspad naar de nieuwe woning. Zie voor de tekeningen van de ontsluiting paragraaf 2.2 (Toekomstige situatie). Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 ‘Parkeerkencijfer - basis voor parkeernormering’ richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden

pagina 24 van 45

verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek Met onderhavige ontwikkeling wordt één nieuwe vrijstaande woning mogelijk gemaakt ter plaatse van twee bestaande verouderde woningen. Wat betreft parkeren moet worden voldaan aan de parkeernormen uit de CROW-publicatie 744. Hierbij wordt voor de nieuwe vrijstaande koopwoning voor de stedelijkheidsgraad uitgegaan van ‘weinig stedelijk’ en bevindt de woning zich in ‘rest bebouwde kom’. Voor het type woning wordt conform de CROW-publicatie aangesloten bij ‘koop, huis, vrijstaand’. Hierbij geldt voor het aantal parkeerplaatsen een norm van (gemiddeld) 2,0 per woning. In het nieuwe bijgebouw (parkeergarage) wordt ruimte ingericht voor 3 parkeerplaatsen. Tevens is er op het voorste gedeelte van het terrein, aan de voorzijde van de parkeergarage, voldoende plaats voor bezoekersparkeren. Hierdoor wordt voorzien van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een passende parkeersituatie.

4.2 Duurzaamheid en gezondheid De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.

Planspecifiek De beoogde woning wordt gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Indien de woning wordt voorzien van een buiten opgestelde installaties voor warmte- of koude opwekking, dient voor de locatiebepaling van de installaties rekening te worden gehouden met de geluidseisen van het Bbl. Aan de hand van de overige aspecten van de fysieke leefomgeving wordt duidelijk dat het aspect gezondheid op voorhand geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 25 van 45

4.3 Geluid De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

Het

•

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

•

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

•

gebouw voor kinderopvang met bedden;

•

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Woningen zijn geluidsgevoelige objecten zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen dient erop toe te worden gezien dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarden, zoals bedoeld in artikel 5.78t lid 1 Bkl. Het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de Tuinstraat. Het plangebied is verder niet gelegen binnen een geluidaandachtsgebied voor railverkeer of een geluidgezoneerd industrieterrein of luchthaven. Derhalve is voor de beoogde ontwikkeling een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 27 juni 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit dit onderzoek blijkt dat de standaardwaarde niet wordt overschreden op de gevels van de woning. Aanvullende geluidwerende maatregelen zijn niet vereist. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan met zich meebrengt.

4.4 Activiteiten en milieuzonering De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

pagina 26 van 45

Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.

Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen. Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:

•

Luchtverontreiniging.

•

Externe veiligheid en gevaar.

•

Trillinghinder.

•

Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.

•

Lichthinder.

•

Spuitzones.

•

De hinder door verkeer aantrekkende werking.

Planspecifiek Met onderhavig plan wordt één nieuwe woning mogelijk gemaakt. Woningen worden in het kader van activiteiten en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Hierdoor moet enerzijds worden bepaald of de beoogde ontwikkeling omliggende bedrijven niet belemmert in hun bedrijfsvoering en anderzijds of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde woning. Ten behoeve van een goede inpasbaarheid van activiteiten wordt gebruikgemaakt van een transponeringstabel van de VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering uit 2024, waarbij ten opzichte van de oude VNG-tabel uit 2009 de kolommen gevaar en stof zijn verwijderd en bij de kolommen geluid en geur de richtafstanden zijn omgezet van richtafstanden naar mate van functiemenging. De tabel vormt samen met een indicatieve lijst voor activiteiten met een inschatting voor geluid en geur een hulpmiddel om een inschatting te maken of een bepaalde activiteit past binnen de beschikbare milieugebruiksruimte voor geluid en geur in het omgevingsplan.

pagina 27 van 45

Voor onderhavige ontwikkeling wordt, gelet op de ligging van de planlocatie in de kern van Venhuizen met onder meer woningen, maatschappelijke voorzieningen en (kleinschalige) bedrijfsactiviteiten, uitgegaan van gemengd gebied met wonen. Hierdoor geldt er voor de planlocatie een lager beschermingsniveau. Direct ten noorden van de planlocatie bevindt zich een verzorgingstehuis (Sint Lucasstraat 9). De beoogde woning ligt op een ruime afstand van 25 m tot aan het verzorgingstehuis, terwijl het tuinhuis en ommuring van het perceel als buffer gelden. Bovendien zijn verzorgingshuizen in potentie geschikt voor functiemenging (kunnen zich direct naast woningen bevinden). Daarnaast bevindt zich op 40 m ten noordwesten van het plangebied een drogisterij (Twijver 60). Drogisterijen zijn geschikt voor functiemenging. Voorts bevindt zich op 40 m ten zuidwesten van het plangebied een café (Westeinde 1). Ook cafés zijn geschikt is voor functiemenging. Verder bevindt zich op 55 m ten westen van het plangebied een huisartsenpraktijk (Twijver 66A), die eveneens geschikt is voor functiemenging. En op 75 m ten westen bevindt zich een kerk (Westeinde 2). De beoogde woning ligt op voldoende afstand van deze kerk. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling omliggende (bedrijfs)activiteiten niet belemmert en dat ter plaatse van de woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Ook komt de nieuwe woning niet dichter op omliggende activiteiten te staan dan in de huidige situatie. Geconcludeerd wordt dat het aspect activiteiten en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.5 Luchtkwaliteit De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woningen. Door de aard en omvang is de beoogde ontwikkeling aan te merken als een project dat 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de

pagina 28 van 45

verslechtering van de luchtkwaliteit. Doordat dit gezien wordt als een NIBM-project is toetsing van het aspect luchtkwaliteit op grond van artikel 5.54 van het Bkl niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is met behulp van de Atlas leefomgeving gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2023 fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 13,6 μg/m³, 6,6 μg/m³ en 8,5 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Cultuurhistorie en archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16861647/1